Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1712 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (Implementatiewet herziene Europese richtlijn mensenhandel) (36835) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D46945, datum: 2026-09-28, bijgewerkt: 2026-09-29 09:53, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-09-28 10:00: Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1712 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (Implementatiewet herziene Europese richtlijn mensenhandel) (36835) (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Implementatiewet herziene Europese richtlijn mensenhandel
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 28 september 2026 overleg gevoerd met de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid, over:
het wetsvoorstel Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1712 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (Implementatiewet herziene Europese richtlijn mensenhandel) (36835).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en
Veiligheid,
Eerdmans
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,
Van Tilburg
Voorzitter: Belhirch
Griffier: Van Thiel
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Abdi, Belhirch, Bikker, Boomsma, Tijs van den Brink, Diederik van Dijk, Faber en Verkuijlen,
en de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 10.00 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen allemaal. Hierbij open ik het wetgevingsoverleg
Implementatie herziene Europese richtlijn mensenhandel. Ik heet de
minister van Justitie en Veiligheid en zijn ondersteuning welkom. Ook
verwelkom ik graag de aanwezige Kamerleden. Ik zal ze even afgaan, ook
voor de kijker thuis. Aanwezig zijn mevrouw Faber van de PVV, mevrouw
Bikker van de CU, Boomsma van JA21, Verkuijlen van de VVD, Diederik van
Dijk van de SGP, Tijs van den Brink van het CDA, en Abdi van de
PvdA.
Mevrouw Abdi (PRO):
PRO!
De voorzitter:
O, PRO. Excuses, excuses. Dit zit nog in mijn systeem. Mijn excuses.
Zelf ben ik Belhirch van D66. We hebben een vrij druk programma, want er
zijn behoorlijke spreektijden voor de eerste termijn opgegeven. Dat
wordt denk ik best wel een uitdaging in vier uur. Om het proces een
beetje te bewaken en om te bewerkstelligen dat we ook een tweede termijn
kunnen hebben — u kunt zich het vorige debat wel herinneren dat we over
mensenhandel en sekswerk hadden, waarin we geen tweede termijn hadden —
zou ik willen voorstellen om de interrupties onderling tot twee of drie
te beperken. Ik kijk daarbij even naar mijn linkerzijde. Hoe kijkt u
daartegen aan? Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik wil de voorzitter er toch graag op attenderen dat het wel een
wetgevingsoverleg is. Het is wel een belangrijk onderwerp. Als we
interrupties hebben, moeten we die ook wel kunnen plaatsen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik denk dat de Kamerleden hier elkaar ook niet de hersens in gaan slaan
op dit punt, dus dat we er wel uitkomen. Maar mocht het nou uit de pas
lopen, dan heeft u wat mij betreft alle credits om op dat moment in te
grijpen en ons kort te houden. Interrupties kunnen ook kort.
De voorzitter:
Ja, daar sluit ik me helemaal bij aan. Oké. Dan gaan we starten met
mevrouw Faber. U heeft het woord.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Politiek correct Nederland heeft de mond vol
over de koloniale slavernij, maar geen woord over Istanbul, waar zich
een van de grootste slavenmarkten ter wereld bevond, waar miljoenen
Europeanen werden verhandeld, of over de piraterij aan de kusten van
Barbarije, waarbij er meer dan 1 miljoen Europeanen gevangen werden
genomen, van wie er velen terechtkwamen in de slavenputten van Marokko.
Heeft de minister al gebeld met de koning van Marokko en met president
Erdogan voor een excuus of een schadevergoeding? Of werkt dit enkel één
kant op?
Voorzitter. Terwijl het Westen de slavernij afschafte, gaat de moderne
slavernij onder het mom van mensenhandel gestaag door. In beide gevallen
wordt de vrijheid van de slachtoffers afgepakt en buiten de daders hen
voor eigen financieel gewin meedogenloos uit. Slachtoffers worden
gedegradeerd tot een verdienmodel. Een mens is geen handelswaar: niet de
vrouw, niet de man en ook niet het kind en het ongeboren kind dat
verhandeld wordt. Dit behelst niet enkel zaken als gedwongen
prostitutie, arbeidsuitbuiting en criminele uitbuiting. Daders kunnen
ook vaders, broers en moeders zijn.
Voorzitter. De Europese Commissie is met een richtlijn gekomen om
mensenhandel strenger aan te pakken op Europees niveau. Zo worden er
extra vormen van uitbuiting toegevoegd. Dit betreft draagmoederschap,
gedwongen huwelijken en illegale adoptie. In Nederland is in artikel
273f, lid 2 al impliciet vastgelegd dat deze vormen strafbaar zijn. Nu
wordt het expliciet opgenomen in de wet. Hierdoor is het zo klaar als
een klontje dat deze vormen van uitbuiting strafbaar zijn. Daarnaast
wordt het gebruikmaken van niet-seksuele diensten van een slachtoffer
ook strafbaar. Dit naast het gebruik van seksuele diensten, waar nu al
een verbod op ligt. In Nederland is al het een en ander geregeld in het
Wetboek van Strafrecht betreffende het draagmoederschap. Nu is het
verboden om jezelf als draagmoeder publiekelijk aan te bieden. De
wensouder mag niet in het openbaar aangeven op zoek te zijn naar een
draagmoeder.
Voorzitter. Ondertussen is het niet duidelijk of commercieel
draagmoederschap nu verboden is. De huidige wetsartikelen geven dit niet
impliciet aan, maar er ligt een wetsvoorstel in de Kamer over
draagmoederschap, namelijk wetsvoorstel 36390, waarin is opgenomen dat
je wél mag aangeven je te willen aanbieden of op zoek te zijn naar een
draagmoeder. Maar er mag dan geen geur van commercie omheen hangen.
Ongeacht of het wetsvoorstel over draagmoederschap wordt aangenomen,
feit blijft dat uitbuiting op de loer ligt. De richtlijn geeft als
definitie van de uitbuiting van draagmoederschap: vrouwen die gedwongen
of misleid worden om draagmoeder te zijn. Misschien zijn er wel vrouwen
die uit vriendschap een kind willen dragen en afstaan. Maar wij moeten
niet naïef zijn door te denken dat vrouwen tegen een kostprijs staan te
trappelen om hun baarmoeder te verhuren aan vreemden.
Te denken geven de commerciële partijen die adverteren op het grenzeloze
internet met rent a womb: huur een baarmoeder. Deze agentschappen
stropen dorpen af, rekruteren arme vrouwen en maken dikwijls afspraken
met hun partner die in geldnood zit. Dit speelt ook in landen zoals
Oekraïne. Deze vrouwen worden gedwongen zwanger gemaakt en moeten het
kind afstaan, dat vervolgens verkocht wordt. Het kan ook nog zo zijn dat
een kind wordt verwekt in de schimmige wereld van de prostitutie en dat
de vrouw in kwestie gedwongen wordt om de zwangerschap uit te zitten.
Dat is niet alleen een levensgevaarlijke situatie voor de moeder, die de
kans loopt om te moeten bevallen in een peeskamertje zonder
professionele hulp, maar ook voor het kind. Het kind loopt het risico om
officieel niet te bestaan. Het kan verhandeld worden binnen de
seksindustrie of aangeboden worden als orgaandonor of ter adoptie.
Vrouwen binnen de seksindustrie lopen grote risico's. Jonge en nog
naïeve vrouwen kunnen onder valse voorwendselen verstrikt raken in het
web van een pooier. Om de uitbuiting van jonge prostituees in te dammen,
heb ik dan ook een amendement ingediend — dat is medeondertekend door
collega Diederik van Dijk van de SGP — om de minimumleeftijd voor
prostituees te verhogen van 18 naar 21 jaar. Dat is al jarenlang een
wens van de Tweede Kamer, trouwens.
Voorzitter. Of vrouwen uit eigen beweging, om commerciële redenen, hun
dienst als draagmoeder aanbieden of hiertoe gedwongen worden: in beide
situaties is het ongeboren kind gedegradeerd tot handelswaar. Is het
kind dat zijn of haar leven start met een trauma dan niet het
slachtoffer? Want het kind wordt na de geboorte bruut gescheiden van het
moederlichaam, terwijl het kind zich in de eerste maanden na de geboorte
nog één voelt met het moederlichaam. Is de draagmoeder of degene die
haar hiertoe dwingt dan ook niet schuldig aan mensenhandel? Waarom
blijven de gevolgen voor het kind onderbelicht? Commercieel
draagmoederschap moet je gewoon niet willen.
Voorzitter. Omdat misstanden niet uitgesloten kunnen worden, is het
sinds 2024 verboden om kinderen vanuit het buitenland ter adoptie over
te laten komen. Geldt dit ook binnen de Europese Unie? Geldt dit risico
op misstanden ook voor draagmoeders? Zou er niet een strafbaarstelling
moeten komen voor een draagmoeder in het buitenland, zoals het geval is
in Italië? Neemt de vraag naar draagmoederschap niet toe nu adoptie van
kinderen uit het buitenland verboden is en binnenlandse adoptie
gecompliceerd is? Dit alles kan illegale adoptie in de hand werken. Er
zijn immers grote netwerken van mensensmokkelaars.
In Ter Apel wordt men daar iedere dag mee geconfronteerd. Vanuit azc's
verdwijnen regelmatig kinderen en vrouwen die verhandeld worden in onder
andere de seksindustrie. Hier zijn mensenhandel en mensensmokkel met
elkaar verweven. Europol rapporteert dat een deel van de criminele
netwerken zich niet alleen bezighouden met mensensmokkel. Zij zijn ook
actief op het gebied van andere criminele activiteiten, voornamelijk
drugshandel en mensenhandel zoals arbeids- en seksuele uitbuiting en
gedwongen criminaliteit. Zij misleiden slachtoffers en maken
slachtoffers afhankelijk, om ze uiteindelijk uit te laten buiten. In
deze zin zijn mensensmokkelaars ook mensenhandelaren. Verder is het een
fluitje van een cent om kinderen vanuit Oost-Europa naar het rijkere
West-Europa te brengen. Het legaliseren van een kind ligt lastig, tenzij
je een corrupte ambtenaar hebt. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de
minister niet de voorgestelde strafverzwaring voor ambtenaren in functie
die betrokken zijn bij alle vormen van uitbuiting overneemt. Hier kan
ook het legaliseren van illegale kinderen onder vallen en het onbeperkt
erkennen van kinderen van familieleden uit Verweggistan, die vervolgens
worden ingevlogen. Waarom is dit niet overgenomen in het wetsvoorstel?
Dient de overheid niet het toonbeeld te zijn van integriteit? Graag een
reactie van de minister.
Voorzitter. Een vooruitgestuurd minderjarig kind kan gebruikt worden als
een ticket naar Nederland. Dikwijls bevindt het gezin zich al in
Turkije. Het lot van het kind wordt in de handen van de meedogenloze
mensenhandelaar neergelegd, enkel zodat de ouders er beter van kunnen
worden. Welke ouder doet zoiets? Er wordt misbruik gemaakt van het kind.
Is dat niet een vorm van uitbuiting? Is de ouder dan ook niet strafbaar
voor mensenhandel? Het Expertisecentrum Mensenhandel & Mensensmokkel
geeft aan dat de instroom van Eritrese amv's gepaard gaat met signalen
van mensensmokkel en mensenhandel. Hoe zit het met alle personen en
organisaties die deze praktijken ondersteunen? Maken zij zich ook niet
schuldig aan mensenhandel? Werpt dat niet een heel ander licht op onder
andere VluchtelingenWerk Nederland en andere ngo's die hier een boterham
mee verdienen? Graag een reactie van de minister.
Voorzitter, ik rond af. Mensenhandel is een gruwelijke handel en dient
op alle mogelijke manieren bestreden te worden. Daarom ook mijn
amendement, mede ingediend met de SGP, zodat het wetstechnisch minder
gecompliceerd wordt om iemand te kunnen vervolgen wegens mensenhandel.
Ik zie uit naar de beantwoording van de minister.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie van mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik ben het volstrekt eens met mevrouw Faber dat slavernij in een moderne
vorm eigenlijk nog steeds voorkomt, ook in ons land, en dat het altijd
vrouwen in een kwetsbare positie betreft en een enkele keer jongens,
maar meestal vrouwen en jonge meiden. Ik heb met interesse het
amendement van collega Faber gezien om de leeftijd in ieder geval naar
21 te verhogen, zodat je makkelijker kan ingrijpen bij jonge
slachtoffers van mensenhandel en ook van prostitutie, want daar is negen
van de tien keer echt wat mis. Ik vraag me af of we dat ook niet
andersom zouden moeten doen, want wie houdt dit allemaal in stand? Dat
zijn toch de mensen, de kerels, die hier gebruik van maken, dus de
daders of de klanten. Wat zou collega Faber nou helpen om te kijken naar
de leeftijd van de klant? Zijn er wat dat betreft dingen die voor haar
belangrijk zijn? Ik zou namelijk ook heel graag op dat punt stappen
zetten.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik dank mevrouw Bikker voor deze vraag. Momenteel ligt de
minimumleeftijd voor de klandizie van de prostitutie op 16 jaar. Ik denk
dat mevrouw Bikker daarop doelt. Zij wil graag dat die verhoogd wordt
naar 18. Ik begrijp haar overweging. Ik moet wel zeggen dat ik liever
heb dat jongelui op 16- of 17-jarige leeftijd naar een prostituee gaan
dan dat deze jongens andere vrouwen of meisjes op straat lastiggevallen.
Dan heb ik het liever georganiseerd bij de prostituee dan dat zij los op
straat lopen waar zij andere vrouwen of meisjes lastigvallen.
De voorzitter:
Ik zie een vervolginterruptie bij mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Maar daarmee bevestig je toch — ik kan hier eigenlijk niet bij — het
beeld dat vrouwen handelswaar zijn die je gewoon mag pakken, in het ene
geval door geld te betalen en in het andere geval, als je geen geld
hebt, door iemand op straat te pakken? Dat is toch in strijd met álle
normen en waarden waar wij voor staan als samenleving? Ik zou mevrouw
Faber op dat punt willen vragen: het kan toch niet zo zijn dat ze zouden
mogen verkrachten op het moment dat ze niet naar een prostituee zouden
mogen? Het lijkt me ook niet dat mevrouw Faber dit vindt. Dat is toch de
omgekeerde wereld? Dat is toch meegaan in een visie die juist
afschuwwekkend is?
Mevrouw Faber (PVV):
Kijk, het degraderen van vrouwen naar handelswaar is natuurlijk altijd
fout. Maar dan moeten we ook even kijken naar wie die jongens zijn. Ik
heb begrepen uit andere gesprekken dat het vaak … De vraag is gesteld:
wanneer is het het drukst? Nou, het was met deze minderjarige jongens
als klant het rustigst tijdens de ramadan. Dus dat zegt al iets over wie
deze jongelui zijn en welke groep dat is. Ja, laten we eerlijk zijn: de
ramadan is een onderdeel van de islam en daarin hebben vrouwen een
totaal andere positie. Dan moet je dat ook aan gaan pakken. Het is een
stukje symptoombestrijding. Bij de PVV vinden wij dat de islam niet bij
Nederland hoort. We zien dat nu ook geuit bij de bezoekers van de
prostituees, namelijk dat die jonge jongens daar ook naartoe gaan. Daar
zou je dan ook stappen in moeten zetten, en niet alleen wat betreft de
leeftijd. Het probleem zit natuurlijk dieper. Een vrouw heeft binnen de
islam gewoon een andere positie. Die heeft gewoon een minderwaardige
positie en dat uit zich ook in dat prostitutiebezoek.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker. Graag de antwoorden op interrupties ook wat bondiger
houden.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Bij de PVV is de thee zelden zo slap geschonken als vandaag. Hebben we
eens een kans om in te grijpen en een norm te stellen op het gebied van
prostitutiebezoek, dan krijg ik een heel betoog over de islam. Ik vind
dat we in Nederland voor de waardigheid van vrouwen en meisjes hebben te
staan, altijd en overal. Ik vind het echt een compleet gebrek aan
respect als we minderjarige jongens toestaan om in de prostitutie actief
te zijn. Nu is er een kans om sterke koffie te schenken in plaats van
slappe thee. Ik nodig de PVV graag uit om daarin samen op te trekken in
plaats van allerlei omcirkelende bewegingen te maken. "Wij willen staan
voor de vrijheid en veiligheid van vrouwen." Het liefst heb ik dan
helemaal geen prostitutie, want ik vind het van de zotte dat vrouwen
handelswaar zijn. Ik vind het nergens op slaan dat je seks kan kopen.
Dat vind ik idioot, maar goed, in dit land vindt een meerderheid dat
vanzelfsprekend. Laten we de vrouwen dan in ieder geval behandelen met
het respect dat ze verdienen. Dat doen we niet met minderjarige jongens
van welke afkomst of religie dan ook, of welke invulling je daar verder
ook aan kan geven. Ik hoop van harte dat er een moment dat de PVV en ik
daar samen in op zullen trekken, wat ik in de antwoorden tot nu toe nog
niet hoor. Ik ben een hoopvol mens in die zin. Ik nodig mevrouw Faber
uit om daar later nog eens op te reflecteren.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik moet daar natuurlijk op reageren. Het is natuurlijk helemaal geen
slappe thee. Ik vind het eerder slappe thee van de ChristenUnie. Die
ontwijkt altijd het gesprek over de islam, waar de vrouw een
ondergeschikte positie heeft. Als u zich eens verdiept in de Koran — het
is hoofdstuk 4, An-Nisa; ik kan het u zo aanwijzen — dan ziet u daar
precies in staan hoe je vrouwen moet behandelen. Daar komt gewoon uit
dat ze tweederangsburgers zijn. Dat is het werkelijke probleem. Dat is
het onderliggende probleem. Dat moet benoemd worden.
Tot zover.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Te veel slachtoffers van mensenhandel zijn
onzichtbaar: vrouwen en jonge meisjes, waarvandaan ook. Ik weet nog goed
hoe onthutst ik was toen ik ontdekte dat het in mijn eigen Utrecht, waar
ik destijds woonde, volop voorkwam dat ook jonge meiden in de
prostitutie belandden. Hoe kwamen ze daar? Door pooiers die ze
uitbuitten, maar ook door klanten die in hun leaseauto's langsreden en
betaalden voor seks met deze jonge meiden. Het kan niet waar zijn dat we
dat toestaan in ons land, of het nou wel of niet gereguleerd is.
Officieel was dit namelijk gereguleerd. Het is gewoon mis als een
volwassen vent van een jaar of 40 of ouder denkt dat hij bij een jonge
vrouw tegen betaling alles maar kan maken, al helemaal als er sprake is
van mensenhandel en je toch wel signalen moet hebben dat het mis
is.
Voorzitter. Ik vind het walgelijk dat daders, klanten, straffeloos zijn
in dat opzicht. Daarom zijn we vandaag bijeen, omwille van een
belangrijke herziening van een richtlijn die in de kern een uiterst
kwetsbare doelgroep beter beschermt en strenger toeziet op iets wat we
een "markt" noemen, maar waarbij criminaliteit en uitbuiting aan de orde
van de dag zijn. Het reactieve en voornamelijk strafrechtelijke
instrument uit 2011 wordt met deze herziene richtlijn aangevuld tot een
breder instrument dat zich ook richt op de vraagkant van de "markt" — u
merkt: ik blijf het een beetje onder protest zo noemen — maar daarbij
blijft er ook oog voor de slachtoffers. De ChristenUnie vindt het daarom
heel goed dat deze voorstellen beter definiëren wat seksuele uitbuiting
is, dat het begrip verbreed wordt, dus dat er ook naar draagmoederschap,
gedwongen huwelijken en illegale adoptie wordt gekeken, en dat er verder
wordt uitgebreid naar andere soorten van uitbuiting. In een circuit
waarop zo weinig toezicht is, is dat van groot belang.
Voorzitter. Toch heb ik echt nog een aantal zorgen die wat mij betreft
nog te veel over het hoofd zijn gezien. Het is namelijk ontzettend
belangrijk dat "de klanten", dus de kerels die misbruik maken, veel meer
aandacht krijgen in deze wijzigingen. De ChristenUnie vindt het daarom
wijs dat zowel opzet als schuld strafbaar worden gesteld en dat de
minister in dit voorstel iets verder gaat dan de Europese richtlijn
minimaal eist. Te vaak wordt in de context van prostitutie en
mensenhandel de gebruiker van deze diensten buiten schot gelaten.
Uiteindelijk valt of staat een product bij de vraag; dat is toch een
economische wetmatigheid. Ik denk dat we, door keihard op te treden en
de verantwoordelijkheid bij de gebruiker te leggen, net als bij heling,
toch heel veel kunnen doen aan de misstanden.
Tegelijk lost strafbaarstelling niet alles op als je niet handhaaft. Het
CKM kaart in zijn brief aan de Kamer aan hoe uiterst gering de
strafrechtelijke vervolging op dit moment is. Wanneer er dan toch een
straf wordt opgelegd, zijn de straffen over het algemeen uiterst mild.
Meestal zijn het taakstraffen. Hoe mild moet het worden? Zouden klanten
zich niet veel meer moeten realiseren dat de plek waarnaar zij zich
begeven overladen is met menselijke uitbuiting, dat heel veel vrouwen
daar getraumatiseerd en gekwetst rondlopen en dat dan voorzichtigheid
past, zoals de Raad van State ook terecht stelt? Ze zijn immers niet
bezig met het uitzoeken van een kamerplant bij de Praxis. Zonder scherpe
handhaving blijft deze uitbreiding een papieren verscherping van de
klantenaanpak. Daarom is mijn vraag aan de minister hoe hij erop toeziet
dat de vraag naar mensenhandel niet alleen ontmoedigd wordt, maar ook
daadwerkelijk afneemt. Heeft hij gedachten over hoe dit in te
richten?
Is de minister het met mij eens dat wij toch ook eens moeten kijken naar
de waardigheid van de vrouwen die het betreft en daarom de leeftijd van
de klant moeten betrekken bij de aanpak? Dat wisselde ik net ook al met
collega Faber.
Voorzitter. Keer op keer blijkt dat de coördinatie van de aanpak van
mensenhandel verstek laat gaan. Slachtoffers van mensenhandel hebben
bescherming, opvang, zorg en ondersteuning nodig. Dat vergt een keten
waarin goed op elkaar wordt ingespeeld en die sterk is gericht op het
registreren van signalen en gegevens. Als uit de ingestuurde brieven van
Comensha, het SOM, het CKM en de Nationaal Rapporteur één zaak duidelijk
wordt, dan is het wel de eensgezindheid over de behoefte aan de
wettelijke verankering van de rol die Comensha moet hebben als nationaal
verwijsmechanisme. Om zijn rol te kunnen vervullen, moet er een
overzichtelijk contact zijn met de hele keten, van gemeente, politie,
scholen, zorg en eigenlijk iedereen die daarbij betrokken is, en moet er
toegang zijn tot gegevens over de slachtoffers. Dit systeem hapert
echter al jaren, omdat er onduidelijkheid is, maar bovenal omdat een
wettelijke grondslag ontbreekt. Ik kan me geen rapport herinneren waarin
dit niet staat. Kan de minister aangeven op welke manier hij zorg wil
dragen voor een wettelijke verankering?
Dan het non-punishmentbeginsel. Het is cruciaal om in de context van
deze richtlijn stil te staan bij de nazorg voor slachtoffers. Als je aan
de handen van mensenhandelaars bent ontglipt, bent opgevangen en niet
meer in dat duistere circuit zit, wil je niets liever dan een frisse
start, een schone lei. De dingen die jou zijn overkomen, zijn immers al
op zichzelf een hele zware last voor de rest van je leven. Slachtoffers
worden echter nog te vaak en telkens opnieuw ook door justitie herinnerd
aan het duistere hoofdstuk in hun leven. Te vaak wordt door politie of
OM niet gezien dat criminele handelingen hebben plaatsgevonden in de
context van uitbuiting, waardoor slachtoffers als daders worden
behandeld. Slachtoffers hopen op steun en rechtvaardigheid, maar worden
weggezet als de boeven door wie zij uitgebuit worden. Daarom is de
ChristenUnie blij dat het non-punishmentbeginsel via het wetsvoorstel
Modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel, dat nu ter
behandeling bij de Eerste Kamer ligt, zo wordt ingevoerd. Dit beginsel
gaat ervan uit dat een slachtoffer niet gestraft mag worden voor de
criminele handelingen die het heeft verricht in de context van de
uitbuiting. Ik wil met ere collega Verkuijlen noemen, die zich daar ook
sterk voor heeft gemaakt. Mijn vraag is nu wel hoe de minister denkt het
non-punishmentbeginsel in de praktijk toe te passen. Kan de minister in
kaart brengen wat er op coördinerend vlak in de keten nodig is om te
waarborgen dat een slachtoffer niet keer op keer voor de schone lei
hoeft te vechten? Dat gaat namelijk ook de aangiftebereidheid van
slachtoffers helpen.
Voorzitter. Deze richtlijn biedt ons niet alleen de kans om strenger te
zijn voor degene die van iemand misbruik maakt, maar ook om eerlijker te
zijn voor degene die is misbruikt. Laten we die kans grijpen door een
scherpere handhaving aan de vraagkant. Ik vind dat er op dat gebied ook
online veel meer moet gebeuren. Ik weet toevallig dat collega Boomsma
daarover meer zal zeggen, en daar sluit ik mij nu al van harte bij aan.
Het is belangrijk dat de keten rond Comensha wordt verbeterd en
verstevigd en een wettelijke basis krijgt en dat een slachtoffer
werkelijk een schone lei krijgt, zodat iedereen die nu in moderne
slavernij verkeert, weet: wij gaan die banden verbreken en jij verdient
een recht op een nieuwe toekomst.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zag eerst de heer Verkuijlen.
De heer Verkuijlen (VVD):
Zeker, dat was een goede samenwerking met mevrouw Bikker destijds bij
het artikel. Het non-punishmentbeginsel raakt bijvoorbeeld ook criminele
uitbuiting en het raakt bijvoorbeeld ook jongens die geronseld worden om
explosieven bij deuren neer te leggen. Ik ben wel benieuwd waar voor
mevrouw Bikker de grens ligt tussen aan de ene kant juridische
aansprakelijkheid en schuld en aan de andere kant het
non-punishmentbeginsel. Ik snap het heel goed bij seksuele uitbuiting en
andere vormen, maar hoe ziet zij dat expliciet hierbij?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Zeer terechte vraag, hoor. Ik heb dit nu inderdaad expliciet gemaakt bij
seksuele uitbuiting. Ik denk echt dat we daar nog een wereld te winnen
hebben, juist ook bij het aanpakken van de keten van mensenhandelaren en
smokkelaars die uit beeld blijven als we het voor het slachtoffer te
moeilijk maken om aangifte te doen. Bij criminele uitbuiting hebben we
het samen geconstateerd: voor je het weet, pak je alleen de geronselde
14-jarige schoffies op, maar niet de grondleggers van al deze ellende
die verder in de keten zitten. Ik vind dat het allerbelangrijkst. Dat
neemt niet weg dat je een 14-jarige en zeker diens ouders … Het is
natuurlijk idioot dat 's nachts jongetjes in de Rotterdamse haven worden
gesnapt. Hoe kan het zijn dat die ouders niet doorhebben dat hun
14-jarige jongen op pad is? Dat is natuurlijk onvoorstelbaar. Ik vind
dus absoluut dat wij jongens die daden begaan die niet oké zijn, daarop
wel hebben aan te spreken. Het non-punishmentbeginsel veegt niet alles
van tafel, maar het maakt wel duidelijk dat als iemand in opdracht en
van een ander onder dwang een handeling verricht, je vooral moet kijken
naar de aanstichter daarvan. Als we de zware criminelen willen
aanpakken, moeten we niet alleen maar bezig blijven met 14-jarige
criminele jochies die explosieven neerleggen. Dat neemt niet weg dat je
daarachteraan moet, maar je moet altijd het grotere verhaal blijven
zien. Dat spreekt mij altijd zo aan in de visie van collega
Verkuijlen.
Mevrouw Faber (PVV):
Mevrouw Bikker heeft het terecht over uitbuiting en dat dat aan de orde
van de dag is. Ze zegt ook: we moeten kijken wie de aanstichters zijn.
