[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag van een schriftelijk overleg over Strategische agenda 2026-2030 (Kamerstuk 32140-309)

Herziening Belastingstelsel

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D47102, datum: 2026-09-29, bijgewerkt: 2026-10-16 11:08, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 32140 -339 Herziening Belastingstelsel.

Onderdeel van zaak 2026Z20379:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

II Reactie van de staatssecretaris van Financiën

Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66, VVD, PRO, CDA en PvdD over mijn brief van 10 juni 2026 over de Strategische agenda 2026-2030 (Kamerstuknummer 32 140, nr. 309).

Bij de beantwoording is voorts zo veel mogelijk de volgorde van het verslag van het schriftelijk overleg aangehouden, tenzij een aanleiding bestond om vragen samen te voegen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Strategische agenda 2026-2030. Deze leden hebben hierover een aantal vragen.

De leden van de D66-fractie vinden een vereenvoudiging van het belasting- en toeslagenstelsel een belangrijke prioriteit. Het beperken van inkomensafhankelijke regelingen kan hierin een belangrijke rol spelen. Kan de staatssecretaris al een nadere specificatie geven van de stappen waarmee dit zal gebeuren?

Vereenvoudiging is een belangrijke prioriteit voor het kabinet. Zoals aangegeven maakt het beperken van inkomensafhankelijke regelingen, beginnende bij heffingskortingen, daar onderdeel van uit. In de hervormingsagenda die voor eind dit jaar naar uw Kamer wordt gestuurd kom ik terug op de stappen en mijlpalen om dat te realiseren.

Ook het samenvoegen van fiscale regelingen helpt in de ogen van de leden van de D66-fractie bij vereenvoudiging. Welke regelingen zouden, naast het samenvoegen van de EIA, MIA en VAMIL nog meer samengevoegd kunnen worden?

Ik deel het beeld dat het stroomlijnen van het instrumentarium van fiscale regelingen op zichzelf aan vereenvoudiging kan bijdragen. Het kan ertoe dienen regelingen beter zichtbaar en vindbaar te maken. Tegelijkertijd is het ook een balans: het bundelen van minder gelijkende regelingen kan ook regelingen minder goed vindbaar of minder doeltreffend maken. Of het logisch is om fiscale regelingen meer te bundelen in één overkoepelende regeling is een vraag waar ik tijdens de evaluaties van fiscale regelingen ook naar kijk. Op dit moment zijn naast de voorgenomen stroomlijning van de EIA, MIA en Vamil nog geen andere fiscale regelingen in beeld om samengevoegd te worden.

Deze leden vragen daarnaast hoe het proces rondom het afschaffen van negatief geëvalueerde fiscale regelingen meegenomen wordt in de Strategische agenda.

De aanpak van negatief geëvalueerde fiscale regelingen is binnen de strategische agenda een onderdeel van zowel de vereenvoudiging van het fiscale stelsel als dat het kan bijdragen aan het realiseren van andere doelen – zoals de uitgangspunten van de hervormingsagenda – die het kabinet zich heeft gesteld. In mijn brief d.d. 19 juni jl. ga ik nader in op de invalshoeken rondom negatief beoordeelde fiscale regelingen. Te vermelden valt dat het kabinet in het kader van deze aanpak stappen zet, zo bevat het coalitieakkoord het voornemen om verschillende regelingen af te schaffen en heeft het kabinet recent voornemen tot het afschaffen van de branche-eigen producten binnen de werkkostenregeling en de startersaftrek in de Hormuz-brief met de Kamer gedeeld. Verder heeft het kabinet met Prinsjesdag aangekondigd vijf aanvullende fiscale regelingen af te schaffen, te weten: de vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor herverkaveling, de vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor kavelruil, de bosbouwvrijstelling in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, het verlaagde accijnstarief voor kleine bierbrouwers, en het verlaagde btw tarief of luchtballonvaart.

De leden van de D66-fractie merken op dat naast vereenvoudiging het aanpakken van belastingconstructies voor een eerlijke effectieve belastingdruk van belang is. Is de staatssecretaris sinds de analyses en aanbevelingen vanuit het IBO Vermogensverdeling van plan om beleidsopties tegen belastingconstructies en die bijdragen aan een eerlijke vermogensverdeling mee te nemen in de Strategische Agenda?

Het kabinet stuurt jaarlijks bij de Voorjaarsnota de bijlage met opmerkelijke belastingconstructies mee. Het doel van het jaarlijks presenteren van de lijst met belastingconstructies is concreet en transparant te maken hoe het belastingstelsel in de praktijk kan uitpakken. Deze transparantie vindt het kabinet een groot goed. Daarbij wordt ook gekeken naar eventuele beleidsopties om constructies zo gericht en efficiënt mogelijk aan te pakken. Het daadwerkelijk aanpakken van een constructie vergt altijd een politieke weging, omdat het dichtzetten van een constructie ook neveneffecten met zich mee kan brengen. Het kabinet let bij de aanpak in elk geval op proportionaliteit, juridische houdbaarheid en de uitvoerbaarheid van een mogelijke aanpak. Oplossingsrichtingen zijn niet altijd eenvoudig en vereisen vaak nader onderzoek en vergen daarmee soms een lange adem.

Ten aanzien van de autobelastingen vragen de leden van de D66-fractie om meer inzicht in de omvang van de grondslagerosie. Kan de staatssecretaris een raming verstrekken van de inkomsten uit de autobelastingen tot 2040?

In onderstaande grafiek 1 zijn de belastinginkomsten uit de autobelastingen voor alle voertuigen weergegeven van 2010-2040, in prijzen 2026.1 In deze grafiek wordt ook de energiebelasting voor elektrische voertuigen meegerekend en de ETS2 voor zover die betrekking heeft op de mobiliteit. De belastinginkomsten uit de autobelastingen komen in 2026 naar verwachting uit op circa € 19,3 miljard (circa 1,6% van het bruto binnenlands product (bbp)), en in 2040 naar verwachting op circa € 15,8 miljard in prijzen 2026 (circa 1,1% van het bbp). Als de inkomsten in percentage bbp gelijk zouden blijven aan de inkomsten in percentage bbp in 2026, dan zouden de inkomsten in 2040 uitkomen op circa € 22,8 miljard in prijzen 2026. De grondslagerosie, bekeken vanuit het aandeel in het bbp, is in 2040 naar verwachting circa € 7,0 miljard.

Grafiek 1: Belastinginkomsten uit de autobelastingen voor alle voertuigen, mln. euro, prijzen 2026

In onderstaande grafiek 2 zijn de belastinginkomsten uit de autobelastingen voor personenauto’s weergegeven van 2010-2040, in prijzen 2026. De belastinginkomsten uit de autobelastingen bij personenauto’s komen in 2026 naar verwachting uit op circa € 15,4 miljard (circa 1,25% van het bbp), en in 2040 naar verwachting op circa € 13,5 miljard in prijzen 2026 (circa 0,95% van het bbp). Als de inkomsten in percentage bbp gelijk zouden blijven aan de inkomsten in percentage bbp in 2026, dan zouden de inkomsten bij personenauto’s in 2040 uitkomen op circa € 18,2 miljard in prijzen 2026. De grondslagerosie bij personenauto’s, bekeken vanuit het aandeel in het bbp, is in 2040 naar verwachting circa € 4,7 miljard. Een andere manier om naar de omvang van de grondslagerosie te kijken, is door te vergelijken hoeveel belasting naar verwachting gemiddeld betaald wordt voor een elektrische auto in de toekomst en voor een fossiele auto nu. In dat geval is de grondslagerosie bij personenauto’s in 2040 naar verwachting € 3,9 miljard. Dit ligt lager dan berekend vanuit het bbp, omdat het bbp naar verwachting sneller groeit dan het wagenpark. Ook als gekeken wordt naar de verwachte belastinginkomsten in 2040 ten opzichte van de belastinginkomsten in 2026 nemen de opbrengsten af, met circa € 1,9 miljard bij personenauto’s (en € 3,5 miljard bij alle voertuigen).

Grafiek 2: Belastinginkomsten uit de autobelastingen voor personenauto’s, mln. euro, prijzen 2026

Tevens vragen de leden van de D66-fractie of bij het vraagstuk van grondslagerosie bij het variabel deel van de autobelastingen ook wordt gekeken in hoeverre een systeem van betalen naar gebruik hieraan een bijdrage kan leveren. Kan de staatssecretaris een inschatting geven van de implementatietijd die nodig is om betalen naar gebruik in te voeren, en per wanneer hierover een besluit moet worden genomen om effectief bij te kunnen dragen aan grondslagerosie?

Het (aanvullend) belasten van het variabel deel van de autobelastingen kan op termijn bijdragen aan het ondervangen van grondslagerosie. Grondslagerosie is het gevolg van een groeiend aandeel elektrische voertuigen (EV). Over emissievrije voertuigen wordt in aanschaf (via een vaste voet in de bpm), bezit (via een tijdelijke korting in de mrb) en gebruik minder belasting geheven. De belastingdruk op het verbruik van een elektrische auto ligt (via de energiebelasting) lager dan op het verbruik van een auto met verbrandingsmotor (via de accijnzen).

Het kabinet is voornemens toe te werken naar een stabiel en toekomstbestendig stelsel voor autobelastingen. Hiervoor is een nieuwe balans nodig tussen het aantrekkelijk maken van elektrisch rijden, stabiele overheidsfinanciën, betaalbaarheid en bereikbaarheid. Dit is relevant voor de bredere mix van het belasten van aanschaf, bezit en gebruik van een voertuig. Dit is niet van vandaag op morgen geregeld. Voor de korte termijn zet het Kabinet in op het fiscaal aantrekkelijk houden van elektrisch rijden. Ook wordt onderzoek gedaan naar een nieuwe grondslag voor het belasten van bezit via de motorrijtuigenbelasting. Daarnaast wordt verkend hoe het bpm-stelsel beter uitvoerbaar kan worden gemaakt. In het coalitieakkoord zijn geen afspraken gemaakt over Betalen naar Gebruik.

De invoeringstermijn van een systeem van Betalen naar Gebruik (BnG) is afhankelijk van keuzes ten aanzien van de vormgeving. Hierbij is met name relevant of het gaat om een landelijk dekkend systeem en of het tarief wordt gedifferentieerd naar tijd en plaats.

