[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Miljoenennota)

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2026D46396, datum: 2026-09-29, bijgewerkt: 2026-10-15 15:20, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 37035 XV-3 Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Miljoenennota).

Onderdeel van zaak 2026Z17102:

Onderdeel van zaak 2026Z20093:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


37035 XV Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Miljoenennota)

Nr. 3 Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld 29 september 2026

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 21 september 2026 voorgelegd aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Werk en Participatie. Bij brief van 25 september 2026 zijn ze door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Werk en Participatie beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Van der Lee

Adjunct-griffier van de commissie,

Van Mullekom

Bijlage 1 Vragen en antwoorden bij suppletoire begroting september 2026 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Vraag 1

Wat is de koopkrachtstijging of daling voor Werkloosheidswet (WW)- en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)-gerechtigden volgend jaar?

Antwoord 1

Huishoudens met als primaire inkomensbron een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen vallen, samen met bijstandsgerechtigden, onder de groep uitkeringsgerechtigden. Deze groep gaat er naar verwachting in doorsnee 0,1% op achteruit in 2027.

Vraag 2

Hoe hoog is het bruto- en het netto-inkomen van WW- en WIA-gerechtigden gemiddeld? Wat is het gemiddelde percentage van het laatstverdiende loon dat WW- en WIA-gerechtigden netto ontvangen (dus niet bruto)? Hoe hoog zou dit zijn als deze groep ook recht zou hebben op arbeidskorting?

Antwoord 2

Een gemiddelde WW-uitkering bedraagt op basis van voorlopige inzichten € 26.678 in 2026, een gemiddelde WGA-uitkering bedraagt € 24.102 in 2026 en een gemiddelde IVA-uitkering bedraagt € 31.043 in 2026. Ter illustratie is in onderstaande tabel een bruto-netto-berekening gemaakt om het netto-inkomen af te leiden dat hoort bij deze inkomensniveaus voor uitkeringsgerechtigden (zonder arbeidskorting), en welk bedrag aan arbeidskorting een werkende zou krijgen bij deze inkomensniveaus in 2026. Als technische invulling van de koopkrachtmiddelen voor 2027 wordt voorlopig rekening gehouden met het verhogen van de arbeidskorting in 2027 generiek met 173 euro. Het kabinet gaat graag het gesprek aan met de Kamer over de invulling van de koopkrachtmiddelen.

Tabel: netto-inkomen en misgelopen arbeidskorting bij verschillende inkomensniveaus (WW, WGA en IVA), x 1.000 euro

WW WGA IVA
Bruto-inkomen 26,7 24,1 31,0
Netto-inkomen (bij bruto-inkomensniveau) 20,3 18,6 23,0
Arbeidskorting werkende met vergelijkbaar bruto- inkomen 5,3 4,8 5,4

Vraag 3

Hoelang ontvangen mensen gemiddeld een WW-uitkering?

Antwoord 3

De gemiddelde uitkeringsduur bedroeg in 2025 26 weken.

Vraag 4

Kan de uitstroom uit de WW uitgesplitst worden naar oorzaak (afloop uitkering, werk gevonden, overgang naar bijv. WIA-uitkering)?

Antwoord 4

Onderstaande tabel geeft het totaal beëindigde WW-uitkeringen van 2025 uitgesplitst naar reden van beëindiging.

Totaal beëindigde WW-uitkeringen 2025 273.603
w.v. Redenen gerelateerd aan werk1 123.455
w.v. Maximum duur uitkering 105.300
w.v. AOW-leeftijd bereikt 4.314
w.v. Ziektewet-uitkering 18.783
w.v. Nul-uitkering a.g.v. maatregel 1.408
w.v. Detentie 116
w.v. Afwijzingen2 14.012
w.v. Overlijden 270
w.v. Overige niet genoemde redenen 5.945

Bron: UWV, Kwantitatieve informatie 2025, geraadpleegd 22-09-2026

1 Voor een nadere specificatie hiervan, zie pagina 38 van de kwantitatieve informatie UWV 2025.

2 Het gaat hier om uitkeringen die in eerste instantie toegekend maar bij herziening alsnog afgewezen zijn.

Vraag 5

Hoe groot is de groep Algemene Ouderdomswet (AOW)-gerechtigden die alleen een AOW-uitkering ontvangt? En hoe groot is de groep die een aanvullend pensioen heeft dat niet hoger is dan €500 per maand?

Antwoord 5

Uit het CBS-onderzoek1 naar inkomens van huishoudens in 2022 blijkt dat een relatief kleine groep huishoudens (1,8% oftewel circa 40.000 huishoudens) bovenop hun AOW geen of hooguit 250 euro bruto per maand aan aanvullende inkomsten had. Dit betrof vooral alleenstaande AOW’ers, even vaak vrouw als man. Een wat grotere groep (7% oftewel ruim 160.000 huishoudens) moest het in 2022 stellen met maandelijks 250 tot 500 euro bovenop de AOW. Ook dit zijn relatief vaak alleenstaanden, met naar verhouding meer alleenstaande vrouwen dan alleenstaande mannen.

Vraag 6

Hoe hoog is de daadwerkelijke netto bijstandsuitkering als percentage van het daadwerkelijke (fulltime) netto minimumloon per jaar sinds 2000?

Antwoord 6

De benodigde data over het netto minimumloon was binnen de beperkte reactietermijn niet beschikbaar voor de jaren 2000 tot en met 2007. In onderstaand overzicht zijn daarom alleen de jaren 2008 tot en met 2026 opgenomen. Zowel het wettelijk minimumloon als de hoogte van de bijstandsuitkeringen worden halfjaarlijks geïndexeerd. In onderstaand overzicht wordt uitgegaan van de bedragen per 1 januari. Voor 2008 tot en met 2014 gaat het nog om de Wet werk en bijstand (WWB). Per 1 januari 2015 is de Participatiewet ingevoerd. Alle bedragen zijn inclusief vakantietoeslag en exclusief toeslagen en gemeentelijke regelingen.

Bij het netto-minimumloon voor alleenverdieners en alleenstaanden wordt uitgegaan van een 36-urige werkweek zonder kinderen. Bij de tweeverdieners gaat het om partners die allebei 18 uur per week werken en geen kinderen hebben.

Bij de bijstandsnormen voor gehuwden en alleenstaanden wordt aangenomen dat er geen kostendelende medebewoners zijn. Verder wordt aangenomen dat de personen geen kinderen hebben en ouder dan 21 jaar maar jonger dan de AOW-leeftijd.

