[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Nota van wijziging

Wijziging van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering)

Nota van wijziging

Nummer: 2026D45393, datum: 2026-09-30, bijgewerkt: 2026-09-30 15:21, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36913 -8 Wijziging van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering).

Onderdeel van zaak 2026Z05884:

Onderdeel van zaak 2026Z19571:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 913 Wijziging van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering)
Nr. 8

NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 30 september 2026

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel E, wordt in het voorgestelde artikel 1.1.19 “bewezenverklaring, kwalificatie of sanctieoplegging” vervangen door “bewezenverklaring, kwalificatie, sanctieoplegging of beslissing op de vordering van de benadeelde partij”.

B

In artikel III, onderdeel I, wordt het voorgestelde artikel 3.4.5 als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. in geval van een transactieaanbod waarbij het totale bedrag dat is gemoeid met de transactie een bedrag van € 200.000 of meer bedraagt;.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. In de in het eerste lid genoemde gevallen kan de voorwaarde, bedoeld in artikel 3.4.6, eerste lid, onderdeel d, alleen worden gesteld voor zover de aanvaarding van die voorwaarde door de verdachte geen zelfstandige grond is voor het lager vaststellen van het te betalen bedrag dan het geschatte voordeel.

C

Na artikel IV, onderdeel A, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa

In artikel 4.1.2, tweede lid, wordt “derde en vierde lid” vervangen door “derde tot en met vijfde lid”.

D

In artikel IV, onderdeel S, wordt in het voorgestelde artikel 4.4.25, tweede lid, na “schikking” ingevoegd “, bedoeld in het eerste lid,”.

E

Artikel VI, onderdeel W, komt te luiden:

W

In artikel 6.4.12 worden, onder vernummering van het vierde lid tot zesde lid, twee leden ingevoegd, luidende:

4. Indien de rechtbank een vordering die strekt tot de toepassing van de maatregel, bedoeld in artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht, ten aanzien van een gegevensdrager of geautomatiseerd werk toewijst, kan de rechter op verzoek van de belanghebbende bevelen dat gegevens opgeslagen in, dan wel aanwezig op het voorwerp aan de belanghebbende worden verstrekt.

5. Indien de rechtbank de vordering afwijst, neemt zij de daarmee overeenkomende beslissing.

F

Artikel IX, onderdeel F, komt te luiden:

F

Artikel 36d komt te luiden:

Artikel 36d

Voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten kunnen ontoegankelijk gemaakte gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft:

a. met betrekking tot welke of met behulp waarvan een strafbaar feit is begaan; of

b. die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

G

Na artikel X wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XA

Artikel 8.11a van de Wet dieren wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. De maatregel kan inhouden:

a. geen of minder dieren, dan wel bepaalde diersoorten niet, te houden;

b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied.

2. Er wordt een zevende lid toegevoegd, luidende:

7. Indien de maatregel is opgelegd, kan de officier van justitie een reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de maatregel en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de veroordeelde gewezen op de van rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien vanwege de aard van de maatregel reclasseringstoezicht niet aangewezen is, kan de officier van justitie een andere instelling of persoon als bedoeld in artikel 7.2.1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, opdracht geven toezicht te houden.

Toelichting

A

De regeling van procesafspraken die in dit wetsvoorstel is opgenomen normeert afspraken die worden gemaakt tussen het openbaar ministerie en de verdachte – met het oog op de berechting – die van invloed zijn op de omvang van de strafzaak die aan de rechter wordt voorgelegd (tenlasteleggingsafspraken) of betrekking hebben op een of meer centrale beslissingen die de rechter moet nemen (zoals straftoemetingsafspraken). De definitiebepaling van procesafspraken die in artikel 1.1.19 is neergelegd, beoogt die reikwijdte tot uitdrukking te brengen. Dit onderdeel strekt ertoe de beslissing op de vordering van de benadeelde partij aan die definitiebepaling toe te voegen. Hiermee wordt in die bepaling verduidelijkt dat ook de vordering van de benadeelde partij onderdeel vormt van de voorgestelde wettelijke regeling van procesafspraken. Deze bevat immers begrenzingen met betrekking tot afspraken die een gezamenlijk voorstel inhouden voor de rechterlijke beslissing op de vordering van de benadeelde partij, zoals tot uitdrukking komt in het voorschrift dat dergelijke afspraken alleen kunnen worden gemaakt indien de benadeelde partij hiermee instemt (artikel 4.2.26b, derde lid).

