Antwoord op vragen van de leden De Hoop, Patijn, en Westerveld over de oproep van de burgemeester van Amsterdam over dakloosheid in de steden
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D46881, datum: 2026-09-28, bijgewerkt: 2026-09-29 11:23, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Mede namens: W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (Ooit CDA kamerlid)
- Mede ondertekenaar: J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ooit D66 kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z17833:
- Gericht aan: E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Gericht aan: J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 155
Antwoord van minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (ontvangen 28 september 2026)
1. Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Buitenhof van zondag 30 augustus jongstleden waarin de burgemeester van Amsterdam de noodklok luidde over dakloosheid in de grote steden?
Antwoord:
Ja.
2. Hebt u er kennis van genomen dat ten minste Nijmegen, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Arnhem, Groningen en Almere nu de oproep van burgemeester Halsema hebben gesteund?
Antwoord:
Ja.
3. Wat is uw reactie op de constatering van de burgemeester van
Amsterdam dat de leefbaarheid in de vier grote steden steeds verder
onder druk komt te staan door de combinatie van toenemende dakloosheid,
verloedering, crackgebruik en mensen met verward gedrag?
Antwoord:
Het kabinet herkent en erkent de zorgen die gemeenten hebben over
dakloosheid, de specifieke problematiek op straat en de leefbaarheid die
daarmee in verschillende steden onder druk komt te staan. Het kabinet
werkt daarom samen met gemeenten en zorgpartijen aan verschillende
maatregelen die de problematiek tegen moeten gaan, zoals het Nationaal
Actieplan Dakloosheid, dat preventie en huisvesting met passende
ondersteuning centraal zet, en de interdepartementale aanpak voor
verward en onbegrepen gedrag onder leiding van de minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Voor dakloze EU-(arbeids)migranten wordt doorgaans ingezet op terugkeer naar werk of land van herkomst, vanuit kortdurende opvang. In het antwoord op vraag 5 wordt de aanpak hierbij nader toegelicht.
4. Kunt u reageren op de vaststelling van de burgemeester dat zij "al
een aantal keer de noodklok richting Den Haag" heeft geluid, maar dat
dit "te weinig beantwoord" wordt? Is het kabinet bereid op korte termijn
in gesprek te gaan met de burgemeesters van de vier grote steden om te
komen tot een gezamenlijke, structurele aanpak van dakloosheid en
drugsoverlast? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden
geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Het kabinet spreekt met regelmaat met de VNG, de G4 en individuele
gemeenten over problematiek die raakt aan dakloosheid, verward en
onbegrepen gedrag, arbeidsmigratie en volkshuisvesting. In die
overleggen wordt gezamenlijk met medeoverheden besproken welke stappen
genomen kunnen worden en hoe gemeenten hierbij geholpen kunnen worden.
Het kabinet zet deze overleggen graag voort en zal deze specifieke
oproep daarin meenemen. Uw Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de
voortgang op het uitvoeren van de aanbevelingen van het Aanjaagteam
Bescherming Arbeidsmigranten en het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
5. Deelt u de analyse van de burgemeester dat het Rijk
medeverantwoordelijk is voor deze problematiek en dat er ook vanuit het
Rijk "grote maatregelen" nodig zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke
maatregelen worden er al genomen of bent u van plan te nemen?
Antwoord:
Grote vraagstukken vragen een aanpak waarin verschillende overheden gezamenlijk optrekken, samen met sociale partners, maatschappelijk middenveld en andere betrokken partijen. Het Rijk is er daarbij onder andere verantwoordelijk voor dat de randvoorwaarden voor gemeenten in orde zijn om gericht beleid te kunnen voeren om deze problematiek tegen te gaan. Daarom werkt het kabinet op zowel wonen, zorg als arbeidsmigratie aan het verbeteren hiervan.
