[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag

Regels ter implementatie van richtlijn (EU) 2024/1799 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en de Richtlijnen (EU) 2019/771 en (EU) 2020/1828 (Implementatiewet richtlijn bevordering van reparatie)

Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)

Nummer: 2026D46722, datum: 2026-09-28, bijgewerkt: 2026-09-29 13:30, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36996 -5 Regels ter implementatie van richtlijn (EU) 2024/1799 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en de Richtlijnen (EU) 2019/771 en (EU) 2020/1828 (Implementatiewet richtlijn bevordering van reparatie).

Onderdeel van zaak 2026Z16135:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36996 Regels ter implementatie van richtlijn (EU) 2024/1799 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en de Richtlijnen (EU) 2019/771 en (EU) 2020/1828 (Implementatiewet richtlijn bevordering van reparatie)

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 28 september 2026

De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

  1. ALGEMEEN

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1799 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en de Richtlijnen (EU) 2019/771 en (EU) 2020/1828 (Implementatiewet richtlijn bevordering van reparatie) (hierna: het wetsvoorstel). Zij onderschrijven het belang van duurzamere consumptie en de transitie naar een circulaire economie. Wel hebben de leden van de D66-fractie nog enkele vragen.

De leden van de PRO-fractie zijn blij dat er nu eindelijk stappen worden gezet om het recht van reparatie beter te verankeren in de Nederlandse wet. Reparatie is de eerste en snelste manier om de circulaire economie te bevorderen voor iedereen in Nederland. Helaas is reparatie vaak nog duur of moeilijk. Dit wetsvoorstel helpt, maar deze leden vragen de regering ook om meer praktische en nationale actie.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben daarbij enkele vragen.

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het uitgangspunt dat consumenten de mogelijkheid moeten hebben om producten langer te gebruiken en dat reparatie niet onnodig mag worden bemoeilijkt. Daarbij vinden zij het wel van belang dat nieuwe Europese regels in de praktijk uitvoerbaar zijn voor consumenten, ondernemers en toezichthouders en niet leiden tot onnodige regeldruk.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden delen het doel om in het kader van de circulaire economie het voor consumenten gemakkelijker en betaalbaarder te maken om defecte producten te laten repareren in plaats van te vervangen. Zij hebben nog enkele vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van het stimuleren van gemeenschappelijke regels ter bevordering van reparatie van goederen. Tegelijkertijd zien zij ruimte voor verduidelijking en aanvullingen. Zij hebben een paar vragen en willen enkele onderdelen van de implementatie aan de orde stellen.

  1. Inleiding

De leden van de PRO-fractie vragen waarom bij de implementatie niet tegelijkertijd concrete maatregelen worden voorgesteld om reparatie te bevorderen, zoals reparatievouchers, een reparatiefonds of fiscale maatregelen. Welke mogelijkheden zijn hiervoor onderzocht en wanneer informeert de regering de Kamer over eventuele vervolgstappen?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de uiterste datum voor omzetting van de richtlijn in nationale wetgeving (31 juli 2026) inmiddels is verstreken. Deze leden vragen de regering welke gevolgen de te late implementatie heeft voor de toepassing en handhaving van de richtlijn in Nederland. Welke gevolgen heeft deze situatie voor bedrijven die onder de nieuwe verplichtingen komen te vallen en welke juridische onzekerheden kunnen hierdoor ontstaan? Heeft de regering over de verlate implementatie contact gehad met de Europese Commissie? Zo ja, wat is daarbij besproken?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of er cijfers bekend zijn over het aandeel producten dat wordt gerepareerd dan wel vervangen. Zo ja, kan de regering deze cijfers met de Kamer delen? Heeft de regering een doel met onderhavig wetsvoorstel, bijvoorbeeld een bepaalde procentuele stijging van het aandeel gerepareerde producten? Zo ja, welk doel heeft de regering?

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het wetsvoorstel geen nationale evaluatieverplichting bevat. Waarom niet? Deze leden vragen of de regering kan toezeggen om de informatie die zal worden gedeeld met de Europese Commissie ook met de Kamer kan worden gedeeld. Zo nee, waarom niet?