Alleen-verdiener op WML, zonder kinderen, 36 uur per week, netto Twee-verdiener op WML, zonder kinderen, beiden 18 uur per week, netto Bijstand gehuwden1 netto per maand Bijstand gehuwden1 als % van netto WML alleen-verdiener Bijstand gehuwden1 als % van netto WML twee-verdiener Alleen- staande op WML, zonder kinderen, 36 uur per week, netto Bijstand alleenstaande netto per maand2

Bijstand alleenstaande als % van

netto WML alleenstaande2

Jan 2008 € 1.369 € 1.300 € 1.260 92% 97% € 1.197 € 630 tot € 882 53% tot 74%
Jan 2009 € 1.386 € 1.329 € 1.284 93% 97% € 1.229 € 642 tot € 899 52% tot 73%
Jan 2010 € 1.394 € 1.349 € 1.299 93% 96% € 1.250 € 650 tot € 909 52% tot 73%
Jan 2011 € 1.402 € 1.364 € 1.314 94% 96% € 1.269 € 657 tot € 920 52% tot 72%
Jan 2012 € 1.419 € 1.391 € 1.336 94% 96% € 1.295 € 668 tot € 935 52% tot 72%
Jan 2013 € 1.422 € 1.379 € 1.322 93% 96% € 1.311 € 661 tot € 925 50% tot 71%
Jan 2014 € 1.479 € 1.423 € 1.355 92% 95% € 1.373 € 677 tot € 948 49% tot 69%
Jan 20153 € 1.497 € 1.448 € 1.373 92% 95% € 1.399 € 961 69%
Jan 2016 € 1.578 € 1.480 € 1.390 88% 94% € 1.491 € 973 65%
Jan 2017 € 1.594 € 1.502 € 1.404 88% 93% € 1.519 € 983 65%
Jan 2018 € 1.602 € 1.522 € 1.417 88% 93% € 1.539 € 992 64%
Jan 2019 € 1.648 € 1.585 € 1.465 89% 92% € 1.593 € 1.026 64%
Jan 2020 € 1.687 € 1.656 € 1.503 89% 91% € 1.642 € 1.052 64%
Jan 2021 € 1.729 € 1.734 € 1.536 89% 89% € 1.697 € 1.075 63%
Jan 2022 € 1.748 € 1.772 € 1.560 89% 88% € 1.732 € 1.092 63%
Jan 2023 € 1.950 € 2.066 € 1.708 88% 83% € 1.950 € 1.196 61%
Jan 2024 € 2.114 € 2.231 € 1.834 87% 82% € 2.114 € 1.284 61%
Jan 2025 € 2.216 € 2.296 € 1.922 87% 84% € 2.216 € 1.345 61%
Jan 2026 € 2.301 € 2.428 € 2.002 87% 82% € 2.301 € 1.402 61%

1 Gehuwden of daaraan gelijk gestelde ongehuwd samenwonenden.

2 Bij de Wet werk en bijstand (WWB) was de alleenstaandennorm 50% van het netto referentieminimumloon. Een alleenstaande kon echter ook een toeslag van maximaal 20% krijgen, waarmee een alleenstaande op 70% van het netto referentieminimumloon kon uitkomen. Voor de volledigheid zijn daarom voor de jaren 2008 t/m 2014 zowel de minimale 50%-norm als de maximale 70%-norm opgenomen in de tabel.

3 Per 1 januari 2015 is de Participatiewet ingevoerd.


Vraag 7

Op welke posten is de daadwerkelijke stijging van uitgaven groter dan de verwachte loon- en prijsbijstelling?

Antwoord 7

Voor de uitkeringsregelingen geldt dat de toegekende loon- en prijsbijstelling (de zogenoemde nominale ontwikkeling) is gebaseerd op de wettelijke indexatie. De prijscomponent van deze uitgaven stijgt daardoor niet meer of minder dan verwacht. Voor de overige budgetten is het niet mogelijk om bij te houden of de toegekende loon- en prijsbijstelling in de pas loopt met de daadwerkelijke ontwikkeling.

Vraag 8

Constaterende dat er € 7 miljoen is overgeheveld van artikel 11 naar artikel 96 Apparaat voor de vernieuwing van het applicatielandschap bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN)-unit Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), hoe staat het uitgeven van deze middelen ervoor? Volgt de verbetering van de RCN-unit SZW het vooraf bepaalde tijdspad of is er vertraging in de opvolging van aanbevelingen van de Rekenkamer?

Antwoord 8

De overheveling van de middelen van artikel 11 naar artikel 96 is van administratieve aard. De incidentele middelen voor de vernieuwing van het applicatielandschap bij de RCN-unit SZW worden zo gescheiden van de reguliere uitvoeringskosten van de RCN-unit SZW en op de juiste plek in de begroting verantwoord. Tegelijkertijd wordt in deze september suppletoire € 4,4 miljoen van de € 7 miljoen doorgeschoven naar 2027 en 2028, zodat het kasritme weer overeenkomt met de verwachte voortgang en uitbetalingen van het project.

De RCN-unit SZW is bezig de aanbevelingen van de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer verder te implementeren. In 2026 worden de (interne) eerste- en tweedelijnscontroles verder verstevigd. Tegelijkertijd is de aanbesteding gestart om het ICT-landschap te moderniseren. Het streven was daarbij om in het najaar van 2026 een ICT-leverancier te contracteren, echter hierbij is een vertraging van ongeveer zes maanden opgetreden. Totdat de volledige modernisering van het ICT-landschap is afgerond, wat wordt verwacht in 2028, worden de benodigde handmatige en organisatorische controles gehandhaafd.

Vraag 9

Gegeven dat over de Stimuleringsregeling Leren en Ontwikkelen in midden- en kleinbedrijf (SLIM-MKB) in de memorie van toelichting te lezen is: 'Een deel (€10,5 miljoen van de €60 miljoen) van het kasbudget voor de SLIM in 2026 wordt ingezet ter dekking bij de augustusbesluit-vorming.' en concluderende dat dit deel van het kasbudget wordt dus niet besteed aan de SLIM-subsidie, waar gaat dit van ten koste met betrekking tot de doelstelling van deze regeling?

Antwoord 9

De SLIM-regeling stimuleert werknemers in het mkb om zich te ontwikkelen en uiteindelijk scholing te volgen. De regeling is specifiek gericht op het mkb omdat mkb-ondernemers vaak minder tijd, budget of HR-capaciteit hebben dan grote ondernemingen. Het helpt hen daarmee om een Leven Lang Ontwikkelen (LLO) structureel in te bedden. De regeling draagt bij aan voldoende gekwalificeerde werknemers en aan een wendbare beroepsbevolking, wat in het kader van de Talentstrategie van belang is. Door het inzetten van het budget voor SLIM MKB kunnen tijdelijk minder mkb-werknemers worden gestimuleerd om zich te ontwikkelen en uiteindelijk scholing te volgen. Voor een deel van het budget van SLIM MKB geldt dat dit anders is ingezet omdat de uitgaven aan SLIM MKB dit jaar naar verwachting lager uit zullen vallen dan eerder verwacht.

Vraag 10

Hoe verklaart u de verhoging van de geraamde uitgaven aan de compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid (AO) met ongeveer € 116 miljoen?

Antwoord 10

De opwaartse bijstelling van de geraamde uitgaven aan de compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid met circa € 116 miljoen is het gevolg van de uitstel en de wijziging van de beperking van de compensatieregeling transitievergoeding tot kleine werkgevers van 1 juli 2026 naar een volledige afschaffing per 1 januari 2028. Hierdoor treedt er niet langer een besparing op in 2026. Dit heeft in 2026 een opwaarts effect van circa € 91 miljoen. Daarnaast is de raming voor 2026 aangepast voor de loon- en prijsontwikkeling in 2026. Dit heeft een opwaarts effect van circa € 24 miljoen.