Het interdepartementale programma verward en onbegrepen gedrag waarin VWS, JenV, SZW, VRO en BZK samenwerken, richt zich op een groep mensen met diverse problematiek die de grip op hun leven kwijt is of dreigt te raken. Een deel van deze mensen verblijft op straat en veroorzaakt overlast. Specifiek richt de aanpak zich op het creëren van meer woningen en passende (woon)zorgvoorzieningen, het stimuleren van gegevensuitwisseling, standaardisering en uniformering van werkwijzen met ruimte voor lokaal maatwerk en het realiseren van voorspelbare en domeinoverstijgende financiering in de regio’s tussen de domeinen wonen, zorg en veiligheid. Eind september volgt een voortgangsbrief over deze aanpak. Daarin wordt een verkenning
met de Nederlandse ggz en Aedes benoemd naar mogelijkheden om terreinen van ggz- en andere zorginstellingen te benutten voor passende woonvormen. Hierbij kan het gaan om prikkelarme en beschutte woonvormen, maar ook om reguliere woningen waarbij zorg en ondersteuning dichtbij beschikbaar zijn. De bereidheid van zorginstellingen om hun terreinen hiervoor te benutten biedt kansen om verschillende woon- en zorgvormen beter met elkaar te verbinden. Met het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (NAD) ondersteunt het kabinet gemeenten bij de beweging naar Wonen Eerst, waarbij een duurzame woonplek met passende begeleiding het startpunt is voor herstel. Het komende jaar hierbij ingezet op een versnelling hiervan.
Daarnaast is op 1 juli 2026 de Wet versterking regie volkshuisvesting
(Wvrv) in werking getreden. Hiermee worden gemeenten verplicht om in hun
volkshuisvestingsprogramma inzicht te geven in de huisvestingsopgave
voor aandachtsgroepen. Tot deze aandachtsgroepen behoren onder andere
(dreigend) dak- en thuisloze mensen, mensen die uitstromen uit beschermd
wonen, mensen die een ggz-kliniek verlaten en arbeidsmigranten.
Daarnaast zijn gemeenten met de inwerkingtreding van de Wvrv verplicht
om per 1 januari 2028 een huisvestingsverordening op te stellen, waarbij
bepaalde groepen woningzoekenden verplicht urgentie krijgen op een
sociale huurwoning. Dit geldt onder andere voor dakloze gezinnen met
minderjarige kinderen. De regeling waarin de groepen verplicht urgenten
worden gedefinieerd wordt momenteel verder uitgewerkt. Uit de Wvrv volgt
tevens de verplichting om regionaal afspraken te maken over de verdeling
van de verplicht urgent woningzoekenden. Dit heeft als doel om de
spreiding van de verplicht urgent woningzoekenden over de verschillende
gemeenten te verbeteren.
Verder geldt dat met de Wet goed verhuurderschap, die op 1 juli 2023 in
werking is getreden, een landelijk geldende basisnorm is geïntroduceerd
voor het gedrag dat een goed verhuurder betaamt. Deze normen omvatten
onder andere een verbod op intimidatie en woondiscriminatie, regels over
waarborgsommen en servicekosten, en de verplichting voor verhuurders om
hun huurders te informeren over diens rechten en verplichtingen ten
aanzien van het gehuurde. Hiermee is voor zowel huurders als verhuurders
meer duidelijkheid gecreëerd over wat wel en niet mag. In aanvulling
hierop bevat de wet in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten nog de
regel dat een huurovereenkomst en arbeidsovereenkomst in losse
documenten moeten zijn vastgelegd, en dat arbeidsmigranten moeten worden
geïnformeerd over hun rechten en plichten ten aanzien van het gehuurde
in een taal die zij kunnen begrijpen. Gemeenten zijn verantwoordelijk
voor het toezicht en de handhaving van de bovengenoemde regels. Dit kan
naar aanleiding van een melding, binnengekomen bij het meldpunt dat elke
gemeente sinds 1 januari 2024 verplicht moet hebben ingesteld, maar ook
proactief, dus zonder voorafgaande melding. In aanvulling op de
handhaving van de algemene regels van goed verhuurderschap, kunnen
gemeenten er bovendien nog voor kiezen om een verhuurvergunning in te
stellen. Hieraan kunnen eveneens bepaalde, landelijk geüniformeerde,
voorwaarden worden verbonden.
De Wet goed verhuurderschap is afgelopen zomer geëvalueerd. De
uitkomsten van dit evaluatieonderzoek heb ik recentelijk aan uw Kamer
aangeboden.