  1. Inhoud richtlijn

2.1 Het onlineplatform en de maatregel ter bevordering van reparatie

De leden van de D66-fractie vragen wat de beoogde planning voor de oplevering en uitrol van het nationale reparatieplatform is. Hoe wordt gewaarborgd dat het platform drempelloos en kosteloos toegankelijk is voor zowel professionele reparateurs in het midden- en kleinbedrijf (mkb) als maatschappelijke initiatieven zoals Repair Café’s. Hoe wordt geborgd dat consumenten dit platform in de praktijk ook gemakkelijk weten te vinden?

De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland een eigen platform in oprichting heeft om de vindbaarheid van reparatiediensten te bevorderen. Deze leden vragen de regering wanneer dit platform naar verwachting operationeel zal zijn. Loopt deze planning synchroon met de implementatie van deze richtlijn?

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast welke rol onafhankelijke reparateurs, zoals Repair Cafés, op dit platform en bij het bevorderen van reparatie kunnen spelen. Ziet de regering daarnaast mogelijkheden om reparatieactiviteiten te verbinden aan leer-werktrajecten, re-integratie en sociale ontwikkelbedrijven, zodat het bevorderen van reparatie tevens kan bijdragen aan vakmanschap en arbeidsparticipatie?

De leden van de CDA-fractie lezen daarnaast dat nog nader wordt vastgesteld met welke maatregel Nederland invulling geeft aan de verplichting om ten minste één maatregel ter bevordering van reparatie te nemen. Is inmiddels besloten met welke maatregel hieraan invulling wordt gegeven? Zo ja, welke maatregel betreft dit? Zo nee, welke maatregelen worden momenteel overwogen, waarom is hierover nog geen besluit genomen en wanneer verwacht de regering hierover duidelijkheid te kunnen geven?

De leden van de SGP-fractie horen graag hoe de regering ervoor gaat zorgen dat invulling gegeven wordt aan artikel 13 van de richtlijn. Hoe wordt de uitwerking hiervan de komende tijd opgepakt? Welke mogelijkheden ziet de regering voor stimulering via de Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV)-regeling, zoals in Frankrijk bijvoorbeeld gebeurt?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Europese richtlijn lidstaten verplicht minstens één maatregel te nemen ter bevordering van reparatie. In de memorie van toelichting staat dat nog nader zal worden vastgesteld welke maatregel dit betreft. Wanneer verwacht de regering de Kamer te informeren over deze maatregel? Neemt de regering hierbij het onderzoek mee dat is uitgevoerd naar aanleiding van motie-Grinwis over de bijdrage van de fiscaliteit aan meer reparatie van huishoudelijke apparaten en andere productgroepen (Kamerstuk 36 812, nr. 95)? Zo ja, welke maatregelen overweegt de regering? Zo nee, waarom niet? Is de regering voorts bereid om sectororganisaties te betrekken bij het vaststellen van de te nemen maatregel(en)?

De leden ChristenUnie-fractie hebben vernomen dat Oostenrijk en Frankrijk werken met reparatievouchers om de kosten voor de consument en daarmee de drempel voor reparatieverzoek te verlagen. Welke voor- en nadelen ziet de regering voor respectievelijk het Oostenrijkse en het Franse systeem? Tenslotte vragen deze leden welke maatregelen andere EU-lidstaten hebben genomen of voornemens zijn te nemen om reparatie te stimuleren.

  1. Wijzigingen Richtlijn (EU) 2020/1828 en Verordening (EU) 2017/2394

De leden van de D66-fractie vragen of de grensoverschrijdende samenwerking via Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn (EU) 2020/1828 afdoende is gewaarborgd om te handhaven op buitenlandse online marktplaatsen die non-complying producten aanbieden.

3. Inhoud wetsvoorstel

3.1 Verplichtingen voor fabrikanten en reparateurs

De leden van de PRO-fractie vragen waarom de reparatieverplichting wordt beperkt tot productgroepen waarvoor Europese ecodesignregels reparatie-eisen stellen. Welke productgroepen vallen hierdoor buiten de verplichting waarvoor reparatie-eisen wel van toegevoegde waarde zou zijn? Welke mogelijkheden ziet de regering om reparatie ook voor deze producten te stimuleren, in Nederland en in Europees verband?