Maar hoe ziet mevrouw Bikker dan bijvoorbeeld de alleenstaande
minderjarige vluchtelingen, de amv's, die door hun familie vooruit
worden gestuurd om te functioneren als ticket om overgebracht te worden
voor de rest van de familie? Deze kinderen worden gewoon blootgesteld
aan een levensgevaarlijke reis. Ik heb hier een stuk van de rechtbank,
want ik verzin dit allemaal niet zelf. Een grote trek van migranten gaat
via Libië. Door die grote trek is daar dus een heel netwerk ontstaan van
mensensmokkel en mensenhandel. Mensen worden daar gewoon opgesloten. Je
hebt locaties van 1.200 tot 1.500 mensen. Ze worden daar dan opgesloten
en als ze proberen te ontsnappen, worden ze doodgeslagen. Vrouwen en
kinderen die huilen, worden doodgeschoten; die moeten gewoon weg. Er
worden daar ook gewoon kinderen verkocht of achtergelaten. Dat zouden we
toch gewoon niet meer moeten faciliteren? Als je namelijk zegt dat je
stopt met die amv's, dan ga je dit ook de pas afsnijden. Hoe ziet
mevrouw Bikker dat?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Mevrouw Faber legt, denk ik, de vinger op een van de grootste misstanden
van de West-Europese geschiedenis. Ik herinner mij een artikel van The
Guardian, waarin de mensensmokkel en mensenhandel, dwars door Afrika, in
beeld is gebracht. Wie zijn de slachtoffers? Dat zijn opnieuw
minderjarigen en vrouwen. Al onderweg maken zij de meest gruwelijke
dingen mee. Anderen verdienen daaraan. Dat vind ik crimineel en dat moet
worden aangepakt. Dat is ook de reden waarom de ChristenUnie heeft
gezegd: we zullen dat Europees Migratiepact steunen. Daar zitten dingen
in die ik ongemakkelijk vind, maar laat helder zijn dat dit niet mag
lonen, dit criminele gedrag. Tegelijk herinner ik me ook de ogen van
slachtoffers, de lege ogen van slachtoffers, want ik heb met ze
gesproken en ze maken zó'n moedeloze indruk. Als je ziet wat deze mensen
hebben meegemaakt en hoe murw ze zijn geslagen ... Ik weet ook dat het
soms nog strijden is om goede opvang en traumaverwerking voor hen te
krijgen. Dan kunnen we niet alleen maar zeggen: zoek het maar uit, ga
maar terug en de groeten. Het is namelijk ook zo dat doordat hier
klanten zijn die in de prostitutiesector deze meiden en vrouwen
bezoeken, het lucratief is voor criminelen om deze meisjes en vrouwen
hiernaartoe te halen, dus met elkaar wordt dat in stand gehouden. Ik
vind dat verwerpelijk en ik zal daarom altijd met elke vezel die in mij
is ook echt strijden voor een ander prostitutiebeleid waarin juist
klanten strafbaar zijn. Ik denk dat we daarin echt nog een wereld hebben
te winnen. Door dit pappen en nathouden, houden we ook dat soort
systemen waar mevrouw Faber terecht de vinger op legt, in stand.
Mevrouw Faber (PVV):
Maar zou je dan de ouders niet strafbaar moeten stellen in dezen? Zij
sturen namelijk die kinderen op een levensgevaarlijke reis, terwijl de
ouder juist het kind dient te beschermen. Een deel van de ouders zit ook
nog eens in een veilig land, zoals Turkije. Zij sturen hun kinderen op
pad vanuit Turkije. Zij zitten dus al veilig, dus ze hebben dan ook geen
incentive om hen naar voren te sturen. Zolang je dit blijft faciliteren,
blijft die stroom komen. Maar als je zegt "we doen dit niet meer", dan
houdt het op. Dat is, denk ik, de enige manier om het te stoppen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Als het zo eenvoudig was, zou het ook nog wel weer makkelijker zijn,
maar ik heb te veel mensen gesproken, ook slachtoffers, die de gedachte
hadden dat ze hier bijvoorbeeld op kinderen zouden gaan passen, nanny
zouden worden. Ze zijn ook op die manier door hun ouders
vooruitgestuurd, in de hoop op een betere toekomst. Dat is nog even los
van wat ik daarvan vind, want ik heb zelf minderjarige kinderen en ik
kan me niet voorstellen, in de omstandigheden hier, dat je je kind van
14 onbegeleid wegstuurt. Ik kan daar dus helemaal niet bij met m'n pet.
Maar ouders worden dus ook geregeld misleid en betalen grote sommen geld
omdat ze denken dat ze daarmee kiezen voor een betere toekomst van hun
kind. Dat maakt voor mij opnieuw — dan kom ik dus op de brede range aan
maatregelen — dat ik denk dat we echt een soort van deltaplan tegen deze
misstanden moeten hebben. Waarom? Omdat er criminelen zijn die hier goud
geld aan verdienen. Dat hebben we te doorbreken. Vandaag gaat het dan in
het bijzonder over mensenhandel en over de bescherming van slachtoffers,
waarbij ik de nadruk heb gelegd op de misstanden in de seksindustrie,
omdat ik daar al jarenlang zie dat grote criminele organisaties dat
gewoon gebruiken als verdienmodel. Ik vind dat we daar veel scherper op
moeten zijn en dat Nederland veel te naïef is in een
progressief-liberaal klimaat, met het idee "als we dingen maar vergunnen
en legaliseren, dan komt het allemaal wel in orde". Nou, we hebben de
afgelopen jaren het tegendeel daarvan gezien. Dus ja, u kunt mij vinden
in de aanpak. Als mensen willens en wetens kinderen hierheen sturen om
ze te laten misbruiken, moet je dat altijd aanpakken; daar zijn we het
helemaal over eens. Het lastige in dit geheel is alleen dat ouders dat
soms ook op andere gronden doen. Dan denk ik dat je niet die ouders moet
hebben, maar de crimineel.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik vind het toch enigszins naïef over de nanny's. Er zullen er best wel
één of twee tussen zitten — dat zou kunnen; dat wil ik niet bestrijden —
maar het is toch wel heel bijzonder dat zodra ze hier zijn, ze zo snel
mogelijk gezinshereniging aanvragen. Als ze dat niet zouden doen, dan
snapte ik het, maar ze vragen allemaal gezinshereniging aan.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Nou maakt mevrouw Faber er een asieldebat van; dat kunnen we ook doen,
dat vind ik helemaal niet erg, maar laten we even teruggaan naar het
onderwerp. Het gaat hier om het bestrijden van mensenhandel, en de
slachtoffers daarvan die ik heb gesproken, zijn over het algemeen
misleid of — dat komt ook voor, bij een heel aantal slachtoffers uit
bijvoorbeeld Oost-Europa — wisten wel dat ze dit type werk gingen doen,
maar niet dat daar vervolgens bij zou horen dat je in mekaar gerost
wordt en dat al je geld wordt afgepakt. En terecht dat ze dat niet
wisten; dat is natuurlijk idioot. Daar heb ik nu de focus op
gelegd.
Ik ben het met mevrouw Faber eens dat als mensen willens en wetens
alleen maar bezig zijn om elkaar een ticket te bezorgen, je dat moet
aanpakken. Maar als mensen vluchten voor oorlogsgeweld of hun leven in
gevaar is omdat ze bijvoorbeeld christen zijn in Iran, hebben we een
heel andere situatie en snap ik ook dat er onmiddellijk gezinshereniging
wordt aangevraagd. Daar zit dus een brede schakering in, in plaats van
dat het een zwart-witbeeld is, en daarin zit denk ik het verschil tussen
ChristenUnie en PVV. We zijn het erover eens dat je misstanden keihard
moet aanpakken, maar de manier waarop mevrouw Faber vervolgens de
grenzen wil sluiten, vind ik harteloos voor mensen die daadwerkelijk
vanwege levensgevaar op de vlucht zijn. We kunnen elkaar echter nog
steeds vinden in het aanpakken van alle criminelen en boeven die hier
onwaarachtig veel geld aan verdienen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan heeft u het woord, meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Mensenhandel is moderne slavernij,
niet ver weg, maar hier en nu. Toen wij in juni vorig jaar deze wet
behandelden, zei ik al: elke dag worden in Nederland vrouwen commercieel
uitgebuit en verkracht, vrouwen die met valse praatjes naar Nederland
worden gelokt en terechtkomen in een onbegrijpelijke nachtmerrie van
uitbuiting. Maar het gaat ook om migranten die zich dagenlang kapot
moeten werken in een loods en in een vies zaaltje op de grond moeten
slapen, of vrouwen die in een huwelijk als een soort huisslaaf worden
behandeld. Mensenhandel is een veelkoppig monster, maar het gaat steeds
om de meest mensonterende misdrijven in ons land en het is dus onze dure
plicht om alles te doen wat we kunnen om dat zo goed mogelijk te
voorkomen en bestrijden. Dat doe je door in ieder geval de daders goed
te vervolgen, te veroordelen en te bestraffen, en als het even kan zwaar
te bestraffen.
Morgen stemt de Eerste Kamer dan ook hopelijk voor de wet om
strafbaarstelling van mensenhandel onder artikel 273f van het Wetboek
van Strafrecht te moderniseren, maar deze Europese richtlijn biedt nog
wel nieuwe aanknopingspunten; een deel daarvan is in de
commissievergadering al aan de orde gekomen. Goed dat de minister nu die
coördinerende rol heeft gekregen. De regering moet nu echt z.s.m. werk
gaan maken van goede landelijke opvang voor alle slachtoffers en van
goede verwijsmechanismes. Wat dat betreft sluit ik mij aan bij mevrouw
Bikker, die vroeg naar de wettelijke verankering en wat de minister daar
nu aan gaat doen.
In de wet worden nu drie vormen van uitbuiting nog expliciet toegevoegd
aan de opsomming. Dat is belangrijk, want die lijst is dan wel
niet-limitatief, maar expliciteren geeft gewoon houvast en
duidelijkheid. De minister gebruikt voor draagmoederschap en illegale
adoptie zelf ook het argument dat benoemen de kenbaarheid vergroot. Dat
geldt dan wat ons betreft ook voor het opnemen van huwelijkse
uitbuiting. Ook in Nederland zijn er vrouwen die hiernaartoe worden
gehaald — het zijn vaak vrouwen met een migratieachtergrond, maar niet
altijd — en vervolgens worden gedwongen om zich helemaal kapot te
werken. Zij worden ook als slaaf behandeld. Ze mogen niks, ze mogen het
huis niet eens uit, en worden vaak ook nog eens mishandeld. Dit is in
Nederland gewoon gaande. Die verborgen vrouwen leven in een soort
chronische situatie van onmacht, angst, geweld, repressie, schaamte,
afhankelijkheid en uitbuiting. Dat moeten we zo veel mogelijk stoppen.
Dat is dus niet alleen het geval bij gedwongen huwelijken, maar ook bij
huwelijken die niet met dwang tot stand komen, of waarvan dat in ieder
geval niet kan worden bewezen. Hier is door velen al op gewezen. Het is
in de Eerste Kamer ook al aan bod gekomen.
Er bestond hier en daar wat begripsverwarring over huwelijksdwang,
huwelijkse gevangenschap en huwelijkse uitbuiting. Het eerste gaat over
het afdwingen van het huwelijk, het tweede gaat over het onthouden van
de vrijheid om het te beëindigen en het derde gaat over uitbuiting
binnen het huwelijk of een vergelijkbare relatie, ook als die relatie
vrijwillig tot stand is gekomen. Die laatste vorm ontbreekt nu nog in de
wet en die moet daar wat ons betreft in worden opgenomen. De minister
heeft dit willen verduidelijken in de toelichting, maar dat is wat ons
betreft niet voldoende. Vorig jaar heb ik ook al aangegeven dat het goed
is om huwelijkse uitbuiting onder artikel 273f van het Wetboek van
Strafrecht op te nemen. Dat werd toen ook breed gedeeld door de Kamer.
Het kwam ook al naar voren in het rondetafelgesprek met Femmes for
Freedom indertijd. Comensha schrijft ook al dat, als je het expliciet
opneemt in de wet, dat ertoe leidt dat er actiever naar wordt gehandeld,
en dat is iets wat niet noodzakelijkerwijs het geval was. Daarom hebben
wij daarvoor een amendement gemaakt. Ik verwacht dat dat zo via Bureau
Wetgeving wordt ingediend. De delictsvereisten veranderen dus niet.
Handel, middel en oogmerk blijven vereist, uiteraard. Natuurlijk willen
we vervolgens ook dat er werk wordt gemaakt van de opsporing, dus hoe
gaat de minister dat vormgeven?
Voorzitter. Huwelijkse uitbuiting vindt ook plaats buiten Nederland,
bijvoorbeeld bij mannen met een migratieachtergrond die trouwen met een
vrouw in hun herkomstland en haar achterlaten bij de schoonfamilie, waar
ze dan wordt uitgebuit. Op dat soort praktijken moet Nederland ook
absoluut een zerotolerancebeleid voeren. Hoe staat het met de uitvoering
van mijn motie van vorig jaar over consulaire en juridische bijstand?
Kun je dat op grond van de artikelen 6 en 7 van het Wetboek van
Strafrecht allemaal gaan vervolgen, ook al vindt het niet plaats in
Nederland? Kan een Nederlander dan worden vervolgd voor huwelijkse
uitbuiting die geheel of gedeeltelijk in het buitenland plaatsvindt? Hoe
vaak heeft het OM bijvoorbeeld in de afgelopen vijf jaar zo'n
mensenhandelzaak, waarvan de feiten dus buiten Nederland lagen,
vervolgd? Hoe zijn de consulaten en ambassades geïnstrueerd? Welke
instructies hebben zij gekregen? Zijn er al meldingen gedaan waarna zij
inderdaad mensen te hulp zijn geschoten daar? We horen het graag.
Voorzitter. Dan een tweede amendement. Dat gaat over de plek waar heel
veel seksuele uitbuiting tegenwoordig begint, namelijk op
seksadvertentiewebsites. We weten al jaren dat daar veel speelt. Een
bevinding van het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel is dat bij het
merendeel van de vervolgde klanten die betaalde seks met een
minderjarige hadden, dat contact gewoon gelegd werd op een
seksadvertentiesite voor volwassenen. Het Fieldlab Tulpafslag van het OM
concludeerde ook al na twee jaar dat zelfregulering niet werkt. Hackers
konden gewoon advertenties plaatsen voor minderjarigen. Uit
verschillende onderzoeken blijkt gebruik bij minderjarigheid in
driekwart van de gevallen waarbij een strafrechtelijk onderzoek is
ingesteld,. Daar is gewoon gebruikgemaakt van websites die nota bene bij
de gedragscode waren aangesloten. Dit is dus gewoon echt niet goed
genoeg. Zelfs de OVSE heeft Nederland nu aanbevolen om age verification
consent verplicht te stellen op deze sites. De Kamer heeft daar al
meermaals om gevraagd, dus er moet nu gewoon een wettelijke grondslag
voor komen.
België heeft dit sinds juni 2024 geregeld. Voor plaatsing moet het
platform de identiteit en meerderjarigheid controleren van de
adverteerder en van de persoon die de dienst verleent, aan de hand van
een identiteitsbewijs en een foto van die dag. Er zijn een meldplicht
bij signalen van mensenhandel, een meldknop en een bewaarplicht. Ook
daartoe hebben wij een amendement. Dat neemt die verplichting over voor
gespecialiseerde seksadvertentiewebsites die in Nederland gevestigd zijn
en zich op Nederland richten. Uit een rapport dat in september is
verschenen bleek dat 80% van de advertenties loopt via dat soort sites.
Je moet ook gewoon per advertentie controleren, zodat je kunt voorkomen
dat een account dat eenmaal is geverifieerd alsnog wordt gebruikt voor
minderjarigen of anderen. Laten we dit nou gewoon bij wet gaan regelen.
Ik hoop op steun.
De sociale media zitten niet in dat amendement. België lost dat op door
adverteren buiten geverifieerde platforms überhaupt te verbieden. Is de
minister bereid om die route ook uit te werken en mee te nemen in zijn
plan van aanpak?
Voorzitter. Dan de klanten. Zonder klanten geen mensenhandel en geen
gedwongen prostitutie. Je moet ook wel bijzonder gestoord zijn om seks
te kopen als je door hebt dat iemand daar onder dwang zit of wordt
uitgebuit. Wat JA21 betreft moet dat echt worden vervolgd en bestraft,
al helemaal als het gaat om minderjarigen. Daar is inderdaad gewoon veel
te weinig aandacht voor nu. Ik begrijp ook dat het OM zegt dat de
prioriteit wat hem betreft bij uitbuiters ligt, maar de klanten mogen
niet vrijuit gaan. Je weet gewoon dat er heel veel uitbuiting en
misbruik plaatsvindt in de prostitutiesector, ook al omdat de meeste
vrouwen dat hele idee gewoon afschuwelijk vinden. Je kunt niet altijd
van buitenaf aan iemand zien of hij wordt uitgebuit, dus geen enkel
fatsoenlijk mens zou überhaupt het risico moeten willen nemen om dat
soort diensten af te nemen. Daar moet je ook echt op inzetten.
Nu wordt de strafbaarstelling uitgebreid tot niet-seksuele uitbuiting en
wordt de opzetvariant uitgebreid tot schuld. Dat was bij sekswerk
natuurlijk al zo voor mensen die het niet zeker wisten, maar het zouden
moeten vermoeden. Over een uitbreiding heb ik wel wat vragen. Hoe gaat
dit dan in de praktijk in zijn werk, als het nu al moeilijk is om het
bij sekswerk te vervolgen? Ik vind het bij sekswerk nog ingrijpender als
het onder dwang gebeurt dan bij andere vormen van gedwongen arbeid,
waarmee ik niet zeg dat het dan niet ernstig is. De Raad van State wees
al op een verbouwing met angstige bouwvakkers die geen Nederlands
spreken. In de nota lees ik dat de burger pas een verificatieplicht
heeft bij duidelijke signalen, maar gaat de Arbeidsinspectie dan ook
artikel 273g inzetten voor de inleners en opdrachtgevers? En hoe kan een
norm werken als niemand die kent? De nota zegt dat werkgevers geen
doelgroep zijn van de communicatie over deze wet. Als dit zo in de wet
komt, kan de minister bevestigen dat het dan niet leidt tot minder
aandacht voor het vervolgen van klanten van sekswerkers die worden
uitgebuit?
Dan nog iets over klanten. De richtlijn eist — mevrouw Bikker zei dat
ook al — dat de vraag daadwerkelijk afneemt en dat je daar ook beleid
voor ontwikkelt. Artikel 19 bis verplicht dat Nederland jaarlijks aan
Brussel meldt hoeveel klanten zijn verdacht, vervolgd en veroordeeld.
Dat is goed, want de Kamer moet die cijfers ook krijgen. Hoeveel waren
het er bijvoorbeeld sinds 2022? Welke straffen zijn ervoor uitgedeeld?
Is de minister bereid om de klantenaanpak in het vervolgprogramma van
het actieplan tegen mensenhandel een eigen actielijn te geven met
meetbare doelen? Dat horen wij graag.
Tot slot is het cruciaal om bij het voorkomen en bestrijden van
uitbuiting samen te werken met bijvoorbeeld België en Duitsland. Uit
onderzoek van het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel blijkt dat
jongeren uit Nederland in België seksueel worden uitgebuit en dat het
zorg-, opsporings- en monitoringsmechanisme aan weerszijde van de grens
nog niet goed genoeg samenwerkt. Dat is versnipperde informatie. Hoe wil
de minister dat verbeteren?
Tot slot. Ik las in de flap dat de VNG had gevraagd om aanvullende
middelen voor de implementatie van deze richtlijn en ter preventie, maar
dat dat nu is afgewezen in de begroting. Waar ging dat precies om? Waar
vroeg de VNG precies om en waarom is dat afgewezen?
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel.
Mevrouw Abdi (PRO):
Ik vervang mijn zeer gewaardeerde collega Songül Mutluer, die ziek is.
Via deze weg wil ik haar ook beterschap wensen. Ik wil graag ingaan op
een punt dat mij intrigeerde. Ik heb het amendement van de heer Boomsma
over die seksadvertenties niet gelezen, maar in Nederland ziet de ACM
natuurlijk toe op illegale content als het gaat om Europese wetgeving en
de DSA. De heer Boomsma had het inderdaad over seksadvertenties die
doelbewust ook een platform zijn voor uitbuiting. Zou er dus niet een
rol voor de ACM moeten zijn om daarop toe te zien, zodat zij ook boetes
kan opleggen en eventueel ook naar de rechter kan stappen om dit soort
platforms offline te kunnen halen? Ik ben benieuwd hoe de heer Boomsma
hiernaar kijkt.
De heer Boomsma (JA21):
Zeker. Dat gaat dan om het bestraffen. Dat lijkt me ook goed. Maar het
is in dezen ook goed om in te zetten op preventie. Er is ook niet altijd
sprake van doelbewust handelen vanuit de advertentiewebsite zelf. Het
kan ook zo zijn dat zij dat niet doelbewust doen, maar dat zij gewoon
worden gebruikt. Er zijn natuurlijk heel veel mensen die daar
advertenties op willen zetten, waarbij er dan minderjarigheid bij komt
kijken of waarbij er anderen zijn die er misbruik van maken. Dat neemt
niet weg dat we gewoon met z'n allen moeten voorkomen dat dit gebeurt.
Ik begrijp het ook niet, want het is toch vrij logisch? Als je een
blikje bier wil kopen in de supermarkt, moet je je leeftijd aantonen.
Dus hoe kan het nou dat je bij die seksadvertentiewebsites op dit moment
geen enkele wettelijke verplichting hebt om te toetsen of de personen
die op die advertentiewebsites komen te staan wel meerderjarig zijn,
terwijl er zo veel uitbuiting plaatsvindt in deze sector? Maar als
mevrouw Abdi denkt dat daar ook een rol ligt voor de ACM, lijkt het me
prima om dat ook mee te nemen.
Mevrouw Abdi (PRO):
Ik denk dat daar zeker ook een rol ligt. Dit soort websites moeten
namelijk ten eerste ook bekendmaken waar je het meldt als er signalen
zijn van uitbuiting. Dat is bij heel veel websites niet bekend. De heer
Boomsma weet ook dat er voor de zomer in onze eigen stad een Roemeense
bende is opgerold die honderden vrouwen op de Wallen heeft uitgebuit.
Heel veel van die mannen liepen niet alleen voorbij, maar kwamen daar
ook via advertenties. Die vrouwen werden gesignaleerd. Ik ben het er dus
mee eens dat het gaat om preventie, maar is de heer Boomsma het met mij
eens dat het ook gaat om zichtbaarheid van acties, dat de overheid ook
laat zien: we handhaven hierop, we stellen hier een norm en we vinden
dat hiertegen opgetreden moet worden? Zou u zo'n voorstel vanuit mijn
club, mijn partij, steunen?
De heer Boomsma (JA21):
Zeker.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan de heer Verkuijlen.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Fijn dat we dit debat met deze minister voeren.
Laat ik dat ook gezegd hebben.
Een jong meisje dat tussen twee mannen een hotellobby binnenloopt om
seksuele handelingen te verrichten op een hotelkamer en daar seksueel
wordt uitgebuit. Een hotel dat waarschijnlijk meerdere keren overboekt
is door uitbuiters en waar het baliepersoneel de andere kant op kijkt.
Een bedrijf waarvan het personeel ziet dat een collega veel langer
doorwerkt en gevaarlijk werk verricht. Voor die collega is er geen
arbobescherming, maar arbeidsuitbuiting. Een leerling die op school in
ruil voor een blikje zwaar verslavende snus gevraagd wordt om een
pakketje met cocaïne af te geven. Geen pakketbezorging, maar criminele
uitbuiting. Seksuele uitbuiting, arbeidsuitbuiting, criminele
uitbuiting: drie verschijningsvormen van het mensonterende delict
mensenhandel.
Vandaag debatteren we over de implementatie van de Europese richtlijn
ter voorkoming van mensenhandel en ter bescherming van de slachtoffers.
De richtlijn benoemt een aantal verschijningsvormen: uitbuiting van het
draagmoederschap, uitbuiting van gedwongen huwelijken en uitbuiting van
illegale adoptie. Dit zijn delictsvormen die overigens al in juni 2025
door Kamerleden Wijen-Nass van de BBB en de heer Van Dijk van de SGP
zijn geamendeerd en met brede steun van de Kamer, waaronder de VVD, in
het wetsvoorstel zijn opgenomen.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer vorige week
en uit de reactie van de Raad van State blijkt dat uitbuiting van
gedwongen huwelijken als te eng geformuleerd wordt gezien. Daar is al
het nodige over gewisseld. Mijn fractie sluit zich daarbij aan. Een
huwelijk hoeft niet onder dwang gesloten te zijn om daarna in huwelijkse
uitbuiting over te gaan. We zien dat uitbuiting plaatsvindt binnen
huwelijken of andere relaties die aanvankelijk vrijwillig zijn begonnen.
Vrouwen worden systematisch gedwongen door hun partner om diensten of
arbeid te verrichten. Dat moeten we in het belang van de slachtoffers
niet alleen benoemen als vorm van mensenhandel, maar we moeten de kans
benutten om het in de wet te expliciteren. Ik heb daar samen met D66 een
amendement over ingediend. Ik hoor graag de reactie van de minister,
maar ik kijk ook met belangstelling naar het amendement dat de heer
Boomsma heeft ingediend, waarvan de strekking mogelijkerwijs verder
gaat.
Voorzitter. Kamerbreed wordt mensenhandel gekwalificeerd als een van de
meest mensonterende delicten, een delict dat de hoogst mogelijke
prioriteit en opsporing en vervolging vereist. Het doel van de
modernisering van het artikel over mensenhandel vloeit daaruit voort,
namelijk de complexiteit vereenvoudigen om sneller tot bewijs te komen.
Ik heb destijds in het wetgevingsdebat de oude wetgeving een "bot mes"
genoemd voor opsporingsinstanties. De toenmalige staatssecretaris, Van
der Burg, beloofde in antwoord daarop met de gemoderniseerde wet een
scherp zwaard.
Vanwege de complexe bewijslast heeft de VVD samen met de ChristenUnie
tijdens de wetsbehandeling van het gemoderniseerde artikel een
amendement ingediend. Met dit amendement wordt een aangifteplicht voor
mensenhandel in de wet opgenomen. Die geldt ook voor de klanten van
prostituees. Die aangifteplicht geldt voor de klanten, dus ook voor het
baliepersoneel in het hotel en het personeelslid in mijn voorbeeld. Het
amendement is met brede steun door de Tweede Kamer aangenomen.
Voorzitter. De VVD kijkt eveneens met belangstelling naar het amendement
van de SGP en de PVV om voorwaardelijke opzet toe te voegen en zo de
bewijslast te verlagen. Nu is voor het bewijzen van uitbuiting de
zwaarste juridische variant van opzet vereist. Wat mijn fractie betreft
kijken we scherp naar alle verschijningsvormen van mensenhandel om te
bezien of de bewijsbaarheid van het oogmerk van uitbuiting niet een te
hoge drempel vormt, waardoor daders ermee wegkomen.
Voorzitter. Zoals ik eerder betoogde, is mensenhandel een van de
ernstigste delicten die ons Wetboek van Strafrecht kent. Het is een
delict waarvan de opsporing en vervolging de hoogste prioriteit behoort
te krijgen. Om die reden bestaat er een absoluut doorlaatverbod voor
mensenhandel. Dit betekent dat opsporingsdiensten verplicht zijn om
direct in te grijpen en het delict te beëindigen en niet voort te laten
duren. Ook volstaat voor mensenhandel een melding en is een aangifte
niet noodzakelijk om actief op te sporen.
Voorzitter. Met die wetenschap las ik tabel 2 in de brief van 24
september jongstleden aan de Kamer, over de prioriteit in de opsporing.
Daarin staat bij ondermijning en mensenhandel — dit is een en hetzelfde
kopje — "niet behandelde zaken: 18". Dit zijn achttien zaken waarvan
geen aangifte is gedaan. Je zou bijna zeggen: goed dat Bikker en
Verkuijlen een aangifteplicht hebben geamendeerd. Maar dat is hier niet
het punt. Mensenhandel is ambtshalve vervolgbaar en vereist geen
aangifte. Een melding volstaat en vereist navolging volgens het
doorlaatverbod. Wat zegt dit nu over de prioritering van een ernstig
delict als mensenhandel? Graag een reflectie hierop van de
minister.
Voorzitter. In het verlengde daarvan het volgende. In de memorie van
toelichting bij de implementatiewet van de Europese richtlijn staat in
de laatste alinea op pagina 27 de volgende formulering: "Een eerste
inschatting is dat de impact op de gehele strafrechtketen beperkt zal
zijn, gelet op de huidige capaciteit en prioriteitsstelling van de
betrokken organisaties." Dat roept andermaal het beeld op dat hieraan
onvoldoende prioriteit wordt gegeven door de opsporingsinstanties, de
politie en het OM. Graag een reactie van de minister hierop.
Voorzitter. Ook de huidige capaciteit wordt kennelijk als beperkt
ingeschat. Van het kabinet hebben wij begrepen dat 58 fte's aan de
formatie zijn toegevoegd, in navolging van de motie-Segers/Asscher. Ik
wil graag van de minister weten wat de concrete resultaten zijn van deze
58 fte's en of deze structureel voor mensenhandel worden ingezet.
Voorzitter. Dan de slachtoffers. Ik wil mijn waardering uitspreken voor
alle mensen en alle organisaties die deze vaak ernstig getraumatiseerde
slachtoffers opvangen en bijstaan. Uit gesprekken met deze organisaties
werd duidelijk dat zij zich zorgen maken over de wettelijke grondslag om
gegevens te delen met de Nationaal Rapporteur. Daar is al het een en
ander over gewisseld. Ik sluit mij daar graag bij aan. Kan de minister
aangeven of die zorg terecht is en of daar een specifieke wettelijke
grondslag voor gegevensdeling door de Nationaal Rapporteur Mensenhandel
voor nodig is, zoals in 2023 is voorbereid?
Een andere zorg betreft de structureel vrijgemaakte financiën voor het
opvangstelsel van mensenhandelslachtoffers. Niet automatisch komen deze
middelen daadwerkelijk ten goede aan gespecialiseerde opvang van
slachtoffers van mensenhandel. De financiering loopt via de
gedecentraliseerde vrouwenopvang, waardoor de gemeenten uiteindelijk
zelf kunnen bepalen hoe het geld wordt ingezet. Is de minister bereid
hierover in gesprek te gaan met de VNG?
Voorzitter, ik sluit af. De implementatie van de Europese richtlijn
voegt een aantal delictsvormen aan mensenhandel toe, maar zoals ik in
mijn betoog aangaf, maakt mijn fractie zich ook zorgen. Beschikken we na
de modernisering en toevoeging van de Europese richtlijn over een scherp
zwaard, voldoende capaciteit en hoge prioriteit voor de aanpak van
mensenhandel of over een bot mes, capaciteitsgebrek en onvoldoende
prioriteit? Ik zie in die zin uit naar de beantwoording door de
minister.