De burgemeester sprak ook over dakloze EU-arbeidsmigranten. Sinds 2023 is er specifiek ten aanzien van dakloze EU-burgers een Plan van Aanpak kwetsbare dakloze EU-burgers gelanceerd. Onderdeel daarvan is een landelijke aanpak voor kortdurende opvang en begeleiding van niet rechthebbende dakloze EU-burgers. Wanneer duurzaam verblijf en werk in Nederland niet haalbaar zijn, is terugkeerondersteuning een vast onderdeel van deze aanpak. Uitgangspunt hierbij is vrijwillig en zelfstandig vertrek. De ervaring leert dat terugkeer van EU-burgers het meest duurzaam is wanneer er perspectief bestaat in het herkomstland en het uitgangspunt is vrijwillig en zelfstandig vertrek. Gemeenten en Rijk werken hierbij samen met maatschappelijke organisaties, zoals Stichting Barka, het Leger des Heils en de Regenboog Groep, voor toegankelijke informatie, praktische hulp bij de reis en – waar mogelijk – een warme overdracht in het land van herkomst. Indien een EU-burger niet meewerkt aan zelfstandig vertrek, kan, binnen de geldende juridische kaders, gedwongen terugkeer door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) volgen.
Uw Kamer is verder op 10 september jl. geïnformeerd over het besluit van het kabinet om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvestingskosten op het minimumloon af te schaffen. Het streven is om dit in samenhang met de inwerkingtreding van de Wet passende huurcontracten te regelen. De Wet passende huurcontracten heeft deze zomer in internetconsultatie gelegen. Het streven is dat de wet op 1 juli 2028 in werking treedt en daarmee ook het besluit om de inhoudingsmogelijkheid af te schaffen.
6. In welke mate zijn wat u betreft werkgevers verantwoordelijk voor
het feit dat arbeidsmigranten massaal op straat belanden? Wat bent u
bereid hieraan te doen?
Antwoord:
Er is niet één oorzaak van dakloosheid. In 2022 is in opdracht van de ministeries van VWS, SZW en JenV door het IVO nader onderzoek gedaan naar oorzaken waarom arbeidsmigranten op straat terecht komen. In het onderzoek naar ‘Routes naar dakloosheid’ worden 5 voorname redenen opgesomd waarom mensen dakloos raken: 1) werkverlies; 2) voortdurende kwetsbaarheden (opgelopen in het thuisland); 3) verbroken relatie en werkverlies; 4) direct dakloos na aankomst en 5) ernstige gezondheidsproblemen. Het valt in dit onderzoek op dat veel mensen op straat belanden door persoonlijke omstandigheden, onafhankelijk van de werk- en woonomstandigheden (inclusief de zogenaamde ‘package deals’, wat inhoudt dat zowel werk, woning als zorgverzekering door dezelfde partij geregeld wordt). Behalve slechte en onzekere werk- en woonomstandigheden vergroten persoonlijke individuele factoren de kans op dakloosheid, zoals (problematisch) middelengebruik, psychische problematiek en de (nog) ontbrekende binding met Nederland. In het onderzoek blijkt dat 60% van de onderzochte populatie (N=42) vanwege deze persoonlijke omstandigheden op straat kwam. Dit is een belangrijk nuance op het beeld dat dakloosheid onder arbeidsmigranten voor het merendeel veroorzaakt wordt door slecht werkgeverschap en/of package deals.
Werkgevers kunnen wel een verantwoordelijkheid nemen op dit vraagstuk. Het kabinet ziet in de praktijk ook dat op verschillende plekken in Nederland werkgevers en huisvesters bijdragen aan oplossingen, bijvoorbeeld door het voorzien in tijdelijke opvang en/of begeleiding naar nieuw werk. Momenteel is het kabinet, in lijn met de motie van den Brink, aan het verkennen hoe dergelijke initiatieven breder ingezet kunnen worden. Tegelijkertijd is het zo dat een directe afhankelijkheid van de werkgever voor een woning sneller tot dakloosheid kan leiden bij een abrupt einde van de werkrelatie. De minister van VRO werkt dan ook aan een wetsvoorstel om de huurbescherming van arbeidsmigranten te verbeteren. Zie daarvoor het antwoord op vraag 9.