3.1.1 Reparatieverplichting fabrikanten

De leden van de D66-fractie merken op dat fabrikanten verplicht worden om producten te repareren waarvoor repareerbaarheidsvereisten gelden. Deze leden vragen of de regering kan verduidelijken hoe wordt opgetreden tegen fabrikanten die de reparatie onterecht weigeren onder het mom van feitelijke onmogelijkheid.

De leden van de D66-fractie vragen voorts hoe de regering ondernemers en mkb-reparateurs voorbereidt op de verwachte snelle uitbreiding van het aantal productcategorieën via de Europese Ecodesign-verordening. Wordt er proactief gemonitord welke nieuwe productgroepen vanuit de Europese Unie (EU) worden toegevoegd, zodat het Nederlandse bedrijfsleven hier tijdig op kan anticiperen?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) verschillende zorgen uit over de praktische uitvoerbaarheid en effectiviteit van de reparatieverplichting. Zo wijst de ACM erop dat het wetsvoorstel verschillende open normen en uitzonderingen bevat, waarbij niet altijd sprake is van een duidelijke interpretatierichting. Het gaat onder meer om de begrippen ‘onmogelijkheid’, ‘redelijke prijs’, ‘redelijke termijn’ en ‘legitieme en objectieve factoren’. Hierdoor kan het voor consumenten en fabrikanten lastig zijn om vooraf te beoordelen welke rechten en verplichtingen zij hebben en is het ook voor de ACM niet altijd eenvoudig om de precieze reikwijdte van deze bepalingen vast te stellen. Hoe beoordeelt de regering deze zorgen van de ACM? Is de regering bereid om voor de inwerkingtreding van de wet meer duidelijkheid te bieden over de invulling van deze open normen, bijvoorbeeld door nadere toelichting of guidance, hetzij door de regering zelf hetzij door de Europese Commissie?

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de regering het door de ACM gesignaleerde risico beoordeelt dat fabrikanten zich op uiteenlopende legitieme en objectieve factoren kunnen beroepen om reparatie te belemmeren. Hoe wordt voorkomen dat deze uitzondering in de praktijk te ruim wordt toegepast en daarmee afbreuk doet aan de effectiviteit van de reparatieverplichting?

De leden van de CDA-fractie lezen meer fundamenteel dat de ACM zich afvraagt of consumenten in de Nederlandse praktijk daadwerkelijk gebruik zullen maken van de nieuwe reparatieverplichting. De ACM wijst daarbij onder meer op de samenloop met het Nederlandse open garantiestelsel en het risico dat voor consumenten onduidelijk is wanneer zij zich tot de verkoper, de fabrikant of een onafhankelijke reparateur moeten wenden. Hoe beoordeelt de regering deze zorg? Waarop baseert de regering de verwachting dat consumenten de nieuwe reparatieverplichting in voldoende mate zullen kennen, begrijpen en gebruiken om daadwerkelijk bij te dragen aan het doel van de richtlijn om meer reparatie te bewerkstelligen?

De leden van de CDA-fractie vragen welke mogelijkheden de consument heeft wanneer hij of zij van mening is dat de door de fabrikant gevraagde reparatieprijs niet redelijk is. Kan een consument deze prijs laten toetsen of betwisten? In hoeverre heeft de consument in de praktijk de mogelijkheid om een prijsopgave van de fabrikant te vergelijken met die van onafhankelijke reparateurs? Kan de regering toelichten hoe wordt voorkomen dat een fabrikant formeel aan zijn reparatieverplichting voldoet, maar daarvoor een zodanig hoge prijs vraagt dat reparatie voor consumenten feitelijk geen aantrekkelijk alternatief vormt?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de consument bij een conformiteitsgebrek op grond van artikel 7:21 Burgerlijk Wetboek (BW) de keuze heeft tussen herstel en vervanging van een niet-conforme zaak. Deze leden vragen of onder de huidige wetgeving een voorkeursvolgorde wordt gehanteerd bij herstel dan wel vervanging, namelijk dat in principe wordt overgegaan tot herstel, tenzij dat niet mogelijk is en het product dus wordt vervangen. Zij vragen tevens of een voorkeursvolgorde in het voorliggende wetsvoorstel is opgenomen. Zo nee, waarom niet? Zij vragen of het gewenst is om een dergelijke bepaling in het wetsvoorstel op te nemen, om zo de keuze voor herstel of reparatie te stimuleren.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen tenslotte wat de regering verstaat onder een ‘redelijke prijs’ van de reparatie zoals beschreven in artikel 3.3 van het wetsvoorstel.