Ik dank u wel, voorzitter.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Een vraag aan de heer Verkuijlen. Allereerst complimenten voor de
heldere speech. Echt heel veel mooie punten daarin, dus mijn
complimenten. Dat geldt ook voor wat hij zegt over misstanden en
uitbuiting in het sekswerk. Ik heb die woorden van hem op mij laten
inwerken. Is het de heer Verkuijlen dan geen doorn in het oog dat het
regeerakkoord zo stevig inzet op de destigmatiseringsaanpak van
sekswerk? Hoe je het ook wendt of keert, je normaliseert daarmee immers
deze branche en alles wat ermee samenhangt.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank voor de complimenten van de heer Van Dijk; laat ik daarmee
beginnen. Ik denk dat we hier iets uit elkaar lopen. Ik denk dat wij wel
zien dat goed gereguleerd sekswerk wel degelijk een plaats zou kunnen
vinden. Over alle misstanden die daarmee samenhangen, kan ik
klip-en-klaar zijn: op dat punt zullen we elkaar snel vinden.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank. Is de heer Verkuijlen dan wel bereid om in ieder geval het risico
en de spanningsvelden te aanvaarden? In artikel 28 van de richtlijn gaat
het over preventie- en vraagreductiemaatregelen. In dat kader wordt de
inzet van specifiek opgezette bewustwordingscampagnes benoemd. Ik heb de
heer Verkuijlen geen afstand horen nemen van dit soort
bewustwordingscampagnes of iets dergelijks, integendeel. Erkent de heer
Verkuijlen dat dat ten minste een spanningsveld oplevert en dat we daar
dus met elkaar alert op moeten zijn ten opzichte van die
destigmatiseringsaanpak en de bijbehorende campagnes op het gebied van
sekswerk?
De heer Verkuijlen (VVD):
Als ik de heer Van Dijk goed begrijp, zit het met name op de campagnes
en het bewustzijn van de klanten. Daar vinden we elkaar. Ik vind — ik
denk dat mevrouw Bikker dat ook vindt, omdat wij dat amendement hebben
ingediend — dat er een aangifteplicht zou moeten gelden. Die is er dan
juist ook voor die klanten, zodat ze, zodra ze er kennis van nemen dat
er misstanden zijn in die sector, daar ook actief melding van maken en
aangifte doen. Daar zit dus geen licht tussen. Als het gaat over de
stigmatisering: ik zie in dat we heel goed moeten bekijken hoe we ervoor
moeten zorgen dat die branche … Er zit nog een nieuwe wet sekswerk aan
te komen, volgens mij, die natuurlijk ook de registratie van sekswerk op
een andere manier inhoud gaat geven. Ik denk dat we langs die lijn naar
die stigmatisering moeten kijken.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan de heer Diederik van Dijk voor zijn
inbreng.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. In het Bijbelboek Amos lezen we een aangrijpende
aanklacht tegen de handelaren van die tijd, mensen die er niet voor
terugdeinzen om armen voor geld te kopen, en behoeftigen voor een paar
schoenen. De profeet Amos spreekt er Gods oordeel over uit. Bijna 3.000
jaar later is die aanklacht onthutsend actueel. Nog altijd worden mensen
verhandeld alsof ze koopwaar zijn. Ik noem dat vrouwen worden gedwongen
om hun lichaam te verkopen of dat kwetsbare moeders worden gereduceerd
tot baarmoeder.
Voorzitter. We kunnen daarvoor niet alleen naar het buitenland wijzen.
Ook in Nederland vinden deze vormen van mensenhandel plaats, soms achter
gesloten deuren, via digitale platforms of verscholen achter
overeenkomsten die op papier vrijwillig lijken. Wat zegt het over onze
samenleving als we mensenhandel terecht veroordelen maar we
tegelijkertijd onvoldoende kritisch kijken naar praktijken waarbij het
lichaam van vrouwen een verdienmodel is geworden? De SGP hoopt dat we
bij de behandeling van dit implementatievoorstel ook kritisch naar de
constructies in eigen land durven te kijken waarmee we vormen van
mensenhandel gedogen zolang het op papier goed geregeld is. De
implementatie van deze richtlijn houdt ons wat dat betreft een spiegel
voor. Zij benoemt nieuwe vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting bij
het draagmoederschap, en vraagt aandacht voor mensenhandel die wordt
verergerd door discriminatie op grond van geslacht. De SGP legt ook de
vinger op de omgang met vrouwen in de samenleving, waarbij zij te vaak
als lustobject worden geprojecteerd. De vraag is of deze Nederlandse
implementatie voldoende bescherming biedt. Kunnen we uitbuiting
bewijzen? Durven we misstanden in onze prostitutiepraktijk en
porno-industrie onder ogen te zien? Hoe valt het te rijmen dat we
uitbuiting bij draagmoederschap strafbaar stellen, terwijl het kabinet
tegelijkertijd werkt aan de verdere juridische regulering van
draagmoederschap?
Voorzitter. Allereerst de voortgang. De Europese implementatietermijn
verstreek op 15 juli jongstleden. Inmiddels zijn we ruim twee maanden
verder en bespreken we de wet in dit huis. Wanneer verwacht de minister
dat deze wet daadwerkelijk in werking treedt? Komt Nederland hiermee
niet in de problemen? Heeft de Europese Commissie Nederland inmiddels
aangesproken op de overschrijding van de implementatietermijn? Welke
gevolgen heeft de vertraging voor de bescherming van slachtoffers?
Voorzitter. Mensenhandel is vaak bijzonder moeilijk te bewijzen.
Slachtoffers zijn afhankelijk van hun uitbuiter, vrezen represailles en
durven derhalve geen belastende verklaring af te leggen of aangifte te
doen uit vrees voor hun veiligheid of die van hun familie. Achter een
ogenschijnlijk vrijwillige dienst kan een wereld van dwang en
afhankelijkheid schuilgaan. Daarom heb ik samen met collega Faber een
amendement ingediend dat het bestanddeel "oogmerk" uit de
delictsomschrijving van mensenhandel schrapt. Daarmee wordt beoogd de
bewijslast voor het OM te verlagen en de drempel voor slachtoffers om
aangifte te doen weg te nemen. Hoe beoordeelt de minister deze
voorgestelde wijziging in het licht van de vervolgingspraktijk?
Daarnaast vraag ik de minister welke mogelijkheden hij ziet om
financiële en digitale opsporing van mensenhandel te versterken. Hoe
voorkomen we dat de bewijsvoering te zwaar afhankelijk wordt van
verklaringen van slachtoffers? Welke aanknopingspunten mogen
ketenpartners gebruiken om ambtshalve over te gaan tot vervolging?
Voorzitter. De herziene richtlijn vraagt ook aandacht voor de bijzondere
kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes. Dat raakt aan een bredere vraag
die ik eerder heb gesteld: hoe kijken wij als samenleving naar vrouwen?
Terwijl men spreekt over gelijkwaardigheid en zelfbeschikking, bestaat
er tegelijkertijd een omvangrijke commerciële markt in ons land waarin
vooral het vrouwelijk lichaam centraal staat. Artikel 28 van de
richtlijn — het kwam net al even aan de orde — stelt preventie en
vraagreductiemaatregelen aan de orde en benoemt de inzet van specifiek
opgezette bewustwordingscampagnes. Hoe vertaalt de minister de aandacht
voor discriminatie op grond van geslacht naar het Nederlandse
preventiebeleid? Hoe rijmt dit met de in het coalitieakkoord benoemde
destigmatiseringsaanpak van sekswerk? Wordt daarbij ook kritisch gekeken
naar maatschappelijke praktijken die de vraag naar seksuele diensten
stimuleren?
Voorzitter. De SGP waakt ervoor dat deze implementatiewet tot een
papieren tijger verwordt. Als we kijken naar de prostitutiepraktijk in
Nederland, dan verwacht ik van de minister een kritischer houding. Ja,
mensenhandel en gedwongen prostitutie zijn al strafbaar, maar hoe vaak
worden er vrouwen onvrijwillig aangeboden op plekken waarvan het publiek
meent dat ze dit vrijwillig doen? Kan de minister aangeven hoe deze
implementatiewet bijdraagt aan beter zicht op de omstandigheden
waaronder vrouwen daadwerkelijk in de prostitutie terechtkomen? Gaat hij
de handhavingsaanpak van onvrijwillige prostitutie versterken? Het is
van belang dat vrouwen die uit de prostitutie willen stappen de hulp en
middelen krijgen die daarvoor nodig zijn. Is de minister voornemens de
middelen voor en zichtbaarheid van uitstaporganisaties te
verhogen?
Seksuele uitbuiting beperkt zich niet tot vergunde bedrijven. Ook
thuisprostitutie, escort en online platforms stellen politie en
hulpverlening voor grote uitdagingen. Hoe intensiveert de minister de
handhaving van deze seksbedrijven? Met name jongvolwassenen bevinden
zich steeds vaker op online platforms waar ze tegen betaling seksuele
content verkopen. Deze leeftijdscategorie is bijzonder kwetsbaar voor
misbruik. Het is immers lastig te controleren of deze content vrijwillig
verschijnt. Daarom heb ik samen met collega Faber een amendement
ingediend ter verhoging van de minimumleeftijd voor prostitutie van 18
naar 21 jaar. Ik ben mij ervan bewust dat het kabinet deze maatregel ook
heeft benoemd in het coalitieakkoord, maar een wetsvoorstel moet nog
opgesteld worden. We kunnen dat nu regelen, dus ik verwacht steun van
ten minste de coalitiepartijen.
Als we het hebben over online uitbuiting, dan verdient ook de
porno-industrie nadrukkelijk aandacht. Online platforms kunnen worden
gebruikt om slachtoffers te ronselen, onder druk te zetten en het
misbruik ten toon te stellen. Dat gaat om beelden die niet eenvoudig te
verwijderen zijn zodra ze eenmaal digitaal circuleren, zeker niet
wanneer er onder druk een contract getekend is waarbij de producent
eigenaar is van de beelden. Slachtoffers ervaren levenslange
reputatieschade en de producent komt ermee weg. Op welke wijze krijgt de
bestrijding van mensenhandel via online platforms en de porno-industrie
vorm? Welke verantwoordelijkheid dragen platforms wanneer zij verdienen
aan materiaal dat onder dwang tot stand is gekomen? Hoe geeft het
kabinet uitvoering aan de Europese verplichting om de vraag terug te
dringen die uitbuiting bevordert?
Tot slot vraag ik aandacht voor een ander in het oog springend onderdeel
van deze implementatiewet: de expliciete vermelding van uitbuiting bij
draagmoederschap als vorm van mensenhandel. De miljoenenindustrie achter
draagmoederschapstrajecten draait ook in Nederland. Via oneigenlijke
procedures maken Nederlandse wensouders gebruik van binnenlandse en
buitenlandse draagmoeders waarbij slechts één belang vooropstaat,
namelijk de zelfbeschikking van volwassenen. Het belang van het kind
schuiven we gemakshalve terzijde ondanks verscheidene internationale
verdragen die dit belang moeten waarborgen.
Deze implementatiewet regelt een verbod op uitbuiting bij
draagmoederschap. Tegelijkertijd wil het kabinet met de Wet kind,
draagmoederschap en afstamming draagmoederschap verder juridisch
regelen. Dat de scheidslijnen flinterdun zijn, blijkt nu al uit de
praktijk. Bij experts bestaat de vrees dat die grens met het reguleren
van draagmoederschap nog minder zichtbaar wordt. Het voorstel beschrijft
financiële afhankelijkheid, familiale druk en misleiding als signalen
voor uitbuiting bij draagmoederschap, maar hoe bewijst het OM dat hier
sprake van is wanneer vooraf een overeenkomst is gesloten? Welke
omstandigheden zijn voldoende om het oogmerk van uitbuiting aan te
tonen? Wanneer zijn wensouders strafrechtelijk verantwoordelijk als ze
concrete aanwijzingen voor uitbuiting negeren? Deelt de minister de
mening dat het gebruik van de procedures die thans worden gebruikt voor
de erkenning van het kind uit een draagmoeder, onderdeel zijn van de
strafbepalingen uit deze richtlijn, bijvoorbeeld door oneigenlijk
gebruik van de adoptieprocedure? Hoe waarborgt de minister de
bescherming die artikel 1, lid 2 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
biedt tegen persoonlijke dienstbaarheden?
Samen met collega Faber heb ik een amendement ingediend dat ook
commerciële activiteiten rond draagmoederschap tussen particulieren
onder het strafrechtelijke verbod brengt. In het huidige voorstel wordt
enkel commercieel draagmoederschap, waarbij een tussenpersoon betrokken
is, strafbaar gesteld. Hoe ziet de minister toe op de handhaving
hiervan? Welke maatregelen treft de minister om organisaties die zich nu
bezighouden met commerciële draagmoederschapstrajecten te beletten in
hun werkzaamheden? Ziet hij een verbod op deze organisaties als
oplossing? Het voorstel spreekt over het verschil tussen een commerciële
vergoeding en een onkostenvergoeding. Hoe wordt dit onderscheid gemaakt?
Hoe vindt de controle plaats? Vindt die enkel plaats op basis van het
contract of vindt er verdiepend onderzoek plaats?
Voorzitter. Voorafgaande toestemming die vastgelegd is in een contract,
biedt geen garantie dat gevoelens en omstandigheden gedurende een
zwangerschap onveranderd blijven. Er is inmiddels binnenlandse en
buitenlandse jurisprudentie beschikbaar waaruit blijkt dat draagmoeders
achteraf spijt krijgen van het afstaan en hun kindje willen behouden.
Hoe waarborgt het kabinet dat een draagmoeder werkelijk vrij blijft om
op eerdere afspraken terug te komen? Hoe draagt dit wetsvoorstel daaraan
bij? Hoe wordt voorkomen dat voorafgaande contractuele vastlegging in de
praktijk het erkennen van uitbuiting bemoeilijkt? Draagt de voorgenomen
regulering van deze praktijk niet juist bij aan het verzwakken van de
positie van deze moeders?
Voorzitter. Het voorliggende implementatievoorstel merkt uitbuiting bij
draagmoederschap uitdrukkelijk aan als mensenhandel. Tegelijkertijd
werkt het kabinet aan wetgeving die draagmoederschap in Nederland verder
juridisch regelt. Hoe denkt de minister dat deze twee ontwikkelingen
zich tot elkaar verhouden? Is de minister ervan overtuigd dat de
voorgestelde Nederlandse regeling standhoudt wanneer zij aan het
Europese recht en aan internationale verdragen wordt getoetst? Deze
richtlijn verbiedt draagmoederschap niet als zodanig, maar dat ontslaat
het kabinet niet van de verplichting om uitbuiting daadwerkelijk te
voorkomen en te bestrijden. Een vooraf goedgekeurde overeenkomst mag
daarbij geen obstakel vormen voor opsporing en vervolging. De Nationaal
Rapporteur Mensenhandel waarschuwde al eerder dat het reguleren van
draagmoederschap uiteindelijk ook kan leiden tot het reguleren van
uitbuiting vanwege de redelijke vergoeding die als stimulans kan dienen
om een draagmoeder over te halen. Ook waarschuwt de Nationaal Rapporteur
voor het schenden van de lichamelijke integriteit, die onvoldoende wordt
beschermd. Ik vraag de minister daarom beide wetsvoorstellen
uitdrukkelijk in samenhang te beoordelen. Leidt deze implementatiewet
tot een ander oordeel van het kabinet ten aanzien van de voorgenomen
regulering?
Ook internationaal worden indringende vragen gesteld over
draagmoederschap. Zo pleit de Speciale Rapporteur inzake geweld tegen
vrouwen en meisjes in haar rapport uit 2025 voor een internationaal
verbod op draagmoederschap, omdat het risico op uitbuiting zo groot is.
Ook verschillende Europese landen, zoals Frankrijk, Duitsland, Spanje en
Italië, kennen vergaande beperkingen. Waar Nederland op andere dossiers
graag vooroploopt in de bescherming van mensenrechten, kiest Nederland
hier voor een verdere regulering van een kwalijke praktijk. Kan de
minister inzichtelijk maken hoe andere Europese lidstaten de richtlijn
hebben geïmplementeerd? Waarom verschilt de Nederlandse aanpak zo veel
van de Duitse, Franse, Spaanse of Italiaanse? Is dit kabinet er niet
alles aan gelegen om alle risico's op mensenhandel tegen te gaan?
Voorzitter. Dit wetsvoorstel gaat wat de SGP betreft om meer dan enkel
het implementeren van een Europese richtlijn. Het biedt ook aanleiding
om kritisch te kijken naar de omstandigheden waarin uitbuiting ontstaat.
Soms zijn die scheidslijnen flinterdun.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Tijs van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Mensenhandel is een hardnekkige en
zeer kwalijke vorm van criminaliteit. Mensen worden gereduceerd tot een
verdienmodel. Dat gebeurt op allerlei verschillende manieren, van
arbeidsuitbuiting tot aan seksuele uitbuiting. Kwetsbare slachtoffers
worden heel gericht getarget door criminelen, die steeds internationaler
en digitaler opereren. Daarom is het extra belangrijk dat mensenhandel
niet alleen op nationaal niveau wordt aangepakt en tegengegaan, maar
juist ook op Europees niveau. Criminele netwerken houden helaas niet op
bij de grens. Dus alleen op Europees niveau kunnen we de hardnekkige
criminele netwerken in beeld krijgen en kwetsbare slachtoffers beter
beschermen.
Het is daarom een goede stap dat we vandaag de implementatiewet
bespreken van de Europese richtlijn ter voorkoming en bestrijding van
mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan. We lezen in de
memorie van toelichting dat op veel onderdelen de nationale wetgeving al
voldoet aan de Europese richtlijn. Dat is een goed teken, want dat
betekent dat we een stevige aanpak hebben bij het tegengaan van
mensenhandel, maar daarmee zijn we er nog lang niet. Het CDA wil
namelijk een harde aanpak van criminele netwerken en een hele goede
slachtofferbescherming. Dat houdt in dat er veilige opvang beschikbaar
is, dat er goede begeleiding is en dat nieuwe manieren worden toegepast
om criminele netwerken digitaal in beeld te brengen. Daarom vraag ik de
minister allereerst hoe op dit moment de samenwerking verloopt met
andere Europese lidstaten bij de aanpak van mensenhandel. Op welke
manier wordt die aanpak verbeterd na de implementatie van deze
richtlijn? In hoeverre zijn de mogelijkheden tot informatiedeling en
-uitwisseling toereikend, werken politieteams uit verschillende
lidstaten samen en wordt voorkomen dat slachtoffers uit het zicht raken
in andere lidstaten?
De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen
heeft eerder geadviseerd om met voldoende mogelijkheden te komen voor
gegevensuitwisseling. Melden bij Comensha gebeurt nu namelijk te vaak
anoniem, in 2023 maar liefst 605 keer, omdat professionals bang zijn
voor de AVG. Anonieme meldingen worden niet meegeteld omdat het om
dubbeltellingen kan gaan, maar dat gaat dus ten koste van het
inzichtelijk maken van de omvang en het aantal slachtoffers van
mensenhandel. Als je die 605 meldingen in 2023 wél zou meetellen, was je
uitgekomen op 1.473 in plaats van 868. Dat maakt nogal uit. Wat heeft de
minister met die aanbeveling gedaan, en met welke verbeteringen gaat hij
komen?
Voorzitter. De implementatiewet die wij vandaag bespreken zorgt ervoor
dat verschillende vormen van uitbuiting worden opgenomen in onze
wetgeving, bijvoorbeeld uitbuiting via gedwongen huwelijken, via
draagmoederschap of via illegale adoptie. Deze vallen nu ook al onder de
reikwijdte van de strafbaarstelling van mensenhandel. Verwacht de
minister verbetering in het tegengaan van dergelijke vormen van
uitbuiting? Of wordt het gemakkelijker om deze vormen van uitbuiting op
te sporen? Mijn fractie hoopt wel dat deze uitbreiding van vormen van
uitbuiting niet leidt tot minder opsporing van seksuele uitbuiting. Kan
de minister bevestigen dat deze uitbreiding in de wettekst niet leidt
tot een verschuiving van de aandacht in de opsporing? Voor het CDA is
het belangrijk dat de interpretatie niets afdoet aan de aanpak van
seksuele uitbuiting en de bescherming van slachtoffers van seksueel
geweld. Integendeel, we hebben liever dat daar méér aandacht aan wordt
besteed dan minder.
Voorzitter. Dan wat vragen over de inhoud van de wet. Allereerst enkele
juridische vragen. De implementatiedeadline van de herzieningsrichtlijn
is verstreken op 15 juli 2026. De vorige sprekers hadden het er ook
over. Welke consequenties heeft dit voor Nederland? Liggen andere
Europese lidstaten meer op schema?
Dankzij deze implementatiewet wordt de opsomming van vormen van
uitbuiting uit artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
geëxpliciteerd. Hoe verhoudt deze aanpassing zich tot de Wet
modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel, die nog bij
de Eerste Kamer ligt? Met die wet wordt het huidige artikel 273f juist
overzichtelijker gemaakt. Hoe voorkomen we dat de juridische
werkelijkheid weer ingewikkelder wordt?
Daarnaast zijn we benieuwd of de minister al begonnen is met het
bekender maken van het non-punishmentbeginsel bij de handhavende
autoriteiten. Mensen die onder dwang van een uitbuiter strafbare feiten
plegen, zijn niet strafbaar. Dat beginsel wordt wettelijk verankerd als
de Eerste Kamer met het wetsvoorstel over de modernisering van de
strafbaarstelling van mensenhandel instemt. Hoe staat het met het
bekender maken daarvan?
De minister heeft aangegeven zich te willen inzetten voor het vergroten
van de meldings- en aangiftebereidheid en dat daarvoor verschillende
acties worden verricht. Kan hij daar al meer over zeggen? Zijn er al
concrete resultaten geboekt?
De minister heeft ervoor gekozen om deze wet niet te implementeren voor
het Caribisch deel van het Koninkrijk, omdat dat tot vertraging zou
leiden. Graag horen we van de minister wat hij gaat doen om ook in dat
deel van Nederland de aanpak van mensenhandel te verstevigen en
slachtoffers te beschermen, want ik zei het al: criminelen houden zich
niet aan gemeente-, provincie-, lands- of zelfs continentsgrenzen.
In de richtlijn is voorgesteld dat een of meer verwijzingsmechanismes
moeten worden ingesteld, waardoor een lidstaat kan zorgen voor detectie
en identificatie van slachtoffers van mensenhandel. Wie bepaalt dat
iemand slachtoffer is? Welke informatie mag er worden gedeeld? Wat
gebeurt er nadat er is vastgesteld dat er sprake is van
mensenhandel?
Via het verwijzingsmechanisme kunnen de slachtoffers naar passende zorg
en opvang worden verwezen. Voor de zomer schreef de minister dat samen
met Comensha wordt verkend hoe dit uitwerking krijgt voordat deze
Europese richtlijn ingaat. Die implementatiedeadline is inmiddels
verstreken, dus kan de minister hier al meer over zeggen? Hoe heeft hij
het verwijzingsmechanisme vormgegeven? Staat dit mechanisme ook in
verband met de opvangketen van slachtoffers?
We begrijpen dat sinds 18 juni van dit jaar een centraal informatiepunt
is gelanceerd. Werkt dat naar behoren? Weten de slachtoffers de weg
daarnaartoe te vinden?
Over opvang gesproken: er zijn te weinig opvangplekken voor het aantal
slachtoffers. We lezen in de voortgangsrapportage dat de minister nog
bezig is met het verkennen, uitwerken en ontwikkelen van een nieuw
opvanglandschap. Wat zijn de concrete ambities van de minister? Wanneer
kunnen we verwachten dat de opvang op orde is? De CDA-fractie ziet hier
graag meer tempo in. Elk slachtoffer dat niet wordt opgevangen, terwijl
dat hem of haar wel zal helpen om uit de ellende te komen, is er een te
veel.
Voorzitter. We hebben in deze Kamer al vaker over het Actieplan Samen
tegen mensenhandel gesproken, met als doel het aantal slachtoffers van
mensenhandel in Nederland naar beneden te brengen door de samenwerking
tussen ketenpartners te verbeteren en te professionaliseren. Net voor de
zomer ontvingen we de halfjaarlijkse voortgangsbrief. We lazen daarin
over het fieldlab klantenaanpak en de landelijke actiedag. Tijdens deze
dag zijn op diverse platforms na de inzet van lokprofielen honderden
chats gevoerd met potentiële klanten. De minister onderzoekt of het
haalbaar is om later dit jaar opnieuw zo'n dag te organiseren, omdat het
succesvol is gebleken. Gaat hij dat inderdaad doen? Wat is daarvoor
nodig? Wanneer krijgen we daar uitsluitsel over?
Voorzitter. Als we het hebben over complexe strafzaken, waar
mensenhandel vaak onder valt, hebben we het vaak ook over de
capaciteitsproblemen bij onder andere de politie. Nu lezen we dat er
vanaf 2020 extra gelden beschikbaar zijn gekomen voor de werving van
medewerkers en dat deze inmiddels allemaal zijn geworven. Welke concrete
resultaten zijn te verwachten dankzij deze extra medewerkers? Zijn er nu
nog steeds tekorten op het gebied van de aanpak van mensenhandel? En hoe
zit dat bij het Openbaar Ministerie en de rechtspraak?
Tot slot. De minister heeft besloten dat hij zelf Nationaal Coördinator
Mensenhandel is. De richtlijn verplicht namelijk ieder land zo'n
coördinator te hebben. De CDA-fractie gunt hem die titel en job, maar
vindt dat die titel wel verplichtingen met zich meebrengt. Het betekent
dat u echt aan de bak moet en dat u zich tot het uiterste moet inspannen
om mensenhandel en uitbuiting terug te dringen. Eerlijk gezegd hadden
wij het ook niet erg gevonden als u een onafhankelijk iemand had
aangesteld als coördinator — vreemde ogen dwingen soms immers. Maar
goed, dat zou misschien ook weer tot meer bureaucratie hebben geleid en
daar willen we vanaf. Akkoord dus dat u deze functie gaat vervullen,
maar neem 'm serieus, alstublieft. Onze vraag: hoe gaat u die functie
concreet invullen? Wat zijn uw doelen als coördinator mensenhandel? Wat
ziet u als uw verantwoordelijkheid? Heeft u bijvoorbeeld
doorzettingsmacht ten opzichte van andere ministeries?
Veel succes in deze nieuwe rol, want dit betekent dat mensen die nu nog
onder duistere omstandigheden worden uitgebuit, weer vrije mensen worden
die in vrijheid en veiligheid een menswaardig leven kunnen leiden.
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Een vraag van mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb een vraag voor meneer Van den Brink. Hij heeft het over een harde
aanpak van criminele netwerken inzake mensenhandel. Maar hoe staat hij
dan tegenover het amendement dat ook mede is ingediend door de SGP en
mijzelf betreffende het verlagen van de drempel, om eerder tot een
veroordeling voor mensenhandel te komen?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb dat amendement niet scherp op het netvlies en ik wacht de
appreciatie van de minister ook even af, maar ik zal daar met sympathie
naar kijken.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank aan de heer Van den Brink voor zijn bijdrage. Hij zei in zijn
betoog dat de bewijslast met het nieuwe artikel is vereenvoudigd. Nou
heb ik daarnet nog even gekeken wat de oogst nou is geweest, en dat was
toch: we hebben "ernstige benadeling" toegepast, waardoor bij
arbeidsuitbuiting de drempel iets lager ligt. Ik ben benieuwd wat hij
dan ziet. Mijn vragen liggen ook in de lijn van wat mevrouw Faber net
zei. Is die bewijslast nu inderdaad zo vereenvoudigd? Is het nu zo dat
de opsporingsdiensten eenvoudiger tot bewijs komen?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dat is onze indruk op grond van hetgeen hier voorligt, maar als het
eenvoudiger kan en beter kan, staan wij daarvoor open.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (PRO):
Dank, voorzitter. We hebben het hier over mensenhandel, een van de meest
ernstige en mensonterende misdrijven die we kennen. Dat daar hard tegen
opgetreden moet worden, is evident. Om dat beter mogelijk te maken,
hebben we hier in de Tweede Kamer niet al te lang geleden al de Wet
modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel aangenomen,
wat door meerdere collega's al genoemd is. Die ligt nu bij de Eerste
Kamer. Die wet was de grote herziening van het mensenhandelartikel in
ons strafrecht. Nu hebben we het over de wet waarmee de gewijzigde
EU-richtlijn mensenhandel in ons strafrecht wordt opgenomen. Het daarin
opnemen van specifieke vormen van uitbuiting kan een nuttige
verduidelijking zijn. Dat ook het bereik van de strafbaarstelling van
het misbruik maken van een slachtoffer van mensenhandel wordt
uitgebreid, is prima. Ook in de uitbreiding van de rechtsmacht kunnen
wij ons als fractie vinden. Kortom, deze implementatiewet kan op de
steun van mijn fractie rekenen. Dat neemt niet weg dat we ook nog wat
opmerkingen en wat kritische vragen hebben over hoe het nog beter
kan.