7. Hebt u kennisgenomen van de vorige maand aangekondigde maatregelen
tegen dakloosheid van de Britse premier Burnham, waaronder nieuwe
opvangmogelijkheden, praktische hulp voor mensen bij huisvesting,
gezondheidszorg en andere behoeften, en een nationale top met
verschillende actoren? Wat is het Nederlandse kabinet bereid te leren
van deze aanpak?
Antwoord:
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van de aangekondigde maatregelen in
het Verenigd Koninkrijk. De nieuwe Britse maatregelen gaan uit van een
combinatie van opvang, passende huisvesting en toegang tot zorg en
ondersteuning. Dit sluit aan bij het Nationaal Actieplan Dakloosheid dat
sinds 2022 de leidende aanpak is in Nederland. Op dit moment kent het
kabinet een brede samenwerking met vertegenwoordigers van gemeenten,
woningcorporaties, zorgpartijen en belangenbehartigers, zowel voor het
Nationaal Actieplan Dakloosheid als voor het beleid rondom
arbeidsmigratie en het versnellen van de woningbouw.
8. Ziet het kabinet ook dat arbeidsmigranten een groot deel vormen
van het aantal dakloze mensen (circa 1500 van de 3644 in beeld gebrachte
dakloze mensen in Amsterdam)? Deelt het kabinet de constatering van de
Amsterdamse burgemeester dat het toenemende aantal dakloze
arbeidsmigranten samenhangt met gebrekkige huurbescherming, doordat
arbeidsmigranten bij ontslag dakloos worden? Zo nee, waarom niet en
waardoor komt dit dan wel volgens het kabinet?
Antwoord:
Dakloosheid raakt een diverse groep aan mensen met verschillende
problematiek en is vaak moeilijk te meten, omdat slechts een deel van de
dakloze mensen op straat verblijft. Tellingen en schattingen van
verschillende organisaties laten wel zien dat EU-arbeidsmigranten
relatief oververtegenwoordigd zijn bij de dakloze mensen die op straat
verblijven. Onder vraag 6 staat beschreven dat er diverse redenen aan
dakloosheid ten grondslag kunnen liggen. Ontslag is daarmee niet de
enige reden waarom EU-burgers op straat kunnen belanden. Wel is het zo
dat arbeidsmigranten vaak zonder huurbescherming worden gehuisvest,
waarmee zij huisvesting kunnen verliezen op het moment dat de
arbeidsrelatie eindigt. De minister van VRO werkt daarom aan een
wetsvoorstel om de huurbescherming van arbeidsmigranten verbeteren. Zie
hiervoor het antwoord op vraag 9.
9. Herinnert u zich het voorstel van eind vorig jaar om in de wet een
nieuwe opzeggingsgrond op te nemen dat een werkgever de huurovereenkomst
mag opzeggen indien de arbeidsrelatie is beëindigd? Kunt u reageren op
de kritiek van de Amsterdamse burgemeester en tal van maatschappelijke
organisaties (waaronder de Woonbond, Dakloosheid Voorbij!, Valente, het
Leger des Heils en de FNV) dat deze maatregel, die in strijd is met de
aanbevelingen van de commissie-Roemer, zal leiden tot meer dakloosheid
onder arbeidsmigranten?
Antwoord:
Het kabinet heeft als doel onwenselijke situaties zonder
huur(prijs)bescherming tegen te gaan en de huur(prijs)bescherming voor
arbeidsmigranten en andere huurders te verbeteren en te verduidelijken.
Daarom is deze zomer het wetvoorstel passende huurcontracten in
internetconsultatie gebracht.
Waar in de sector wordt gesproken over huisvesting op basis van
‘short-stay’ wordt binnen het huurrecht een beroep gedaan op de
uitzondering in artikel 7:232, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Het huurrecht kent het begrip ‘short-stay’-contracten echter niet. Op
grond van deze bepaling is Titel 4, Afdeling 5 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek niet van toepassing op huur welke een gebruik van
woonruimte betreft dat “naar zijn aard slechts van korte duur is”. Dit
betekent kort gezegd dat de huurbescherming niet van toepassing is op
deze vorm van huur en huurders makkelijk hun woonruimte kunnen
verliezen. Dit draagt bij aan de kwetsbare situatie waarin veel
arbeidsmigranten zich bevinden en kan ertoe leiden dat arbeidsmigranten
hun woning verliezen op het moment dat hun werk stopt.
