Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D46946, datum: 2026-09-28, bijgewerkt: 2026-09-29 09:54, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2026Z19559:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-10-08 10:00 ⇒ Betrokken bij het op 28 september 2026 gehouden wetgevingsoverleg Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet. (Besluit)
- 2026-09-28 10:00 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2026-09-28 10:00: Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Financiën
- 2026-09-28 10:00: Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Financiën
- 2026-10-08 10:00: Procedurevergadering Financiën (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiën
- 2026-10-08 13:15: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Financiën en de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben op 28 september 2026 overleg gevoerd met mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en de heer Heinen, minister van Financiën, over:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet) (36924);
de brief van de minister van Financiën d.d. 22 september 2026 inzake reactie op het verzoek van de rapporteurs op het wetsvoorstel Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (2026Z19559).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,
Chris Jansen
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en
Veiligheid,
Eerdmans
De griffier van de vaste commissie voor Financiën,
Weeber
Voorzitter: Chris Jansen
Griffier: Van der Steur
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Bushoff, Ceder, Inge van Dijk, Van Eijk, Flach, Hoogeveen, Chris Jansen en Schoonis,
en mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en de heer Heinen, minister van Financiën.
Aanvang 10.01 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen, dames en heren. Welkom bij de vergadering van de vaste
Tweede Kamercommissie voor Financiën. Vandaag hebben wij een vergadering
die in de planning staat van 10.00 uur tot maximaal 16.30 uur. Het
betreft een wetgevingsoverleg over de Implementatiewet herziene
richtlijn consumentenkrediet, om precies te zijn. Dat betekent dat u in
de tweede termijn eventueel moties kunt indienen. Amendementen kunt u
natuurlijk altijd indienen. Er is er op dit moment al één ingediend,
namelijk door de heer Flach van de SGP. Welkom ook aan de
bewindspersonen: de minister van Financiën en de staatssecretaris. Zij
zijn beiden aanwezig. Ik kijk naar mijn linkerzijde. Op dit moment
zitten er vijf leden. Het kan zijn dat er nog enkelen aanschuiven. We
beginnen met de heer Ceder, die onder enige tijdsdruk zit vanwege de
aanstaande geboorte van zijn tweede kind. Aan de andere kant gaan we
ervan uit dat dat geen gevaar gaat vormen. Gaat uw gang, meneer
Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, ter verduidelijking: ze ligt niet in het ziekenhuis en ik
zit hier. We zitten echter wel in de periode waarin ik een belletje kan
krijgen. Dan kan ik ervandoor. Het kan ook nog een paar dagen duren. In
ieder geval ga ik dan.
Voorzitter. Ik heb een interessante week om meerdere redenen. We zitten
hier vandaag natuurlijk voor het wetgevingsoverleg Implementatiewet
herziene richtlijn consumentenkrediet. Het is een langverwacht
wetsvoorstel. Het is langverwacht omdat we als politiek en samenleving
veel te lang hebben staan toekijken hoe bedrijven als Klarna jongeren de
schulden in hielpen, zonder daar de nodige wettelijke instrumenten voor
te hebben. Op het wetsvoorstel zelf hebben we ook heel lang moeten
wachten. De richtlijn had namelijk al geïmplementeerd moeten zijn in
nationale wet- en regelgeving. Dat we hier nu anderhalve maand voor
inwerkingtreding zitten, laat zien dat het duidelijk niet is gelukt. Dat
is best zorgelijk. Daar kom ik straks op terug.
Het doel van het wetsvoorstel is wat mij betreft tweeledig. Allereerst
is het bedoeld om consumenten beter te beschermen tegen het aangaan van
onverantwoorde kredieten. Dat is heel belangrijk. Ten tweede gaat het om
het tegengaan van het normaliseren van schuldgewenning en
schuldenstapeling. Voornamelijk jongeren zijn het de afgelopen jaren
normaler gaan vinden om op de pof te gaan leven. Dat is echt
onverstandig en onverantwoord. Bedrijven als Klarna hebben de afgelopen
jaren achteraf betalen volledig gecommercialiseerd. Er is een
verdienmodel van gemaakt, voornamelijk ten koste van jongeren en mensen
met een slechte inkomenspositie. Het is dus goed dat dit soort producten
straks bestempeld worden voor wat ze zijn, namelijk een krediet.
Voorzitter. Tegelijkertijd moeten we voorkomen dat elke vorm van
uitgesteld betalen tot krediet wordt gebombardeerd. Het is in ons
economische verkeer namelijk in principe best heel normaal om achteraf
te betalen, bijvoorbeeld via een incasso of vroeger via acceptgiro.
Sterker nog, op basis van artikel 7:26, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek
mogen bedrijven een aanbetaling van maximaal 50% vragen als het product
niet direct wordt geleverd. Kortom, achteraf betalen an sich is niet het
probleem. Dat vindt de ChristenUnie ook niet. Dat moet kunnen. Er zijn
situaties denkbaar waarin je dat ook heel verstandig zou vinden. De
commercialisatie en het gebrek aan toetsing op kredieten is echter wel
een probleem. Ook dat roept de ChristenUnie al langer.
Voorzitter. Er is nog veel onduidelijkheid over de reikwijdte van het
wetsvoorstel. Ook na de technische briefing werd het niet veel
duidelijker. Ik hoop dat er in dit debat wel duidelijkheid komt. Er moet
duidelijkheid komen. Artikel 7:58 BW biedt een vrijstelling voor
diensten die niet worden gezien als kredietovereenkomsten. Mijn zorgen
gaan zeer specifiek over de definitie van het verstrekken van krediet.
Wanneer de tandarts de rekening laat innen door een factureringsbedrijf
en de betaling dus wordt overgenomen, wordt er dan een krediet
verstrekt? We hadden hier nu zo'n anderhalve maand van tevoren al
duidelijkheid over moeten hebben. Ook de financiële sector vindt dat
zorgelijk. Artikel 7:58, lid 2e onder 2 biedt hierover namelijk geen
duidelijkheid. Ik hoop dat de minister en staatssecretaris die vandaag
wel kunnen geven, niet alleen aan de Kamerleden, maar aan de gehele
financiële sector. U kunt begrijpen dat de belangen daar ook groot zijn.
Duitsland heeft hierbij zeer nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen
wanneer de betalingsvordering wordt overgedragen, zoals bij de tandarts
of parkeerapp, en wanneer de klantrelatie wordt overgenomen,
bijvoorbeeld bij een "buy now, pay later"-krediet. Mijn vraag is waarom
de minister niet een duidelijker onderscheid heeft gemaakt in de wet.
Kan de minister klip-en-klaar maken wat er na inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel mogelijk is aan betalen op rekening?
Voorzitter. Dit wetsvoorstel heeft veel voordelen, maar er zitten ook
mogelijk onwenselijke gevolgen aan die we niet kunnen voorkomen, denk
ik. Want met een BKR-check voor elke "buy now, pay later"-aankoop van
€30 voor deze bedrijven gaat het dus veel aantrekkelijker zijn om een
doorlopend krediet aan te bieden, zodat ze maar één keer hoeven te
toetsen. We zien nu al de reclames voor de Klarna Card — die was er een
paar jaar geleden nog niet — die gewoon een creditcard is. Dat betekent
dat veel huidige "buy now, pay later"-transacties zullen overgaan in een
doorlopend krediet, omdat de markt nu ook een weg probeert te vinden met
de nieuwe regels.
Waar mensen nu een schuld aangaan van enkele tientallen euro's, zullen
ze vermoedelijk straks een doorlopend krediet van enkele honderden
euro's per maand aangaan. Ook daar volgt een BKR-check op. Mijn vraag is
of de minister deze ontwikkeling herkent en wat hij ervan vindt. Wat is
de verwachting van de minister van het totale gebruik van kredieten,
zowel kortlopende als huidige "buy now, pay later"-kredieten,
doorlopende kredieten of creditcards? In hoeverre zal de verschuiving
van buy now, pay later naar doorlopende kredieten ertoe leiden dat
mensen hier minder gebruik van zullen maken, doordat de geregistreerde
limiet ook meetelt als maandlast voor hypotheek of huur? Met de huidige
regels bij het BKR kan het ook zeer nadelige gevolgen hebben als je
later in het leven met een achterstand waarvan je je wel of niet bewust
van was moeilijker een hypotheek kan krijgen, in een markt waarin je
snel duidelijkheid moet kunnen bieden.
Hoe ziet de minister dan de relatie tussen deze ontwikkeling en
schuldregistratie? Nu word je bij het te laat betalen van je sokken via
een "buy now, pay later"-transactie niet geregistreerd in het BKR. In de
nieuwe situatie is het waarschijnlijk dat je een doorlopend krediet
aangaat bij Klarna voor laten we zeggen €300 per maand. Als dan het deel
van het doorlopend krediet dat je bent aangegaan te laat betaald wordt,
zeg je wel "een paar sokken voor €30" maar sta je voor het hele krediet
per maand negatief geregistreerd. Dat is wat ik net uitlegde. De
registratie blijft vijf jaar zichtbaar bij BKR, waarbij je dus inderdaad
later onbedoelde gevolgen kan merken op het moment dat je met een
kredietverstrekker te maken krijgt bij een grote aankoop. Mijn vraag is
de volgende. Ik begrijp wel dat het zo kan lopen, maar de vraag is ook
hoe proportioneel en hoe wenselijk de minister deze verschuiving acht.
Hoe moeten we die als Kamerleden wegen?
Voorzitter. Ik heb ook vragen over de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Het is heel goed dat "buy now, pay later"-aanbieders straks ook een
kredietwaardigheidsbeoordeling moeten uitvoeren, met op z'n minst een
BKR-check. Dat begrijp ik, maar de manier waarop de
kredietwaardigheidsbeoordeling uitgevoerd wordt, maakt nogal uit in de
praktijk, zowel voor consument als voor aanbieder. We zien namelijk dat
kredietwaardigheidsbeoordelingen helpen. Bijvoorbeeld bij
telecomberdrijven hebben we gezien dat sinds zij deze beoordelingen
uitvoeren, ze een lager percentage wanbetalers hebben. Zij kunnen mensen
weigeren als klant als iemand een BKR-registratie heeft of al wanbetaler
is geweest. Met dit wetsvoorstel verandert de manier waarop een
kredietwaardigheidsbeoordeling moet worden uitgevoerd en verandert de
betalingsgrens.
Allereest de beoordeling. De richtlijn stelt namelijk dat de beoordeling
proportioneel moet zijn. Daar ben ik het helemaal mee eens. In de wet is
het ingevuld als informatie die "noodzakelijk is en evenredig met de
aard, duur, waarde en risico's van het krediet". De Nederlandse
invulling is verder vrij strikt. De kredietwaardigheid moet boven een
bedrag van €100 geverifieerd worden, bijvoorbeeld via een
bankrekeningcheck. Dat is gevoelige informatie, waarvan ik bijvoorbeeld
bij telecombedrijven de twijfel heb in hoeverre dit noodzakelijk is. Zij
zeggen allereest zelf deze informatie niet nodig te hebben om
onverantwoorde kredieten te weigeren, omdat ze nu al een laag percentage
wanbetalers hebben. Daarnaast willen ze de data van hun klanten niet
hebben, omdat deze enorm kostbare gegevens ook nog eens vijf jaar
bewaard moeten blijven. Dat laatste is met de Odidohack van een paar
maanden geleden in het achterhoofd niet per se een vreemde gedachte, ook
in een wereld waarin cyberveiligheid een steeds urgenter thema wordt.
Daarom graag een reactie van de minister over hoe hij naar de
proportionaliteit en wenselijkheid van de wijze van
kredietwaardigheidsbeoordelingen voor dit soort producten kijkt. Kan er
ook duidelijkheid gegeven worden aan de aanbieders die tussen nu en
anderhalve maand daar al hun producten op moeten gaan instellen?
Voorzitter. Dan ga ik naar de grens van de
kredietwaardigheidsbeoordeling. De grens van de
kredietwaardigheidsbeoordeling wordt verlaagd naar €100. Elk krediet
boven de €100 moet getoetst worden op kredietwaardigheid. Ook moet deze
informatie geverifieerd worden. Maar er is een tenzijbepaling. "Tenzij
er sprake is van een lage risicoschatting op basis van het interne
risicomodel van de aanbieder." Dit interne risicomodel kan achteraf
getoetst worden door de AFM, maar is verder een open norm. Zou een
toetsing vooraf door de AFM, in ieder geval bij bedrijven die veel
kredieten gaan verstrekken, niet wenselijk zijn? Dat vraag ik aan de
minister. Als hier geen duidelijkheid over komt, overweeg ik een motie
om duidelijkheid te bieden.
Voorzitter. Ik stel al deze kritische vragen trouwens omdat ik de
afgelopen maanden als rapporteur samen met mevrouw Van Eijk flink de
hort op ben geweest om te kijken hoe deze wet in de praktijk uitpakt.
Waar mijn inborst voor betere bescherming voor consumenten natuurlijk de
boventoon voert, hebben wij ook ontdekt dat dit vragen oproept. We
vinden het, vanuit onze controlerende taak, best urgent dat daar vandaag
antwoord op komt.
Voorzitter. Met de waarschijnlijke verschuiving van kleine "buy now, pay
later"-kredieten naar een doorlopend, hoger krediet, kunnen "buy now,
pay later"-bedrijven direct op basis van deze tenzij handelen zonder
kredietwaardigheidsbeoordeling en verificatieplicht. Concreet betekent
dit dat jongeren die nu vaak aankopen doen van €30, €50 of €80 via buy
now, pay later, straks een doorlopend krediet krijgen via Klarna van
€1.000 per maand, zonder iets te hoeven aanleveren. Op grond van hun
betalingsgeschiedenis zouden ze dan niet gecontroleerd hoeven worden
voor dit veel hogere krediet. Deze ontwikkeling, die waarschijnlijk gaat
plaatsvinden, vind ik persoonlijk onwenselijk. Ik ben benieuwd hoe de
minister dit ziet en of we hier toch niet moeten eisen dat je bij het
aangaan van een nieuw product eerst alsnog een kredietwaardigheidstoets
moet doen. Het doorlopende krediet is namelijk nieuw, ook al ben je nu
al klant bij Klarna of bij een ander "buy now, pay later"-bedrijf. Ook
hierover overweeg ik een motie.
Voorzitter. Een ander punt waar ik zorgen over heb, is dat het
wetsvoorstel over kredietregistratie, dat in zekere zin samenhangt met
dit voorstel, nog niet in de Kamer ligt en de inhoud dus ook nog niet
bekend is. De minister heeft in de schriftelijke beantwoording van
vorige week de relatie tussen dat wetsvoorstel en het voorstel dat we
vandaag bespreken, een beetje gebagatelliseerd. In mijn ogen is dat
onterecht. De gevolgen van de kredietregistratie die volgen uit dit
voorstel, zijn namelijk onbekend. Voor nu wordt het huidige regime
aangehouden, maar dit regime gaat dus binnen afzienbare tijd wijzigen.
Aangezien de verwachting is dat er meer geregisseerde kredieten en
geregisseerde wanbetalers gaan komen, kun je wel vragen stellen over de
proportionaliteit van in ieder geval de huidige werkwijze van BKR. BKR
kan dat ook niet wijzigen, omdat je afhankelijk bent van de inhoud van
de regels van een wetsvoorstel dat nog niet in de Kamer ligt.
Voorzitter. Kan de minister een toelichting geven op de stand van zaken
van het wetsvoorstel? Wat is de inhoud daarvan? Wanneer is de beoogde
implementatie? Hoe krijgen kredieten die volgen uit deze richtlijn ook
een vervolg in de Wet stelsel kredietregistratie? Wanneer mensen
wanbetaler zijn, kunnen ze daar nog jaren later de gevolgen van
ondervinden bij een hypotheekaanvraag, ook al hebben ze op dat moment
geen openstaande schulden. Ik heb al uitgelegd dat het bij een
BKR-codering, bijvoorbeeld bij een A2-codering, lastiger wordt om een
hypotheek te krijgen. Ik heb als advocaat jarenlang geprocedeerd tegen
banken. Dan merk je: ja, ze hebben een eigen afwegingskader, maar in de
praktijk zitten banken ook klem, omdat ze een zorgplicht hebben en niet
te makkelijk kredieten mogen verstrekken. Daardoor vallen mensen tussen
wal en schip, wat niet de bedoeling is. Zo'n registratie, die nu
waarschijnlijk veel meer gaat plaatsvinden, blijft vijf jaar staan. Mijn
vraag is daarom: wordt de huidige praktijk van duur en registratie, die
dus niet uit de wet voortvloeit, maar uit de richtlijnen en het protocol
van BKR, gehandhaafd in de wet? Of kan de minister al aangeven dat daar
wijzigingen in komen, in het licht van de implementatie van de huidige
richtlijn?
Voorzitter. Kunnen bedrijven en consumenten met de huidige praktijk uit
de voeten als het wetsvoorstel in werking treedt in november? Hoe ziet
de minister de relatie tussen beide wetsvoorstellen? Ik heb al eerder
aangegeven: ik heb het idee dat de relatie en de samenhang worden
onderschat. In de nota naar aanleiding van het verslag staat over het
BKR-register dat het mogelijk leidt tot een toename van de raadpleging
van het register door de aanbieders van krediet. Dat lijkt me een
behoorlijk understatement. Is het BKR-register hierop voorbereid? Gaat
het goed na november? Denk ook aan de feestdagen die vrij snel na
inwerkingtreding van het wetsvoorstel plaats zullen vinden, zoals Black
Friday. De ChristenUnie is daar absoluut geen voorstander van, maar je
ziet wel dat dat een enorm piekmoment is als het gaat om dit soort
aankopen. Sinterklaas en Kerst volgen kort daarop.
Voorzitter. Zoals ik in mijn inleiding al zei, heb ik grote moeite met
het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Ik vind het ook
wel verwijtbaar in de richting van de regering dat we dit nu pas
behandelen, terwijl dit wetsvoorstel over anderhalve maand in werking
treedt. Zoals u aan mij merkt, heb ik best veel vragen over dit
wetsvoorstel. Ik ben de afgelopen weken bestookt met vragen vanuit de
sector, omdat bedrijven zelf ook geen duidelijkheid hebben over waar ze
precies aan moeten voldoen. Een zorgvuldige en tijdige wetsbehandeling
in de Kamer had dit echt kunnen voorkomen. Daarom is mijn vraag aan de
minister: waarom heeft dit zo lang moeten duren?
Het tijdstip van de inwerkingtreding is ook beladen. Ik heb al genoemd
wat er allemaal aan komt: Black Friday, sinterklaas, kerst en de
jaarwisseling. Wij maken ons daarom zorgen of de wet voldoende robuust
en duidelijk is om zo snel mogelijk in werking te laten treden, met alle
implementaties van dien. Wordt het over anderhalve maand onder het
regime van dit kabinet geen enorme chaos bij de financiële sector, en
daarmee een daadwerkelijke Black Friday?
Voorzitter. Iedereen kon zich voorbereiden op de richtlijn, want die
ligt er al een tijdje. De Nederlandse keuzes die eronder liggen, zijn
echter pas dit jaar bekend geworden. De meeste keuzes zijn vastgelegd in
AMvB's, die nota bene deze zomer pas definitief werden vastgesteld.
Hoeveel weken zitten er straks tussen de vaststelling van de AMvB en de
inwerkingtreding op 20 november, vraag ik de minister. Ik heb een
klip-en-klare vraag: acht de minister dit uitvoerbaar voor de financiële
sector?
Wat betreft de inwerkingtreding gaat de reactie van het kabinet
waarschijnlijk zijn dat er een inbreukprocedure aan onze broek hangt op
het moment dat we 20 november niet halen. Het feit is dat we al sinds
november vorig jaar in verzuim zijn, want toen had de wet al
geïmplementeerd moeten zijn in de nationale wetgeving. Wat is het risico
op een inbreukprocedure vanuit de EU op het moment dat de minister het
onvoldoende proportioneel vindt om de wet in werking te laten treden op
20 november? Aan welke consequenties moet ik dan denken? Hoe staat het
ervoor in de ons omringende landen?
De voorzitter:
Meneer Ceder, u heeft nog vier minuten.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat gaat lukken, voorzitter. Ik vind dat er op z'n minst een redelijke
toezichtspraktijk moet zijn vanuit de AFM, in ieder geval het eerste
halfjaar. Echter vraag ik me af of uitstel van de inwerkingtreding van
het gehele wetsvoorstel, met uitzondering van het verbod op
kredietverlening voor minderjarigen en de reclamevereisten, van minstens
een halfjaar niet prudenter is. Dat is een vraag. Ik zeg niet dat we dit
per se willen, maar dat hangt wel af van het antwoord dat de minister
kan geven op de vraag of het stelsel en de sector voldoende robuust en
voorbereid zijn, zodat er geen problemen ontstaan voor de consumenten
dan wel voor de financiële sector. Ik vraag me af in hoeverre dit
allemaal technisch mogelijk is. Dit biedt namelijk veel meer zekerheid
voor bedrijven dan een overgangsregime voor handhaving.
Voorzitter. De vereisten uit de CCDII overlappen gedeeltelijk met de Wet
kwaliteit incassodienstverlening. Dit erkent de minister ook. Ik ben
heel blij met de Wki — ik denk dat de minister dat ook weet — maar omdat
er overlap in zit, maakt het de handhaving best ingewikkeld. De AFM ziet
toe op de Wft. De Inspectie JenV ziet toe op de Wki. Beide
toezichthouders hebben hun eigen bevoegdheid tot handhaving. Een partij
als Klarna heeft zowel met de inspectie te maken, bijvoorbeeld omdat na
uitvraag een paar maanden geleden alsnog bleek dat ze niet in de Wki
stonden, als met de AFM. Ik wil graag van de minister weten hoe die
beide toezichthouders samen gaan werken om te voorkomen dat partijen
helemaal niet gecontroleerd worden, bijvoorbeeld vanwege misverstanden,
of dat er sprake is van een dubbel regime, aangezien dat ook niet
effectief is. Ik zou de minister daarom graag willen vragen om de
toezegging dat er voor 20 november een samenwerkingsprotocol komt voor
beide toezichthouders, zodat de samenhang en de differentiatie van taken
met elkaar gedeeld worden.
Voorzitter. Dan kom ik op het reclameverbod. De ChristenUnie is fel
voorstander van een verbod op reclame voor "buy now, pay
later"-dienstverlening. Helaas geeft de regering aan daar binnen de
huidige richtlijn geen mogelijkheden voor te zien. Wat betekent de
eerdere Kameruitspraak om de reclame voor "buy now, pay
later"-dienstverlening te verbieden voor de lobbypositie van Nederland
op dit punt? Gaat Nederland zich in EU-verband actief inzetten om de
mogelijkheid te krijgen wel een reclameverbod te kunnen invoeren voor
dit soort producten? We zien namelijk nu al de eindeloze reclames van
Klarna voor de Klarna Card. Ik krijg ze ook. Jongeren hebben vaak geen
idee dat dit niet zomaar een Klarna Card is, maar een doorlopend
krediet. Ik heb eerder in mijn betoog uitgelegd wat daar de
uiteenlopende risico's van zijn.
Ik heb ook nog een andere vraag over de uitzondering in 7:60, lid 6 van
het BW. Onder andere "buy now, pay later"-aanbieders hoeven geen
precontractuele informatie te verstrekken. Wat houdt dit precies in en
waarom is hiervoor gekozen? Kan de minister er klip-en-klaar over zijn
dat de informatie vooraf, over dat lenen geld kost, ook voor deze
producten gaat gelden?
Voorzitter. Jongeren zijn sowieso de meest aantrekkelijke doelgroep voor
bedrijven om zo veel mogelijk geld uit de zak te kloppen. Het nieuwe
toppunt van overconsumptie en impulsaankopen is de TikTok Shop. Via
filmpjes en liveshows worden jongeren verleid om zo veel mogelijk
producten, die ze vaak niet nodig hebben, direct aan te schaffen via
TikTok. Het is de facto een geüpgradede maar veel schadelijkere vorm van
Tel Sell-reclame. Bovendien is er met veel producten iets mis. De
Consumentenbond bestelde als proef tien producten. Met de helft, 50%,
was wat mis. TikTok Shop heeft lak aan de privacyregels en omzeilt de
leeftijdsgrens van 18 jaar. Ik hoop dat deze minister hier een einde aan
wil maken en dergelijke shops wil verbieden of daar ten minste in
Europees verband voor wil pleiten. Ook daarvoor wil ik met een voorstel
komen.
Ik zie de voorzitter streng naar mij kijken. Ik ben bijna klaar.
Zoals ik al noemde, zie ik het tegengaan van schuldgewenning en
schuldenstapeling ook als een van de belangrijkste doelen van het
wetsvoorstel. Een manier om de prikkel tot het gebruik van "buy now, pay
later"-diensten te verlagen, is om er een vergoeding voor de vragen. Dat
mag nu niet of nauwelijks, terwijl bedrijven wel een vergoeding aan
Klarna moeten betalen. Wat mij betreft geven we bedrijven de
mogelijkheid om hiervoor wel een vergoeding te vragen aan de consument,
want dat geeft de prikkel om een bedrag in één keer te betalen.
Anderzijds zorgt het ervoor dat bedrijven de kosten voor de "buy now,
pay later"-dienstverlening niet uit eigen zak hoeven te betalen.
Voorzitter. Mijn laatste vraag gaat over financiële educatie. Meer dan
de helft van de Nederlandse 15-jarigen heeft op school les gekregen over
omgaan met geld, maar uit onderzoek blijkt dat bijna 20% van de
Nederlandse leerlingen niet het basisniveau van financiële geletterdheid
heeft. Er gaat dus iets niet goed. Dit cijfer moet omlaag en de
financiële educatie moet effectiever. Ik ben benieuwd naar de concrete
plannen van het kabinet voor dit voorstel.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder. Hij sprak namens de ChristenUnie. U bent ruim
een minuut over de tijd, dus dat betekent dat de andere partijen ook een
kleine bonus van me krijgen. Maar het is niet de bedoeling dat u er
minuten overheen gaat. Ik zie geen interrupties, dus we gaan naar de
heer Flach, die gaat spreken namens de SGP.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Geld lenen, krediet verstrekken en uitstel van
betaling: het is een van de basissen onder ons economisch systeem. Het
biedt een wereld van mogelijkheden. Het biedt ondernemers de ruimte om
te investeren, het geeft mensen de mogelijkheid om een huis te kopen en
het biedt consumenten opties om goederen en diensten aan te schaffen.
Kortom, het geeft kansen. Maar we moeten ook eerlijk zijn: het zet de
deur open voor een scala aan risico's.
In de huidige consumptiecultuur lijkt het tijdelijk genot van weer een
aankoop op afbetaling vaak hoger geschat te worden dan de rekening die
in de toekomst komt, terwijl de rekening die vandaag niet wordt betaald,
toch echt wordt doorgeschoven naar de toekomst. Zeker bij bepaalde
doelgroepen zijn de risico's op financiële problemen groot, zoals bij
jongeren en jongvolwassenen. Allerlei onderzoeken tonen dat aan. De
recente ontwikkelingen in het aanbieden van krediet, zoals buy now, pay
later, jagen dat alleen maar aan. De richtlijn en het wetsvoorstel dat
voorligt, bieden hier extra regels voor op basis van een Europees kader.
De SGP steunt dit voorstel in grote lijnen, omdat het extra bescherming
biedt tegen financiële ellende.
Voorzitter. In het wetsvoorstel wordt voorgesteld om minderjarigen uit
te sluiten van het verkrijgen van krediet in de vorm van uitstel van
betaling. Hier valt bijvoorbeeld buy now, pay later onder. De grens voor
minderjarigen ligt op 18 jaar. De SGP heeft een voorstel ingediend om
die grens te verhogen naar 21 jaar. De financiële kwetsbaarheid en de
schuldenproblematiek stoppen helaas niet bij 18 jaar. Allerlei
onderzoeken laten dat zien. Zo blijkt uit een recent onderzoek van de
AFM dat 9% van de "buy now, pay later"-gebruikers tussen de 18 en 24
jaar wordt overgedragen aan een incassobureau. Ook blijkt uit onderzoek
van Deloitte dat 18- tot 24-jarigen vaker dan gemiddeld financieel
ongezond zijn en veel gebruikmaken van buy now, pay later. Het gaat om
42%. Deze informatie bevestigt het beeld dat buy now, pay later
bijdraagt aan financiële problemen, juist ook bij jongvolwassenen. Deelt
de minister die analyse?
Ik snap dat het amendement de ruimte voor jongeren om uitgaven te doen,
inperkt. De negatieve maatschappelijke en financiële gevolgen van het
gebruik van buy now, pay later werken echter ook door bij consumenten
tot 21 jaar. Met de ophoging van de leeftijdsgrens kunnen problematische
schulden en schuldgewenning bij onder meer jongeren beter voorkomen
worden en kunnen ook de negatieve maatschappelijke gevolgen voor de
samenleving verkleind worden. Hoe ziet de minister dit?
Ik weet dat er ook voor de groep 18- tot 21-jarigen
beschermingsmaatregelen worden ingevoerd, waaronder een
kredietwaardigheidsbeoordeling. Dat is belangrijk, maar ik vraag me wel
af of dat voldoende is. Zo hoeft de kredietwaardigheidsbeoordeling
slechts beperkt te worden vormgegeven bij kredieten tot €100. Overigens
verhoogt mijn amendement alleen de leeftijd voor kredieten in de vorm
van uitstel van betaling. Voor de overige vormen van krediet legt het
amendement geen verdere beperking op. Er blijft daar bijvoorbeeld geen
toestemming van een wettelijke vertegenwoordiger nodig. Graag een
reactie op het amendement.
De voorzitter:
Excuses. U krijgt een interruptie van de heer Ceder namens de
ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb ook geworsteld met het inbrengen van dit punt, in ieder geval in
de vorm van een amendement. Ik ben het namelijk volledig met u eens. Ik
kwam bij mijzelf tot de ontdekking, of in ieder geval tot de conclusie,
dat de Europese kaders dat niet toelaten. We hebben als richtlijn een
aantal knoppen waaraan we kunnen draaien. Ik wil daar ook dankbaar
gebruik van maken, denk ik, maar dit is daar juist niet een van. Wij
mogen dit als Nederland juridisch ook niet doen, is in ieder geval mijn
conclusie. Mijn vraag is of het ook uw conclusie is. Moeten we niet
kijken hoe we dit, linksom of rechtsom, wel gewoon binnen de juiste
kaders kunnen regelen?
De voorzitter:
Voordat u antwoordt, meneer Flach, wil ik vragen om de interrupties
allemaal wat compacter te houden, dan kunt u er ook meer plaatsen. Ik
heb er voorlopig geen limiet op, maar ik wil gewoon dat u elkaar volop
kunt interrumperen, als u dat wenst.
De heer Flach (SGP):
Ik stel vast dat de heer Ceder en ik het doel delen, namelijk dat we
willen dat jongeren schuldenvrij aan hun toekomst kunnen beginnen, dus
op het moment dat ze uit die kwetsbare fase komen. Het is ook voor de
SGP een zoektocht geweest van: kan dit nou wel of kan dit nou net niet?
Ik ben ook heel benieuwd naar de beoordeling van de minister. Wij zouden
heel graag zien dat die leeftijdsgrens opgehoogd wordt naar 21 jaar. Dat
soort discussies spelen ook weleens rond alcoholgebruik enzovoort.
Biologisch gezien houdt de hersenontwikkeling ongeveer op rond je 21ste.
Dat is dus ook een hele logische leeftijd om de grens te leggen als het
gaat om buy now, pay later en krediet op afbetaling, denk ik. Of het
juridisch mogelijk is, gaan we horen van de minister. Wij zouden het in
ieder geval heel graag zien.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Ceder heeft geen vervolgvraag. Ik zie ook geen andere
leden. Dan kunt u verdergaan, meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter. De kredietmarkt draait uiteindelijk ook gewoon om winst
maken. Op zich is daar niks mis mee, maar als de schuldenproblematiek
groter wordt of er winst wordt gemaakt over de rug van kwetsbare
groepen, moet er gehandhaafd worden. Voor bepaalde vormen van
kredietverlening, zoals buy now, pay later, wordt dat nu geregeld. Toch
blijf ik wel beducht voor alternatieve routers. De AFM wijst hier ook
op: bestaande producten kunnen worden vervangen door andere producten.
