[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de Kabinetsreactie op het advies ‘Ieder zijn aandeel’ en evaluatie cultuurleningen (Kamerstuk 32820-580)

Nieuwe visie cultuurbeleid

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D46838, datum: 2026-09-28, bijgewerkt: 2026-10-06 16:26, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z15688:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Inbreng verslag van een schriftelijk overleg

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de minister d.d. 2 juli 2026 inzake kabinetsreactie advies ‘Ieder zijn aandeel’ en evaluatie cultuurleningen (Kamerstuk 32 820, nr. 580).

De voorzitter van de commissie,

Hamstra

Adjunct-griffier van de commissie,

Bosnjakovic

Inhoud

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

  • Inbreng van de leden van de D66-fractie

  • Inbreng van de leden van de VVD-fractie

  • Inbreng van de leden van de PRO-fractie

  • Inbreng van de leden van de CDA-fractie

  • Inbreng van de leden van de BBB-fractie

  • Inbreng van de leden van de Groep Markuszower

II Reactie van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap


I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op het advies ‘Ieder zijn aandeel’ van de Raad voor Cultuur en de evaluatie van de cultuurleningen. Deze leden vinden het belangrijk dat de culturele en creatieve sector ook op de lange termijn kan rekenen op een gezonde financiering. Publieke financiering vormt daarvoor een belangrijke basis. Ook zien de leden kansen om andere vormen van financiering beter te benutten en de samenwerking tussen overheden, private financiers en culturele organisaties te versterken. Zij hebben hierover nog enkele vragen aan de minister.

De leden van de D66-fractie lezen dat de Raad voor Cultuur aandacht vraagt voor een structurele indexatie van subsidies en dat de minister erkent dat culturele instellingen vaak maar beperkte mogelijkheden hebben om stijgende lonen en prijzen zelf op te vangen. Tegelijkertijd ziet de minister bezwaren tegen het wettelijk vastleggen van deze indexatie. Ziet minister mogelijkheden om, zonder indexatie wettelijk vast te leggen, culturele instellingen wel meer voorspelbaarheid te bieden over de ontwikkeling van hun subsidie wanneer lonen en prijzen stijgen? Kan de minister daarbij aangeven in hoeverre verschillen in de wijze waarop Rijk, provincies, gemeenten en cultuurfondsen omgaan met loon- en prijsontwikkelingen op dit moment tot knelpunten leiden voor instellingen die financiering van meerdere overheden ontvangen?

De leden van de D66-fractie steunen de inzet van de minister om met provincies en gemeenten afspraken te maken over de samenhang van het cultuurstelsel, de taakverdeling tussen overheden, regionale spreiding en het opbouwen van weerstandsvermogen. Kan de minister nader toelichten naar welke mogelijkheden zij kijkt? Wordt daarbij bijvoorbeeld gekeken naar meer duidelijkheid voor culturele instellingen over welke overheid waarvoor verantwoordelijk is? En hoe worden culturele organisaties en brancheverenigingen betrokken bij de gesprekken met medeoverheden over het nieuwe cultuurbestel, zodat ook hun ervaringen met verschillende financieringsvoorwaarden daarin worden meegenomen?

De leden van de D66-fractie zijn positief over de verkenning die de minister samen met private financiers start om beter in kaart te brengen welke fondsen en financiers actief zijn in de culturele sector en om te komen tot een structurelere dialoog tussen publieke en private financiers. Wanneer verwacht de minister deze verkenning af te ronden en is zij voornemens de uitkomsten hiervan met de Kamer te delen? En hoe gaat de minister voorkomen dat een betere samenwerking tussen financiers vooral ten goede komt aan grotere instellingen die al over uitgebreide fondsenwervingsnetwerken beschikken?