Laat ik beginnen met wat in de wet aan ons strafrecht wordt toegevoegd,
namelijk gedwongen huwelijk, illegale adoptie en draagmoederschap. Voor
een deel gaat het om op zich al strafbare feiten. Het wetsvoorstel voegt
daar specifiek het element van uitbuiting aan toe. De vraag is wanneer
er niet alleen sprake is van dwang tot trouwen, illegale adoptie of het
draagmoederschap, maar ook nog van uitbuiting van die persoon. In de
stukken bij dit wetsvoorstel worden daar wel voorbeelden van genoemd,
maar dat gebeurt summier. Dat geldt ook voor de nieuwe strafbaarstelling
van het gebruikmaken van álle diensten, niet alleen seksuele, van een
slachtoffer van mensenhandel. Ook hier zijn de toelichtende voorbeelden
summier. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel wijst er dan ook terecht
op dat om de rechtspraak meer houvast te bieden, het nodig is om deze
vorm van mensenhandel nader te duiden. Kan de minister daarop ingaan?
Als het nodig is, mag dat wat mij betreft ook in een brief.
Dan het non-punishmentbeginsel. Dat onderwerp speelde al bij de Wet
modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel, en blijft
heel erg actueel. Door het nu voorliggende wetsvoorstel gaat het
beginsel van het niet-bestraffen van slachtoffers van mensenhandel nu
namelijk ook gelden voor administratieve en bestuurlijke boetes. Er
volgen dus niet alleen geen strafrechtelijke sancties als een
slachtoffer tot het delict wordt gedwongen, maar het gaat ook gelden
voor bestuursrechtelijke overtredingen in verband met prostitutie,
zwartwerken et cetera. Ook de minister wil niet dat personen die als
slachtoffer tot dit soort overtredingen worden aangezet, daarvoor
gestraft worden. De vraag is echter of dit deel van het
non-punishmentbeginsel wel genoeg is doorgedrongen tot alle
bestuursorganen. De minister zegt toe met de relevante partijen in
gesprek te gaan over het toepassen van het non-punishmentbeginsel, maar
met de Nationaal Rapporteur Mensenhandel vraag ik me af of dat genoeg
is. Worden instanties die boetes kunnen opleggen — denk aan gemeentes,
de Arbeidsinspectie en de Belastingdienst — daarmee doordrongen van het
non-punishmentbeginsel?
In de Algemene wet bestuursrecht is al bepaald dat bestuursorganen geen
boetes mogen opleggen voor overtredingen die niet aan de overtreder
kunnen worden verweten. Ik heb geen zicht op hoe vaak bestuursorganen
tot nu toe onterecht boetes aan slachtoffers van mensenhandel geven.
Daarvan heeft de minister gezegd dat hij dit zou gaan monitoren. Is dat
gebeurd en is daarnaast, analoog aan het strafrecht, een aanvulling van
de Awb met het non-punishmentbeginsel voor slachtoffers van mensenhandel
toch niet nuttig?
Dan wil ik graag iets zeggen over de slachtoffers, te beginnen met een
nationaal verwijsmechanisme voor slachtoffers. Het wetsvoorstel kent
daarvoor wel een juridische grondslag, maar het NVM zelf moet nog
ingericht worden. Ik sluit me wat dat betreft ook aan bij de vraag van
collega Bikker, want Comensha moet, om slachtoffers in contact te kunnen
brengen met passende opvang, zorg, bescherming en ondersteuning, wel
signalen en gegevens van slachtoffers van alle betrokken instanties
kunnen ontvangen en verwerken. Daarom vraagt Comensha om een wettelijke
verankering van hun taken binnen het NVM, en een duidelijke grondslag
voor gegevensdeling en gegevensverwerking. Kan de minister hierop
ingaan?
De richtlijn stelt eisen aan het vaststellen van slachtofferschap van
mensenhandel. Volgens de minister voldoet Nederland daaraan; volgens de
Nationaal Rapporteur Mensenhandel niet. Ik wil niet in een soort
juridische welles-nietesdiscussie belanden, maar de schoen wringt voor
mij wel bij het loskoppelen van het slachtofferschap van het meewerken
aan de vervolging van de mensenhandelaren. De strikte koppeling tussen
een verblijfstitel en het strafrechtelijk opsporingsverzoek vind ik
ongewenst. Bij de bescherming en opvang van slachtoffers moeten de
humanitaire overweging en de vraag hoe aannemelijk het slachtofferschap
is het uitgangspunt zijn. Er wordt nog steeds verkend of vanuit het
zorgdomein een partij kan worden aangewezen die ook de geringste
aanwijzing van mensenhandel kan vaststellen en de vertrekplicht van de
vreemdeling kan opschorten. Ook wordt nagedacht over een onafhankelijke
commissie die buiten het strafrechttraject om het slachtofferschap kan
vaststellen, maar dit horen wij al jaren. Wat is de stand van zaken? Wil
de minister hier actie op ondernemen?
Ik sluit me ook aan bij de vragen van de collega van het CDA over het
tekort aan opvangplekken. Kan de minister hierop ingaan? Wat is daarin
mogelijk?
Tot slot, voorzitter. Slachtoffers van mensenhandel: het is een stille
pandemie. Bij heel veel misdrijven zien we dat mensen veel eerder in
beeld komen omdat ze overlast veroorzaken, zichtbaar in de samenleving
zijn en meer geluid maken, maar bij de slachtoffers van mensenhandel
zien we juist dat deze mensen in stilte lijden. Het gaat vaak om
vrouwen, vrouwen die, als ze zich überhaupt bewust zijn van wat hun
overkomen is, twijfelen over het zoeken van hulp, omdat dat
consequenties heeft voor de mensen om hen heen, voor hun kinderen of
voor familie die van hen afhankelijk is. De voorgaande sprekers hadden
het vaak over een soort duisternis, over enge mannen die erachter
zitten. De realiteit is veel diffuser. Heel veel slachtoffers van
mensenhandel zijn mensen die eigenlijk beter zouden moeten weten. Denk
aan nanny's die worden ingezet, terwijl ze eigenlijk uitgebuit worden.
Ik denk aan mensen die hand-en-spandiensten verrichten, zoals
schoonmaken. Denk aan de zaak die eerder speelde bij Saints & Stars,
waar schoonmakers werden uitgebuit. Er zijn zo veel gevallen van
mensenhandel waarbij we als samenleving eigenlijk beter zouden moeten
weten, juist omdat de slachtoffers niet altijd in de positie zijn om
hulp te kunnen vragen. Mijn vraag aan de minister is dus de volgende.
Zelfs als we het goed geregeld hebben in de wet, welke cultuuromslag
gaan we dan aanjagen om mogelijk te maken dat deze slachtoffers wel
geholpen worden en dat er bewustwording komt in de Nederlandse
samenleving van hoe wijdverbreid mensenhandel is? Je zou zelfs kunnen
zeggen dat het een onderdeel van onze economie is. We hebben het eerder
gedaan bij slachtoffers van intieme terreur, waarbij we de samenleving
wijzen op wat de rode vlaggen zijn. Welke stappen kunnen we zetten om de
zichtbaarheid van slachtoffers van mensenhandel, of het nou gaat om
arbeidsuitbuiting, seksuele uitbuiting of criminele uitbuiting, waar de
heer Verkuijlen terecht op wees, te vergroten? Het gaat ook om het
bewustzijn in de samenleving. Waar kunnen we terecht als we vermoedens
hebben dat er sprake is van uitbuiting? Ook hierover hoor ik graag iets
meer van de minister.
Tot slot ben ik ook benieuwd hoe vaak de minister eigenlijk zit met de
politie en met het Openbaar Ministerie om te kijken hoe we de aanpak van
mensenhandel veel gerichter en veel beter kunnen aanpakken. Met andere
woorden: hoe vaak is het een prioriteit? Kan de minister daarop
ingaan?
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan wil ik graag het voorzitterschap overdragen aan mevrouw
Faber, zodat ik mijn inbreng kan doen.
Voorzitter: Faber
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is gelijk aan u voor uw inbreng.
Mevrouw Belhirch (D66):
Dank u wel, voorzitter. Mensenhandel gebeurt dichter bij huis dan we
soms denken: een meisje dat online wordt geronseld, een arbeidsimmigrant
die zijn baan en zijn woning dreigt te verliezen als hij zijn mond
opendoet, een vrouw die binnen haar huwelijk wordt uitgebuit en steeds
minder over haar eigen leven te zeggen heeft. Lang niet altijd herkennen
we dit op tijd. De manier waarop mensen worden geronseld en uitgebuit,
verandert voortdurend. Het criminele circuit leert snel, dus moeten wij
dat ook doen. Daarom is het goed dat we vandaag spreken over de
implementatie van de Europese richtlijn tegen mensenhandel. Maar met
alleen een wetswijziging zijn we er niet. We moeten mensen eerder in
beeld krijgen, zorgen dat zij de juiste hulp krijgen en voorkomen dat ze
ergens onderweg uit beeld verdwijnen.
Voorzitter. Mensenhandel verplaatst zich steeds meer online. Ronselen
via social media kan heel klein beginnen: een berichtje op Snapchat, een
compliment onder een Instagramfoto of de belofte van snel geld. Voor je
het weet kunnen jongeren terechtkomen in seksuele of criminele
uitbuiting. Uit onderzoek van de Nationaal Rapporteur blijkt dat bij
binnenlandse seksuele uitbuiting van minderjarigen in bijna acht op de
tien gevallen het eerste contact online werd gelegd. Een meisje denkt
dat iemand echt in haar geïnteresseerd is. Jongeren worden steeds verder
een crimineel netwerk in getrokken. Dat gebeurt gewoon op de telefoon
die ze iedere dag in hun hand hebben. We moeten dus eerder herkennen
wanneer het misgaat. Als we pas in actie komen wanneer jongeren al diep
in het netwerk zijn, zijn we te laat.
Voorzitter. Ik heb een aantal vragen hierover aan de minister. Waar
schiet onze huidige aanpak van online ronseling voor mensenhandel nog
tekort? Heeft de politie voldoende capaciteit, expertise en instrumenten
om online signalen vroegtijdig te herkennen en om in te grijpen? Welke
concrete verbeteringen gaat de minister doorvoeren? Kan de minister
concreet maken welke interventies aantoonbaar effectief zijn om te
voorkomen dat jongeren slachtoffer of dader van mensenhandel worden? Als
die kennis er onvoldoende is, hoe zorgt hij er dan voor dat we sneller
weten wat werkt en dat effectieve interventies vervolgens landelijk
worden opgeschaald?
Voorzitter. Passende opvang, bescherming en zorg voor slachtoffers zijn
cruciaal. Comensha speelt hierbij een belangrijke rol; dat hebben een
aantal collega's van mij al aangegeven. Maar in de praktijk loopt het
nog te vaak vast op iets heel basaals: welke informatie mag je met
elkaar delen? Politie, gemeentes, zorgorganisaties en andere
organisaties weten niet altijd welke gegevens ze wel of niet met
Comensha mogen delen en op welke grondslag. Daardoor kan een signaal
worden gemist of kan iemand niet worden doorverwezen of niet de juiste
hulp krijgen. Als meldingen niet goed bij elkaar komen, wordt ook de
landelijke registratie minder betrouwbaar. Dan weten we dus ook minder
goed hoeveel slachtoffers er daadwerkelijk zijn. De Nationaal Rapporteur
waarschuwt daarnaast dat het nationaal verwijzingsmechanisme nog
onvoldoende is uitgewerkt. Dat raakt juist de mensen die zelf niet naar
de politie stappen of daar nog helemaal niet in beeld zijn. Een systeem
voor slachtofferbescherming kan niet beginnen bij de vraag of een
slachtoffer zelf de weg naar de politie weet te vinden. Nederland is
hier eerder door zowel de OVSE als de mensenhandeldeskundige van de Raad
van Europa op aangesproken. Dan moeten we het nu ook echt goed gaan
regelen. Het moet duidelijk zijn wie vanaf het eerste signaal waarvoor
verantwoordelijk is, hoe iemand wordt doorverwezen en welke gegevens
daarvoor mogen worden gedeeld. Ook moet Comensha een duidelijke
wettelijke basis hebben voor de taken die het binnen het systeem
uitvoert.
Voorzitter. Daarom vraag ik de minister of hij erkent dat de
onduidelijkheid over gegevensdeling ertoe leidt dat slachtoffers buiten
beeld blijven en onze landelijke registratie onvolledig is. Is hij
bereid een specifieke wettelijke grondslag voor gegevensdeling en
-verwerking met Comensha te regelen? Wanneer is het nationaal
verwijzingsmechanisme volgens de minister daadwerkelijk op orde, met
duidelijke taken en verantwoordelijkheden en een route naar hulp voor
slachtoffers die niet bij de politie in beeld zijn? Hoe verhoudt de
korting op de basissubsidie van Comensha zich tot de extra taken die het
krijgt?
Voorzitter. De bescherming van een slachtoffer mag niet ineens wegvallen
omdat een zaak later juridisch anders wordt beoordeeld. Als iemand eerst
als mogelijk slachtoffer van mensenhandel wordt gezien, maar de zaak
later wordt aangemerkt als ernstige benadeling, kan de behoefte aan
opvang en bescherming nog precies hetzelfde zijn. We hebben het hier dan
vooral over arbeidsmigranten. Ook het Strategisch Overleg Mensenhandel
waarschuwt voor dit risico. Kan de minister garanderen dat iemand in
zo'n situatie niet ineens zijn bescherming verliest?
Voorzitter. Mensenhandel stopt niet bij de grens, maar juist daar kunnen
slachtoffers wel uit beeld raken. Recent onderzoek van het Centrum
Kinderhandel en Mensenhandel laat zien dat Nederlandse jongeren, vooral
meisjes, in België en Duitsland seksueel worden uitgebuit. Professionals
kwamen in twee jaar tijd naar schatting minstens 125 slachtoffers tegen.
Het jongste meisje was 14 jaar. In de formele registraties waren slechts
negen jongeren terug te vinden. 125 tegenover 9. Dit verschil laat zien
hoeveel jongeren we mogelijk niet in beeld hebben. De bescherming van
een meisje mag natuurlijk niet ophouden zodra zij de grens overgaat. Een
Europese richtlijn moet juist helpen om die grenzen tussen onze systemen
te overbruggen. Hoe verklaart de minister het verschil tussen die 125
slachtoffers en de 9 jongeren in de formele registratie? Welke concrete
afspraken zijn er nu met België en Duitsland over signalering,
gegevensdeling en doorverwijzing? Waar zitten er nog gaten en wat gaat
de minister doen om die te dichten?
Voorzitter. Een slachtoffer van mensenhandel kan zelf ook strafbare
feiten plegen, niet uit vrije wil, maar omdat hij of zij ertoe gedwongen
wordt. Een jongere kan worden gedwongen om drugs te vervoeren of fraude
te plegen. Een meisje dat zelf wordt uitgebuit, kan onder dwang worden
ingezet om andere meisjes en vrouwen te ronselen. Ook dan hebben we nog
steeds te maken met iemand die slachtoffer is van mensenhandel. Daar is
het non-punishmentbeginsel voor, dat al een aantal keren is genoemd. Wie
als gevolg van mensenhandel wordt gedwongen om iets strafbaars of
onrechtmatigs te doen, moet vervolgens niet zelf worden bestraft zonder
dat er naar die dwang wordt gekeken. Ook de Nationaal Rapporteur vraagt
hier aandacht voor. Het kabinet verwijst voor de bestuurlijke boetes
naar artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maar volgens de
rapporteur is er in de praktijk nog onduidelijkheid over de toepassing
en is de kennis hierover niet overal voldoende. De vraag is bovendien of
deze bescherming niet breder moet worden bekeken dan alleen bestuurlijke
boetes. Kan de minister bevestigen dat het non-punishmentbeginsel ook
kan gelden wanneer een slachtoffer onder dwang andere slachtoffers
ronselt? Hoe zorgt hij ervoor dat politie, OM en bestuurlijke instanties
dit beginsel kennen en slachtofferschap op tijd herkennen? Hoe kijkt de
minister naar het punt van de Nationaal Rapporteur dat non-punishment
mogelijk breder moet worden toegepast dan alleen bij bestuurlijke
boetes?
Voorzitter. Mijn collega's hebben het hier al genoemd: het breder
trekken van deze richtlijn bij huwelijken. Zoals mijn collega Verkuijlen
ook al zei, zullen wij beiden een amendement indienen met betrekking tot
gedwongen huwelijken. Iemand kan namelijk vrijwillig trouwen of in een
relatie zitten en later binnen het huwelijk of de relatie worden
uitgebuit. Voor een slachtoffer moet niet bepalend zijn hoe het huwelijk
ooit is begonnen, maar wat hem of haar binnen het huwelijk of de relatie
wordt aangedaan. Ik kijk ook uit naar het amendement van de heer Bosma,
dat een verdere uitbreiding is. O, ik bedoel de heer Boomsma. Excuses.
Ik ben vandaag een beetje met de woorden …
Een ander punt is de wetsevaluatie. Hoe gaat de minister de uitvoering
en de effecten van deze wet monitoren en evalueren? Hoe zorgen we ervoor
dat deze wet daadwerkelijk effectief is? Ik mis een specifieke
wetsevaluatie in deze wet. Graag hoor ik van de minister hoe hij
hiernaar kijkt.
Voorzitter. Als er één ding uit dit debat duidelijk wordt, is het dat
mensenhandel zich voortdurend aanpast. Onze aanpak moet dus net zo
wendbaar zijn als de criminaliteit die we proberen aan te pakken. Deze
implementatie geldt niet alleen voor het aanpassen van wet- en
regelgeving. We maken de strafbaarstelling breder en explicieter, zodat
verschillende vormen van uitbuiting beter kunnen worden aangepakt. Maar
een wet werkt pas echt als we slachtoffers eerder weten te vinden, als
we daders kunnen aanpakken en als mensen die worden uitgebuit, uit die
situatie kunnen komen.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Er zijn geen interrupties, dus dan kan ik
het voorzitterschap weer aan u teruggeven.
Voorzitter: Belhirch
De voorzitter:
Dank u wel. Dan stel ik voor — ik kijk ook even naar de minister aan
mijn rechterzijde — om te schorsen. We doen een halfuur. Heeft u
voldoende aan een halfuur? Ik wilde eigenlijk twintig minuten
voorstellen, maar als u "een halfuur" zegt, dan zal ik u dat geven. Zijn
er 120 vragen? We zijn goed bezig geweest!
Mevrouw Faber (PVV):
Nog even een kleine vraag. Wellicht kunnen we nog vijf minuutjes erbij
krijgen om ook nog even te eten. Dan hebben we dat ook gehad en heeft de
minister ook iets meer tijd.
De voorzitter:
Dat lijkt me een heel goed voorstel. We schorsen tot 12.10 uur.
De vergadering wordt van 11.33 uur tot 12.13 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedemiddag. We gaan verder. Zoals de minister zei, zijn er heel veel
vragen gesteld. Ik hoorde hem net melden dat het er 121 zijn. Ik wil aan
de Kamerleden voorstellen dat we de interrupties per blokje doen. Ik zie
daarop geknik. Dan kijk ik naar de rechterzijde, naar de minister: kunt
u aangeven welke blokjes u heeft? Dan kunnen we dat hier noteren. Daarna
kunt u uw betoog beginnen.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Er zijn inderdaad een hoop vragen gesteld, waarvan
niet het merendeel juridisch getint. Ik zal proberen alle vragen zo goed
mogelijk te beantwoorden, maar bij doorvragen zou ik toch ook willen
verwijzen naar de reguliere rapportage die wij maken, ook voor het einde
van het jaar weer, over mensenhandel. Daarin kunnen wij een aantal van
die vragen meenemen die niet strikt gezien van toepassing zijn op de
implementatiewet zoals die voorligt. Hopelijk helpt dat wat in het
inlopen van de tijd.
Ik begin met een inleiding. Dan doe ik eerst de juridische vragen. Dan
sta ik stil bij het nationaal verwijzingsmechanisme. Dan het
non-punishmentbeginsel. Dan de opsporing. Dan het
implementatiewetsvoorstel en draagmoederschap. Dan draagmoederschap
overig. Dan klanten. Dan pornoplatforms. Dan geld. Tot slot een
categorie overig. U hoort dat de opsomming al enige tijd in beslag
neemt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat is inderdaad een behoorlijke opsomming. Dan geef ik u
ook meteen het woord.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Toch wil ik beginnen met mijn inleidende spreektekst.
We bespreken vandaag een heel belangrijk en actueel onderwerp.
Mensenhandel is een grove schending van mensenrechten, van het recht op
lichamelijke integriteit, het recht van persoonlijke vrijheid en het
recht op menselijke waardigheid. Slachtoffers van mensenhandel verkeren
vaak in een kwetsbare positie, waarvan op grove wijze misbruik wordt
gemaakt. Deze schrijnende vorm van criminaliteit vraagt om een effectief
strafrechtelijk instrumentarium. Met het oog daarop heeft uw Kamer vorig
jaar het wetsvoorstel Modernisering en uitbreiding strafbaarstelling
mensenhandel aangenomen, waarin de wettelijke regeling rond mensenhandel
wordt gemoderniseerd en verruimd, zodat er meer mogelijkheden komen om
daders te vervolgen en slachtoffers te beschermen. Dat wetsvoorstel heb
ik vorige week mogen verdedigen in de Eerste Kamer tijdens de plenaire
behandeling. Ik hoop dat dit spoedig kan worden aangenomen.
Het wetsvoorstel waarover we vandaag spreken strekt zich tot
implementatie van de herziene EU-richtlijn over mensenhandel en vult die
eerdergenoemde gemoderniseerde regeling rond de aanpak van mensenhandel
aan. Daarbij gaat het onder andere om het expliciet in de wet vastleggen
van drie specifieke uitbuitingsvormen: de uitbuiting van een persoon bij
respectievelijk draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegale
adoptie. Daarbij merk ik op die uitbuitingsvormen inmiddels ook zijn
geëxpliciteerd in het eerdergenoemde wetsvoorstel Modernisering
strafbaarstelling mensenhandel. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in
het verbreden van de bestaande strafbaarstelling van het opzettelijk
gebruikmaken van diensten die worden verleend door slachtoffers van
mensenhandel tot ook niet-seksuele diensten. Daarnaast worden ter
implementatie van de richtlijn aanvullende maatregelen ter ondersteuning
van slachtoffers van mensenhandel genomen, waaronder het versterken van
het verwijzingsmechanisme voor de vroegtijdige identificatie van
slachtoffers. Ik merk op dat het bestaande Nederlandse recht en beleid
al grotendeels voldoen aan de verplichtingen uit de herziene
richtlijnen, maar de extra stappen die nodig zijn, worden dus in het
kader van dit wetstraject gezet.
Voorzitter. Dat brengt mij bij mijn eerste blokje: juridisch. Ook hier
zijn het een hoop onderwerpen door elkaar, maar het gaat hier om de
juridische, de wetstechnische vragen die zijn gesteld. De onderwerpen
kunnen beleidsmatig op een later moment terugkomen, maar dat zal ik nog
vertellen.
Mevrouw Faber vroeg of het vooruitsturen van een kind voor
gezinshereniging ook zou kunnen worden gezien als een vorm van
mensenhandel. Er is eigenlijk maar één vraag relevant voor mensenhandel,
namelijk het toetsen aan het driedelictenvereiste: het verrichten van
een handeling, het opzettelijk aanwenden van een beïnvloedingsmiddel en
het oogmerk van uitbuiting. Ik kom bij de waardering van de
amendementen, aan het einde van mijn termijn, nader terug op wat dat
betekent voor uw amendement.
Maken organisaties die vluchtelingen ondersteunen zich niet schuldig aan
mensenhandel? Kort en goed geldt daar dus dezelfde drieslag voor.
Gemoderniseerde strafbaarstelling, die dus vorige week in de Eerste
Kamer is behandeld, strekt zich al uit tot alle vormen van welbewuste
behulpzaamheid bij mensenhandel. Voorbeelden zijn het vervoeren of het
huisvesten van het slachtoffer, dan wel andere vormen van hulp, ook als
deze door een rechtspersoon wordt verleend. Voor zover iemand onder het
mom van hulpverlening anderen zou willen uitbuiten, valt dat dus onder
de delictsomschrijving zoals die in de vorige week behandelde wet is
aangemaakt. Ik merk wel op: dit raakt natuurlijk ook aan het thema
mensensmokkel. Ik denk dat uw vraag daar ook vandaan komt. Er ligt nog
een wetsvoorstel in uw Kamer. We kunnen deze discussie daar, meer
uitgebreid en toegespitst op dat thema, over voeren.
De heer Verkuijlen vroeg naar huwelijksuitbuiting. Hij vroeg om ook te
expliciteren wanneer het huwelijk of de relatie niet onder dwang is
aangegaan maar later tot uitbuiting leidt. Ik sta daar welwillend
tegenover, zeg ik tegen hem. Ik zal dat bij de appreciatie van het
amendement toelichten.
De heer Boomsma vroeg of huwelijkse uitbuiting ook strafbaar is als die
in het buitenland plaatsvindt. Het antwoord daarop is ja. Het langere
antwoord is: als dat door of tegen een Nederlander is, of als het gaat
om een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats
heeft, dan geldt dezelfde rechtsmacht voor Nederland op grond van
artikel 6, eerste lid.
Hoe verhouden de twee wetsvoorstellen zich tot elkaar, vroeg de heer Van
den Brink. Ik noemde net al even dat er dus deels overlap is, ook door
amendering. We hebben er in ieder geval voor gezorgd dat er een
samenloopregeling van kracht is, dus dat beide wetsvoorstellen technisch
gezien goed op elkaar aansluiten, ook daar waar er wellicht enige
overlap zou kunnen worden gezien. Zoals ik in mijn inleiding aangaf,
regelt dit wetsvoorstel dus de explicitering die we nu al voor hebben
liggen in de Eerste Kamer, maar ook het strafbaar stellen van andere dan
niet-seksuele diensten. Dat is, denk ik, het meest springende punt. De
rest heeft te maken met de implementatie, het Nationaal
Verwijsmechanisme et cetera, maar daar kom ik zo meteen nog uitgebreider
op terug.
Ik doe mijn best, zoals u ziet, voorzitter. Aan het oogmerk vereisten
voor mensenhandel besteedden de heer Diederik van Dijk en anderen
aandacht in hun inbreng. Daar kom ik op terug bij de appreciatie van het
desbetreffende amendement.
Mevrouw Faber vroeg nog of er een strafverzwaringsgrond moet worden
gecreëerd voor ambtenaren die bijdragen aan mensenhandel of de erkenning
van kinderen uit het buitenland. Ik ben het met u eens dat daar een
strafverzwaringsgrond voor moet gelden. Die is ook geregeld, in artikel
44 van het Wetboek van Strafrecht. Dat stelt dat de ambtelijke
hoedanigheid van degene die een strafbaar feit begaat een algemene
strafverzwaringsgrond is die meebrengt dat de op het feit gestelde
maximumstraf met een derde wordt verhoogd. Dat betekent dus dat
ambtenaren al hogere straffen kunnen krijgen voor het vanuit hun functie
plegen van dit strafbare feit. Dat hoeft dus niet afzonderlijk in dit
wetsvoorstel te worden geregeld.
Dan de implementatietermijn. Ja, die is verstreken. Dat is niet alleen
bij ons het geval. Voor zover wij kunnen nagaan, hebben zo'n twintig
landen een brief over ingebrekestelling ontvangen. We hebben dus
uiteengezet dat we een partiële implementatie al bereikt hebben. We
hebben ook inzichtelijk gemaakt richting de Commissie welke stappen via
dit wetsvoorstel nog moeten worden gezet voor de volledige implementatie
van de richtlijn. Ik kan alleen maar zeggen dat het goed is dat we dit
wetsvoorstel vandaag behandelen en dat ik hoop dat het zo snel mogelijk
door kan naar de Eerste Kamer, om in ieder geval te zorgen dat verdere
stappen van de Commissie uit kunnen blijven.
Dat was het blokje juridisch, voorzitter.
De voorzitter:
Dat was vrij compact, dank u wel.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb nog even een vraag over die corrupte ambtenaren. Het is nu
namelijk geregeld in een algemeen artikel, artikel 44, in het Wetboek
van Strafrecht, maar ik heb gekozen voor een lex specialis. Het is
namelijk zo dat de officier van justitie bepaalt op welke feiten er
vervolgd wordt. Die zal nu waarschijnlijk aangeven: het wetsartikel van
… Het is, geloof ik, 274 van het Wetboek van Strafrecht, uit mijn hoofd.
Als hij daar dan niet artikel 44 bij noemt van die strafverzwaring, dan
wordt het niet meegenomen bij de rechter. Dus vandaar dat ik een lex
specialis heb — oh, het is trouwens artikel 237f — zodat dat ook
meegenomen wordt bij het oordeel van de rechter. Het is natuurlijk
afhankelijk van wat de officier van justitie ten laste legt. Als daar
alleen artikel 237f in zit en niet artikel 44 Strafrecht, dan valt die
extra verzwaringsgrond eraf. Dus vandaar dat ik 'm heb opgenomen als lex
specialis om alsnog die verzwaringsgrond te hebben.
Minister Van Weel:
Ik ben het volledig eens met mevrouw Faber dat die verzwaringsgrond
onderdeel moet uitmaken van de zaken waarbij ambtenaren betrokken zijn.
Dat stel ik dus niet in Frage. Ik denk alleen dat we ervoor moeten waken
dat we voor specifieke strafbare feiten wel zo'n specifieke melding
maken en voor andere niet. Als ik het zo beluister, is mevrouw Faber het
wel met me eens dat als artikel 44 wordt toegepast in principe die
strafverzwaring waar zij om vraagt ook geadresseerd is. Ik zie andere
wegen dan wetgeving om bijvoorbeeld in overleg met het OM te komen tot
een adequate toepassing van artikel 44, ook in het geval van
mensenhandel.
De voorzitter:
Mevrouw Faber heeft een vervolginterruptie.