Mijn collega Ceder heeft daar een aantal duidelijke voorbeelden van
gegeven. Hoe wordt dat ontwijkgedrag gemonitord en, vooral, voorkomen?
Biedt het wetsvoorstel voldoende ruimte om snel op nieuwe vormen van
schadelijke kredietverlening te kunnen anticiperen?
Voorzitter. Om een goede kredietbeoordeling te kunnen doen, moeten
kredietverstrekkers persoonsgegevens aanvragen. Dat is best een
ingewikkeld spanningsveld. Het gaat dan al snel om heel gevoelige
persoonlijke gegevens, waarbij ook snel te veel of te persoonlijke
informatie wordt opgevraagd. Wat de SGP betreft worden hier echt
duidelijke grenzen aan gesteld. De Raad van State besteedt hier ook
aandacht aan in zijn advies. In artikel 4.34a wordt nu geregeld dat
kredietverstrekkers geen bijzondere categorieën van persoonsgegevens in
de beoordeling mogen betrekken. Dat betekent dat die gegevens wel
opgevraagd kunnen worden, al dan niet bewust. Moet dit in het kader van
goede privacy en bescherming van persoonsgegevens niet meer worden
ingekaderd? Is het niet beter om bijvoorbeeld te stellen dat bijzondere
categorieën van persoonsgegevens niet mogen worden opgevraagd?
Het wetsvoorstel stelt ook extra regels voor reclame-uitingen. Het is
heel goed dat dit wettelijk wordt vastgelegd. Juist die aantrekkelijke
reclame waarin allerlei fantastische deals en voordelen worden
gepresenteerd, kunnen enorm misleidend zijn. Het is goed dat hier paal
en perk aan wordt gesteld. Ook hier geldt dat sommige groepen, sommige
consumenten, gevoeliger zijn voor dit soort reclames dan andere. Het is
niet verrassend dat deze reclame-uitingen juist op social media breed
worden ingezet met als doel jongeren te bereiken. Waarom heeft de
minister hier geen extra eisen aan gesteld of regels voor opgesteld? Is
het niet raadzaam om juist bij reclame gericht op kwetsbare doelgroepen
extra waarborgen in te voeren?
Voorzitter. Het is al eerder gezegd: de richtlijn moet uiterlijk 20
november in werking treden, over minder dan twee maanden. We behandelen
vandaag de wet, maar er volgt ook nog een wetgevingsproces in de Eerste
Kamer. Er komen nog een implementatiebesluit, een advies van de Raad van
State, een ministeriële regeling en ga zo maar door. Ik vraag me af hoe
de minister deze uitdagingen in de tijd precies gaat oplossen, want bij
mijn weten heeft hij ook nog een aantal andere verplichtingen in zijn
agenda staan. Kan hij zijn plan hiervoor schetsen? Zowel consumenten als
kredietverstrekkers moeten op tijd weten waar ze aan toe zijn. Dat
vraagt om snelle helderheid over de precieze wetsteksten en ingangsdata.
Graag een reactie.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. U bent uitstekend binnen de tijd gebleven, zeg ik tegen de
heer Flach. Ook de heer Ceder vindt dat zeer knap, begrijp ik. We gaan
naar mevrouw Van Eijk, die gaat spreken namens de VVD. U heeft twaalf
minuten spreektijd.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dank u wel, voorzitter. De VVD steunt de Implementatiewet herziene
richtlijn consumentenkrediet. Consumenten moeten beter worden beschermd
tegen problematische schulden. Nieuwe kredietvormen, zoals koop nu,
betaal later, mogen geen achterdeur zijn om verantwoord kredietbeleid te
omzeilen. Tegelijkertijd moet de implementatie proportioneel en
uitvoerbaar zijn. Regels moeten aansluiten bij de daadwerkelijke
risico's. Ze moeten niet leiden tot onnodige regeldruk voor ondernemers
of tot onnodige belemmeringen voor consumenten die verantwoord
gebruikmaken van kortlopend krediet.
Voorzitter. De gevolgen voor de regeldruk. Europese regelgeving moet wat
de VVD betreft zo lastenluw mogelijk en in beginsel een-op-een worden
geïmplementeerd. Het is daarom positief dat het kabinet verschillende
lidstaatopties benut om onnodige regeldruk te beperken, onder meer bij
informatie- en reclameverplichtingen en voor kleinere
kredietbemiddelaars die slechts als nevenactiviteit bemiddelen.
Tegelijkertijd wordt niet overal voor de meest lastenluwe implementatie
gekozen. Voor kaarten met uitgestelde debitering kiest Nederland voor
een relatief zwaar regime. De verplichte
kredietwaardigheidsbeoordelingen, BKR-raadplegingen en
verificatieverplichtingen veroorzaken aanzienlijke structurele kosten.
De proportionaliteitsnorm uit artikel 18 van de CCD II moet wat de VVD
betreft niet alleen gelden voor het inwinnen van informatie, maar ook
voor het verifiëren daarvan. Alleen dan kan artikel 113 van het Besluit
Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft daadwerkelijk
risicogebaseerd worden toegepast. Kan de minister bevestigen dat dit
inderdaad het geval is?
In reactie op ons laatste informatieverzoek gaat de minister in op de
toekomstige invulling van die kredietwaardigheidsbeoordeling. Daarbij
wordt verwezen naar de beoogde herziening van de leennormen van de
Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland. Daaruit blijkt
dat voor kredieten tot €1.000 en met een looptijd tot drie maanden de
mogelijkheid wordt geboden voor een intern risicomodel, terwijl die voor
kredieten tot €1.000 met een looptijd langer dan drie maanden niet
geldt. Met deze invulling dreigt een situatie te ontstaan dat voor koop
nu, betaal later tot drie maanden en een maandlast die kan oplopen tot
€333 een veel soepeler regime gaat gelden dan voor een langerlopend
krediet tot €1.000, zoals telecomkrediet, met een maandlast tot maximaal
€42. Graag krijg ik hier een reactie van de minister op. Als dit een
juiste lezing is, blijft er dan naast de VFN-leennormen een op maat
gemaakte telecomkredietcode waarin invulling kan worden gegeven aan een
verificatieregime dat daarvoor passend is?
Voorzitter. Dan de gevolgen voor consumenten. De sterke groei van koop
nu, betaal later vraagt om duidelijke regels. Het is goed dat deze
kredietvorm onder het Europese kader voor consumentenkrediet komt te
vallen en dat vergunningseisen, kredietwaardigheidstoetsen,
BKR-raadplegingen en betere bescherming van minderjarigen gaan gelden.
Maar ook hier moeten de regels aansluiten bij het daadwerkelijke risico.
Kortlopende betaalfaciliteiten voor kleine bedragen verschillen
wezenlijk van langlopende consumptieve kredieten. Ze kunnen consumenten
bovendien helpen om timingverschillen tussen inkomsten en uitgaven op te
vangen. Extra toezicht- en nalevingskosten kunnen tegelijkertijd leiden
tot hogere prijzen of een kleiner aanbod. Daarom hoor ik graag van de
minister hoe wordt geborgd dat de kredietwaardigheidstoets en de
verificatie van gegevens proportioneel blijven en dat bij kleine
laagrisicotransacties geen onnodig zware uitvraag plaatsvindt.
Daarbij is ook meer duidelijkheid nodig over de reikwijdte van de regels
richting het dagelijkse betalingsverkeer. Het kabinet legt de
beoordeling of een constructie onder het kredietregime valt nu in
belangrijke mate bij aanbieders zelf. Juist bij telecomdiensten,
parkeerapps, zorgfactuur- en mobiliteitsdiensten kan daardoor
onduidelijkheid ontstaan. De VVD wil daarom een zo concreet en
limitatief mogelijke toelichting op welke gangbare betaal- en
facturatievormen wel en niet onder de nieuwe regels vallen.
Voorzitter. Specifiek over de telecomdiensten wil ik het volgende
zeggen. Telecomaanbieders bieden als onderdeel van het telecomabonnement
of via het gebruik van de tv-mediabox de mogelijkheid om bepaalde
digitale content te betalen via de maandfactuur voor de afgenomen
elektronische consumentendienst. Het gaat om de administratieve
afwikkeling van de aankoop van bijvoorbeeld apps, digitale
nieuwsdiensten en elektronische tickets voor bijvoorbeeld het openbaar
vervoer. Deze factureringsdienst is voor een beperkt aantal categorieën
van digitale producten en tot een maximumbedrag opgenomen als
telecom-exceptie in de Payment Services Directive, en is daarmee
uitgezonderd als gereguleerde betaaldienst. Rond deze implementatiewet
is discussie ontstaan over de reikwijdte van de kredietregels. Kan de
minister bevestigen dat de telecom-exceptie als doorlopende
factureringsdienst voor de levering van beperkte categorieën van
digitale producten valt onder de uitzondering voor overeenkomsten voor
doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde soort
goederen, waarbij de consument, zolang de dienst of goederen worden
geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt?
Voorzitter. De implementatietermijn is een breed gedragen zorg. De
Europese richtlijn ging uit van ongeveer twaalf maanden
voorbereidingstijd, maar belangrijke onderdelen van de lagere
regelgeving worden pas kort voor de inwerkingtreding op 20 november 2026
definitief. Voor aanbieders die hun systemen moeten aanpassen, is enkele
weken voorbereidingstijd niet realistisch. Dit knelpunt raakt veel
aanbieders. De VVD wil daarom een harde uiterste publicatiedatum voor
het implementatiebesluit en de ministeriële regeling. Kan de minister
aangeven wat die uiterste datum is? Wat zijn de consequenties als die
datum niet wordt gehaald?
Daarnaast wil ik graag duidelijkheid over de handhavingslijn van de AFM
in de eerste maanden na inwerkingtreding. Ook vraag ik de minister om de
Kamer vóór de inwerkingtreding te informeren over eventuele
achterstanden bij vergunningaanvragen. Voor aanbieders van kaarten met
uitgestelde betaling is er een overgangstermijn van zes maanden. Hebben
bestaande aanbieders daarmee voldoende tijd om hun systemen en processen
zorgvuldig aan de nieuwe Nederlandse eisen aan te passen, zo vraag ik de
minister.
Voorzitter. In het verlengde daarvan heb ik nog een punt over
bemiddeling en provisies. Nu de deferred debit card als krediet wordt
gereguleerd, kunnen partijen die worden ingeschakeld bij de
totstandkoming ervan, zogenoemde "co-branders", als bemiddelaar worden
aangemerkt. Daardoor gelden na de vergunningsplicht en de provisieregels
de artikelen 154 en 155 van het besluit. Deze partijen kunnen dan
aanspraak maken op doorlopende provisie over uitstaand krediet, terwijl
ze na de aanvraag geen rol meer hebben in de beheerfase. Zo'n
doorlopende provisie past niet bij hun feitelijke werkzaamheden. Om de
mogelijkheid te creëren om een vergoeding af te spreken die wel aansluit
bij de daadwerkelijke rol van bemiddelaars, kan de AFM de bevoegdheid
worden gegeven om de ontheffing van het provisieverbod te verlenen.
Heeft de minister het voornemen om dit zo te regelen?
Voorzitter. Dan de evaluatie en de monitoring. Na de inwerkingtreding
moeten we zorgvuldig volgen of deze wet daadwerkelijk doet waarvoor deze
bedoeld is: het beter beschermen van consumenten, het tegengaan van
overcreditering en problematische schulden, en het creëren van een
gelijk speelveld tussen kredietvormen. Daarbij moeten we niet alleen
kijken naar betalingsachterstanden, schuldstapeling en het gebruik van
"koop nu, betaal later". We moeten ook kijken naar de toegankelijkheid
en de betaalbaarheid van verantwoord consumentenkrediet, de
administratieve lasten, de werking van de kredietwaardigheids- en
verificatieprocessen, en de gevolgen voor het dagelijks
betalingsverkeer. Ik hoor daarom graag van de minister op welk concreet
moment de gevolgen voor de prijzen, de beschikbaarheid en de
concurrentiepositie worden geëvalueerd, naast de gerealiseerde winst
voor de consumentenbescherming.
Ook mogelijke ontwijkconstructies en verschuivingen naar andere
kredietvormen moeten daarbij worden gevolgd. Als blijkt dat nationale
keuzes onevenredige lasten of hogere consumentenkosten veroorzaken
zonder aantoonbare verbetering van de consumentenbescherming, verwacht
de VVD dat het kabinet bereid is deze keuzes opnieuw te bezien.
Voorzitter. Nog twee onderwerpen: de productinterventiebevoegdheid en de
kredietregistratie. De VVD begrijpt dat de AFM in uitzonderlijke
gevallen moet kunnen ingrijpen als kredietproducten ernstige risico's
voor consumenten opleveren, maar een productinterventiebevoegdheid is
een zwaar instrument. Waarom vindt er voor de inwerkingtreding van deze
bevoegdheid geen invoeringstoets plaats, in overeenstemming met het
advies van het ATR? Of kan de productinterventiebevoegdheid als een
expliciet onderdeel worden meegenomen in een eerste evaluatie,
bijvoorbeeld na drie jaar?
De VVD steunt een volledig en toekomstbestendig stelsel van
kredietregistratie. Het is daarom ongelukkig dat de
registratieverplichting onder de CCD2 al op 20 november ingaat, terwijl
het wetsvoorstel voor het stelsel van kredietregistratie naar
verwachting pas begin 2027 wordt ingediend. Kan de minister aangeven hoe
de registratie, de registratiegrenzen en de bewaartermijn in deze
tussenperiode juridisch en praktisch worden geborgd? Welke gevolgen
heeft dit tijdelijke stelsel voor het zicht op de stapeling van kleine
kredieten? Daarbij moet ook worden bezien of registratie van zeer klein
krediet noodzakelijk en proportioneel is. Zou bij kleine bedragen
bijvoorbeeld een negatieve registratie bij betalingsachterstanden kunnen
volstaan, zoals het BKR heeft verzocht? Tegelijkertijd zijn er partijen
die juist verzoeken om bij positieve registraties van álle kredieten
geen ondergrens te hanteren en voor negatieve registraties een
ondergrens van €250 te behouden. Ik hoor graag hoe de minister deze
verschillende belangen weegt om tot een proportioneel en effectief
registratiestelsel te komen.
Voorzitter. Ik had nog een punt over de gemeentelijke kredietbanken,
maar ik denk dat collega Inge van Dijk daar nog op ingaat. Dat punt sla
ik dus over.
Afrondend. De VVD steunt het doel van deze implementatiewet: betere
bescherming van consumenten, het tegengaan van problematische schulden
en duidelijke regels voor nieuwe kredietvormen. Effectieve
consumentenbescherming vraagt echter ook om proportionaliteit,
uitvoerbaarheid en rechtszekerheid, geen zwaardere verplichtingen dan
het risico rechtvaardigt, geen onnodige regeldruk en voldoende
voorbereidingstijd voor partijen die de nieuwe regels moeten uitvoeren.
Ik kijk uit naar de reactie van de minister en de
staatssecretaris.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik heb toch een interruptie voor u van de heer Bushoff
namens PRO.
De heer Bushoff (PRO):
Die gaat over de kredietwaardigheidstoets. Ik hoorde de VVD daar terecht
over zeggen dat daar door de open norm nog onduidelijkheid over is.
Tegelijkertijd zien we eventueel ook een risico, namelijk dat er
verschillende toetsen gaan plaatsvinden. Wat de VVD betreft moet het
vooral proportioneel zijn, oftewel: waar het risico klein is, moet het
niet te veel vragend zijn. We weten alleen ook dat het risico bij
jongeren best groot is. Zou de leeftijd dan dus zwaar moeten meewegen
bij zo'n kredietwaardigheidstoets? Zou de VVD bijvoorbeeld iets voelen
voor een verzwaarde kredietwaardigheidstoets voor jongeren?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Los van de vraag of dit überhaupt juridisch houdbaar is en of dit kan
onder de richtlijn die nu geïmplementeerd wordt, heb ik vooral bedoeld
te zeggen dat er vanuit kredietverleners op een goede manier getoetst
moet worden en dat die toetsing proportioneel moet zijn. Dat kan
betrekking hebben op welke gegevens je opvraagt, op de manier waarop je
die gegevens verifieert en op het type krediet dat aan de orde is. Ik
ben zelf ook heel erg aan het zoeken naar welke balans we hierin met
elkaar gaan vinden. Ik heb daar dus het antwoord niet op. Dat is echt
een zoektocht, ook in combinatie met die nieuwe Wet stelsel
kredietregistratie. Daar gaan we namelijk weer met elkaar over die
grenzen praten. Ik denk dat het doel heel erg helder is: je wil
voorkomen dat met name jongeren en kwetsbaren door het gebruik van dit
soort kredieten in de problemen komen. De vraag is: hoe zorg je ervoor
dat je dat zo gericht mogelijk probeert te voorkomen binnen de ruimte
die de richtlijn ons geeft?
De voorzitter:
Dank u wel. Is dat voldoende voor u, meneer Bushoff? Niet? Ga uw
gang.
De heer Bushoff (PRO):
Helder, dank. De vraag is inderdaad welke juridische ruimte we hebben.
Tegelijkertijd denk ik dat het begrip "proportionaliteit" aan de ene
kant een hele open norm biedt, maar aan de andere kant misschien ook wel
ruimte biedt om, juist waar het risico groot is, wat zwaarder te
toetsen. We weten dat het risico bij jongeren tot 24 jaar best groot is.
Daarom vraag ik of er bij de VVD eventueel de bereidwilligheid is om,
als dat juridisch mogelijk is, voor jongeren te kijken of we een stapje
extra kunnen doen bij die kredietwaardigheidstoets.
De voorzitter:
Is er bereidwilligheid, mevrouw Van Eijk?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Nou, ik ga sowieso met interesse luisteren naar ieders inbreng en ook
naar de moties die daar eventueel over worden ingediend, maar ik wil wel
voorzichtig zijn met alles op één hoop gooien. Ik snap echt de
kwetsbaarheid van jongeren en van mensen met een wat lager inkomen.
Anderzijds moeten we er wel voor zorgen dat ook jongeren en kwetsbare
mensen in onze samenleving op een normale manier kunnen blijven meedoen.
Soms horen daar ook gewoon kredietvormen bij. Ik denk dat het een
zoektocht is om te kijken hoe we daar met elkaar de balans in gaan
vinden.
De voorzitter:
Dank u wel. Volgens mij is dat overigens een zoektocht die binnen de
hele commissie nog gaande is en waar de minister ons misschien bij gaat
helpen. Ik zie geen verdere interrupties, dus we gaan naar mevrouw Van
Dijk, die namens het CDA gaat spreken. Ik spiek heel even wat uw
spreektijd is. U heeft vijftien minuten aangevraagd.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter. Een paar merkschoenen van €160 euro. Je hebt
het geld eigenlijk niet en je hebt thuis nog prima schoenen staan, maar
al je vrienden lopen ermee. Een paar klikken later heb jij ze ook. De
schoenen heb je vandaag en de rekening later. En dan zie je die ene gave
jas. Ook die kan achteraf worden betaald. Alsof het zo moet zijn, gaan
een paar dagen later je oortjes kapot. Die heb je toch echt nodig, dus
ook die bestel je opnieuw met achteraf betalen. Ieder bedrag lijkt vrij
overzichtelijk — drie relatief kleine bedragen bij verschillende
aanbieders — tot de rekeningen tegelijk komen. Dat is precies het risico
van achteraf betalen. Niet alleen één grote lening kan iemand in de
problemen brengen, maar ook een stapeling van kleine, ogenschijnlijk
overzichtelijke kredieten kan ongemerkt een probleem worden.
Voorzitter. Van de "buy now, pay later"-gebruikers onder de 25 jaar
heeft 42% minstens één ingebrekestelling ontvangen. Uit onderzoek onder
16- tot 19-jarigen blijkt dat een op de tien zelf zegt recent in de
problemen te zijn gekomen door kopen op afbetaling. We zijn toe aan het
bewegen naar een samenleving die steeds meer leeft op de pof. Dat is wat
het CDA betreft de verkeerde kant op bewegen. Daarom hebben we de
afgelopen jaren al heel vaak gevraagd om betere bescherming bij buy now,
pay later door middel van goede leeftijdsverificatie en een serieuze
kredietwaardigheidsbeoordeling en om te voorkomen dat mensen ongemerkt
verschillende schulden naast elkaar opbouwen. Met deze wet gebeurt daar
veel aan en daar zijn we positief over. Buy now, pay later wordt
eindelijk gereguleerd als consumentenkrediet, aanbieders komen onder
financieel toezicht en worden vergunningsplichtig, er moet een
kredietwaardigheidsbeoordeling plaatsvinden en Nederland voegt een
verbod toe aan het aanbieden van uitstel van betaling aan minderjarigen.
Dat is positief. Tegelijkertijd stoppen de risico's natuurlijk niet op
iemands 18de verjaardag. Juist onder jongvolwassenen zien we in alle
cijfers veelvuldig gebruik van buy now, pay later en betalingsproblemen.
Het blijft wat het CDA betreft een gemiste kans om de leeftijd niet wat
verder op te rekken. Hoe kijkt de minister hiernaar? Is hij bereid de
ontwikkelingen onder jongvolwassenen van 18 tot bijvoorbeeld 21 jaar
nauwgezet te blijven monitoren en, als de cijfers daar aanleiding toe
geven, een verhoging van de leeftijdsgrens alsnog door te voeren? Kan de
minister daarnaast aangeven of de kwetsbaarheid van jongvolwassenen bij
buy now, pay later ook in andere lidstaten onderwerp van discussie is?
Ziet hij mogelijkheden om hierin gezamenlijk op te trekken, bijvoorbeeld
bij een toekomstige evaluatie van de richtlijn?
Voorzitter. Toch blijft bij ons ook de ongemakkelijke vraag bestaan of
we nu daadwerkelijk gaan reguleren wat we willen reguleren. Ik wil het
toch weer hebben over het kopen op de pof in de winkelstraat. We hebben
het kabinet al meerdere keren gevraagd om buy now, pay later daar te
verbieden of ten minste sterk te ontmoedigen. Thuis iets bestellen, het
product eerst willen bekijken of passen en vervolgens betalen kan een
hele praktische functie hebben. Ook het oorspronkelijke doel,
consumenten beschermen tegen malafide webwinkels, snappen we heel goed.
Maar voor de kassa staan, het product eigenlijk niet kunnen betalen en
vervolgens direct krediet aangeboden krijgen om het toch in je tas mee
naar huis te nemen, is echt iets anders.
Het kabinet stelt dat een afzonderlijk Nederlands verbod op buy now, pay
later in fysieke winkels niet verenigbaar is met het
maximumharmonisatiekarakter van de CCDII. De richtlijn maakt geen
onderscheid tussen online en offline. Ook verdergaande ontmoediging
blijkt volgens het kabinet na gesprekken met de detailhandel praktisch
niet haalbaar. Begrijp ons goed: we zijn niet van plan onze detailhandel
weer te overspoelen met verplichtingen. Toch vindt het CDA dit geen
goede uitkomst. Er zit namelijk een ongemakkelijke tegenstelling in deze
wet. Door buy now, pay later beter te reguleren beschermen we
consumenten tegen de risico's ervan, maar tegelijkertijd dreigt daarmee
het gebruik van buy now, pay later verder te worden genormaliseerd, ook
op plekken waar die ontwikkeling juist onwenselijk is. Daarom vraag ik
de minister of hij het wenselijk vindt dat buy now, pay later straks een
normale betaalmogelijkheid wordt bij de fysieke kassa. Als zijn antwoord
daarop nee is maar Nederland door de CCDII nationaal onvoldoende ruimte
heeft, vraag ik hem wat hij Europees gaat doen.
Voorzitter. De ontwikkelingen in de betaaltechniek maken het risico op
kopen op de pof in de winkelstraat nog groter. Ik heb het over de
digitale wallet op onze telefoon. We denken bij buy now, pay later nog
vaak aan de winkel die achteraf betalen aanbiedt, maar die keuze kan
steeds meer in de telefoon van de consument zelf zitten. Je staat bij de
kassa, houdt je telefoon tegen de betaalautomaat en kiest niet alleen
waarmee je betaalt, maar mogelijk ook wanneer je betaalt. Daarom heeft
het CDA met de ChristenUnie gevraagd te onderzoeken of ook buy now, pay
later via de wallet in fysieke winkels kan worden verboden of streng
ontmoedigd. Maar ook hierbij zegt het kabinet dat het op dit moment niet
mogelijk is om het toevoegen van buy now, pay later aan bijvoorbeeld
Apple Wallet te verbieden. We kunnen buy now, pay later aan de kassa
door de harmonisatie-eis in deze wet dus niet tegenhouden. Hetzelfde
geldt voor betalen via een wallet direct aan de kassa. Wat betekent onze
wens om buy now, pay later uit de winkelstraat te houden dan nog in de
praktijk? Hoe voorkomen we dat de grens tussen betalen en lenen steeds
verder vervaagt? We kunnen blijkbaar alleen nog iets met
reclamebeperkingen. Mijn vraag aan het kabinet is dan ook om hier
maximaal op in te zetten, al blijft het gek voelen dat alleen reclame
waarbij gemak of snelheid benadrukt wordt, verboden is en dat er geen
totaalverbod ingesteld kan worden. Hoe wordt dit onderscheid gemaakt?
Welke ruimte ziet de minister om de normalisering van buy now, pay later
verder tegen te gaan?
Voorzitter. Er is natuurlijk ook een andere kant. Niet iedere vorm van
uitgestelde betaling kent hetzelfde risico. De richtlijn zelf geeft dat
ook aan. Een mkb'er of fysieke winkel die zelf, dus zonder een derde
kredietaanbieder, een klant kosteloos maximaal 50 dagen geeft om te
betalen, kan onder voorwaarden buiten het kredietregime blijven. Dat
vinden we terecht. De fietsenmaker die zijn klant wat meer tijd geeft om
de rekening te betalen is wat ons betreft echt anders dan een
commerciële kredietaanbieder die achteraf betalen als verdienmodel
heeft. We zien in de richtlijn dus een bewust onderscheid naar de aard
van het product en het risico van de consument, maar hierover is ook
veel onduidelijkheid. Dat blijkt wel uit de vragen van mijn
voorgangers.
Juist daarom heeft het CDA vragen over een andere keuze die Nederland
bij deze implementatie maakt, namelijk wat betreft de gewone creditcard.
Aan het einde van de maand wordt daarbij het volledige openstaande
bedrag afgeschreven. Dit is daarmee een vorm van uitgestelde betaling.
Deze kaarten vallen door de CCDII voortaan onder het kredietregime, maar
Europa geeft Nederland expliciet de mogelijkheid om bepaalde kaarten met
uitgestelde debitering uit te zonderen. Nederland kiest daar niet voor,
ondanks het advies van het ATR. Dat wijst daarbij op de aanzienlijke
regeldruk en het risico dat deze kaarten daardoor duurder worden. Het
kabinet heeft daar ook argumenten voor. Het CDA begrijpt dat we niet aan
de voorkant strengere regels voor buy now, pay later moeten invoeren en
tegelijkertijd aan de achterkant een ontsnappingsroute moeten
openlaten.
Maar hoe zit het dan met de proportionaliteitsvraag? Het kabinet erkent
namelijk ook dat de betalingsachterstanden bij de bestaande kaarten met
uitgestelde debitering op dit moment bijzonder laag zijn en dat zich
hier weinig problemen voordoen. Mijn vraag is waarom de oplossing dan is
om alle bestaande kaarten met uitgestelde debitering onder het
kredietregime te brengen. Heeft het kabinet serieus onderzocht of die
ontwijkroute gerichter kan worden afgesloten? Kan er bijvoorbeeld
onderscheid worden gemaakt tussen een traditionele kaart, waarbij het
volledige bedrag iedere maand automatisch wordt afgeschreven, en nieuwe
producten die feitelijk dezelfde functie hebben als buy now, pay later?
Als dat juridisch niet kan, is mijn vraag: waarom niet? De extra regels
hebben namelijk wel consequenties. Het kabinet erkent zelf dat ze tot
hogere kosten kunnen leiden en dat die kosten uiteindelijk bij
consumenten terecht kunnen komen. Kan hij dit nogmaals toelichten?
Voorzitter. Het CDA gelooft in problemen voorkomen. Deze wet wil dat
organiseren door verantwoord krediet te eisen en vroeg in te grijpen,
maar geeft onvoldoende antwoord op het zogenaamde schulden stapelen. Dat
is bij buy now, pay later een aangetoond risico. In 2024 gebruikte een
derde van de "buy now, pay later"-gebruikers onder de 35 jaar meerdere
aanbieders. Onder frequente gebruikers, dat wil zeggen meer dan twaalf
"buy now, pay later"-betalingen per jaar, gebruikte zelfs 65% meerdere
aanbieders binnen één maand. De AFM waarschuwt dat aanbieders daardoor
niet altijd zicht hebben op wat iemand elders al verschuldigd is,
waardoor schulden zich kunnen opstapelen.
Daar komt bij dat betalingsproblemen juist vooral bij kleine bedragen
voorkomen. De AFM becijfert dat negen van de tien "buy now, pay
later"-transacties die uiteindelijk bij een incassobureau terechtkwamen,
onder de €250 lagen. Hier zien we dus toch een probleem. Straks moet bij
ieder krediet, ongeacht het bedrag, het BKR worden geraadpleegd, maar
het kabinet is voornemens de huidige kredietregistratiegrens van €250 te
handhaven. Een klein "buy now, pay later"-krediet kan aanleiding zijn om
in het register te kijken, maar datzelfde krediet wordt vervolgens dus
niet in dat register zichtbaar voor een volgende aanbieder. Het risico
op stapeling blijft dus bestaan. Het volledige inzicht ontbreekt.
Daarnaast speelt er de snelheid van registratie. Kredietaanbieders
hebben nu drie weken om kredieten bij het BKR te registeren. De AFM zegt
expliciet dat daardoor "buy now, pay later"-schulden kunnen ontstaan die
uit het zicht blijven van andere kredietaanbieders, waardoor stapeling
mogelijk blijft. Mijn vraag is: kan een consument straks op één dag bij
meerdere aanbieders "buy now, pay later"-kredieten afsluiten zonder dat
andere aanbieders dit zien? Zo ja, blijft daarmee het risico op
schuldenstapeling niet juist bestaan, terwijl we dat met deze wet willen
voorkomen?
Ik ben me er goed van bewust dat aanpassingen aan het
kredietregistratiestelsel thuishoren bij de behandeling van de nieuwe
Wet stelsel kredietregistratie, maar deze wet blijft maar op zich
wachten. Kan de minister toezeggen bij dit wetsvoorstel expliciet te
bezien of de registratiegrens en registratietermijn voldoende
bescherming bieden tegen de stapeling van kleine kredieten? Wanneer kan
de Kamer dit voorstel eindelijk verwachten?
Voorzitter, een laatste punt. Ons bereiken signalen dat het nieuwe
verbod op koppelverkoop mogelijk gevolgen heeft voor het goede werk van
gemeentelijke kredietbanken. Bij schuldsanering wordt een
saneringskrediet immers soms gecombineerd met bijvoorbeeld budgetbeheer.
Volgens de memorie van toelichting zijn kredieten van gemeentelijke
kredietbanken onder bepaalde voorwaarden uitgezonderd. Dan geldt het
verbod op koppelverkoop niet. Kan de minister bevestigen dat
gemeentelijke kredietbanken hun integrale schuldhulpverlening hierdoor
gewoon kunnen voortzetten en dat hier in de praktijk geen onbedoelde
belemmeringen ontstaan?
Echt tot slot. We bespreken vandaag een wet waar we al langere tijd op
wachten. Het CDA heeft het kabinet meermaals gevraagd deze zo snel
mogelijk naar de Kamer te sturen. Inmiddels staat de implementatie onder
flinke tijdsdruk. Dat hadden we al zien aankomen. Waarom is er toch voor
dit tijdspad en voor deze planning gekozen? Ik zou toch graag een
reflectie van de minister willen op hoe we dit in het vervolg beter
kunnen doen. Welke lessen trekt de minister hieruit om te voorkomen dat
we bij een volgende Europese richtlijn opnieuw achter de feiten aan
lopen en we marktpartijen en toezichthouders uiteindelijk met een zeer
korte voorbereidingstijd opzadelen?
