[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Miljoenennota)

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2026D46442, datum: 2026-09-29, bijgewerkt: 2026-10-13 09:43, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 37035 XXII-3 Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Miljoenennota).

Onderdeel van zaak 2026Z17098:

Onderdeel van zaak 2026Z20107:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


37 035 XXII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Miljoenennota)

Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 29 september 2026

De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 21 september 2026 voorgelegd aan de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Bij brief van 25 september 2026 zijn ze door de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Bromet

Adjunct-griffier van de commissie,

Beekmans

Vraag 1:

Vraag:

Hoe wordt omgegaan met middelen die een gemeente uiteindelijk niet of niet volledig kan besteden, in het geval van middelen voor Woningbouw Op Korte Termijn (WOKT) die aan gemeenten worden toegekend voor specifieke projecten?

Antwoord:

Wanneer bij de vaststelling van de toegekende specifieke uitkering blijkt dat niet alle middelen nodig zijn geweest, worden deze teruggevorderd. Deze middelen komen weer beschikbaar voor het programma Woningbouw en Mobiliteit.

Vraag 2:

Vraag:

Indien een gemeente toegekende WOKT-middelen niet of niet volledig besteedt, moet het niet-bestede bedrag dan worden terugbetaald aan het Rijk? Zo ja, welke regels en termijnen gelden daarvoor?

Antwoord:

Gemeenten hebben een meldingsplicht bij omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering. Indien melding wordt gemaakt van niet benodigde middelen, zullen deze worden teruggevorderd. Indien bij vaststelling van de aanvraag blijkt dat niet alle middelen nodig zijn geweest, wordt eveneens teruggevorderd. Hiervoor zullen de reguliere termijnen conform de Algemene Wet Bestuursrecht worden gevolgd.

Vraag 3:

Vraag:

Indien eerder toegekende WOKT-middelen door een gemeente worden terugbetaald of anderszins vrijvallen, op welke wijze worden deze middelen vervolgens opnieuw verdeeld?

Antwoord:

Dit gebeurt conform de werkwijze zoals geschetst in het met de Tweede Kamer gedeelde ‘Plan van Aanpak Beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit’ (hierna: plan van aanpak), waarvan op 18 mei jl. een geactualiseerde versie is gepubliceerd.1

Hierin is opgenomen dat de minister en de staatssecretaris van IenW jaarlijks in afstemming met de minister van VRO besluiten over de inzet van vrijgevallen middelen. De nieuwe afspraken worden in de Bestuurlijke Overleggen MIRT vastgelegd. De gemaakte afspraken worden bij de eerste suppletoire begroting 2027 budgettair verwerkt.

Vraag 4:

Vraag:

Indien WOKT-middelen na een eerdere toekenning vrijvallen, worden deze middelen dan opnieuw verdeeld onder gemeenten die in dezelfde ronde al WOKT-middelen toegekend hebben gekregen? Zo ja, op basis van welke regels of criteria gebeurt dat?

Antwoord:

Middelen die vrijvallen, vloeien conform het plan van aanpak terug in het programma. Over de inzet van vrijgevallen middelen wordt in principe jaarlijks een bestuurlijk besluit genomen na een integrale afweging binnen het programma Woningbouw en Mobiliteit.

Vraag 5:

Vraag:

Indien WOKT-middelen na een eerdere toekenning vrijvallen, kunnen deze middelen ook worden toegekend aan gemeenten waarvan een aanvraag in dezelfde ronde wel aan de voorwaarden voldeed, maar vanwege het beschikbare budget niet is gehonoreerd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

In principe worden geen nieuwe projecten toegevoegd aan het programma. Over de omgang met mee- en tegenvallers wordt jaarlijks in het voorjaar een integrale afweging gemaakt. De minister van IenW kan vooruitlopend, in overleg met de minister van VRO, daarop een besluit nemen.

Vraag 6:

Vraag:

Kunt u het bedrag van 19,9 miljoen euro dat wordt teruggevorderd uitsplitsen en daarbij aangeven welk deel het gevolg is van het niet voldoen aan de voorwaarden en welk deel van het niet volledig benutten van het voorgeschoten bedrag? (blz: 4)

Antwoord:

Verreweg het grootste gedeelte (€ 19,6 mln.) van de terugvorderingen is toe te schrijven aan het niet voldoen aan de voorwaarden. De meest voorkomende reden is het niet kunnen behalen van de voorgeschreven termijnen waarbinnen het project moet worden gerealiseerd en/of voortschrijdend inzicht over de bestemming van het project/de locatie. Het restant (€ 0,3 mln.) is toe te schrijven aan het niet volledig benutten van het voorgeschoten bedrag.