De leden van de D66-fractie lezen dat verbeteringen mogelijk zijn in de ANBI-wetgeving en dat zij bij het bredere gesprek over filantropie de belangen van de culturele en creatieve sector onder de aandacht brengt. Welke knelpunten voor culturele instellingen ziet de minister op dit moment bij het gebruik van de ANBI-status en andere mogelijkheden om particuliere giften aan te trekken? Welke daarvan brengt zij onder de aandacht van haar collega's?

De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat uit de evaluatie van SEO blijkt dat de cultuurleningen doeltreffend en doelmatig zijn en dat de combinatie van financiering en begeleiding ook bijdraagt aan de zakelijke ontwikkeling van culturele organisaties. Deze leden steunen daarom de keuze van de minister om het beschikbare budget de komende jaren stapsgewijs met € 6 miljoen te verhogen. Kan de minister toelichten volgens welk tijdpad deze aanvullende € 6 miljoen beschikbaar komt? Wat betekent deze uitbreiding naar verwachting voor het aantal culturele ondernemers en organisaties dat gebruik kan maken van de cultuurleningen?

De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat culturele organisaties voldoende ruimte hebben om financiële reserves op te bouwen zodat zij tegenvallers kunnen opvangen, kunnen investeren en minder kwetsbaar zijn voor financiële schommelingen. Deze leden constateren dat subsidievoorwaarden het opbouwen van een gezond weerstandsvermogen in de praktijk kunnen beperken. Welke mogelijkheden ziet de minister om culturele organisaties meer ruimte te geven om een passend weerstandsvermogen op te bouwen? En hoe kan daarbij worden voorkomen dat verschillende voorwaarden van Rijk, gemeenten, provincies en cultuurfondsen elkaar tegenwerken?

De leden van de D66-fractie constateren dat private financiering vaak makkelijker tot stand komt wanneer er ook sprake is van een stabiele publieke financiële basis. Deze leden zien publieke financiering daarmee niet alleen als basisfinanciering, maar ook als mogelijke hefboom voor private investeringen. Hoe weegt de minister deze wisselwerking mee in haar inzet om private financiering van cultuur te vergroten?

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de minister over ‘Ieder zijn aandeel’ en de evaluatie van cultuurleningen. Deze leden onderschrijven het belang van het brede scala aan financieringsbronnen, van private investeringen, subsidies, giften, sponsoring tot cultuurleningen.

De leden van de VVD-fractie ondersteunen de oproep van de Raad voor Cultuur om meer duidelijkheid te creëren in de rolverdeling tussen publieke en private financiers. Deze leden ondersteunen ook de start door de minister van een verkenning om de verschillende fondsen en financiers in de sector beter in kaart te brengen. De leden vragen zich wel af welke vorm de dialoog tussen publieke en private financiers zal krijgen en hoe dit gaat leiden tot een betere afstemming tussen de verschillende partijen van de inzet van financiële instrumenten.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de minister de komende vier jaar € 1,4 miljoen ter beschikking wordt gesteld voor het matchingsproject en dat ondersteunen deze leden. De vraag is of dit structureel iedere vier jaar beschikbaar wordt gesteld of dat dit incidenteel is.

De leden van de VVD-fractie zien de beantwoording met belangstelling tegemoet.

Inbreng van de leden van de PRO-fractie

De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het advies ‘Ieder zijn aandeel’ en de kabinetsreactie in de onderhavige brief. Deze leden zien dat kunst en cultuur bijdragen aan verbinding en creativiteit in onze samenleving, maar zijn ook blij dat de minister in haar brief de aanzienlijke economische betekenis van de creatieve en culturele sector erkent in termen van werkgelegenheid, innovatie en een aantrekkelijk vestigingsklimaat in heel Nederland. Nederland heeft dan ook een groot belang bij een bloeiende culturele sector. Investeren in cultuur is dus niet alleen in het belang van culturele instellingen, maar ook van individuele makers in de creatieve en culturele sector en van de samenleving als geheel.