Tot zover. Ik ben benieuwd naar de beantwoording van de minister.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft nog meer dan vier minuten over.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Nou, kijk!
De voorzitter:
Ik zie dat de andere leden geen interrupties hebben, dus dan gaan we
naar de heer Bushoff. Hij gaat spreken namens PRO.
De heer Bushoff (PRO):
Volgens mij heb ik veel te weinig tijd opgegeven, voorzitter. Gelukkig
is het een wetgevingsoverleg.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Hier heb je er vier!
De heer Bushoff (PRO):
Ik heb wellicht al vier minuten extra van mevrouw Van Dijk.
De voorzitter:
U heeft zeven minuten aangevraagd en u krijgt er acht van me.
De heer Bushoff (PRO):
Dat gaat niet lukken, denk ik, maar ik ga mijn best doen. We gaan kijken
hoe ver ik kom. Bij wetgeving is de spreektijd altijd indicatief, maar
ik ga mijn best doen, voorzitter.
Allereerst. De wet die we vandaag bespreken, implementeert de herziene
Europese richtlijn consumentenkrediet II. De kern is eigenlijk
natuurlijk dat vormen van krediet die nu grotendeels buiten het
consumentenkredietrecht vallen, daar straks wel onder vallen. Een
belangrijke vorm daarvan is het "buy now, pay later"-concept. Kleine
kredieten en kaarten met uitgestelde debitering gaan ook aan nieuwe,
strengere eisen moeten voldoen. Aanbieders komen onder toezicht te
staan. Consumenten krijgen op die manier betere bescherming. Op zich is
dat allemaal ontzettend goed. Dat is heel erg belangrijk, omdat
kredietverlening in onze economie een enorme functionele waarde heeft,
maar we tegelijkertijd zien dat het in sommige gevallen, bijvoorbeeld
bij jongeren, weleens wil leiden tot het doen van aankopen die ze zich
niet kunnen veroorloven, wat allerlei heel nadelige en negatieve
gevolgen heeft. Dat wil je zo veel mogelijk voorkomen. In die zin is de
implementatiewet die vandaag voorligt een concrete stap in de goede
richting, want dat "buy now, pay later"-concept wordt ook echt behandeld
als krediet. Ook kleine kredieten vallen zo meteen onder strengere
regels. Minderjarigen mogen straks niet meer onder het concept buy now,
pay later gaan vallen. Dat zijn allerlei hele goede dingen.
Tegelijkertijd probeer je natuurlijk het gewone handelsverkeer zo goed
mogelijk doorgang te laten vinden waar geen probleem is. Het is
natuurlijk ook heel belangrijk dat dat gewoon plaats kan vinden. Hoe je
dat op een goede manier doet, is best een ingewikkelde weging. Daar heb
ik een aantal punten over die ik voor het voetlicht zou willen
brengen.
Ik wil beginnen met de kredietwaardigheidstoets. Onder de €100 volstaat
een beperkte toets, namelijk raadpleging bij het BKR en een beperkte
raadpleging bij het Centraal curatele- en bewindregister, maar vanaf
€100 is er sprake van een verplichte kredietwaardigheidstoets. Alleen,
de aanbieder mag grotendeels zelf bepalen welke gegevens daar
proportioneel voor zijn en hoe die toets er dan precies uitziet. De
regering zegt daarbij zelf dat de vormgeving van deze toets grotendeels
in de praktijk plaatsvindt, dat het daarbij proportioneel moet zijn en
dat de AFM toezicht houdt. Maar er is dus geen wettelijk voorgeschreven
uniforme minimumtoets voor kredieten boven de €100. Ergens snap ik dat
wel, maar toch vraag ik de minister — volgens mij zat dit ook ergens in
de vraag van de VVD verpakt — hoe je nou voorkomt dat er zo meteen
allerlei verschillende toetsen plaatsvinden, waarbij de ene een zware
toets uitvoert die misschien eigenlijk niet proportioneel is, en er bij
de ander, waarbij je zou willen dat er wel een zwaardere toets
plaatsvindt, juist een te lichte toets plaatsvindt. Hoe voorkom je de
willekeur in toetsing, zou ik de minister in dit geval willen vragen.
Welke minimumeisen hanteert de AFM wat betreft haar toezicht, zou ik de
minister op dit punt ook willen vragen.
Voorzitter. Dat brengt mij bij mijn tweede punt hierover: zou het niet
zinvol zijn om juist ook voor jongeren een wat zwaardere
kredietwaardigheidstoets te laten gelden? We weten uit onderzoek dat
heel veel jongeren toch te vaak in de problemen komen wat betreft
kredieten die ze afsluiten, of het doen van aankopen die ze zich
eigenlijk niet kunnen veroorloven. Dan gaat het niet alleen om jongeren
tot 18 jaar, maar juist ook daarboven, om jongvolwassenen. Daarom vraag
ik mij eigenlijk het volgende af. Nu is het in de Europese richtlijn zo
opgeschreven dat zo'n kredietwaardigheidstoets proportioneel moet zijn
en dat we dat laten aan het veld. Is het niet juridisch mogelijk om een
iets zwaardere toets voor jongeren te laten gelden, of überhaupt om
leeftijd zwaarder te laten wegen bij de kredietwaardigheidstoets? Dat
zou ik de minister willen vragen. Ik ben benieuwd welke juridische
ruimte daarvoor is. Dat is één. Twee: acht hij dit wenselijk, mits die
juridische ruimte er is?
Voorzitter. Dan een tweede onderwerp. Dat gaat over het BKR. Wat er nu
verandert, is dat ook de aanbieder het BKR moet raadplegen bij kleine
kredieten. Die grens van €250 verdwijnt, maar de huidige systematiek van
wanneer een krediet positief wordt geregistreerd in het BKR-register
blijft voorlopig nog bestaan, want we wachten nog op het wetsvoorstel
Wet stelsel kredietregistratie. Dat levert een beetje een bijzondere
situatie op. Dat zou er namelijk voor kunnen zorgen dat bijvoorbeeld
voor een krediet van €160 het register wel geraadpleegd wordt, maar dat
dat krediet vervolgens niet geregistreerd wordt, waardoor er wel een
stapeling van kredieten aangegaan kan worden zonder dat die opvalt in
het register. Het is natuurlijk heel erg raar dat er een grote kans
bestaat dat wat je wil checken in het register überhaupt niet in dat
register staat, omdat het niet geregistreerd wordt. Ik ben wel benieuwd
of de minister hierop in kan gaan, of hij dit ook een probleem vindt en
of hij voornemens is om bij het wetsvoorstel Wet stelsel
kredietregistratie hier verandering in aan te gaan brengen. Het lijkt me
namelijk heel onwenselijk dat je aan de ene kant bij kleine kredieten
dus wel in het BKR-register moet gaan kijken, maar dat ze vervolgens
niet geregistreerd gaan worden. Is de minister bereid om daar bij het
wetsvoorstel Wet stelsel kredietregistratie een verandering in aan te
brengen, zodat ook die kleinere kredieten wel geregistreerd worden en in
ieder geval een stapeling zonder dat die opvalt in het register
voorkomen kan worden? Daarbij geef ik wel weer mee: je moet natuurlijk
ook voorkomen dat iemand die in een bepaalde tijd zijn
betalingsachterstand gewoon volledig heeft weggewerkt daar vervolgens in
de jaren daarna alsnog heel veel last van heeft. Zou daar dan ook een
verandering op moeten plaatsvinden bij het voorstel voor de Wet stelsel
kredietregistratie? Dat zou ik de minister willen vragen.
Voorzitter. Dan ga ik naar een aantal uitzonderingen die nu gemaakt
worden, namelijk voor fysieke winkels en het mkb. Zij kunnen zelf
kosteloos uitstel van betaling geven tot 50 dagen. Voor grote webwinkels
zonder fysieke winkel geldt wel 14 dagen. De Klarna's van deze wereld
vallen allemaal onder het nieuwe kredietregime. Volgens mij was het de
regering zelf die in de memorie van toelichting en de nota naar
aanleiding van het verslag aanhaalde dat we het bijvoorbeeld heel
gebruikelijk vinden dat een loodgieter na zijn werk een factuur stuurt
die je binnen 30 dagen moet betalen. Dat moet ook gewoon zonder hinder
doorgang kunnen vinden. Hetzelfde geldt als je een bank koopt bij een
meubelzaak die later geleverd wordt en die je op factuur betaalt. Ook
dat is een hele gangbare praktijk waarvan we met z'n allen zeggen: dat
is precies wat mogelijk moet blijven, want daar ontstaan weinig
problemen. Althans, daar zien we op dit moment heel weinig problemen.
Maar ik vraag de minister het volgende. Met deze uitzonderingen, die wel
blijven bestaan, en aan de andere kant het strenger maken van het "buy
now, pay later"-principe … Wordt deze uitzondering straks niet gebruikt
om die "buy now, pay later"-constructies in de fysieke winkelstraat te
brengen? Dat lijkt me dan weer heel erg onwenselijk. Hoe ziet de
minister dit? Ziet hij dit risico? Deelt hij de opvatting van PRO dat
dat onwenselijk is en dat we dat zo veel mogelijk zouden moeten
voorkomen? Ik zou willen vragen: hoe gaat de minister dat
monitoren?
De voorzitter:
Meneer Bushoff, u bent al over de tijd heen. U kreeg van mij een minuut
extra, dus ik zou zeggen: gebruik die nuttig.
De heer Bushoff (PRO):
Sorry, voorzitter, ik had het beter moeten opgeven van tevoren, dus
daarvoor steek ik de hand in eigen boezem, maar het is wetgeving, dus in
principe heb je zo veel tijd als je wil. Ik ga echt proberen om het kort
te houden, hoor. Ik heb nog twee punten.
Voorzitter. Het tweede punt kan ik ook kort houden, want ook mijn
collega van het CDA heeft volgens mij een punt gemaakt over de
gemeentelijke kredietbanken. Die nemen schulden over van mensen en zijn
dan vervolgens de enige kredietverstrekker, maar helpen mensen ook om
uit die schulden te komen. Normaal gesproken is die dubbelfunctie
eigenlijk niet toegestaan, maar voor gemeentelijke kredietbanken is het
heel wenselijk dat die dubbelfunctie wel blijft bestaan. De regering
schrijft ook in de memorie van toelichting op bladzijde 9 dat die
mogelijkheid blijft bestaan omdat zij dit zonder winstoogmerk doen, maar
maakt dat vervolgens niet expliciet in de wet. Ze leggen deze
uitzondering voor gemeentelijke kredietbanken dus niet wettelijk vast.
Daarover is toch wel wat onduidelijkheid ontstaan bij de NVVK. Ik ben
benieuwd of de minister die onduidelijkheid zou kunnen wegnemen,
namelijk door te garanderen dat de bestaande praktijk van gemeentelijke
kredietbanken zoals we die nu hanteren, gewoon ongehinderd doorgang kan
vinden. Dat is namelijk heel erg belangrijk.
Voorzitter. Dan nog een laatste punt. Dat is eigenlijk een net iets
ander punt dan tot nu toe, maar dit wordt wel geregeld in deze wet. Dit
punt gaat over de schone-lei-regeling. Ook daarvoor komt er een
richtlijn vanuit Europa. We hebben in Nederland al een eigen
schone-lei-regeling. Voor mensen die ziek zijn geweest, bijvoorbeeld
kanker hebben gehad, en verzekeringen willen afsluiten of krediet willen
afsluiten, gelden vaak strengere voorwaarden omdat ze ziek zijn geweest.
Maar als je gezond bent, vervallen die strenge voorwaarden na een
bepaalde periode en mag ziekte niet langer meespelen. Dat is
superbelangrijk, omdat mensen anders, terwijl ze genezen zijn, in de
jaren daarna in hun gezonde leven alsnog achtervolgd worden omdat ze
ooit ziek zijn geweest.
Eigenlijk heb ik daarbij twee vragen. Eén. Lees ik goed dat we de
nationale schone-lei-regeling blijven volgen als die ruimer is dan wat
de Europese richtlijn voorschrijft, en dat we de Europese richtlijn
volgen als die een verbetering voorstelt? Kortom, hebben we voor de
meest gunstige situatie gekozen voor degenen die het betreft? Heb ik dat
goed begrepen?
Tot slot zou ik de minister ook willen vragen naar de toezegging die hij
eerder op schriftelijke vragen van mij heeft gedaan om hierover in
gesprek te gaan met betrokkenen, om te kijken of de termijnen waarna je
weer met een schone lei kunt beginnen, aangepast kunnen worden, zodat je
nadat je genezen bent, weer sneller onder het normale regime valt en
niet nog te lang achtervolgd wordt door je ziekte. De minister zei dat
hij daarover in gesprek zou gaan. Ik ben benieuwd of dat is gebeurd, wat
de uitkomsten daarvan zijn en of daar nog positieve ontwikkelingen op te
melden zijn.
Tot slot sluit ik me op het punt van de reclames aan bij de vragen van
de ChristenUnie, want ik ben ruim door de tijd heen die ik had
opgegeven.
De voorzitter:
Dank u wel. Nou, het was slechts ruim drie minuten. We gaan naar de heer
Schoonis. Hij spreekt namens D66.
De heer Schoonis (D66):
Dank u, voorzitter. Nog nooit was lenen zo makkelijk als nu: één klik
bij het afrekenen en je hebt een lening, vaak zonder dat je het
doorhebt. Een paar kleine aankopen kunnen eindigen in een stapel
aanmaningen en incassokosten. Mijn collega's hebben hier al mooie
voorbeelden van gegeven. Juist jongeren komen hierdoor dus in de
problemen. Dat wil niet zeggen dat deze producten an sich slecht zijn,
want ze bieden gemak en vrijheid voor consumenten en mkb'ers, maar de
regels komen uit 2008 en lopen daarmee achter. Het is dus goed dat ze
worden geactualiseerd. Voor D66 betekent dat: ruimte voor innovatie,
maar niet ten koste van mensen.
Voorzitter. Ik begin bij een van de kwetsbaarste groepen van de "buy
now, pay later"-dienstverlening, namelijk de jongeren. Ze werden al door
meerdere collega's genoemd. In 2023 werden bijna 600.000 BNPL-betalingen
gedaan via rekeningen van 13- tot en met 17-jarigen. Dat zijn jongeren
die impulsief besluiten dat ze dat ene kledingstuk toch willen hebben,
terwijl ze dat niet kunnen betalen. Jongeren hebben eigenlijk weinig
financiële buffers. Een gemiste betaling wordt zo al snel een schuld,
terwijl je juist op die leeftijd wil voorkomen dat schulden normaal
worden. Om deze groep te beschermen, steunt D66 daarom de
minimumleeftijd van 18 jaar voor achteraf betalen. De vraag is echter
hoe aanbieders deze leeftijdsgrens gaan handhaven. Dat heb ik nog niet
gehoord vandaag, dus dat is mijn vraag aan de minister. De
Consumentenbond en de grote platforms roepen zelf op om één
voorgeschreven methode te hanteren, zodat duidelijk is welke gegevens
aangeleverd moeten worden en de privacy wordt gewaarborgd. Kan de
minister toelichten hoe hij aankijkt tegen een vaste methode voor het
handhaven van de leeftijdsgrens? Kan hij aangeven hoe de privacy van
consumenten in het huidige voorstel wordt gewaarborgd?
Mijn volgende punt gaat over reclame, al is daar ook al veel over
gezegd. Wij zijn groot voorstander van die minimumleeftijd, maar voor
ons is dat niet voldoende. Er is daarom ook iets nodig aan de voorkant,
namelijk ervoor zorgen dat jongeren en volwassenen zich bewust zijn van
de risico's van deze producten. Studenten kregen onlangs nog een mail
over een studietraining met de tekst: "Kies Klarna bij afrekening.
Vandaag €0, tegen die tijd is je studiefinanciering binnen." Nergens
stond de echte prijs, er werd geen woord gesproken over de risico's,
maar er was wel een aanbieding die om middernacht verliep. Collega Ceder
heeft daar ook al een paar voorbeelden van genoemd en de naam "Klarna"
is al vaker voorgekomen. Dit is echt heel onwenselijk. Nu gaat het om
een training, maar wat is het de volgende keer? In de gokindustrie
hebben we gezien wat er gebeurt wanneer onlinereclame en influencers
worden ingezet om jongeren binnen te halen. Toen is de verstandige keuze
gemaakt om strenger te zijn in wat wel en niet mag als het gaat om
reclame. Kan de minister toelichten waarom de reclameregels voor
onlinegokken, zoals een verbod op influencers en reclames gericht op
jongeren, niet ook gelden voor reclames voor krediet? Als de Europese
regels dat nu niet toelaten, is de minister dan bereid om zich daar in
Europa voor in te zetten? Vallen promotie via influencers en in apps
überhaupt onder deze reclameregels? Hoe houdt de AFM daar toezicht
op?
Voorzitter. De kern van het probleem is het verdienmodel van
BNPL-producten. De AFM concludeerde dat bij een deel van de aanbieders
tot 40% van de omzet binnenkwam via kosten voor te laat betalen. Bij
Klarna — daar is-ie weer — oordeelde de rechter vorig jaar zelfs dat de
incassokosten onderdeel waren van het verdienmodel. Schuldhulpverleners
zien dagelijks de gevolgen. De NVVK, de branchevereniging voor
schuldhulpverlening, ziet deze kredieten steeds vaker in de
schuldenlijsten. De groep mensen die achteraf betaalt om het einde van
de maand te halen, groeit. Het is geen gezond verdienmodel om te
verdienen aan mensen die hun rekening niet kunnen betalen. Dat is een
morbide vorm van ondernemen. Volgens de AFM zijn jongeren tussen de 18
en 24 jaar oververtegenwoordigd bij het incassobureau. Wat D66 betreft
moeten aanbieders dan ook een actieve rol hebben bij het voorkomen en
oplossen van schulden, maar uit de beantwoording van deze minister
blijkt dat een aanbieder de consument alleen hoeft te wijzen op de
schuldhulpverlening bij de gemeente. Deelt de minister de zorg dat juist
mensen die al in de problemen zitten die stap vaak niet zetten? Zo ja,
hoe zorgt hij ervoor dat die hulp hen wel bereikt? Ziet hij daarin een
grotere rol voor de aanbieder of zijn er andere instrumenten die beter
werken? Daarnaast zijn de prikkels nu zo ingericht dat aanbieders
verdienen aan mensen die niet op tijd kunnen betalen. Wat D66 betreft
moet het andersom: het moet lonen om problemen te voorkomen. Welke
mogelijkheden ziet de minister om dat te bereiken?
Tot slot. Eén aanbieder heeft al een register waarmee consumenten
zichzelf kunnen blokkeren. Andere aanbieders staan daar positief
tegenover. Is de minister bereid om zich ervoor in te spannen dat zo'n
register sectorbreed verplicht wordt? Het moet uiteraard wel
privacyveilig ingericht worden.
Voorzitter. Ik heb nog een ander punt. Dat raakt niet aan het onderwerp
van vandaag, maar wel aan de Wet op het financieel toezicht. Gezien de
relevantie van het onderwerp wil ik deze kans niet laten liggen. Het
woord "duurzaamheid" is nog niet gevallen, maar dat heeft hierin ook een
plek. De gestegen energieprijzen door de geopolitieke situatie in het
Midden-Oosten benadrukken het belang van het isoleren en aardgasvrij
maken van woningen. Hoe energiezuiniger de woning, hoe lager de
energierekening. Zo zorgen we ervoor dat mensen hun energierekening
kunnen betalen. Juist nu is dat extra belangrijk. Huiseigenaren die hun
woning willen verduurzamen, kunnen naast de bestaande subsidieregelingen
ook gebruikmaken van gebouwgebonden financiering. Op dit moment komt dit
product door de afwijkende complexiteit nog onvoldoende van de grond.
Daarmee dreigt een route die kan helpen bij de verduurzaming van
woningen in de praktijk te worden afgesloten. Daarom dien ik een motie
in om te onderzoeken hoe gebouwgebonden financiering voor de
verduurzaming van woningen makkelijker gemaakt kan worden voor
huiseigenaren.
Voorzitter. Tot slot kom ik terug op het onderwerp van vandaag. Deze wet
is een belangrijke stap om de regels weer bij te laten lopen met de
producten van vandaag. Voor D66 staan twee dingen centraal. Ten eerste
willen we jongeren beschermen, met een leeftijdsgrens die werkt en die
privacyvriendelijk is, en met grenzen aan reclame die hen verleidt. Ten
tweede mogen schulden nooit een verdienmodel zijn. Het moet voor
aanbieders lonen om problemen te voorkomen in plaats van dat ze eraan
verdienen. Er moet ruimte zijn voor innovatie, maar niet ten koste van
mensen. Ik kijk uit naar de antwoorden van de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Voordat u iets anders kunt gaan doen, krijgt u eerst een
interruptie van de heer Flach van de SGP.
De heer Flach (SGP):
Mijn vraag spitst zich toe op het blokje duurzaamheid in de bijdrage van
collega Schoonis. Voor mijn gevoel was dat een beetje offtopic, dus het
eerste deel van mijn vraag is: wat heeft dat te maken met dit
wetsvoorstel? Aangezien u het toch heeft genoemd, wil ik nog het
volgende zeggen. Ik heb hier eerder ook werk van gemaakt en een motie
over ingediend. Hoe ziet de collega die gebouwgebonden financiering voor
zich?
De heer Schoonis (D66):
Dat klopt. Dat zei ik ook gelijk aan het begin, maar het raakt toch aan
de Wet op het financieel toezicht. We wilden daarvoor een plek creëren
en dat kon hier. Aangezien duurzaamheid belangrijk is voor iedereen —
dat heeft u volgens mij net ook gezegd — wilden we dit nogmaals naar
voren brengen met een motie. Als we samen kunnen werken, dan zou ik dat
heel graag willen. We vragen ook om dit te onderzoeken, want het is nog
niet duidelijk hoe dit precies zou kunnen. Dat staat hier ook en dat heb
ik ook gezegd. Er is sprake van complexiteit, dus laten we samen met de
minister kijken hoe we dat kunnen vormgeven.
De voorzitter:
Dat is voldoende voor de heer Flach. Dan gaan we naar de laatste spreker
van de kant van de Kamer: de heer Hoogeveen, die namens JA21 gaat
spreken. Hij heeft acht minuten aangevraagd.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank u, voorzitter. Laat ik vooropstellen dat JA21 de wens deelt om
problematische schulden bij jongeren via "koop nu, betaal later" aan te
pakken. De reikwijdte van deze wet gaat echter verder. Dit raakt meer
bedrijven. De snelheid waarmee we dit als Kamer behandelen, baart ons
zorgen.
Voorzitter. We hebben de minister in de schriftelijke ronde voor de
zomer al gevraagd naar de korte implementatietermijn. Die is al door een
aantal collega's aangekaart. De richtlijn had uiterlijk 20 november 2025
in nationale wetgeving omgezet moeten zijn, waarna oorspronkelijk een
jaar resteerde voordat de nieuwe regels vanaf 20 november 2026
daadwerkelijk zouden moeten worden toegepast. Vandaag behandelen we het
wetsvoorstel, minder dan twee maanden voor die datum. Als de wet pas
eind oktober in het Staatsblad verschijnt, resteert voor de definitieve
Nederlandse regels ongeveer vier weken in plaats van twaalf maanden. Het
kabinet erkent zelf dat de marktpartijen weliswaar al langer bekend zijn
met de richtlijn, maar dat ze weinig voorbereidingstijd hebben voor de
nationale keuzes en de daarmee samenhangende verplichtingen.
Voorzitter. Meerdere marktpartijen die hiermee te maken krijgen,
waarschuwen ervoor dat dit onvoldoende tijd is om deze wetgeving
zorgvuldig te implementeren. Ik begrijp dat de minister de datum van 20
november niet zomaar kan verschuiven, maar ik vraag hem wel om in te
zetten op een zachte landing in de handhaving. Is de minister bereid om
hierover met de AFM in overleg te treden en om te bevorderen dat er
bijvoorbeeld gedurende de eerste zes maanden sprake is van een
proportionele en risicogebaseerde handhavingsaanpak? Daarbij moet
uiteraard wel direct prioriteit liggen bij wezenlijke
consumentenbescherming, zoals de leeftijdsverificatie om minderjarigen
te beschermen, maar kan tegelijkertijd rekening worden gehouden met
bonafide ondernemers die aantoonbaar bezig zijn om hun complexe
IT-systemen en processen aan definitieve regelgeving aan te passen. Als
het kabinet voor kaarten met uitgestelde debitering wel aanleiding ziet
voor een overgangstermijn van zes maanden, waarom zou enige vorm van
overgang naar of coulance voor andere ondernemingen met grote
implementatieproblemen dan bij voorbaat onmogelijk zijn?
Voorzitter. Wij vragen ons af of de zeer brede implementatie voldoende
onderscheid maakt tussen verschillende vormen van kredietverlening.
Doorlopende constructieve kredieten, achterafbetalingen bij een webshop
en een kortlopende praktische betalingstermijn dragen niet hetzelfde
risico. Kan de minister daarom uiteenzetten in hoeverre de voorgestelde
reikwijdte ook situaties kan raken waarin geen sprake is van een
klassiek kredietproduct, maar van een praktische betaaltermijn? Denk
bijvoorbeeld aan parkeerapps, mobiliteitsdiensten of facturen voor zorg.
Onder welke omstandigheden vallen dergelijke betaalconstructies straks
wel en niet onder het kredietregime? Vindt de minister dat voor
ondernemingen voldoende duidelijk en voorspelbaar is wanneer zij
vergunningsplichtig worden?
De richtlijn kent namelijk zelf uitzonderingen voor bepaalde vormen van
kosteloos uitstel van betalingen. Voor onder meer mkb-ondernemingen
geldt onder voorwaarden een termijn van 50 dagen, terwijl voor bepaalde
grote webwinkels een 14 dagenregime geldt. Collega Van Dijk kaartte al
aan dat hetzelfde geldt voor de creditcards zoals wij die in Nederland
kennen, de zogeheten deferred debit cards, waarbij de consument het
saldo aan het einde van iedere maand volledig terugbetaalt. Waarom
worden producten met aantoonbaar verschillende kenmerken en
risicoprofielen op onderdelen toch gelijk behandeld, vraag ik de
minister.
De richtlijn geeft lidstaten namelijk expliciet de mogelijkheid om
kaarten met uitgestelde debitering uit te zonderen. Duitsland, Frankrijk
en België maken van die mogelijkheid gebruik, Nederland niet. Is de
minister bereid om nogmaals te bezien of Nederland gebruik kan maken van
de uitzonderingsbepaling in artikel 2, lid 5 van de richtlijn? Als hij
dat niet wil, waarom wegen de argumenten voor regulering in Nederland
dan zwaarder dan in de omringende landen?
Voorzitter. Dat brengt mij bij een fundamenteler punt: de afbakening van
wat onder krediet valt. In de schriftelijke behandeling is veel
discussie geweest over gewone vormen van uitstel van betaling en over de
rol van derden, bijvoorbeeld bij factoring. Het kabinet stelt dat
Nederland en Duitsland voor de uitzondering voor kortdurend uitstel van
betaling in beginsel hetzelfde regime hanteren, omdat de uitzondering
rechtstreeks uit de richtlijn volgt. Tegelijkertijd erkent het kabinet
dat de richtlijn 23 lidstaatopties en verschillende open normen bevat,
waardoor in de praktijk toch verschillen tussen landen kunnen ontstaan.
Daarom vraag ik de minister of hij risico's ziet dat ondernemingen die
economisch vrijwel dezelfde dienst aanbieden, door verschillen in
nationale implementatie of interpretatie toch onder verschillende
regimes komen te vallen. Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse bedrijven,
bijvoorbeeld bij grensgevallen, met een zwaarder regime worden
geconfronteerd dan vergelijkbare bedrijven in onze buurlanden? Kan de
minister daarnaast toezeggen dat hij bij relevante onduidelijkheden
actief afstemming zoekt met de Europese Commissie en andere lidstaten,
zodat bedrijven vooraf zo veel mogelijk rechtszekerheid hebben?
Voorzitter. Dan de kredietwaardigheidsbeoordeling. Wij waarderen het dat
de minister voor kredieten tot €100 een lichtere toets toestaat. Het is
wat ons betreft niet proportioneel als consumenten voor kleine
alledaagse aankopen onnodig een diepgaand inzicht in hun persoonlijke
financiën moeten geven. Maar die grens van €100 ligt vrijwel precies op
de gemiddelde waarde van een BNPL-transactie. Die bedroeg in 2024 zo'n
€96,60. Daarmee kan een gewone aankoop van bijvoorbeeld €120 of €130 al
buiten het expliciet lichtere regime vallen. Daarom vraag ik de minister
waarom er precies voor €100 is gekozen. Is hij bereid om te bezien of
het drempelbedrag uit artikel 113 van de Wgfo kan worden verhoogd,
bijvoorbeeld naar €150, zonder dat daarmee de bescherming tegen
daadwerkelijke overkreditering onevenredig wordt aangetast?
Voorzitter. Boven die grens is ook niet alles koek en ei. De minister
geeft aan dat de informatie die in het kader van de
kredietwaardigheidsbeoordeling wordt opgevraagd, moet worden
geverifieerd. In Duitsland en Zweden gebeurt verificatie volgens het
kabinet eveneens verplicht, maar er wordt gesproken over "verificatie op
passende wijze". In het Belgische wetsvoorstel lijkt volgens het kabinet
meer ruimte te bestaan voor een zelfverklaring van de consument.
Tegelijkertijd geldt voor de richtlijn voor alle lidstaten dat de
kredietwaardigheidsbeoordeling proportioneel moet zijn. De vraag is
daarom hoe zwaar die verificatie in Nederland bij relatief kleine
bedragen in de praktijk wordt. Neem een consument die voor €120 of €150
een paar schoenen of kleding achteraf betaalt, omdat hij of zij die
eerst wil passen en daarna retourneren. Kan de minister uitsluiten dat
bij zulke alledaagse bedragen automatisch loonstroken, volledige
bankafschriften of integrale transactiedata moeten worden aangeleverd?
Kan hij concreet aangeven wanneer een eenvoudige plausibiliteitscontrole
voldoende is en wanneer aanvullende verificatie noodzakelijk
wordt?
Kredietaanbieders moeten bij een kredietwaardigheidsbeoordeling
financiële gegevens kunnen verwerken. Dat gaat niet zonder
privacyrisico's. Bankafschriften en transactiedata kunnen buitengewoon
gevoelige informatie bevatten, bijvoorbeeld aan welke organisatie iemand
doneert, waar iemand zijn boodschappen doet of welke medische of andere
persoonlijke uitgaven iemand heeft. Wij worstelen daarom ook wel een
beetje met die proportionaliteit. Staat de verwerking van zulke gegevens
bij relatief lage kredietbedragen nog wel in verhouding tot het risico?
Hoe weegt de minister dit tegenover het beginsel van dataminimalisatie
uit de AVG? Kan hij bevestigen dat er niet meer financiële informatie
mag worden verwerkt dan voor de specifieke kredietwaardigheid
noodzakelijk is? Bij welke partijen kunnen deze gegevens terechtkomen en
hoelang mogen zij eigenlijk worden bewaard nadat de toets is uitgevoerd?
Het kabinet zegt zelf dat door de proportionaliteitsnorm naar
verwachting niet meer informatie wordt opgevraagd dan nodig is, terwijl
uit de richtlijn geen specifieke aanvullende beveiligingswaarborgen voor
die gegevens volgen. Daarom vraag ik de minister om bij de uitwerking
van artikel 13 van het BGfo maximaal ruimte te bieden aan een
risicogebaseerde aanpak: een eenvoudige controle waar dat kan en
aanvullende verificatie waar dat nodig is. Kan de minister toezeggen dat
bij verdere uitwerking van de kredietwaardigheidsbeoordeling dit
uitgangspunt leidend zal zijn?