Een landelijk dekkend systeem van Betalen naar Gebruik is het snelst en meest eenvoudig in te voeren in de vorm van een vlak kilometertarief (zonder differentiatie naar tijd en plaats) in de bestaande motorrijtuigenbelasting. Het ligt het meest voor de hand om de uitvoering dan te beleggen bij de RDW (verantwoordelijk voor kilometerregistratie en aanleveren voertuigkenmerken) en de Belastingdienst (verantwoordelijk voor het heffen en innen). Deze organisaties voeren op dit moment ook de motorrijtuigenbelasting uit. De invoeringstermijn wordt mede bepaald door factoren zoals de invoeringsstrategie en de samenloop met andere elementen in het IT-portfolio van de uitvoeringsorganisaties. Volledige implementatie kan naar verwachting 5 jaar na het aannemen van de wetgeving. Eventuele versnelling van deze invoeringstermijn is afhankelijk van de precieze variant en zou moeten worden bekeken in de uitwerking. In het overzicht uitvoerbaarheid staat meer informatie over per wanneer er weer beleidsruimte is in de keten autoheffingen.

Differentiatie naar tijd en plaats is het meest eenvoudig in te voeren met een heffing naar tijd en plaats op basis van ANPR (automatische kentekenherkenning) op specifieke delen van het wegennet, dat naast een vlak kilometertarief in de motorrijtuigenbelasting kan bestaan. De invoeringstermijn van een dergelijk systeem is afhankelijk van o.a. de omvang (aantal trajecten) en invoeringsstrategie (bijvoorbeeld gefaseerde invoering). Voor de uitvoering van de tijd en plaats afhankelijke heffing op specifieke delen van de wegennet moet nog een uitvoerder worden gezocht en ligt niet bij de Belastingdienst. Eerste inschatting van de invoeringstermijn is circa 2033.

Kan de staatssecretaris ook een planning geven van de wijzigingen die worden beoogd op het terrein van de autobelastingen?

Zoals aangekondigd in de Kamerbrief Stand van zaken toezeggingen autobelastingen van 22 juni j.l., pak ik op korte termijn de knelpunten in de pseudo-eindheffing aan, verken ik de mogelijkheid om de grondslag in de motorrijtuigenbelasting om te vormen naar voertuigoppervlakte of omvang en ga ik met de uitvoeringsorganisaties aan de slag om de bpm beter uitvoerbaar te maken. Daarnaast zal ik uw Kamer voor eind van dit jaar informeren over de inzet om, samen met de bewindspersonen van Infrastructuur en Waterstaat, toe te werken naar een stabiel en toekomstbestendig stelsel voor autobelastingen.

Ten aanzien van beprijzingsmaatregelen die nodig zijn om de klimaatdoelen in 2040 en 2050 te halen, vragen de leden van de D66-fractie of de staatssecretaris een inventarisatie van de mogelijke beprijzingsmaatregelen in de elektriciteitssector en alle vraagsectoren (industrie, mobiliteit, landbouw, gebouwde omgeving) kan meenemen in de Strategische Agenda.

In het recente ambtelijke rapport ‘Routes naar realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie’2 zijn mogelijke beprijzingsmaatregelen die helpen het doelbereik te borgen in kaart gebracht. Het kabinet zal in het voorjaar van 2027 breed wegen of en zo ja welk aanvullend klimaatbeleid nodig is voor het realiseren van de klimaatdoelen. Hierbij wordt gekeken naar alle sectoren en het volle spectrum van beleidsopties. Daarin lopen vanzelfsprekend ook maatregelen op het vlak van beprijzing mee. Als het kabinet zou besluiten tot beprijzingsmaatregelen met een strategisch karakter ligt het voor de hand deze ook te incorporeren in de Strategische Agenda. Ik zal dat alsdan bezien.

Ten aanzien van de voorlopige inhoud van het Belastingplan 2027 merken de leden van de D66-fractie op dat de maatregel ‘Investeringscapaciteit woningbouwcorporaties’ uit het coalitieakkoord hier geen deel van uitmaakt. Kan de staatssecretaris toelichten waarom dit niet het geval is? Wat is er nodig is om deze maatregel uit te werken en hoe wordt geborgd dat deze maatregel tijdig wordt doorgevoerd?

Woningcorporaties vervullen een essentiële maatschappelijke taak bij het waarborgen van voldoende, betaalbare en passende huisvesting in Nederland. Het kabinet werkt daarom aan een pakket dat bijdraagt aan een grotere financiële slagkracht van de corporatiesector zodat uitvoering kan worden gegeven aan de NPA. Een van deze maatregelen is een uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel, waarmee invulling wordt gegeven aan de in het regeerakkoord opgenomen faciliteit in de vennootschapsbelasting (Vpb) voor woningcorporaties. Deze maatregel zal worden opgenomen in een nota van wijziging voor het wetsvoorstel Belastingplan 2027 met een beoogde inwerkingstredingsdatum van 1 januari 2028. Door opname van deze wijziging in het wetsvoorstel Belastingplan 2027 kunnen woningcorporaties dit meenemen in hun meerjarenbegroting waardoor bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) meer ruimte ontstaat in hun borging voor een gunstigere financiering van woningcorporaties. Dit leidt tot een versterking van de financiële slagkracht van woningcorporaties. Woningcorporaties kunnen zich hierdoor voorbereiden op nieuwe projecten.

In het Belastingplan wordt ook het voorstel opgenomen voor de afschaffing van de aftrek uitgaven voor specifieke zorgkosten. Dit moet leiden tot een vereenvoudiging, aangezien de aftrek specifieke zorgkosten een regeling is die zowel voor de mensen die er gebruik van maken, als voor de Belastingdienst een zeer complexe regeling is. Wel vragen de leden van de D66-fractie om uiterlijk bij de indiening van het Belastingplan ook de concrete invulling van de middelen voor de tegemoetkoming voor chronisch zieken aan de Kamer te sturen.

De bewindspersonen van VWS hebben het voortouw bij de invulling van de CA-enveloppe “tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken”. Het kabinet heeft in reactie op de motie Stoffer c.s. en motie Lahlah c.s.3 toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen op het besteedbaar inkomen in kaart te brengen. In de procesbrief heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten van deze analyse voor de zomer naar de Kamer te sturen. De analyse is echter complex en heeft meer tijd gevergd. Over de uitkomsten van deze analyse, de invulling van de motie Stoffer en de motie Lahlah en de enveloppe is uw Kamer bij Prinsjesdag geïnformeerd.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Strategische agenda 2026-2030. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

Deze leden lezen dat de staatssecretaris van financiën zichzelf drie prioriteiten stelt, namelijk een vereenvoudiging van het belasting- en toeslagenstelsel; het aanmoedigen van groene, gezonde en innovatieve keuzes; en een uitvoering die ‘klaar is voor de toekomst’. Waarom is een aantrekkelijk ondernemersklimaat niet één van de prioriteiten?

De strategische agenda kent inderdaad drie prioriteiten, waaronder het aanmoedigen van groene, gezonde en innovatieve keuzes. In dit onderdeel van de strategische agenda ga ik uitgebreid in op het ondernemersklimaat, en de wijze waarop ik binnen de fiscaliteit invulling aan dit thema wil geven. Zodoende valt dit thema dus onder mijn prioriteiten.

Wanneer kan de Kamer bijvoorbeeld voortgang verwachten op het schrappen van nationale koppen, conform het coalitieakkoord?

In het coalitieakkoord is inderdaad de ambitie opgenomen om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen, en de Omnibus wetgeving te onderschrijven. Het kabinet heeft de kamer op 28 augustus jl., via een BNC-fiche, geïnformeerd over de appreciatie van het Omnibusvoorstel over directe belastingen.

De leden van de fractie van de VVD lezen in de strategische agenda bovendien niets over het tegengaan van fraude in het belasting- en toeslagenstelsel. Waarom is ervoor gekozen dit in de prioriteiten achterwege te laten, temeer in het licht van recent opgedoken belastingfraude door Bulgaarse ingezetenen?

Buiten de benoemde prioriteiten in de strategische agenda, verricht de Belastingdienst veel andere taken die belangrijk zijn en waar capaciteit op wordt ingezet, zoals het tegengaan van fiscale fraude. De Belastingdienst heeft hiervoor de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie opgesteld, die erop is gericht om het gedrag van belastingplichtigen zo te beïnvloeden dat zij structureel zoveel mogelijk uit (zichzelf) hun fiscale verplichtingen nakomen. En daar waar belastingplichtigen regels bewust niet willen naleven, dwingt de Belastingdienst naleving af. Op 1 september jl. heb ik uw Kamer de stand-van-zakenbrief Belastingdienst en als bijlage daarbij een Kamerbrief gestuurd, waarin ik dieper in ga op zowel de aanpak van misbruik en fraude als op de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst in dit kader verricht. Voor meer informatie hierover, verwijs ik u graag door naar deze brieven.

Ook Dienst Toeslagen blijft zich uiteraard onverminderd inzetten op rechtmatige uitvoering van de huidige wet- en regelgeving. Op het gebied van handhaving, daaronder begrepen fraudebestrijding, vormt de handhavingsstrategie uit 2023 het richtinggevend kader. De daarin aangekondigde opstart van (de deelprocessen van) het intensieve toezicht proces dat zich richt op signalen van mogelijk misbruik, is inmiddels gerealiseerd. Binnen dit proces worden signalen van mogelijk misbruik onderzocht. Na het doorlopen van de processen rechtmatigheidsbeoordeling en verwijtbaarheidsonderzoek kan een bestuurlijke boete worden opgelegd. Strafrechtelijke aanpak kan aan de orde zijn. Daarbij werkt Dienst Toeslagen samen met de FIOD en het Openbaar Ministerie volgens de richtlijnen van het zogenoemde AAFD-protocol.

Daarnaast is ook voor de Douane de aanpak van fraude een van de prioriteiten, zoals bijvoorbeeld de bestrijding van tabaksaccijnsfraude. Vanwege de relatief hoge tabaksaccijnstarieven in Nederland ten opzichte van andere EU-lidstaten blijft het risico op fraude aanwezig. Daarom intensiveert de Douane, in samenwerking met de FIOD en het Openbaar Ministerie, de inzet op accijnszaken die voortkomen uit signalen van onder meer Meld Misdaad Anoniem en het Douane Meldpunt Accijns. Daarnaast wordt op Europees niveau samengewerkt binnen het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook blijft het Combiteam SMOKE, een samenwerkingsverband van de FIOD, de Douane en het Openbaar Ministerie, onverminderd inzetten op de bestrijding van tabaksfraude.