3.1.2 Informatieverplichting

De leden van de D66-fractie verzoeken de regering te specificeren op welke wijze de indicatieve prijzen op de online interface zodanig inzichtelijk moeten worden gemaakt dat consumenten hier tijdig en correct over worden geïnformeerd.

De leden van de PRO-fractie vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat de nationale reparatieplatforms daadwerkelijk bijdragen aan de vindbaarheid van reparateurs. Hoe wordt dit platform praktisch vormgegeven? Hoe gaat de regering de bekendheid onder consumenten stimuleren?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het wetsvoorstel dat uitgebreid is opgenomen hoe de informatieverplichting van fabrikanten vorm kan krijgen. Hoe ziet de invulling van de informatieverplichting eruit voor verkopers? Heeft de regering bijvoorbeeld nagedacht over een algemene reparatie/garantiepagina die consumenten kan doorverwijzen naar de reparatie-informatie van de fabrikant om te voorkomen dat het voor consumenten door de vele informatieverplichtingen onoverzichtelijk wordt?

3.1.3 Reserveonderdelen

De leden van de D66-fractie constateren dat fabrikanten verplicht worden om reserveonderdelen en gereedschappen tegen een redelijke prijs aan te bieden. Deze leden vragen welke duidelijke criteria of rekenmodellen de regering gaat hanteren om te bepalen wanneer een prijs voor een reserveonderdeel of reparatiedienst als redelijk wordt aangemerkt. Wordt hierbij gekeken naar de verhouding tot de nieuwwaarde van het product, en hoe wordt geborgd dat ook onafhankelijke mkb-reparateurs deze onderdelen tegen een eerlijke marge kunnen inkopen?

De leden van de PRO-fractie vragen de regering hoe het begrip redelijke prijs bij reserveonderdelen in de praktijk wordt uitgelegd en gehandhaafd. Hoe wordt voorkomen dat fabrikanten prijzen hanteren die reparatie feitelijk onaantrekkelijk maken? Is de regering bereid hierover, in overleg met de ACM, nadere richtsnoeren op te stellen?

De leden van de CDA-fractie vragen hoe ver de verplichting tot het aanbieden van reserveonderdelen reikt. Geldt deze verplichting bijvoorbeeld ook voor oudere modellen en, zo ja, gedurende welke termijn? Deze leden vragen hoe de vindbaarheid en beschikbaarheid van deze onderdelen worden gewaarborgd. Ook vragen zij hoe in de praktijk wordt bepaald wat een redelijke prijs voor reserveonderdelen is.

3.1.4 Verboden handelingen

De leden van de CDA-fractie lezen dat bepaalde handelingen of uitlatingen van fabrikanten in voorkomende gevallen kunnen worden gekwalificeerd als een oneerlijke handelspraktijk. Kan de regering nader toelichten wanneer hiervan sprake is en aan de hand van welke criteria dit wordt beoordeeld? Tot welke instantie kan een consument zich wenden wanneer hij vermoedt dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk en welke mogelijkheden heeft deze consument om daartegen op te komen? Welke gevolgen kan de kwalificatie als oneerlijke handelspraktijk hebben voor de betreffende fabrikant en welke sancties kunnen daarbij worden opgelegd?

3.1.5 Fabrikanten van buiten de Unie

De leden van de D66-fractie vragen hoe handhaving en aansprakelijkheid in de praktijk vorm krijgen wanneer een fabrikant buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd en wanneer ook de gemachtigde vertegenwoordiger, importeur of distributeur moeilijk te traceren blijkt.