Vraag 7:

Vraag:

Hoeveel gemeenten moeten middelen van de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA) terugbetalen en aan welke voorwaarden van de regeling hebben zij niet voldaan? Betreft het incidentele of structurele knelpunten in de opzet van de regeling? (blz: 4)

Antwoord:

Van de 194 gemeenten die één of meerdere aanvragen toegekend hebben gekregen, zijn er 41 gemeenten waarvoor eerder beschikte middelen zijn terugbetaald of nog moeten worden terugbetaald. Het zijn incidentele knelpunten. Zoals aangegeven bij antwoord 6 is de meest voorkomende reden het niet kunnen behalen van de voorgeschreven termijnen waarbinnen het project moet worden gerealiseerd en/of voortschrijdend inzicht over de bestemming van het project of de locatie.

Vraag 8:

Vraag:

Hoeveel woningen voor aandachtsgroepen hadden met de teruggevorderde middelen gerealiseerd moeten worden en hoeveel zijn als gevolg daarvan niet of later gerealiseerd? (blz: 4)

Antwoord:

Met de teruggevorderde middelen hadden er in eerste instantie circa 2.800 woningen in totaal gerealiseerd moeten worden. De teruggevorderde middelen worden volledig ingezet voor de overschrijding van het beschikbare budget van de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA) 2026 in verband met het verwachte grote aantal aanvragen. Hiermee is de verwachting dat er alsnog woningen zijn gerealiseerd met de teruggevorderde middelen en dat vind ik belangrijk. Aan het einde van 2026 wordt uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van deze tranche van de RHA.

Vraag 9:

Vraag:

Hoe groot is het risico dat door de desaldering RHA-budget uiteindelijk niet tot besteding komt en ‘verloren’ gaat? (blz: 4)

Antwoord:

Omdat de verwachting is dat meer wordt aangevraagd dan budget beschikbaar is, kunnen de teruggevorderde middelen volledig worden ingezet voor deze verwachte overschrijding van het beschikbare budget van de RHA 2026. De verwachting is dat met deze tranche de middelen vrijwel volledig uitgeput zijn en dat vind ik belangrijk. Voor het einde van 2026 wordt uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van deze tranche van de RHA.

Vraag 10:

Vraag:

Hoe groot is het risico dat door de desaldering Woningbouwimpuls-budget uiteindelijk niet tot besteding komt en ‘verloren’ gaat? (blz: 5)

Antwoord:

Bij de besteding van budget voor de Woningbouwimpuls (Wbi) ben ik afhankelijk van kwalitatief goede aanvragen van gemeenten. Ik doe er alles aan om, op basis van de beschikbare informatie over bijvoorbeeld planning van projecten, het budget in een zo realistisch mogelijk kasritme te zetten. Daarnaast worden gemeenten bij de voorbereiding van Wbi-aanvragen via adviesgesprekken met het Expertteam Woningbouw ondersteund, waarbij conceptaanvragen vooraf kunnen worden getoetst. Deze gesprekken dragen bij aan de kwaliteit van aanvragen en daarom zet ik, samen met de VNG, actief in op de bekendheid en het gebruik van deze adviesgesprekken om de middelen van de Woningbouwimpuls te besteden.

Vraag 11:

Vraag:

Wat zijn de gevolgen van de Wet betaalbare huur voor de werklast van de medewerkers van de Huurcommissie, gelet op het feit dat dat bij de Dienst van de Huurcommissie een surplus van 7,1 miljoen euro is ontstaan, dat wordt overgeboekt naar de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) terwijl er bij de Huurcommissie mogelijk een hogere werkdruk wordt verwacht als gevolg van de Wet betaalbare huur? (blz: 5)

Antwoord:

Het genoemde surplus bij de Huurcommissie is opgebouwd over de jaren 2024 en 2025 en komt in totaal uit op een bedrag van ca. € 7,1 mln. Conform de regeling Agentschappen 2024 artikel 11, lid 3 mag het eigen vermogen van een agentschap maximaal 5% van de gemiddelde jaarlijkse baten - dat wordt berekend over de laatste drie kalenderjaren - betreffen. Conform deze regeling moest een surplus aan eigen vermogen boven deze grens van 5% daarom verplicht worden afgeroomd. De onderuitputting ten opzichte van de begroting komt voor een groot deel door hoger dan verwachte legesontvangsten en lagere personeelskosten die zijn ontstaan omdat enkele posities door krapte op de arbeidsmarkt niet in 2025 konden worden ingevuld. Daarnaast merkt de Huurcommissie in haar jaarverslag over 2025 op dat er sprake was van een lager aantal ingediende geschillen dan verwacht. Dit aantal is alsnog een stijging ten opzichte van de aantallen van vóór de inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024. De financiering van de Huurcommissie is met de Voorjaarsnota 2025 echter meerjarig opgehoogd, onder meer met het oog op de aanvullende taken die voortvloeien uit de Wet betaalbare huur. Het is daardoor de verwachting dat de Huurcommissie vooralsnog voldoende middelen heeft om de hogere zaaklast op te vangen. Het afromen van het surplus dat is ontstaan op basis van eerdere uitvoeringsjaren waarin incidentele onderuitputting bestond heeft dan ook geen effect op het budget van de Huurcommissie voor aankomende uitvoeringsjaren.

Vraag 12:

Vraag:

Kunt u in grote lijnen aangeven aan welke voorwaarden van de RHA betreffende gemeenten niet voldeden, alsmede om welke aandachtgroepen het ging? (blz: 6)

Antwoord:

Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 6 is de meest voorkomende reden het niet kunnen behalen van de voorgeschreven termijnen waarbinnen het project moet worden gerealiseerd en/of voortschrijdend inzicht over de bestemming van het project of de locatie. Deze incidentele knelpunten zijn niet toe te wijzen aan een specifieke aandachtsgroep.

Vraag 13:

Vraag:

Kunt u in grote lijnen aangeven aan welke voorwaarden van de regeling Woningbouwimpuls betreffende gemeenten niet voldeden en of er mogelijk hindernissen voor betreffende gemeenten waren die eventueel kunnen worden opgelost door het Rijk? (blz: 6)

Antwoord:

Bij de (gedeeltelijke) terugvorderingen van de betreffende gemeenten is vastgesteld dat 1) het project geen publiek tekort meer kent als gevolg van een financiële meevaller, of 2) minder woningen worden gerealiseerd dan opgenomen in de beschikking, als gevolg van een vastgestelde gebiedsvisie. In de situatie waarin minder woningen worden gerealiseerd, is met de gemeente meegedacht over een alternatieve inzet van de middelen voor woningbouw. Dit heeft binnen de voorwaarden van de regeling niet tot het gewenste resultaat geleid waarin de middelen op een andere manier doelmatig en rechtmatig besteed konden worden. Daarom is het toegekende Wbi-bedrag (naar rato) teruggevorderd.

Vraag 14:

Vraag:

Wordt elke euro van de 7,1 miljoen euro gebruikt voor de dekking van een deel van de kosten voor het EU-voorzitterschap in 2029 of is er nog een bedrag beschikbaar om vrij te besteden? Kunt u aangeven wat de toegevoegde waarde voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in Nederland is om het bedrag van 7,1 miljoen euro uit te trekken ter dekking van een deel van de kosten voor het EU-voorzitterschap in 2029? (blz: 6)

Antwoord:

De volledige € 7,1 mln. wordt gebruikt ter dekking van een deel van de kosten voor het EU-voorzitterschap in 2029. Het voorzitterschap van de EU betreft een verdragsrechtelijke verplichting en is ook een belangrijke strategische kans voor Nederland en de Rijksoverheid om zich binnen Europa te positioneren. Alle departementen dragen daarom bij aan de middelen die benodigd zijn voor de organisatie van het EU-voorzitterschap. Dit betreft middelen voor de voorbereiding en coördinatie van het voorzitterschap door het ministerie van Buitenlandse Zaken en middelen ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid door het ministerie van Justitie en Veiligheid. Per departement wordt hiervoor cumulatief € 20 mln. beschikbaar gesteld in de periode 2027-2031. Het ministerie van BZK heeft meerdere begrotingen, waaronder de begroting van VRO. De bijdrage voor het ministerie van BZK wordt daarom deels gedekt vanuit de begroting van VRO.


  1. __Plan van Aanpak Beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit↩︎