Conform het coalitieakkoord wordt in de brief benoemd dat het kabinet kijkt naar uitbreiding van de WBSO om in te spelen op kunstmatige intelligentie en bredere technologische ontwikkelingen. Voor aanstaande Prinsjesdag zou de minister van Economische Zaken en Klimaat de Kamer hier nader over informeren. Wat is de rolverdeling tussen de staatssecretaris van Financiën en de minister van Economische Zaken en Klimaat in dit voorstel uit het coalitieakkoord? Wie is verantwoordelijk voor het terugdringen van de administratieve lasten van de WBSO?

De uitvoering van het regeerakkoord en het kabinetsbeleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid waarin iedere bewindspersoon zijn (deel)verantwoordelijkheid heeft. Ook bij de uitvoering van de door de leden van de fractie van de VVD genoemde uitbreiding van de WBSO is sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid. De afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk is vastgelegd in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, een fiscale wet. Fiscale aangelegenheden vallen onder de beleidsverantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Financiën. De staatssecretaris van

Financiën is dus de verantwoordelijke waar het gaat om de wetstechnische vormgeving van de WBSO.

Innovatiebeleid valt in de portefeuille van de minister van Economische Zaken en Klimaat. Dit betekent dat de doelstellingen, bereik en inhoud van de WBSO tot de verantwoordelijkheden van de minister van Economische Zaken en Klimaat behoren.

Voor een eventuele uitbreiding van de WBSO voor ontwikkeling van AI en technologie, zoals opgenomen in het regeerakkoord 2026-2030 is de minister van Economische Zaken en Klimaat primair verantwoordelijk voor de invulling en het bereik van de uitbreiding en de staatssecretaris van Financiën primair voor de wettelijke uitwerking. Verschillende primaire verantwoordelijkheden, maar uiteindelijk werken we samen aan een verhoging van de innovatiekracht van Nederland.

Ieder jaar wordt op Prinsjesdag een Kamerbrief gestuurd over de beleidsontwikkelingen, budgetuitputting in het voorgaande jaar en tarieven van de WBSO in het aankomende jaar. Dit jaar wordt in de brief ook uitgebreid aandacht besteed aan de opvolging van de evaluatie die vorig jaar met de Tweede Kamer is gedeeld en de opdrachten die volgen uit het coalitieakkoord, vermindering van administratieve lasten en een verruiming op het gebied van AI.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie

De leden van de PRO-fractie hebben met belastingstelling kennisgenomen van de Strategische agenda. Deze leden hebben een aantal vragen.

De leden van de PRO-fractie kunnen zich goed vinden in de drie prioriteiten die de staatssecretaris noemt. Deze leden missen echter één belangrijke prioriteit: het eerlijker maken van het belastingstelsel. Uit onderzoeken blijkt immers dat de inkomstenbelasting nauwelijks nog progressief is, dat de allerrijksten de minste belasting betalen en dat de belasting op inkomen uit kapitaal en vermogen veel lager is dan die op inkomen uit arbeid. Zo kan het dat multinationals en superrijken in Nederland blij zijn met ons belastingstelsel, terwijl belastingen voor mensen met een laag inkomen niet of nauwelijks te dragen zijn. Deze leden wijzen ook op de ruime mogelijkheden die er nog steeds zijn om belasting te ontwijken. Juist de allerrijksten kunnen gebruik maken van sluiproutes die niet beschikbaar zijn voor gewone werkende mensen. Vindt de staatssecretaris een eerlijker belastingstelsel ook een prioriteit en gaat hij in zijn Belastingplannen ook maatregelen opnemen om het stelsel eerlijker te maken, te beginnen met het Belastingplan 2027?

Daarnaast vragen deze leden of de staatssecretaris het tegengaan van belastingontwijking een prioriteit wil maken.

Nederland heeft een progressieve inkomstenbelasting. Het CPB laat dat in hun recente rapport ‘De hoogste bomen vangen veel wind: belastingdruk op inkomens en vermogens, ook zien.4 Het CPB neemt daarbij de stelling in dat de inkomstenbelasting alleen in theorie progressief is, doordat de top 1% inkomens weliswaar met de hoogste belastingtarieven te maken hebben, maar in de praktijk de top 1% een lagere belastingdruk kennen doordat zij een groot deel van hun vermogen in een bv aanhouden en box 2-belasting langdurig kan worden uitgesteld. Anders dan in de fiscaliteit telt het CPB ingehouden winsten van een bv wel mee als inkomen van huishoudens waardoor de belastingdruk bij de top 1% bij CPB lager uitvalt dan op basis van de fiscale inkomensgrondslag het geval zou zijn geweest. Er kunnen ook goede bedrijfseconomische redenen zijn om winst van een bv niet uit te keren vanwege toekomstige investeringen of vanwege een noodzakelijke liquiditeitsreserve en daarmee zal een deel van de winst nooit tot uitkering komen aan aandeelhouders. Het CPB geeft verder aan dat als alle winsten van een bv zouden worden uitgekeerd aan huishoudens het belastingstelsel gemiddeld genomen ook progressief uitpakt voor de top 1%. De analyse van het CPB over de belastingdruk op het inkomen betreft de jaren 2011-2019. In de afgelopen jaren daarna zijn door meerdere kabinetten diverse maatregelen genomen die voor meer evenwicht in het belasten van inkomen uit vermogen hebben gezorgd. Zo is per 2023 het lage Vpb-tarief verhoogd van 15% naar 19% en de bijbehorende schijfgrens verlaagd van € 395.000 naar € 200.000, is in 2023 de Wet excessief lenen ingevoerd en is in 2024 een tweede schijfgrens in box 2 ingevoerd. Deze maatregelen zien met name op het tegengaan van belastinguitstel in box 2. Verwacht mag worden dat deze maatregel de effectieve belastingdruk van de top 1% hebben verhoogd. De Wet excessief lenen wordt dit jaar geëvalueerd en de introductie van de tweede schijf in box 2 volgend jaar. Op basis van deze evaluaties verwacht ik een goed beeld te kunnen schetsen van de effecten van de maatregelen.

Verder hebben afgelopen kabinetten vele maatregelen genomen om belastontwijking door multinationals tegen te gaan. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking door multinationals, cijfers laten dat ook zien en internationaal krijgt Nederland daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen specifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.

Bij het werken aan een beter belastingstelsel past een kabinet dat voortdurend oog heeft voor mogelijke belastingconstructies in het belastingstelsel. Het kabinet stelt zich telkens de vraag of deze constructies daadwerkelijk zo zijn beoogd en of deze maatschappelijk wenselijk zijn. Het is belangrijk voor de legitimiteit van het belastingstelsel dat mensen en bedrijven de belasting betalen zoals deze is beoogd. Op die manier houden we het belastingstelsel eerlijk. Ik verwijs hiervoor ook naar het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66 over de aanpak van belastingconstructies.

De leden van de PRO-fractie merken op dat de prioriteiten van de staatssecretaris weliswaar goed klinken, maar dat de concrete invulling ervan wellicht minder vooruitstrevend zal zijn. Deze leden zijn bijvoorbeeld groot voorstander van vereenvoudiging, maar niet als dat de deuren voor belastingontwijking nog verder openzet, of als dat in de praktijk betekent dat gewone werkende mensen meer belasting moeten betalen en superrijken minder. Deze leden wijzen in dit kader op het voornemen de aftrek specifieke zorgkosten af te schaffen. Deze maatregel is vanuit het oogpunt van vereenvoudiging weliswaar goed uit te leggen, maar heeft grote financiële gevolgen voor de mensen die er nu gebruik van maken. Deze leden vinden het zeer onwenselijk dat zij er flink op achteruitgaan en zien dan ook graag dat dergelijke vereenvoudigingsmaatregelen onderdeel uitmaken van een afgewogen totaalpakket, waarbij voorkomen wordt dat mensen met een laag inkomen of laag middeninkomen er zomaar op achteruitgaan. Is de staatssecretaris het eens met dit uitgangspunt?

Het kabinet onderschrijft het belang van een zorgvuldig afgewogen pakket aan fiscale maatregelen. Bij de voorbereiding van het Belastingplan worden maatregelen integraal gewogen, waarbij naast vereenvoudiging ook wordt gekeken naar de uitvoerbaarheid, de doelmatigheid en doeltreffendheid, budgettaire effecten en de gevolgen voor verschillende groepen burgers. Het kabinet heeft deze effecten bij de besluitvorming betrokken.

Is de staatssecretaris bereid om ervoor te zorgen dat het Belastingplan een dergelijk afgewogen totaalpakket bevat?

Ja. Het Belastingplan bevat een integraal afgewogen pakket aan fiscale maatregelen. Daarbij zijn tijdens de integrale besluitvorming de verschillende beleidsdoelen, waaronder vereenvoudiging, uitvoerbaarheid, budgettaire effecten en de gevolgen voor verschillende groepen burgers, in onderlinge samenhang bezien.

De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet ‘de inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit’ wil beperken, ‘te beginnen met de heffingskortingen’. Deze leden hebben hier een aantal vragen over. Welke regelingen vindt het kabinet het meest problematisch, en waarom? Hoe is het kabinet van plan de heffingskortingen aan te passen en welk doel wil het kabinet daarmee bereiken?

Rond inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit en toeslagen geldt dat het probleem niet is geconcentreerd bij een specifieke regeling. Het probleem zit vooral in de hoeveelheid aan inkomensafhankelijke regelingen. Dat maakt het voor mensen erg moeilijk om te overzien hoeveel het bijvoorbeeld loont om meer te werken en kan leiden tot terugvorderingen van toeslagen. Door de stapeling van belastingtarieven, de afbouw van verschillende heffingskortingen en de afbouw van meerdere toeslagen kan de marginale druk soms ook hoog zijn. Dan loont het te weinig om meer te werken. Het minder inkomensafhankelijk maken van de heffingskortingen zou het stelsel in ieder geval inzichtelijker en begrijpelijker maken. In de hervormingsagenda komt het kabinet terug op de stappen en mijlpalen om dit te realiseren. Uit onderzoek5 blijkt dat daarnaast communicatie van belang is om ervoor te zorgen dat mensen hun marginale druk goed kunnen inschatten, en dat dit ook het arbeidsaanbod kan verhogen – vooral bij mensen met lagere inkomens die hun marginale druk vaak overschatten.