De leden van de BBB-fractie lezen dat wanneer een fabrikant buiten de EER is gevestigd, de verplichtingen terechtkomen bij een vertegenwoordiger, importeur of distributeur binnen de EER. De ACM constateert echter dat het voor zowel consumenten als voor de toezichthouder lastig kan zijn om vast te stellen wie deze vertegenwoordiger is en wie uiteindelijk kan worden aangesproken.

De leden van de BBB-fractie vinden het belangrijk dat Nederlandse en Europese bedrijven niet aan strengere effectieve verplichtingen worden onderworpen dan aanbieders van buiten de EU doordat regels daar moeilijker te handhaven zijn. Hoe wordt gewaarborgd dat consumenten eenvoudig kunnen achterhalen welke Europese partij verantwoordelijk is voor een product van een fabrikant van buiten de EU? Hoe gaat de ACM effectief handhaven wanneer een dergelijke fabrikant of vertegenwoordiger moeilijk vindbaar is? Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat hierdoor een ongelijk speelveld ontstaat tussen Nederlandse bedrijven en aanbieders van buiten de EU?

3.1.6 Europees reparatie-informatieformulier

De leden van de PRO-fractie vragen de regering waarom het gebruik van het Europese reparatie-informatieformulier vrijwillig is en hoe wordt bevorderd dat consumenten daadwerkelijk van de vergelijkingsmogelijkheden gebruik kunnen maken. Wat wordt de inzet van de regering hierbij of concrete maatregelen treft de regering hierin?

De leden van de CDA-fractie staan positief tegenover het standaardiseren van reparatie-informatie door middel van het Europees reparatie-informatieformulier. Deze leden vragen waarom het gebruik hiervan niet verplicht is. Biedt de richtlijn ruimte om het formulier verplicht te stellen? Hoe beoordeelt de regering daarbij de constatering van de ACM dat het vrijwillige karakter de handhaafbaarheid en effectiviteit niet ten goede komt?

3.2 Wijziging andere regelgeving

3.2.1 Wijziging van Boek 7 BW

De leden van de D66-fractie vragen de regering te reflecteren op de wijziging van Boek 7 BW inzake de verlenging van de verjaringstermijn bij herstel. In de Uitvoerings- en Handhaafbaarheidstoets (UHT) heeft de ACM twijfels geuit over de vraag of deze juridische verlenging in de praktijk voldoende gedragsprikkel geeft aan consumenten om voor reparatie te kiezen. Zij vragen naar de reactie van de regering op dit signaal.

De leden van de CDA-fractie lezen voorts dat consumenten bij non-conformiteit in beginsel de keuze houden tussen herstel en vervanging en dat de verlenging van de verjaringstermijn met één jaar consumenten moet stimuleren om vaker voor herstel te kiezen. Acht de regering deze prikkel voldoende om reparatie in de praktijk daadwerkelijk aantrekkelijker te maken ten opzichte van vervanging? Waarop is deze verwachting gebaseerd? Deze leden vragen daarnaast of de regering kan aangeven welke andere mogelijkheden zij ziet om consumenten binnen de ruimte die de richtlijn biedt vaker voor reparatie in plaats van vervanging te laten kiezen?

De leden van de CDA-fractie lezen dat bij een conformiteitsgebrek een opgeknapte zaak (refurbished product) ter vervanging kan worden verstrekt als de consument daar uitdrukkelijk om verzoekt. Zij vragen of consumenten in de praktijk voldoende bekend zullen zijn met deze mogelijkheid om hier actief om te vragen. Kan de verkoper de consument daarom actief wijzen op de mogelijkheid van een refurbished product, waarbij de uiteindelijke keuze bij de consument blijft? Zou dit kunnen bijdragen aan het zichtbaarder en aantrekkelijker maken van circulaire alternatieven?

De leden van de SGP-fractie begrijpen dat wanneer bij een conformiteitsgebrek gekozen wordt voor vervanging alleen een opgeknapte zaak aangeboden mag worden als de consument hier actief om verzoekt. Is de veronderstelling juist dat de Richtlijn verkoop goederen ruimte biedt aan verkopers om zowel een nieuwe als een opgeknapte zaak aan te bieden? Waarom wordt hier niet voor gekozen, zodat het makkelijker wordt gemaakt voor consumenten om voor opgeknapte producten of apparaten te kiezen?