Vraag 11

Hoeveel werkgevers zullen naar verwachting vanaf 1 januari 2028 geen aanspraak meer kunnen maken op compensatie van de transitievergoeding als gevolg van de voorgenomen volledige afschaffing van de regeling, uitgesplitst naar kleine, middelgrote en grote werkgevers

Antwoord 11

Het aantal toekenningen neemt vanaf 1 januari 2028 af met circa 45.000 per jaar. Het aandeel van deze toekenningen bij kleine werkgevers en (middel)groot werkgevers wordt geraamd op respectievelijk 19% en 81%. Er kunnen meerdere toekenningen per werkgever plaatsvinden in een jaar.

Vraag 12

Constaterende dat de uitgaven aan de Compensatieregeling transitievergoeding worden herzien, kunt u een actuele raming geven van de omvang van deze regeling voor langdurige AO en bij pensionering en overlijden? Wat levert het afschaffen hiervan op t/m 2031 en structureel, voor respectievelijk kleine en grote werkgevers?

Antwoord 12

De onderstaande tabel geeft de huidige raming voor de Compensatieregeling transitievergoeding voor langdurige AO en bij pensionering en overlijden.

(x € mln.) 2026 2027 2028 2029 2030 2031
Uitgaven Compensatieregeling LAO 677 709 247 0 0 0
Uitgaven Compensatieregeling BE 11 11 4 0 0 0

In de tabel hieronder wordt het geraamde budgettaire effect van de afschaffing van de compensatieregeling transitievergoeding per 1 januari 2028 weergegeven, zoals verwerkt in de begroting 2027.

(x € mln.) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 struc.
Uitgaven Compensatieregeling LAO 0 0 -495 -778 -817 -857 -857

w.v. kleine werkgevers

0 0 -94 -148 -156 -163 -163

w.v. (middel)grote werkgevers

0 0 -401 -630 -662 -693 -693
Uitgaven Compensatieregeling BE 0 0 -7 -11 -11 -11 -11

w.v. kleine werkgevers

0 0 -7 -11 -11 -11 -11

w.v. (middel)grote werkgevers

0 0 0 0 0 0 0
Uitvoeringskosten en kosten Raad voor de Rechtspraak 0 0 -2.5 -2.5 -2.5 -2.5 -2.5
Totaal 0 0 -505 -792 -831 -870 -870

Vraag 13

Kunt u een overzicht geven van het oorspronkelijke budget voor de SLIM-regeling? Kunt u een overzicht geven van wanneer er en voor hoeveel er middelen uit het SLIM-budget zijn gebruikt ter dekking elders?

Antwoord 13

Het SLIM-budget bestaat uit middelen voor de Stimuleringsregeling LLO in het MKB (SLIM MKB) en de SLIM-scholingsregeling. Het oorspronkelijke budget uit 2020 voor de SLIM MKB bedroeg structureel € 49,4 miljoen. Voor de SLIM-scholingsregeling is in 2024 in totaal incidenteel € 73,7 miljoen beschikbaar gesteld, later zijn er nog aanvullende middelen beschikbaar gesteld. Op beide budgetten zijn de afgelopen jaren diverse mutaties geweest, waaronder het toekennen van loon- en prijsbijstellingen en kasschuiven. Onderstaande tabel geeft een overzicht van mutaties waarbij middelen uit SLIM MKB of SLIM Scholing zijn ingezet ter dekking, onder andere voor diverse subsidietaakstellingen. Het resterende structurele budget voor SLIM MKB bedraagt circa € 41,7 miljoen.

x € 1 mln. 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 struc.
MJN 2021* -41,5 0
MJN2023 -10,2 -10,2 -10,2 -10,2 -10,2 -10,2 -10,2 -10,2
MJN2025 -25 -62,8 -21,4 -11,2 -16,1 -17,0 -17,0 -17,0
VJN2025 -13,6 -13,0 -13,1
VJN2026 -0,9 -0,9 -0,9 -0,9 -0,9 -0,9
MJN2027 -10,5

* de middelen zijn via een Nota van Wijziging op de SZW-begroting 2021 als dekking ingezet. Bij de Voorjaarsnota 2021 is dit deels gecorrigeerd, de genoemde bedragen betreffen het per saldo budget dat ter dekking is ingezet.

Vraag 14

Wordt de vermindering van de SLIM-subsidie in mindering gebracht op de subsidietaakstelling van SZW? Zijn er voornemens om nog in 2026 en in 2027 op de SLIM-regeling te bezuinigen in het kader van de subsidietaakstelling?

Antwoord 14

De vermindering van de SLIM-subsidie wordt niet in mindering gebracht op de subsidietaakstelling van SZW. De subsidietaakstelling op de SZW-begroting is bij Voorjaarsnota 2026 reeds ingevuld, onder meer vanuit SLIM MKB.

Vraag 15

Hoeveel personen zouden volgens de oorspronkelijke begroting in 2026 een bijstandsuitkering ontvangen en hoeveel personen zullen volgens de meest recente raming in 2026 een bijstandsuitkering ontvangen? Kunt u aangeven wat de oorzaken zijn van een eventuele stijging of daling van het aantal bijstandsgerechtigden?

Antwoord 15

Een bijstandsuitkering wordt verstrekt op huishoudniveau. Gehuwden/paren krijgen samen één bijstandsuitkering. In de bijstandsraming en de begroting wordt daarom rekening gehouden met het aantal bijstandsuitkeringen. Dit ligt lager dan het aantal personen met bijstand.

In de begroting 2026 werd uitgegaan van 352.690 bijstandsuitkeringen in 2026. In de meest recente raming wordt uitgegaan van 352.596 bijstandsuitkeringen in 2026. Ten opzichte van de begroting 2026 is het aantal bijstandsuitkeringen voor 2026 dus met 94 uitkeringen gedaald. Dit komt doordat de realisaties over 2025 lager zijn uitgevallen dan verwacht, wat ook doorwerkt in 2026 en verder. Daarnaast zorgt de nieuwe werkloosheidsverwachting van het CPB ook voor een daling van het aantal bijstandsuitkeringen. Daar staat tegenover dat de banenafspraak niet is gehaald, wat naar verwachting voor een stijging van het aantal bijstandsuitkeringen zorgt. Per saldo leidt dit alles tot een lichte daling van het verwachte aantal bijstandsuitkeringen in 2026.

Vraag 16

Welk deel van de verhoging van het bijstandsbudget wordt veroorzaakt door hogere uitkeringsbedragen en welk deel door een eventuele stijging van het aantal bijstandsgerechtigden?

Antwoord 16

Het budget voor de algemene bijstand (onderdeel van het macrobudget Participatiewetuitkeringen) is ten opzichte van de begroting 2026 met € 247,3 miljoen naar boven bijgesteld voor 2026. Hiervan komt € 250,8 miljoen door hogere uitkeringsbedragen, zoals de aanpassing naar prijspeil 2026. Daar staat tegenover dat het verwachte aantal bijstandsuitkeringen voor 2026 licht is gedaald. Hierdoor daalt het bijstandsbudget met € 3,5 miljoen. Per saldo leidt dit tot een stijging van het bijstandsbudget met € 247,3 miljoen.

Vraag 17

Hoeveel personen zouden volgens de oorspronkelijke begroting in 2026 een bijstandsuitkering ontvangen en hoeveel personen zijn dat volgens de meest recente raming?