Deze leden merken voorts op dat het afschaffen van de aftrek voor specifieke zorgkosten ‘mede omdat hier sprake is van veel niet-gebruik’ een vrij bizarre redenering is. Is de staatssecretaris echt van mening dat het niet-gebruik van een regeling aangepakt kan worden door de regeling helemaal af te schaffen en er niets tegenover te zetten?

De voorgestelde afschaffing van de aftrek uitgaven voor specifieke zorgkosten is gebaseerd op een bredere afweging. Uit de evaluatie en de daaropvolgende verkenning blijkt dat de regeling onvoldoende gericht is op de beoogde doelgroep, beperkt doelmatig en doeltreffend is, complex is voor belastingplichtigen en voor de Belastingdienst moeilijk uitvoerbaar en handhaafbaar is. Dit blijkt volgens de evaluatie onder andere uit een hoog corrigeerbaar bedrag van 39%. Via de aftrek uitgaven van specifieke zorgkosten komen de middelen niet terecht waar de nood het hoogste is. Daarom stelt het kabinet voor de fiscale regeling af te schaffen. Daarnaast heeft het kabinet in het Coalitieakkoord middelen gereserveerd in de envelop “tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken”.

De leden van de PRO-fractie zijn blij te lezen dat het kabinet fiscale regelingen ‘beter zal beheren’, onder andere naar aanleiding van de motie-Maatoug (Kamerstuk 36202-112). Deze leden zijn echter bang dat de staatssecretaris de motie niet goed gelezen heeft. De motie, die destijds door vrijwel de hele Kamer én het toenmalige kabinet werd omarmd, roept immers niet op ‘naar aanleiding van evaluaties’ horizonbepalingen toe te voegen, maar om aan álle bestaande regelingen horizonbepalingen toe te voegen, voor zover dat mogelijk is en geleidelijk. De motie is ruim vier jaar geleden ingevoerd en voor zover bekend is er nog vrijwel niets mee gebeurd. De leden van de PRO-fractie snappen dat het toevoegen van horizonbepalingen veel werk kost en dat geleidelijkheid daarom gewenst is, maar zijn zeer teleurgesteld dat opeenvolgende staatssecretarissen hebben besloten dan maar helemaal niets te doen. Deze leden vragen daarom opnieuw of de staatssecretaris bereid is in ieder geval te beginnen met het uitvoeren van de motie door met het komende Belastingplan horizonbepalingen aan enkele bestaande regelingen toe te voegen. Kan de staatssecretaris een tijdlijn opstellen voor het volledig uitvoeren van de motie?

Het kabinet zal, mede op basis van de motie Maatoug6, na een evaluatie de afweging maken of standaard een horizonbepaling wordt opgenomen. In het toetsingskader fiscale regelingen is er eveneens de vraag of een horizonbepaling aan de orde zou moeten zijn voor de regeling. Dit is niet altijd het geval. Daarbij speelt onder andere mee of er nationale beleidsruimte bestaat ten aanzien van de fiscale regeling, of deze enkel ziet op het verlichten van de uitvoering of de administratieve lasten voor burgers en bedrijven, en de mate waarin de fiscale regeling een stelselmatig karakter heeft en het aflopen daarvan disproportionele gevolgen zou hebben (zoals pensioenpremies en heffingskortingen). Daarom wordt per regeling na afloop van diens evaluatie gewogen of een horizonbepaling aan de orde zou moeten zijn. Evaluaties van fiscale regelingen vinden in principe elke 4 tot 7 jaar plaats. Ik herken het beeld dat in de praktijk het aantal regelingen met een horizonbepaling achterblijft en ik heb dan ook een aantal knelpunten geïdentificeerd. In de bijlage van de Miljoenennota ga ik hier verder op in.7

Met betrekking tot de voorlopige inhoud van het Belastingplan vragen de leden van de PRO-fractie hoe het komt dat de lastenverzwarende maatregelen ter compensatie van de lagere zorgpremie als gevolg van het niet-verlagen of zelfs verhogen van het eigen risico niet zijn opgenomen. Ziet het kabinet af van de verhoging van het eigen risico of is het nog in beraad over welke compenserende maatregelen het van plan is?

Tariefswijzigingen in de inkomstenbelastingen hangen samen met het koopkrachtbeeld waar in augustus over besloten is. Op Prinsjesdag is in het Belastingplan een technische invulling van het koopkrachtpakket gepresenteerd. In het Belastingplan worden het tarief eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting verhoogd ter compensatie van de lagere zorgpremies.

Deze leden vragen ook of het kabinet bereid is om lage inkomens en middeninkomens te ontzien bij lastenverzwaringen, en in plaats daarvan een extra bijdrage te vragen aan mensen met een zeer hoog inkomen of groot vermogen en aan zeer winstgevende bedrijven.

Het kabinet heeft gekozen voor een technische invulling van het koopkrachtpakket om tot een evenwichtig koopkrachtbeeld te komen. Het kabinet streeft naar een breed draagvlak en gaat graag het gesprek aan met de Kamer over de definitieve invulling.

Daarnaast vragen de leden van de PRO-fractie waarom de faciliteit in de vennootschapsbelasting ter versterking van de investeringscapaciteit van woningbouwcorporaties nog niet in de voorlopige inhoud van het Belastingplan is opgenomen. Deze leden constateren dat de bouwopgave voor woningcorporaties enorm is en dat steun zeer wenselijk is. Overweegt de staatssecretaris daarom om deze faciliteit al per 2027 te introduceren of anders in ieder geval alvast duidelijkheid te geven over de vormgeving door de faciliteit al in het Belastingplan 2027 op te nemen? Zo nee, waarom niet?

Voor het antwoord op deze vragen wordt verwezen naar de beantwoording van de vragen van de leden van de fractie van D66 over de faciliteit voor woningcorporaties in de Vpb.

Voorts vragen de leden van de PRO-fractie of het klopt dat de afschrijving op de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) voor geïmporteerde auto’s vaak hoger is dan de daadwerkelijke waardedaling van deze auto’s, waardoor het lonend kan zijn om een tweedehandsauto uit het buitenland te kopen. Vindt de staatssecretaris dat wenselijk?

Is de staatssecretaris bereid om de afschrijvingstabel met het Belastingplan 2027 aan te passen om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?

Uit onderzoeken die hiernaar zijn gedaan komen sterke indicaties die dit doen vermoeden.

De belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) is voor gebruikte motorrijtuigen afhankelijk van de afschrijving van het motorrijtuig. Dit volgt uit het fiscaal discriminatieverbod: voor een geïmporteerd motorrijtuig mag niet meer bpm worden betaald dan de bpm die aanwezig is in de (rest)waarde van een vergelijkbaar motorrijtuig dat al in Nederland is geregistreerd. De Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992) staat toe dat de afschrijving kan worden bepaald op basis van een forfaitaire tabel, een koerslijst of een taxatierapport.

Met ingang van 1 januari 2023 is een nieuwe forfaitaire afschrijvingstabel geïntroduceerd8, waarmee blijkens onderzoek9, meer dan 95% van de markt is afgedekt. Dat betekent dat het doen van aangifte op basis van de forfaitaire tabel in meer dan 95% van de gevallen tot (meer dan) voldoende vermindering van de bpm leidt. Uit de aangiftes die de Belastingdienst ontvangt, blijkt echter dat de tabel in slechts 41% van de aangiftes voor gebruikte motorrijtuigen wordt toegepast. Hieruit blijkt dat het in de branche een veelvoorkomende praktijk is om gebruikte auto’s bovenmatig af te schrijven. Bij het gebruik van taxatierapporten blijkt dat taxateurs geregeld tot afschrijvingen komen die ver beneden de werkelijke inkoopprijs van dat motorrijtuig liggen. Vanuit de uitvoeringspraktijk en jurisprudentie zijn signalen naar voren gekomen van misstanden rondom het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van gebruikte auto’s. Dit leidt tot een ongelijk speelveld en (risico op) marktverstoringen. Het aanpassen van de afschrijvingstabel zal niet leiden tot een oplossing van dit vraagstuk.

Voor de korte termijn wordt ingezet op het oplossen van dit probleem door het transparanter en controleerbaarder maken van het aangifteproces. Om het oneigenlijk gebruik van taxatierapporten terug te dringen is een concept ministeriële regeling vorig voorjaar via internetconsultatie.nl openbaar geconsulteerd. Dit voorstel is vervolgens op enkele onderdelen aangepast. Het gaat daarbij om het waarborgen van transparantie, controleerbaarheid en aansluiting bij de handelsinkoopwaarde. Deze regeling ligt op dit moment voor ter toetsing op uitvoerbaarheid.

Voor de langere termijn wordt gewerkt aan een robuustere vormgeving van de bpm. Daarbij wordt gezocht naar een heffingssystematiek die waarborgt dat binnenlandse en geïmporteerde voertuigen steeds gelijk worden behandeld. Een dergelijke systematiek moet het mogelijk maken om voor de bpm-heffing niet langer afhankelijk te zijn van taxatierapporten en koerslijsten. Daarmee kunnen ook de waarderingsdiscussies, uitvoeringsproblemen en mogelijkheden voor oneigenlijk gebruik die met deze methoden samenhangen, worden verminderd. Dit draagt bij aan een beter controleerbare, uitvoerbare en toekomstbestendige bpm. Zoals aangekondigd in de Kamerbrief Stand van zaken toezeggingen autobelastingen van 22 juni jongstleden, wordt deze mogelijke vormgeving de komende maanden ambtelijk verkend. Ik zal uw Kamer hierover voor het einde van dit jaar nader informeren.

De leden van de PRO-fractie lezen dat de staatssecretaris fiscale vergroening belangrijk vindt. In de voorlopige inhoud van het Belastingplan zien deze leden echter evenzoveel vergroeningsmaatregelen als maatregelen die het omgekeerde effect hebben, zoals het verlengen van de accijnskorting. Vindt de staatssecretaris dat hij met dit Belastingplan bijdraagt aan vergroening of niet?

Klimaat is een nadrukkelijk onderdeel van de Strategische Agenda. Het thema is onderdeel van de categorie: ‘Groen, gezond en innovatie’. De doorvertaling hiervan naar concreet fiscaal vergroeningsbeleid zal, als hiertoe besloten wordt, pas zichtbaar worden in Belastingplan 2028. Het kabinet treft namelijk in het voorjaar van 2027, indien nodig, aanvullende nationale maatregelen om de emissiereductiedoelen te halen. Fiscale maatregelen kunnen een belangrijke bijdrage leveren voor het borgen van doelbereik. Wanneer het kabinet zou besluiten tot aanvullende maatregelen van fiscale aard met een strategisch karakter zullen deze uiteraard aan de agenda worden toegevoegd.