De leden van de PRO-fractie merken op dat al in 2024 de Kamer de motie van de leden Rooderkerk en Mohandis heeft aangenomen over onderzoeken hoe een bloeiende culturele sector in heel Nederland beter geborgd kan worden.1 Deze leden lezen met instemming dat de Raad voor Cultuur de misvatting bestrijdt dat een afname in publieke financiering valt te compenseren met meer private financiering. Hoe welkom private investeringen, giften en sponsoring immers ook kunnen zijn in de culturele en creatieve sector, ze bieden lang niet altijd instellingen of individuele makers het vertrouwen en de stabiliteit in financiering waarbij een bloeiende culturele sector gebaat is. De minister vat in haar brief de analyse van de Raad voor Cultuur in dezen samen. Mogen de leden hieruit afleiden dat ook zij deze misvatting afwijst?

Voorts merken de leden van de PRO-fractie op dat sinds 2005 de overheidsuitgaven aan cultuur weliswaar in absolute zin zijn gestegen, maar de Raad voor Cultuur constateert dat dit cultuurbudget als aandeel van de totale rijksbegroting daalde van 0,47 procent naar 0,35 procent. In vergelijking met andere sectoren levert de cultuursector volgens de Raad hierdoor inmiddels jaarlijks ruim € 500 miljoen in. De minister lijkt deze analyse te betwisten met een verwijzing naar incidentele middelen voor bijvoorbeeld energiecompensatie corona. Deze leden vragen wat het beeld van de ontwikkeling van het cultuurbudget wordt als men het corrigeert op zulke incidentele middelen. De minister neemt de aanbeveling voor een structurele intensivering van de publieke financiering niet over, onder verwijzing naar het regeerakkoord, dat geen extra middelen voor cultuur beschikbaar stelt. Hoe verhoudt het niet investeren in een stabielere publieke financieringsbasis zich tot de conclusie van de Raad voor Cultuur dat private financiering publieke financiering volgt en dat publiek geld noodzakelijk is om privaat geld te mobiliseren?

De leden van de PRO-fractie constateren dat de minister ook stelt dat het eventueel wettelijk vastleggen van indexatie van loon- en prijsbijstelling de ongelijkheid tussen verschillende sectoren op de OCW-begroting zou vergroten. Uit de brief van de vorige minister2 maken deze leden op dat het primair onderwijs (inclusief speciaal onderwijs), studiefinanciering en de rijksbijdrage aan de media een wettelijk verplichte prijsbijstelling, zonder voorbehoud, kennen. Kan de minister specificeren op welke andere sectoren op de OCW-begroting zij doelt, ten opzichte waarvan zij zo’n “grotere ongelijkheid” zou afwijzen?

De leden van de PRO-fractie merken voorts op dat de Raad voor Cultuur er ook op wijst dat een systeem zoals de cultuursector stabiele elementen nodig heeft waaromheen, waarbinnen en van waaruit dynamiek kan ontstaan of in confrontatie waarmee het nieuwe kan ontstaan. Hoe verwacht de minister – behalve door de verlenging van de subsidietermijn van cultuursubsidies naar acht jaar – de stabiliteit van culturele organisaties te vergroten, ook in financiële zin? De Raad voor Cultuur adviseert bijvoorbeeld publieke financiers om meer weerstandsvermogen toe te staan aan culturele organisaties bij subsidieverlening. Dat versterkt hun financiële positie. Deelt de minister het oordeel van de Raad voor Cultuur dat het hebben van een voldoende weerstandsvermogen een noodzakelijk onderdeel is van een gezonde bedrijfsvoering voor culturele organisaties? Waarom neemt de minister de aanbeveling niet over om culturele organisaties in staat te stellen een weerstandsvermogen van 12 tot 20 procent op te bouwen, en welke concrete norm wil zij dan wél met provincies, gemeenten en cultuurfondsen afspreken?