B

Allereerst bewerkstelligt dit onderdeel dat bij de transactie – ongeacht de aard van de financiële component(en) – steeds een drempelwaarde van € 200.000 voor rechterlijke toetsing geldt. Daartoe wordt het voorgestelde artikel 3.4.5, eerste lid, onderdeel a, aangepast (artikel III, onderdeel I, van het wetsvoorstel). In het wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer is ingediend, hield die bepaling in dat de verlofprocedure bij hoge transacties van toepassing is als het geldbedrag € 200.000 of meer bedraagt (wanneer het totale bedrag van de voorgenomen transactie uitsluitend een boetecomponent kent) dan wel € 1.000.000 of meer bedraagt (wanneer het totale bedrag de optelsom is van meerdere geldelijke componenten, waaronder de voldoening van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel). De verlofprocedure voor hoge ontnemingsschikkingen is ook vanaf een drempelwaarde van € 200.000 van toepassing (artikel 4.4.25). In aansluiting op de inhoudelijke rapportage van de samenwerkende universiteiten (p. 75 en 80) is in het verslag van de Tweede Kamer door de rapporteurs gevraagd of de drempelwaarde van € 200.000 voor rechterlijke toetsing van transacties niet ook moet gelden bij voorgenomen transacties met meerdere financiële componenten, zoals transacties met een boete- en ontnemingscomponent. Daarbij wordt er in die rapportage van de universiteiten op gewezen dat de voorgestelde regeling ertoe zou leiden dat rechterlijk verlof is vereist om via een ontnemingsschikking wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 700.000 te kunnen ontnemen, terwijl diezelfde voordeelsontneming van datzelfde bedrag zonder rechterlijk verlof via een transactie kan plaatshebben indien de boetecomponent van die transactie lager is dan € 200.000. Deze uitkomst is niet beoogd en ook niet wenselijk. Daarom wordt dit onderdeel van de voorgestelde wettelijke regeling – met het oog op een consistente toepassing van de al in het wetsvoorstel gemaakte keuze om voorgenomen ontnemingsschikkingen vanaf een bedrag van € 200.000 te onderwerpen aan rechterlijke toetsing – zo aangepast dat bij de transactie en de ontnemingsschikking steeds één en dezelfde drempelwaarde van € 200.000 voor rechterlijke toetsing geldt. Met deze uniformering kan de geïntroduceerde rechterlijke toetsing bij hoge transacties en hoge ontnemingsschikkingen op eenduidige wijze bijdragen aan de legitimiteit van de inzet van deze afdoeningsmodaliteiten.

Daarnaast strekt dit onderdeel van deze nota van wijziging tot invoeging van een lid in artikel 3.4.5, dat inhoudt dat bij hoge transacties een voorwaarde die ziet op het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 3.4.6, eerste lid, onderdeel d, alleen kan worden gesteld voor zover de aanvaarding van die voorwaarde geen zelfstandige grond is voor het lager vaststellen van het te betalen bedrag dan het geschatte voordeel. Dit verzekert dat de verdachte via het accepteren van een hoge transactie geen “korting” krijgt op het vastgesteld wederrechtelijk verkregen voordeel. Hiermee wordt aangesloten bij de keuze die – mede ter uitvoering van de aangenomen motie-Van Nispen/Ellian (Kamerstukken II 2024/25, 36327, nr. 62) – al is gemaakt in de in het wetsvoorstel voorgestelde regelingen van respectievelijk procesafspraken (artikel 4.2.26b, vierde lid) en de hoge ontnemingsschikking (artikel 4.4.25, tweede lid) om het op consensuele basis ontnemen van grote criminele winsten te voorzien van een nadere wettelijke begrenzing. Ook wordt tegemoetgekomen aan de in het verslag van de Tweede Kamer door leden van verschillende fracties geuite wens om de regelingen van respectievelijk procesafspraken, de transactie en de ontnemingsschikking op het genoemde punt beter op elkaar af te stemmen.

C

Artikel 4.1.2, tweede lid, schrijft voor dat aan de verdachte die de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst een vertaling van de procesinleiding wordt uitgereikt of toegezonden of dat hij van de daarin opgenomen informatie in een voor hem begrijpelijke taal in kennis wordt gesteld. Deze informatie betreft zowel de in de procesinleiding opgenomen tenlastelegging, eventuele ad informandum gevoegde feiten als de door de officier van justitie opgeroepen procesdeelnemers (artikel 4.1.1, derde en vierde lid). Dit onderdeel van de nota van wijziging voegt daaraan toe dat in voorkomende gevallen ook de in de procesinleiding opgenomen procesafspraken moeten worden vertaald. Daartoe wordt aan artikel 4.1.2, tweede lid, een verwijzing naar artikel 4.1.1, vijfde lid, toegevoegd.

D

In dit onderdeel wordt in het voorgestelde artikel 4.4.25, tweede lid, verduidelijkt dat deze bepaling – die hiervoor in onderdeel B van deze nota van wijziging al aan de orde is gekomen – betrekking heeft op hoge ontnemingsschikkingen (artikel IV, onderdeel S, van het wetsvoorstel).