Deze leden zijn in het algemeen van mening dat de voorlopige inhoud van het Belastingplan niet of beperkt bijdraagt aan de eerdergenoemde prioriteiten van de staatssecretaris en al helemaal niet aan de aanvullende prioriteit die deze leden al noemden, namelijk het eerlijker maken van het belastingstelsel. Deze leden maken zich daarom zorgen over het uiteindelijke Belastingplan. In dit kader vragen deze leden de staatssecretaris wat er gebeurt als de Staten-Generaal het Belastingplan verwerpen. Wat zijn dan de gevolgen voor de belastingwetgeving en de rijksbegroting. Wat is het back-upplan van de staatssecretaris?

Als het wetsvoorstel Belastingplan 2027 niet wordt aangenomen door de Staten-Generaal, dan zal dat beleidsmatig betekenen dat alle maatregelen die zijn opgenomen in het wetsvoorstel (met uitzondering van de maatregelen die beleidsbesluiten omzetten tot wetgeving) niet zullen ingaan per 1 januari 2027. Dan geldt vanaf 1 januari 2027 de fiscale wet- en regelgeving zoals die luidt zonder de in het Belastingplan 2027 voorgestelde wijzigingen.

Daarnaast zijn er gevolgen voor de rijksbegroting. Er ontstaat in de aankomende jaren een gat in de rijksbegroting, oplopend naar circa €9 miljard structureel. Naast budgettaire effecten kan dit ook leiden tot aanzienlijke uitvoeringstechnische problemen, voornamelijk als het belastingplan na de stemming in de eerste kamer wordt weggestemd.

De parlementaire behandeling van het Belastingplan moet nog plaatsvinden. Ik kan daar verder niet op vooruit lopen.

De leden van de PRO-fractie lezen dat de staatssecretaris van mening is dat de Wet werkelijk rendement een verbetering is ten opzichte van het huidige forfaitaire box 3-stelsel. Deze leden delen die mening, maar zijn bang dat dat na de vele aanpassingen die nu worden voorgesteld niet meer het geval is. Een belangrijk nadeel aan de Wet werkelijk rendement is immers dat deze erg ingewikkeld is, mede omdat het een compromis is, een hybridestelsel met zowel een vermogensaanwasbelasting als een vermogenswinstbelasting. De leden van de PRO-fractie hadden liever een volledige vermogensaanwasbelasting gezien. Deze leden merken op dat het huidige box 3-stelsel óók een vermogensaanwasbelasting is, en dat het nieuwe stelsel op dat gebied in essentie dus vooral een stap richting vermogenswinstbelasting is. Kan de staatssecretaris dit bevestigen?

In het huidige box 3-stelsel is sprake van een forfaitaire vermogensaanwassystematiek. Dit uitgangspunt komt tot uitdrukking in het feit dat de forfaitaire rendementspercentages mede zijn gebaseerd op de (al dan niet gerealiseerde) waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen. De belangrijkste wijziging in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is dat wordt overgestapt van een heffing op basis van forfaitaire rendementen naar een heffing op basis van werkelijk rendement. Daarbij is in dat wetsvoorstel voorgesteld om als hoofdregel te blijven uitgaan van een vermogensaanwassystematiek. Voor onroerende zaken en voor aandelen in startende ondernemingen is een vermogenswinstbelasting voorgesteld. De vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 kan inderdaad als stap naar een vermogenswinstbelasting worden gezien.

Wat vindt de staatsecretaris ervan als partijen de vermogensaanwassystematiek gebruiken als argument om zich tegen de Wet werkelijk rendement te keren?

Het kabinet begrijpt dat een vermogensaanwassystematiek bezwaren kan oproepen. Zoals bij de behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is aangegeven kennen een vermogensaanwassystematiek en een vermogenswinstsystematiek beide voor- en nadelen. Welke systematiek de voorkeur van partijen geniet zal afhangen van de weging die partijen maken.

De leden van de PRO-fractie maken van de gelegenheid gebruik om ook een vraag te stellen over de hersteloperatie in box 3. Deze leden lezen in de brief daarover namelijk dat ‘eventuele mee- of tegenvallers die niet volgen uit nieuw beleid (…) conform begrotingsregels niet relevant [zijn] voor het inkomstenkader’. Ook lezen deze leden ‘als de realisaties lager uitvallen dan de geraamde kosten kan dit niet worden ingezet voor andere beleidswijzigingen’. Kan de staatssecretaris bevestigen dat dit betekent dat eventuele meevallers in de hersteloperatie in box 3 niet gebruikt kunnen worden als dekking voor nieuw beleid en dus ook niet voor aanpassingen aan de Wet werkelijk rendement?

Ik kan bevestigen dat het binnen de begrotingsregels niet mogelijk is om eventuele niet-beleidsmatige meevallers die voortkomen uit de hersteloperatie in te zetten voor nieuwe beleidsvoornemens.

Tot slot vragen de leden van de PRO-fractie naar een recente publicatie in Follow the Money over belastingvrije stortingen uit agioreserves. Deze leden vinden het in algemene zin onwenselijk als multinationals ‘gezamenlijk’ met ambtenaren van het ministerie van Financiën aan beleid werken. Kan de staatssecretaris bevestigen dat dat niet de bedoeling is, in de toekomst niet meer zal gebeuren en dat de staatssecretaris zich inzet om te voorkomen dat multinationals meer invloed hebben op fiscaal beleid dan gewone burgers?

Het ministerie van Financiën luistert naar wat er speelt in de samenleving. Bij het ministerie is de lijn dat ambtenaren perspectieven ophalen en/of voorstellen toetsen bij diverse belanghebbenden. Daarbij heeft het ministerie goede contacten met zowel organisaties die burgers als bedrijven vertegenwoordigen. In het contact met stakeholders is het uitgangspunt alle partijen en belanghebbenden te horen zodat het ene belang niet prevaleert boven het ander. Daarbij is er oog voor het feit dat er verschillen zijn in de mate waarin men wegwijs is in het Haagse. Sommigen melden zichzelf om hun perspectief te delen en anderen moeten daarvoor actief benaderd worden, maar uiteindelijk worden alle perspectieven meegewogen.

Deze leden vragen daarnaast of de staatssecretaris het met hen eens is dat het zeer onwenselijk is om het terugbetalen van agioreserves nog makkelijker te maken, temeer omdat het niet altijd duidelijk is wat de herkomst is van die agioreserves, onder andere door het bestaan van de step up bij buitenlandse fusies en overnames. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen het advies van de in het artikel geciteerde hoogleraar om kapitaalterugbetalingen te verbieden als er ook sprake is van uitkeerbare winst met als doel bedrijven éérst (belastbare) winst uit te laten keren? Wat vindt de staatssecretaris van het voorstel om de genoemde step up af te schaffen?

De basisgedachte in de dividendbelasting is dat er in beginsel een dividendbelastingclaim rust op het gehele vermogen van een vennootschap voor zover dat vermogen het door aandeelhouders ingebrachte kapitaal te boven gaat. Dat betekent dat een claim in de dividendbelasting rust op de winst(reserves) en niet op het ingebrachte kapitaal. De uitkeringen van winstreserves, dividenden, zijn belast met dividendbelasting. Een terugbetaling van kapitaal is geen dividend aangezien dit kapitaal door de aandeelhouders op een eerder moment is ingebracht.

Agio is het bedrag dat aandeelhouders boven de nominale waarde van aandelen in een vennootschap hebben gestort. Het uitkeren van agioreserve is altijd belast met dividendbelasting als er zuivere winst is. Er zijn ook geen voorstellen om dit aan te passen. De terugbetaling van nominaal kapitaal is onder voorwaarden vrijgesteld van dividendbelasting. De terugbetaling wordt namelijk niet belast met dividendbelasting als de nominale waarde van de desbetreffende geplaatste aandelen bij voorafgaande statutenwijziging is verminderd en de algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft besloten. Hiermee wordt zeker gesteld dat er daadwerkelijk sprake is van een terugbetaling van kapitaal. Als een bedrijf met winstreserves onbelast nominaal kapitaal terugbetaalt, blijft er een dividendbelastingclaim rusten op die winstreserves waarover later kan worden geheven.

Het kabinet begrijpt de vraag van de leden van de fractie van PRO aldus dat deze leden vragen hoe het kabinet een maatregel beoordeelt waarbij iedere terugbetaling van kapitaal wordt belast met dividendbelasting zo lang er winstreserves aanwezig zijn. Het kabinet is hier geen voorstander van. Dat een vennootschap kan overgaan tot een onbelaste terugbetaling van kapitaal is een bewuste keuze van de wetgever geweest en is dus in lijn met de letter en doel en strekking van de wet. Kapitaalstortingen zijn een belangrijk middel om te voorzien in de financieringsbehoefte van een vennootschap. Wanneer een aandeelhouder zijn ingebrachte kapitaal niet onbelast kan terugkrijgen zou dat invloed kunnen hebben op de afweging tussen schuldfinanciering en financiering met eigen vermogen door middel van kapitaalstortingen. Daarnaast zouden er voor bepaalde aandeelhouders extra administratieve lasten kunnen ontstaan doordat zij in plaats van een onbelaste teruggaaf, de dividendbelasting (indien mogelijk) moeten verrekenen met hun inkomsten- of vennootschapsbelasting. Verder kunnen mogelijk discussies ontstaan over de kwalificatie van de terugbetaling van kapitaal onder de belastingverdragen.

In geval van een fusie van een buitenlandse vennootschap met een Nederlandse vennootschap geldt een zogenoemde step-up: bij het bepalen van het kapitaal voor de dividendbelasting wordt uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer van het vermogen dat als gevolg van de fusie overgaat op de Nederlandse vennootschap. Met een step-up wordt voorkomen dat een Nederlandse dividendbelastingclaim wordt gevestigd op winstreserves van buitenlandse vennootschappen waar vóór de fusie of splitsing geen Nederlandse dividendbelastingclaim op rustte. De step-up-regeling bevat daarnaast een waarborg: bij een fusie of splitsing die als doel heeft om belastingheffing te ontgaan of uit te stellen is de step-up niet van toepassing. Op de Nederlandse winsten die ontstaan na de fusie of splitsing rust gewoon een dividendbelastingclaim. Gelet op het voorgaande ziet het kabinet geen aanleiding om de step up-regeling af te schaffen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de strategische agenda van de staatssecretaris op het gebied van hervormingen van belasting- en toeslagenstelsel, fiscaal stimuleren van groen, gezond en innovatief en de uitvoering. Deze leden zien hierin goede dingen staan, maar hebben ook nog een paar vragen.