Antwoord 17

Een bijstandsuitkering wordt verstrekt op huishoudniveau. Gehuwden/paren krijgen samen één bijstandsuitkering. In de bijstandsraming en de begroting wordt daarom rekening gehouden met het aantal bijstandsuitkeringen. Dit ligt lager dan het aantal personen met bijstand.

In de begroting 2026 werd uitgegaan van 352.690 bijstandsuitkeringen in 2026. In de meest recente raming wordt uitgegaan van 352.596 bijstandsuitkeringen in 2026. Ten opzichte van de begroting 2026 is het aantal bijstandsuitkeringen voor 2026 dus met 94 uitkeringen gedaald. Dit komt doordat de realisaties over 2025 lager zijn uitgevallen dan verwacht, wat ook doorwerkt in 2026 en verder. Daarnaast zorgt de nieuwe werkloosheidsverwachting van het CPB ook voor een daling van het aantal bijstandsuitkeringen. Daar staat tegenover dat de banenafspraak niet is gehaald, wat naar verwachting voor een stijging van het aantal bijstandsuitkeringen zorgt. Per saldo leidt dit alles tot een lichte daling van het verwachte aantal bijstandsuitkeringen in 2026.

Vraag 18

Kunt u aangeven hoeveel bijstandsgerechtigden in 2026 de Nederlandse nationaliteit hebben en hoeveel een andere nationaliteit, uitgesplitst naar nationaliteit?

Antwoord 18

In onderstaande tabel staat het aantal mensen met een algemene bijstandsuitkering tot de AOW-leeftijd uitgesplitst naar herkomstland van maart 2026. Een specifieke uitsplitsing naar nationaliteit is bij deze databron niet mogelijk. Het gaat hier om een uitsplitsing naar migratieachtergrond, waarbij de hier geboren tweede generatie ook tot de groep Europa of Buiten Europa wordt gerekend. Waarschijnlijk heeft een groot deel van de mensen met een migratieachtergrond de Nederlandse nationaliteit. Zo bleek uit cijfers over 2024 dat circa 80% van de huishoudens met bijstand een aanvrager met de Nederlandse nationaliteit heeft (CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek 2024).

Herkomstland
Personen met bijstand Totaal Nederland Europa (excl. Nederland) Buiten Europa
Maart 2026 412.300 135.880 25.920 250.510

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 21-09-2026.

Vraag 19

Hoeveel personen die in 2026 voor het eerst een bijstandsuitkering ontvangen, hebben daarvoor nooit in Nederland gewerkt?

Antwoord 19

Deze vraag is niet te beantwoorden op basis van de beschikbare data.

Vraag 20

Hoeveel bijstandsgerechtigden ontvangen in 2026 langer dan vijf jaar onafgebroken een bijstandsuitkering?

Antwoord 20

In het eerste kwartaal van 2026 ontvingen 192.550 mensen langer dan vijf jaar een bijstandsuitkering (bron: CBS, Statline, geraadpleegd 21-09-2026).

Vraag 21

Hoeveel personen zijn in 2026 vanuit de bijstand uitgestroomd naar betaald werk?

Antwoord 21

De gevraagde cijfers voor 2026 zijn nog niet beschikbaar. In 2025 zijn bijna 55.000 mensen vanuit de bijstand gestart met een baan. Niet iedereen stroomt volledig uit, aangezien mensen ook parttime kunnen werken. Volgens de Divosa benchmark bedroeg in 2025 het percentage volledige uitstroom naar werk 7,9%. Dat zijn ongeveer 32.500 mensen.

Vraag 22

Hoeveel statushouders ontvangen in 2026 een bijstandsuitkering en welk bedrag is hiermee gemoeid?

Antwoord 22

De gevraagde cijfers voor 2026 zijn niet beschikbaar. Volgens de Factsheet Statushouders en bijstand van Atlas Research vormden statushouders in juni 2024 13,2% van de bijstandspopulatie (circa 53.000 personen). Het is niet mogelijk om hier een bedrag aan te koppelen. De hoogte van de uitkering hangt immers onder andere af van huishoudsamenstelling, leeftijd en (mogelijke) bijverdiensten. Deze gegevens zijn niet beschikbaar.

Vraag 23

Hoe verklaart u de verhoging van de geraamde Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)-uitkeringslasten met € 21,4 miljoen?

Antwoord 23

De raming van de AIO-uitkeringslasten wordt met € 21,4 miljoen naar boven bijgesteld vanwege de aanpassing naar prijspeil 2026.

Vraag 24

Hoeveel personen ontvangen volgens de meest recente raming in 2026 een AIO-uitkering en hoeveel waren dat volgens de oorspronkelijke begroting?

Antwoord 24

In de SZW-begroting 2026 gingen we uit van 56.491 huishoudens met een AIO-uitkering. In de meest recente raming van de Voorjaarsnota 2026 is de verwachting dat 57.390 huishoudens een AIO-uitkering ontvangen in 2026.

Vraag 25

Kunt u aangeven hoeveel AIO-gerechtigden in 2026 de Nederlandse nationaliteit hebben en hoeveel een andere nationaliteit, uitgesplitst naar nationaliteit?

Antwoord 25

Gegevens over nationaliteit van AIO-gerechtigden worden niet verzameld. Er is wel inzicht in geboorteland van AIO-gerechtigden. Cijfers van SVB t/m juli 2026 laten zien dat er 5.648 huishoudens in de AIO zijn waarvan de oudste partner is geboren in Nederland.

Vraag 26

Hoeveel AIO-gerechtigden hebben minder dan tien jaar in Nederland gewoond voordat zij een AIO-uitkering ontvingen?

Antwoord 26

Hierover zijn geen cijfers beschikbaar.

Vraag 27

Hoeveel AIO-uitkeringen zijn in 2026 beëindigd of teruggevorderd vanwege de vastgestelde fraude met inkomen, vermogen of de woon- en leefsituatie?

Antwoord 27

De gevraagde cijfers voor 2026 zijn nog niet beschikbaar. In 2025 was bij de AIO sprake van 567 geconstateerde overtredingen. Het bedrag aan terugvorderingen was in totaal circa € 1,5 miljoen. Van de 567 overtredingen hadden er 86 betrekking op inkomen waaronder vermogen en 30 op leefvorm.

Vraag 28

Hoeveel huishoudens kunnen naar verwachting in 2026 en 2027 gebruikmaken van het Noodfonds Energie?

Antwoord 28

Op basis van de voorgenomen combinaties van inkomens- en energiequotegrenzen2 verwacht het kabinet dat ongeveer 500.000 huishoudens in aanmerking zullen komen voor een tegemoetkoming van het Noodfonds Energie.

Vraag 29

Hoeveel aanvragen voor ondersteuning uit het Noodfonds Energie verwacht het kabinet in 2026 en 2027?

Antwoord 29

Het kabinet verwacht dat ongeveer 640.000 huishoudens een aanvraag zullen doen bij het Noodfonds Energie. Deze verwachting is gebaseerd op eerdere edities van het Tijdelijk Noodfonds Energie.

Vraag 30

Kunnen huishoudens met een middeninkomen aanspraak maken op ondersteuning uit het Noodfonds Energie?