E

Bij de beantwoording van de vragen uit het verslag is gebleken dat enkele technische verbeteringen in artikel 6.4.12 moeten worden doorgevoerd, zodat de leden waaruit dat artikel bestaat beter op elkaar aansluiten. Om die reden is dit onderdeel opnieuw vastgesteld. Artikel 6.4.12, vierde lid, dat betrekking heeft op het kenbaar maken van de door de rechtbank genomen beslissing op de vordering van het openbaar ministerie aan de belanghebbende, is vernummerd tot zesde lid. Daarvóór zijn ingevoegd een vierde en vijfde lid, die raken aan de door de rechtbank te nemen beslissing op de vordering. Het nieuwe vierde lid betreft een inhoudelijke aanvulling. Dit artikellid is vergelijkbaar met artikel 4.3.17, vijfde lid. Ook ingeval de rechtbank op vordering van de officier van justitie bij afzonderlijke beslissing beslist dat een inbeslaggenomen gegevensdrager of geautomatiseerd werk aan het verkeer moet worden onttrokken, kan zij op verzoek van de belanghebbende bevelen dat gegevens opgeslagen in, dan wel aanwezig op dat voorwerp aan de belanghebbende worden verstrekt. Het vijfde lid blijft zoals eerder voorgesteld in het voorliggende wetsvoorstel.

F

Het met de eerste aanvullingswet voorgestelde artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht wordt bij deze nota van wijziging geherformuleerd, maar wijzigt niet inhoudelijk ten opzichte van de formulering in het wetsvoorstel. Met de nieuwe formulering wordt voorkomen dat verwarring ontstaat over de vraag of de zinsnede “voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten” enkel bij onderdeel b hoort of bij zowel onderdeel a als onderdeel b. De zinsnede geldt voor beide onderdelen, hetgeen met deze wijziging dus wordt verduidelijkt. De zinsnede wordt namelijk verplaatst van het einde van de bepaling naar de aanhef.

G

Artikel XA, artikel 8.11a, tweede lid, van de Wet dieren

Met de eerste aanvullingswet worden diverse regelingen met betrekking tot (bijzondere) voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan gewijzigd, met het oog op de herstructurering en uniformering ervan. Het gaat daarbij om (het toezicht op de naleving van) voorwaarden die vallen onder het bereik van de artikelen 7.2.1 en 7.7.5 en die daarmee binnen het bereik van het nieuwe Wetboek van Strafvordering vallen. De in artikel 8.11a van de Wet dieren geregelde strafrechtelijke vrijheidsbeperkende maatregel (ook wel het houdverbod genoemd) valt onder de reikwijdte van artikel 7.2.1, eerste lid, onderdeel b. Met de eerste aanvullingswet is evenwel abusievelijk de formulering van artikel 8.11a, tweede lid, onderdeel b (‘zich niet op te houden in een bepaald gebied’), niet gelijkgetrokken met die in de artikelen 6.5.1, tweede lid, onderdeel b, 7.3.9, tweede lid, onderdeel b, en 7.6.14, tweede lid, onderdeel b, van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, de artikelen 14c, tweede lid, onderdeel b, 38, tweede lid, onderdeel b, 38p, derde lid, onderdeel b, 38v, tweede lid, onderdeel b, en 77z, tweede lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van de Gratiewet (‘een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied’). Dit wordt met deze nota van wijziging hersteld.

Artikel XA, artikel 8.11a, zevende lid, van de Wet dieren

Het toezicht op de naleving van de opgelegde maatregel is nu niet expliciet geregeld in artikel 8.11a van de Wet dieren. In de memorie van toelichting bij de Wet aanpak dierenmishandeling en dierenverwaarlozing is opgemerkt dat bij de handhaving van de naleving van de opgelegde maatregel de politie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Landelijke inspectiedienst dierenwelzijn een belangrijke rol spelen. Het openbaar ministerie zal bij het vorderen van het houdverbod aan de rechter verzoeken om bij de oplegging te bepalen welke instantie er toezicht dient te houden op het naleven van het houdverbod (Kamerstukken II 2020/21, 35892, nr. 3, p. 11). Bij nader inzien zou in artikel 8.11a van de Wet dieren, net als met de eerste aanvullingswet is voorzien bij de verschillende voorwaardelijke modaliteiten en bijvoorbeeld de gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast (artikel 6.5.1) en de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, geëxpliciteerd moeten worden dat de rechter een toezichtopdracht kan geven aan een reclasseringsinstelling of aan een andere instelling of persoon. Ook in dit geval wordt van belang geacht om bij het stellen van de gedragsaanwijzing en het geven van een toezichtopdracht de veroordeelde op de van rechtswege geldende voorwaarden te wijzen dat moet worden meegewerkt aan het toezicht en de identiteitsvaststelling. Hiertoe wordt met deze nota van wijziging een zevende lid van deze strekking toegevoegd aan artikel 8.11a van de Wet dieren.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

K.T. van Bruggen

De Minister van Justitie en Veiligheid,

D.M. van Weel