De leden van de PRO-fractie wijzen erop dat het coalitieakkoord extra aandacht belooft voor landelijke dekking van cultuurvoorzieningen en regionale spreiding.3 Hoe denkt de minister deze regionale spreiding en landelijke dekking van cultuurvoorzieningen daadwerkelijk te verbeteren, nu zij hiervoor geen aanvullende structurele middelen beschikbaar stelt?

De leden van de PRO-fractie merken op dat het kabinet voornemens heeft om te bezuinigen op het ambtenarenapparaat. Welke consequenties hebben deze bezuinigingen voor de systeemverantwoordelijkheid van de minister voor cultuur?

De leden van de PRO-fractie constateren dat het kabinet het belangrijk vindt om het geven aan goede doelen fiscaal aantrekkelijk te houden en de minister steunt gezamenlijke CBF-erkenning voor de culturele sector en aansluiting bij Goede Doelen Nederland. Deze leden vragen de minister om te kwantificeren welke gedragseffecten zij hiervan verwacht bij giften aan cultuurdoelen.

Tot slot merken de leden van de PRO-fractie op dat SEO Economisch Onderzoek in haar evaluatie van cultuurleningen concludeert dat deze doeltreffend en doelmatig zijn en dat de verhouding tussen maatschappelijke kosten en bereikte effecten erg positief is. Tegelijkertijd geeft het Cultuurfonds te kennen4 dat het binnen tien maanden haar volledige € 6 miljoen heeft uitgeleend, maar het de Cultuurfondslening wil uitbreiden met € 10 miljoen om te voldoen aan de enorme vraag, want veel culturele instellingen willen groeien en hebben ideeën om te vernieuwen, maar ze lopen vast op de financiering. Welke rol ziet de minister voor zichzelf bij een dergelijke eventuele uitbreiding van dit revolverende fonds?

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

Ieder zijn aandeel

De leden van de CDA-fractie danken de minister voor de kabinetsreactie op het advies van de Raad voor Cultuur. De minister plaatst enkele kanttekeningen bij de analyse van de Raad dat het cultuurbudget niet is meegegroeid met de totale uitgaven van de rijksoverheid. Kan de minister dit verder onderbouwen met cijfers? Hoe hebben de cultuuruitgaven zich volgens de minister ontwikkeld in de afgelopen jaren, ook ten opzichte van de overheidsuitgaven?

De leden van de CDA-fractie hebben begrip voor de afwegingen die de minister schetst ten aanzien van het wettelijk vastleggen van de indexatie van lonen en prijzen. Dit onderwerp moet in een breder perspectief dan alleen cultuur of de OCW-begroting bezien worden. Daarom vragen deze leden of de minister een rijksbreed overzicht kan geven bij welke beleidsthema’s of begrotingsartikelen de indexatie van lonen en prijzen wel wettelijk is vastgelegd en waarom, zodat deze leden zich hiervan een beeld kunnen vormen.

De leden van de CDA-fractie vragen graag aandacht voor het domeinoverstijgende belang van cultuur. Cultuur heeft naast haar intrinsieke waarde ook een belangrijke maatschappelijke functie en speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol in de beweging van zorg naar welzijn en de sociale basis. Deze leden lezen dat de minister niet voornemens is om een meerjarenplan cultuur en het sociaal domein op te stellen, terwijl dit wel eerder is toegezegd aan de Kamer. Deelt de minister wel dat hier grote kansen liggen en zo ja, waarom is zij niet bereid om tot een meerjarenplan te komen?

De leden van de CDA-fractie delen met de minister dat filantropie een grote rol speelt bij bijdragen aan de culturele sector. Deze leden lezen dat de minister het schenken aan kunst en cultuur onder de aandacht wil brengen. Hoe gaat de minister dit doen? Ook de fiscale regelingen zoals de giftenaftrek en de ANBI-wetgeving zijn hiervoor essentieel. Welke knelpunten en verbeteringen ziet de minister specifiek als het gaat om de culturele sector? Hoe kijkt de minister bijvoorbeeld naar de culturele ANBI-status en het beperkte effect hiervan bij grote giften?