De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat met het voorliggende voorstel verkopers bij non-conformiteit zowel de mogelijkheid moeten geven om te kiezen voor reparatie als voor een vervangend product. Is deze veronderstelling juist? Zo ja, waarom wordt geen ruimte geboden om eerst reparatie aan te bieden, aangezien veel consumenten eerder zullen kiezen voor een vervangend product dan voor reparatie?

De leden van de SGP-fractie ontvangen graag enkele voorbeelden van de gevolgen van reparatie van producten en apparatuur voor de garantietermijn. Zij krijgen er graag meer zicht op hoe dit in de praktijk precies gaat werken.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat in artikel 14, eerste lid van de richtlijn wordt bepaald dat de verkoper, bij conformiteitsgebrek, de consument een opgeknapte zaak kan verstrekken als deze daar uitdrukkelijk om verzoekt. Heeft de regering er een beeld bij hoe vaak consumenten in de praktijk uit eigen beweging vragen om een opgeknapte zaak in plaats van om bijvoorbeeld een nieuw product? Kan de regering meer wettelijke ruimte bieden om dit te stimuleren, bijvoorbeeld door verkopers wettelijk de ruimte te geven om actief een opgeknapte zaak aan te bieden? Zo nee, waarom niet?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen verduidelijking over de toepassing van de verjaringstermijn. In artikel 7.1 Burgerlijk Wetboek (BW) is een verjaringstermijn opgenomen. Deze begint opnieuw te lopen bij herstel of vervanging van de zaak. Kan de regering duidelijker aangeven of deze verlenging van bescherming primair betrekking heeft op het herstelde gebrek of het vervangende onderdeel, of op het gehele product?

3.2.2 Wijziging van de Wet handhaving consumentrechten

De leden van de D66-fractie vragen of de ACM over voldoende capaciteit beschikt om effectief toezicht te houden op de nieuwe verplichtingen uit dit wetsvoorstel.

De leden van de PRO-fractie vragen hoe wordt gewaarborgd dat de nieuwe rechten voor consumenten in de praktijk begrijpelijk en uitvoerbaar zijn. De ACM wijst op de complexiteit van uitzonderingen en open normen en heeft aangegeven dat zij zonder doenvermogentoets nog geen oordeel kan geven over de uitvoerbaarheid. Waarom heeft de regering ervoor gekozen deze toets niet voorafgaand aan de wetsbehandeling uit te voeren? Gaat de regering in gesprek met de ACM en bedrijven om te zorgen dat dit consumentenrecht in de praktijk goed wordt toegepast en gehandhaafd?

4. Regeldruk en gevolgen voor het bedrijfsleven

De leden van de BBB-fractie hechten eraan dat Europese regelgeving niet leidt tot onnodige extra lasten voor Nederlandse ondernemers. Uit de toelichting blijkt dat voor het Nederlandse bedrijfsleven wordt uitgegaan van circa 8 miljoen euro aan eenmalige kosten en 10,7 tot 14,7 miljoen euro aan structurele jaarlijkse kosten. Tegelijkertijd merkt de regering op dat deze kosten in de praktijk mogelijk lager uitvallen. Deze leden vragen of de regering nader kan toelichten waarop deze verwachting is gebaseerd. Hoe worden de daadwerkelijke kosten voor ondernemers na invoering gemonitord? Zij vragen hierbij specifiek aandacht voor kleinere verkopers en reparateurs. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) wijst erop dat de aansprakelijkheidsverdeling tussen fabrikanten en verkopers ingewikkelder kan worden wanneer een product niet door de fabrikant zelf wordt gerepareerd. Ook de ACM signaleert dat het regresrecht van verkopers op fabrikanten in de praktijk nu al tot problemen kan leiden. Hoe voorkomt de regering dat met name kleinere verkopers uiteindelijk met kosten blijven zitten waarvoor feitelijk de fabrikant verantwoordelijk is?

5. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De leden van de D66-fractie stellen vast dat de effectiviteit van deze wetgeving sterk afhankelijk is van consumentengedrag en de bekendheid met de nieuwe rechten. Welke actieve voorlichtingscampagnes en initiatieven gaat de regering ontplooien om te zorgen dat consumenten hun nieuwe rechten (zoals het recht op transparante prijsinformatie en de verlengde verjaringstermijn bij herstel) daadwerkelijk kennen én kunnen benutten? Is hierbij tevens rekening gehouden met een doenvermogentoets voor kwetsbare consumentengroepen?

De leden van de CDA-fractie vinden het van belang dat wetgeving niet alleen op papier werkt, maar dat consumenten en bedrijven hun rechten en plichten ook daadwerkelijk kennen en in staat zijn deze uit te oefenen. Deze leden vinden het daarom opvallend dat de ACM zonder doenvermogentoets geen definitief oordeel kan geven over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. De regering stelt dat een dergelijke toets niet nodig is, omdat deze vanwege de beperkte nationale implementatieruimte niet tot aanpassing van het wetsvoorstel kan leiden. Deze leden wijzen erop dat een doenvermogentoets ook kan bijdragen aan effectieve uitvoering, bijvoorbeeld door middel van guidance, voorlichting en flankerend beleid. Is de regering vanuit dat oogpunt alsnog bereid een doenvermogentoets uit te voeren?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de ACM nog geen definitief oordeel kan geven over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het wetsvoorstel, omdat volgens de ACM een doenvermogentoets ontbreekt. De ACM wijst er onder meer op dat consumenten nu al moeite hebben om hun bestaande garantierechten te begrijpen en dat de nieuwe regels voor consumenten mogelijk nog ingewikkelder worden. Zo verschilt per product of de reparatieverplichting geldt, kan een consument te maken krijgen met zowel de verkoper als de fabrikant en bevat het wetsvoorstel verschillende open normen. Deze leden lezen dat de regering een afzonderlijke doenvermogentoets niet noodzakelijk acht, omdat sprake is van maximumharmonisatie en omdat een dergelijke toets niet tot aanpassing van het wetsvoorstel zou kunnen leiden. Zij vragen waarom dit volgens de regering betekent dat een doenvermogentoets geen toegevoegde waarde heeft voor de praktische uitvoering van de wet. Hoe wordt voorkomen dat consumenten straks wel nieuwe rechten hebben, maar onvoldoende weten wanneer deze rechten gelden of bij welke partij zij deze moeten inroepen? Kan de regering aangeven hoe zij de zorgen van de ACM op dit punt concreet zal ondervangen?

  1. ARTIKELEN

Artikel 3

De leden van de D66-fractie vragen of de verplichting tot reparatie voor fabrikanten in de praktijk niet te vrijblijvend is zolang de reikwijdte volledig afhankelijk is van specifieke Europese repareerbaarheidsvereisten.

Artikel 5

De leden van de D66-fractie vragen of de norm van een "redelijke prijs" voor reserveonderdelen en gereedschappen handhaafbaar is voor de toezichthouder.

Artikel 10

De leden van de D66-fractie verzoeken de regering toe te lichten welke boetebevoegdheden de ACM exact kan inzetten bij overtreding van artikel 8.16 van de Wet handhaving consumentenbescherming.

Artikel 13

De leden van de D66-fractie vragen de regering naar de uitwerking van de verplichte nationale stimuleringsmaatregel. In de toelichting wordt vermeld dat nader zal worden vastgesteld welke maatregel Nederland zal nemen. Kan de regering aangeven welke concrete opties momenteel worden verkend (zoals reparatievouchers, een verlaagd tarief voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) op reparaties of ondersteuning van Repair Café’s en het mkb, Deze leden vragen tevens wanneer de Kamer dit voorstel kan verwachten, en op welke wijze wordt gewaarborgd dat deze maatregel de financiële drempel voor de consument daadwerkelijk verlaagt?

III. TRANSPONERINGSTABEL

De leden van de D66-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de transponeringstabel en hebben hierover geen nadere vragen.

De voorzitter van de commissie,

Van Eijk

De griffier van de commissie,

Reinders