Antwoord 30

Het Noodfonds Energie wordt zo ingericht dat de ondersteuning terechtkomt bij de meest financieel kwetsbare huishoudens. Dat wil zeggen, bij huishoudens met een relatief laag inkomen én een relatief hoge energierekening. Zie antwoord 31 voor de inkomensgrenzen.

Vraag 31

Kunt u aangeven bij welk bruto-jaarinkomen het recht op ondersteuning uit het Noodfonds Energie vervalt, uitgesplitst naar alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners?

Antwoord 31

Het recht op een tegemoetkoming vervalt voor huishoudens met een bruto-jaarinkomen vanaf 200% van het sociaal minimum. Daarnaast hangt het recht op een tegemoetkoming af van de energiequote: de verwachte maandelijkse energiekosten als percentage van het gemiddelde bruto -maandinkomen.

Het Noodfonds Energie zal uitgaan van het verzamelinkomen of belastbaar loon zoals bekend bij de Belastingdienst, want dit zijn de meest betrouwbare en complete inkomensgegevens die de overheid heeft. Tijdens de openstelling van het Noodfonds Energie zullen de meest recente inkomensgegevens over 2025 gaan. Het inkomen zal daarom worden getoetst tegen inkomensgrenzen die zijn gebaseerd op het sociaal minimum in 2025. Voor een eenpersoonshuishouden (alleenstaande, zonder medebewoners) zal de inkomensgrens ongeveer € 41.000 op jaarbasis zijn; voor een tweepersoonshuishouden (alleenverdiener of tweeverdiener) zal het ongeveer € 57.000 zijn. De exacte bedragen worden bekendgemaakt voordat het Noodfonds Energie open gaat.

Huishoudens met een bruto-jaarinkomen lager dan 130% van het sociaal minimum moeten een energiequote van 8% of hoger hebben om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming; huishoudens met een bruto-jaarinkomen tussen 130% en 200% van het sociaal minimum moeten een energiequote van 10% of hoger hebben om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming.3 Voor de berekening van de energiequote zal het inkomen uit 2025 worden geïndexeerd.

Vraag 32

Hoeveel personen zijn in 2026 na afloop van hun WW-uitkering doorgestroomd naar de bijstand?

Antwoord 32

Deze cijfers over 2026 zijn nog niet beschikbaar. De meest recent beschikbare cijfers zijn over 2024. In 2024 werd de WW-uitkering van bijna 246.870 mensen beëindigd. Ruim 9.250 mensen ontvingen daarna een bijstandsuitkering.

Vraag 33

Hoeveel personen met een onvolledige AOW-uitkering ontvangen daarnaast een AIO-uitkering en wat zijn de totale geraamde uitgaven aan deze aanvullende inkomensvoorziening in 2026?

Antwoord 33

De verwachting is dat in 2026 iets meer dan 57.000 huishoudens een AIO-uitkering ontvangen. In de meest recente raming zijn de totale AIO-uitgaven in 2026 geraamd op € 558,7 miljoen.

Vraag 34

Waarom wordt € 153 miljoen aan verplichtingen voor het Noodfonds Energie van 2027 naar 2026 gehaald?

Antwoord 34

Bij inwerkingtreding van de ministeriële regeling met de uitwerking van het Noodfonds Energie gaat het kabinet een verplichting aan voor alle tegemoetkomingen. Daarom wordt het volledige verplichtingenbudget (in totaal € 193 miljoen, waarvan € 40 miljoen al in 2026 stond) naar 2026 geschoven. De bijbehorende kasuitgaven vinden naar verwachting grotendeels plaats in 2027.

Vraag 35

Welke uitgaven zijn er daadwerkelijk gedaan aan het Noodfonds Energie in 2026 tot nu? Welke staan er nog op de planning? Worden de doelen voor deze regeling wel behaald?

Antwoord 35

Alleen voor de uitvoeringskosten zijn de eerste uitgaven gedaan. Dat gaat tot dusver om circa € 1,8 miljoen aan Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie voor de inrichting van de regeling. Over de voortgang van het Noodfonds Energie wordt u nog deze maand geïnformeerd in een Kamerbrief.

Vraag 36

Hoeveel personen ontvangen volgens de meest recente raming in 2026 een Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)-uitkering en hoe verhoudt dit aantal zich tot de oorspronkelijke raming?

Antwoord 36

Volgens de meest recente raming van SZW ontvangen in 2026 circa 249.000 personen een Wajonguitkering (zie ook de Begroting 2027, artikel 4). In de Begroting 2026 is uitgegaan van circa 248.000 personen.

Vraag 37

Kunt u aangeven welk deel van de verhoging van het Wajong-budget met € 207,1 miljoen wordt veroorzaakt door hogere uitkeringsbedragen en welk deel door een eventuele verandering in het aantal Wajong-gerechtigden?

Antwoord 37

De verhoging van de uitkeringslasten met € 207,1 miljoen is in zijn geheel de prijsindexatie voor 2026. Hierbij zijn geen wijzigingen in het aantal Wajong-gerechtigden. Een mogelijke wijziging in de volumes in 2026 zal worden verwerkt in de tweede suppletoire begroting bij Najaarsnota 2026.

Vraag 38

Hoeveel Wajong-gerechtigden verrichten in 2026 betaald werk en hoeveel personen zijn in 2026 vanuit de Wajong uitgestroomd naar betaald werk?

Antwoord 38

Op basis van de informatie uit de kwantitatieve informatie UWV van de eerste vier maanden in 2026 zijn er ongeveer 57.000 werkende Wajonggerechtigden met arbeidsvermogen (nDGA). Wajongers die aan het werk gaan, stromen niet direct uit de Wajong. Het inkomen uit werk wordt de eerste vijf jaar verrekend met de uitkering en daarna vindt er een herbeoordeling plaats.

Vraag 39

Hoeveel budget is er totaal voor re-integratie enerzijds en scholing anderzijds van WW'ers? Is dit een separaat budget dan voor andere werknemersverzekeringen?

Antwoord 39

In 2026 is er € 3,1 miljoen beschikbaar voor de inkoop van re-integratietrajecten voor WW’ers met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Daarnaast is er in 2026 € 15,1 miljoen beschikbaar voor scholing van WW-gerechtigden. Deze beide budgetten zijn enkel toegankelijk voor WW-gerechtigden. Vanuit het re-integratiebudget op artikel 3 ontvangt UWV één taakstellend budget om werkvoorzieningen te verschaffen en om re-integratietrajecten in te kopen voor personen in de WIA/WAO/WAZ/ZW. Dit taakstellend budget kan ook worden ingezet voor re-integratietrajecten voor mensen in de WW die zijn afgewezen voor WIA omdat ze minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn (WW 35-min).

Vraag 40

Hoeveel budget is er voor re-integratie van Ziektewet (ZW)?

Antwoord 40

De kosten voor re-integratie van mensen in de Ziektewet zijn onderdeel van het re-integratiebudget op artikel 3. UWV ontvangt hiervoor één taakstellend budget om werkvoorzieningen te verschaffen en om re-integratietrajecten in te kopen voor personen in de WIA/WAO/WAZ/ZW/WW 35-min (artikel 3) en de Wajong (artikel 4). In 2026 bevat dit taakstellend budget in totaal € 225,9 miljoen.