Het in internetconsultatie gebrachte wetsvoorstel passende huurcontracten bevat daarom het voorstel om de uitzondering huur van woonruimte ‘naar zijn aard van korte duur’ te begrenzen tot maximaal 30 nachten. Dit betekent dat indien huisvesting langer duurt dan 30 nachten, er hoe-dan-ook sprake is van huurbescherming en ook huurprijsbescherming. Conform de Wet vaste huurcontracten komt dit in beginsel dan neer op een huurbescherming voor onbepaalde tijd.
Bij het opstellen van het genoemde wetsvoorstel heeft de minister van VRO echter in overweging genomen dat een vast huurcontract niet altijd passend is in de uiteenlopende situaties waarin arbeidsmigranten worden gehuisvest. Huisvesting van arbeidsmigranten vindt geregeld plaats op het terrein van de werkgever en/of op locaties waar volgens het omgevingsplan geen permanente bewoning is toegestaan. Het in internetconsulatie gebrachte voorstel bevat daarom een aanvullende maatregel die het mogelijk moet maken om tijdelijke huurcontracten te gebruiken voor de huisvesting van arbeidsmigranten, waarbij de voorwaarde is dat het moet gaan om een woonruimte die voldoet aan bepaalde kwaliteitsnormen (de ‘Roemer-normen’). Ook bevat het voorstel de mogelijkheid om, indien er sprake is van huisvesting op het eigen terrein en iemand daar niet langer werkzaam is een vast huurcontract via de rechter te kunnen ontbinden. Dit vindt het kabinet gezien de aard en locatie van de huisvesting redelijk.
De minister van VRO is zich ervan bewust dat het toestaan van een tijdelijk contract of het mogelijk maken om een vast contract te ontbinden, inhoudt dat de huisvesting van een arbeidsmigrant op een bepaald moment kan ophouden en daarmee dat deze voorstellen op gespannen voet kunnen staan met de uitgangspunten van de Wet vaste huurcontracten en de beleidsinzet om wonen en werken zoveel mogelijk te scheiden. Anderzijds is de voorgestelde situatie waarbij sprake is van een tijdelijk contract, met huurbescherming en huurprijsbescherming over een vooraf afgesproken periode, een wezenlijke verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Ook is het voorgestelde volgens het kabinet niet in strijd met het advies van de commissie Roemer. De commissie Roemer adviseerde voor de verhuur met huurbescherming aan arbeidsmigranten een opzegtermijn van 1 maand en adviseerde verhuur zonder huurbescherming voor een periode van 4 maanden toe te blijven staan. Het in internetconsultatie gebrachte voorstel is op verschillende punten strenger dan dat.
De internetconsultatie heeft ruim 140 reacties opgeleverd, die op dit moment door de minister van VRO worden bestudeerd. Gelijktijdig met de internetconsultatie van de Wet passende huurcontracten heeft de minister van VRO een bredere verkenning uitgevoerd naar het stelsel van tijdelijke huurcontracten. Deze verkenning is ook aan uw Kamer toegezegd. Onder andere op basis hiervan wordt met realisme gekeken waar het stelsel van vaste en tijdelijke huurcontracten knelt en of het in internetconsultatie gegeven wetsvoorstel passende huurcontracten aanpassing behoeft. De verwachting is dat uw Kamer dit najaar geïnformeerd wordt over het vervolg.
10. Is het kabinet het eens dat het toestaan van tijdelijke
huurcontracten voor arbeidsmigranten – zoals het kabinet momenteel
voorstelt in het wetsvoorstel passende huurcontracten – het risico met
zich meebrengt dat arbeidsmigranten sneller dakloos raken? En is het
kabinet bereid om – mede naar aanleiding van de oproep van de
burgemeester van Amsterdam – dit voorstel te herzien?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 9.
11. Op welke wijze is het kabinet voornemens om de problemen van
dakloze arbeidsmigranten op te lossen? Is het kabinet bereid om de
aanbevelingen van de commissie-Roemer uit te voeren, ervoor te zorgen
dat arbeidsmigranten dezelfde rechtspositie krijgen als andere
werknemers, en de afhankelijkheid tussen arbeid en huisvesting te
verminderen?