Mevrouw Faber (PVV):
Op het moment dat de officier van justitie bij de aanklacht, bij de eis,
artikel 44 niet meeneemt, dan komt die strafverzwaring er niet, zoals
het nu is. Maar als dit amendement aangenomen zou worden, dan wordt die
altijd toegepast. Dat is namelijk mijn punt.
Minister Van Weel:
Ik snap uw punt. Tegelijkertijd zie ik dus andere wegen om ervoor te
zorgen dat artikel 44 wordt toegepast, bijvoorbeeld bij opsporings- of
vervolgingsrichtlijnen zoals die worden uitgegeven, waardoor de
individuele officier van justitie ook weet dat hier aandacht aan moet
worden besteed, ook in strafzaken die betrekking hebben op mensenhandel.
Dan bereik je naar mijn mening hetzelfde, zonder dat je daarvoor voor
dit specifieke feit een uitzonderingsgrond moet creëren in de wet.
De voorzitter:
Ja, mevrouw Faber, gaat uw gang.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank voor uw antwoord. Kan ik dit zien als een toezegging van de
minister dat hij in overleg gaat met het Openbaar Ministerie hierover,
zodat het altijd wordt meegenomen? Kan hij ook schriftelijk aan de Kamer
laten weten wanneer dat is gebeurd en hoe of wat?
Minister Van Weel:
Ja, zeker. Ik wijs er nog even op dat zelfs als het amendement van
mevrouw Faber zou worden aangenomen, het nog steeds aan de officier van
justitie is om dat ten laste te leggen. Daar is dus eigenlijk geen
verschil in. Dat kun je daarmee ook niet afdwingen als wetgever. Dat zal
echt aan het OM zijn. Maar ik zeg u toe dat op het moment dat deze wet
is aangenomen, ik dat gesprek aanga met het OM om aandacht te vragen
voor artikel 44.
De voorzitter:
Ik zie geen verdere interrupties voor dit blokje. Dan kunt u verder met
het blokje verwijzingsmechanisme.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Daar waren een hoop vragen over van een hoop mensen.
Ik moet eerlijk zeggen dat het ook wel ingewikkeld is. Dat komt deels
door de taken die voortvloeien uit deze richtlijn en deels door de taken
die, in Nederland, Comensha heeft en die breder zijn dan wat er in de
richtlijn wordt vereist. Voor die verschillende taken gelden ook
verschillende gegevensverwerkingsregimes. Dat maakt het niet eenvoudig.
En als het niet eenvoudig is, heb ik geleerd, dan moet ik voorlezen wat
er op mijn briefje staat.
Op dit moment is er een nationaal verwijzingsmechanisme voor het
herkennen, de detectie en de doorverwijzing van slachtoffers naar hulp
en opvang. Een vermoedelijk slachtoffer kan door een zorg- of
opvangorganisatie worden gesignaleerd of door een van de drie
opsporingsdiensten, dus de politie, de KMar of de Nederlandse
Arbeidsinspectie. Er is op dit moment geen afzonderlijke instantie die
formeel vaststelt dat iemand slachtoffer is van mensenhandel. Bij de
geringste aanwijzing dat er sprake zou zijn van mensenhandel kunnen de
opsporingsdiensten een slachtoffer de bedenktijd aanbieden. Voor
vermoedelijke slachtoffers zonder rechtmatig verblijf betekent dit dat
zij toegang tot de categorale opvang voor slachtoffers van mensenhandel
kunnen krijgen voor drie maanden en dat zij in die periode kunnen
bedenken of zij aangifte willen doen. Voor Dublinclaimanten geldt een
bedenktijd van dertig dagen.
Wanneer aangifte wordt gedaan of het slachtoffer op andere wijze
meewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek, kan het in aanmerking komen
voor een tijdelijke verblijfsvergunning. De IND beoordeelt de aanvraag
op grond van de daarvoor geldende voorwaarden. Slachtoffers met
rechtmatig verblijf kunnen toegang krijgen tot gemeenschappelijke
opvangvoorzieningen voor slachtoffers van mensenhandel. Informatie over
een vermoedelijk slachtoffer mag tussen organisaties worden gedeeld als
er toestemming is gegeven door het slachtoffer of als er sprake is van
een vitaal belang. Vanuit het actieplan wordt het nationaal
verwijzingsmechanisme verder doorontwikkeld, inclusief de aansluiting op
een nieuw opvangconcept. In deze ontwikkeling wordt ook bezien op welke
wijze het verblijfsrecht en het strafproces kunnen worden losgekoppeld.
Daarnaast wordt verkend onder welke voorwaarden een onafhankelijke en
multidisciplinaire commissie kan worden ingesteld die buiten het
strafproces om een rol kan krijgen bij de formele vaststelling van
slachtofferschap. Een dergelijke aanpak kan bijdragen aan een meer
onafhankelijke erkenning van slachtofferschap en aan passende
ondersteuning van slachtoffers, ook wanneer een aangifte onvoldoende
opsporingsindicaties oplevert om tot vervolging van een verdachte te
komen. In de volgende voortgangsbrief, dus voor het einde van het jaar,
hoop ik u te kunnen informeren over de doorontwikkeling van het
nationaal verwijzingsmechanisme langs deze lijnen.
Zoals gezegd is de doorverwijzing van slachtoffers naar de juiste hulp
en opvang geen taak van de Nationaal Rapporteur, maar van Comensha. Ik
heb gezegd dat er op dit moment op grond van toestemming van het
slachtoffer of als er sprake is van een vitaal belang, al kan worden
gekeken naar gegevensdeling, maar in het kader van het herzien van het
opvanglandschap zoals ik dat net noemde en de rol die Comensha hierin
krijgt, kunnen er aanpassingen van wettelijke grondslagen nodig zijn. Ik
loop daar nadrukkelijk niet van weg, zeg ik hier, maar ik wil wel de
discussie over de opvang afwachten, zodat we precies weten hoe het er
dan uit gaat zien en wat Comensha daarvoor nodig zal hebben.
Dan is er nog het nationaal contactpunt grensoverschrijdende
doorverwijzing. Dat is een aanvullende verplichting uit de herziene
richtlijn mensenhandel. Daarvoor regel ik sowieso een aanvullende
verwerkingsgrondslag voor Comensha, waarbij ik ook het advies van de
Autoriteit Persoonsgegevens zal meenemen.
Voor de Nationaal Rapporteur is ook nog een wettelijke grondslag nodig
om bijzondere persoonsgegevens te mogen verwerken. Ik werk samen met de
Nationaal Rapporteur aan een conceptwetsvoorstel, waar u ook naar heeft
gevraagd.
Ik geloof dat ik daarmee de verschillende actoren en regimes heb
genoemd, al dan niet gekoppeld aan de implementatie van deze richtlijn.
Ik kijk nog even of ik iets gemist heb in deze beantwoording.
De heer Van den Brink vroeg in hoeverre het Centraal Informatiepunt
Mensenhandel nu functioneert. We hebben dat nagevraagd bij Comensha.
Zoals bekend kunnen slachtoffers van mensenhandel bij het Centraal
Informatiepunt terecht voor informatie over onder andere opvang, zorg en
hulpverlening. Professionals vinden er ook routes voor signalering of
doorverwijzing. Ook burgers die vermoedens hebben van mensenhandel,
krijgen duidelijkheid over de vraag welk handelingsperspectief ze
hebben. Het is in meerdere talen beschikbaar, waaronder Nederlands,
Engels, Spaans en Roemeens. Werkt het naar behoren? Comensha ziet wel
een stijging in het aantal adviesaanvragen, maar nog geen stijging in
het aantal geregistreerde slachtoffers. Dat is onderdeel van de verdere
monitoring naarmate het langer bestaat. Dan zullen we zien of dat
uiteindelijk ook verder in de keten doorwerkt. Dat is de stand voor dit
moment.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zag als eerste een interruptie van mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik wil de minister even goed begrijpen wat betreft de wettelijke
grondslag of de wettelijke basis voor het nationaal
verwijzingsmechanisme. Als ik de minister goed begrijp, zegt hij: dat
breng ik wel in gang voor de grensoverschrijdende taak, maar nog niet,
met een streep onder "nog", voor de binnenlandse taak. Heb ik hem dan
goed begrepen? We zullen het daarna over het wel of niet hebben.
Minister Van Weel:
Ja, dat klopt, en dat hangt samen met de discussie over het
opvangconcept, die nog loopt. Daaruit zal namelijk ook blijken welke
wettelijke grondslag benodigd is om dit sluitend te maken. Vandaar de
korte ophouding. Dat concept komt voor het kerstreces nog, dus het is
ook geen hele lange vertraging.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Het is goed dat de minister de vaart erin houdt, maar mijn zorg zit 'm
erin dat dat verder uit elkaar gaat lopen. Ik denk juist dat de complete
wettelijke grondslag, ook voor de binnenlandse taak, nodig is om
slagkracht, daadkracht en helderheid te hebben wat betreft de
verschillende taken die er zijn, in het bijzonder wat betreft de positie
van Comensha in het geheel. Omdat het al zo lang aan het zweven is
geweest — voor een deel kunnen we dat ons hier aantrekken en voor een
deel komt dat doordat er Europees afspraken werden gemaakt — zou ik dat
heel graag heel snel vastleggen. Vandaar dat ik dit voor de minister
verhelder, zodat we elkaar goed begrijpen en het wel voor het geheel
wettelijk vastgelegd gaat worden.
Minister Van Weel:
Het antwoord daarop is ja. Ik geef toe dat ook ik niet voor niks heb
voorgelezen, want het is best complex om bij de verschillende taken, al
dan niet voortvloeiend uit deze implementatierichtlijn, te weten wat we
nou voor wie op welk moment regelen. Het antwoord is dus ja. Heel graag
kom ik voor het einde van het jaar terug op het concept. Welke stap,
voor welke taak en in welk tijdpad maken we dan helder inzichtelijk om
die samenhang te kunnen tonen.
De voorzitter:
Ik zie geen andere interrupties in dit blokje. De minister kan dus
verdergaan met het blokje non-punishment.
Minister Van Weel:
Ja. Daar waren een hoop vragen over, en terecht, denk ik. Het is een
belangrijk uitgangspunt als we willen dat er schot komt in de opsporing
en de aangiftebereidheid in dit soort zaken.
Mevrouw Belhirch vroeg of het non-punishmentbeginsel ook geldt als een
slachtoffer een ander slachtoffer onder dwang ronselt. Het antwoord is
ja. Als iemand daartoe wordt gedwongen, dan geldt het
non-punishmentbeginsel.
Is het dan ook in de bestuursrechtelijke context van toepassing als
wordt overwogen om een andere sanctie op te leggen dan een bestuurlijke
boete? Dat was de andere vraag van mevrouw Belhirch. Het antwoord daarop
is dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete mag opleggen voorzover
de overtreding de overtreder niet kan worden verweten. Daar zit die
impliciet al in. Dat codificeert het algemene rechtsbeginsel dat je geen
straf kunt krijgen zonder schuld. Net als in het strafrecht betekent dit
dat geen bestraffende sanctie kan worden opgelegd als aannemelijk wordt
dat de overtreding de overtreder niet kan worden verweten. Als het
non-punishmentbeginsel van toepassing is, is er dus automatisch sprake
van een situatie waarin de overtreding de overtreder niet kan worden
verweten. Dat betekent dat je dus ook geen bestraffende sanctie onder
het bestuursrecht kan opleggen.
Mevrouw Bikker vroeg hoe wij verwachten dat in de praktijk toe te gaan
passen. Dit is natuurlijk gericht op voorkomen dat slachtoffers worden
gestraft voor strafbare feiten die zij onder invloed van een
uitbuitingssituatie hebben gepleegd. Dat kan in verschillende fasen van
het strafproces worden toegepast. Het OM kan op basis van het
non-punishmentbeginsel besluiten om niet tot vervolging over te gaan of
een zaak te seponeren. Ook als er wel wordt vervolgd kan bij de
beoordeling van de strafbaarheid en bij de strafoplegging rekening
worden gehouden met het slachtofferschap en de omstandigheden waaronder
het strafbare feit is gepleegd. Conform de motie-Ceder/Bikker maak ik
met de betrokken partijen afspraken over hoe de toepassing jaarlijks kan
worden gemonitord. Daarbij is het natuurlijk wel van belang dat alle
betrokken professionals kennis hebben van het non-punishmentprincipe, en
daar zetten we via het actieplan breder op in. Zo investeert de politie
bijvoorbeeld in trainingen over het non-punishmentbeginsel. Dat moet
ertoe leiden dat slachtoffers zo vroeg mogelijk in de keten
daadwerkelijk als slachtoffer worden herkend in plaats van als
dader.
Ook de heer Van den Brink vroeg naar het breder bekendmaken van het
non-punishmentbeginsel. Dat is een doorlopend proces. Ik noemde net al
de training van de eerstelijnsprofessionals in het herkennen van
signalen van criminele uitbuiting. Het thema mensenhandel heeft ook een
vaste plek in de basisopleiding van de politie. Er is ook een intern
actieplan criminele uitbuiting geïmplementeerd, waarin voorlichting aan
basispolitieteams is opgenomen, met daarin specifieke aandacht voor
non-punishment. Verder wordt met het OM gewerkt aan de borging van de
aanpak van criminele uitbuiting in de hele politieorganisatie. Het
beginsel is ook verankerd in de relevante opleidingen en in de
e-learning over de modernisering van artikel 273f van het Wetboek van
Strafrecht. Het non-punishmentbeginsel is ook onderdeel van de
OM-aanwijzing over mensenhandel en van de interne opleidingen van het
OM. Daarnaast zijn gespecialiseerde mensenhandelofficieren beschikbaar
voor kennisdeling en advies in dit soort concrete zaken. Bewustwording
in de gehele keten, zoals ik al zei, is een belangrijk onderdeel van het
actieplan Samen tegen mensenhandel, zodat de signalering, de duiding en
de toepassing van het non-punishmentbeginsel consistent kunnen gaan
plaatsvinden.
Dat was non-punishment.
De voorzitter:
Dank u wel, minister. Ik kijk rond. Ik zie geen interrupties. Duidelijke
antwoorden. U kunt verdergaan met het blokje opsporing, als ik het goed
heb.
Minister Van Weel:
Ja, daar zijn een hoop vragen over gesteld en ik denk ook dat dat
terecht is, want uiteindelijk kunnen wij wetten maken, maar als we niet
in staat zijn om dat ook te vertalen naar de uitoefening door de
opsporingsdiensten en de rechterlijke organisatie, dan missen we een
deel van de keten. Het is ook een van de prioriteiten binnen de politie.
Ook in het veiligheidsplan 2027-2030, dat op zeer korte termijn komt,
zult u zien dat mensenhandel als een prioriteit is aangemerkt, dus ook
voor de komende situatie.
Wat doet men er dan aan bij de politie? Ik noemde net al de training
voor eerstelijnsmedewerkers en politiemedewerkers over bewustwording en
het herkennen van de verschillende vormen van afspraken. De politie zet
zich binnen het kader van de bestrijding van mensenhandel ook in om
bewijsmateriaal te vinden, zowel in het fysieke als in het digitale
domein. Er werd ook naar gevraagd, maar juist door de werving van nieuwe
medewerkers met een digitale achtergrond is hier echt een impuls aan
gegeven, vanuit de motie-Segers/Asscher. Inmiddels is er aan iedere
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel een
digitale specialist toegevoegd die kan helpen bij deze belangrijke
component.
De politie heeft met de extra middelen ook de politieorganisatie
versterkt, om de komende jaren mensenhandel aan te pakken. Uiteraard is
het altijd aan het gezag om te bepalen waar de prioriteit wordt gelegd
en zal politiecapaciteit altijd schaars worden, maar ik denk dat er met
deze dedicated fte's wel een belangrijke impuls is gegeven.
We verwachten niet dat de wettelijke veranderingen van dit
implementatievoorstel gaan leiden tot heel veel meer beslag op de
strafrechtketen, maar dat hangt niet samen met het feit dat we daar geen
prioriteit aan geven. Ik denk dat de tijd zal moeten leren, met het nu
gevuld zijn van de posities bij het OM maar ook bij de politie, dus ook
de opbouw van specialisme ... Ik denk dat we gaan zien dat er meer zaken
kunnen worden behandeld, en ook adequater en sneller. Ik heb daar
overigens geen cijfers voor, zeg ik u nu, maar ik ga proberen om die bij
die jaarlijkse rapportage aan u te kunnen geven, zodat u wat meer
inzicht heeft in: wat hebben die inspanningen van de afgelopen jaren nu
voortgebracht, in ieder geval vertaald naar de strafrechtketen?
De heer Boomsma vroeg nog naar de Arbeidsinspectie: gaan we die ook
inzetten bij opdrachtgevers en inleners? Als er duidelijke signalen zijn
dat er gebruik is gemaakt van een dienst van een slachtoffer, kan
onderzoek naar overtreding van artikel 273g van het strafrecht in het
lopende strafrechtelijk onderzoek worden meegenomen. Dat kan dus ook
plaatsvinden bij inleners. Dat hoeft dus geen apart strafrechtelijk
onderzoek te zijn.
Verwacht ik dan, was een vraag van de heer Van den Brink, verbetering in
het tegengaan van uitbuiting via gedwongen huwelijken,
draagmoederschappen en illegale adoptie, en wordt het gemakkelijker om
deze op te sporen door het expliciteren hierin? Niet per se, maar het
kan wel echt helpen om zo expliciet in de wet kenbaar te maken dat
dergelijke situaties als mensenhandel kunnen worden aangemerkt. Dit kan
helpen voor de herkenning en de signalering, en daarmee dus ook voor het
in beeld komen van slachtoffers en andere zaken. In die zin juich ik het
dus toe.
Hoe gaan we die opsporing in het kader van huwelijke uitbuiting dan
vormgeven, vroeg de heer Boomsma. Ja, dat heeft absoluut de aandacht van
de politie, maar de politie moet natuurlijk wel signalen krijgen voordat
ze iets kan doen. De politie kan niet proactief op zoek gaan naar deze
signalen, maar als deze signalen er zijn, dan worden die met dezelfde
voortvarendheid opgepakt als bij andere zaken van mensenhandel. Bij de
herkenning van deze signalen bij andere vormen van mensenhandel zorgen
we er dus voor dat in ieder geval de opvolging van signalen hetzelfde
is.
Krijgen we een verschuiving van de aandacht van de opsporing, juist door
niet meer alleen seksuele diensten aan te merken maar ook niet-seksuele
diensten? Dat weten we nog niet. We weten nog niet wat de impact daarvan
zal zijn op het werk van de politie. Natuurlijk is mensenhandel heel
specialistisch werk, dus je kunt die specifieke politiecapaciteit voor
de opsporing maar één keer inzetten. Maar als er straks een toename aan
signalen is over de nieuwe vorm van uitbuiting, dan zou dat gevolgen
kunnen hebben voor de keuzes binnen de opsporing. Die zullen we dan
moeten wegen tegenover seksuele uitbuiting. Ik hoor uw Kamer namelijk
goed, in meerderheid ook, denk ik: u wilt daarin zeker geen verslapping
zien. Dat signaal nemen we dus mee bij de evaluatie.
Zaken buiten Nederland: hoeveel zijn dat er geweest? Helaas kunnen we
uit de systemen van het OM niet naar voren halen in hoeverre de feiten
van de zaak zich buiten Nederland hebben afgespeeld; dan moet je echt in
de individuele zaken duiken. Ik heb u net wel, in de rapportage voor het
einde van het jaar, een overzicht toegezegd van alle mensenhandelzaken
die er de afgelopen jaren zijn geweest, maar dit kan ik daar helaas niet
uit halen.
De heer Van den Brink vroeg: hoe verlopen de Europese en internationale
samenwerking in den brede? Een terechte vraag, want mensenhandel beperkt
zich niet tot de landsgrenzen en er moet dus ook nauw worden
samengewerkt met Europese partners. Dat gaat om het bespreken van
trends, om samenwerkingen, maar ook om andere aspecten van de aanpak van
mensenhandel. In de Benelux hebben we ieder jaar een werkgroep rondom
het thema "mensenhandel", waarin we bespreken hoe we gezamenlijk de
aanpak binnen de Benelux kunnen verbeteren.
Internationale samenwerking is ook een structureel onderdeel van de
Nederlandse politieaanpak in de bestrijding van mensenhandel. Dat
behelst het samenwerken met herkomst- en transitlanden, het verkrijgen
en delen van informatie via kanalen zoals die van Europol, Interpol of
het netwerk van liaison officers in de verschillende landen, en in
sommige gevallen ook concrete operationele en niet-operationele
interventies, stroomopwaarts of, wanneer Nederland het transitland is,
in landen van bestemming. Politiesamenwerking is bij een
grensoverschrijdend delict als mensenhandel van groot belang. Daarom ben
ik ook blij dat de Nederlandse politie zich sterk inzet in het kader van
EMPACT, een Europese politiesamenwerking die zich onder meer specifiek
op de mensenhandel richt. We zijn al enige jaren trekker op het thema
mensenhandel binnen EMPACT.
Verder wordt lidstaten in de herziene richtlijn ook gevraagd om een
contactpunt voor grensoverschrijdende doorverwijzing in te stellen; daar
hebben we het net over gehad. Dat wordt voor ons Comensha. Dat zou ook
de internationale samenwerking moeten versterken, ten behoeve van goede
en betere zorg voor slachtoffers.
Dan was er nog een vraag van de heer Verkuijlen over de achttien zaken
waarvan geen aangifte is gedaan: wat zegt dat nu over de prioritering
van een ernstig delict als mensenhandel? Ik noemde al eerder dat in de
prioritering voor de Veiligheidsagenda ook mensenhandel in ieder geval
weer een van de prioriteiten zal worden. En het klopt: mensenhandel is
ambtshalve vervolgbaar en vereist dus ook geen aangifte om dat verder op
te pakken. Een melding is voor de politie voldoende om daarmee aan de
slag te gaan. Ik kan alleen niet zeggen wat in deze achttien individuele
zaken de reden is geweest dat die melding niet is opgepakt; het kan ook
zijn dat er verder te weinig opsporingsindicaties waren. Dat is althans
wat door de politie in algemene zin werd gezegd over het feit dat een
groot deel van die meldingen de eerste drempel niet heeft gehaald, maar
ook hier zullen we de vinger aan de pols houden over het opvolgen van
meldingen.
De heer Verkuijlen vroeg naar de resultaten van de 58 fte. In ieder
geval kun je met die 58 fte, vanwege het specialisme, meer complexe
zaken behandelen en ook tot een succesvol einde brengen. Ik denk dat dat
specialisme de grootste toegevoegde waarde is, nog los van het aantal
fte dat daarmee gemoeid is. Is dat ook direct terug te leiden tot extra
zaken? Ik ga u dat overzicht voor het einde van het jaar geven, maar
zoals ik zei: de complexiteit is een belangrijke route, dus dat we meer
doorhebben hoe deze mensen opereren en dat we ze dus ook effectiever
kunnen aanpakken, want uiteindelijk gaat het om het breken van deze
netwerken. Zijn al die extra fte dan ook ingevuld? Ja, zowel bij het OM
als bij de politie zijn de functies voor mensenhandel vervuld.
Nogmaals, daarbij wil ik helemaal niet zeggen dat er nooit in het kader
van prioriteitstelling door het gezag een afweging wordt gemaakt waarbij
een mensenhandelzaak niet wordt opgepakt; dat is hoe we het systeem
hebben ingericht in Nederland. Maar ik denk dat de prioriteitstelling en
het zorgen voor expertise zeker wel helpen.
Dat was het blokje opsporing.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik eerst het eerst woord aan mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (PRO):
Graag nog iets meer details van de minister over de opsporing. Het is
inderdaad goed dat er fte's zijn toegevoegd voor de opsporing van
mensenhandel, maar het is complex. De kritiek die vaak is aangedragen,
specifiek ten aanzien van mensenhandel, is dat je het binnen de politie,
maar ook binnen het Openbaar Ministerie op verschillende plekken moet
inbrengen. Bij het ene district doe je het bij het Zorg- en
Veiligheidshuis, bij het andere district doe je het bij het RIEC. Neem
bijvoorbeeld criminele uitbuiting. Soms is een onderzoek al zover
gevorderd, dat het heel moeilijk is om het mensenhandelaspect in te
brengen.
Volgens mij is er behoefte aan een sturingsmechanisme met heel
duidelijke procesafspraken. Wanneer je als rechercheur signaleert dat er
sprake is van mensenhandel, moet je een soepele route hebben, in plaats
van dat je het binnen Nederland gefragmenteerd, op verschillende
manieren, moet doen. Ik ben benieuwd hoe de minister hiernaar kijkt. Er
is eerder een expliciet advies van de Nationaal Rapporteur geweest: maak
hier nou procesafspraken over; maak helder dat, als er signalen van
mensenhandel zijn, de officier van justitie en de rechercheur die ermee
bezig is, één route kunnen bewandelen, zodat ze sneller tot de kern van
de zaak kunnen komen. Ik ben benieuwd hoe de minister hiernaar
kijkt.
Minister Van Weel:
Daar komt de minister heel graag op terug in de voortgangsrapportage
voor het einde van het jaar. Heel specifiek: ik kan me voorstellen dat
de samenloop van zaken, juist omdat we bij de ondermijnende
criminaliteit in Nederland zien dat daar, als tweede effect, heel vaak
uitbuiting bij komt kijken, in sommige gevallen niet leidt tot dezelfde
route, maar dat wil ik graag voor u verkennen. Ik kom daar nog op
terug.
Mevrouw Abdi (PRO):
Veel dank. Zou de minister dan ook willen verkennen … Er zijn heel veel
nieuwe initiatieven en projecten geïnitieerd. Dat zie je continu, ook op
dit onderwerp. Wat zijn de uitkomsten? Welke doelstellingen willen we
bereiken? Zou de minister daar nader op kunnen ingaan? Wat hebben al
deze initiatieven daadwerkelijk opgeleverd en waar werken we nu naartoe?
Als iemand die nieuw is op dit dossier en het dossier nog moet
verkennen, zeg ik heel eerlijk dat ik zie dat er van alles gebeurt, maar
dat mij niet helder is waar we nou concreet naartoe werken. Ik zou het
heel wenselijk vinden dat de minister daar nader op ingaat in zijn
brief.
Minister Van Weel:
Dat nemen we mee op dat moment.
De voorzitter:
Volgens mij zag ik de heer Verkuijlen eerder.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank voor de beantwoording door de minister. Mijn vragen raakten ook een
beetje aan het volgende. We zijn nu de boom aan het optuigen. Er komen
meer delicten bij dankzij deze richtlijn. Maar als we niet in staat zijn
om bomen goed te snoeien, komen we ook niet veel verder. Het is op dit
moment eenvoudiger om een debat over mensenhandel te voeren dan om een
zaak overtuigend en wettelijk te bewijzen. Het is mij een lief ding
waard, want ik heb ook een aantal decennia bij de politie gewerkt, dat
we oud-collega's van mij iets in handen geven waarmee ze dit delict
makkelijker kunnen aanpakken. Ze moeten niet denken: dit gaat het nooit
worden, dus laten we maar kijken wat er overblijft aan klein fruit dat
makkelijker te plukken is. Daar wil ik graag nog een reactie van de
minister op. Dat is een beetje wat ik noemde rondom het botte mes versus
het scherpe zwaard.
Ten tweede dank ik de minister voor de beantwoording over de fte, maar
ik heb ook gevraagd of die dedicated zijn. Ik vraag dat, omdat
capaciteit bij de politie altijd wordt uitgesmeerd over meerdere
domeinen. De wijkagent van vandaag loopt ook de noodhulp. Ik wil graag
dat die 53 fte uit de motie-Segers/Asscher ook echt worden ingezet voor
mensenhandel. Ik dank u.
Minister Van Weel:
Ja, het scherpe zwaard. Ja, al denk ik dat het overgrote deel van het in
handen geven van het instrumentarium al zit in het wetsvoorstel dat ik
vorige week in de Eerste Kamer heb besproken. Dat behelst die
modernisering. Dat behelst ook de extra categorie van ernstige
benadeling, waardoor je de drempel van mensenhandel eerder haalt, ook in
gevallen waarin het vroeger in een schemergebied terechtkwam. Daar zit
ook de explicitering van: wat moet je eronder verstaan? Daar worden
voorbeelden gegeven. Ik denk dat die wetsbehandeling een heel groot deel
van het scherpe zwaard is. Met dit wetsvoorstel slijpen we het nog een
klein beetje op, maar ik denk dat het zwaard het wetsvoorstel is
waarover we vorig jaar uitgebreid met elkaar hebben gediscussieerd.
Daarmee moet de politie meer in handen krijgen. De 58 fte zijn
dedicated. In de brief zal ik meenemen hoe de capaciteit specifiek op
deze zaak wordt gezet, want het gaat om het specialisme, zoals u hier
terecht meldt.
De voorzitter:
De heer Verkuijlen heeft een vervolgvraag.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank voor dat antwoord. Ik snap die drempelverlaging bij ernstige
benadeling, maar het gaat nou juist om seksuele uitbuiting, om dat soort
zaken op een goede manier en wettelijk overtuigend bewezen te krijgen.
Daar zal de toevoeging van dat specifieke artikel niet zo heel veel aan
toevoegen. Ik ben dus heel benieuwd waar de minister dan de ruimte ziet
waardoor de bewijslast aanzienlijk omlaag is gegaan, los van het
toevoegen van een extra element.