Ten aanzien van de aanpak van fiscale regelingen noemt de brief dat voorstellen zullen worden gedaan om complexe ondoelmatige voorstellen af te schaffen. De leden van de CDA-fractie vinden dit een beetje kort door de bocht. Kan de staatssecretaris bevestigen dat altijd sprake is van een drieslag, namelijk afschaffen, omvormen of versoberen?

Zoals ook benoemd in mijn brief van 19 juni jl. gaat het inderdaad altijd om de drieslag: afschaffen, omvormen, of versoberen.

De brief noemt vervolgens dat bij de inzet voor vereenvoudiging en verbetering van fiscale regelingen een alternatieve inzet van de desbetreffende middelen op hetzelfde beleidsterrein kan worden overwogen. De leden van de CDA-fractie zijn het eens met deze richting, waarbij deze leden wijzen op de motie Inge van Dijk c.s. (Kamerstuk 31066-1491). Deze leden vragen de staatssecretaris om deze ook nogmaals mee te nemen bij herzieningsvoorstellen.

Het kabinet kijkt bij de aanpak fiscale regelingen zoals aangegeven in mijn brief van 19 juni jl. altijd naar hoe we de doelstelling van de regeling beter zouden kunnen bereiken. Dergelijke beleidsmatige aanpassingen gaan uiteraard gepaard met overleg met beoogde doelgroep en hun adviseurs. Zo voer ik bijvoorbeeld naar aanleiding van de aanpassingen binnen de werkkostenregeling ook gesprekken om duiding te krijgen met het oog op verdere vereenvoudigingen en verbeteringen.

De staatssecretaris geeft aan te onderzoeken of toeslagen in de toekomst direct definitief en automatisch kunnen worden toegekend. De leden van de CDA-fractie vragen de staatssecretaris te bevestigen dat uitgangspunt hierbij ‘in de actualiteit’ is.

Ja, dat kan ik bevestigen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat wordt verwezen naar de aanbevelingen die de SER later dit jaar verwacht uit te brengen over het vereenvoudigen van het belasting- en toeslagenstelsel. Is al bekend wanneer dit zal verschijnen en heeft dit invloed op de planning van de hervormingsagenda?

Ik heb begrepen dat de SER ernaar streeft het advies dit najaar te uit te brengen. Als dit mogelijk is, nemen we dit mee in de brief van dit najaar over de hervormingsagenda.

Ten aanzien van de hervormingsagenda die de Kamer eind 2026 zal ontvangen vraagt de staatssecretaris een commissie van onafhankelijke externe experts om advies. De Kamer wordt nog geïnformeerd over de samenstelling van deze commissie, zo constateren deze leden. Zal de staatssecretaris in deze commissie verschillende expertises en focusgebieden meenemen, in het bijzonder de ervaringen van fiscale praktijkexperts?

Ja. Gegeven de breedte van het belasting- en toeslagenstelsel en de maatschappelijke opgaves die daarop betrekking hebben is het belangrijk in de hervormingsagenda en de commissie een diversiteit aan expertise en perspectieven te betrekken, bijvoorbeeld rond de houdbaarheid van het stelsel, doenvermogen en rechtsbescherming, waaronder ook fiscale praktijkexperts.

Ten aanzien van fiscale vergroening vragen de leden van de CDA-fractie ook hoe het kabinet inzet op Europese samenwerking. Deze leden merken op dat Europees gecoördineerde klimaatheffingen de voorkeur hebben, omdat zo weglek en een ongelijk speelveld kan worden voorkomen.

De voorkeursroute van het kabinet is gecoördineerd en ambitieus Europees beleid. Het kabinet zet zit zich in Brussel in voor een sterk Europees emissiehandelssysteem en Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). Aangaande de exacte Nederlandse inzet voor het recente ETS herzieningsvoorstel wordt uw kamer via een BNC-fiche geïnformeerd.

Nederland zoekt voor Europees vergroeningsbeleid de samenwerking met gelijkgestemde lidstaten. Nederland suggereert tevens via non-papers concrete beleidsaanpassingen gericht op het lostrekken van investeringen in het verminderen van fossiele afhankelijkheden en emissiereductie. Ook zal het kabinet zich in Europees verband inzetten voor een geharmoniseerde EU-vliegbelasting en daarbij actief de samenwerking zoeken met andere Lidstaten en de Europese Commissie. In het voorjaar van 2027 neemt het kabinet, indien nodig, aanvullende nationaal geborgde maatregelen om het klimaatdoel van 2040 te halen.

De leden van de CDA-fractie zijn sterk voorstander van het samenvoegen van de EIA, MIA en Vamil tot één robuuste investeringsregeling. In het commissiedebat Fiscaliteit van 11 maart 2026 hebben deze leden gevraagd of hierbij ook aandacht kan worden gegeven aan investeringen in schone en groene technologie, denk bijvoorbeeld aan energie-optimalisatie van datacenters, carbon accounting, digital twinning voor industriële processen, et cetera. Deze leden vragen de staatssecretaris om dit ook mee te nemen.

Het kabinet werkt momenteel aan de uitwerking van het waar mogelijk samenvoegen van de EIA, MIA en Vamil tot één robuuste investeringsregeling. In de beantwoording op vragen uit het schriftelijk overleg over o.a. verkenning belastingvermindering energiebelasting toespitsen op huishoudens10 heb ik aangegeven dat het kabinet daarbij de mogelijkheid om investeringen in clean- en green tech onder te brengen in de EIA en MIA meeneemt.

Ten aanzien van de uitvoering vragen de leden van de CDA-fractie of de staatssecretaris ook oog heeft voor de tax gap. Meer innovatie in digitale aangifteprocessen kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat fouten in belastingaangiftes wordt verminderd, zodat belastingheffing beter wordt. Heeft de staatssecretaris ook oog voor het OESO initiatief Tax Administration 3.0?

Ja, de staatssecretaris heeft aandacht voor het OESO-initiatief Tax Administration 3.0. De OESO-visie is in samenwerking tussen het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst vertaald naar een visie voor Nederland. Deze is vastgelegd in de Toekomstvisie Belasting Betalen, Automatisch Goed en vormt het uitgangspunt voor verdere verkenning en opvolging. De visie is als bijlage bij de Kamerbrief over de stand van zaken bij de Belastingdienst van 12 maart 2026 openbaar gemaakt (link: Toekomstvisie Belasting betalen automatisch goed | Rijksoverheid.nl). In de visie is onder andere aandacht voor het verbeteren van (aangifte)processen, het gebruik van actuele gegevens en digitale ondersteuning. Deze ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het verkleinen van het verschil tussen het bedrag aan belastingen dat volgens de fiscale regels verschuldigd is en het bedrag dat daadwerkelijk wordt betaald, oftewel de tax gap. Een voorbeeld van een voorstel dat deze visie materialiseert is de implementatie van de ViDA-richtlijn (onderdeel DRR: elektronisch factureren en rapporteren) per 1 juli 2030. Door deze richtlijn gaan alle ondernemers grensoverschrijdende zakelijke transacties (zogeheten business-to-business) per juli 2030 op dezelfde manier electronisch factureren en rapporteren. Daarmee kan op een effectievere manier vroegtijdig (onbedoelde) fouten bij ondernemers worden voorkomen, fraude worden bestreden en ontstaan nieuwe mogelijkheden voor de Belastingdienst in de handhaving (dienstverlening, toezicht en opsporing). Het kabinet schetst daarover in de Kamerbrief Contourenbrief elektronisch factureren en rapporteren van 11 september 2026 zijn visie. Daarbij is ook aandacht voor de nieuwe (handhavings)mogelijkheden die deze digitaliseringsslag in de toekomst biedt en die de belastingheffing verbeteren.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Dienst Toeslagen waar mogelijk steeds vaker inkomens, vermogens en andere grondslagen proactief gaat aanpassen om te voorkomen dat er in eerste instantie onjuiste bedragen aan toeslagen worden uitgekeerd. Deze leden zijn hier groot voorstander van, omdat zo hoge terugvorderingen zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen. Wordt hierbij ook gekeken naar verzachting van alles-of-niets drempels, die nu vaak nog leiden tot de hoogste terugvorderingen?

Het kabinet houdt oog voor hardheden in het toeslagenstelsel en bekijkt waar mogelijk hoe deze verzacht kunnen worden. Een voorbeeld hiervan zijn de vermogensgrenzen binnen de toeslagen. Zoals aangegeven in het nader rapport van het wetsvoorstel vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen is het alles-of-niets-karakter van de vermogenstoets met een peildatum aanleiding voor een verkenning naar alternatieve vormgevingen van de vermogensgrens. Mocht dit onderzoek aanleiding geven tot een meer fundamentele herziening van de vermogenstoets, dan zal ik uw Kamer hierover informeren.

De leden van de CDA-fractie zijn blij om te lezen dat de Dienst Toeslagen samen met VWS toewerkt naar het automatisch toekennen van de zorgtoeslag achteraf, wanneer op basis van een definitieve aangifte blijft dat iemand hier recht op had. Deze leden vinden het heel belangrijk dat mensen krijgen waar zij recht op hebben om rond te kunnen komen, en dat de overheid niet alleen actief haalt, maar ook actief brengt. Kan de staatssecretaris een tijdlijn voor de uitwerking van deze automatische toekenning geven?

Met deze leden vindt het kabinet het belangrijk dat mensen krijgen waar zij recht op hebben om rond te kunnen komen. Dit kabinet wil het niet-gebruik en het risico op terugvorderingen terugdringen en toewerken naar automatisch uitkeren van toeslagen. Op verschillende manieren zijn we hiermee bezig, zoals met het verkennen van het automatisch-toekennen-achteraf van de zorgtoeslag. Ik wil uw Kamer nog dit jaar over deze verkenning informeren. Dan zal ik ook ingaan op beleidskeuzes die samenhangen met automatisch-toekennen-achteraf en over het vervolg. Daarbij zal ik globale tijdpad(en) schetsen, die uiteraard (ook) sterk zullen afhangen van keuzes en de beschikbaarheid van budgettaire middelen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de Strategische agenda 2026-2030 en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen. In de voorbereiding hadden deze leden graag de beantwoording betrokken van het schriftelijk overleg Fiscale vergroening, waarvoor de commissie haar inbreng heeft geleverd op 27 maart 2026. Helaas moesten deze leden constateren dat deze beantwoording ten tijde van het leveren van de inbreng voor het schriftelijk overleg over de strategische agenda nog niet was ontvangen.