Vraag 41

Hoe ziet re-integratie binnen de ZW uit? Welke rol pakt het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)? Wat is hier wettelijk over afgesproken? Hoe ziet dit er in de praktijk uit?

Antwoord 41

Wettelijk gezien is UWV verantwoordelijk voor de re-integratiebegeleiding van Ziektewetgerechtigden zonder werkgever van wie de ex-werkgever geen eigenrisicodrager voor de Ziektewet (ZW) is. Voor ZW-gerechtigden met werkgever en ZW-gerechtigden van wie de ex-werkgever eigenrisicodrager is, is de (ex-)werkgever verantwoordelijk voor de re-integratie.

Voor de ZW-gerechtigden voor wie UWV verantwoordelijk is, zet UWV in op activerende re-integratiedienstverlening. Dit houdt onder andere in dat mensen die langer dan 13 weken ziek zijn, een persoonlijk voorlichtingsgesprek krijgen. Ook stellen de re-integratiebegeleider en de ZW-gerechtigde samen een plan van aanpak op. Daarnaast heeft UWV drie pilots opgezet, waarin onderzocht wordt welke begeleiding het meest effectief is voor ZW-gerechtigden zonder werkgever.4

Vraag 42

Wat is de begeleiding die nu plaatsvindt op flexwerkers in de ZW? Wat vindt daar in de praktijk van plaats?

Antwoord 42

De begeleiding van flexwerkers in de Ziektewet is hetzelfde als voor andere ZW-gerechtigden zonder werkgever. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar het antwoord op vraag 41.

Vraag 43

Hoeveel van de flexwerkers in de ZW doen een aanvraag voor de WIA? Hoeveel van hen stromen vervolgens in de WIA in?

Antwoord 43

Van de mensen die vallen onder de groep eindedienstverbanders of uitzendkrachten en de ZW instromen deed circa 27% in 2025 een aanvraag voor de WIA. Van de mensen die vanuit de ZW een aanvraag voor de WIA doen stroomt circa 65% de WIA in. Deze cijfers worden niet uitgesplitst voor de specifieke vangnetgroepen.

Vraag 44

Kunt u een overzicht geven van hoeveel mensen uit de vangnet ZW een flexibel contract hadden? Kunt u dit uitsplitsen in flex einde-dienstverbanders, flex uitzendkrachten, flex overig (en wat daar onder valt) en overige vangnet groepen (en wat daar onder valt)?

Antwoord 44

In 2025 was 11% van het aantal toegekende Ziektewet-meldingen een Ziektewet-melding vanuit een flexibel contract.

Het percentage Ziektewet-meldingen vanuit een flexibel contract is berekend op basis van het totaal aantal toegekende Ziektewet-meldingen en de aantallen Ziektewet-meldingen naar vangnetgroep. Deze cijfers zijn afkomstig uit de kwantitatieve informatie van UWV. Onder vangnetters horen naast flexibele contracten ook zieke zwangeren, zieke WW'ers, no-riskpolis, vrijwillig verzekerden en overige vangnet. Er zijn naar verwachting in de groep overige vangnetgroepen ook mensen met een flexibel contract. Hier is echter geen inzicht in. Deze groepen zijn in de onderstaande tabel weergegeven onder overige vangnetgroepen.

2025 %
Totaal toegekende ZW-meldingen 343.907 100%
w.o. flex - einde dienstverbanders 29.101 8%
w.o. flex - uitzendkrachten 5.232 2%
w.o. flex - overig 4.728 1%
w.o. overige vangnetgroepen1 304.846 89%

1 Zieke zwangeren, zieke WW'ers, no-riskpolis, vrijwillig verzekerden en overig.

Vraag 45

Hoe verklaart u de neerwaartse bijstelling van de premie gefinancierde uitgaven voor werkloosheid met € 219,2 miljoen?

Antwoord 45

De neerwaartse bijstelling van de premiegefinancierde uitgaven voor werkloosheid van € 219,2 miljoen is het saldo van verschillende mutaties. De WW-uitgaven zijn op basis van de concept-Marco Economische Verkenning 2027 van het Centraal Planbureau voor 2026 neerwaarts bijgesteld met circa € 169,7 miljoen. Dit is het gevolg van een lagere werkloze beroepsbevolking in 2026 dan verwacht bij de eerste suppletoire begroting, waardoor het aantal WW-uitkeringen naar verwachting lager uitvalt. Daarnaast zijn de premiegefinancierde uitgaven voor werkloosheid neerwaarts bijgesteld met € 49,5 miljoen, als gevolg van een bijstelling van de sociale lasten. Per saldo leidt dit tot een neerwaartse bijstelling van € 219,2 miljoen.

Vraag 46

Hoeveel personen zouden volgens de oorspronkelijke begroting in 2026 een WW-uitkering ontvangen en hoeveel personen zijn dat volgens de meest recente raming?

Antwoord 46

Bij de Begroting 2026 werd geraamd dat in 2026 circa 202.000 personen een WW-uitkering ontvangen. Bij Voorjaarsnota 2026 is dit bijgesteld naar 201.000 personen. Volgens de meest recente raming (Begroting 2027) zou dat in 2026 circa 197.000 personen zijn.

Vraag 47

Hoeveel WW-gerechtigden zijn in 2026 uitgestroomd naar betaald werk?

Antwoord 47

Deze cijfers over 2026 zijn nog niet beschikbaar. In 2025 is 45% van de WW-gerechtigden uitgestroomd vanwege redenen gerelateerd aan werk.

Vraag 48

Hoeveel WW-uitkeringen zijn in 2026 geëxporteerd naar het buitenland, uitgesplitst naar bestemmingsland, aantal uitkeringsgerechtigden en totale uitkeringslasten?

Antwoord 48

Deze cijfers over 2026 zijn nog niet beschikbaar. Over 2025 is bekend dat 3.077 WW-gerechtigden gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om gedurende drie maanden met behoud van uitkering in een andere EU-lidstaat, de EER of Zwitserland naar werk te zoeken. De daarmee gepaard gaande totale uitkeringslasten bedroegen circa € 13,8 miljoen.

Land/regio Aantal personen in jaar Uitgekeerd bedrag (€)
EU 3.058 13.642.937
België 47 245.097
Bulgarije 37 135.308
Duitsland 61 367.808
Frankrijk 77 449.520
Griekenland 20 78.536
Hongarije 42 172.956
Italië 42 213.244
Kroatië 14 60.346
Litouwen 18 85.399
Oostenrijk 13 55.853
Polen 2.262 9.497.352
Portugal 42 231.329
Roemenië 137 519.331
Slowakije 14 65.189
Spanje 148 976.309
Tsjechië 13 69.399
Zweden 32 232.770
Overige 39 187.192
EER en Zwitserland 19 114.257
Noorwegen 12 65.965
Overige 7 48.292
Totaal 3.077 13.757.194

Bron: UWV, Rapportage Export Uitkeringen 2025, geraadpleegd op 22-09-2026

Vraag 49

Hoeveel personen ontvangen volgens de meest recente raming in 2026 een volledige AOW-uitkering en hoeveel personen ontvangen een onvolledige AOW-uitkering?