Voorzitter. Tot slot wil ik graag stilstaan bij de kosten. Uitgesteld
betalen is voor verkopers geen gratis betalingsoptie. Aan het aanbieden
ervan zijn ook kosten verbonden, die uiteindelijk ergens moeten worden
gedragen. Valt het te overwegen en acht de minister het redelijk dat
verkopers voor specifieke kredietproducten gerichte en transparante
kosten in rekening kunnen brengen bij degene die van die dienst
gebruikgemaakt, in plaats van dat die kosten ergens verdwijnen in een
algemene prijs? Dat maakt de werkelijke kosten niet alleen
transparanter, maar het kan bovendien een bijkomend voordeel hebben: de
consument wordt aangespoord om nog eens extra na te denken voordat hij
of zij voor krediet kiest. Wat is de reactie van de minister?
Ik kijk uit naar de beantwoording. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Hoogeveen. Ik zie geen interrupties van de kant van
de Kamer. Dan kijk ik aan mijn rechterzijde naar de bewindspersonen.
Hoelang heeft u nodig voor de beantwoording van de vragen?
Minister Heinen:
Het is uiteindelijk uw oordeel. Wij kunnen over een halfuurtje of zo; we
moeten natuurlijk even heen en weer lopen. Hoe wilt u het aanpakken? We
kunnen ook proberen om het voor de lunchschorsing allemaal netjes te
beantwoorden.
De voorzitter:
Ook gezien de tijd lijkt het mij handig dat we eerst beginnen met de
beantwoording van de bewindspersonen en dat wij daarna nog kort schorsen
voor een lunchpauze, omdat het nu misschien nog wat aan de vroege kant
is. Maar ik kijk ook naar de leden. Hoe ziet u dat zelf? Mijn voorstel
zou zijn om over een halfuur verder te gaan met de beantwoording. Dan
kunnen we daarna een pauze inlassen om even een broodje te pakken. Ik
zie geknik.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik lunch altijd om 11.30 uur, dus ik vind het prima om nu een halfuurtje
te lunchen en dan in één keer door te gaan.
De voorzitter:
Een halfuur? Goed, we gaan over een halfuur verder. Voor de
duidelijkheid: dat is dus rond 11.53 uur.
De vergadering wordt van 11.24 uur tot 12.08 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedemiddag, dames en heren. Iedereen is weer aanwezig na een korte
pauze. Ik kijk even naar de leden. De staatssecretaris heeft het verzoek
gedaan of zij met voorrang één vraag uit de eerste termijn kan
beantwoorden, omdat ze daarna naar eventuele andere verplichtingen wil
gaan. Hebben de leden daar moeite mee? Meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nee, mits de appreciatie van de moties dan uiteraard ook door minister
Heinen gedaan kan worden als deze gericht zijn op een onderwerp uit de
portefeuille van mevrouw Van Bruggen.
De voorzitter:
Dat is een goed verzoek, denk ik. Ik zie bij de andere leden ook geen
bezwaren, dus we gaan in eerste instantie naar de staatssecretaris
luisteren. Die zal één vraag beantwoorden. De minister is het er volgens
mij ook mee eens.
Minister Heinen:
Voorzitter, zal ik even het debat inleiden en er wat structuur in
aanbrengen? Dan zal ik daarna het woord aan de staatssecretaris geven,
want die had inderdaad één vraag. Dan pak ik het daarna verder op. Is
dat een goed voorstel?
De voorzitter:
Dat lijkt mij prima. Gaat uw gang.
Minister Heinen:
Dank, voorzitter. Er zijn veel vragen gesteld, waarvoor dank. We hebben
het vandaag, als ik het samenvat, over de bescherming van de consument.
We hebben vaak debatten die wat meer macro-economisch van aard zijn: hoe
werkt de eurozone, hoe is ons vestigingsklimaat en werkt de financiële
sector goed? Vandaag hebben we het over de bescherming van de consument.
Daar heeft de Kamer ook vaak aandacht voor gevraagd, met name ten
aanzien van nieuwe dienstverlening, bijvoorbeeld buy now, pay later.
Maar dit is natuurlijk breder, omdat we ons ook, denk ik, in den brede
zorgen maken over schuldontwikkeling en mensen in kwetsbare posities.
Het is ook een rol van de overheid om mensen daarbij te beschermen in
het economische verkeer. Dat geldt niet alleen in Nederland; dat geldt
ook in Europa. Daar is een richtlijn voor gemaakt. Wij stellen vandaag
voor om die te implementeren. Daarbij verwerken we eerdere wensen van de
Kamer over buy now, pay later ook in deze implementatiewet. Daar komt
veel bij kijken, met name wat betreft het raadplegen van
kredietregistraties. Er komt nog een wet de kant van uw Kamer op over
hoe die kredieten worden geregistreerd. Ik snap heel goed dat de Kamer
zegt: dat hadden we het liefst tegelijkertijd gedaan. Ik zal straks wat
schetsen over het tijdpad.
Er zijn veel vragen gesteld. Ik wilde de beantwoording in de eerste
plaats via de inwerkingtreding en de handhaving doen. Dan kunnen we ook
kort stilstaan bij het proces, dus de aanloop waar ik net al een
voorschot op nam. Dan gaan we naar "buy now, pay later"-diensten op
zichzelf, waarvoor de Kamer natuurlijk ook al lang veel aandacht vraagt.
Dan komen we op de reikwijdte van de implementatiewet en de
kredietwaardigheidstoets; daarna volgt de BKR. Er komt later natuurlijk
ook nog wetgeving uw kant op, waar we verder over zullen spreken. Tot
slot heb ik nog een categorie overig.
Voorzitter. Dat betreft alle vragen die aan mij zijn gesteld, maar er
was inderdaad ook nog een vraag aan de staatssecretaris gesteld, dus met
uw goedkeuren zou ik haar graag het woord willen geven.
De voorzitter:
Dat lijkt me prima. Dan gaan we naar de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Voorzitter, hartelijk dank. Hartelijk dank ook aan de minister voor deze
introductie. Het ging bij mij inderdaad vaak over het onderdeel buy now,
pay later in combinatie met de schuldenproblematiek die we bij jongeren
zien. Ik voer dat debat ook op verschillende plekken met een aantal van
u als het gaat over armoede en schulden. Maar de minister zei het ook
al: dit wetsvoorstel is breder dan dat. Ik ben blij dat we nu met elkaar
echt de stappen zetten om onder andere het verbod op achteraf betalen
voor minderjarigen wettelijk te verankeren. Ik hoor de positieve inbreng
van een aantal van u, van: we zijn er. Dat vind ik heel mooi. De collega
van PRO gaf aan dat dit heel veel positieve effecten in zich heeft.
Tegelijkertijd zien we ook dat er een risico is. Daar is de vraag aan
mij op toegespitst. Dat gaat bijvoorbeeld over de samenloop. Je ziet een
samenloop tussen de CCD II en de Wki, waarvoor ik verantwoordelijk ben
vanuit het Burgerlijk Wetboek omtrent de consumentenkredietovereenkomst.
De genoemde toezichthouders, maar ook de ACM en het Bureau Financieel
Toezicht, hebben gezamenlijk al een samenwerkingsprotocol met afspraken
voor effectief en doelmatig toezicht. Daar zag de vraag van de heer
Ceder op. Ik kan hierbij toezeggen dat dat er dus al is. Ik kan
bevestigen dat het samenwerkingsprotocol er is en kan toezeggen dat ik
met deze toezichthouders in gesprek zal gaan over de samenloop van deze
wetten. We willen dat iedereen weet waarop de handhaving de komende
periode actief moet zijn.
De voorzitter:
Dat roept natuurlijk een vraag op bij de heer Ceder. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Daar ben ik blij mee. Ik probeer het iets te concretiseren. Zouden wij
vóór de inwerkingtreding — dat gebeurt op 20 november, tenzij minister
Heinen vandaag iets spannends zegt — geïnformeerd kunnen worden over hoe
dat er dan uitziet? Misschien kan het ook openbaar gemaakt worden, want
volgens mij is het niet zo spannend. Dan weten we voor die tijd hoe het
loopt en dan weten bedrijven ook waar ze aan toe zijn.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat kunnen we toezeggen. Het betreft namelijk het bestaande
samenwerkingsprotocol. Dat zullen we heel specifiek terugleggen bij de
Kamer, om aan te geven hoe dat eruitziet.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat de leden geen vragen meer hebben. Ik dank de
staatssecretaris voor haar inbreng en wens haar nog een productieve dag.
Dan gaan wij terug naar de minister. Hij gaat beginnen aan de
beantwoording aan de hand van de mapjes.
Minister Heinen:
Voorzitter, dank u wel. Laten we nogmaals in herinnering brengen waar we
het over hebben: hoe beschermen we consumenten? Er bestaat een
spanningsveld bij de implementatie van deze richtlijn. Enerzijds vraagt
de Kamer al langer aandacht voor hoe we met nieuwe innovaties vanuit
onze wetgevende taak bescherming kunnen blijven bieden. Tegelijkertijd
is het zo dat als je met wetgeving komt, ik heel goed de vraag snap wat
dat dan betekent voor de aanbieders, of we niet doorschieten et cetera.
Daar zit gewoon een spanningsveld. Ik zou graag dit debat willen
gebruiken voor de vraag of we de balans hebben gevonden tussen enerzijds
bescherming en anderzijds het in vrijheid laten functioneren van de
vrije economie. Ik heb de Kamer namelijk ook niet horen zeggen dat kopen
op krediet op zichzelf slecht is. Dat is onderdeel van het economisch
verkeer en consumenten willen dat soms ook heel graag, bijvoorbeeld als
ze iets online bestellen. Dan zeggen ze: "Ik doe het liever via een
derde partij, ook om mezelf te beschermen. Ik moet eerst maar eens zien
of ik het product geleverd krijg." Als we het hierover met elkaar
hebben, moeten we ook weten waar het over gaat. Uiteindelijk gaat het om
consumentenbescherming en, als ik het platsla, de vraag of we daar niet
in doorschieten. Ik zal de vraag dan ook vanuit die insteek
beantwoorden.
Laat ik eerst wat zeggen over het proces. Wij beseffen namelijk dat we
vanuit de zijde van het kabinet veel van de Kamer vragen als het gaat om
de korte deadlines die hiervoor lopen. Ik heb in interviews ook weleens
gezegd dat ik vind dat we met z'n allen harder moeten werken. Als dat
voor één directie niet geldt, is dat de directie die hierop zit. Daar
wordt echt dag en nacht door een heel team van mensen op tenen gelopen.
Als je ziet wat we elkaar, om goede redenen, aan wetgeving allemaal
aandoen vanuit Europa, maar ook nationaal, en kijkt naar de vele
terechte vragen vanuit de Kamer om aanpassingen en bijvoorbeeld
gebruikmaking van lidstaatopties, wordt er echt heel hard gewerkt.
Mensen proberen dat allemaal op tijd klaar te hebben. Tegelijkertijd
hebben wij in Nederland hele zorgvuldige wetgevingstrajecten. We doen
natuurlijk aan internetconsultaties, waarin iedereen kan reageren. We
toetsen het bij de Autoriteit Persoonsgegevens, het ATR en de Raad van
State, en natuurlijk in een goede parlementaire behandeling met
schriftelijke rondes en vragen. In de tussentijd proberen we ook recht
te doen aan uw rol, waarin u het kabinet aanjaagt om haast te maken. Een
doorlooptijd van twee jaar voor een wet is dan voor een mens natuurlijk
heel lang. Als je twee jaar lang op een keuken zou moeten wachten, denk
je: dat accepteer ik niet. Bij een wet is dat helaas vaak wel het geval,
laat staan als het dan ook nog eens een richtlijn is die door mijn team
op het ministerie wordt geduid als een van de meest complexe richtlijnen
waaraan is gewerkt, ook vanuit Europa. Er staan heel veel uitzonderingen
en heel veel lidstaatopties in, waar wij deels ook weer gebruik van
willen maken. Wij moeten ook bij de toezichthouders, alle betrokkenen en
alle veldpartijen toetsen of we wel het goede doen. Daar zit dus gewoon
ontzettend veel werk in. Dat neemt niet weg dat wij op tijd moeten zijn.
Ik schets alleen de context waarom we het vandaag bespreken. Er zijn ook
een aantal specifieke vragen over gesteld, die ik wil langsgaan.
Ik begin bij de heer Ceder, precies op dit punt. Hij vroeg: wat is dan
het risico op een inbreukprocedure en wat voor consequenties heeft dat?
We moeten eerlijk bekennen dat er al een inbreukprocedure loopt, wegens
het overschrijden van de implementatiedeadline. Ik heb uw Kamer daarover
op 13 april 2026 geïnformeerd. Dit is even in formele zin. De volgende
stap die de Europese Commissie kán zetten, is het starten van een zaak
bij het Europese Hof van Justitie, wegens te late implementatie. In zo'n
zaak kan in ultieme vorm natuurlijk ook een boete worden opgelegd. De
hoogte is dan afhankelijk van de ernst en de duur van de inbreuk. Ik zeg
daar wel bij dat er nauw contact is met de Europese Commissie over de
voortgang van de implementatie. Iedereen ziet dat hier hard aan wordt
gewerkt. Nogmaals, dank aan de zijde van de Kamer dat we dit vandaag
behandelen. Het is namelijk de week waarin we ook de Algemene Financiële
Beschouwingen hebben. Er wordt dus ook veel van u gevraagd in de
voorbereiding. Dit is even de formele kant van de zaak. Wij hopen
natuurlijk dat het nooit zover zal komen. We blijven ook in goed contact
staan met de Commissie. Er wordt ook gezien dat we hier serieus mee
bezig zijn en het zorgvuldig willen doen.
De heer Ceder vroeg ook waarom het überhaupt zo lang heeft geduurd
voordat de wet bij de Kamer lag. Ik heb er net al in algemene zin wat
over gezegd. Meer specifiek: een implementatietermijn van twee jaar is
binnen het Nederlandse wetgevingstraject sowieso heel krap; dat is ook
goed om te beseffen. Voor deze complexe richtlijn gold dat des te meer.
Er zijn 23 lidstaatopties, die allemaal apart beoordeeld dienen te
worden en ook beoordeeld zijn. Ook is op sommige punten een nationale
invulling nodig geweest. Denk bijvoorbeeld aan regels over maximale
kosten en over raadpleging van het BKR. Parallel is met de Kamer een
debat gevoerd over de zorgen rond buy now, pay later. Dit heeft ook
geleid tot de wens van de Kamer voor een leeftijdsverbod onder de 18
jaar. Daar is de implementatiewet op aangepast. Dat allemaal tezamen
heeft geleid tot vertraging. Ik zeg dat echt met de grootste waardering
voor het team dat hier hard aan heeft gewerkt, maar u kunt mij
natuurlijk altijd aanspreken als ik wetten te laat naar uw Kamer
stuur.
Meerderen van u, waaronder de heer Flach, de heer Ceder en volgens mij
ook mevrouw Van Eijk, vroegen: kunt u dan een plan schetsen tot de
inwerkingtreding van de wet op 20 november? Hoe ziet dat er precies uit?
We zetten nu alles op alles om de wet, het besluit en de regelingen zo
snel mogelijk in werking te laten treden. De publicatie van de wet zal
in het gunstige geval op 17 december zijn. Dat hangt wel af van de
parlementaire behandeling. Dat gaan we gewoon zorgvuldig doen. Als de
wet door de Tweede Kamer is aangenomen, gaat het besluit voor advies
naar de Raad van State. Ik ga de Raad van State ook vragen om dit advies
met prioriteit te behandelen. De regeling wordt nu geconsulteerd en
vergt geen advies van de Raad van State. Dat nemen ze natuurlijk goed
mee in dit hele traject. Zodra de wet klaar is, kan de regeling dan ook
gepubliceerd worden. De AFM — dat is denk ik waar de Kamer naar vroeg —
houdt er dus rekening mee dat de regels pas net bestaan en zal dat in
die context beoordelen.
Daar zijn ook vervolgvragen over gesteld, voorzitter, dus die maak ik
even af. Mevrouw Van Eijk vroeg wat de consequenties zijn als 20
november niet wordt gehaald. In het gunstigste geval zal de wet er 17
december zijn. De Europese Commissie kan dan besluiten een zaak te
starten; daar ga ik even niet van uit. Maar feit is dat consumenten
minder beschermd zijn als de wet later in werking treedt. Wij willen
natuurlijk die leeftijdsgrens. Daar heeft de Kamer ook vaak toe
opgeroepen. Ik weet dat mevrouw Van Dijk eerder al vaak zei: ik vind
überhaupt dat het te lang duurt voordat we naar de leeftijdsgrens kunnen
gaan. Ik denk dat we dus allemaal zien dat het zaak is om het zo snel
mogelijk te behandelen, maar nogmaals: daarvoor is het ook nodig dat het
kabinet dat tijdig bij u aanbiedt.
Dan de vraag of geheel uitstel van de wet mogelijk is met uitzondering
van leeftijdsverificatie en reclameregels. De heer Ceder vroeg daarnaar.
Algeheel uitstel van de wet op een paar bepalingen na is technisch heel
complex en foutgevoelig. Ik vind het daarom onwenselijk, moet ik er
eerlijk bij zeggen. Dat gaat in tegen de richtlijn en verhoogt het
risico op een zaak bij het Europees Hof van Justitie en dus ook een
boete. Daarnaast — dat is misschien belangrijker, los van de zwaarte van
zo'n boete — is het gewoon onwenselijk in het kader van de
consumentenbescherming, die echt breder is dan alleen de
leeftijdsverificatie en reclameregels. De AFM heeft aangegeven bij het
toezicht rekening te houden met late implementatie. Die voorziet dus ook
in een ingroeipad. Maar ik denk dat het wel zaak is om geen knippen te
maken en om te proberen deze wet nu in zijn geheel verder te
brengen.
Ook de heer Hoogeveen had in het verlengde hiervan een vraag, namelijk
of ik met de AFM in overleg wil om duidelijkheid te verschaffen over de
handhaving in de maanden na inwerkingtreding. De AFM heeft al aangegeven
ruimte te zien om in haar toezicht rekening te houden met de tot nu toe
beperkte duidelijkheid en de bekendheid van nieuwe normen in de markt.
De AFM ziet dus een ingroeipad voor zich in het toezicht. Indien de AFM
ziet dat bepaalde handelingen niet voldoen aan de normen of
verwachtingen, zal die eerst het gesprek aangaan met partijen en daar
niet gelijk heel hard op ingaan. Uiteindelijk moeten we het natuurlijk
aantrekken in het belang van consumentenbescherming, maar iedereen ziet
dat we dit ook zorgvuldig moeten doen in de richting van marktpartijen,
die ook de tijd moeten hebben om dat allemaal te implementeren.
Ik hoop dat mijn stem het overleeft tot het einde van dit WGO. Dan waren
er nog twee vragen over dit punt.
De voorzitter:
Sorry, minister, er is een interruptie voor u van meneer Ceder.
Minister Heinen:
Dat helpt. Dan kan ik een slok water nemen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Fijn dat dit ook al loopt en dat de AFM, die natuurlijk onafhankelijk
is, daar kennelijk oog voor heeft en goed in gesprek is met de regering.
Ik zou het graag concreter willen hebben. Ik heb volgens mij ook
geopperd om bijvoorbeeld een overgangsregime van ongeveer zes maanden af
te spreken, niet in de wet, maar wel in de handhaving. De reden daarvoor
is dat je bedrijven dan ruimte geeft en dat je ze duidelijkheid geeft
over hoe daarmee om te gaan. Mijn vraag is of de minister in ieder geval
kan toezeggen — anders heb ik daar een motie voor — dat hij in ieder
geval dat gesprek met de AFM gaat voeren, om te kijken in hoeverre je
daarover openlijk kan communiceren. Uiteraard moet iedereen zich aan de
wet houden, maar het is ook een beetje gek dat er coulance wordt
afgekondigd zonder dat duidelijk is wanneer die ophoudt, ook gezien het
om heel grote bedragen gaat. Mijn vraag is of de minister in ieder geval
kan toezeggen dat verder te concretiseren. Wat de ChristenUnie betreft
lijkt zes maanden een prima tijdsperiode.
Minister Heinen:
Kijk, de AFM is natuurlijk onafhankelijk. Ik vind het dus lastig om
vanuit mijn rol een harde termijn voor te schrijven voor hoe zij hun
werk moeten doen, maar ik denk dat de AFM u ook goed heeft gehoord. Laat
ik dit in ieder geval in de gesprekken met de AFM naar voren brengen en
de AFM vragen hierover te communiceren. Ik zal de AFM de wens van de
Kamer meegeven. Ik heb natuurlijk niet de bevoegdheid om de AFM op dit
punt instructies mee te geven of om dat af te dwingen, maar in de
contacten die wij hebben met de toezichthouder, wordt dit punt echt wel
erkend. Ik zal de AFM ook vragen duidelijk te communiceren over hoe die
dit ziet.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Fijn. Mijn vraag is dan ook of de minister bereid is om de Kamer
daarover een terugkoppeling te geven. Ja, ik weet dat de AFM
onafhankelijk is. Daar gaat het niet om, maar het gaat meer over de
uitkomst daarvan, zodat voor iedere consument, voor ieder bedrijf en
voor de Kamer duidelijk is wat wel of niet het regime is. Kan ik dat als
toezegging beschouwen?
Minister Heinen:
Dat zal ik doen. Dat is bij dezen de toezegging. Ik erken uiteraard dat
er bij de Kamer geen enkele twijfel is over de onafhankelijkheid. Ik
hechtte eraan dat de toezichthouder, mocht die het debat volgen, van
ons, zowel van het kabinet als van de Kamer, hoort dat we haar
onafhankelijkheid zien en borgen met elkaar.
Voorzitter. De laatste vraag op dit punt was van mevrouw Van Eijk. Die
ging specifiek over achterstanden bij vergunningverlening. Ze vroeg of
die er überhaupt zijn. Alle vergunningaanvragen die nu bij de AFM zijn
ingediend, worden op tijd behandeld. Marktpartijen die nog een aanvraag
moeten indienen, krijgen mogelijk pas na inwerkingtreding van de CCD II
hun vergunning. Als dit laatste het gevolg is van onduidelijkheid in de
wetgeving, gaat de AFM hier ook coulant mee om, hebben ze laten
weten.
Voorzitter. Nu wil ik specifiek gaan naar de "buy now, pay
later"-dienstverlening.
De voorzitter:
Ik kijk heel even naar de leden. Volgens mij zijn alle vragen
hieromtrent beantwoord. Dan kunt u naar het volgende onderwerp.
Minister Heinen:
Ik heb dit onderwerp bovenaan de stapel gelegd, omdat dit het
belangrijkste onderwerp aan de zijde van de Kamer is, denk ik. Mocht de
heer Ceder een telefoontje krijgen, hoeft hij nu niet in spanning te
wachten totdat dit aan bod komt.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Heel fijn.
Minister Heinen:
Er zijn veel vragen gesteld. Ik loop ze gewoon allemaal af en ik hoor
het wel als er een aanleiding is voor aanvullende vragen.
Ten eerste, de leeftijdsgrens. De heer Flach heeft gevraagd: zou je die
grens niet nog hoger moeten leggen, bijvoorbeeld naar 21 jaar? Dat zijn,
zoals hij dat noemt, jongvolwassenen. Laat ik nog één stap terugdoen. Ik
herken de informatie die de heer Flach naar voren bracht, namelijk dat
transacties van jongvolwassenen vaker worden overgedragen aan
incassobureaus en dat zij vaker dan gemiddeld financieel ongezond zijn.
Dat is gewoon niet goed. De wet pakt dit ook aan. We zien dit ook echt
als een onwenselijke ontwikkeling. Bovenop het leeftijdsverbod voor
minderjarigen, dus onder 18 jaar, zullen er ook andere strengere regels
gelden. Zo moet een kredietaanbieder de kredietwaardigheidstoets
uitvoeren en gaat er een maximum gelden voor de kosten die in rekening
worden gebracht. We gaan daar straks nog uitvoeriger over spreken. Ik
verwacht dat de strengere kredietregels de verlening van kredieten aan
jongvolwassenen en ook de achterstanden bij jongvolwassenen beperken. De
leeftijdsgrens is dus een eerste stap, maar het is niet zo dat we
daarboven niks doen. Ook daarboven zal strenger beoordeeld moeten
worden.
Wij denken dus dat dit nu de goede stap is om te zetten. Ik denk wel dat
we heel goed in de gaten moeten blijven houden hoe deze ontwikkelingen
gaan als het gaat om stapeling van achterstanden, het overdragen aan
incassobureaus en de financiële ongezondheid van jongvolwassenen. Ik zou
zeggen: laten we deze stap in ieder geval zetten, met alles wat
hierachter hangt, maar dit wel heel goed monitoren. Ik denk dat het goed
is dat wij de Kamer regelmatig informeren over wat we zien gebeuren.
Aanscherping van wetgeving kan altijd, maar ik zou zeggen: laten we nu
deze stap zetten.
Ik vind een leeftijdsverhoging naar 21 jaar wel vrij ver gaan, omdat een
verbod van buy now, pay later tot 21 jaar ook niet helemaal strookt met
het uitgangspunt dat burgers vanaf 18 jaar handelingsbekwaam zijn. Ze
kunnen ook een huis kopen, een creditcard aanschaffen of zelfs het leger
in gaan. Het is dus raar als je wel een huis mag aanschaffen, maar geen
gebruik kan maken van buy now, pay later. Er gaan namelijk ook veel
dingen goed. Het is een financiële innovatie waar consumenten ook
tevreden over zijn. Het is ook mooi dat er in het economische verkeer
allemaal nieuwe initiatieven ontstaan. Laten we dus niet doen alsof het
allemaal schandalig is. Het draagt ook bij aan efficiëntie in het
economische verkeer. Op basis van de Grondwet moet een verbod tot 21
jaar wel echt noodzakelijk en proportioneel zijn. Dit is echt een hele
hoge drempel, die goed onderbouwd moet worden om, zoals dat formeel
heet, leeftijdsdiscriminatie te voorkomen.
Wij zien onvoldoende onderbouwing om de leeftijdsgrens voor buy now, pay
later op 21 jaar vast te leggen. Ons voorstel zou dus zijn: deze stap
zetten en heel goed monitoren. Aanscherpen kan altijd, maar wellicht
zijn daar andere instrumenten voor nodig. Daar kom ik zo ook over te
spreken. Denk bijvoorbeeld aan financiële educatie.
De heer Flach (SGP):
Ik hoor goed wat de minister zegt. 18-jarigen mogen zelfs stemmen en je
ziet waar dat toe leidt. Nee hoor, haha. Laat ik het daarbij
laten.
Ik snap de redenering. Tegelijkertijd hoor ik de minister niet zeggen
dat het juridisch niet kan. Hij beargumenteert uitgebreid waarom hij het
niet wenselijk vindt op dit moment. Misschien is de vergelijking niet
goed, hoor, maar we hebben ook een apart regime voor bijvoorbeeld
rijvaardigheid, zelfs tot 24 jaar. Juist omdat je ziet dat veel
aanbieders zich richten op die jongere groep via social media, dat er
aparte inzet plaatsvindt op die jongeren en ze ook bovengemiddeld veel
in de problemen raken, zou je ook kunnen beargumenteren dat het wel
proportioneel is. Ik snap ook dat je mensen die een huis mogen kopen,
niet kunt verbieden om voor €300 een telefoon — ik noem maar wat — aan
te schaffen via afbetaling. Zegt de minister dus dat het niet wenselijk
is of zegt hij dat het eigenlijk gewoon niet kan?
Minister Heinen:
De zwaarwegende onderbouwing om de grens bij 21 jaar te leggen, zien wij
niet. Ik grijp even terug naar mijn inleiding bij dit wetgevingsoverleg.
Uiteindelijk is consumentenbescherming het doel. Een leeftijdsgrens is
daar onderdeel van. We zien dit vooral bij jongeren, dus we achten de
grens bij 18 jaar verstandig. Het is niet zo dat daarboven niks gebeurt.
Er komen nieuwe kredietregistraties, eisen aan raadpleging en regels
voor reclame. We zetten ook in op financiële educatie. We nemen een heel
palet aan maatregelen om de financiële weerbaarheid van jongvolwassenen
te versterken. Een leeftijdsgrens is niet de enige maatregel die je
daarvoor kunt inzetten. Wij vinden dit een erg zwaar instrument en
zeggen: start met 18 jaar. Laten we aan het einde van dit
wetgevingsoverleg het totaal aan maatregelen goed wegen en kijken of het
bijdraagt aan de financiële weerbaarheid van jongeren.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik wil het nog even hebben over dit punt. Ik gaf de heer Flach een
beetje op zijn kop, maar ik ben niet te klein of te groot om mijn keutel
indien nodig in te trekken. Zegt de minister dat dit volgens de
richtlijn een van de knoppen is waar je aan kunt draaien en dat dit
technisch gezien een amendement is dat mag van Europa? Als ik de
argumenten van de minister en van de heer Flach weeg, dan vind ik dit
best wel een sympathiek voorstel.
Minister Heinen:
Dit heeft niks met de richtlijn te maken, want dit is iets wat wij
nationaal doen. De Grondwet kijkt vooral naar de proportionaliteit. Wij
zien de onderbouwing niet om te kunnen beargumenteren waarom
leeftijdsdiscriminatie zo zwaar van toepassing is op deze specifieke
dienstverlening. We komen zo nog te spreken over buy now, pay later. De
grens met een creditcard vervaagt steeds meer. Die kun je ook gewoon
aanvragen. Nogmaals, je mag wel op je 18de een huis kopen en creditcards
aanvragen, maar voor deze specifieke dienst moet je 21 zijn omdat we als
politiek vinden dat dit instrument niet wenselijk is. Dan ga je als
politiek echt heel ver. Het is natuurlijk uiteindelijk aan de Kamer,
maar wij zien niet hoe je dit juridisch onderbouwd krijgt. Maar dat
heeft niks met de richtlijn te maken. Het gaat dan voornamelijk om onze
nationale wetgeving.
Voorzitter. Ik ga door, want er zijn meer vragen over dit thema gesteld.
Sorry, ik had een klein onderonsje buiten de microfoon. Onder anderen
mevrouw Van Dijk vroeg naar de kwetsbaarheid van jongvolwassenen bij buy
now, pay later en naar hoe het zit in andere lidstaten. Is het daar ook
een onderwerp van discussie? In het wetgevingsproces is eerder aan
andere lidstaten gevraagd of zij aanvullende maatregelen overwegen tegen
buy now, pay later voor jongvolwassenen, in het licht van de discussie
die we hier nu hebben. Dat is niet het geval. Het onderwerp lijkt vooral
in Nederland te leven. Naar ons weten is alleen van België bekend dat
zij net als Nederland een "buy now, pay later"-verbod voor personen
onder de 18 jaar invoeren.
Nederland loopt heel erg voorop in Europa als het gaat om financiële
innovatie en überhaupt om digitalisering. Het is niet zo dat de
discussie in andere landen niet speelt, maar misschien spelen sommige
discussies hier eerder dan in andere lidstaten. Als u op vakantie bent
in andere lidstaten, dan ziet u hoe ongelofelijk gedigitaliseerd onze
samenleving is. Je hoeft maar naar Duitsland te gaan en de schoteltjes
met munten liggen op het tafeltje. Ik moet er zelf ook aan wennen dat je
überhaupt geen portemonnee meer bij je hebt. Nederland is een heel
gedigitaliseerd land. Dat heeft voordelen, maar er komen ook nieuwe
vraagstukken naar voren, zoals buy now, pay later. Naar ons weten loopt
Nederland hierin voorop, maar ik wil daarmee niet suggereren dat
Nederland strenger is dan de ons omringende landen. Het kan ook zijn dat
sommige discussies hier eerder spelen dan in de ons omringende landen.
Ik zie ook op andere fronten, bijvoorbeeld bij het witwasdossier, dat
bepaalde problematiek hier eerder speelt. Ik zie dat bij andere
lidstaten nu langzamerhand ook het besef komt "wat gebeurt er?", terwijl
wij hier al jaren zien dat dat is doorgeschoten. Dit is het antwoord op
de vraag van mevrouw Van Dijk.