De leden van de PvdD-fractie herkennen de uitspraak “Belastingen zijn de prijs die wij betalen voor een beschaafde samenleving” van de staatssecretaris. Belastingen zijn een belangrijk middel van een overheid om te komen tot een eerlijke, solidaire, gezonde en toekomstbestendige samenleving, waarbij de vervuiler daadwerkelijk betaalt voor de schade die hij aanricht aan milieu, dier en mens. Het belastingstelsel zou er voor iedereen in Nederland moeten zijn, nu en in de toekomst. Deze duidelijke ambitie missen deze leden in het voorliggende stuk en het beleid van dit kabinet. In de zogenaamde sociale hervormingen wordt wel vooruitgekeken, maar ontbreekt solidariteit. De rekening wordt namelijk bij de zwaksten in de samenleving neergelegd via een sanering van de sociale zekerheid in Nederland. Op het gebied van circulariteit zien we mooie woorden en beloftes, maar de versnelling die nodig is om een toekomstbestendige circulaire economie neer te zetten waarbij we weg bewegen van de wegwerpeconomie mist. De daadwerkelijke fiscale en financiële maatregelen om de al meer dan tastbare klimaatcrisis tegen te gaan blijven achter, terwijl er wel twee miljard euro naar één enorm vervuilend bedrijf gaat. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren?

Het kabinet acht het van belang om borgend beleid te voeren om de klimaatdoelen en de circulariteitsdoelen binnen bereik te brengen. In 2026 komt de Europese Commissie met voorstellen voor het 2040-maatregelenpakket. Zoals eerder aangegeven treft het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende nationale maatregelen om de emissiereductiedoelen te halen. Hierbij sluit het kabinet zoveel mogelijk aan bij de Europese aanpak.

Het kabinet bewandelt verschillende wegen om de klimaat- en circulariteitsdoelen te behalen en maakt hiervoor gebruik van zowel beprijzende, normerende als stimulerende beleidsinstrumenten.

Kan de staatssecretaris daarbij rekenschap geven van hoe brede welvaart, solidariteit, circulaire- en klimaatambities versterkt moeten worden?

Zoals eerder aangegeven vindt de besluitvorming over eventuele aanvullende nationale maatregelen om de emissiereductiedoelen te halen in het voorjaar van 2027 plaats. Hierbij houdt het kabinet ook rekening met betaalbaarheid en handelingsperspectief. Het kabinet kan verder niet op dit besluitvormingsmoment vooruitlopen.

Want zoals de staatssecretaris zelf aangaf zijn belastingen de prijs die we betalen voor een beschaafde samenleving, maar de vraag is wel: voor welke samenleving innen we belastingen? Een samenleving voor grootvervuilers en aandeelhouders of een samenleving die recht doet aan het welzijn van milieu, dier en mens?

Het kabinet is van mening dat het Nederlandse belastingbeleid ook gericht moet zijn op brede welvaart, waarbij het belang wordt erkend van een gezonde leefomgeving, dierenwelzijn en menselijk welzijn. Tegelijkertijd is Nederland een open economie, waarin ondernemers en bedrijven een cruciale rol spelen in innovatie, werkgelegenheid en economische groei. Het kabinet streeft naar verduurzaming binnen Nederland en rekening houdend met de internationale concurrentiepositie, waarbij bedrijven door het samenspel van maatregelen voldoende handelingsperspectief hebben om hier om te schakelen naar schonere productieprocessen. Hiermee wordt voorkomen dat uitstoot zich verplaatst naar andere landen, zonder dat het mondiale milieu verbetert en blijven de bijbehorende werkgelegenheid en innovatiekracht in Nederland behouden. Ten aanzien van belastingheffing streeft het kabinet dus naar een systeem dat vervuiling beprijst en duurzaam gedrag zo mogelijk stimuleert, zonder dat dit onevenredige negatieve effecten heeft op de internationale concurrentiepositie van bedrijven die in Nederland investeren in verduurzaming.

Deze verschillende belangen dienen tegen elkaar afgewogen te worden waar effectief beleid centraal staat. Stilstand is daarbij een risico. Zorgen over de internationale concurrentiepositie en afwachten van multilateraal beleid staan op gespannen voet met grote de investeringsopgave die nodig is voor zowel toekomstig verdienvermogen als vergroening. Het kabinet zal in het voorjaar wegen of en zo ja welk voor een aanvullend klimaatbeleid nodig is.

De leden van de PvdD-fractie zien enkele maatregelen op het gebied van gezondheid die zij toejuichen, zoals een suikerbelasting, en de ondersteuning van het invoeren van accijns op e-sigaretten. Met betrekking tot e-sigaretten vragen deze leden zich af of de staatssecretaris bereid is om snel met een nationale belasting op e-sigaretten te komen. Wachten tot een mogelijke invoering per 1 januari 2028 van de herziene Richtlijn tabaksaccijns duurt wat deze leden namelijk écht te lang.

Per 2029 is een taakstellende opbrengst ingeboekt voor een belasting op e-sigaretten. Deze opbrengst kan zowel worden behaald met een nationale belasting als met een accijns.

Op dit moment wordt in Europa onderhandeld over de herziening van de Richtlijn tabaksaccijns waarmee het mogelijk wordt onder andere e-sigaretten te belasten met accijns. Het kabinet zet in op een ambitieuze herziening van deze richtlijn en hoopt op een snel akkoord. Afhankelijk van de ontwikkelingen op dit Europese dossier, maakt het kabinet de afweging om al dan niet over te gaan tot invoering van een nationale belasting op e-sigaretten. In ieder geval kan de route via een nationale belasting niet tegemoet komen aan de wens om eerder belasting te heffen over de e-sigaretten.

Daarnaast willen de leden van de PvdD-fractie nogmaals wijzen op de wens van de Tweede én Eerste Kamer om de btw op (onbewerkte) groente en fruit af te schaffen. Deze leden blijven hameren op het feit dat dit werkbaar, uitvoerbaar én doelmatig is, en aansluit bij de ambitie van het kabinet om de stijgende zorgkosten te beteugelen door gezonde plantaardige voeding te stimuleren.

In 2023 heeft SEO onderzoek gedaan naar de wijze waarop een btw-nultarief op groente en fruit kan worden ingevoerd. Er is daarbij gekeken naar zeven afbakeningsvarianten waarbij groente en fruit tegen een ander (in geval van het onderzoek 0%) tarief belast worden dan andere voedingsmiddelen. Hieruit is gebleken dat er geen afbakeningsvarianten zijn die juridisch houdbaar, uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Door het fiscale neutraliteitsbeginsel moeten producten die voor de consument vergelijkbaar zijn gelijk belast worden voor de btw.

Wanneer dit niet goed afgebakend is zal de groep producten waarvoor een lager tarief van toepassing is groter worden. Het toenmalige kabinet heeft tevens de landsadvocaat verzocht de juridische houdbaarheid te beoordelen. De landsadvocaat onderschrijft de conclusies van SEO. Ten slotte concludeert SEO dat een btw-verlaging op groente en fruit een beperkt effect heeft op de consumptie en dat daarmee de gezondheidseffecten waarschijnlijk beperkt zijn. Tegelijkertijd is de budgettaire derving groot en komt het belastingvoordeel vooral terecht bij hogere inkomensgroepen.

De leden van de PvdD-fractie lezen dat de staatssecretaris vindt dat extra fiscale groene instrumenten het belastingstelsel complexer kan maken. Kan de staatssecretaris een concreet afbouwpad delen van alle fossiele fiscale regelingen, naast het bestaande uitfaseerplan fossiele brandstofsubsidies, wat het belastingstelsel eenvoudiger zal maken en eenduidiger laat sturen op vergroening?

Zoals eerder aangegeven vindt de besluitvorming over eventuele aanvullende nationale maatregelen om de emissiereductiedoelen te halen in het voorjaar van 2027 plaats. Hierbij zullen eventuele afbouwpaden voor fossiele voordelen die de klimaattransitie kunnen helpen ook bezien worden. Het kabinet kan hier nu niet op vooruitlopen.

Ook lezen deze leden in de beslisnota dat het een bespreekpunt was om klimaat een onderdeel te laten zijn van de strategische agenda door bijvoorbeeld beprijzing van gedrag. Waarom is expliciet door de staatssecretaris gekozen om klimaat niet mee te nemen, welke concrete maatregelen lagen als opties op tafel en welke gevolgen heeft dit voor het behalen van de klimaat- en circulaire doelen dat deze opties niet worden meegenomen?

Klimaat is nog steeds een nadrukkelijk onderdeel van de Strategische Agenda. Het thema is onderdeel van de categorie: ‘Groen, gezond en innovatie’. Er lagen nog geen concrete vergroeningsmaatregelen voor, omdat het uitbrengen van de Strategische Agenda niet samen is gegaan met een besluitvormingsmoment. Het kabinet treft in het voorjaar van 2027, indien nodig, aanvullende nationale maatregelen om de emissiereductiedoelen te halen. Indien het kabinet zou besluiten tot aanvullende maatregelen van fiscale aard met een strategisch karakter zullen deze uiteraard aan de agenda worden toegevoegd.

De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat btw kan worden gebruikt als sturingsmechanisme om maatschappelijke doelen te stimuleren. Hierbij kan niet alleen aan de hierboven geleverde inbreng over onbewerkte groente en fruit gedacht worden, maar ook aan het stimuleren van circulariteit én inclusief werk. Een goed voorbeeld hiervan is het verlagen van btw voor maatschappelijke kringlooporganisaties. Wat deze leden betreft is het onbestaanbaar dat het kabinet er niet voor kiest om circulariteit maximaal te stimuleren en daarvoor btw als instrument in te zetten. Door gebruik te maken van de Europese mogelijkheid om btw te verlagen voor maatschappelijke (kringloop)organisaties, zoals wel wordt gedaan in België, Oostenrijk, Denemarken, Italië en Frankrijk kan het kabinet meer sturen op circulariteit. Deze leden zien helaas dat er met een beperkte visie naar btw in dit dossier wordt gekeken. Door maatschappelijke kringlooporganisaties geen dubbele btw te laten betalen creëer je financiële ruimte die deze organisaties in staat stelt om nog meer circulariteit, sociale inclusie, vrijwilligerswerk en waarden gedreven en toekomstbestendige werkgelegenheid te creëren. De leden van de PvdD-fractie vragen daarom concreet aan de staatssecretaris om het van de andere kant te bekijken. Kan de staatssecretaris aangeven wat het de samenleving zou kunnen opleveren als bijvoorbeeld maatschappelijke kringlooporganisaties met het Keurmerk Kringloop Nederland meer mensen met een ondersteuningsvraag aan het werk kunnen helpen, er meer spullen worden hergebruikt en meer investeringen in mens en milieu mogelijk zijn door een btw-verlaging?