Antwoord 49

Volgens de meest recente raming in 2026 ontvangen circa 3 miljoen personen een volledige AOW-uitkering en circa 700.000 personen een onvolledige AOW-uitkering.

Vraag 50

Hoeveel huishoudens ontvangen volgens de meest recente raming in 2026 kindgebonden budget en hoe verhoudt dit aantal zich tot de oorspronkelijke raming?

Antwoord 50

Volgens de meest recente raming in de SZW-begroting 2027 hebben in toeslagjaar 2026 naar verwachting gemiddeld circa 1,01 miljoen huishoudens recht op kindgebonden budget (WKB). In de SZW-begroting 2026 werd nog uitgegaan van circa 1,04 miljoen huishoudens. De raming voor toeslagjaar 2026 is daarmee ten opzichte van vorig jaar met 26.000 huishoudens (-2,5%) naar beneden bijgesteld.

De raming wordt periodiek aangepast op basis van de meest recente beschikbare gegevens over onder andere demografische- en inkomensontwikkelingen. De realisatiecijfers kunnen na verloop van tijd nog wijzigen, onder meer omdat het proces van definitieve toekenning vaak meerdere jaren in beslag neemt.

Vraag 51

Waarom wordt het budget voor handhaving en gegevensuitwisseling met € 600.000 verlaagd en welke gevolgen heeft dit voor de controle op de rechtmatigheid van uitkeringen?

Antwoord 51

De mutatie betreft een overboeking naar het Gemeentefonds voor pilots voor een preventieve aanpak van gestapelde problematiek, via een decentralisatie-uitkering. Deze pilots komen voort uit de Ministeriële Commissie Aanpak Ondermijning. Dit heeft geen gevolgen voor de controle op de rechtmatigheid van uitkeringen bij UWV en de SVB, omdat dit de bestaande uitvoeringsbudgetten bij UWV en de SVB niet raakt.

Vraag 52

Hoeveel uitkeringsfraude is in 2026 vastgesteld bij de bijstand, AIO en WW, uitgesplitst naar het aantal vastgestelde overtredingen en het daarmee gemoeide bedrag?

Antwoord 52

De gevraagde cijfers voor 2026 zijn nog niet beschikbaar. In 2025 waren er bij de bijstand 12.170 vorderingen in verband met geconstateerde overtredingen met financiële benadeling. Het totale benadelingsbedrag was circa € 29,5 miljoen. Het gaat hierbij om vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerder vorderingen tot gevolg hebben, dus het aantal overtredingen ligt lager. Het exacte aantal overtredingen bij de bijstand is onbekend.

In 2025 was bij de AIO sprake van 567 geconstateerde overtredingen met financiële benadeling. In alle gevallen was het benadelingsbedrag kleiner dan 50.000 euro. Het totale bedrag aan terugvorderingen was circa € 1,5 miljoen.

Voor de WW was in 2025 sprake van 344 geconstateerde overtredingen met financiële benadeling. Het totaal benadelingsbedrag bedroeg circa € 2,2 miljoen.

Vraag 53

Hoeveel aanvragen voor een WW-, WIA-, Wajong- en AIO-uitkering zijn in 2026 door het UWV en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) afgehandeld en hoeveel aanvragen zijn er nog in behandeling?

Antwoord 53

In de eerste vier maanden van 2026 heeft UWV 138.388 WW-aanvragen, 28.503 WIA-aanvragen en 3.400 Wajong-aanvragen afgehandeld. Op het moment zijn er 46.200 WIA-aanvragen en 2.477 Wajong-aanvragen in behandeling. Dit betreft zowel nieuwe aanvragen als de achterstanden. Voor de WW wordt 99% van de aanvragen binnen de wettelijke termijn afgehandeld, exacte cijfers over het aantal aanvragen dat nog in behandeling is zijn niet beschikbaar.

Tot nu toe heeft de SVB 8.389 AIO-aanvragen afgehandeld voor 2026. 1.142 AIO-aanvragen zijn nog in behandeling.

Vraag 54

Waar komt de mutatie op de suppletoire begroting op het onderdeel Remigratiewet vandaan?

Antwoord 54

Dit betreft een bijstelling op basis van de junirapportage van de SVB voor de uitkeringslasten remigratievoorziening, in verband met indexering. Overigens gaat het om een uitgefaseerde wet, waardoor nieuwe instroom niet meer mogelijk is.

Vraag 55

Kunt u de mutatie onder 'Opdracht integratie' nader specificeren?

Antwoord 55

Dit budget wordt onder andere ingezet voor decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten in het kader van Startbanen, pilot vrouwelijke statushouders meer aan het werk, weerbare samenleving en overige uitgaven in het kader van weerbare veerkrachtige samenleving, vertrouwenslijn ongewenste buitenlandse invloed, IV plateau inburgering en Towndeal Krachtige Kernen 2026.

Vraag 56

Kunt u tevens de mutatie onder 'Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)' nader specificeren?

Antwoord 56

Tijdens de voorjaarsnota zijn er per abuis mutaties geboekt op het budget van COA. De mutatie in de september suppletoire begroting betreft voor € 9,7 miljoen een correctieboeking naar het juiste budget van DUO en College van Toetsing en Examens (CvTE) ten behoeve van inburgeringsexamens. Daarnaast is het budget naar beneden bijgesteld door het naar verwachting lager aantal te realiseren trajecten dit jaar.

Vraag 57

Hoeveel personen zullen in 2026 hun inburgeringsexamen maken en hoeveel personen zullen naar verwachting zakken?

Antwoord 57

Het inburgeringsexamen bestaat uit vijf verschillende examenonderdelen (Spreekvaardigheid, Luistervaardigheid, Schrijfvaardigheid en Leesvaardigheid en Kennis van de Nederlandse maatschappij). De examenonderdelen Nederlands, kunnen op verschillende niveau’s worden afgenomen: niveau A2, B1 en B2. Deze examens kunnen worden afgelegd door personen die inburgeringsplichtig zijn, maar ook door personen die niet-inburgeringsplichtig zijn.

In de offerte van DUO is voor 2026 uitgegaan van de volgende (totale) aantallen examens over alle genoemde doelgroepen heen:

A2-examens 154.427
Kennis van de Nederlandse maatschappij (KNM)-examens 78.525
Staatsexamens Nt2 (B1 / B2) 147.131
Totaal 380.083

Omdat het inburgeringsexamen bestaat uit meerdere onderdelen, is er geen totaalpercentage van (te verwachten) gezakte kandidaten te geven. Als een kandidaat niet slaagt voor het examen is er ruimte om te herkansen. De slagingspercentages over de verschillende (taal)examenonderdelen in 2026 tot nu toe, zien er als volgt uit:

A2 B1 B2
Spreekvaardigheid 74,5% 54% 55%
Leesvaardigheid 85,4% 42% 56%
Luistervaardigheid 83,3% 43% 59%
Schrijfvaardigheid 83,5% 59% 71%

Vraag 58

Hoeveel inburgeringsplichtigen hebben in 2026 één of meerdere keren een herexamen moeten afleggen voor een inburgeringsexamen. Kunt u dit uitsplitsen van het aantal keer dat inburgeringsplichtigen herexamen hebben gedaan?

Antwoord 58

Deze cijfers zijn niet in de beantwoordingstermijn beschikbaar.