In het verlengde daarvan vroeg mevrouw Van Dijk of er mogelijkheden zijn
om met andere lidstaten op te trekken rondom extra maatregelen voor
jongvolwassenen, bijvoorbeeld bij een toekomstige evaluatie van de
richtlijn. Ja, dat blijven we doen. Er wordt op dit punt door andere
lidstaten ook naar Nederland gekeken: wat gebeurt daar en kunnen we daar
lessen uit trekken? Meer in algemene zin kan ik u zeggen dat alle
consumenten door deze wet natuurlijk beter worden beschermd tegen
onverantwoord lenen en financiële problemen, dus ook jongvolwassenen. Ik
verwees er net al naar dat we dit goed moeten blijven monitoren. Indien
uit cijfers blijkt dat de regels niet goed werken, trek ik natuurlijk
graag samen met andere lidstaten op om deze problemen aan te pakken. Dat
speelt op dit moment nog niet, omdat eigenlijk alle landen nog bezig
zijn met de huidige implementatie of die net hebben afgerond. Dat was
het ten aanzien van de leeftijdsgrens.
De heer Schoonis had een vraag over de methodiek. Kan er een vaste
methode komen voor de handhaving van de leeftijdsgrens voor achteraf
betalen? Hij vroeg ook hoe de privacy van consumenten wordt gewaarborgd.
Nu ziet u al gelijk weer de spanning in dit debat. Het wetsvoorstel
schrijft nu nog geen vaste methode voor. Op grond van de AVG zijn
aanbieders wel verplicht om bijvoorbeeld aan dataminimalisatie te doen
en de beveiliging op orde te hebben. Dat loopt dus weer via andere
wetgeving. Ik wil daarnaast ook voorkomen dat de wet nu een specifieke
methode voorschrijft, die vervolgens alweer heel snel achterhaald is.
Dat zie je natuurlijk vaak bij financiële innovaties: hoe meer je
inregelt, hoe makkelijker het toch ook weer is om die te omzeilen. De EU
gaat overigens mogelijk ook voorschriften stellen als het gaat om
leeftijdsverificatie. Het wetsvoorstel bevat wel een grondslag om in een
besluit nadere regels te stellen voor leeftijdsverificatie. Als blijkt
dat extra veiligheidsvoorschriften nodig zijn, kunnen we die uiteraard
altijd snel invoeren, maar voor nu hanteren we op dit punt nog een open
norm.
De heer Schoonis (D66):
Dank voor het antwoord. Ik snap de afweging natuurlijk ook. De minister
zei al dat we hierin eigenlijk een voorloper zijn. Kan dit misschien dus
juist ook een kans zijn voor Nederland om deze voorzet te geven en dat
we dan kijken hoe daarop wordt gereageerd? Volgens mij kan je het ook
van die kant bekijken. Dat is mijn vraag aan de minister.
Minister Heinen:
Zeker. Wij nemen dat ook mee in onze Europese overleggen. Desgevraagd
kunnen wij ook best practices delen.
De heer Schoonis (D66):
Als dat een kleine toegeving is, dan …
De voorzitter:
Een soort toezegging zoekt u, begrijp ik dat goed?
De heer Schoonis (D66):
Ja, precies.
Minister Heinen:
Uiteraard, voorzitter. Dan had de heer Schoonis nog een vraag over de
reclames. Hij vroeg specifiek of reclame die het gemak van krediet
benadrukt nog is toegestaan. Het korte antwoord daarop is nee. In het
wetsvoorstel is gebruikgemaakt van de lidstaatoptie in de richtlijn om
dit soort reclames te verbieden. De richtlijn bevat dwingende regels
over kredietreclame. Lidstaten kunnen hier niet van afwijken. Een "buy
now, pay later"-reclame mag bijvoorbeeld niet meer gericht zijn op
minderjarigen. De reclame moet passen bij de doelgroep. Minderjarigen
zijn dat niet meer, omdat BNPL voor hen via deze wet verboden wordt. De
AFM houdt toezicht en kan optreden als reclame niet aan de wettelijke
eisen voldoet.
In het verlengde hiervan vroeg de heer Flach waarom er geen extra regels
gelden voor reclames die gericht zijn op jongeren, bijvoorbeeld via
social media. De reclameregels gelden voor alle reclamevormen, ongeacht
het kanaal, dus ook voor influencers en in apps. De AFM houdt toezicht
en kan optreden als reclame niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Dan ga ik even door, want er waren meer vragen op dit punt. De heer
Flach stelde de retorische vraag of het niet raadzaam is om juist extra
waarborgen in te voeren voor reclames die gericht zijn op een kwetsbare
doelgroep. Er gelden al regels voor reclames. Een "buy now, pay
later"-reclame mag zich bijvoorbeeld niet meer richten op minderjarigen.
Nogmaals, een reclame moet passen bij de doelgroep en jongeren zijn dat
in dit geval niet. In die zin is het als gevolg van deze wet dus al vrij
gericht.
Dan had mevrouw Van Dijk, en ik geloof ook de heer Ceder, een vraag over
de fysieke winkels. Ik weet dat mevrouw Van Dijk daar al langer aandacht
voor vraagt, vanuit de zorg dat we via andere vormen aan het
overcrediteren zijn. Meer specifiek vraagt mevrouw Van Dijk of ik het
niet wenselijk vind dat buy now, pay later straks een normale
betaalmogelijkheid wordt bij de fysieke kassa. Wat kunnen we daar
eventueel in Europees verband aan doen? Nogmaals, er zijn straks
strengere regels voor buy now, pay later. Dat geldt ook zoals ze in de
winkels worden aangeboden. Dat weet mevrouw Van Dijk ook. Een algeheel
verbod voor buy now, pay later in winkels is echter niet mogelijk. Dat
laat de richtlijn niet toe. Ik begrijp natuurlijk wel de zorg. Ik zal
dit ook onder de aandacht blijven brengen bij andere lidstaten en de
Europese Commissie. Mogelijk kan het ook mee in de Europese evaluatie
van de richtlijn in 2029. Ik zal het ook daar vragen. Ik zeg er ook
nogmaals bij, ook naar aanleiding van mijn inleiding van het
wetgevingsoverleg, dat het uiteindelijk gaat om consumentenbescherming
en dat het daarom ook belangrijk is dat we kijken naar de
kredietwaardigheid van de consument. Kan die überhaupt een krediet
krijgen? Als die kredieten heeft, hoe voorkomen we dan dat er
overcrediteringen zijn? Wat betreft de dienst op zichzelf zit er
uiteindelijk niet zo heel veel verschil meer tussen een creditcard en
een buy now, pay later. Het heeft een fancyere naam. De drempel was
laag. We vinden met elkaar dat die te laag was, dus daar grijpen we nu
ook op in. Op zich is op krediet kopen natuurlijk een economische
activiteit die niet verboden is en ook niet per se slecht hoeft te zijn.
Het kan ook leiden tot efficiëntie in het economische verkeer of het kan
ertoe leiden dat consumenten daar voorkeur aan geven. Als een consument
via andere methoden wil betalen, moet dat op zichzelf mogelijk zijn. We
moeten vooral voor ogen houden of we niet aan het overcrediteren zijn en
het gemak van kopen op krediet te veel aan het stimuleren zijn. Daar
zoeken we natuurlijk het evenwicht in.
De heer Bushoff (PRO):
Ik heb eigenlijk twee vragen. Mijn eerste gaat over het vorige punt, die
reclame. Als ik het goed begrijp, is het inderdaad zo dat zo meteen
reclame richten op minderjarigen niet meer mag, maar Europa biedt
eigenlijk geen ruimte om strengere reclameregels wat betreft volwassenen
in te stellen, of althans geen ruimte om een verbod op "buy now, pay
later"-reclames in te stellen. Klopt dat, vraag ik de minister. Is hij
bereid om zich in ieder geval daar sterker voor te maken? Ik vind dat
namelijk onwenselijk. Dat is de eerste vraag. De tweede komt zo.
Minister Heinen:
Het korte antwoord daarop is: ja. Ik wil daar uiteraard aandacht voor
blijven vragen, want ik zie dezelfde risico's. Het echt targeten op
jongeren, bijvoorbeeld via socialmediakanalen — ik zie sowieso vrij
beperkt succes van social media — kan gewoon echt niet meer, dus dat
bepaalde apps heel doelgericht zeggen: dit is makkelijk, dus koop je
concertkaartje en doe het snel.
De voorzitter:
Uw tweede vraag, meneer Bushoff.
De heer Bushoff (PRO):
Helder, dank. Het is fijn dat de minister zich daar ook in Europees
verband hard voor wil maken, want ik denk dat dat nodig is. De tweede
vraag ziet eigenlijk op de mogelijkheid om in de fysieke winkelstraat
nog wel op afbetaling aankopen te kunnen doen. Stel je voor dat een
Klarna van deze wereld, een dergelijke dienst, een fysiek loket in zo'n
winkelstraat opent om de regels te omzeilen en dergelijke. Als dat soort
geitenpaadjes worden gezocht, biedt de huidige wet- en regelgeving die
we hebben dan voldoende mogelijkheden om die geitenpaadjes tegen te
gaan? Ziet de minister dat soort risico's? Of zijn die risico's er
volgens de minister überhaupt niet?
Minister Heinen:
Een econoom ziet altijd risico's met elkaar. Er zit geen onderscheid
tussen fysiek en online. Dat vervaagt. De regels gelden in elke vorm.
Ook als er andere vormen worden gekozen, zal er in elke vorm een
krediettoets, of in ieder geval die raadpleging moeten zijn. We komen zo
op de vraag of we met elkaar de grenzen goed hebben gelegd, maar die zal
sowieso plaats moeten vinden. In de wet is daarom gekozen voor een open
norm, zodat de toezichthouder hierop kan inspringen. Misschien worden er
vormen gevonden die nu we nu nog niet kennen. Dan is het aan de AFM om
daarover aan de bel te trekken. Op het moment dat wij zien dat we niet
meer kunnen handhaven omdat we de toekomst niet kunnen voorspellen, is
er aanleiding voor aanvullende wetgeving. De richtlijn beidt wel
mogelijkheden om het later aan te scherpen als dat nodig is. Als de
richtlijn dat niet doet, zal ik mij er in Europa hard voor maken om dat
aan te passen. Nogmaals, ik merk dat het belang van het beschermen van
consumenten op één staat. Overcreditering bij specifiek jongvolwassenen
willen we met elkaar voorkomen. Dat is, zoals de Engelsen zouden zeggen:
bipartisan. Dat belang ziet iedereen.
De heer Bushoff (PRO):
Op dit punt dan nog. Dus als ik het goed begrijp, kan de AFM gewoon naar
eigen inzicht handhaven op het moment dat het eigenlijk niet goed gaat.
Ik denk dat dat een geruststelling is. Tegelijkertijd is het natuurlijk
is zo dat er in de toekomst best geitenpaadjes gevonden kunnen worden
die we nu nog niet voorzien. De minister zei dat er in Europees verband
een evaluatie van deze richtlijn wordt gedaan, maar wat gebeurt er op
nationaal niveau om dit soort geitenpaadjes te kunnen dichten als wij
die op een gegeven moment bemerken?
Minister Heinen:
Ik zit even te denken hoe we die evaluatie nationaal kunnen doen. Ik
denk dat het goed is om dat ook nationaal te doen, want je wil
natuurlijk voorkomen dat het probleem in Europees verband niet wordt
gezien, maar door ons specifiek in Nederland wel. Daar vraagt de heer
Bushoff ook naar Laten we daar dan ook samen in oplopen. Ik kan een
voorstel naar de Kamer sturen. U kunt het ook amenderen. Ik weet niet of
dat in de wet kan met een horizonbepaling. Maar goed, laten we met
elkaar afspreken dat we het belang zien. Ik heb net toegezegd dat ik
terugkoppel wat er uit het gesprek met de AFM komt. Ik zal ook aan de
AFM vragen: hoe ziet u dit en wat lijkt u een goed moment om dit
evalueren of om aan de bel te trekken? Daar zal ik ook over
communiceren.
De voorzitter:
We voegen dit toe aan de toezegging die net is gedaan. Ik zie de heer
Schoonis, maar ik zag de heer Ceder eerst. Is uw vraag hieraan
gerelateerd, meneer Ceder?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag gaat over "buy now, pay later"-betalen op straat.
De voorzitter:
Meneer Schoonis, zit uw vraag dichter bij het onderwerp? Dat is het
geval. Dan gaan we eerst naar de heer Schoonis en daarna naar de heer
Ceder.
De heer Schoonis (D66):
Nog even voor de duidelijkheid het volgende. Ik gaf als voorbeeld het
online gokken. Voor meerderjarigen zouden we dus ook een verbod op
influencers kunnen krijgen in apps? Begrijp ik dat goed, dus voor
jongvolwassenen?
Minister Heinen:
Voor minderjarigen, dus onder de 18, geldt dat verbod. Dat geldt dus ook
in de vorm zoals u het beschrijft. Ik moet zo even terugkomen op hoe het
zit met de reclameregels voor jongvolwassenen. Daar kom ik in de tweede
termijn op terug.
De heer Schoonis (D66):
Ik vraag het even specifiek, omdat het voorbeeld van online gokken is
gegeven.
Minister Heinen:
Daar gelden weer andere reclameregels voor. Die heb ik hier niet bij de
hand. Ik wil u goed informeren, dus we checken even hoe dat zit. Over
wat we van online gokken vinden, hebben natuurlijk weer een heel ander
debat. Dat is niet specifiek dit punt. Ik weet dat we hier recent een
heel debat over hebben gevoerd. We vragen aan de ambtenaren om dat terug
te halen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag gaat over het "buy now, pay later"-betalen op straat. Ik
hoorde de minister, maar omdat we volgens mij de ontwikkeling zien dat
alle "buy now, pay later"-bedrijven overgaan naar doorlopende kredieten,
ontstaat er een grote economische wissel. Heel veel meer jongeren gaan
namelijk een doorlopend krediet aannemen dan voorheen het geval is
geweest. Ik snap dat dat innovatie is. Innovatie kan je niet
tegenhouden, maar ik vraag me wel af in hoeverre we voldoende beducht
zijn op deze ontwikkeling en op het punt dat jongeren niet weten dat ze
een doorlopend krediet aanschaffen en om die reden over een paar jaar
met de gevolgen geconfronteerd worden. Mijn vraag is dus of de minister
erkent dat, even los van de punten die hij net aanstipte, er wel
degelijk een grote verschuiving dreigt plaats te vinden. De vraag is ook
of dat wenselijk is.
Minister Heinen:
Ik kwam inderdaad op deze vragen van de heer Ceder. Hij vroeg naar die
doorlopende kredieten van honderden euro's per maand en hoe we deze
ontwikkeling zien. Ik heb vernomen dat ook "buy now, pay
later"-aanbieders overwegen om over te stappen naar doorlopende
kredieten of dit al hebben gedaan. Dit kan er inderdaad voor zorgen dat
meer mensen straks een doorlopend krediet hebben en meer op krediet gaan
kopen. Daar staat tegenover dat de kredietwaardigheidsbeoordeling en het
achterstandsbeheer bij een hoger, doorlopend krediet strenger is dan bij
kleine enkele "buy now, pay later"-transacties. De consument wordt bij
een doorlopend krediet dus beter beschermd. Dat is de aanscherping die
we hier voorstaan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Hoe voorkomen we dat we over twee jaar een nieuwsbericht krijgen over
het aantal jongeren dat verschrikt is omdat ze geen hypotheek meer
kunnen krijgen omdat ze een paar sokken van €30 hebben gekocht, niet
wetende dat het niet om €30 gaat, maar om een doorlopend krediet van —
ik noem maar wat — €300? Ik vraag me af of wij hier nu niet te naïef
denken over de gevolgen, waardoor we dit over twee jaar aan de
achterkant weer moeten gaan repareren. Mijn vraag is of de minister iets
van een prognose zou kunnen of durven geven of kan erkennen dat we ons
inderdaad op glad ijs begeven.
De voorzitter:
Die sokken gaat de voorzitter nooit kopen, zeg ik alvast.
Minister Heinen:
Het is natuurlijk niet zo zoals de heer Ceder schetst, dat als je een
paar sokken op krediet koopt, je geen hypotheek meer kan krijgen, maar
ik snap de achterliggende zorg natuurlijk wel. Op doorlopende kredieten
komt nu dus ook een strengere toets. Maar ik denk dat de heer Ceder nu
meer vraagt naar de registratie van kredieten. Ik bedoel het geenszins
in flauwe zin, maar die wet gaan we nog apart behandelen. Die gaat er
ook over welke normen we daarin neerleggen en welke eisen daarin zitten.
De Kamer heeft precies op het punt van BKR veel voorstellen gedaan, dus
om bewaartermijnen in te korten of om drempelbedragen anders vorm te
geven. Dat wetsvoorstel komt zo snel mogelijk, volgens mij in het eerste
kwartaal van volgend jaar, naar uw Kamer. Dat wordt aan het eind van dit
jaar naar de Raad van State gestuurd, ook naar aanleiding van alle
zorgen van de Kamer en de voorstellen die ze heeft gedaan. Daar gaan we
dus nog specifiek over spreken. Dit ziet echt op het raadplegen van de
kredieten en hoe we nou zorgen dat we voorkomen dat een consument te
veel kredieten gaat stapelen. Daarbij zijn er vaak vragen — die begrijp
ik — van de zijde van de Kamer: ja, maar als je iets registreert, pas
op, dan krijg je straks geen ander krediet meer. Dat is waar, maar dat
is natuurlijk ook wel een beetje de bedoeling vanuit het belang van de
bescherming van de consument. Je wil namelijk voorkomen dat kredieten
opstapelen. Uiteindelijk kijk je ernaar of een consument een krediet kan
dragen. Als je veel kredieten hebt lopen, dan is het niet heel
verstandig om een nieuw krediet daarbovenop te stapelen. Dat kan dus wel
een consequentie zijn; dat moeten we ook onder ogen zien. Maar specifiek
dit komt wel erg naar voren bij het andere wetsvoorstel dat we nog gaan
behandelen.
Voorzitter. Ik ga even door, want er waren op dit thema meerdere vragen
gesteld. U kunt ze misschien in één interruptie samenbundelen.
Er was namelijk ook de vraag wat de uitzondering van de precontractuele
informatieplicht precies inhoudt; die was volgens mij ook van de heer
Ceder. Kredietaanbieders moeten de consument voorafgaand aan de
kredietovereenkomst informatie verstrekken. De richtlijn schrijft voor
welke informatie precies moet worden verstrekt. De richtlijn bevat een
lidstaatoptie om een lichter regime voor informatieverstrekking te
regelen voor kleine en kortlopende kredieten. Het ATR heeft geadviseerd
om deze lidstaatoptie ook te gebruiken voor die kleine kredieten. Dit is
dus ook opgevolgd. Aanbieders van kleine en kortlopende kredieten hoeven
bijvoorbeeld geen informatie te verstrekken over geautomatiseerde
gegevensverwerking of informatie over de mogelijkheid voor klanten om
naar het Kifid te gaan et cetera. Daar is dus gebruik van gemaakt.
Dan had mevrouw Van Dijk de vraag welke ruimte ik zie om normalisering
van buy now, pay later verder tegen te gaan, eigenlijk in het licht van
de eerdere discussie die we hadden over de winkelstraten. De wet zorgt
ervoor dat buy now, pay later wordt gekwalificeerd als krediet. Dat was
natuurlijk niet het geval. Dat is, denk ik, al belangrijk naar jongeren
toe, om te laten zien: je koopt hier gewoon op krediet en daar gelden
andere regels voor; het is allemaal niet gratis. Consumenten zullen dus
niet meer in alle gevallen buy now, pay later kunnen gebruiken. Sowieso
kan dat niet meer als je onder de 18 bent. Ook kan dat niet meer met de
snelheid waarmee dat nu gebeurt. Er gaan dus strengere kredietregels
gelden, zoals een kredietwaardigheidsbeoordeling en een raadpleging van
het BKR. Ook zal bijvoorbeeld wat we al deden nu ook hiervoor gelden,
namelijk dat er een waarschuwing "geld lenen kost geld" wordt getoond.
Ik blijf me ook inzetten voor financiële educatie om mensen bekend te
maken met de risico’s van buy now, pay later, onder andere via Wijzer in
geldzaken. Ik heb in dat initiatief ook met de koningin mooie scholen
mogen bezoeken, waarbij dat gesprek op gang kwam. Dan word je er
enerzijds mee geconfronteerd welke enorme boomers wij zijn; wie zijn wij
om anderen de les te lezen als het gaat om nieuwe technieken?
Tegelijkertijd hebben wij natuurlijk ook wel een verantwoordelijkheid om
de jongeren te helpen financieel volwassen te worden op dit punt. We
moeten enerzijds voorkomen dat de verleiding te groot wordt en
anderzijds het ook deels eigen verantwoordelijkheid laten, financiële
educatie bieden en het gesprek aangaan zodat ze in het economisch
verkeer kunnen acteren.
Dan had ook de heer Ceder nog een aantal vragen over specifiek de
financiële educatie. Dat was bijvoorbeeld de vraag welke plannen het
kabinet heeft om de financiële geletterdheid van jongeren te verbeteren.
Het mooie is: die Wijzer in geldzaken is een term geweest die de
koningin op de G20-agenda heeft gezet. Ook de Amerikaanse minister van
Financiën was zeer geïnteresseerd in dit onderwerp, omdat ze in de
Verenigde Staten zien hoe het ook wel door kan schieten. Die probeert
ook te leren wat wij hier doen om financieel volwassen te worden op
jonge leeftijd. Dus daar heeft ook de koningin een grote rol in
gespeeld. We hebben in G20-verband laten zien wat wij in Nederland
allemaal doen. Iedereen daar was er wel van onder de indruk hoe ook de
financiële sector zelf, dus banken, verzekeraars en alle
branchevertegenwoordigers, samen optrekken en wat zij zelf allemaal doen
om dit te voorkomen. Er is namelijk geen financiële instelling die het
leuk vindt om jongeren te overcrediteren. Financiële instellingen zelf
maken in apps dus ook allemaal innovaties met vroegtijdige
waarschuwingen, zo van: pas op! De leukste vond ik de "betaal
later"-kater. Dat vond ik als boomer weer erg grappig. Dat zijn echt wel
weer mooie initiatieven. De sector zelf voelt dus ook die
verantwoordelijkheid.
Specifieker is er vanaf volgend jaar een nieuw curriculum voor het
basisonderwijs en de onderbouw van het middelbaar onderwijs; dat hebben
we ook geregeld met elkaar. Een belangrijke verbetering is dat daarin
ook aandacht is voor financiële vaardigheden. We zien namelijk ook dat
economisch volwassen worden heel belangrijk is in de moderne
samenleving. Veel scholen doen nu al mee met de Week van het geld en het
platform Wijzer in geldzaken. De meneer die naast mij zit, steekt daar
zelf ook heel veel tijd en energie in. Alle waardering daarvoor. Daarmee
is er in de klas ook aandacht voor bijvoorbeeld achteraf betalen,
crypto's, finfluencers, influencers en alles wat daar speelt. We voeren
daar allemaal hele leuke gesprekken. Eerder dit jaar konden scholen ook
een subsidie aanvragen om dit onderwerp een vaste plek in het onderwijs
te geven. Wijzer in geldzaken ondersteunt bijvoorbeeld ook met
lesmateriaal en expertise over leren omgaan met geld. Ik waardeer alle
Kamerleden die daar een aandeel in hebben en daarin lesgeven zeer.
Dan ben ik bij de regulering van creditcards. Dat gebied wordt
natuurlijk steeds grijzer. Mevrouw Van Dijk vraagt of er ook een
onderscheid kan worden gemaakt tussen traditionele kaarten, die elke
maand afschrijven en waar eigenlijk minder problemen mee zijn, zoals
mevrouw Van Dijk dat duidt, en de "buy now, pay later"-creditcards, de
nieuwe ontwikkeling. We hebben onderzocht of er een onderscheid mogelijk
is tussen de kaarten van "buy now, pay later"-aanbieders en de wat meer
traditionele kaarten. Daar blijken geen mogelijkheden toe te zijn. De
"buy now, pay later"-aanbieders kunnen een product aanbieden met
dezelfde kenmerken als een traditionele kaart. Daarmee vallen ze ook
onder dezelfde richtlijndefinitie. Het onderscheid is dan uitsluitend
gebaseerd op wie de kredietaanbieder is. Zo'n onderscheid mag niet.
Mevrouw Van Dijk geeft ook aan dat zij dat weet. Je ziet dus dat doordat
buy now, pay later nu als krediet wordt gezien, het onder dezelfde
richtlijn gaat vallen, met dezelfde voorwaarden aan kredietchecks, het
steeds meer naar elkaar toe groeit. Dat was het op dat punt.
Dan had de heer Ceder ook een vraag over het accountmodel of,
specifieker gezegd, wat de verwachting is van het totaalgebruik van
kredieten, zowel kortlopende als de huidige "buy now, pay
later"-kredieten, doorlopende kredieten en creditcards. We zagen in de
afgelopen jaren — dat is uw Kamer niet ontgaan — dat er een hele grote
stijging van het aantal "buy now, pay later"-transacties plaatsvond.
Voor iedereen die het debat volgt, zal ik wat cijfers noemen. In 2024
waren het zo'n 53 miljoen transacties met een totaalbedrag van 5,1
miljard. Echt ongelofelijk, hè? De verwachting is dat kredietaanbieders
overstappen naar een model waarbij de klant een account met een bepaalde
limiet heeft, in plaats van het huidige model waarin er een krediet per
transactie is. Dan zullen er wellicht minder individuele "buy now, pay
later"-kredieten zijn en mogelijk meer andere vormen van krediet.
De wet heeft natuurlijk een grote invloed op de kredietmarkt. Het is op
dit moment niet heel goed in te schatten wat voor verschuivingen dat tot
gevolg heeft. Ik vind het daarom ook lastig om een inschatting te maken.
Maar we zien wel dat er ook van de zijde van de consumenten een enorme
behoefte is aan dit soort dienstverlening en het soms consumenten ook
echt kan helpen. Nogmaals, we proberen consumenten te beschermen en
ieder zit natuurlijk anders in de wedstrijd. Vanuit het kabinet proberen
we niet bepaalde diensten op zichzelf te verbieden; we proberen vooral
te voorkomen dat het nadelige gevolgen heeft voor de consument,
nogmaals, voor jongvolwassenen.
Mevrouw Van Eijk had een vraag over overgangstermijnkaarten met
uitgestelde betaling. Specifieker ging dat over de vraag of de
overgangstermijn van zes maanden voldoende is voor bestaande aanbieders
van kaarten met uitgestelde debitering om hun systemen en processen
zorgvuldig aan te passen aan de wet. Wij denken van wel. Wij denken dat
een uitstelperiode van zes maanden voldoende is om de systemen en
processen aan te passen voor bestaande aanbieders van kaarten met
uitgestelde debitering. Een langere uitstelperiode heeft natuurlijk weer
gevolgen voor consumentenbescherming. We hebben hier geprobeerd de
balans in te zoeken. Buy now, pay later in de vorm van een creditcard
valt nu namelijk ook onder een dergelijk uitstel. Het is dus even zoeken
naar de balans. Wij denken dat dit kan. Bij verder uitstel op de lange
termijn speelt ook het belang van bescherming. Zoals ik net al aangaf,
kan ik in de regels helaas geen onderscheid maken tussen bestaande
aanbieders van traditionele kaarten met uitgestelde debitering en "buy
now, pay later"-aanbieders die ook een dergelijke kaart aanbieden. Wij
denken dus dat dit een balans is.
Voorzitter. Als laatste in deze categorie had de heer Schoonis nog de
vraag of ik me wil inspannen voor een verplicht register voor
zelfuitsluiting voor "buy now, pay later"-diensten. Er is inderdaad één
aanbieder — ik geloof dat dat Billink was — die al beschikt over een
register voor zelfuitsluiting. Je kunt dan dus zelf aangegeven: mij niet
bellen. Dat kan zowel op verzoek van de consument als op verzoek van de
hulpverlener. Dit zijn natuurlijk initiatieven die wij toejuichen.
Andere "buy now, pay later"-aanbieders hebben in de contacten die het
ministerie met hen had, aangegeven dat zij ook positief staan tegenover
deelname aan dit register. Ik moedig kredietaanbieders nogmaals aan om
zich aan te sluiten bij het register en zal hierover, met het
ministerie, contact met hen blijven voeren. Het gaat ook om
zelfbescherming. Wellicht zit je in een periode in je leven waarin alles
even helderder is, maar dan is het goed om dat aan te geven. We kennen
immers ook allemaal donkere periodes. Dit soort initiatieven zijn dan
natuurlijk zeer welkom.
De heer Schoonis (D66):
Dank aan de minister daarvoor. We hebben dit soort dingen ook gezien bij
Holland Casino. Dat werkt dus. Dank.
De heer Flach (SGP):
Volgens mij zei de minister dat hij aan het einde van een blokje was
gekomen. Hij haalt nu zijn schouders op. Eerder kwam het onderwerp
privacy al aan de orde. Ik was daar even benieuwd naar. Ik heb een vraag
gesteld over het betrekken van persoonsgegevens en dat die niet meer
opgevraagd zouden mogen worden. Zit die vraag in dit blokje of komt die
later?
Minister Heinen:
Die komt in het blokje kredietwaardigheidstoets. Dan gaan we hier
uitgebreid op in.
Dan was er nog één vraag over dit onderwerp, buy now pay later, van de
heer Hoogeveen. Hij vroeg of winkels kosten in rekening mogen brengen
aan klanten voor buy now, pay later. Winkeliers mogen nu geen kosten
rekenen voor buy now, pay later, omdat zij kwalificeren als
kredietbemiddelaar en omdat de Wft dat bemiddelaars verbiedt. Ik begrijp
de wens om winkels de mogelijkheid te geven om kosten te rekenen voor
het duurdere buy now, pay later. Als de Kamer dat wenst, zou ik dat ook
in het implementatiebesluit kunnen regelen. Ik kijk dus even naar de
zijde van de Kamer of dit een bredere wens is.
De voorzitter:
De minister geeft aan dat hij alles heeft beantwoord binnen dit blokje.
Ik zie bij de leden dat de heer Hoogeveen nog een vraag heeft.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik heb nog een vraag over de creditcards met uitgestelde debitering.
Komt dat later nog? Dat werd namelijk net wel besproken.
Minister Heinen:
Dat hangt even van de vraag af.
De heer Hoogeveen (JA21):
De vraag ging over de mogelijkheid die de richtlijn biedt aan lidstaten
om die kaarten met uitgestelde debitering uit te zonderen. Duitsland,
Frankrijk en België maken wel gebruik van die mogelijkheid, Nederland
niet. Mijn vraag was of de minister bereid is om daar toch nog eens naar
te kijken.
Minister Heinen:
In het voorliggende implementatiewetsvoorstel brengen wij daar bewust
geen onderscheid in aan. Dat is een bewuste keuze geweest. Alles kan,
maar wij hebben ervoor gekozen om dat niet te doen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dan is mijn vraag: waarom?
Minister Heinen:
De reden is de wens die ook eerder breder in de Kamer is geuit:
voorkomen dat er op dit punt weer ontsnappingsmogelijkheden —
"ontsnapping" is misschien de verkeerde term — uitwijkmogelijkheden zijn
en zoeken naar bredere consumentenbescherming.
De heer Hoogeveen (JA21):
Bij deze kaarten zie je dat je online betaalt en het letterlijk dezelfde
maand nog wordt geïncasseerd. Het kabinet geeft zelf ook aan dat bij
deze kaarten dat risico eigenlijk helemaal niet zit. Dat werd eerder ook
door collega Inge van Dijk aangekaart. Door veel Nederlanders worden die
gebruikt als methode om een internationale betaling te doen met een
creditcard. Dat is dus heel toegankelijk en dat wordt nu toch wel
complexer. Ik zou de minister dus toch willen vragen om daarop te
reflecteren.
Minister Heinen:
Ja, maar dat is in het licht van wat de heer Ceder naar voren bracht.