Het kabinet onderschrijft het belang van de circulaire economie. Wat betreft het btw-tarief voor kringloopwinkels zijn echter meerdere afwegingen te maken.

Bij de evaluatie van de verlaagde btw-tarieven is onderzocht in hoeverre deze tarieven doelmatig en doeltreffend zijn. De kabinetsreactie hierop is op 19 september 2023 gepubliceerd.11 Uit deze evaluatie volgt dat een verlaging van het btw-tarief in het algemeen geen doelmatig instrument is om beleidsdoelen te realiseren, omdat het voordeel niet steeds terechtkomt bij de beoogde doelgroep en omdat een btw-verlaging relatief kostbaar is. Ook is van belang dat de EU btw-richtlijn slechts beperkte ruimte biedt voor het toepassen van verlaagde btw-tarieven.12 Deze richtlijn biedt een mogelijkheid voor de toepassing van een verlaagd tarief op producten die worden verkocht door liefdadigheidsinstellingen, onder strikte voorwaarden.

In deze context is ook van belang dat het kabinet de ambitie heeft uitgesproken het belastingstelsel te vereenvoudigen. Een verlaagd btw-tarief specifiek voor maatschappelijke kringlooporganisaties zou juist leiden tot een verdere differentiatie en complicatie van het btw-stelsel. In de kamerbrief van 20 oktober 2022 is een reactie gegeven op een vraag van het lid Bisschop over de invoering van een verlaagd btw-tarief voor kringloopwinkels met een maatschappelijke waarde.13 Daarbij is aangegeven dat een dergelijke regeling een afzonderlijke erkenningsregeling of aanvullende voorwaarden zou vereisen om te bepalen welke (liefdadigheids)organisaties voor het verlaagde btw-tarief in aanmerking komen. In die brief wordt geconcludeerd dat een dergelijke regeling complexe afbakeningsvraagstukken met zich meebrengt, zowel vanuit beleidsmatig als uitvoeringsperspectief, die ook aanleiding zullen zijn voor fiscale procedures.

Op basis van de huidige inzichten, Europese regelgeving en de wens tot vereenvoudiging van het belastingstelsel acht het kabinet het toepassen van het verlaagde btw-tarief op dit moment niet het juiste middel om deze maatschappelijke doelen te bevorderen.

De Europese Commissie is recent een onderzoek gestart naar btw en de circulaire economie. De btw-behandeling van tweedehandsgoederen, zowel door kringloopwinkels als andere aanbieders, maakt daar nadrukkelijk onderdeel van uit. Het kabinet volgt dit onderwerp met belangstelling; daarbij uiteraard rekening houdend met de toezegging in reactie op de motie Kostic c.s.14 dat het kabinet zich actief inzet om 0% btw op tweedehandsgoederen en reparatiediensten juridisch mogelijk te maken.15 Daarnaast wil het kabinet de genoemde maatschappelijke baten betrekken bij lopende verkenningen naar een aparte bedrijfscategorie voor steward owned bedrijven.

Uit deze vragen over het btw-tarief blijkt ook vooral een oproep om het voor consumenten aantrekkelijker te maken om hun spullen langer te gebruiken, minder snel af te danken, en vaker een tweedehands artikel te kopen. Het kabinet deelt die intentie. Daarom is het verlagen van drempels voor consumenten een van de aandachtspunten in het beleid.

Eén van de manieren waarop we dit doen is met circulaire ambachtscentra. Een circulair ambachtscentrum is een plek of netwerk waarbij de functies van een milieustraat, kringloopwinkel, reparatiewerkplaats, onderwijs en het sociaal domein zijn gecombineerd, waardoor spullen en materialen langer in gebruik blijven en onnodig storten en verbranden wordt voorkomen. Het kabinet heeft als doelstelling een landelijk dekkend netwerk van circulaire ambachtscentra in 2030. Op die manier wordt de drempel van consumenten om circulair te handelen, verlaagd.16

Het kabinet blijft zich inzetten voor het stimuleren van circulair gedrag en zal daarbij een zorgvuldige afweging maken van de meest effectieve en doelmatige instrumenten.

Is de staatssecretaris bereid om dit te onderzoeken en de kosten- en baten af te wegen tegen de misgelopen btw-inkomsten? Kan de staatssecretaris dit toelichten en daarbij ook meenemen dat dit aansluit bij de door de Kamer aangenomen motie van het lid Kostic c.s. over 0% btw op tweedehands en reparatiediensten juridisch mogelijk maken (Kamerstuk 21501-08-977)?

De Europese Commissie laat op dit moment door onderzoeksbureau Syntesia onderzoeken wat er mogelijk is aangaande btw en circulariteit. Het kabinet wacht de uitkomsten van dit onderzoek af alvorens het kabinet beslist over het instellen van een onderzoek.

De leden van de PvdD-fractie roepen daarnaast op tot een aanpassing van de MIA en VAMIL-regeling, twee regelingen waarmee ondernemers belastingvoordeel kunnen krijgen als ze investeren in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen. Het meest duurzaam is het vaak om geen nieuwe bedrijfsmiddelen te kopen maar een tweedehands bedrijfsmiddel aan te schaffen of een oud bedrijfsmiddel te laten repareren. Voor veel ondernemers is het onduidelijk dat dit momenteel soms al mag onder deze regeling. Is de staatsecretaris bereid meer focus op hergebruik en reparatie te leggen, hierover duidelijk te communiceren met ondernemers, en waar nodig de MIA en VAMIL-regeling hierop aan te passen?

Naar aanleiding van de motie Grinwis c.s.17 over het stimuleren van reparatie met financiële prikkels, heb ik in bijlage 1 bij de brief van 29 juni jl.18 benoemd, zoals de leden van de fractie van de PvdD ook aangeven, dat de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil) niet alleen openstaan voor de aanschaf van een compleet nieuw bedrijfsmiddel, maar ook voor investeringen in het zodanig aanpassen van een bestaand bedrijfsmiddel dat aan de eisen van de MIA / Vamil wordt voldaan. Dat gaat dan verder dan revisie. Investering in de aanpassing van een bestaand bedrijfsmiddel moet als doel hebben om de milieuprestatie van het bedrijfsmiddel te verbeteren ten opzichte van vóór de aanpassing (bijvoorbeeld vermindering van afvalstoffen of vermindering van de hoeveelheid benodigde grondstoffen). Dit geldt overigens ook voor de energie-investeringsaftrek (EIA). In de brochure Milieulijst19 en de brochure Energielijst20 is opgenomen welke kosten wel en niet in aanmerking komen voor de MIA/Vamil respectievelijk EIA, waarbij ook aandacht is voor het verbeteren / aanpassen van bestaande bedrijfsmiddelen. De aanschaf van bestaande bedrijfsmiddelen zonder aanpassing naar meer energiezuinigheid komt niet voor aftrek in aanmerking. Voor deze bedrijfsmiddelen is in een eerder stadium immers reeds fiscale aftrek mogelijk geweest. Bij het opstellen van de brochures die voor het jaar 2027 gelden zal RVO als uitvoerder van de regeling bezien of de huidige teksten in de brochure nadere verduidelijking behoeven.


  1. Deze langetermijnprognose is opgesteld met behulp van de verwachtingen voor het wagenpark en de nieuwverkopen bij personenauto’s op basis van het personenautoparkmodel Strategisch Personenauto Rekenkader (SPARK) van het PBL (versie 2.2.0) tot en met 2040; verwachtingen uit de KEV2025 (tot en met 2030) en de KEV2024 (voor de jaren 2031-2040) voor de ontwikkeling van het bestelautopark en het vrachtautopark en de verwachte ontwikkeling van het energieverbruik bij personenauto’s, bestelauto’s en vrachtauto’s. De cijfers komen daarmee niet exact overeen met de ramingen zoals opgenomen in de begroting. Voor het beeld ten aanzien van de verwachte grondslagerosie maakt dit geen verschil.↩︎

  2. Bijlage bij Kamerstukken II 2025/26, 32813, nr. 1543.↩︎

  3. Kamerstukken II 2025/26, 36848, nr. 79, 36800 XV, nr. 52 en 36800, nr. 98.↩︎

  4. CPB, De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens, 2026.↩︎

  5. Dur, R., Harms, J., & Non, A. (2026). Tax Misperceptions and Labor Supply: A Randomized Information Experiment (No. 18870). IZA Network@ LISER.↩︎

  6. Kamerstuk 2022/2023, 36 202, nr. 112.↩︎

  7. Kamerstuk 2026/2027, 37 020, nr. 2, p. 57-58.↩︎

  8. Staatscourant 2022, 33377.↩︎

  9. Kamerstukken II 2022/23, 32 800, nr. 78.↩︎

  10. Kamerstukken II 2025/26, 32140, nr. 335.↩︎

  11. Kamerstukken II 2023/24, 32140, nr. 174.↩︎

  12. Beleidsruimte btw-tarievenrichtlijn | Rijksoverheid.nl.↩︎

  13. Kamerstukken II 2022/23, 36202, nr. 27.↩︎

  14. Kamerstukken II, 2024–2025, 21501 08, nr. 977.↩︎

  15. Kamerstukken II, 2024-2025, 21501 08, nr. 994.↩︎

  16. Kamerbrief Reactie schriftelijke inbreng Branchevereniging | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl.↩︎

  17. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 95.↩︎

  18. Kamerstukken II 2025/26, 32140, nr. 313.↩︎

  19. https://www.rvo.nl/sites/default/files/2026-04/brochure-milieulijst-2026-0104206.pdf, pagina 7-8.↩︎

  20. https://www.rvo.nl/sites/default/files/2026-03/brochure-eia-energielijst-2026-versie-05032026.pdf, pagina 5.↩︎