Minister Van Weel:
Bij seksuele uitbuiting zal dat ook altijd afhankelijk zijn van de
medewerking van in dit geval het slachtoffer. Ik ben zelf mee geweest
met de politie in Den Haag. Ik ben in een sociale huurwoning geweest
waar in dit geval een Colombiaanse vrouw zat, niet met haar eigen
huisraad, met nauwelijks huisraad, maar wel met grote stapels cash. Als
die persoon, al dan niet onder dwang, niet bereid is om te getuigen,
komt de politie op een gegeven moment niet heel veel verder. Ik denk dat
dat de uitdaging is: hoe verlaag je voor slachtoffers de drempel om hier
aangifte tegen te doen? We hadden het al eerder over het
non-punishmentbeginsel en het feit dat agenten in de eerste lijn daarop
worden getraind en daar dus ook op kunnen signaleren. Toch moet je ook
proberen zo'n zaak rond te krijgen door te kijken: wie zit hier nu boven
of achter? Dat is gewoon goed recherchewerk dat moet worden gedaan. Dat
zit dus niet heel erg in dit wetsvoorstel, denk ik. Het is niet dat we
daar nu een grote slag in maken. De wettelijke ankers zijn er wel, maar
de specifieke zaken maken het wel heel moeilijk.
De voorzitter:
Dan zag ik de heer Tijs van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
U gaf aan dat u niet kunt uitsluiten dat de uitbreiding van het aantal
vormen van mensenhandel kan leiden tot een verschuiving in de opsporing.
Tegelijkertijd zei u: ik heb uw Kamer goed gehoord; u wilt niet dat de
aandacht weggaat bij seksuele uitbuiting. Hoe voorkomen we dan dat dit
toch gebeurt?
Minister Van Weel:
Keuzes in de opsporing zijn altijd aan het gezag. Dat zal op basis van
deze wetten aan de slag gaan. Ik stel me voor dat we bij de evaluatie
van het wetsvoorstel meenemen in hoeverre we dit effect hebben zien
optreden en dat we daar dan consequenties aan kunnen verbinden.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Want u kunt niet aan de voorkant meegeven dat de Kamer dat een ongewild
effect zou vinden?
Minister Van Weel:
We kunnen dat gezamenlijk meegeven. Tegelijkertijd zal de keuze voor een
individuele opsporingszaak elke keer aan het lokale gezag zijn. Dat zijn
wij weer niet, dus men zal toch altijd lokaal de afweging maken: wat
heeft prioriteit? Ik stel me de zaak voor die ik net voor de heer
Verkuijlen schetste. Dat is een moeilijke zaak, waarbij je met een
heleboel recherchewerk weliswaar een trapje hoger zou kunnen komen. Als
je dan tegelijkertijd een Zaanse glazenwasserszaak hebt lopen, kan ik me
voorstellen dat de prioriteit lokaal wellicht valt op de zaak waarbij
1.700 busjes door heel Nederland rijden, je een enorme criminele
organisatie kunt aanpakken en een heleboel mensen kunt helpen versus
deze ene moeilijk te rechercheren zaak. Ik vind het af en toe de
moeilijkheid maar ook de schoonheid van ons systeem dat ik artikel 12 en
mijn aanwijzingsbevoegdheid niet wekelijks inzet voor de
opsporing.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor de beantwoording. Ik denk dat dat laatste punt precies de zorg
van deze Kamer onderstreept. Het is namelijk een haaldelict dat zich
vaak uit in een individuele omstandigheid in een individuele situatie,
waar meestal ook gewoon een grotere organisatie achter zit. Anders krijg
je het allemaal namelijk niet gefaciliteerd om contacten en klanten te
laten komen, geld op te halen enzovoorts. Juist daarom is het zo
zorgwekkend dat het heel vaak nauwelijks lukt om een zaak rond te
krijgen en dat we in vervolging en opsporing zien dat de straf
vervolgens ook nog vrij mild uitpakt. Precies daar zit mijn zorg, ook in
vervolg op de interrupties met collega Verkuijlen, namelijk dat de
bewijslast behoorlijk hoog blijft en dat het vrij moeilijk is om dit aan
te pakken. Heeft de minister nu het idee dat hij met dit wetsvoorstel de
bewijslast iets verruimt en, zo ja, waar blijkt dat dan uit?
Minister Van Weel:
Ook voor die discussie verwijs ik door naar het wetsvoorstel waar we het
vorig jaar over hebben gehad. Daar zat die verlaging van de bewijslast,
het verruimen van delictsomschrijvingen en het opschonen van het botte
mes in, zoals de heer Verkuijlen het noemde. Ik geloof dat we met dat
wetstraject echt een hele grote stap hebben gezet om dit voor de
opsporingsdiensten en voor de rechterlijke macht tastbaarder en beter
vervolgbaar te maken. Ik geloof dat een heel groot deel, of dat hier nu
gaat werken of niet, ook echt zit aan de slachtofferkant in combinatie
met het non-punishmentbeginsel. Dus: worden mensen meteen erkend als
slachtoffer en wat kun je doen om mensen tot medewerking te krijgen aan
een strafrechtelijk proces, wat in deze zaken natuurlijk altijd moeilijk
is? Dat is minder concreet, maar wel heel belangrijk.
De voorzitter:
Ik zie dat mevrouw Bikker een vervolginterruptie heeft.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank aan de minister. Hij proeft hierin misschien ook wel mijn ongeduld,
want ik heb heel graag dat wetsvoorstel gesteund, en ook nog wat
aangescherpt samen met collega's, juist om ervoor te zorgen dat het nog
makkelijker wordt om daders aan te pakken en slachtoffers te beschermen.
Ik hou op dit punt wel echt een zorg. Ik wisselde dat eerder ook al met
collega Verkuijlen. Het blijft de achilleshiel van het complete artikel
273f. Wat mij betreft zal dit in de gevraagde evaluatie ook expliciet
aandacht moeten krijgen.
Voorzitter. Dat brengt me bij mijn vervolgvraag, want de 10 miljoen uit
de motie-Segers/Asscher, die volgens de minister nu ook dedicated wordt
ingezet voor de aanpak van mensenhandel, moet niet gebruikt worden voor
alleen maar het identificeren van vreemdelingen bijvoorbeeld, wat ik af
en toe wel terughoor. Het is het werk van het ministerie van Asiel en
Migratie om dat te doen, vind ik. Dat moet niet het specifieke geld voor
mensenhandel opslokken. Deelt de minister dat? Kan hij, als hij
rapporteert over de inzet van de middelen, ook aangeven hoe dit geld
specifiek voor mensenhandel wordt gebruikt in plaats van in de algemene
keten, die zeer belangrijk is voor Asiel en Migratie, maar waar dit geld
niet voor bedoeld was?
Minister Van Weel:
Ja, ik neem dat mee in dezelfde voortgangsrapportage voor het einde van
het jaar.
De heer Boomsma (JA21):
Een vervolging is afhankelijk van een slachtoffer dat bereid is te
getuigen. Tegelijkertijd weet je dat het juist hier natuurlijk heel vaak
voorkomt dat de slachtoffers te bang, te zeer in de war of te
getraumatiseerd zijn om te getuigen of dat ze worden gechanteerd. Als ze
al het doen, wordt er al snel geconstateerd dat er een tegenstrijdigheid
zit in hun getuigenis, die ook vaak te maken heeft met het trauma dat is
ervaren, waardoor het op die punten toch weer sneuvelt. Daar maken wij
ons denk ik ook grote zorgen over. Kun je ervoor zorgen dat dat op de
een of andere manier wordt verbeterd en dat je toch manieren vindt om
dat risico te verminderen, door meer naar steunbewijs te kijken of
misschien naar de manier waarop je slachtoffers verhoort, omdat daar
duidelijke aandacht is van een trauma-expert en dergelijke? Ziet de
minister daar nog andere mogelijkheden?
Minister Van Weel:
Dit is niet de wet. Dit kunnen we niet oplossen in de wet. Dit gaat om
hoe je in de praktijk omgaat met dit soort zaken. Ik wil daar ook in die
brief wel aandacht aan besteden, maar uiteindelijk is het actieplan
tegen mensenhandel natuurlijk ook bedoeld om dit soort aspecten op een
meer beleidsmatige manier te adresseren en om te zorgen dat je die
drempels wegneemt. Dat geldt ook voor de training van elke
eerstelijnspolitiefunctionaris om te herkennen dat diegene te maken
heeft met een slachtoffer van mensenhandel. Dus het is op vele borden
schaken, maar je zult het allemaal moeten doen. Dat ben ik wel het de
heer Boomsma eens.
De voorzitter:
Ik zie geen verdere interrupties. Dan kan de minister verder met zijn
volgende blokje.
Minister Van Weel:
Het voorliggende wetsvoorstel en draagmoederschap. Laat ik beginnen met
de overige vragen over draagmoederschap, want voor die wil ik heel graag
verwijzen naar het wetstraject van mijn collega, de staatssecretaris van
Justitie en Veiligheid, dat ook al door een aantal van u werd genoemd.
Ik denk dat de vragen, voor zover die niet betrekking hebben op dit
implementatievoorstel, daar meer op hun plek zijn. Dat geldt dus voor de
vragen van mevrouw Faber over de strafbaarstelling in het buitenland.
Daarbij kan ik kortheidshalve zeggen dat als er sprake is van
mensenhandel en die delicten bewezen worden, ook hiermee mensenhandel in
het buitenland kan worden vervolgd op dezelfde gronden als die ik net
noemde waar het gaat om mensenhandel in het algemeen. Die vragen kan ik
wel beantwoorden. De overige vragen van met name de heer Van Dijk zou ik
graag willen doorverwijzen naar de staatssecretaris.
Er waren natuurlijk een aantal vragen op dit thema die wel echt
betrekking hadden op dit wetsvoorstel. Een daarvan was: hoe denkt de
minister dat dit implementatiewetsvoorstel en de Wet kind,
draagmoederschap en afstamming zich tot elkaar verhouden? Dit
wetsvoorstel gaat enkel om mensenhandel in de vorm van uitbuiting van
draagmoederschap. Dan gaat het dus echt om zeer ernstige misstanden
rondom draagmoederschap. Het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en
afstamming, dat van de staatssecretaris is, gaat over de wettelijke
regulering van draagmoederschap in het algemeen en heeft dus ook
betrekking op bredere vragen en inkleuring.
Deelt de minister de mening dat gebruik van huidige procedures voor
erkenning van een kind uit draagmoederschap onder de strafbepaling van
de richtlijn kan vallen, bijvoorbeeld bij oneigenlijk gebruik van de
adoptieprocedure? Indien volgend op draagmoederschap de wettelijke
adoptieprocedure wordt gevolgd, vormt die adoptie op zichzelf geen
strafbaar feit. Een verdere gedachtewisseling over het onderwerp zou ik
toch ook weer willen doorverwijzen naar het andere debat, met de
staatssecretaris.
Hoe kan het OM bewijzen dat er sprake is van uitbuiting bij
draagmoederschap? Dit was ook een vraag van de heer Van Dijk. Voor het
bewijs van mensenhandel in de vorm van uitbuiting bij draagmoederschap
is nodig dat de in artikel 273f, eerste lid genoemde handeling is
verricht, zoals het werven, vervoeren of huisvesten, dat er opzettelijk
een beïnvloedingsmiddel is aangewend en dat er een oogmerk van
uitbuiting was. U vraagt hoe we kunnen bewijzen dat zo'n
beïnvloedingsmiddel is aangewend, ook in het geval dat er van tevoren
wel een overeenkomst is getekend. Welke omstandigheden zijn dan
voldoende om te kunnen bewijzen dat het oogmerk van uitbuiting bestaat?
Ook in het geval van een vooraf overeengekomen overeenkomst kan worden
getwijfeld of dit echt vrijwillig is gebeurd of dat gebruik is gemaakt
van een beïnvloedingsmiddel. Dat sprake is geweest van het
beïnvloedingsmiddel dwang kan bijvoorbeeld blijken uit de verklaring van
de desbetreffende vrouw zelf. Dat gebruik is gemaakt van een kwetsbare
positie als beïnvloedingsmiddel mag in het algemeen worden verondersteld
bij een zwakke financiële positie van de vrouw, waarbij in het bijzonder
valt te denken aan de afkomst uit een land met een significant lager
welvaartspeil. Vanwege haar persoonlijke omstandigheden is de vrouw in
een dergelijk geval immers in verminderde mate in staat tot een
vrijewilsbepaling omtrent het draagmoederschap. Als iemand in zo'n
situatie wordt overgehaald om draagmoeder te worden, wordt misbruik
gemaakt van de kwetsbare positie. Het vereist wel dat de dader zich
bewust is geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de
betrokkenen waaruit die kwetsbaarheid voortvloeit. Voor het kunnen
aannemen van een oogmerk van uitbuiting, is het voldoende als de
mensenhandelaar heeft gehandeld uit winstbejag of als hij verregaande
vrijheidsbeperking heeft opgelegd aan het zwangere slachtoffer.
De heer Van Dijk vroeg nog: wanneer zijn wensouders strafrechtelijk
verantwoordelijk als zij concrete aanwijzingen voor uitbuiting negeren?
Wensouders die concrete aanwijzingen voor uitbuiting negeren, kunnen
strafrechtelijk aansprakelijk zijn onder dit artikel. Die bepaling komt
in beeld wanneer iemand ondanks duidelijke signalen dat de beoogde
dienstverlening mogelijk het voorwerp is van mensenhandel, toch van de
dienst gebruikmaakt. Die duidelijke signalen kunnen bijvoorbeeld zijn
gelegen in uiterlijke signalen die betrekking hebben op het slachtoffer
zelf, de omstandigheden waaronder de diensten worden aangeboden en
aanwijzingen dat een mensenhandelaar controle uitoefent over het
slachtoffer. De specifieke omstandigheden die in de praktijk aan de orde
kunnen zijn, kunnen per uitbuitingsvorm een eigen inkleuring hebben.
Laat ik nogmaals zeggen dat deze strafrechtelijke aansprakelijkheid
natuurlijk alleen in beeld komt in situaties waarbij het evident is dat
er sprake is van mogelijke mensenhandel.
Dat was het wat betreft draagmoederschap.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor de reactie. Er is natuurlijk heel veel van te zeggen. Ik ben
me ervan bewust dat een aantal dingen wellicht terug gaan komen in het
andere genoemde wetsvoorstel. Ik legde echter de vinger op het feit dat
nogal wat andere EU-landen een hele andere lijn ten opzichte van
draagmoederschap vormen. Ik ben in dat licht toch wel heel erg benieuwd
hoe die landen omgaan met de implementatie van dit wetsvoorstel. Is daar
zicht op of kan dat in kaart worden gebracht?
Minister Van Weel:
Ik wil wel kijken hoe andere landen daarmee omgaan. Dat zou voor de
implementatie van dit wetsvoorstel niet uit moeten maken, want de
middelen en de bewijsdrempel zijn hiermee gelijk voor alle EU-landen.
Dat neemt niet weg dat landen natuurlijk ander beleid kunnen hebben op
het gebied van draagmoederschap in bredere zin. Dat verwijs ik dan weer
door naar het traject van de staatssecretaris. Ik houd die twee dus wel
uit elkaar. Ik wil het dan wel echt bezien in de engte van artikel
273g.
De voorzitter:
Ik zie geen verdere interrupties bij dit blokje. U kunt verdergaan met
het blokje klanten.
Minister Van Weel:
Klanten. Mevrouw Bikker vroeg of we de leeftijd van de klant moeten
betrekken bij de aanpak van mensenhandel. We hebben die discussie eerder
gevoerd in een commissiedebat over mensenhandel en prostitutie. Ik heb
daarbij aangegeven dat we wat de regering betreft sekswerkers en klanten
niet gelijk moeten schakelen. De minimumleeftijd voor sekswerkers gaan
we verhogen, zoals aangekondigd in het coalitieakkoord, vanwege de
kwetsbaarheid die het werk met zich meebrengt. Dat is iets anders voor
mensen die als klant gebruikmaken van die diensten. Ik geloof dat daar
toen ook een motie over is ingediend, die volgens mij geen meerderheid
heeft gehaald.
De heer Van Dijk vroeg hoe wij uitvoering geven aan de Europese
verplichting om de vraag terug te dringen die uitbuiting bevordert. Wij
geven uitvoering aan die verplichting via de verbreding van de
reikwijdte van artikel 273g. Uit de toelichting bij de richtlijn volgt
dat het voor het terugdringen van de vraag die uitbuiting bevordert, van
belang is om het gebruik van diensten waarbij het slachtoffer wordt
uitgebuit om dergelijke diensten te verlenen en waarbij de gebruiker van
de diensten weet dat de persoon die de dienst verleent, slachtoffer is
van mensenhandel, strafbaar te stellen. Door die verbreding wordt dus
niet het gebruik van alleen seksuele diensten, maar van alle soorten
diensten die door uitbuiting tot stand zijn gekomen, strafbaar gesteld.
Maar dat is de strafbaarstelling en dat is dus het wetstechnische
antwoord, en dat is natuurlijk niet genoeg. Daar hadden we het net ook
al over. De verdere klantaanpak wordt versterkt via het Actieplan Samen
tegen mensenhandel, met onder andere mediacommunicatie bij vervolging,
jaarlijkse actiedagen en een fieldlab gericht op klanten. Natuurlijk
gaan we het wetsartikel 273g ook evalueren. Uit die evaluatie komen
mogelijk ook aanknopingspunten om de bestraffing van klanten effectiever
te maken. Het onderzoek heb ik reeds bij het WODC ingediend, maar de
planning is nog niet tot ons gekomen vanuit het WODC. Ik zal u daar dus
ook via de voortgangsbrief over rapporteren.
De heer Van den Brink vroeg of er ook in 2026 nog een landelijke
actiedag komt. De motie over nog in 2026 een landelijke actiedag
organiseren is aangenomen, dus ik zal dat in mijn gesprekken met het OM
en de politie opnemen. We gaan kijken hoe en wanneer we daar het
resultaat van kunnen zien.
Dat waren de klanten.
De voorzitter:
Dat was het blok klanten. Ik zag mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Als er iets moet gebeuren, dan is het wel de aanpak van klanten. De
minister kon wel aanvoelen dat ik mij er gewoon voor blijf inzetten dat
die leeftijdsgrens omhooggaat, want ik vind het echt van de zotte dat
jongens van 16 over de Wallen lopen, daar een vrouw uitkiezen en tegen
betaling seks hebben. Dat vind ik echt nergens op slaan. Ik vind dat we
dit in ons land echt anders moeten regelen.
Maar terug naar waar we het in dit debat over hebben. Kan de minister
aangeven op welk moment hij wil dat er een betere bewustwording onder
klanten is? Hoe snel verwacht hij resultaat van zijn aanpak?
Minister Van Weel:
Dat wil ik heel graag meenemen in het actieplan tegen mensenhandel en de
uitvoering daarvan. Ik denk dat dit een belangrijk element is. Over
anderhalve week, zeg ik uit m'n hoofd, begint de Week tegen
Mensenhandel. Dat is een van die momenten in het jaar waarvoor we hier
daadwerkelijk breed aandacht kunnen vragen. Er is dan landelijk, maar
ook op lokaal niveau, informatie beschikbaar via banners en brochures
over hoe hiermee om te gaan. Dit is een deel, denk ik, van dat
actieplan. Maar er kan vast meer, dus dat neem ik graag in dat kader
mee.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Neemt de minister daarin mee dat er dan ook een aangifteplicht is? Want
als je je begeeft in een louche sector — dat is het — dan verwacht ik
juist van al die kerels die zo goed weten waarom ze geld gaan pinnen om
dit te gaan doen dat ze ook bereid zijn om aangifte te doen op het
moment dat het mis is. Kan de minister dus toezeggen dat de cijfers rond
die aangiftebereidheid moeten stijgen en dat we gaan zien dat er meer
vervolgingen gaan komen?
Minister Van Weel:
Ja ... Die aangifteplicht is opgenomen in de wet. Die is nu dus deel van
ons strafrecht. Daar zullen we dus ook de nodige aandacht aan
besteden.
De voorzitter:
Oké. Dan zijn we bij het blokje over — ik kan m'n eigen handschrift niet
lezen — de porno-industrie. O, pornoplatformen.
Minister Van Weel:
Ja, pornoplatforms. De heer Diederik van Dijk vroeg: welke
verantwoordelijkheid dragen platforms wanneer zij verdienen aan
materiaal dat onder dwang tot stand is gekomen? Wanneer het illegale
content betreft is de DSA, Digital Services Act, van toepassing. Die
legt verplichtingen op aan tussenhandeldiensten. Op basis van de DSA
zijn hostingdiensten, waaronder de onlineplatforms, gehouden om illegale
content te verwijderen als zij daar weet van krijgen. Verwijderen
hostingdiensten illegale content na de melding niet, dan kunnen ze ook
geen aanspraak maken op de aansprakelijkheidsbeperking die zij in
beginsel wel genieten. De DSA is een maximumharmonisatie; dat betekent
dat we daarbovenop als lidstaten geen nationale eisen kunnen stellen,
zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan
tussenhandeldiensten. Dat geldt voor alle categorieën
tussenhandeldiensten uit de DSA, dus niet alleen maar voor de very large
online platforms. In november 2027 zal de DSA worden geëvalueerd. Dat
betekent niet automatisch dat er ook een herziening komt, maar het is in
ieder geval een belangrijk moment om te bezien of aanvullende
verplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig zijn. Voorts is bekend
dat enkele grote pornoplatforms hun uploadvoorwaarden de afgelopen jaren
hebben aangescherpt, onder meer door strengere eisen te stellen aan
identiteitsverificatie en toestemming van betrokkenen. Of dat ook bij
andere websites kan worden afgedwongen, hangt af van de toepasselijke
wet- en regelgeving en de mogelijkheden voor toezicht en handhaving.
Daar vragen we dus aandacht voor in het kader van de herziening van de
DSA.
De heer Van Dijk vroeg hoe we de aandacht voor discriminatie op grond
van geslacht naar het Nederlandse preventiebeleid vertalen en hoe dat
rijmt met de destigmatiseringsaanpak van sekswerk. Ik wil het verschil
tussen mensenhandel en sekswerk wel benadrukken, ook hier. Sekswerk is
een legaal beroep in Nederland en als er geen sprake is van een
vrijwillige keus voor dit beroep, is er ook geen sprake meer van
sekswerk maar van seksuele uitbuiting en daarmee dus van mensenhandel.
Sekswerkers moeten hun werk kunnen uitvoeren met de bijbehorende rechten
en plichten, zoals die ook gelden voor andere beroepsgroepen in
Nederland. Het tegengaan van het stigma is daarbij belangrijk, omdat uit
onderzoek blijkt dat dit een negatieve impact op de sociale positie van
sekswerkers heeft, waardoor ze kwetsbaarder zijn voor geweld en
uitbuiting. Het spanningsveld tussen bewustwordingscampagnes en de
destigmatiseringsaanpak zoals dat geschetst wordt door de heer Van Dijk,
zie ik dus niet in dit licht. Die campagnes gaan immers over de aanpak
van mensenhandel en dat zien wij als kabinet anders dan sekswerk.
De heer Van Dijk vroeg ook naar het feit dat seksuele uitbuiting zich
niet beperkt tot vergunde bedrijven, maar dat ook thuisprostitutie,
escortservices en onlineplatforms de politie en hulpverlening voor grote
uitdagingen stellen. Hoe gaan we daar intensief op handhaven? Het is
belangrijk dat seksuele uitbuiting van sekswerkers wordt gesignaleerd en
aangepakt. De gemeenten geven daarvoor vorm aan lokaal sekswerkbeleid.
Om hen te ondersteunen in het signaleren van misstanden worden
verschillende stappen gezet. Zo richt actielijn 4 van het versterkte
Actieplan Samen tegen mensenhandel zich op het ondersteunen en
aanmoedigen van regionale samenwerking. Door goede samenwerking tussen
verschillende partijen kunnen misstanden beter worden gesignaleerd en
opgespoord. In actielijn 5 wordt bekeken hoe informatie over signalen
van mensenhandel gedeeld kan worden, zodat er meer zicht is op mogelijke
misstanden.
Ik vind dat onlinesekswerkadvertentieplatforms er alles aan moeten doen
om te voorkomen dat hun platforms worden misbruikt voor seksuele
uitbuiting. Dit najaar, zeg ik onder anderen tegen de heer Boomsma, kom
ik met een plan van aanpak daarvoor. Daarbij betrek ik de aangehouden
motie-Boomsma/Bikker, waarin de regering wordt verzocht om een
wettelijke grondslag uit te werken voor onder andere een
identificatieplicht voor adverteerders en een meldplicht voor platforms
bij signalen van uitbuiting. Het Belgische voorbeeld zal ik daar zeker
bij betrekken. Dat zeg ik u bij dezen toe.
Dan de uitstapprogramma's. Jaarlijks wordt 6 miljoen euro uitgekeerd aan
achttien centrumgemeenten om uitstapprogramma's voor sekswerkers te
financieren. Voor het jaar 2026 zijn de middelen eenmalig verhoogd met
een half miljoen. Op dit moment zit een nieuwe verhoging niet in de
planning. Om de zichtbaarheid van deze programma's te vergroten hebben
het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en mijn ministerie
informatie hierover op de website sekswerkgoedgeregeld.nl
geplaatst.
Dat was het blokje over platforms.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen vragen. Dan kunt u verder met het blokje
geld.
Minister Van Weel:
Ja. Geld en mensenhandel zijn natuurlijk überhaupt met elkaar verweven,
maar hier ging het meer over de vraag of wij voldoende geld beschikbaar
stellen om dit allemaal aan te pakken. Laat ik eerst tegen de heer
Verkuijlen zeggen dat ik graag in gesprek wil met de VNG over de inzet
van de middelen voor de opvang van slachtoffers door gemeenten. We
stellen structurele middelen beschikbaar, oplopend tot 7 miljoen euro,
om dat te realiseren. In 2027 komt 2,5 miljoen beschikbaar. De minister
van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal in overleg met de VNG en de
gemeenten bezien hoe dat geld precies in te zetten en waar uitbreiding
van de opvangcapaciteit te realiseren is.
Er is gevraagd of er een claim is ingediend door de VNG voor preventieve
maatregelen. Ja, dat was een claim van €340.000 per jaar. Die claim is
afgewezen, met het oog op de essentiële uitvoering van de richtlijn. Bij
enkele van de claims, zoals voor de Arbeidsinspectie en Comensha,
vloeien de uitvoeringskosten direct voort uit de richtlijn. Hoewel
preventie in bredere zin wel wordt genoemd in de richtlijn, kunnen er
geen directe uitvoeringskosten aan worden gerelateerd. Daarom is deze
keuze gemaakt in de toekenning van de schaarse middelen.
Dan was er nog een vraag over de basissubsidie van Comensha. Laat ik
allereerst benadrukken hoe belangrijk het werk is dat Comensha doet in
de aanpak van mensenhandel. De implementatie van deze wet heeft ook
uitvoeringsconsequenties voor Comensha, zoals werkzaamheden in het kader
van het Nationaal Verwijsmechanisme Mensenhandel en de uitvoering van
het eerder genoemde contactpunt grensoverschrijdende doorverwijzing.
Daarvoor wordt Comensha ook financieel gesteund door mijn ministerie.
Bij de basissubsidie heb ik de vermindering van de subsidie in 2025 en
2026 gecompenseerd, maar het klopt inderdaad dat in de generieke korting
die door het vorige kabinet is ingevoerd en die het huidige kabinet
heeft gehandhaafd om te bezuinigen op subsidies, ook de subsidies van
Comensha worden geraakt. Ik ga ervan uit dat we in het kader van de
begrotingsbehandeling nog wel over geld komen te spreken, in den brede
en meer specifiek.
De heer Boomsma (JA21):
Ik heb een vraag over die €340.000 voor de VNG. De minister zegt dat het
niet essentieel was voor de implementatie, maar wat was dan inhoudelijk
de reden voor dit verzoek? Wat zouden ze daar dan mee gaan doen, of dat
nou essentieel is of niet? Is er wel een inhoudelijk oordeel geveld over
het belang van deze investering? Dat kan ik op dit moment namelijk niet
goed beoordelen.
Minister Van Weel:
Dat heb ik ook niet paraat. In het kader van de implementatie van deze
wet is gekeken welke organisaties claims doen om dit wetsvoorstel te
implementeren. Dat is de drempel waar deze onderdoor is gevallen, omdat
de €340.000 niet noodzakelijk was voor de implementatie van dit
wetsvoorstel. Ik kan er nu weinig over zeggen of dit verder zinnige
claims waren of niet.
De voorzitter:
Dan heeft u het laatste blokje. Dat is het blokje overig.
Minister Van Weel:
Ja. Het is een hele marathon, maar dit is het laatste blokje. Daarna heb
ik natuurlijk nog de amendementen. Dat komt in zicht.
De heer Van den Brink vroeg naar de opvang van slachtoffers van
mensenhandel. Ik heb daar net al aan gerefereerd, dus dat herhaal ik.
Voor het einde van het jaar komt het inhoudelijke kader voor het
opvanglandschap naar uw Kamer toe. Dat zal de minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport doen. Ik noemde net al de oploop van de structurele
middelen van 7 miljoen die hiervoor beschikbaar is gesteld, evenals de
2,5 miljoen die in 2027 al beschikbaar is. Mijn collega van VWS zal in
afstemming met de VNG en gemeenten bezien waar de eerste uitbreiding in
2027 al kan landen.