Hij zei: we willen ook voorkomen dat we nu iets regelen, er later achter
komen dat we iets niet hebben geregeld en de risico's zich naar een
andere vorm gaan verspreiden. In den brede willen we, even ongeacht de
vorm of het instrument, aan consumentenbescherming doen. We gaan dus
geen onderscheid meer maken tussen de verschillende vormen. Dat doen we
ook om te voorkomen dat als je de ene route inperkt, vanuit de
overtuiging die ik in het begin heb neergezet, het gebruik dan naar een
andere vorm gaat en je misschien de risico's zich daar ziet opstapelen.
Ik ben het dus op zich met de heer Hoogeveen eens dat je misschien nog
geen risico's ziet, maar ze kunnen daar wel ontstaan. Wij hebben dus
gezegd: laten we nou ongeacht de vorm, de consumentenbescherming breder
vormgeven en vooral kijken naar kredietwaardigheid. Daarmee geven we de
grens, waarover ik zo zal komen te spreken, vorm.
Voorzitter. Dan wil ik naar het derde onderwerp gaan, de reikwijdte van
de wet. Daarover zijn ook veel vragen gesteld. Daarbij zitten ook de
meeste zorgen, denk ik, van: waar hebben we het nou over? In de eerste
plaats vroeg de heer Hoogeveen: gaan ook parkeerapps en ov-chipkaarten
onder de kredietregeling vallen? In meer retorische zin vroeg hij of dat
nou wel wenselijk was. Voor bepaalde vormen is de wet echt heel
duidelijk. Factoring van medische facturen en sportschoolabonnementen
vallen bijvoorbeeld nadrukkelijk niet onder de richtlijn. Dat is ook in
de richtlijn genoemd als voorbeeld van categorieën die daar niet onder
vallen. Er is echter een grijs gebied. Dat geef ik ook toe. De richtlijn
bevat een uitzondering voor doorlopende dienstverlening, waar natuurlijk
ook al veel onder valt. Mevrouw Van Eijk noemde die volgens mij ook
al.
De AFM publiceert voor 20 november ook haar interpretatie van het
normale handelsverkeer, zoals we zeggen. De AFM staat ook open voor
overleg met partijen die hierover vragen hebben, om hier meer
duidelijkheid over te verschaffen. We hadden het hier zojuist ook intern
over. Gezien de hoeveelheid vragen die hierover zijn gesteld, kan ik die
interpretatie ook aan de Kamer sturen, met een appreciatie erbij, zo
van: hoe ziet de toezichthouder dit nou en hoe appreciëren wij dit? Dan
bent u in de gelegenheid om daar vervolgvragen over te stellen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dit is voor ons een belangrijk punt, omdat wij dit wetsvoorstel vooral
bekijken vanuit de bescherming van de consument. Maar wij zien ook
gewoon dat dit voor de financiële sector en de IT-systemen die hierop
ingericht moeten worden een heel belangrijke vraag is, waar heel veel
kosten, belangen en geld mee gemoeid zijn. Kan het zo zijn dat het
moment waarop de minister dit stuurt eigenlijk te kort dag voor de
inwerkingtreding is, waardoor het niet ingeregeld kan worden? Heeft de
minister signalen dat daar voldoende tijd voor is wanneer dat naar de
Kamer wordt gestuurd? Zo nee, kan de minister er dan wat preciezer in
zijn wanneer de sector duidelijkheid krijgt en hij dat dus naar de Kamer
toestuurt?
Minister Heinen:
Mocht dat het geval zijn, dan valt dit precies onder die coulance en het
ingroeipad van de AFM. Laat mij dit dus meenemen in dat gesprek. Laat
mij dan aangeven tot welk oordeel de AFM komt op basis van de richtlijn,
die ook echt wel voor de toezichthouder richtinggevende categorieën
heeft genoemd. Dan zal ik uw Kamer daarover informeren.
Voorzitter. Er zijn meerdere vragen op dit punt gesteld, dus ik ga even
door. Wellicht wilt u dat namelijk in één interruptie meenemen. De heer
Ceder had ook over het normale handelsverkeer vragen gesteld. Dan gaan
we heel specifiek een aantal voorbeelden langs. Hij noemde bijvoorbeeld,
zeg ik via u, voorzitter, en dan bedoel ik de heer Ceder, een geval
waarin de tandarts de rekening laat innen door een factureringsbedrijf
en de betalingsvordering wordt overgenomen. Wordt er dan een krediet
verstrekt, ja of nee? Meer specifiek wees hij naar artikel 7:58, lid 2e
Burgerlijk Wetboek. Dat biedt hier onvoldoende duidelijkheid over, gaf
de heer Ceder aan. Het specifieke voorbeeld van een tandarts die zijn
vordering overdraagt, is genoemd in de memorie van toelichting. Ik denk
dat die daarom hier naar voren komt. Deze situatie valt onder de
wettelijke uitzondering, want er is geen derde partij die een krediet
aanbiedt en de betalingstermijn is niet langer dan 50 dagen. In dit
geval is er dus geen sprake van krediet. In de preambule van de
richtlijn staat een vergelijkbaar voorbeeld genoemd, namelijk van
medische rekeningen.
Voorzitter. De heer Ceder wees ook op Duitsland. Hij gaf aan te zien dat
daar onderscheid wordt gemaakt tussen situaties waarin de
betalingsvordering wordt overgedragen, zoals in het geval van de
tandarts of een parkeerapp, en situaties waarin de klantrelatie wordt
overgenomen, zoals bij een "buy now, pay later"-krediet. Hij vraagt
waarom er niet een duidelijker onderscheid wordt gemaakt in de
Nederlandse wet. Allereerst dank voor deze scherpe vraag. Ik ben, of in
ieder geval is het ministerie bekend met het onderscheid in Duitsland
ten aanzien van de overdracht van vorderingen. In Duitsland valt uitstel
van betaling niet onder de wet indien dit voor maximaal veertien dagen
wordt gegeven. Dit geldt ook als er sprake is van een derde partij aan
wie alleen de vordering wordt overgedragen. Het is de vraag of dit de
juiste uitleg is. In de richtlijn wordt dit onderscheid namelijk niet
gemaakt. Ik zie dus ook nadelen van de Duitse interpretatie, omdat
daarmee sommige partijen buiten schot kunnen blijven. "Buy now, pay
later"-aanbieders werken bijvoorbeeld ook met overdracht van
vorderingen. Dit kan weer tot ontwijking leiden, wat we proberen te
voorkomen met elkaar. Het gras bij de buren is dus niet altijd groener.
Ik wijs er wel op dat we in Nederland voornamelijk de focus hebben
liggen op de bescherming van consumenten, ook in het licht van het debat
dat we hebben gevoerd over "buy now, pay later"-diensten. Het kan dus
zijn dat Nederland dit strenger doet dan omringende landen, maar dat is
waartoe de Kamer heeft opgeroepen.
Voorzitter. Dan gaan we wat verder op de voorbeelden in. Mevrouw Van
Eijk heeft namelijk een vraag over de telecomexceptie, -uitzondering, in
CCD II en doorlopende dienstverlening. Ik noemde 'm daarnet al. Ze
vraagt specifiek of ik kan bevestigen dat de telecomexceptie als
doorlopende factoringsdienst onder de uitzondering voor overeenkomsten
voor doorlopende dienstverlening valt. Ik zal mijn antwoord daarop
geven, mevrouw Van Eijk. Als er sprake is van doorlopende
dienstverlening of doorlopende levering van dezelfde soort goederen, dan
vormt dat inderdaad een uitzondering op het toepassingsbereik van de
richtlijn. Het kabinet kan er echter niet over oordelen of een bepaald
product wel of geen krediet is. Dat is echt aan de AFM. De AFM
publiceert op 20 november haar interpretatie; daar verwees ik net naar.
Ik zal die dan aan de Kamer doen toekomen. De AFM staat overigens open
voor overleg met alle partijen die hier vragen over hebben. Dit biedt
partijen meer duidelijkheid. De AFM wordt dus ook in die zin wel gezien
als een constructieve partij waar goed overleg mee mogelijk is.
De heer Hoogeveen had een vraag over ...
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, is er een vraag van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Even een kleine stap terug, naar de vergelijking met Duitsland en de
clash qua interpretatie. Volgens mij is dit een Europese bepaling en
niet een knop waarbij smaken verschillen. Als dat waar is, dan hebben óf
de Nederlandse juristen gelijk — complimenten daarvoor — óf de Duitse
juristen, en móét een van de twee het aanpassen. Volgens mij is het
namelijk niet een van de knoppen. Mijn vraag is of dat klopt en, zo ja,
of de minister kan toezeggen hier zo snel mogelijk uitsluitsel over te
geven door met Duitsland overleg te voeren om te kijken wie er nou
gelijk heeft, en om dit, als er nog tijdig bijgestuurd kan worden, mee
te nemen voor de inwerkingtreding.
Minister Heinen:
Dan wordt echt het onmogelijke van het team op het ministerie van
Financiën gevraagd, namelijk om met elke lidstaat een vergelijking te
maken en dat uit te zoeken. Het is uiteindelijk aan de Europese rechter.
Het is een richtlijn. Wij implementeren die. Als partijen van mening
zijn dat die richtlijn verschillend is geïnterpreteerd, dan moet er een
zaak komen. Dan is het aan de rechter om dat verschil te duiden. Wij
kunnen niet op voorhand op ambtelijk niveau alle lidstaten afbellen om
te vragen hoe het wordt geïnterpreteerd en daar dan een juridische toets
op doen. Ik snap wel waar de heer Ceder naar vraagt. Wij zijn echt van
mening dat wij het op de goede manier implementeren. Ik denk dat dat
voor andere lidstaten ook geldt. Als daar verschil bestaat, dan kan een
dienstverlener natuurlijk ook naar de Europese rechter stappen, een zaak
aanhangig maken en daar een uitspraak over vragen, zodat er
jurisprudentie ontstaat. Als het nodig is, passen wij het dan aan.
Sterker nog, de jurisprudentie is dan leidend.
Voorzitter. Ik ga door, specifiek over creditcards. De heer Hoogeveen
had daarnaar gevraagd. Dat hebben we zojuist al deels besproken. Hij
vroeg of we als kabinet gebruik gaan maken van de lidstaatoptie om
creditcards uit te zonderen. Uit het wetsvoorstel dat we vandaag
behandelen, blijkt dat we creditcards niet willen uitzonderen. Dat doen
we vanuit het belang van consumentenbescherming, want ook jongeren
kunnen een creditcard aanvragen. Creditcards en andere producten met
uitgestelde debitering blijven een vorm van krediet en dat is natuurlijk
het centrale thema. Het gaat niet zozeer om de instrumenten, maar om de
vraag hoe we overkreditering kunnen voorkomen. Als creditcards niet
worden gereguleerd, ontstaat er een ongelijk speelveld tussen aanbieders
van krediet, ongeacht de vorm. Ik wil voorkomen dat "buy now, pay
later"-aanbieders creditcards gaan uitgeven en daarmee de kredietregels
kunnen omzeilen. Ik begreep dat er al een "buy now, pay later"-aanbieder
is die een dergelijke kaart aanbiedt. Ik wil daar geen oordeel over
hebben, want nogmaals: ik juich elk ondernemerschap en elke nieuwe vorm
van dienstverlening toe. Wij kijken hoe de consumentenbescherming
eruitziet. Ik probeer uit te zoomen en niet te kijken naar specifieke
instrumenten of aanbieders, maar vooral vanuit het belang van de
consument te blijven redeneren. Dat passen we in den brede toe.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik wil daar toch nog even op terugkomen. Ik ben daar niet van overtuigd.
Als Klarna zo'n kaart uitgeeft, waarschijnlijk onder Mastercard of Visa,
dan is dat precies dezelfde constructie die nu al wordt aangeboden door
American Express et cetera. Je betaalt en het wordt dezelfde maand
geïncasseerd. Het kabinet zegt zelf dat daar niet het grote risico zit.
Ik vraag me echt af of we het voor consumenten nu niet moeilijker maken
om gebruik te maken van een heel toegankelijk betalingsproduct.
Minister Heinen:
Het succes van de nieuwe dienstverleners kwam juist doordat sommige
vormen als minder toegankelijk werden gezien. Maar los daarvan,
nogmaals: geredeneerd vanuit de bescherming van de consument tegen
overkreditering — het maakt mij niet uit in welke vorm het plaatsvindt —
wil je voorkomen dat er een stapeling van kredieten plaatsvindt,
waardoor vooral jongvolwassenen in de problemen komen. Als je de ene
kant wel reguleert en de andere kant niet, dan verplaatsen de risico's
zich naar een andere vorm. Daarom trekken we één lijn in dit
wetsvoorstel, maar het is uiteraard aan u om dat te wegen. Wij denken
dat dit verstandig is.
Voorzitter. Ik wil naar het accountmodel en de BKR-registratie.
Specifiek de heer Ceder vroeg daarnaar. Hij vroeg of mensen minder
gebruikmaken van kredieten doordat de geregistreerde doorlopende limiet
ook meetelt als maandlast voor de hypotheek of huur. De kredieten die in
het BKR worden geregistreerd, tellen mee bij de beoordeling van een
hypotheekaanvraag. Dat was altijd al zo. Dit beschermt de consument
tegen te hoge lasten. Dit kan ertoe leiden dat mensen minder gebruik
gaan maken van dit soort kredieten, bijvoorbeeld om te anticiperen op
een nieuwe hypotheekaanvraag. Pas na inwerkingtreding van de wet is het
effect hiervan goed te beoordelen.
Meer in algemene zin: ik krijg vaak vragen hierover. We krijgen aan de
ene kant de oproep vanuit de Kamer om consumenten te beschermen en om
overkreditering te voorkomen, maar vervolgens hoor ik ook vaak — dit is
partijneutraal — "ja, maar de studieschuld mag niet meetellen" of "ja,
maar deze dienst niet". Krediet is krediet. We willen uiteindelijk dat
de consument niet vastloopt. Daar proberen we bescherming voor te
bieden. Ik snap dat dat ergens anders discomfort kan geven, als het
meetelt bij de kredietaanvraag, maar uiteindelijk is het in het belang
van de consument om te voorkomen dat krediet op krediet op krediet
gestapeld kan worden waardoor de maandlasten uiteindelijk niet meer
gedragen kunnen worden. Dat is uiteindelijk elke keer het belang. Je
kunt uitzonderingen maken voor kredieten zodat ze niet meetellen, maar
uiteindelijk worden ze wel maandelijks van je rekening afgeschreven, of
ze nu wel of niet geregistreerd worden. Dat proberen we vooral
inzichtelijk te maken. Het heeft natuurlijk ook een positieve werking.
Als het allemaal netjes gaat, dan wordt je kredietwaardigheid in
positieve zin beoordeeld en kan het wellicht ook makkelijker worden om
aan krediet te komen. Daar kom ik straks nog wat specifieker over te
spreken als we het over het BKR hebben. Dat is het laatste onderwerp dat
ik wilde behandelen.
De heer Flach had ook een vraag over ontwijking. Hij vroeg meer
specifiek hoe ontwijkgedrag in de kredietmarkt wordt gemonitord en hoe
dat wordt voorkomen. Dit is echt aan de AFM. Die houdt toezicht op de
kredietmarkt en heeft daarbij uiteraard ook aandacht voor ontwijkgedrag.
De AFM is doorlopend in gesprek met verschillende stakeholders, van
aanbieders tot consumentenorganisaties. Daarbij heeft iedereen
natuurlijk ook een belangrijke signaleringsfunctie. De AFM kan dan
verder onderzoek doen als dat nodig is.
Dan had de heer Flach in dit licht ook de vraag of dit wetsvoorstel
voldoende ruimte biedt om snel op nieuwe schadelijke vormen van
kredietverlening te anticiperen, eigenlijk in het verlengde van waar de
heer Ceder eerder naar vroeg. Ja, we zijn van mening dat dat het geval
is. Dit wetsvoorstel bevat namelijk een zogenoemde
productinterventiebevoegdheid voor de AFM. Daarmee kan de AFM
"schadelijke" producten of praktijken verbieden of beperken. Die
bevoegdheid is er voor situaties waarin de bestaande wetgeving of het
bestaande toezichtinstrumentarium tekortschiet bij toekomstige
ontwikkelingen, omdat we natuurlijk nooit helemaal kunnen overzien wat
er weer allemaal wordt bedacht. Voor deze bevoegdheid gelden dan
strengere eisen. Dit instrument mag pas ingezet worden als alle andere
opties van de AFM niet werken. Het is dus een ultieme remedie, maar die
mogelijkheid is er wel.
Voorzitter. Als laatste had de heer Ceder over het onderwerp van de
reikwijdte nog de vraag hoe proportioneel en wenselijk het is dat iemand
vanwege een kleine achterstand voor het hele krediet negatief
geregistreerd is. Laat ik die vraag nu beantwoorden. We komen daar
straks nog wat uitgebreider over te spreken. Een betalingsachterstand
wordt niet meteen geregistreerd. Ik denk dat het ook wel goed is om dat
te benoemen. Individuele "buy now, pay later"-transacties worden straks
na een achterstand van twee maanden geregistreerd. Creditcardtransacties
worden na drie maanden achterstand geregistreerd. Dat is de huidige
praktijk. Later gaan we dat harmoniseren. Het registreren van een
dergelijke achterstand is natuurlijk belangrijk voor het ontdekken en
voorkomen van financiële problemen. Dat is uiteindelijk waarom we het
doen, vanuit het belang van de consument en om de consument in die zin
te beschermen. Dat betekent niet direct een afwijzing voor nieuwe
kredieten. Een volgende kredietaanbieder moet de achterstand wel
meewegen en kan hierover ook informatie opvragen. Dat is natuurlijk het
hele idee hierachter. In het wetsvoorstel Kredietregistratie, waar ik
dus later mee naar de Kamer kom, wordt dus ook gekeken naar de lengte
van de bewaartermijn en de registratie. Ik heb alle wensen van de Kamer
die hierover zijn geuit, goed gehoord. Die verwerken we nu en dan kunnen
we daarover het debat aangaan. Ik spreek ook graag nader over wat we
hierbij allemaal doen, want ik weet dat dit onderwerp heel belangrijk is
voor de Kamer.
Ik ben hiermee aan het einde gekomen van de reikwijdte.
Dan wil ik in het verlengde hiervan doorgaan naar de
kredietwaardigheidstoetsen, voorzitter, met uw toestemming.
De voorzitter:
Toch zie ik nog een vraag van de heer Bushoff.
De heer Bushoff (PRO):
Ja, een praktische vraag. Later komen we ook nog over de
BKR-registraties te spreken. Ik denk dat daar het punt in zit van aan de
ene kant inzicht in kredieten onder de €250, maar die niet registreren.
Ja? Oké.
Minister Heinen:
Ja, dat klopt. Dan hoor ik ook graag hoe de Kamer dat ziet, want dat
kunnen we samen inregelen.
Voorzitter. Dan wil ik door naar de kredietwaardigheidstoets. Daar zijn
veel vragen over gesteld.
Dan begin ik bij de heer Bushoff, die vraagt of er geen zwaardere
kredietswaardigh… Excuus, voorzitter, ik heb last van mijn keel. Ik heb
veel kopjes koffie gedronken in de afgelopen tijd. De heer Bushoff vroeg
of er een zwaardere kredietwaardigheidstoets voor jongeren kan gaan
gelden, welke juridische ruimte daarvoor bestaat mochten we daartoe
besluiten, en of dat wenselijk is. Een zwaardere
kredietwaardigheidsbeoordeling voor jongvolwassenen betekent dus dat er
een onderscheid gemaakt wordt naar leeftijd; dan hebben we het specifiek
over jongvolwassenen. Dit mag niet, tenzij het proportioneel en
noodzakelijk is om jongvolwassenen te beschermen. Die onderbouwing zie
ik niet. Dan verwijs ik naar wat ik hierover eerder heb gezegd in het
licht van de … Ja …
De voorzitter:
Op een eerder moment.
Minister Heinen:
De implementatietermijn, daarbij had ik het genoemd.
De voorzitter:
Er is een interruptie.
Minister Heinen:
Ja, ik maak het even af. Ik denk namelijk dat de
kredietwaardigheidsbeoordeling zoals die nu verplicht wordt, voor
jongvolwassenen dus, echt zal beschermen tegen overkreditering. Dat is
dan een antwoord wat betreft het oordeel dat van mij werd
gevraagd.
De heer Bushoff (PRO):
Hoewel ik het amendement van mijn collega Flach heel sympathiek vind,
kan ik me best voorstellen dat een verbod uitbreiden naar de leeftijd
tot 21 jaar juridische moeilijkheden met zich meebrengt bij het
beargumenteren van de proportionaliteit. Aan de andere kant vraag ik
niet om het voor jongeren onmogelijk te maken, maar om op het moment dat
een jongvolwassene krediet aanvraagt, leeftijd wel degelijk mee te laten
wegen als een zwaardere risicofactor. Ik zie daar wel de ruimte toe,
denk ik. De minister zegt: we doen al genoeg om jongeren te beschermen.
Ik ben wel benieuwd wat dat dan specifiek is als het gaat om de
kredietwaardigheidstoets. Dat zou ik graag nog van de minister willen
horen.
Minister Heinen:
Ik snap de vraag. Ik antwoord natuurlijk in formele zin, maar ik snap
ook de zoektocht van de Kamer. Ik kan dit opnemen met de AFM en vragen
hoe zij dit beoordelen. Ik snap namelijk de achtergrond van de vraag van
de heer Bushoff. Ik zou zelf willen voorkomen dat de leeftijdsgrens op
specifieke diensten wordt verhoogd, maar ik hoor ook de zorg van de
Kamer, die zegt: wij zien toch wel een verhoogd risico, dus je zou de
leeftijdscategorie daarin moeten meewegen. Laat mij vragen aan de AFM
wat de mogelijkheden hiervoor zijn. Sowieso wil ik dat we in de
evaluatie van de wet, die we eerder met elkaar hebben afgesproken,
specifiek aandacht hebben voor deze doelgroep. Ik wil ook kijken: welke
ontwikkelingen zien we hierbij in het licht van het nieuwe
wetsvoorstel?
De heer Schoonis (D66):
Ik wilde even een toevoeging doen over het risicoprofiel. Volgens mij
doen verzekeraars dat ook bij jongvolwassenen, bijvoorbeeld voor
autoverzekeringen et cetera. Even als voorbeeld.
Minister Heinen:
Dan ga ik wat speculeren. Ik kan het me wel voorstellen, maar als je
kijkt of iemand kredietwaardig is, kijk je ook naar vaste contracten en
het inkomen. Er wordt dus breder gekeken. Ik ga nu wat meer in de
filosofische houding komen. Daar moet ik altijd mee oppassen bij
wetgevingsoverleggen, want alles wat ik zeg, wordt onderdeel van de
wetsbehandeling. Ik probeer het dus allemaal heel formeel en netjes te
beantwoorden. Als u daar nog specifieke vragen over heeft, zal ik daar
in de tweede termijn op terugkomen. Dat komt dus later.
Voorzitter. De heer Bushoff had nog een vraag over wettelijk
voorgeschreven normen voor krediet boven de €100. Hoe voorkomen we dat
er verschillende toetsen van verschillende aanbieders komen? De wet
bevat bewust een open norm voor de krediettoets. Dat zit ook in de
richtlijn. Het is niet wenselijk om voor elke kredietvorm een bepaalde
toets voor te schrijven. De branchevereniging van aanbieders van krediet
voor consumenten, de Vereniging van Financieringsondernemingen, de VFN,
bepaalt in overleg met de sector en de AFM de kaders voor die
krediettoets. Daarnaast houdt de AFM ook doorlopend toezicht op de
uitvoering van de krediettoets door de aanbieders. De leennormen van de
VFN en het toezicht van de AFM waarborgen grosso modo wel de
consistentie van de krediettoets.
De heer Bushoff (PRO):
Ik heb daar nog een hele specifieke vraag over. Niet alle aanbieders
zijn gehouden aan die VFN-leennormen. Daarom is de vraag: hoe gaat het
daar dan in zijn werk?
Minister Heinen:
Een terechte vraag. Dat is dus ook aan de AFM. Dat neem ik dan ook weer
mee. Dat is een terecht punt, maar nogmaals: de toezichthouder maakt
daar op zichzelf natuurlijk geen onderscheid tussen. De aanbieder is de
aanbieder. Regels gelden voor iedereen. Dat staat los van of je bij een
branchevereniging zit. Het is ook niet zo dat ik harder mag rijden op de
snelweg omdat ik lid ben van de ANWB. Dan zouden de VVD-aanmeldingen
ineens toenemen.
De heer Hoogeveen had een vraag over die grens van €100. Hij vroeg of
die niet van €100 naar €150 kan. Ik hoor graag van de zijde van de Kamer
hoe u dat ziet. De heer Hoogeveen wees er al op dat de €100-grens tot
stand is gekomen omdat dat het gemiddelde bedrag is van de "buy now, pay
later"-kredieten die worden aangegaan. Daarom is men op dit bedrag
gekomen. Hoe hoger je de grens legt, hoe minder kleine kredieten eronder
vallen. De Kamer had zorgen over de stapeling van die kleine kredieten.
€100 is in onze positie misschien niet veel geld, maar voor een
jongvolwassene is dat natuurlijk wel heel veel geld. Dan kan het zomaar
zijn dat je achterstand op achterstand krijgt. Ik kijk hiervoor ook naar
de Kamer. Dit bedrag is niet ideologisch tot stand gekomen, maar puur
pragmatisch, vanuit een gemiddeld bedrag. In die zin zitten wij er open
in. We proberen een balans te zoeken tussen consumentenbescherming
enerzijds en anderzijds de vraag van de heer Hoogeveen of we niet
doorschieten in de regelgeving. Het gemiddelde BNPL-bedrag is dan een
neutrale grens. Maar laten we straks nog bezien met welke moties u komt
en waar de meerderheden liggen. Overigens is deze grens ook in
afstemming met de AFM gedefinieerd.
Dan had mevrouw Van Eijk ook nog de vraag of er een risico bestaat dat
er voor buy now, pay later onder de €1.000 en onder de drie maanden een
veel soepeler regime gaat gelden. Bij kredieten vanaf €100 moet een
aanbieder in principe informatie opvragen en deze informatie dus ook
verifiëren. Dat is een strenger regime dan nu het geval is. Het is dus
niet soepeler, maar misschien heb ik de vraag verkeerd opgeschreven. In
de huidige situatie moet je pas bij een krediet vanaf €1.000 informatie
van de klant verifiëren. De grens gaat dus echt naar beneden. Alleen als
het een bestaande klant betreft met een goede betaalgeschiedenis, kan de
"buy now, pay later"-limiet stapsgewijs worden verhoogd zonder
verificatie. Daarmee zoeken we wederom naar een balans tussen de
consumentenbescherming en de eenvoud voor de consument enerzijds, en de
lastendruk voor de aanbieder anderzijds.
Voorzitter. Dan had mevrouw Van Eijk ook een vraag gesteld over
proportionaliteit in de kredietwaardigheidsbeoordeling en de
verificatieplicht. Meer specifiek vroeg ze hoe er wordt geborgd dat de
kredietwaardigheidstoets en -verificatie van gegevens proportioneel
blijft en dat er bij kleine laagrisicotransacties geen onnodig zware
uitvraag plaatsvindt. De verificatie van door de consument aangeleverde
informatie voorkomt dat de consument een krediet krijgt op basis van
bewust onjuiste informatie. De verificatieplicht is al proportioneel,
want de verificatie is niet nodig bij een aankoop onder de €100 of als
een klant een goede betaalgeschiedenis heeft. Dit voorkomt een onnodig
zware uitvraag die niet in verhouding staat tot de situatie. Ik denk dat
dat ook de achtergrond van de vraag van mevrouw Van Eijk was. Daarnaast
geldt de regel dat alleen als de aanbieder informatie opvraagt, de
aanbieder deze informatie moet verifiëren.
Dan had mevrouw Van Eijk ook nog de vraag of er bij kleine
kredietbedragen kan worden volstaan met een negatieve registratie bij
betalingsachterstanden. Het is misschien goed om ook hier een paar
dingen uit elkaar te halen. Een positieve registratie houdt dus louter
in dat het BKR registreert dat een consument een krediet heeft. Er zit
dus geen oordeel bij. Het gaat puur om het benoemen ervan. Een negatieve
registratie is een registratie van een betalingsachterstand. Dat is
natuurlijk een signaal dat het problematisch kan worden. Dat gebeurt
niet gelijk bij de eerste keer, want we vergeten allemaal weleens een
rekening, maar daar zit natuurlijk de eerste signalering. Op dit moment
wordt dus niet ieder klein krediet ook positief geregistreerd. Een
krediet wordt dus pas positief geregistreerd — nogmaals, er zit dus geen
oordeel aan — vanaf een kredietbedrag van €250 en een minimale looptijd
van een maand. De voorbeelden die we voorbij zagen komen, leiden
überhaupt niet eens tot een registratie. Hierboven heb je wel een
registratie, maar die is dus niet negatief. Het betekent gewoon puur en
alleen dat u dat krediet heeft. Dit staat allemaal in het reglement van
het BKR. De registratiegrenzen worden wettelijk opgenomen in het
wetsvoorstel Stelsel kredietregistratie. De Kamerbehandeling van dat
wetsvoorstel komt dus nog. Nogmaals, ik begrijp dat de Kamer het graag
in samenloop had gehad, maar het loopt nu uiteen. Dit wetsvoorstel komt
nog naar de Kamer. We zullen er nog specifiek bij stilstaan en we kunnen
er ook nog verder over spreken.
Ik kijk even naar de heer Bushoff, want ik zie hem aanstalten maken om
een vraag te stellen.
De voorzitter:
Ja, ik zag dezelfde aarzeling als de minister.
De heer Bushoff (PRO):
Op dit punt heb ik toch ook nog een vraag aan de minister. Hoe weegt hij
dan dat er nu bij die kleinere kredieten wel gekeken wordt naar het
BKR-register, maar dat die kleine kredieten vervolgens niet
geregistreerd worden? Hoe ziet de minister de risico's op stapeling van
kredieten? Ik snap dat hij zegt dat dat ook nog deels terugkomt bij dat
andere wetsvoorstel, maar dat is voor dit debat toch best relevant
eigenlijk.
Minister Heinen:
Daarom probeer ik ook heel open aan te geven dat dit een zoektocht is.
Kleine kredieten hoeven op zichzelf niet direct tot problemen te leiden,
zoals de Kamer ook stelt. Tegelijkertijd kan een klein krediet bij
grotere bedragen met betaalachterstanden de situatie natuurlijk wel
verder versterken. Dit is zoeken naar een grens. Ik hoor ook heel graag
hoe de Kamer het ziet. We hebben echt geprobeerd om aan te sluiten bij
gemiddeldes, bij wat we redelijk achten. Hierbij probeer ik ook te
kijken naar wat in de situaties waarover wij spreken misschien kleine
bedragen lijken, maar wat voor een jongvolwassene natuurlijk ineens hele
grote bedragen zijn. Achterstanden kunnen zich ook ineens opstapelen.
Dan kom je ineens in een heel andere situatie terecht. Maar ook hier
zitten we er echt open in. Als de Kamer zegt het graag op andere grenzen
te zien, kunnen we daar ook het debat over voeren. Ik denk dat ik
iedereen zie zoeken naar de balans tussen de consumentenbescherming
enerzijds en het niet doorschieten in regelgeving anderzijds. Ik doe
gewoon een voorstel en ik hoor graag of ik daarin een verkeerde afweging
heb gemaakt.
De heer Ceder vroeg ook of het niet de eis moet zijn dat bij het aangaan
van een nieuw product bij een partij waar je al klant bent, er nog een
keer een kredietwaardigheidstoets gedaan wordt. Dat is een terechte
vraag. Het korte antwoord is ja. Een kredietaanbieder moet een verhoging
van het krediet bij een klant zorgvuldig afwegen, zeker als het een
grote verhoging betreft. Als bijvoorbeeld een account van een klant bij
een "buy now, pay later"-aanbieder van €250 wordt verhoogd tot €1.000,
dan moet de aanbieder een uitgebreide kredietwaardigheidstoets doen,
ongeacht of die klant daar al geregistreerd is. In dit geval gaat het
erom of je die verhoging ook kunt dragen, omdat het weer een aanvullend
risico is.