Evaluatie cultuurleningen

De leden van de CDA-fractie dat het instrument van de cultuurlening als doelmatig en doeltreffend is geëvalueerd. Deze leden zijn blij dat de komende jaar meer budget voor deze leningen beschikbaar komt. De leden constateren wel dat veruit het grootste deel van de leningen wordt verstrekt in de Randstad en specifiek in Amsterdam. Deelt de minister dat een goede regionale spreiding van de cultuurleningen belangrijk is? Hoe wil de minister ervoor zorgen dat de leningen in heel Nederland door de hele sector gebruikt worden? Wil de minister de Kamer zo snel mogelijk informeren over de uitkomsten van de gesprekken met Cultuur+Ondernemen en de stappen die op dit punt ondernomen worden?

Inbreng van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie lezen dat uit de evaluatie van de cultuurleningen blijkt dat gebruikers relatief vaak zijn geconcentreerd in Amsterdam en de Randstad, terwijl de minister met Cultuur+Ondernemen in gesprek wil gaan over de landelijke spreiding van deze leningen.

Deze leden vragen of de minister inzichtelijk kan maken welk aandeel van de cultuurleningen in de afgelopen vier jaar terecht is gekomen in de Randstad en welk aandeel daarbuiten, uitgesplitst naar provincie. Tevens vragen zij hoe de minister verklaart dat de cultuurleningen, die landelijk beschikbaar zijn, in de praktijk relatief sterk geconcentreerd zijn in Amsterdam en de Randstad. Voorts vragen zij welke concrete maatregelen de minister gaat nemen om ervoor te zorgen dat culturele ondernemers en organisaties in dorpen, kleinere gemeenten en landelijke regio's beter toegang krijgen tot de cultuurleningen. Tot slot vragen zij of de minister bereid bij de uitbreiding van het budget voor cultuurleningen expliciet te monitoren of het aanvullende geld daadwerkelijk leidt tot een betere regionale spreiding. Zo ja, hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

Daarnaast lezen de leden van de BBB-fractie dat kleinere en middelgrote culturele organisaties volgens de Raad voor Cultuur vaak lokaal en regionaal geworteld zijn, maar tegelijkertijd minder gemakkelijk private financiering aantrekken dan grotere en bekendere instellingen. Ook hier hebben deze leden een aantal vragen over. Hoe voorkomt de minister dat de sterkere inzet op private financiering, filantropie en matchfunding vooral ten goede komt aan grote culturele instellingen die al beschikken over professionele fondsenwervers en uitgebreide netwerken? Hoe worden kleine culturele organisaties, lokale musea, muziekverenigingen, podia en andere lokaal gewortelde initiatieven in staat gesteld om eveneens gebruik te maken van matchfunding en private financiering? Voorts vragen de leden of de minister de zorg deelt dat een financieringsmodel dat sterker leunt op private bijdragen regionale verschillen juist kan vergroten, omdat het vermogen om private financiering aan te trekken niet overal in Nederland gelijk is. Hoe wil zij dit voorkomen? Ten slotte vragen de leden of bij de verdere uitwerking van het cultuurbeleid ook wordt gekeken naar de positie van cultuurvormen die sterk verbonden zijn met de identiteit van dorpen en regio's, waaronder lokale tradities, verenigingen en immaterieel erfgoed.

Inbreng van de leden van de Groep Markuszower

De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de brief van de minister. Deze leden wachten de beantwoording met belangstelling af.

II Reactie van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap


  1. Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 50.↩︎

  2. Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 36.↩︎

  3. Aan de slag Bouwen aan een beter Nederland Coalitieakkoord 2026-2030, blz. 50.↩︎

  4. “Culturele instellingen profiteren van 6 miljoen aan kapitaalinjectie dankzij Cultuurfondslening” (Culturele instellingen profiteren van 6 miljoen aan kapitaalinjectie dankzij Cultuurfondslening - De Erfgoedstem).↩︎