Mevrouw Abdi vroeg naar de loskoppeling van slachtofferschap en het
strafproces. Dat staat onder actielijn 3 in het actieplan Samen tegen
mensenhandel. Het creëren van breed draagvlak onder alle ketenpartners,
binnen zowel de strafrechtketen, de vreemdelingenketen als
slachtofferhulpverlening is van groot belang, maar ik ben me er ook van
bewust dat snelheid in dit proces voor de slachtoffers vooral van groot
belang is. Ik heb eerder toegezegd dat wordt verkend of een vierde
partij vanuit het zorgdomein kan worden aangewezen die de geringste
aanwijzing kan vaststellen. Ik hoop hiermee beter zicht te krijgen op
slachtoffers. De praktische uitwerking hiervan zien we in samenwerking
met de verkenning naar de inrichting van de multidisciplinaire commissie
die ik eerder noemde, die onafhankelijk slachtofferschap kan vaststellen
buiten het strafproces om. Dat zal vragen om veel zorgvuldigheid,
afstemming en uitwerkvragen. Voor de kerst leg ik het voorstel aan u
voor.
Ik weet niet of u het blokje eerst wil afmaken?
De voorzitter:
Het blokje is nog niet klaar, dus gaat uw gang.
Minister Van Weel:
Mevrouw Abdi vroeg ook welke stappen we kunnen zetten voor de
zichtbaarheid van mensenhandel en waar men terecht kan. Bij de lancering
van de koepelcampagne Sluit Mensenhandel Uit is ingezet op het creëren
van een herkenbare en gezamenlijke basis voor communicatie. Met de
aangesloten betrokken partners wordt aandacht gevraagd voor de
bewustwording en het herkennen van de verschillende vormen van
mensenhandel. Het Centraal Informatiepunt Mensenhandel werd al genoemd
als een nieuwe stap in 2026, zowel voor slachtoffers en
eerstelijnsprofessionals als voor burgers, om te informeren en te kunnen
doorverwijzen. Dat is bedoeld als een informatiesite, maar ook als een
handelingsinstrument. Laagdrempeligheid en toegankelijkheid staan
daarbij voorop.
Dan het vergroten van de meldings- en aangiftebereidheid. We hebben het
daar net al veel over gehad in de discussie. Het is een belangrijk
aandachtspunt, omdat we anders nooit komen tot de zaken die we hiermee
juist hopen aan te pakken. De meldings- en aangiftebereidheid is een van
de actielijnen daarin. In het kader van de Proeftuin Aangiftebereidheid
is onderzoek verricht door het CKM. Dat rapport is aan uw Kamer
aangeboden. We kijken nu naar de aanbevelingen van dat onderzoek en naar
de wijze waarop we daar opvolging aan kunnen geven.
De motie over consulaire en juridische bijstand van de heer Boomsma moet
ik kortheidshalve doorgeleiden naar mijn collega van Buitenlandse Zaken,
want die ligt op zijn beleidsterrein. Maar dat zullen wij doen.
De heer Van den Brink vroeg naar Caribisch Nederland. Nee, dit
wetsvoorstel geldt daar niet. Wat doen we daar dan wel? In 2025 is
gestart met de ontwikkeling van een beleidskader dat richting zal geven
aan de aanpak van mensenhandel en mensensmokkel. Dat wordt met de
relevante partners in de rechtshandhavingsketen opgesteld. Het doel is
om te komen tot een integrale aanpak, waarbij rekening wordt gehouden
met de beschikbare capaciteit van de betrokken organisaties in Caribisch
Nederland. Om mensenhandel en mensensmokkel effectief tegen te gaan is
het onder andere van belang dat zowel professionals als burgers de
signalen herkennen en ook weten te handelen. Met trainingen en
voorlichtingscampagnes wordt onverminderd ingezet op het vergroten van
de bewustwording rondom mensenhandel en mensensmokkel in Caribisch
Nederland. Er wordt ook gewerkt aan het optimaliseren van het
themaregister of een betere registratie van dit fenomeen. Aangezien het
vaak grensoverschrijdend is, wordt daaraan niet alleen in Caribisch
Nederland gewerkt, maar wordt ook gewerkt aan de samenwerking met de
landen in het Koninkrijk conform het MoU van samenwerking ter voorkoming
en bestrijding van mensenhandel en mensensmokkel. Dat betreft dus ook
Curaçao, Aruba en Sint-Maarten.
Mevrouw Belhirch vroeg: "Wat als iemand wordt gezien als een mogelijk
slachtoffer van mensenhandel, maar de zaak later wordt aangemerkt als
een ernstige benadeling? Kan de behoefte dan nog precies hetzelfde
zijn?" Ik hoor de zorgen als het gaat om de voorzieningen voor
slachtoffers van ernstige benadeling. Derdelanders die slachtoffer zijn
van ernstige benadeling kunnen straks met de strafbaarstelling
mensenhandel onder de daarvoor geldende voorwaarden een tijdelijke
verblijfsvergunning voor ernstige benadeling aanvragen. Aan deze
regeling is geen aparte bedenktijd verbonden. Op basis van die
verblijfsvergunning hebben deze slachtoffers ook toegang tot
basisvoorzieningen. Als er daarna wel de geringste aanwijzing is van
mensenhandel, kan het slachtoffer gebruikmaken van de bestaande
mensenhandelprocedure. Het slachtoffer krijgt dan bedenktijd en tijdens
die bedenktijd kan het slachtoffer gebruikmaken van de daaraan
gekoppelde voorzieningen, waaronder de landelijke Categorale Opvang
Slachtoffers Mensenhandel. Zowel bij ernstige benadeling als bij
mensenhandel kan onder de daarvoor geldende voorwaarden voortgezet
verblijf aan de orde zijn als het strafproces langer duurt dan drie
jaar.
EU-burgers die voldoen aan de voorwaarden voor verblijf op grond van het
Unierecht hebben dus een rechtmatig verblijfsrecht en kunnen
gebruikmaken van de voorzieningen die voor hen beschikbaar zijn. Bij de
uitvoering van de regeling is echter naar voren gekomen dat het
EU-verblijfsrecht van een EU-burger in bepaalde situaties kan worden
beëindigd, bijvoorbeeld wanneer niet langer aan de voorwaarden voor
verblijf wordt voldaan. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe groot
die groep is en of zich daarbij in de praktijk knelpunten gaan voordoen.
Dat heb ik vorige week ook bij de behandeling in de Eerste Kamer gezegd.
De IND gaat daarom monitoren hoe groot deze groep is en in hoeverre deze
slachtoffers ondanks de bestaande mogelijkheden tussen de bestaande
regelingen in vallen. Op basis van die uitkomsten wordt beoordeeld of
aanvullende maatregelen nodig zijn, en dan kom ik daar bij de
invoeringstoets van het wetsvoorstel Modernisering en uitbreiding
strafbaarstelling mensenhandel op terug.
"Hoe kijkt de minister naar een wetsevaluatie?" Het is goed en zelfs
nodig om wetten te evalueren op hun werkzaamheid. De richtlijn vraagt
ook om een evaluatie. Uiterlijk op 15 juli 2030 dient de Commissie bij
het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in waarin wordt
beoordeeld in hoeverre lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen en
welk effect die maatregelen hebben gesorteerd. Wij leveren daarvoor
uiteraard de benodigde gegevens aan. Van de modernisering van de
strafbaarstelling vindt uiteraard ook een evaluatie plaats. Daarbij
zullen wij ook 273g meenemen, zodat dit in één keer kan worden gedaan.
Het verslag van de Commissie zal ik uiteraard ook aan uw Kamer doen
toekomen.
Dat was de categorie overig, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, minister. Mevrouw Abdi wil u interrumperen.
Mevrouw Abdi (PRO):
Ik wilde graag terugkomen op het punt dat ik maakte over de link tussen
het slachtofferschap en het strafrechtelijk opsporingsonderzoek. Daarna
volgde iets korts, wat de minister ook zei, over de vierde partij,
waarom toen door mij werd verzocht. Het was natuurlijk niet zonder reden
dat ik het in mijn spreektekst had over urgentie. Als ik "een verkenning
bovenop een verkenning" hoor, dan weet ik eigenlijk niet wat er voor de
kerst naar de Kamer komt en hoe snel we daadwerkelijk een verbetering
voor slachtoffers zien. Zou de minister dus iets preciezer kunnen zijn?
Wat kunnen de Kamer en de slachtoffers van mensenhandel verwachten op
het vlak van het verlagen van die drempel voor slachtoffers?
Minister Van Weel:
Zoals gezegd, komen we voor het kerstreces met een voorstel over hoe dat
in te richten. Dat is dus inclusief het voorstel voor de vierde
partij.
De voorzitter:
Mevrouw Abdi, ik zie dat u nog iets wil zeggen. Gaat uw gang.
Mevrouw Abdi (PRO):
Ik wil het graag concreet hebben. Ik hoor inderdaad over een verkenning
van hoe we het gaan inrichten. Ik wil niet vaak dingen erbij halen, maar
ik heb het genoegen in onze fractie een medewerker te hebben die hier al
twintig jaar rondloopt. Deze discussie speelt al heel lang. Wat kunnen
wij concreet verwachten? Vergt dat een wetswijziging? Wanneer treedt dit
in werking? Komen daar kosten bij kijken? Hoe precies kan de minister
dat nu formuleren? Als dat nu niet kan, vind ik het prima als hij dat op
een andere manier, misschien in een kort briefje, aan de Kamer laat
weten, maar ik wil heel specifiek weten wat we met de kerst krijgen en
wanneer dit daadwerkelijk in werking treedt.
Minister Van Weel:
Het is een beetje buiten de reikwijdte van het wetsvoorstel waar we het
vandaag over hebben. Het is meer een beleidsvraag, maar ik zal hem dus
ook separaat voor u beantwoorden.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank voor alle antwoorden, meneer de minister. Ik denk dat ik twee
antwoorden heb gemist. Zo niet, dan hoor ik het graag. Ik had gevraagd
naar de anonieme meldingen. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel heeft
gevraagd: kun je niet bij de professionals onder de aandacht brengen dat
de AVG misschien toch iets minder streng gehanteerd moet worden? Daarop
zou ik graag uw reactie willen. Ook had ik nog een vraag gesteld over uw
nieuwe baan als Nationaal Coördinator. Ik ben benieuwd naar uw
antwoorden.
Minister Van Weel:
Als we er 2 van de 120 hebben gemist, hebben we het nog best aardig
gedaan, denk ik dan maar! Ik kijk even of ik daar in de tweede termijn
op terug kan komen en anders doen we dat schriftelijk via de
rapportage.
De voorzitter:
Dan zou ik graag het voorzitterschap kort aan mijn collega Faber willen
geven voor een interruptie.
Voorzitter: Faber
De voorzitter:
Ja. Dan geef ik gelijk weer het woord terug aan u als woordvoerder
namens D66.
Mevrouw Belhirch (D66):
Dank voor de beantwoording van de minister. Ik heb een aanvullende vraag
over de evaluatie. Het antwoord was helder. U noemde net ook een
invoeringstoets. Hoe kijkt de minister naar een invoeringstoets als deze
wordt toegepast voor deze wetgeving?
Minister Van Weel:
Ik zou eigenlijk willen kijken hoe we bij de invoeringstoets
modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel ook aandacht
kunnen besteden hieraan. Dat vereist dan wel dat we ook een spoedige
behandeling kunnen krijgen in de Eerste Kamer. Maar ik denk dat een
afzonderlijke, separate invoeringstoets voor dit vrij kleine
wetsvoorstel niet heel veel toevoegde waarde heeft. Ik ga kijken of ik
dit kan zwaluwstaarten met de Wet modernisering en uitbreiding
strafbaarstelling mensenhandel.
Mevrouw Belhirch (D66):
Oké, voorzitter. Kan de minister toezeggen dat dat dan wordt
meegenomen?
De voorzitter:
Het is aan de minister of hij dat toezegt, dus mijn vraag aan de
minister is: zegt u dat toe?
Minister Van Weel:
De minister zegt toe dat hij gaat kijken hoe hij dit wetsvoorstel kan
meenemen in de invoeringstoets van de Wet modernisering en uitbreiding
strafbaarstelling mensenhandel.
De voorzitter:
Dan geef u ik het voorzitterschap weer terug.
Voorzitter: Belhirch
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van
de minister. O ja, de amendementen! Dan gaan we nu van de minister de
appreciatie van de amendementen horen. Minister, u bent aan het
woord.
Minister Van Weel:
Ook hier geef ik vooraf een korte inleiding, omdat die ook door zou
klinken in de appreciatie van meerdere amendementen. Die mededeling
vooraf is dat een wetsvoorstel dat EU-regelgeving implementeert, zich
moet beperken tot onderdelen die voor de implementatie noodzakelijk
zijn, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving. Met andere woorden:
geen nationale koppen. Dat voorstel is er niet voor niks, want het
meenemen van extra nationaal beleid kan het implementatietraject
vertragen, bijvoorbeeld doordat er straks in de Eerste Kamer een
discussie kan ontstaan op de inhoud. Dat moeten we ook niet willen. U
weet ook dat de implementatiedeadline al is verstreken. Ik zeg dat omdat
een heleboel van de ingediende amendementen zien op wetsaanpassingen die
buiten de reikwijdte vallen van deze herziene EU-richtlijn over
mensenhandel. Daarom is dit ten principale niet het juiste kader om
daarover het gesprek aan te gaan. Een aantal hebben ook ingrijpende
uitvoeringsconsequenties. Dat zou strikt gezien dan weer een weging van
de Raad van State vragen. Ook die tijd is er uiteraard niet. Ik geef dat
even vooraf als winstwaarschuwing mee, mocht mijn appreciatie niet goed
vallen.
De voorzitter:
Dank u wel, minister. Ik wil graag even het woord geven aan mevrouw
Faber, want die heeft volgens mij een verhelderende vraag.
Mevrouw Faber (PVV):
Begrijp ik nou goed van de minister dat een nationale kop op een
richtlijn niet mogelijk zou zijn? Dat heb ik nu voor het eerst gehoord,
dus ik kan me dat haast niet voorstellen.
Minister Van Weel:
Ik zeg u niet dat het niet mag. Conform de Aanwijzingen voor de
regelgeving mag het niet, dus u zult ze van ons uit opgesteld niet
krijgen. Uiteraard staat het u vrij om wetten te amenderen. Dat is uw
goed recht. Ik wijs u alleen wel op de mogelijke consequenties daarvan.
Ik heb ook al een paar keer meegemaakt dat er in de Eerste Kamer dan een
beleidsmatige discussie ontstaat over iets wat eigenlijk een droge
implementatie van een richtlijn was.
De voorzitter:
Ik zie een tweede verhelderende vraag, denk ik, van de heer
Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Voor zover ik het heb begrepen, is het inderdaad zo dat, als het kabinet
een richtlijn implementeert in nationale wetgeving, het aan het kabinet
is om dat strikt genomen te doen en daar geen andere dingen aan toe te
voegen, maar geldt dit niet voor de Tweede Kamer. De Tweede Kamer kan
natuurlijk altijd zelf besluiten om daar al dan niet nog wijzigingen in
aan te brengen, met dien verstande dat er natuurlijk rekening moet
worden gehouden met de uitvoering, met de Eerste Kamer en met al die
elementen. De terughoudendheid ligt in die zin bij het kabinet, maar
niet in eerste instantie bij de Kamer.
Minister Van Weel:
Dat klopt. Desondanks is er natuurlijk een reden dat het kabinet daar
zeer terughoudend in is. De reden is natuurlijk ook dat uitgebreide
nationale koppen de behandeling moelijker maken en daarmee het
implementatietraject kunnen vertragen. Nogmaals, ik ga dit gewoon
appreciëren en u stemt zoals u wil. Dat was alleen een winstwaarschuwing
voor het feit dat u "ontraden" zult horen.
Dat geldt ook voor het amendement op stuk nr. 8 van mevrouw Faber over
het vooruitsturen van een minderjarige vreemdeling. Ik ontraad dat
amendement dus. In aanvulling op wat ik net al zei over de reikwijdte
van het implementatievoorstel, namelijk dat het daarbuiten valt en dat
het mogelijke ingrijpende gevolgen heeft, raakt dit ook aan het recht op
gezinshereniging binnen het unierecht, dat uitgewerkt is in de
Vreemdelingenwet 2000. Het leidt er ook toe dat de wettelijke opsomming
van specifieke uitbuitingsvormen wezenlijk gaat afwijken van de
omschrijving daarvan in de herziene EU-richtlijn, terwijl het er juist
toe strekt om het daarbij te laten aansluiten. In de huidige vorm is het
amendement ook niet uitvoerbaar omdat het technisch gezien niet is
aangesloten op het wetsvoorstel Modernisering en uitbreiding
strafbaarstelling mensenhandel, dat vorige week in de Eerste Kamer is
behandeld.
Mevrouw Faber (PVV):
Over dat laatste ben ik het niet eens met de minister. Volgens mij kun
je zo'n amendement altijd verwerken in een wetsvoorstel, maar dat even
terzijde. De minister geeft aan dat het ook weer in strijd is met
gezinshereniging, maar het gezin was herenigd. Het kind wordt gewoon op
een levensgevaarlijke reis gestuurd. Het gebeurt ook dikwijls dat het
gezin zich al in Turkije bevindt. Dat is een veilig land. Vervolgens heb
je natuurlijk Afrikaanse toestanden via Libië. Dat is een
levensgevaarlijke route. Daar worden kinderen omgebracht, verkocht en
achtergelaten, alleen maar ter eer en glorie van de ouders, zodat zij,
als het kind het redt en zo'n levensgevaarlijke reis overleeft, hier in
Nederland verenigd kunnen worden. Maar ze waren al samen. Dan is het
natuurlijk ook nog zo dat het artikel van het EVRM betreffende
gezinshereniging — dat is artikel 3 of 8; ik ben even kwijt welke het
ook alweer is — niet absoluut is. Ik bedoel, je kan zaken regelen in
nationale wetgeving om dat anders uit te voeren.
Ik ben het dus niet met de minister eens. Ik denk dat het wel degelijk
zin heeft om zo'n amendement eventueel te implementeren in de wetgeving,
want welke ouder stuurt zijn kind op zo'n levensgevaarlijke reis? Dan
kunt u wel zeggen … Ik zag ook al zo'n berichtje waarin iemand zegt: ja,
maar je gaat toch geen mensen strafbaar stellen die nog in het
buitenland zitten? Maar het is natuurlijk wel zo: als er een
veroordeling komt, heeft dat zeker invloed op het geven van de
verblijfsvergunning aan de ouders. Want wil je dergelijke personen met
zo'n instelling hier in Nederland hebben? Dat is dan even een zijvraag,
maar ik vind wel dat het een vorm van mensenhandel is. Een kind wordt
namelijk in feite uitgebuit. Of is de minister het er niet mee eens dat
zo'n kind dan gebruikt wordt als brug naar Nederland?
Minister Van Weel:
De drie voorwaarden zoals die gelden voor mensenhandel in specifieke
gevallen, kunnen ook van toepassing zijn op migratiesituaties. Alleen, u
vraagt hier om één hele specifieke vorm eruit te pakken. Daarvan zeggen
wij: dat heeft vergaande consequenties. Daar is ook nog niet alles over
uitgezocht wat je daarover zou willen uitzoeken. Bovendien valt het
buiten de reikwijdte van de EU-richtlijn. Daarom ontraad ik het, maar
nogmaals, het staat u vrij om het met mij oneens te zijn. Dit is alleen
wel mijn appreciatie.
Mevrouw Faber (PVV):
Over de vraag of het buiten de richtlijn valt, kan je ook nog een
discussie voeren. In feite doet dat er niet toe, want we kunnen hiermee
aanhaken bij de behandeling van dit wetsvoorstel. Feit blijft wel dat er
een kind wordt uitgebuit. Nederland heeft allerlei verdragen ondertekend
om kinderen te beschermen, maar hier laten we het gewoon lopen. Dat kan
toch niet?
Minister Van Weel:
Ik ben bang dat u het iets te simpel maakt voor een heel ingewikkelde
juridische discussie die hierachter wegkomt. Ik zeg daarmee niet dat die
discussie niet gevoerd zou moeten worden, en ik denk dat we dat in het
kader van het wetsontwerp over mensensmokkel ook best zouden kunnen
doen. Dat vind ik wat anders dan het hier als amendement, als
uitvloeisel, in zetten. Daarom ontraad ik het hier. Nogmaals, ik zeg
niet dat de discussie over onwenselijke praktijken niet gevoerd zou
moeten worden.
Dan het amendement-Faber/Diederik van Dijk op stuk nr. 9. Dat gaat over
het verhogen van de leeftijd voor prostitutie. Dat ontraad ik. Ten
eerste gaat het de implementatie te buiten, maar dat zult u eerder
gehoord hebben. Ten tweede is het overbodig, gelet op het wetsvoorstel
Modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel. Daarbij is
namelijk een amendement-Bikker/Boomsma aangenomen, waarmee dit
amendement niet samengaat. Als gevolg van dat amendement wordt namelijk
in de strafbepaling voor mensenhandel al tot uitdrukking gebracht dat
een persoon beneden de leeftijd van 21 jaar die in de prostitutie
werkzaam is, zich in een kwetsbare positie bevindt. Dat is dus een
gegeven op basis van dat amendement. Daarmee wordt de groep personen die
de indieners op het oog hebben, al strafrechtelijk beschermd.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik vind het een heel bijzonder antwoord van de minister. Zelfs in het
coalitieakkoord staat namelijk dat men de leeftijd wil verhogen en dat
daar een wetsvoorstel voor komt. Daar zitten we al jaren en jaren op te
wachten. Er ligt hier nu een amendement; dat ligt hier gewoon klaar en
daarmee kunnen we het zo implementeren. Het kan zo verwerkt worden in
het wetsvoorstel. Dan is ook mijn vraag: hoe serieus is de VVD over het
verhogen van die leeftijd? Hoe serieus is dat, en hoe serieus is dat
coalitieakkoord? Ik geef het hier de minister op een zilveren
presenteerblaadje aan, om het zo in één klap te regelen. We kunnen van
alles vinden van de minister, maar volgens mij is hij hartstikke druk;
dat wil ik hem wel nageven. Dan ga je toch geen tijd besteden aan een
wetsvoorstel als het hier kant-en-klaar ligt? Ik weet niet hoe serieus
ik het dan moet nemen dat dit kabinet echt die leeftijd wil verhogen. Ik
kan daar met mijn pet niet bij.
Minister Van Weel:
Ik voorzie dat we hier nog acht amendementen op deze manier gaan
bespreken. Het heeft ook te maken met een stuk zorgvuldigheid in de
wetgeving. Dat begint met het duidelijk afbakenen van wat je met een
wetsvoorstel beoogt en wat het effect daarvan is, in dit geval op een
kwetsbare groep mensen. Hoe kijkt het maatschappelijk veld daarnaar? Hoe
kijken opsporings- en handhavingsinstanties daarnaar? In een normaal
wetgevingstraject zijn dat, zoals u weet, alle stappen die doorlopen
moeten worden. Je moet het wetsontwerp opstellen en het dan in
consultatie brengen, het vervolgens naar de Raad van State sturen voor
advies, dan komt het naar uw Kamer toe voor een eerste schriftelijk
overleg en zo nodig een tweede schriftelijk overleg, dan komen we in een
behandeling zoals deze te spreken over het wetsontwerp en dan komen de
amendementen. Naar mijn mening is dit een volledig wetsontwerp dat nu in
een amendementsvorm, zonder al die stappen te hebben doorlopen, in een
wet terechtkomt die daar niet voor is bedoeld. Dan kunt u zeggen "u mist
een kans", maar ik kies gewoon voor een ander traject, waarbij ik wel
het veld, via de consultatie, de Raad van State en anderen in positie
wil brengen om daar ook hun mening over te kunnen geven. Dat is hoe ik
het zie.
De voorzitter:
Voordat ik mevrouw Bikker het woord geef, wil ik wel even meegeven dat
we nog maar twintig minuten de tijd hebben, dat er nog een aantal
amendementen geapprecieerd moeten worden en dat daarna nog een tweede
termijn volgt. We kunnen niet uitlopen, want hierna, precies om 14.00
uur, is hier een andere vergadering.
Mevrouw Faber, u heeft uw punt volgens mij duidelijk gemaakt en anders
wordt het hier een heen-en-weer. Ik geef u hierop nog een laatste
interruptie, maar dan wel echt heel kort.
Mevrouw Faber (PVV):
Voorzitter, sorry hoor, maar ik vind dat we hier toch wel serieuze
onderwerpen bespreken. Die gaan we niet afraffelen in een kwartier; dan
gaan we op een later moment verder. Ik vind de keuze die de minister
maakt eigenlijk het zorgvuldig ontwijken van dit door te laten gaan. We
zitten hier al jaren op te wachten. We kunnen het nu gewoon regelen. Dan
vraag ik me echt ten stelligste af in hoeverre de coalitie de leeftijd
echt wil verhogen. Ik zet er mijn grote vraagtekens bij.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan mevrouw Bikker, die hier een aanvulling op
heeft.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Beluister ik de minister nu goed dat hij zegt: voor het deel dat valt
onder 273f is het geregeld met het amendement-Bikker/Boomsma ...? Of het
amendement-Boomsma/Bikker; dat weet ik niet, want we werken zo goed
samen dat ik de volgorde niet meer weet. Dat ligt nu in de Eerste Kamer.
Zegt de minister: het voorstel van mevrouw Faber ziet op het verder
verhogen van de leeftijd naar 21 — dat steun ik zeer, hè? — en dat zou
je eigenlijk buiten 273f moeten zien? Heb ik dat zo goed begrepen? Want
dan snap ik de minister goed.
Minister Van Weel:
Dank voor de verheldering. Klopt. Ik lees het nog even terug voor u: het
was het amendement-Bikker/Boomsma. Dus ja, voor deze kwetsbare groep is
daarmee dit punt voor mensenhandelaspecten afgedekt. Dan de vraag over
verhoging. Ik wil, via de voorzitter, mevrouw Faber echt geruststellen:
de coalitie wil dit absoluut doen. We maken daar ook werk van. Dat zeg
ik u dus bij dezen toe.
De voorzitter:
Gaat u verder met de appreciatie.
Minister Van Weel:
Het amendement op stuk nr. 10 van mevrouw Faber en Diederik van Dijk
ontraad ik ook, ten eerste vanwege het feit dat het buiten de
implementatie valt, maar ten tweede ook omdat ik dit echt vind passen
bij het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming, dat voorligt
voor behandeling in uw Kamer. Ik zou het daar dus heen willen
brengen.
Mevrouw Faber (PVV):
De argumentatie is dat het buiten de implementatie van dit wetsvoorstel
ligt. Maar wij mogen gewoon aanvullende amendementen indienen. Daarmee
word je gelijk op min één gezet met je voorstel. Ik vind dat niet
correct, eerlijk gezegd.
Minister Van Weel:
Ik zal het vanaf nu achterwege laten.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Van Weel:
Dan het amendement op stuk nr. 11, dat gaat over de
strafverzwaringsgrond. Daarover hebben we het gehad in het debat. Dat
ontraad ik, omdat ik het overbodig vind vanwege artikel 44. Ik heb al de
toezegging gedaan om daarover het gesprek met het OM aan te gaan.
Dan het amendement op stuk nr. 12 van mevrouw Faber en Diederik van
Dijk. Dat ontraad ik, omdat de Nederlandse definitie van "mensenhandel",
die is neergelegd in 273f, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht,
aansluit bij de EU-definitie van "mensenhandel", die is opgenomen in
artikel 2, eerste lid van de EU-richtlijn mensenhandel. Het amendement
gaat deze definitie te buiten, omdat de richtlijn geen verandering
brengt in de EU-definitie die is opgenomen in artikel 2, eerste lid van
de EU-richtlijn mensenhandel. Het huidige oogmerkvereiste sluit aan bij
de EU-definitie van "mensenhandel", die in dit verband spreekt van "for
the purpose of exploitation", of, in de Duitse vertaling "zum Zweck der
Ausbeutung". Andere internationale definities, zoals de definitie in het
Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel,
bevatten soortgelijke formuleringen. Dit vereiste schrappen maakt dus
dat we niet meer aansluiten bij de internationale definities. In het
kader van het wetsvoorstel over modernisering, waarover we het een paar
keer gehad hebben, is uitvoerig met het parlement van gedachten
gewisseld over de reikwijdte van de strafbaarstelling. Daarbij is ervoor
gekozen om het huidige wettelijke oogmerkvereiste te handhaven. Wat toen
gold in die discussie, geldt wat mij betreft onverkort nog steeds.
Mevrouw Faber (PVV):
Uiteraard ben ik het daar niet mee eens. Kijk, ik bedoel, wij kunnen die
drempel gewoon verlagen. Dit kabinet geeft aan dat het serieus werk wil
maken van het bestrijden van mensenhandel. Hier ligt weer een amendement
gepresenteerd dat het ook beoogt om die grens te verlagen. Dan komt de
minister weer met de opmerking: dat sluit niet aan bij de Europese
wetgeving. Maar wel meer zaken die we extra regelen, sluiten niet aan de
Europese wetgeving. Ik vind het dus eigenlijk geen argument, eerlijk
gezegd.
Minister Van Weel:
Ik ga naar het volgende amendement, voorzitter.
De voorzitter:
Gaat u graag verder, ja.
Minister Van Weel:
Dan het amendement van mevrouw Faber op stuk nr. 13 over de
behulpzaamheid bij mensenhandel. Dat ontraad ik ook, omdat bij de
behandeling van het wetsvoorstel ter modernisering, waarover we het
eerder hadden, ook uitvoerig van gedachten is gewisseld over de
reikwijdte van de strafbaarstelling van mensenhandel. Ik zou die
discussie niet weer opnieuw willen voeren in dit kader.