Vraag 59

Hoeveel vrijstellingen van inburgeringsexamens zijn er in 2026 verleend? Kunt u dit aantal uitsplitsen naar de verschillende gronden waarop deze vrijstellingen zijn verleend?

Antwoord 59

Op grond van de Wet inburgering 2021 (Wi2021) kan een inburgeringsplichtige geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de inburgeringsplicht, bijvoorbeeld als betrokkene (door middel van een diploma of certificaat) kan aantonen dat hij al beschikt over voldoende kennis van de Nederlandse taal en Nederlandse samenleving. Wanneer betrokkene een Nederlandse opleiding volgt die, bij succesvol afronden van deze opleiding, leidt tot een dergelijk diploma volgt een zogenaamde ‘tijdelijke’ vrijstelling die definitief wordt bij het behalen van het diploma.

In onderstaande tabel is weergegeven hoeveel volledige, gedeeltelijke en tijdelijke vrijstellingen er tot dusver in 2026 zijn verleend. Het is binnen deze korte termijn niet mogelijk gebleken om de gehele vrijstellingen uit te splitsen naar de exacte grond voor vrijstelling.

Gehele vrijstelling 2.899
Gedeeltelijke vrijstelling 79
Tijdelijke vrijstelling 4.737

Vraag 60

Wat is de maximale capaciteit van het inburgeringstraject in Nederland en hoeveel kost het om deze maximale capaciteit uit te breiden?

Antwoord 60

Voor zover er met deze vraag wordt gedoeld op de maximale capaciteit van het aantal (inburgerings)examens dat jaarlijks kan worden afgenomen, geldt dat deze vraag niet zonder meer kan worden beantwoord. De reden hiervoor, is dat de maximale capaciteit afhankelijk is van verschillende factoren. De verschillende examenonderdelen (zie het antwoord op vraag 57) hebben allemaal een verschillende tijdsduur. Dat betekent dat de maximale capaciteit afhankelijk is van de exacte aantallen examenonderdelen die aangeboden moeten worden. Verder geldt dat de kosten voor een eventuele uitbreiding van de examencapaciteit mede afhankelijk zijn van de wijze waarop de capaciteit wordt uitgebreid. De examencapaciteit kan bijvoorbeeld worden uitgebreid door het uitbreiden van de aantallen examens (nieuwe examens ontwikkelen), maar ook door de tijden waarop examens kunnen worden afgenomen te verruimen of het aantal locaties waar examens kunnen worden afgenomen uit te breiden.

Vraag 61

Constaterende dat de mutaties voor de Opdrachten Integratie € 4,36 miljoen bedragen, welke concrete opdrachten worden er met dit budget uitgevoerd?

Antwoord 61

Dit budget wordt onder andere ingezet voor decentralisatie-uitkeringen aan gemeenten in het kader van Startbanen, pilot vrouwelijke statushouders meer aan het werk, weerbare samenleving en overige uitgaven in het kader van weerbare veerkrachtige samenleving, vertrouwenslijn ongewenste buitenlandse invloed, IV plateau inburgering en Towndeal Krachtige Kernen 2026.

Vraag 62

Gegeven dat de mutaties voor Vroege Integratie en Participatie zijn verlaagd met €487.000, welke concrete aspecten van het inburgeringstraject worden geannuleerd, gewijzigd of uitgesteld vanwege deze mutatie?

Antwoord 62

Dit betreft verschillende bijstellingen, waarvan in 2026 € 1,2 miljoen is ontvangen van het ministerie van J&V ten behoeve van de meedoenbalies (jaarlijks € 5 miljoen t/m 2035, zie Begroting 2027). Daarnaast gaat het om een correctieboeking van een kasschuif van € 2 miljoen die op het onjuiste budget is geboekt en de prijsindexatie van € 0,3 miljoen. Dit heeft geen inhoudelijke consequenties voor de trajecten in het kader van vroege participatie en integratie.

Vraag 63

Waarom wordt het budget voor externe inhuur bij het kerndepartement van SZW met ongeveer € 5,2 miljoen verhoogd?

Antwoord 63

De verhoging van het budget ‘externe inhuur’ met € 5,2 miljoen komt voornamelijk door de uitvoering van diverse IV-projecten. Dit gaat zowel om het kerndepartement als de Nederlandse arbeidsinspectie. Het gaat bijvoorbeeld om het ontwikkelen van een zaaksysteem voor het verstrekken van subsidies of de inhuur van architecten om de impact van nieuwe ICT op het IV-landschap in kaart te brengen. Naar verwachting komen daarmee de totale jaaruitgaven voor externe inhuur uit op € 19,3 miljoen in 2026 (ten opzichte van € 23,7 miljoen in 2025).

Vraag 64

Kunt u een uiteenzetting geven van de middelen op artikel 99? Hoeveel middelen resteren er voor 2026? Welke van deze zijn vrij besteedbaar (dus in niet juridisch verplicht, beleidsmatig gereserveerd of anderzijds voorzien van een bestemming)?

Antwoord 64

Op artikel 99 staan reserveringen voor beleid en apparaat. De middelen in 2026 voor beleid zijn beleidsmatig gereserveerd voor twee beleidsmaatregelen: arbeidsmarktbeleid (€ 3,6 miljoen) en implementatiekosten voor het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid (€ 1,4 miljoen). De gereserveerde middelen voor apparaat (€ 13,1 miljoen) worden bij Najaarsnota doorverdeeld naar het juiste onderdeel op de begroting. De enige vrij te besteden middelen op artikel 99 zijn € 0,081 miljoen.

Vraag 65

Kunt u een totaaloverzicht geven van de middelen die van artikel 99 zijn ingezet als dekkingsmaatregelen?

Antwoord 65

Op artikel 99 staan middelen die op termijn overgeboekt moeten worden naar een andere begroting en middelen die zijn gereserveerd voor een bepaald doeleinde waarvoor de concrete besteding nog verder moet worden uitgewerkt. De middelen van artikel 99 die zijn ingezet ter dekking in de augustusbesluitvorming zijn middelen die niet meer tot besteding komen in 2026. Bijvoorbeeld doordat er minder nodig blijkt te zijn, er vertraging heeft opgetreden of plannen nog onvoldoende zijn uitgewerkt. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de middelen die zijn ingezet ter dekking.

Onderwerp Bedrag (x € mln.)
Vrijval Pensioenbeleid -0,6
Vrijval IBO-schulden -2,8
Vrijval Proactieve dienstverlening -2,6
Vrijval Verlofregeling begeleiding medische uitzending Caribisch Nederland -1,5
Vrijval Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid -0,5
Vrijval Arbeidsmarktbeleid -0,3
Vrijval EU-richtlijn loontransparantie -0,5
Vrijval Participatiewet in balans -1,9
Vrijval Verlate ontvangst bijdrage VWS banenafspraak -1,6
Vrijval Loon- en prijsbijstelling -16,6

  1. CBS – Materiële welvaart in Nederland (2024)↩︎

  2. Kamerstukken II 2025/2026, 36 933, nr. 44↩︎

  3. Kamerstukken II 2025/2026, 36 933, nr. 44↩︎

  4. Kamerstukken II, 2024-2025, 26 448, nr. 846↩︎