Antwoord:
Op het thema arbeidsmigratie wordt binnen het interdepartementale
projectteam arbeidsmigranten (IPA) gewerkt aan de uitvoering van de
maatregelen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (Commissie
Roemer). Dat wordt gezamenlijk gedaan met medeoverheden en sociale
partners. Het Rijk helpt gemeenten met het inzichtelijk maken van de
rechten en plichten die dakloze EU-burgers hebben. Ook wordt gewerkt aan
preventieve maatregelen, zoals de inwerkingtreding van de Wet toelating
terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) en aan verbetering van
huurbescherming voor arbeidsmigranten. Dit kabinet heeft daarnaast
besloten om een uitzendverbod in de vleessector in te voeren en de
inhoudingsregeling op het Wettelijk minimumloon voor huisvesting af te
schaffen.
Uw Kamer ontvangt jaarlijks een monitor over de voortgang van de uitvoering van de aanbevelingen van het Aanjaagteam, waarin ook de voortgang op de actie ten aanzien van dakloze arbeidsmigranten/EU-burgers is opgenomen. Uw Kamer ontvangt dit jaar voorafgaand aan het commissiedebat over arbeidsmigratie van 12 november van de minister van SZW de volgende versie van deze monitor met bijgaand een brief waarin het kabinet de voortgang apprecieert.
12. Is het kabinet bereid om de regeling waarmee werkgevers tot 25
procent van het minimumloon van arbeidsmigranten inhouden in ruil voor
huisvesting alsnog zo snel mogelijk – zonder eerst het beperken van
short stay af te wachten – af te bouwen, zoals was
voorzien?
Antwoord:
Uw Kamer is op 10 september geïnformeerd over het besluit van het
kabinet om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvestingskosten op het
minimumloon af te schaffen. Het streven is om dit in samenhang met de
inwerkingtreding van de Wet passende huurcontracten te regelen. De Wet
passende huurcontracten heeft deze zomer in internetconsultatie gelegen.
Het streven is dat de wet op 1 juli 2028 in werking treedt en daarmee
ook het besluit om de inhoudingsmogelijkheid af te schaffen.
13. Wat is volgens u de relatie tussen de massale short stay
huisvesting van arbeidsmigranten en de toegenomen dakloosheid van
arbeidsmigranten?
Antwoord:
Het huurrecht kent het begrip ‘short-stay’-contracten niet. Wel is het
zo dat in de praktijk regelmatig gebruik wordt gemaakt van
overeenkomsten waarbij een beroep wordt gedaan op deze uitzondering voor
de huur van woonruimte ‘naar zijn aard van korte duur’. Zoals in het
antwoord op vraag 9 is toegelicht betekent dat onder meer dat huurders
in die gevallen geen huur(prijs)bescherming genieten en makkelijk hun
woonruimte kunnen verliezen. In het wetsvoorstel passende huurcontracten
doet de minister van VRO daarom het voorstel deze uitzondering voor de
huur van woonruimte ‘naar zijn aard van korte duur’ te begrenzen op
maximaal 30 nachten. Voor huisvesting van langere duur dient de
huurbescherming gerespecteerd te worden.
14. Heeft Amsterdam het kabinet gevraagd om als pilot
containerwoningen te mogen plaatsen voor dakloze moeders en kinderen?
Bent u bereid deze ruimte te bieden, en zo ja, op welke termijn kan
hierover duidelijkheid komen? Zo nee, waarom bent u hiertoe niet
bereid?
Antwoord:
In een gesprek tussen de wethouder van Amsterdam en de minister van VRO
met betrekking tot het huisvesten van deze doelgroep zijn
‘containerwoningen’ als oplossingsrichting genoemd. De gemeente
Amsterdam heeft, buiten de reguliere vormen van huisvesting,
verschillende mogelijkheden om met subsidie woonruimte voor deze
doelgroep te realiseren. Omdat containerwoningen een vorm van flexwonen
kunnen zijn is daar ook subsidie voor mogelijk. Met de
Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT) en de Regeling
Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA) kan Amsterdam woningen voor deze
doelgroep realiseren, mits deze voldoen aan de voorwaarden van de
regeling.