Ook de heer Hoogeveen had in het verlengde hiervan een vraag, namelijk
of de verificatieplicht ook alleen indien nodig zou kunnen. Het is
belangrijk dat aanbieders informatie verifiëren. Anders kunnen
consumenten uiteraard makkelijk een te hoog krediet of een te hoge "buy
now, pay later"-limiet krijgen. Bovendien is er al proportionaliteit
ingebouwd. De verificatie is dus niet nodig onder de €100 of als de
klant een goede betaalgeschiedenis heeft. Volgens ons inzicht biedt dat
voldoende proportionaliteit bij de uitvraag van gegevens. Maar als de
gegevens worden uitgevraagd, moeten deze wel worden geverifieerd. Dat
voorkomt het krijgen van krediet op basis van bewust verkeerd
aangeleverde informatie. We gaan er natuurlijk van uit dat iedereen te
goeder trouw is, maar je moet toch even die toets doen.
De heer Hoogeveen had ook een terechte zorg over privacy. Dat is ook
veel aan bod gekomen. Hij vroeg bij welke partijen data terechtkomen en
wat de bewaartermijnen zijn. De data komen in beginsel bij de
kredietaanbieder terecht. Deze moet de gegevens dan vijf jaar bewaren op
basis van huidige wetgeving. Mogelijk maakt een aanbieder gebruik van
een bureau om bijzondere persoonsgegevens te lakken. Deze zijn op grond
van de AVG ook verplicht om aan dataminimalisatie te doen en om gegevens
niet langer dan noodzakelijk te bewaren. De Autoriteit Persoonsgegevens
houdt hier toezicht op. Die houdt enerzijds toezicht op hoe dat binnen
een aanbieder is geregeld. Die kijkt dus bij verschillende aanbieders of
daar voldoende Chinese walls zitten en of gegevens voldoende gelakt
worden. Dat kan ook worden uitbesteed aan een externe partij. Daar houdt
de Autoriteit Persoonsgegevens dan ook toezicht op. Dit moet natuurlijk
goed gaan. Dat is op deze manier geborgd.
Ook de heer Ceder had hier vragen over. Hij vroeg of de verificatie van
informatie door het opvragen van financiële informatie voor
telecomkredietproducten dan wel proportioneel is. Op dit moment werkt de
telecomsector met zelfverklaringen. Die zelfverklaringen volstaan straks
niet meer, zoals ook staat in het concept-implementatiebesluit.
Zelfverklaringen bieden namelijk niet altijd een getrouw beeld van de
werkelijkheid. Voor buy now, pay later achten wij dit niet verstandig,
maar ook niet voor telefoonkredieten. Het is gewoon alle twee krediet,
wat ook de aanbieder is. Ook bij telecomkredieten is er sprake van een
lange looptijd van een of twee jaar en zit je eraan vast. De
telecomsector kan samen met de AFM komen tot een proportionele invulling
van de kredietwaardigheidsbeoordeling en dus het opvragen van gegevens,
ook al heeft de telecomkredietsector nu eigen leennormen.
De heer Ceder had ook een vraag over het interne risicomodel van
kredietaanbieders bij de kredietwaardigheidsbeoordeling. Hij vroeg of
dat achteraf getoetst kan worden door de AFM en of toetsing überhaupt
wenselijk is. Het is in de eerste plaats aan kredietaanbieders zelf om
ervoor te zorgen dat zij zich aan de normen van de wet houden. De AFM is
doorlopend in gesprek met marktpartijen over hoe zij de normen invullen.
De AFM is dus uiteraard betrokken hierbij, ook vooraf. Het toezicht op
de naleving van de normen vindt dan achteraf plaats om te beoordelen of
kredietaanbieders dit wel goed doen.
Dan nog een laatste vraag van de heer Ceder in deze categorie. Dat is
dan ook een bruggetje naar het volgende onderwerp. De heer Ceder vroeg
mij of het BKR-register wel voorbereid is op de toename van
raadplegingen. Hij wees bijvoorbeeld op Black Friday. "Asking for a
friend", zou ik zeggen. Het BKR heeft aangegeven klaar te zijn voor de
grote toename in raadplegingen. Hiervoor is ook doorlopend nauw contact
met BKR. Mocht dat leiden tot andere inzichten, dan zal ik u dat
uiteraard melden.
Dan wil ik naar het volgende onderwerp gaan, namelijk BKR.
De voorzitter:
We blijven toch nog even hangen in dit mapje. Ik zag als eerste mevrouw
Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik hoop dat ik de minister goed heb begrepen als het gaat om de
leennormen. Daar wordt in eerste instantie met VFN over gesproken, maar
ernáást is er voor branches, bijvoorbeeld de telecomsector, altijd
ruimte om in overleg met de AFM te kijken naar een code of een manier
van verificatie die passend is voor dat product en voor die
sector.
Minister Heinen:
Zo is het precies.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Twee vragen. Privacygevoeligheid is een belangrijk punt, ook gezien de
toenemende mogelijkheden van AI. Mijn vraag is of third-party
verification — dat betekent dat een bank een vinkje kan geven in plaats
van dat die allemaal gegevens hoeft uit te wisselen — de voorkeur
verdient en, zo ja, op welke wijze de minister daar misschien ook wel
een aanjagende rol in kan spelen, waardoor je qua snelheid maar
misschien ook qua informatie-uitwisseling veel minder data deelt met
elkaar; ik denk dat het in ieders belang is om dat zo veel mogelijk te
minimaliseren. Mijn vraag is in hoeverre de minister dat wenselijk vindt
en in hoeverre hij denkt daar een aanjagende rol in te kunnen
spelen.
Minister Heinen:
Dat laatste kan natuurlijk altijd. Ik zie het in die zin ook als een
oproep. Laten wij dit ook meenemen in dezelfde brief — het wordt nu een
vrij uitgebreide brief — die ik stuur over de AFM; laat me dan ook
specifiek op dit punt terugkomen. Dan ga ik daar ook in overleg
over.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat beschouw ik dan als een concrete en ook een aparte toezegging, omdat
dit voor ons wel belangrijk is. Dit hangt namelijk samen met de privacy
en dataminimalisatie in verhouding tot hoe je dat dan met elkaar doet.
Inmiddels zijn er mogelijkheden waarmee je met elkaar checkt of iemand
kredietwaardig is zonder dat je echt de papieren bij een ander hoeft
voor te leggen.
Het tweede punt is het curatele- en bewindregister. Daar vallen ongeveer
25.000 mensen onder. Het is momenteel niet verplicht dat er een check
wordt gedaan bij aanbieders om dat te doen. Het kabinet gaf eerder aan
dat het voornemens is om dat te verplichten. Later gaf het in een brief
aan: dat is vooral een handreiking en niet per se een verplichting. De
vraag is of de minister concreet kan toezeggen om in ieder geval bij de
evaluatie mee te nemen in hoeverre mensen onder curatele toch alsnog
door de mazen kruipen en in hoeverre die verplichting niet alsnog naast
de BKR-check wenselijk is.
Minister Heinen:
Ja, slim.
De voorzitter:
Meneer Ceder vraagt om twee toezeggingen, volgens mij.
Minister Heinen:
Ja, en beide vind ik verstandig, dus die kan ik ook toezeggen.
Voorzitter. Dan wilde ik gaan naar het onderwerp BKR. Daar had de heer
Ceder, of meerdere leden van uw Kamer, ook een aantal vragen over.
Allereerst was de vraag of bedrijven en consumenten met de huidige
praktijk uit de voeten kunnen als dit wetsvoorstel in werking treedt, en
wat dan de relatie is tussen dit wetsvoorstel en het wetsvoorstel
Stelsel kredietregistratie. Nogmaals, ik snap dat de Kamer dat graag in
samenhang had behandeld. Er zit uiteraard samenhang tussen de
wetsvoorstellen, maar het huidige BKR blijft bestaan en kan ook gebruikt
worden. Deze implementatiewet implementeert de CCD II-richtlijn.
Onderdeel hiervan is de raadpleging van het BKR. Dat kan dus ook gedaan
worden in het huidige BKR. Het wetsvoorstel Stelsel kredietregistratie
gaat het BKR wettelijk verankeren. Het BKR hanteert al
registratiegrenzen en bewaartermijnen, maar die worden dus ook opgenomen
in de wet. De Kamer heeft ook voorstellen gedaan om die aan te passen.
Daar komen we dus mee naar de Kamer. Die komen dus nog apart. Dan gaat
het dus specifiek over de registratie. Vandaag hebben we het puur over
de raadpleging.
Dan had de heer Ceder en ook mevrouw Van Dijk, geloof ik, de vraag of ik
een toelichting kan geven op de stand van zaken van het wetsvoorstel
Kredietregistratie, op de inhoud en de beoogde implementatie ervan. Dat
kan ik doen. Het wetsvoorstel Stelsel kredietregistratie — ik maak het
even heel formeel, ook voor de Handelingen — maakt van BKR een
rechtspersoon met een wettelijke taak. Het BKR wordt wettelijk
verankerd. Zaken als registratiegrenzen en bewaartermijnen worden dan
dus ook opgenomen in de wet. Onlangs ontving ik het tweede advies van de
Autoriteit Persoonsgegevens op het wetsvoorstel Kredietregistratie. Dat
wordt nu verwerkt door hetzelfde team. Ik verwacht eind oktober het
wetsvoorstel naar de Rekenkamer te sturen voor het advies en het
wetsvoorstel eind dit jaar naar de Raad van State te sturen. Dan kan het
wetsvoorstel na verwerking van dit advies naar de Tweede Kamer gestuurd
worden. Dat doe ik dan zo snel mogelijk. Dat is natuurlijk wel
afhankelijk van de adviezen van de Raad van State en de Rekenkamer. We
verwachten dat het begin volgend jaar in uw Kamer ligt, zodat we het
verder kunnen behandelen. Dan is het de wet; daar kunt u ook weer
amendementen op indienen of die aanpassen. Maar we hebben alle eerdere
zaken die de Kamer heeft meegegeven … Volgens mij had de D66-fractie,
collega's van de heer Schoonis, er ook al richting in meegegeven om
termijnen in te korten.
Mevrouw Van Eijk vroeg welke gevolgen het later indienen van de Wet
stelsel kredietregistratie heeft voor het zicht op de stapeling van
kleine kredieten. De nieuwe kredietsoorten, zoals creditcards en "buy
now, pay later"-krediet, zullen dus geregistreerd gaan worden. Het BKR
en de kredietaanbieders hebben samen besloten om de registratie daarvan
uit te stellen tot mei 2027, zodat de vereiste technische veranderingen
ook kunnen plaatsvinden. Dit kunnen zij doen omdat de registratiegrenzen
nu nog niet wettelijk, maar enkel in het BKR-reglement geregeld zijn.
Voor creditcards geldt ook de eerste zes maanden geen verplichting om te
registreren, vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de regels
voor de creditcards. Daar heb ik het aan het begin van het WGO al over
gehad. Dit betekent dat deze kredieten dus niet meteen geregistreerd
gaan worden. Onze inschatting is dat de volledige bescherming tegen de
stapeling van schulden er dan pas vanaf mei 2027 is. In de tussenperiode
zullen kredietaanbieders uiteraard een overzicht hebben van de bij hen
aangegane kredieten. We kunnen de consument wel doorverwijzen en
bijvoorbeeld respijtmaatregelen treffen als dat nodig is. Het
implementeren van de richtlijn en de wettelijke normen als het gaat om
buy now, pay later is voor nu het belangrijkste. Het andere wetstraject
vervolgen we dan later.
De heer Ceder vroeg nog hoe de kredieten die uit deze richtlijn volgen
een vervolg krijgen in het stelsel kredietregistratie. De nieuwe
kredietsoorten zullen dus geregistreerd worden bij het BKR, indien deze
boven de bestaande BKR-registratiegrens van €250 vallen met een minimale
looptijd van een maand. Ik heb daar eerder al naar verwezen. Dit is dus
vanaf mei 2027, omdat er nog wordt gewerkt aan de technische
veranderingen die nodig zijn in het register en bij de aanbieders.
Dan had mevrouw Van Eijk nog een vraag over hoe de registratie, de
registratiegrenzen en de bewaartermijnen juridisch en praktisch geborgd
worden tot de inwerkingtreding van de Wet stelsel kredietregistratie. De
registratiegrenzen en de bewaartermijnen van het BKR zijn momenteel
geborgd via het reglement van het BKR. De kredietaanbieders zijn daarbij
aangesloten. Het bestuur van het BKR kan kredietaanbieders schorsen als
zij zich niet aan het reglement houden. De Autoriteit Persoonsgegevens
houdt toezicht op de privacy en kan boetes opleggen. Juist om de
juridische borging van het BKR te versterken, wordt er nu gewerkt aan de
Wet stelsel kredietregistratie, mede naar aanleiding van de vele
discussies die wij hierover in de Kamer hebben gevoerd.
Mevrouw Van Eijk vroeg hoe de verschillende belangen bij
kredietregistratie worden gewogen en hoe er dan tot een proportioneel en
effectief registratiestelstel wordt gekomen. Nogmaals, op dit moment
staan de registratiegrenzen in het reglement van het BKR. In de Wet
stelsel kredietregistratie worden deze kredietgrenzen wettelijk
verankerd. Nogmaals, tot de inwerkingtreding van dat wetsvoorstel gelden
de huidige registratiekaders. Uiteraard wegen we in dat wetsvoorstel de
verschillende belangen mee, zodat er een proportioneel en effectief
registratiestelsel komt. Bij de Kamerbehandeling van het wetsvoorstel ga
ik uiteraard graag met u in gesprek over de aanpassing van die grenzen,
zoals ik net ook al zei.
Dan vroeg mevrouw Van Dijk of een consument op één dag zonder
BKR-registratie meerdere "buy now, pay later"-kredieten kan afsluiten en
zo schulden kan stapelen. Dat is een terechte vraag. Het antwoord is:
ja, dat kan. De stapeling kan niet volledig worden voorkomen, zeg ik
daar heel eerlijk bij, want het BKR biedt momenteel geen
realtimeregistratie en -informatie. Ik denk dat mevrouw Van Dijk
daarnaar verwijst. Bij de uitwerking van de Wet stelsel
kredietregistratie zal ik wel kijken naar de registratiegrenzen en naar
de vraag of het wenselijk is dat alle kleine kredieten ook in het BKR
komen te staan. Voor "buy now, pay later"-aanbieders gaat wel een
actualisatiebeleid gelden. Bij signalen die wijzen op financiële
problemen moeten zij opnieuw de kredietwaardigheid beoordelen.
Voorzitter. De heer Bushoff had ook nog een vraag over
schuldenstapeling, namelijk of ik van plan ben het BKR-wetsvoorstel zo
te wijzigen dat schuldenstapeling van kleine kredieten niet meer
mogelijk is. De bescherming tegen de stapeling van kredieten zal ik ook
meenemen in de verdere uitwerking van de Wet stelsel kredietregistratie.
Zoals ik net al aangaf, zal ik bij die uitwerking dan ook kijken naar de
registratiegrenzen en de vraag of het wenselijk is dat alle kleine
kredieten in het BKR komen te staan. Tot die tijd geldt natuurlijk het
huidige registratiekader. Nogmaals, we nemen dit mee in het volgende
stelsel, want ik zie dat iedereen hier dezelfde zorgen over heeft.
Dan als laatste de vraag van de heer Ceder. Hij wees op het feit dat een
negatieve BKR-registratie nu vijf jaar blijft staan en hij vroeg of de
huidige praktijk van de duur van de registratie wordt gehandhaafd. Ik
wees hier net al impliciet op. Volgens mij was dit ook een voorstel van
de collega van D66. Het voornemen is om de bewaartermijn te verkorten
naar drie jaar. Dit staat ook in de consultatieversie van het
Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie — we moeten echt naar een andere
naam voor dat wetsvoorstel. Ik probeer het heel zorgvuldig te doen.
Zoals ik net al aangaf moet het wetsvoorstel nog naar de Raad van State
voor advies. Daarna gaat het naar de Tweede Kamer en praat ik hier graag
verder over met u. Maar het staat er dus wel in, ook naar aanleiding van
de oproep van de Kamer.
Dan wil ik naar de categorie overig gaan. Er waren ook nog wat diversere
vragen gesteld die we niet echt in een onderwerp konden onderbrengen.
Zo, ik pak het huiswerk er even bij.
De heer Bushoff had een vraag gesteld over de schone-lei-regeling. Dat
was misschien een beetje buiten de orde, maar het is wel een belangrijke
regeling; er worden ook vaak Kamervragen over gesteld. Hij wees namelijk
op de nationale schone-lei-regeling voor mensen die ziek zijn geweest,
met name ex-kankerpatiënten, die ruimer is dan de Europese regeling. Dat
was de aanleiding van de vraag. Hij vroeg of dat wel zo blijft met deze
wet. De nationale schone-lei-regeling blijft bestaan zoals we die
kennen. Daarnaast komt er een regime ter implementatie van de schone lei
uit de richtlijn. Dit is een extra regime voor situaties waarin een
overlijdensrisicoverzekering wordt afgesloten bij een
consumentenkrediet. Dit komt niet tot zeer beperkt voor in Nederland,
maar toch. Er zijn dus geen of zeer beperkte wijzigingen voor
consumenten. In de praktijk betekent dit dat de gunstige voorwaarden van
het oude regime wel blijven bestaan. Dank dat u hier aandacht voor
blijft vragen, want het zal je maar overkomen. Dat is al erg genoeg. Dan
wil je ook dat je snel met een schone lei weer een nieuwe start kan
maken.
De heer Bushoff vroeg ook naar de uitkomst van de gesprekken over de
nationale schone-lei-regeling wat betreft verzekeringen. In reactie op
Kamervragen hebben we vaak aangegeven dat we in gesprek zijn. Ik voel me
dus ook een beetje een aanjager hiervan. Ik moet hier helaas wel bij
zeggen dat ik uw Kamer zal informeren als er een uitkomst is van die
gesprekken. Het komt volgend jaar in een Kamerbrief. De gesprekken lopen
goed, maar we willen uw Kamer daar zorgvuldig over informeren. Ik kan er
wel bij zeggen dat dit onderwerp gevoeld wordt op het ministerie, om
ervoor te zorgen dat we dit goed doen. Sterker nog, het hele initiatief
van de schone-lei-regeling was juist bedoeld om te voorkomen dat mensen
die schoon zijn verklaard, nog met dit soort nasleep te maken krijgen.
Hier wordt dus heel hard aan getrokken op het ministerie, maar ook in de
sector, zeg ik erbij. We proberen die informatie in een bredere
Kamerbrief naar uw Kamer te sturen, zodat u daar niet elke keer
Kamervragen over hoeft te stellen. Uiteraard kunnen we dat dan ook nog
meenemen in de debatten die dan gepland staan. Misschien kan dat bij een
debat over de financiële markten.
De heer Schoonis vroeg of de minister de zorg deelt dat mensen in de
schulden niet de stap zetten naar schuldhulpverlening. Hij vroeg hoe zij
dan bereikt worden. Het kabinet pakt de schuldenproblematiek in de volle
breedte aan. Alle maatregelen staan in het Nationaal Programma Armoede
en Schulden. De wettelijke vroegsignalering is belangrijk voor onder
meer wooncorporaties en energiebedrijven. Zij hebben de wettelijke
plicht om betaalachterstanden te melden. Vanaf 2027, dus vanaf volgend
jaar, stelt het kabinet structureel 20 miljoen euro beschikbaar aan
gemeenten om ook mensen met beginnende schulden beter te bereiken. Dit
zijn slechts twee voorbeelden. Zo moet de hulp stap voor stap
makkelijker worden gemaakt. Afgelopen donderdag zijn de bestuurlijke
afspraken over vroegsignalering ondertekend. Die komen uiteraard ook
naar de Kamer. We zijn er dus mee bezig. Ook hierbij ziet iedereen het
belang van de vroegsignalering om erger te voorkomen.
De heer Schoonis (D66):
Dank aan de minister. Volgens mij zitten we op dezelfde golflengte. In
het verlengde daarvan: hoe kijkt de minister aan tegen de
verantwoordelijkheid van de platforms zelf om daarmee aan de gang te
gaan?
Minister Heinen:
Ik wil de Kamer goed bedienen, maar dit heb ik nu niet zozeer paraat. We
hebben ons namelijk vooral voorbereid op vragen over het voorliggende
wetsvoorstel. Ik kijk even naar de heer Schoonis. Kan ik daar op een
later moment op terugkomen en deze vragen dan beantwoorden, of wilt u de
antwoorden in dit debat? Dan moeten we voor de tweede termijn namelijk
even achterhalen wat de stand van zaken precies is.
De heer Schoonis (D66):
Nee, ik ben daarmee akkoord.
De voorzitter:
Minister, voordat u verdergaat heeft meneer Bushoff toch nog een vraagje
over het vorige onderwerp.
De heer Bushoff (PRO):
Ja, een brief volgend jaar is fijn en dat de gesprekken lopen en dat de
intentie er is, kan ik me goed voorstellen. Alleen, de enige indicatie
is eind volgend jaar. Dat vind ik best laat, maar ik neem aan dat het
eerder is.
Minister Heinen:
Nee, we kijken elkaar gelijk aan. Dat moet sowieso in het eerste
kwartaal, maar dat vind ik al te laat als je dan in maart zit. Dat moet
dus echt begin volgend jaar zijn. Voor alle geschiedkundigen die dit
debat teruglezen: we zitten nu eind september-oktober. We zitten dus al
bijna in het volgende jaar. Dit moet echt zo snel mogelijk zijn, dus
echt begin volgend jaar, januari-februari. Ik wens alle historici die
dit debat teruglezen heel veel plezier!
De heer Bushoff had ook de vraag of ik kan bevestigen dat gemeentelijke
kredietbanken uitgezonderd blijven. Ja, dat kan ik bevestigen.
Gemeentelijke kredietbanken blijven dus onder de bestaande
uitzonderingen vallen, dus daarvoor verandert er niks.
De heer Ceder had het nog over TikTok Shop. Die kende ik niet. Ik blijf
maar benadrukken wat een boomer je af en toe kan zijn. Hij vroeg of ik
een einde wil maken aan de TikTokshops en of ik me daarvoor in Europees
verband wil inzetten. Een verbod acht ik niet proportioneel en niet
uitvoerbaar. Het kabinet deelt wel de zorg dat TikTok Shop consumenten
kan aanzetten tot impulsieve aankopen en daarmee financiële problemen
bij sommige consumenten kan vergroten. Echter, binnen de Europese Unie
geldt de vrijheid van ondernemerschap. Daar moet ik formeel wel even op
wijzen. Dat betekent dat de overheid niet zomaar een bedrijf of een
bedrijfsvorm kan verbieden.
Deze vrijheid van ondernemerschap is uiteraard niet onbegrensd, zeg ik
ook richting de heer Ceder. Het bedrijf moet zich houden aan de wet- en
regelgeving op onder meer het gebied van gegevensbescherming, de AVG,
productveiligheid en consumentenbescherming. Voor TikTok — ik begrijp
dat dat een zeer groot online platform is — gelden bovendien de meest
strenge eisen in de Digital Service Act, de DSA. De Europese Commissie
houdt hier ook toezicht op. Zo is TikTok verplicht om alle
systeemrisico's die voortvloeien uit de dienst te analyseren en te
beperken. Ook is TikTok in contact geweest met de Europese Commissie
over TikTok Shop. We zullen achterhalen wat daarbij de laatste stand van
zaken is. Ik begrijp vanuit de maatschappijvisie van de heer Ceder de
zorgen hierover, maar nogmaals: we kunnen niet zomaar individuele
bedrijven gaan verbieden.
De voorzitter:
De heer Ceder heeft een interruptie over TikTok Shop.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het probleem hiermee is het volgende. In theorie volg ik de minister
volledig, maar het is algemeen bekend dat TikTok zich niet aan de regels
houdt, niet aan die over privacy noch aan die over leeftijdsverificatie.
Daarmee doet het eigenlijk gewoon wat het wil. Wat we hier bespreken,
glipt daarmee volledig weg op TikTok. Dat is volgens mij ook het meest
gebruikte platform onder jongeren. Ik denk dus dat ik daar wel een motie
over indien om toch wat meer urgentie te krijgen vanuit de minister. Hij
gaf wel aan dat hij de stand van zaken gaat achterhalen. Dat kan in
ieder geval helpen om de feiten op orde te krijgen. Misschien helpt dat
ook om de minister ervan te doordringen dat dit echt een serieus
probleem is. Mijn vraag is wanneer de minister dat naar de Kamer kan
toesturen. Ik ga daar wel een motie over indienen, maar wie weet kan dat
helpen om te kijken hoe we elkaar kunnen vinden in de gezamenlijke
opgave om jongeren te beschermen.
Minister Heinen:
Laat ik vooropstellen dat we deze zorg delen met elkaar. Als je zelf
kinderen hebt en je ziet wat er online allemaal voor innovatie
plaatsvindt, denk je af en toe: gaat dat wel goed? Ik moet wel zeggen
dat dit onderwerp echt bij mijn collega, de minister van EZK, zit. De
motie zie ik dus graag tegemoet — ik sta daar uiteraard positief
tegenover — maar dan moet ik die doorgeleiden naar mijn collega voor een
appreciatie. Laten we het dan zo doen. Dan zou ik de collega ook vragen
om bij die appreciatie aan te geven wat de laatste stand van zaken is.
Dan kunt u altijd nog wegen of u de motie indient of niet. Nogmaals, ik
zie de motie graag tegemoet, met een positieve grondhouding. Ik heb het
dictum nog niet gezien, maar ik snap wat u probeert te bereiken, zeg ik
via u, voorzitter. Dan zal ik mijn collega in het kabinet vragen om de
motie breder te appreciëren dan alleen oordeel Kamer of niet.
Voorzitter. Dan kom ik bij nog een aantal resterende vragen. Specifiek
over het provisieverbod had mevrouw Van Eijk nog een vraag, namelijk of
ik overweeg om de AFM de bevoegdheid te geven een ontheffing van het
provisieverbod te verlenen voor creditcardaanbieders.
Creditcardaanbieders hebben aangegeven dat de verplichting om
maandelijks provisie te betalen aan een aanbieder niet passend is bij de
werkzaamheden van een bemiddelaar. Ik zie wel bezwaren tegen het
toekennen van de bevoegdheid aan de AFM om een ontheffing van de
provisieregels te verlenen aan de creditcardsector. Bij een ontheffing
moet de AFM dat namelijk per partij gaan regelen. Ik vind het echter
passender om dit dan per besluit te regelen voor de gehele
creditcardsector, in plaats van via een ontheffing door de AFM. Ik kan
dus wel toezeggen dat ik dit verwerk in het implementatiebesluit, als
dat tegemoetkomt aan het punt van mevrouw Van Eijk. Ik zie instemmend
geknik, dus laat ik dat dan op deze manier doen.
Mevrouw Van Eijk had ook een vraag over een invoeringstoets voor de
productinterventiebevoegdheid van de AFM. Zij vroeg of ik dat met de
Kamer kan delen. De productinterventiebevoegdheid van de AFM kwam al
eerder aan de orde in dit debat. Dat is een zwaar instrument. Er moet
worden voldaan aan strikte voorwaarden. Het mag alleen worden ingezet
als bestaande instrumenten tekortschieten. Dat is ook op deze wijze
verankerd in de wet. De AFM zal deze bevoegdheid daarom niet vaak
inzetten, is de verwachting. De meerwaarde zit 'm wel in het
afschrikeffect en de mogelijkheid om op te treden bij toekomstige
ontwikkelingen. Daar vroeg de heer Ceder ook aandacht voor. Een
invoeringstoets voor inwerkingtreding levert naar onze overtuiging op
dit moment geen verdere informatie op. De bevoegdheid dient immers voor
situaties die nog niet waren voorzien in de richtlijntekst. Dat kan ik
er in formele zin over zeggen. Als hier van de zijde van de Kamer zorgen
over zijn, kan ik wel toezeggen de bevoegdheid na invoering ook mee te
nemen in de evaluatie, om even te zien of het nou werkt of dat er meer
nodig is. Ook daar zie ik een bevestiging op, dus laten we dat dan ook
zo doen.
Voorzitter. Als laatste ben ik dan bij de vraag van de heer Ceder of ik
kan toezeggen dat er een samenwerkingsprotocol komt tussen de Inspectie
van Justitie en Veiligheid en de AFM. Zo te zien is mijn collega het
daar helemaal mee eens. Dat kan ik toezeggen, want de AFM en de
Inspectie Justitie en Veiligheid hebben al een samenwerkingsprotocol
opgesteld, met afspraken over de onderlinge samenwerking en afstemming.
Laat ik dat bij dezen dus ook in formele zin toezeggen.
Voorzitter. Als allerlaatste is er nog een vraag van mevrouw Van Eijk,
maar die vraag hebben we al gehad, denk ik. Zij wil weten op welk moment
de gevolgen van de wet voor de prijs en de beschikbaarheid van krediet,
de consumentenpositie en de consumentenbescherming evalueren. Die hebben
we uitgebreid aan de orde gehad, dus dat gaan we ook op die manier
doen.
Ja, dan ben ik aan het einde gekomen van alle vragen die zijn gesteld,
denk ik.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik naar de leden. De minister heeft alle vragen
beantwoord die gesteld zijn. Zijn er leden die nog een vraag missen? Op
voorhand is dat niet het geval. Heeft u zelf nog een toevoeging?
Minister Heinen:
Ik moet nog een amendement appreciëren.
De voorzitter:
Ja, ga uw gang.
Minister Heinen:
Dat doe ik dan in formele zin, want we hebben het al uitgewisseld in het
debat. Dat was een amendement van de heer Flach, op stuk nr. 10. Ik zeg
even voor de Handelingen dat het ging om amendement op stuk nr. 10
(36924) (#1) van de heer Flach. Dat moet ik formeel ontraden. Dat gaat over
de verhoging van de leeftijdsgrens van 18 jaar naar 21 jaar. Ik verwijs
naar de argumentatie zoals die is gewisseld in dit
wetgevingsoverleg.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan hebben wij de eerste termijn van beide zijden gehad. Dan
gaan we door naar de tweede termijn. Meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ik wil de minister en de staatssecretaris
bedanken voor de beantwoording. We hebben veel vragen gesteld, omdat er
veel vragen waren, maar de minister heeft ook veel antwoord gegeven,
denk ik. Een deel van onze vragen hangt af van de Wet kredietstelsel,
waarvan de minister, denk ik, goed gehoord heeft wat in ieder geval voor
de ChristenUnie belangrijk is. Dat is namelijk dat er ook een passend
protocol komt bij de huidige implementatierichtlijn. We hebben een
aantal casussen voorgelegd waarbij we hebben aangegeven dat het
belangrijk is om duidelijkheid te geven. De minister heeft aangegeven
dat hij er in het gesprek met de AFM op terugkomt en de AFM daar ook
duidelijkheid over geeft. Dat gaat dus om de vraag wanneer er wel of
niet sprake is van een bepaald regime. Ik heb de minister ook een aantal
toezeggingen horen doen. Ik denk dat die heel goed zijn en dat we ermee
uit de voeten kunnen. Ik heb nog wel drie punten.
De voorzitter:
Excuses. Voordat u verdergaat, zie ik dat de heer Schoonis iets wil
zeggen.
De heer Schoonis (D66):
Ik wilde de heer Ceder niet echt onderbreken, maar ik wil graag een
technische break van een paar minuten hebben, als dat kan.
De voorzitter:
Dan gaan we een handenwasmoment van vijf minuten invoeren.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan mag ik weer opnieuw beginnen.
De voorzitter:
Dan mag u weer opnieuw beginnen, meneer Ceder.
De vergadering wordt van 14.05 uur tot 14.12 uur geschorst.