Mevrouw Faber (PVV):
Maar de minister kan toch niet ontkennen dat mensenhandel en
mensensmokkel in onderlinge samenhang zijn, dat die ook stevig moeten
worden aangepakt en dat ook de medeplichtigheid en het faciliteren
hiervan gewoon strafbaar zijn? Als mensen dat willens en wetens doen, is
dat toch onacceptabel?
Minister Van Weel:
Zeker. Dat brengt me ook bij het amendement op stuk nr. 14. Dat ontraad
ik, maar dat doe ik omdat dit meer past — dat geldt eigenlijk ook voor
het vorige onderwerp — binnen het wetsvoorstel over mensensmokkel, dat
op dit moment bij uw Kamer aanhangig is. In dat kader wil ik graag nader
in gesprek gaan over de reikwijdte van de strafbepaling van
mensensmokkel.
Het amendement-Verkuijlen/Belhirch op stuk nr. 15 om "gedwongen
huwelijk" te vervangen door "uitbuiting bij huwelijken" geef ik oordeel
Kamer. Het ligt niet aan de partijkleur, zeg ik tegen mevrouw Faber!
Deze discussie hebben we ook in de Eerste Kamer gehad. Daarmee geef ik
het amendement oordeel Kamer.
Dat geldt niet voor het amendement-Boomsma/Mutluer op stuk nr. 16. Dat
maakt 'm nog breder. In het oordeel over het amendement dat ik net gaf,
gaf ik aan dat de EU-richtlijn is toegespitst op uitbuiting van een
persoon bij gedwongen huwelijken. Ik kan op dat punt iets ruimhartiger
zijn door "gedwongen huwelijk" te vervangen door "huwelijken", omdat bij
dat amendement de wettelijke formulering van deze specifieke
uitbuitingsvorm nog steeds dicht blijft aansluiten bij de omschrijving
van "mensenhandel" in de EU-richtlijn. Dat voorkomt ook discussies over
wat wel en niet in die opsomming moet worden opgenomen. Daarbij benadruk
ik volledigheidshalve dat mensenhandel ook betrekking kan hebben op
vormen van uitbuiting die niet specifiek in de wet staan. Het amendement
van de heer Boomsma gaat een stap verder door de uitbuitingsvorm ook te
verbreden tot vergelijkbare relaties. Een verdere uitbreiding laat ons
verder af komen staan van de internationale opsommingen. Zoals ik zei,
sluit het niet uit dat deze toch strafbaar zijn, omdat het een
niet-limitatieve lijst van uitbuiting in de wet betreft. Het gaat mij
hier specifiek om het element "vergelijkbare relaties". Als je het
alleen zou beperken tot huwelijk of geregistreerd partnerschap, zou ik
die bezwaren kunnen laten varen.
De heer Boomsma (JA21):
Dan is het nog altijd een uitbreiding op dat vorige amendement, want het
gaat in ieder geval ook om geregistreerd partnerschap. Ik kijk dan nog
even naar "een vergelijkbare relatie". Het is inderdaad niet-limitatief,
dus het blijft alsnog strafbaar, ook als die vorm niet geëxpliciteerd
wordt. Dan kan ik dat nog aanpassen, denk ik.
Minister Van Weel:
Allemaal correct.
De voorzitter:
Wat is de appreciatie?
Minister Van Weel:
Met die aanpassing, dus alleen "huwelijk en geregistreerd partnerschap"
krijgt het amendement oordeel Kamer.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dan ga ik graag mee in de ondertekening van het amendement van de heer
Boomsma. Ik zie dat D66 dat ook doet, dus dat betekent dat wij het
amendement zullen intrekken.
Minister Van Weel:
Dan hebben we het amendement-Boomsma/Bikker op stuk nr. 17. Dat ontraad
ik. Dat doe ik met verwijzing naar het debat. Ik heb gezegd dat we voor
het einde van het jaar komen met een plan van aanpak, waarin ik ook de
aangehouden motie-Boomsma/Bikker betrek. Daar wil ik even de tijd voor
nemen.
De heer Boomsma (JA21):
Ik snap dit, maar tegelijkertijd: dit speelt al zo lang. Ik ben wel
benieuwd naar het volgende. Volgens mij is het niet zo ontzettend
risicovol of ingewikkeld om dit te doen. Websites moeten gewoon
verplicht worden om te verifiëren of iemand meerderjarig is. Dat is ook
al praktijk in België. Ik denk dus niet dat we enorme risico's lopen in
de Eerste Kamer of in de uitvoering als je zoiets nu gewoon doet. Anders
wachten we op een voorstel en moet er weer een nieuw wettelijk traject
worden doorlopen. Dan zijn we toch ook weer jaren verder? Dat in
ogenschouw nemende, zou het niet toch verstandig zijn om dit nu gewoon
te besluiten? We lopen hier al zo veel jaren tegenaan.
Minister Van Weel:
Toch verwijs ik naar mijn eerdere appreciatie van een aantal van mevrouw
Fabers amendementen. Ik zou toch liever het traject doorlopen waarbij we
de verschillende stappen van wetgeving hierbij volgen.
De voorzitter:
Verder wilde ik zelf nog even expliciet aangeven dat ik, omdat het
amendement met correcties van de heer Boomsma eigenlijk ook het
amendement van mij en de heer Verkuijlen meeneemt, het amendement van de
heer Boomsma ook meeteken.
Ik dank de minister voor de beantwoording in de eerste termijn en de
appreciatie van de amendementen. Dan gaan we nu naar de tweede termijn
van de Kamer. Ik geef het woord aan mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ten eerste wil ik de minister bedanken voor de
antwoorden. Ik vind het wel uiterst teleurstellend hoe de minister
reageert op bepaalde amendementen, maar goed, het laatste woord is aan
de Kamer. Ik hoop dus dat mijn collega's enigszins bij zinnen blijven en
hier gewoon in meerderheid in kunnen meegaan. Daar wacht ik op.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft het woord, mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Dank aan de minister. Ook dank aan al die mensen die zich
achter de schermen inzetten voor het bestrijden van mensenhandel. Dat is
keihard nodig. Ook al is de Kamer het hier niet over alles eens, over
dit ding dan toch zeker. Wat hoop ik dat deze implementatiewet daaraan
gaat bijdragen.
Voorzitter. Ik heb op twee punten nog zorgen. De een ziet op de aanpak
van klanten en de ander op het Nationaal Verwijsmechanisme. Over beide
heb ik een motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat met deze richtlijn zowel opzet als schuld bij het
gebruikmaken van diensten van slachtoffers van mensenhandel strafbaar
worden gesteld, maar dat het aantal vervolgingen van klanten van
slachtoffers van mensenhandel gering is en opgelegde straffen doorgaans
beperkt blijven tot een taakstraf;
overwegende dat een van de belangrijkste manieren om mensenhandel terug
te dringen is om de vraag ernaar te ontmoedigen en te doen
afnemen;
overwegende dat het programma Samen tegen mensenhandel in 2027 wordt
voortgezet en dit een logisch moment is om de aanpak van de vraagzijde
hierin te verankeren;
verzoekt de regering het ontmoedigen en daadwerkelijk terugdringen van
de vraag naar diensten van slachtoffers van mensenhandel als zelfstandig
thema op te nemen in de voortzetting van het programma Samen tegen
mensenhandel vanaf 2027, en de Kamer jaarlijks via de monitor van de
Nationaal Rapporteur te informeren over de ontwikkeling van het aantal
vervolgingen en veroordelingen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Boomsma, Diederik van
Dijk en Tijs van den Brink.
Zij krijgt nr. 18 (36835) (#1).
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
De tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat slachtoffers van mensenhandel tijdige identificatie,
bescherming, opvang, zorg en ondersteuning nodig hebben;
constaterende dat de herziene Europese richtlijn mensenhandel nadruk
legt op vroegtijdige identificatie, verwijzing, ondersteuning en
bescherming van slachtoffers;
overwegende dat onduidelijkheid over verantwoordelijkheden,
gegevensdeling en de landelijke coördinatie ertoe kan leiden dat
slachtoffers niet of te laat in beeld komen en dat passende opvang en
bescherming vertraging oplopen;
overwegende dat het Nationaal Verwijsmechanisme en de coördinerende en
registrerende rol van Comensha daarom een duidelijke wettelijke basis
behoeven;
verzoekt de regering om uiterlijk binnen zes maanden na aanneming van
deze motie met een voorstel te komen voor wettelijke verankering van het
Nationaal Verwijsmechanisme en de noodzakelijke slachtoffercoördinatie,
inclusief een expliciete grondslag voor de coördinatie- en
registratietaken van Comensha en voor de daarvoor noodzakelijke
gegevensverwerking;
verzoekt de regering tevens om, indien dit voorstel niet binnen deze
termijn aan de Kamer is toegezonden, de Kamer schriftelijk te informeren
over de redenen van vertraging en over de concrete stappen en planning
waarmee alsnog tot wettelijke verankering wordt gekomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Belhirch, Boomsma,
Diederik van Dijk, Tijs van den Brink en Verkuijlen.
Zij krijgt nr. 19 (36835) (#2).
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Zo ik het niet heb gezegd: veel dank aan de
minister voor de beantwoording.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft het woord, meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank, voorzitter. Veel dank aan de minister voor de beantwoording. Ik
zal het amendement over huwelijksuitbuiting aanpassen en dan indienen.
Dank ook aan de ambtgenoten voor de samenwerking op dat vlak. Het is
heel goed dat we dat nu nog kunnen expliciteren in de wet. Dat is in
ieder geval weer een stap in de goede richting.
Wat betreft de seksadvertentiewebsites ga ik me nog beraden op wat we
daarmee doen. Het zou me toch heel veel waard zijn om daar nu ook gewoon
een stap te kunnen zetten. Heel veel dingen op het dossier mensenhandel,
waar eigenlijk de hele Kamer zo veel urgentie voor voelt, gaan wat ons
betreft namelijk toch wel heel erg langzaam. Tegelijkertijd snap ik ook
wat de minister zegt over het belang van zorgvuldigheid en dergelijke,
maar daar komen we dan nog op terug.
Dan heb ik nog een motie over de grensoverschrijdende signalering.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de herzieningsrichtlijn lidstaten verplicht een
contactpunt aan te wijzen voor de grensoverschrijdende doorverwijzing
van slachtoffers en dat de regering Comensha daartoe wil
aanwijzen;
constaterende dat uit onderzoek van het Centrum Kinderhandel en
Mensenhandel blijkt dat jongeren uit Nederland in België en Duitsland
seksueel worden uitgebuit, terwijl zorg-, opsporings- en
monitoringsorganisaties aan weerszijden van de grens over versnipperde
informatie beschikken die niet wordt samengebracht;
overwegende dat mensenhandel een haaldelict is en vroegtijdige
signalering bij grensoverschrijdende uitbuiting tekortschiet;
verzoekt de regering de mogelijkheden van een pilot met België en
Duitsland te verkennen, onder andere met het Euregionaal Informatie- en
Expertise Centrum, gericht op gezamenlijke signalering en verwijzing van
jonge slachtoffers;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de nationale
verwijsmechanismen van de drie landen op elkaar aansluiten en
belemmeringen op het gebied van opsporing met betrekking tot
informatie-uitwisseling, ongelijke bevoegdheden en prioritering zo veel
mogelijk worden weggenomen;
verzoekt de regering de Kamer te informeren wanneer het contactpunt bij
Comensha operationeel is en met welke capaciteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma, Bikker en
Belhirch.
Zij krijgt nr. 20 (36835) (#3).
Dank u wel. Meneer Verkuijlen.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank, voorzitter. Ik zal het kort houden. Veel dank voor de
beantwoording door de minister. Er is zorg bij mijn fractie over de
bewijslast. Die heeft de minister voor een deel weg kunnen nemen, maar
die is er nog wel. Ik zal dan ook nog even met belangstelling kijken
naar het amendement op stuk nr. 12 over de voorwaardelijke opzet, omdat
ik denk dat dat de bewijslast verlaagt. Plus: het is genoemd voor de
delicten die ook in de richtlijn staan. Dat maakt een vergelijking
interessant, namelijk tussen voorwaardelijk opzet voor die omschreven
vormen van mensenhandel en de andere.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Diederik van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Dank ook voor de gegeven beantwoording. De SGP
zal dit wetsvoorstel steunen, omdat het toch weer een stap in de goede
richting zet. Tegelijkertijd vind ik de conclusie van dit debat ook wel
weer dat het bepaald niet helpt dat we in onze samenleving dingen
normaal noemen die niet normaal zijn. Denk aan prostitutie, denk aan
porno, denk aan draagmoederschap et cetera. Dat zijn stuk voor stuk
praktijken die mensonwaardig en zeer vrouwonvriendelijk zijn. We hopen
op en blijven werken aan een cultuurverandering op dit punt. Mede in dit
licht wil ik twee moties indienen. De eerste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat artikel 28 van de EU-richtlijn 2024/1712 voorschrijft
dat lidstaten doeltreffende preventie- en vraagreductiemaatregelen
inzetten om in te spelen op verschillende vormen van mensenhandel
teneinde de vraag die mensenhandel stimuleert te ontmoedigen en terug te
dringen en daarbij expliciet aandacht vraagt voor bewustmakingscampagnes
gericht op potentiële en huidige gebruikers;
overwegende dat de brede beschikbaarheid van pornografie op negatieve
wijze bijdraagt aan de ontwikkeling van jongvolwassenen en de
objectivering van vrouwen en daarmee ook een voedingsbodem vormt voor
een ongezonde kijk op vrouwen;
verzoekt de regering met een integraal actieplan te komen tegen
seksualisering in de samenleving, inclusief maatregelen tegen
normalisering van pornografie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en
Bikker.
Zij krijgt nr. 21 (36835) (#4).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De tweede motie heeft betrekking op draagmoederschap, maar gaat
uitdrukkelijk over dwang. Daarom dien ik 'm in dit debat in bij dit
wetsvoorstel.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit jurisprudentie blijkt dat voorafgaande
contractuele instemming met het afstaan van een kind niet zelden leidt
tot situaties waarin een draagmoeder gedurende de zwangerschap of na de
geboorte op haar beslissing terugkomt;
overwegende dat bij beslissingen over de scheiding van moeder en kind
het belang van het kind en het recht op eerbiediging van het gezinsleven
zwaarwegend zijn;
verzoekt de regering te waarborgen dat draagmoeders die terugkomen op
eerdere afspraken over het afstaan van hun kind, toegang hebben tot
onafhankelijke juridische en psychosociale ondersteuning en dat
contractuele afspraken nooit mogen leiden tot feitelijke dwang of
scheiding van moeder en kind,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en
Bikker.
Zij krijgt nr. 22 (36835) (#5).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Tijs van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik
ben wel een beetje bezorgd over zijn antwoord op de vraag of er een
verschuiving in de opsporing kan optreden van seksuele uitbuiting naar
arbeidsuitbuiting. Maar een motie heeft denk ik niet veel zin, omdat de
minister zegt dat het bij het lokale gezag ligt. Ik wil alleen nogmaals
benadrukken dat ik, maar volgens mij de meerderheid in deze Kamer, daar
echt niet op zit te wachten. Dus als u iets kunt doen om dat te
voorkomen, heel graag.
Ook zie ik uit naar de beantwoording van mijn vragen over de Nationaal
Coördinator en anonieme meldingen, maar die komen dan later als het goed
is.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (PRO):
Dank, voorzitter. Omwille van de tijd houd ik het kort. Ik wil ook via
deze weg de minister en zijn ambtenaren heel erg danken voor de
uitvoerige beantwoording. Dat scheelt wat moties; dat is ook wel fijn.
Ook wil ik via deze weg iedereen die werkt aan de aanpak van
mensenhandel uit de grond van mijn hart heel erg danken, omdat het
moeilijk, complex werk is.
Ik heb nog twee punten van aandacht. Ik had expliciet gevraagd of het
misschien wenselijk is om de Algemene wet bestuursrecht aan te vullen
met het non-punishmentbeginsel voor de slachtoffers van mensenhandel.
Daarop kreeg ik een beetje een antwoord, zo van: comme ci comme ça. Ik
wil daar graag iets meer duiding bij.
Tot slot ga ik iets zeggen over overheidscampagnes wat ik al vaker heb
gezegd, ik denk in wel tig debatten: een website maakt nog niet een
overheidscampagne; dat betekent niet dat je daarmee slachtoffers
bereikt. Daarom maakte ik expliciet die verwijzing naar de aanpak rondom
intieme terreur, waarbij we mensen in de samenleving wijzen op wat
signalen zijn waaraan je kunt herkennen dat iemand in een
uitbuitingssituatie zit, wat bepaalde gesprekken zijn die je kunt
aanknopen, welke zinnen je kunt zeggen. Kortom: ik vraag om een
handelingskader, omdat je zonder signalen nergens komt in het
uiteindelijk helpen van deze slachtoffers. Dus daar zou ik graag iets
meer duiding bij horen. Als het nu niet kan, vind ik het ook prima, maar
dat is in ieder geval een aandachtspunt van mij.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan draag ik kort het voorzitterschap over aan mevrouw
Faber.
Voorzitter: Faber
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Mevrouw Belhirch (D66):
Dank u wel, voorzitter. Graag wil ik de minister en de ambtenaren
bedanken voor de goede beantwoording. Er zijn toch wel veel vragen
gesteld, namelijk 121. Verder had ik nog een punt met betrekking tot de
bestuurlijke boetes. Daar heeft de minister een antwoord op gegeven. Het
enige punt dat ik daarbij nog had, en dat had volgens mij ook de
Nationaal Rapporteur aangegeven, is dat het belangrijk is om de
reikwijdte van het non-punishmentbeginsel ook vanuit de bestuurlijke
macht mee te geven, als het gaat om hoe die bestuurlijke boetes in
werking treden.
Verder is het inderdaad, zoals mijn collega's ook hebben aangegeven, een
belangrijke implementatiewet, omdat het daderbegrip breder is gesteld en
om te zorgen dat we de slachtoffers niet vergeten — daar gaat het hier
uiteindelijk ook om.
Dank u wel.
De voorzitter:
Wil de minister hier nog op reageren? Dat is niet het geval. Dan geef ik
u het voorzitterschap terug.
Voorzitter: Belhirch
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik naar de minister. Heeft u een schorsing nodig
voor de tweede termijn? Dat is niet het geval. Dan krijgt u het woord,
nog niet over de moties, want die heeft nog niet iedereen, maar u kunt
in ieder geval alvast een reactie geven op de vragen die gesteld
zijn.
Minister Van Weel:
Dank. Ik dank de leden voor hun inbreng in tweede termijn. We hebben
geprobeerd uw vragen zo veel mogelijk te beantwoorden, maar dit is een
onderwerp dat heel veel kanten heeft en waarover we het gesprek in de
toekomst zeker verder aangaan. Dus vergeef me waar ik heb doorverwezen
naar de voortgangsrapportage. Dat wil niet zeggen dat het geen aandacht
krijgt of dat er niet aan gewerkt wordt.
Wat ik daaraan toe wil voegen, is de noodzaak om de Awb aan te passen op
het punt van non-punishment. Ik heb in het voorbeeld al aangegeven dat
het de facto geregeld is, omdat je zonder schuld ook geen boete kunt
krijgen of die in ieder geval niet zou hoeven betalen. Maar in de
voortgangsrapportage neem ik daar een wat uitgebreidere passage over
op.
Op de campagne kom ik tegen die tijd ook terug. Elk delict heeft weer
zijn eigen dynamiek en zijn eigen aanpak. Daar wil ik me ook graag over
laten adviseren, maar ik neem deze graag mee. De campagne rondom intieme
terreur heeft op mij ook wel indruk gemaakt en ik merk ook dat het veel
losmaakt in de maatschappij. Dat is dus zeker in dat geval een effectief
middel gebleken.
De heer Van den Brink vroeg nog naar de anonieme meldingen. Ik herken de
constatering uit het werkveld dat er problemen worden ervaren rondom
gegevensdeling en dat dat een effectieve aanpak in de weg zou zitten. In
het kader van het actieplan hebben we een handreiking informatiedeling
en gegevensverwerking ontwikkeld. Daar wordt nu de laatste hand aan
gelegd. Het doel is het geven van een handelingskader aan de betrokken
professionals, gebaseerd op werkwijzen uit de praktijk. Daarbij houden
we wel rekening met de vereisten en de bedoelingen van de
privacywetgeving. Soms is het ook een ervaren drempel, zonder dat die er
wettelijk is. Dat hebben we met deze handreiking willen doen. De komende
periode wordt die in alle regio's onder de aandacht gebracht en wordt er
met elke regio gekeken welke ondersteuning kan worden geboden bij de
implementatie ervan.
De tweede vraag van de heer Van den Brink ging over mijn eigen
functioneren. Daar gaat het de laatste tijd veel over. De aanpak vergt
een gezamenlijke inzet. Samen met collega-bewindspersonen, maar ook met
het brede mensenhandelveld, heb ik gewerkt aan het versterken van de
aanpak. Dan gaat het over dossiers die raken aan de opvang van
slachtoffers, het verblijfsrecht of de internationale samenwerking. Het
gaat ook over dossiers waar mijn collega-bewindspersonen in the end
verantwoordelijk voor zijn. Bij de uitwerking van de taken, bevoegdheden
en verantwoordelijkheden van mijn rol als Nationaal Coördinator zal ik
nader ingaan op de taak- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen de
verschillende bewindspersonen in de aanpak van mensenhandel. Het is al
duidelijk dat ik als Nationaal Coördinator Mensenhandel de Regieraad
Aanpak Mensenhandel zal voorzitten om op bewindspersonenniveau afspraken
te maken over mensenhandel. Een verduidelijking zal voor het kerstreces
naar uw Kamer worden gestuurd.
Dan kom ik aan bij de moties.
De voorzitter:
We hebben de moties nog niet gekregen. We moeten even een paar minuten
wachten totdat de moties zijn uitgedeeld.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
De moties zijn uitgedeeld, dus we kunnen verder. Minister, u heeft het
woord.
Minister Van Weel:
Dank.
De motie-Bikker c.s. op stuk nr. 18 geef ik de appreciatie "ontijdig".
Ik ben op dit moment nog volop bezig met de uitvoering van het huidige
Actieplan programma Samen tegen mensenhandel. Daarin staan ook
verschillende acties die zien op de aanpak van klanten. Dat plan loopt
tot eind 2027 en zal ook worden geëvalueerd. Voor we een nieuw actieplan
opstellen, wil ik ook weer in gesprek met het brede mensenhandelveld en
bezien wat de resultaten zijn geweest van het huidige actieplan.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
De minister kent mij als razend ambitieus op dit thema, maar hij heeft
ook gezien dat ik pas op de plaats heb gemaakt met amendementen op dit
punt en in alle rust echt heb gekeken naar het punt dat de kern is van
deze herziening en deze implementatiewet. Dat ziet op de aanpak van de
klanten. Dan is het toch ook ondenkbaar dat het in een volgend actieplan
niet over klanten zou gaan? Dit is zo rustig en breed geformuleerd dat
ik "ontijdig" eerlijk gezegd ... Ik snap ergens wel de eerste reserve op
een ministerie, in de zin van "we weten niet of we dit nou wel moeten
doen, want we zijn nog bezig", maar het is toch volstrekt logisch dat we
hiermee door moeten? Kan de minister hier alsjeblieft nog iets
ruimdenkender mee omgaan in zijn appreciatie?
Minister Van Weel:
Ik ga proberen wat ruimdenkender te zijn in mijn appreciatie. Ik geef 'm
oordeel Kamer als ik 'm zo mag lezen dat we het huidige actieplan
natuurlijk wel gaan evalueren, dat het buiten kijf staat dat klanten een
belangrijk onderwerp zijn in de aanpak van mensenhandel en dat ik in die
zin deze motie zie als een aanmoediging.
De voorzitter:
Dat is ruimhartig. Gaat u verder.
Minister Van Weel:
Dat geeft geen garanties voor de andere moties, zeg ik alvast even op
voorhand.
De motie-Bikker c.s. op stuk nr. 19 kan ik oordeel Kamer geven, maar wel
alleen als ik hem zo mag interpreteren dat ik eerst met de uitwerking
van het Nationaal Verwijsmechanisme kom voordat ik aan de wettelijke
verankering ga werken.
De motie op stuk nr. 20 over de pilot geef ik oordeel Kamer.
De motie-Diederik van Dijk/Bikker op stuk nr. 21 ontraad ik. Het
tegengaan van de seksualisering van vrouwen dient onderdeel te zijn van
een integrale aanpak van geweld tegen vrouwen. Aan de aanpak van
seksualisering van vrouwen wordt nu al gewerkt, onder andere in het
onderwijs en via campagnes zoals "Wat vind jij? Tot waar is het leuk
voor allebei?" en "Vind je dat die grap of opmerking niet kan? Man, zeg
er wat van!". Ik breng het denk ik niet zo klinkend als het in de
commercial bedoeld was. Ook werkt Emancipator aan het tegengaan van
seksisme. Onlinepornografie is legale content, die onder het recht op
vrijheid van meningsuiting valt, dat eveneens een recht om informatie te
ontvangen omvat. Overheidsbeperkingen moeten daarbij worden beperkt,
mede gelet op het censuurverbod, maar wel moet aanvullende bescherming
aan kinderen worden geboden tegen bepaalde vormen van schadelijke legale
content. Zo wordt bijvoorbeeld toegang van minderjarigen tot
pornografische audiovisuele content in de Mediawet gereguleerd. Het
ministerie van OCW heeft recent de wegwijzer "Seksualiteit online"
geactualiseerd. Die biedt een uitgebreid overzicht van preventieve
hulpmiddelen, waarvan een aantal zich ook richt op pornografie.
De motie-Diederik van Dijk/Bikker op stuk nr. 22 zou ik ontijdig willen
verklaren, omdat deze wat mij betreft echt thuishoort op het bordje van
mijn collega, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, gelet op
haar portefeuillehouderschap, en ik haar ook niet heb kunnen
consulteren. U bent nog met het wetsvoorstel over draagmoederschap
onderweg, vandaar mijn appreciatie "ontijdig" en mijn vraag of u 'm
…
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik gaf al aan dat deze motie op dit ogenblik relevant is, en niet zozeer
gekoppeld is aan het nieuwe wetsvoorstel. Ik begrijp wat de minister
zegt over het takenpakket van de staatssecretaris, maar volgens mij
stemmen we op zijn vroegst dinsdag over een week. Ik zou willen vragen
of de minister bij zijn collega wil bewerkstelligen dat we voor die tijd
een appreciatie van mevrouw Van Bruggen krijgen.
Minister Van Weel:
Dat zeg ik u toe.
De voorzitter:
Dan gaan we naar de toezeggingen. Deze zal ik voorlezen.
De eerste toezegging. De minister treedt in overleg met het OM en vraagt aandacht voor artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht over strafverzwaring.
De vraag is op welke termijn dat is.
Minister Van Weel:
Ik heb dat gekoppeld aan de implementatie van de wet. Pas dan wordt het
relevant.
De voorzitter:
Oké.
De tweede toezegging. De minister informeert de Kamer via de volgende voortgangsbrief over mensenhandel voor het einde van het jaar over de volgende punten: de doorontwikkeling van het Nationaal Verwijzingsmechanisme via de genoemde lijnen, een verkenning van de manier waarop in het opsporingsproces heldere procesafspraken kunnen komen waar de signalen van mensenhandel samenkomen, de vraag hoe de extra en gespecialiseerde capaciteit van 58 fte specifiek op mensenhandelzaken wordt ingezet, en de vraag waar de 10 miljoen euro aan besteed wordt die specifiek bedoeld was voor de aanpak van mensenhandel.
De derde toezegging. De Kamer ontvangt via de volgende rapportage over de mensenhandel voor het eind van het jaar een overzicht van alle mensenhandelzaken.
De vierde toezegging. De minister neemt in het Actieplan programma Samen tegen mensenhandel ook de aangifteplicht en de bewustwording van klanten van sekswerk mee.
De vijfde toezegging. De minister komt dit najaar met een plan van aanpak voor meer controle op de pornoplatforms en neemt hier de motie-Boomsma/Bikker over een identificatieplicht voor adverteerders in mee.
De zesde toezegging. De minister gaat kijken hoe hij de invoeringstoets van dit wetsvoorstel kan meenemen in het wetsvoorstel Modernisering mensenhandel.
En we hadden nog de laatste toezegging, die net is gedaan. Zijn hier
nog aanvullingen op? Ja, ik zie de heer Verkuijlen.
De heer Verkuijlen (VVD):
Ja, voorzitter. Volgens mij was er nog een toezegging op het gebied van
het in gesprek gaan met de VNG over de specifieke opvang van … Daarvan
zei de minister dat hij dat graag deed, dus dat heb ik, heel ruimhartig,
opgevat als een toezegging.
De voorzitter:
Zie ik daar de minister knikken?
Minister Van Weel:
Ik deed dat zo graag, omdat ik dat doorverwees naar mijn collega van
Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Met haar naam erop is het dus een
toezegging.
De voorzitter:
Dan zijn we hierbij aan het einde gekomen van het WGO en wil ik de
vergadering sluiten. Ik wil nogmaals de minister en zijn ambtenaren
bedanken. Volgende week zullen de stemmingen plaatsvinden, op dinsdag 6
oktober.
Mevrouw Faber (PVV):
Alleen over de amendementen? En hoe zit het met de
wetsvoorstellen?
De voorzitter:
Over de amendementen en de moties, alles.
Mevrouw Faber (PVV):
Alles?
De voorzitter:
Het hele pakket.
Mevrouw Faber (PVV):
Dus volgende week al?
De voorzitter:
Volgende week dinsdag.
Mevrouw Faber (PVV):
Oké.
De voorzitter:
U bent erbij! Fijne dag.
Sluiting 14.18 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|