De voorzitter:
Goed, dames en heren. We hadden een korte schorsing. We gaan verder met
de tweede termijn. De heer Ceder mag beginnen. Hij spreekt namens de
ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, ik houd het kort. Ik heb een paar moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat artikel 4:74, eerste lid, van de Wet op het financieel
toezicht kredietbemiddelaars verbiedt een vergoeding voor bemiddeling
bij de consument in rekening te brengen, bijvoorbeeld bij een aankoop
via een "buy now, pay later"-aanbieder;
overwegende dat een beperkte en vooraf kenbare vergoeding voor achteraf
betalen consumenten kan stimuleren om bewuster af te wegen of gebruik
van krediet voor de betreffende aankoop noodzakelijk en passend is, en
daarmee kan bijdragen aan het voorkomen van schuldgewenning en
overcreditering;
verzoekt de regering om op grond van artikel 4:74, derde lid, een
wijziging van lagere regelgeving voor te bereiden die het bedrijven met
een betaalmogelijkheid via achteraf betalen toestaat om voor achteraf
betalen een vergoeding te vragen, mits:
de vergoeding alleen de aantoonbare en rechtstreeks aan de betaaloptie toe te rekenen kosten dekt en geen winstopslag heeft;
de consument kan kiezen om te betalen via een methode zonder vergoeding,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Van Eijk en
Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 11 (36924) (#2).
De heer Ceder (ChristenUnie):
De volgende motie gaat over de leeftijdsgrens van buy now, pay
later.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat met dit wetsvoorstel het expliciet verboden wordt om
krediet te verstrekken aan minderjarigen;
overwegende dat uit onderzoek blijkt dat minderjarigen en jongeren
gevoelig zijn voor het aangaan van krediet via "buy now, pay
later"-diensten met schuldgewenning en in sommige gevallen daadwerkelijk
problematische schulden als gevolg;
verzoekt de regering de AFM te verzoeken het gebruik van "buy now, pay
later"-kredieten door jongeren van 18 jaar tot en met 21 jaar actief te
monitoren en hierover te rapporteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 12 (36924) (#3).
De heer Ceder (ChristenUnie):
En tot slot: de befaamde TikTok Shop-motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat TikTok de mogelijkheid heeft geïntegreerd om via dit
platform direct producten te bestellen die influencers via TikTok
aanprijzen, zonder tussenkomst van een webshop of platform;
overwegende dat de doelgroep van TikTok voornamelijk bestaat uit
jongeren die via influencers worden aangezet tot impulsaankopen en
normalisering van het aangaan van schulden;
overwegende dat de Consumentenbond heeft gewaarschuwd voor de risico's
van de TikTok Shop;
verzoekt de regering de mogelijkheden te onderzoeken voor een verbod op
de TikTok Shop en wanneer dit niet direct mogelijk is te pleiten voor
een verbod, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 13 (36924) (#4).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Ik kijk uit naar de beantwoording.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even naar de andere commissieleden. De heer
Hoogeveen heeft aangegeven dat hij onder een enorme tijdsdruk staat en
zo direct eerder weg moet. Het verzoek is of hij na de heer Ceder namens
JA21 als tweede het woord mag voeren. Ik zie dat iedereen denkt: het
moet dan maar, vooruit. Nee hoor, gaat uw gang, meneer Hoogeveen!
De heer Hoogeveen (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Het is een nobel doel. Ik heb namelijk het
eerste gesprek op de basisschool van mijn dochter, dus daar wil ik wel
op tijd bij aanwezig zijn.
Ik heb een drietal moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de herziene Richtlijn consumentenkrediet een
lidstaatoptie kent die de mogelijkheid biedt om kaarten met uitgestelde
debitering uit te zonderen van het toepassingsgebied, en dat omringende
landen zoals Duitsland, Frankrijk en België gebruikmaken van deze
uitzonderingsbepaling en Nederland niet;
overwegende dat dit kan leiden tot een ongelijk speelveld, een
verslechtering van de concurrentiepositie en disproportionele lasten
voor aanbieders van betaalmiddelen met geringe
betalingsproblematiek;
verzoekt de regering alsnog gebruik te maken van de
uitzonderingsbepaling van artikel 2, vijfde lid, van de richtlijn voor
kaarten met uitgestelde debitering die aan de daarin gestelde
voorwaarden voldoen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 14 (36924) (#5).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het implementatiebesluit een beperkte
kredietwaardigheidsbeoordeling is geregeld voor kredieten tot
€100;
overwegende dat de gemiddelde orderwaarde in de praktijk te dicht op de
grens ligt waardoor consumenten voor kleine aankopen te snel met een
onevenredig zware kredietwaardigheidsbeoordeling te maken krijgen;
verzoekt de regering om het drempelbedrag in artikel 113, tweede lid,
van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo) te
verhogen van €100 naar €150,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 15 (36924) (#6).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de herziene Richtlijn consumentenkrediet voorschrijft
dat informatie voor de kredietwaardigheidsbeoordeling naar behoren en
"indien nodig" middels onafhankelijk verifieerbare stukken moet wordt
geverifieerd;
constaterende dat omringende landen in hun implementatie vasthouden aan
een dergelijke risicogerichte en proportionele toets terwijl Nederland
in het implementatiebesluit verplicht is in alle gevallen aangeleverde
informatie te verifiëren;
overwegende dat dit leidt tot disproportionele regeldruk waarbij
consumenten voor risicoarme aankopen verplicht loonstroken of
bankafschriften moeten overleggen;
verzoekt de regering de verificatieplicht in artikel 113, eerste lid,
van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo)
risicogericht in te richten, in lijn met de richtlijn en de ons
omringende landen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Hoogeveen en Van Eijk.
Zij krijgt nr. 16 (36924) (#7).
De heer Hoogeveen (JA21):
Dan wil ik, via de voorzitter, de minister nog danken voor dit
wetgevingsoverleg. Het was goed gepland, zo vlak voor de Algemene
Financiële Beschouwingen. Ik wens de minister daar veel sterkte
mee.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ook dank, namens de heer Hoogeveen, aan de andere
commissieleden dat hij voor mocht. Mevrouw Van Eijk van de VVD.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor zijn uitgebreide
beantwoording en zijn ruimhartige opstelling door de Kamer tegemoet te
komen bij heel veel vragen en vervolgtrajecten. We spreken mekaar nog
verder bij de Wet stelsel kredietregistratie. Dan zullen heel veel
vragen weer opnieuw aan de orde komen. Ik ben heel benieuwd hoe dat
eruit gaat zien.
Dank voor de toezegging op het punt van de doorlopende provisie voor
creditcards en de beheerfase daarvan. Die motie kan ik achterwege
laten.
Hetzelfde geldt voor de toezegging om in ieder geval goed te kijken naar
de productinterventiebevoegdheid van de ACM. De minister zei het al: het
is een streng instrument. Laten we met elkaar goed bekijken hoe we dat
gaan inzetten en überhaupt hoe vaak het voorkomt en hoe vaak het nodig
is. De markt gaat altijd sneller dan de wetgever, dus ik denk dat het
goed is om erbovenop te blijven zitten.
Ik heb nog één vraag — die houdt me toch wel bezig — over het
onderscheid tussen een doorlopend krediet waar monitoring zou volstaan
en een aflopend krediet waar je continu aan het toetsen bent. Ik vraag
me af of dat wel zo proportioneel is. Misschien kan de minister daar nog
kort iets over zeggen.
Voorzitter. Ik heb nog één motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij onder meer telecomdiensten, parkeerapps,
zorgfacturen en mobiliteitsdiensten onduidelijkheid kan ontstaan over de
vraag wanneer sprake is van krediet waarop het kredietregime van
toepassing is;
overwegende dat rechtszekerheid vereist dat voor aanbieders en
consumenten vooraf zo duidelijk mogelijk kenbaar is welke verplichtingen
van toepassing zijn;
verzoekt de regering om vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regels de
Autoriteit Financiële Markten (AFM) te verzoeken richtlijnen te
publiceren over de reikwijdte van het kredietregime voor gangbare
betaal- en facturatievormen, met daarbij bij voorkeur een zo concreet en
limitatief mogelijke afbakening, en de Kamer hierover te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Schoonis en
Ceder.
Zij krijgt nr. 17 (36924) (#8).
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van Dijk van het CDA.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Inderdaad, de
zoektocht naar balans was duidelijk te merken in de Kamer. Er zijn dan
ook veel toezeggingen gedaan die hiernaartoe komen in een inmiddels
lange brief. Ik denk dat het belangrijk is dat ook degenen voor wie dit
relevant zou kunnen zijn, hierover actief geïnformeerd worden, al weet
ik dat zij waarschijnlijk ook reikhalzend naar de brief zullen
uitkijken, omdat er voor hen ook gewoon belangrijke dingen in zullen
terugkomen.
Met betrekking tot digitaal betalen zijn wij inderdaad al fors
vooruitgelopen op andere landen. De minister gaf aan: dat herkennen we
ook. Het is dan ook logisch dat sommige zorgen bij ons misschien
nadrukkelijker spelen dan andere landen. Dat geeft ook wel meteen een
stukje verantwoordelijkheid, als het aan mij ligt, om ervoor te zorgen
dat we dit tijdig adresseren. De minister onderschreef dat ook wel,
volgens mij.
Ik heb hierover een lange motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat buy now, pay later onder de herziene Europese
richtlijn consumentenkrediet (CCD II) verder wordt gereguleerd;
constaterende dat het maximumharmonisatiekarakter van CCD II Nederland
beperkt in de mogelijkheid om nationaal aanvullende maatregelen te
nemen;
overwegende dat nieuwe digitale betaalvormen ertoe kunnen leiden dat
consumentenkrediet steeds meer als gewone betaalmethode wordt
aangeboden;
overwegende dat het daarom van belang is de ontwikkeling van buy now,
pay later en de effecten van de nieuwe regelgeving nauwlettend te
blijven volgen;
verzoekt de regering de ontwikkeling van "buy now, pay later"-gebruik,
betalingsproblemen en problematische schulden te blijven monitoren, met
bijzondere aandacht voor jongeren en jongvolwassenen en de stapeling van
kleine kredieten, en indien deze ontwikkeling daartoe aanleiding geeft,
zich in Europees verband in te zetten voor verdere aanscherping van het
consumentenkredietkader, waarbij in ieder geval worden betrokken:
het kunnen verbieden van buy now, pay later in fysieke winkels;
het kunnen beperken van buy now, pay later in digitale wallets;
het invoeren van een Europese minimumleeftijd voor buy now, pay later, met ruimte voor lidstaten om een hogere leeftijdsgrens te hanteren;
verdergaande beperkingen of een algeheel verbod op reclame voor buy now, pay later;
en andere verdergaande beperkingen van buy now, pay later indien de ontwikkeling van problematische schulden daartoe aanleiding geeft;
en verzoekt de regering daarbij actief medestanders onder andere
lidstaten te zoeken en de Kamer over de ontwikkelingen en de Nederlandse
inzet te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Schoonis en
Ceder.
Zij krijgt nr. 18 (36924) (#9).
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dan nog een motie over de registratie van kredieten.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kredietaanbieders onder de implementatie van CCD II
bij ieder krediet, ongeacht de hoogte daarvan, het kredietregister
moeten raadplegen;
constaterende dat het kabinet voornemens is in de toekomstige Wet
stelsel kredietregistratie de huidige registratiegrens van €250 te
handhaven;
overwegende dat hierdoor kleine kredieten wel aanleiding geven tot
raadpleging van het kredietregister, maar zelf niet altijd zichtbaar
zijn voor andere kredietaanbieders;
overwegende dat juist bij buy now, pay later het risico bestaat dat
consumenten bij verschillende aanbieders meerdere kleine
kredietverplichtingen aangaan en de AFM waarschuwt voor
schuldenstapeling;
verzoekt de regering bij de Wet stelsel kredietregistratie de
registratiegrens van €250 opnieuw te bezien en daarbij expliciet te
onderzoeken hoe ook de stapeling van kleine kredieten tijdig zichtbaar
kan worden voor kredietaanbieders;
verzoekt de regering de Kamer hierover bij indiening van het
wetsvoorstel te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Schoonis en
Ceder.
Zij krijgt nr. 19 (36924) (#10).
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik ben tot slot blij om te horen dat de gemeentelijke kredietbanken hun
goede werk kunnen blijven doen. Dat scheelt me weer een motie. Ik denk
dat het ook fijn is dat dergelijke initiatieven er zijn in de
praktijk.
Dank je wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Bushoff namens PRO.
De heer Bushoff (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de minister voor de beantwoording
van alle vragen. We zijn gezamenlijk op zoek naar de balans: hoe kun je
aan de ene kant consumenten beschermen en aan de andere kant het normale
handelsverkeer zijn doorgang laten vinden? Want dat willen we volgens
mij allebei. Tegelijkertijd moeten we in die zoektocht nog wat losse
eindjes aan elkaar knopen. De minister gaf de ruimte om dat gezamenlijk
te doen. In dat licht heb ik nog enkele moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat jonge gebruikers van koop nu, betaal later het eerder
als betaalmiddel zien dan als schuld;
verzoekt de regering meer bewustzijn te creëren door een
waarschuwingszin te verplichten bij het afrekenen met koop nu, betaal
later,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bushoff.
Zij krijgt nr. 20 (36924) (#11).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Nibud laat zien dat jongvolwassenen frequente
gebruikers zijn van koop nu, betaal later, het vaak als gewoon
betaalmiddel zien en meer dan gemiddeld in financieel kwetsbare
situaties zitten;
overwegende dat jongvolwassenen daarom kwetsbaarder zijn voor koop nu,
betaal later en dit meegenomen moet worden in de
kredietwaardigheidsbeoordeling;
verzoekt de regering de ruimte die een proportionele
kredietwaardigheidsbeoordeling biedt te gebruiken om leeftijd als
risicofactor mee te nemen, zodat jongvolwassenen beter worden beschermd
tegen het aangaan van schulden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bushoff.
Zij krijgt nr. 21 (36924) (#12).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de nieuwe richtlijn een aantal uitzonderingen
zitten, zoals het toestaan van krediet binnen een termijn van 14 dagen
voor grote onlinewinkels en binnen een termijn van 50 dagen voor fysieke
winkels;
overwegende dat deze uitzonderingen misbruikt kunnen worden doordat
aanbieders constructies kiezen die binnen de uitzonderingen vallen, maar
in de praktijk werken als achteraf betalen;
verzoekt de regering om in overleg met de AFM de toepassing van deze
uitzonderingen nationaal te evalueren, daarbij specifiek te bezien of
sprake is van oneigenlijk gebruik of risico's voor consumenten, en
indien de uitkomsten daartoe aanleiding geven passende maatregelen te
treffen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bushoff.
Zij krijgt nr. 22 (36924) (#13).
De heer Bushoff (PRO):
De laatste motie die ik wil indienen, is eigenlijk al door mijn collega
Inge van Dijk ingediend. Als ik het voorstel mag doen aan mevrouw Van
Dijk om één ding toe te voegen aan haar motie, dan wil ik daar misschien
wel onder staan. Het gaat erom dat kredieten onder de €250 niet in het
BKR geregistreerd worden, terwijl dat wel logisch zou zijn in het licht
van het voorkomen van een stapeling van kredieten. Dat lijkt me logisch.
Volgens mij verzocht mevrouw Inge van Dijk daar ook om in de motie die
zij voorlas.
Tegelijkertijd zou ik daar één punt aan willen toevoegen, namelijk dat
we in het wetsvoorstel dat nog naar de Kamer gaat, ook regelen dat de
termijnen verkort worden voor negatieve registraties wanneer een
tijdelijke betalingsachterstand volledig is ingelopen. Dan zoeken we
volgens mij de juiste balans. Ik zie de minister heel moeilijk kijken.
Ik snap dat het een beetje ingewikkeld is om te onderhandelen over
moties via de microfoon, maar als we de motie zo kunnen aanpassen, dan
dien ik mijn motie niet in en zet ik mijn naam graag onder die van
mevrouw Inge van Dijk. Ik kijk stiekem naar haar. Volgens mij gaat dat
goedkomen en hoef ik mijn motie daarover niet in te dienen.
Voorzitter. Ik had nog een motie, maar de minister heeft al toegezegd
dat hij zich ook in Europees verband wil inzetten voor een reclameverbod
op koop nu, betaal later, wanneer dat nodig is om consumenten te
beschermen. Ook daarvoor is dus geen motie nodig. Ik ben ook blij met de
toezegging van de minister dat de gemeentelijke kredietbanken hun goede
werk kunnen blijven doen. Ik kijk ook uit naar de schone-lei-regeling en
de brief die nog komt.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef als laatste het woord aan de heer Schoonis namens
D66.
De heer Schoonis (D66):
Dank u, voorzitter. Ook van mij natuurlijk dank aan de minister en aan
de staatssecretaris, die al weg is, voor de beantwoording. Mijn punt
over de verduurzaming was een beetje een vreemde eend in de bijt, maar
ik dien daar toch een motie over in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat door de gestegen energieprijzen door de geopolitieke
situatie in het Midden-Oosten de energierekening van huishoudens snel is
gestegen;
overwegende dat het isoleren en aardgasvrij maken van woningen de
energiezuinigheid verbetert en daarmee resulteert in een lagere
energierekening voor huishoudens;
overwegende dat huishoudens in goed geïsoleerde aardgasvrije woningen
een stuk minder kwetsbaar zijn voor plotselinge energieprijsstijgingen
door geopolitieke ontwikkelingen;
constaterende dat gebouwgebonden financiering een product is waarmee
huiseigenaren de financiering van verduurzaming rond kunnen krijgen,
maar dat door de complexiteit het product nog onvoldoende van de grond
komt;
overwegende dat daarmee een route die kan helpen bij de verduurzaming
van woningen dreigt te worden afgesloten;
verzoekt de regering om voor het eind van het jaar te onderzoeken hoe
gebouwgebonden financiering voor verduurzaming van woningen makkelijker
gemaakt kan worden voor huiseigenaren;
verzoekt de regering daarbij in te gaan welke stappen nodig zijn ten
aanzien van de interpretatie van de Wft, verduidelijking van nationale
kredietwetregelgeving of andere juridische belemmeringen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schoonis, Flach en Ceder.
Zij krijgt nr. 23 (36924) (#14).
Dank u wel. Ik kijk heel even naar onze telling. Volgens mij heb ik
gehoord dat er veertien moties werden aangekondigd. Ik kijk even of dat
klopt. De griffier heeft er twaalf, dus misschien dat we ergens nog iets
gaan vinden. Ik kijk naar de minister. Heeft u een paar minuutjes nodig
of gaat u direct door?
Minister Heinen:
Als u mij vijf minuten geeft, dan maken we de administratie even in
orde.
De voorzitter:
Ik schors voor vijf minuten.
De vergadering wordt van 14.28 uur tot 14.36 uur geschorst.
De voorzitter:
Dames en heren, we gaan nu verder met de beantwoording van het kabinet
en de appreciatie van de moties. Als het goed is, zijn er dertien moties
ingediend en is er één vraag gesteld. Het woord is aan de
minister.
Minister Heinen:
Ik had nog twee openstaande vragen. Ik had een vraag van mevrouw Van
Eijk, die in tweede termijn was gesteld, namelijk of in een
kredietwaardigheidstoets het verschil tussen een aflopend en een
doorlopend krediet wel proportioneel is. Op grond van het wetsvoorstel
moet een kredietwaardigheidsbeoordeling altijd proportioneel zijn.
Hierbij wordt rekening gehouden met de kenmerken van het krediet,
bijvoorbeeld of dat aflopend of doorlopend is.
De heer Schoonis stelde de vraag of kredietaanbieders een grotere rol
krijgen bij de vroegsignalering. Op grond van de richtlijn krijgen
aanbieders daarin al een rol. Bij betaalachterstanden worden ze
verplicht de klant te wijzen op gemeentelijke schuldhulpverlening. Zij
moeten betaalachterstanden dus in de gaten houden. De AFM houdt hier ook
toezicht op.
Dan wilde ik naar de appreciatie van de moties gaan.
De voorzitter:
U krijgt toch nog een vraag hierover van de heer Schoonis.
De heer Schoonis (D66):
Dat hadden wij begrepen, alleen kun je dat, bij wijze van spreken, ook
op pagina 67 van de website zetten. Mijn vraag was of het een
prominentere plek zou kunnen krijgen.
Minister Heinen:
Op zich snap ik de vraag. Het is wel de AFM die toezicht houdt op de
goede communicatie daarover en dergelijke. Dat vraagt de heer Schoonis
niet, maar ik wil voorkomen dat ik zeg op welke pagina iets moet staan.
Uiteindelijk is het aan de AFM om erop toe te zien dat het duidelijk
is.
Dan wil ik naar de moties gaan. Op het laatste moment zijn er nog een
paar samengevoegd, dus we gaan het even heel zorgvuldig doen, zodat het
allemaal goed gaat en we het goed lezen met elkaar. Ik kan er veel
oordeel Kamer geven.
Allereerst de motie op stuk nr. 11 van de heer Ceder, mevrouw Van Eijk
en de heer Hoogeveen. Die kan ik oordeel Kamer geven.
De motie op stuk nr. 12 van de heer Ceder kan ik ook oordeel Kamer
geven. Wel moet ik daar iets bij zeggen. In het dictum staat: "verzoekt
de regering de AFM te verzoeken (…)". Het is expliciet een verzoek, open
neerleggend en AFM-onafhankelijk. Het is dus geen aanwijzing. Als we dat
samen zo lezen, dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.
Dan de motie op stuk nr. 13 van de heer Ceder, over de TikTok Shop. Ik
snap dat hij die motie heeft ingediend, maar ik zou hem willen vragen om
'm aan te houden. Dan kan ik de motie doorgeleiden naar mijn collega van
EZK om deze te appreciëren. Ik zal ook vragen dat voor de volgende
stemming te doen. Die is morgen, dus dan zal ik dat vanmiddag nog
proberen. Of staat dit volgende week op de stemmingslijst? Ja? Dan zorg
ik dat u volgende week, voor de stemming, de appreciatie heeft. Als u de
motie dus kan aanhouden, dan kan de minister van EZK die volledig
appreciëren.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat is goed, maar als ik voor dinsdag een briefje krijg, dan hoeft de
motie in principe niet aangehouden te worden, toch?
De voorzitter:
Wat is dan de appreciatie?
Minister Heinen:
Dan zou ik 'm moeten ontraden. Daarom zei ik: als u 'm aanhoudt, heeft u
een open …
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik snap het. Ik hou 'm dan aan tot de stemming van volgende week
dinsdag.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Ceder stel ik voor zijn motie (36924, nr. 13) aan
te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Heinen:
Dan geleiden wij dit door naar onze collega in het kabinet.
Dan de motie op stuk nr. 14 van de heer Hoogeveen. Die moet ik ontraden.
Ik verwijs naar wat we daarover in het debat met elkaar hebben
uitgewisseld.
Dan de motie op stuk nr. 15 van de heer Hoogeveen. Die leg ik echt heel
open neer. Ik stel natuurlijk die grens van €100 voor. Het is aan de
Kamer. Ik ga de motie dus even heel traditioneel zuiver interpreteren:
het is aan het oordeel van de Kamer. Ik heb in het debat aangegeven dat
ik zoek naar een balans. Als uw Kamer dit een beter bedrag vindt, dan
kunnen we dat uiteraard verwerken. Ik wijs er wel op dat wij het zelf
verstandiger vonden om de grens op €100 te zetten. Maar om de motie op
basis daarvan te ontraden, vind ik ook te ver gaan. We hebben hier
namelijk een heel open debat met elkaar om een goede balans te vinden.
Met die duiding erbij leg ik 'm dus heel open neer en zou ik 'm oordeel
Kamer willen geven, hoewel mijn oorspronkelijk voorstel €100 was.
Dan de motie op stuk nr. 16 van de heer Hoogeveen en mevrouw Van Eijk.
Die zou ik ook oordeel Kamer willen geven.
Dan de motie op stuk nr. 17 van mevrouw Van Eijk, de heer Schoonis en de
heer Ceder. Het dictum zegt: "verzoekt de regering om vóór de
inwerkingtreding van de nieuwe regels de Autoriteit Financiële Markten
te verzoeken richtlijnen te publiceren (…)". Als ik de motie zo mag
lezen dat ik vraag om guidance van de AFM, kan ik 'm oordeel Kamer
geven.
De uitgebreide motie op stuk nr. 18, van mevrouw Van Dijk, de heer
Schoonis en de heer Ceder, kan ik oordeel Kamer geven.
De motie op stuk nr. 19 is op het laatste moment samengevoegd. Ik wil
even zeker weten dat we elkaar goed begrijpen, want het dictum verzoekt
om iets te doen, maar ook om iets te onderzoeken. Het dictum verzoekt
namelijk om te onderzoeken hoe de stapeling van kleine kredieten tijdig
zichtbaar kan worden voor kredietverleners en — dat is eraan toegevoegd
— om de registratietermijn voor negatieve registraties te verkorten. Zou
ik dat in hetzelfde onderzoek mogen meenemen? Dan is het minder dwingend
en kunnen we het betrekken bij de wetsbehandeling. Wij nemen het dan mee
en dan kunnen we het … Ja? Oké. Precies, dan kunnen we de balans zoeken.
Dan lees ik de motie zo dat we ook in het onderzoek meenemen of die
termijn verkort kan worden. Ik kan de motie dan oordeel Kamer geven. Dat
is de motie van mevrouw Van Dijk, de heer Schoonis, de heer Ceder en de
heer Bushoff.
De motie op stuk nr. 20, van de heer Bushoff, kan ik oordeel Kamer
geven.
De motie op stuk nr. 21, van de heer Bushoff, kan ik oordeel Kamer
geven.
De motie op stuk nr. 22, van de heer Bushoff, krijgt ook oordeel Kamer.
Dat is een strike!
De motie op stuk nr. 23, van de heer Schoonis, de heer Flach en de heer
Ceder, wil ik het oordeel "ontijdig" geven. Dat heeft met het volgende
te maken. KPMG heeft in opdracht van de minister van VRO onderzoek
gedaan naar gebouwgebonden financiering. De Kamer heeft dit rapport voor
de zomer ontvangen. Binnen een paar weken — dat hebben we net nog even
gecheckt — ontvangt u ook een kabinetsreactie op het rapport van KPMG.
We kunnen dus twee dingen doen. Ik kan de motie het oordeel ontijdig
geven, maar u kunt 'm ook aanhouden en dan geleid ik 'm door naar mijn
collega in het kabinet. Die kan de motie dan meenemen in de
kabinetsreactie. In het licht van wat ik net zei, vond ik het onhandig
om er nu een oordeel aan te geven.
De heer Schoonis (D66):
Dan hou ik de motie even aan.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Schoonis stel ik voor zijn motie (36924, nr. 23)
aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Heinen:
Ik zal mijn collega in het kabinet dan wijzen op deze motie en vragen om
die te betrekken bij de kabinetsreactie.
Voorzitter. Als onze administratie klopt, waren dat de dertien moties.
Dan wil ik u bedanken voor uw voorzitterschap en de Kamer voor het
constructieve debat dat we hier hebben gevoerd.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk nog één keer naar de leden. Ik zie in ieder geval
een hand van de heer Schoonis.
De heer Schoonis (D66):
Ik weet niet hoe het precies werkt, maar kunnen we de toezeggingen nog
eventjes herhalen? O, die komen nog. Oké.
De voorzitter:
Inderdaad. We zijn aan het einde van de administratie gekomen, dus nu
komt er een hele rits toezeggingen.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid informeert de Kamer voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet over het gesprek met de betrokken toezichthouders (AFM, Inspectie JenV, ACM, BFT) over het bestaande samenwerkingsprotocol. Dit is een toezegging aan de heer Ceder.
De minister gaat in gesprek met de AFM over eventuele coulance in de handhaving en mogelijke concretisering daarvan, over de beste manier om deze wet te evalueren, over de vraag hoe om te gaan met de doelgroep jongvolwassenen en de specifieke risico's voor die groep en over de manieren van verificatie, waarbij privacy en dataminimalisatie het uitgangspunt zijn, zoals "zero-knowledge proof"-verificatie. Hij geeft een terugkoppeling van deze zaken aan de Kamer. Dit is een toezegging aan de heer Ceder en de heer Bushoff.
Op 20 november 2026 publiceert de AFM haar interpretatie van normaal handelsverkeer. De minister deelt deze interpretatie met de Kamer, vergezeld van een kabinetsappreciatie. Dit is een toezegging aan de gehele commissie.
De minister koppelt begin volgend jaar de uitkomsten terug van de gesprekken die worden gevoerd over de schoneleiregeling. Dit is een toezegging aan de heer Bushoff.
De minister van EZK zal bij de appreciatie van de motie-Ceder over de TikTok Shop een update van de stand van zaken geven over de gesprekken die met de Europese Commissie worden gevoerd over de TikTok Shop. Dit is een toezegging aan de heer Ceder.
Dat zijn alle toezeggingen die ik hier heb.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb er nog eentje, namelijk dat er bij de evaluatie ook specifiek
gekeken wordt of het curatele systeem van het CCBR niet een wat meer
verplicht karakter zou moeten krijgen, daar waar het nu vooral als
handreiking is bedoeld.
De voorzitter:
Ik kijk naar de minister. Ik zie hem knikken, dus die klopt ook.
Minister Heinen:
Dat hadden wij inderdaad toegezegd, voorzitter.
De voorzitter:
Dan kijk ik nog één keer naar mijn linkerzijde of alle toezeggingen zijn
genoemd.
De heer Schoonis (D66):
Ik heb er nog een paar opgeschreven; ik houd de schaduwadministratie
bij. Een daarvan ging over de mogelijkheid van het register om zichzelf
te blokkeren. Volgens mij had ik de toezegging van de minister dat hij
daar actief mee aan de slag gaat.
De voorzitter:
Zou u dat willen herhalen? Ik werd even afgeleid, zeg ik tegen de heer
Schoonis.
De heer Schoonis (D66):
Het ging om het register om jezelf te blokkeren. Volgens mij had ik een
toezegging dat de minister daarmee aan de slag gaat. Ik zeg het even
heel kort.
De voorzitter:
Minister?
Minister Heinen:
Klopt.
De voorzitter:
Dat klopt ook. Dan noteer ik die ook als een toezegging.
De heer Schoonis (D66):
Dan had ik nog staan dat we misschien een standaardmethode gingen
neerzetten om die leeftijdsgrens van 18 jaar te controleren. De minister
zou een voortrekkersrol nemen in Europa, zodat we eindelijk weer eens
koploper worden in Europa.
Minister Heinen:
Ik neem dit ook mee in de Europese overleggen. Als wij het over dit
onderwerp hebben, zal ik het naar voren brengen. Waar nodig zal ik
natuurlijk gelijk optrekken. Ik zeg er wel eerlijk bij: ik ga er geen
aparte kopgroep voor inrichten. Maar dat is volgens mij ook niet waar de
heer Schoonis naar vraagt.
De heer Schoonis (D66):
Jamais deux sans troix. Nooit twee zonder drie, zeggen ze in Frankrijk.
Volgens mij had ik ook een toezegging dat we voor meerderjarigen gingen
bekijken of het mogelijk is dat er geen reclames kunnen worden gemaakt
via apps en influencers, net zoals met onlinegokken.
Minister Heinen:
Ik heb even overlegd. Er wordt mij ingefluisterd dat het op het gebied
van gokken niet Europees gereguleerd is. Daar zit het verschil is.
Daarom kunnen we in het voorliggende wel verder gaan.
De voorzitter:
Dank u wel. De reden voor het verschil tussen of een toezegging door de
bewindspersoon wel of niet is genoteerd is de volgende. Een toezegging
is een nieuw voornemen van een bewindspersoon om activiteiten te zullen
ontplooien, maar punt twee is dat de Tweede Kamer op een bepaald moment
met een concreet resultaat zal worden gepresenteerd. Dat geldt
natuurlijk niet voor alle toezeggingen. Als er wordt gevraagd om een
inspanning, is dat niet zozeer iets wat concreet bij de Kamer terugkomt.
Een bewindspersoon doet die inspanning. Daar kunt u hem later eventueel
over bevragen, maar het is zo dat daar een schriftelijke bevestiging op
komt. Vandaar dat de toezeggingen soms anders lopen, dat er verschil
bestaat tussen wat u als Kamer als toezegging denkt te krijgen en wat
wij noteren. Vandaar de uitleg.
Ik denk dat we hierbij alles hebben afgehandeld. Dank aan de mensen in
de zaal, de mensen thuis, de minister, de ambtenaren en natuurlijk de
leden voor de deskundige inbreng. Ik sluit de vergadering.
Sluiting 14.49 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|