Nota naar aanleiding van het verslag
Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met de implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars (Implementatiewet herstel en afwikkeling verzekeraars)
Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag
Nummer: 2026D47176, datum: 2026-10-08, bijgewerkt: 2026-10-08 17:14, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E. Heinen, minister van Financiën (Ooit VVD kamerlid)
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij de 36964 Nota naar aanleiding van het verslag inzake implementatiewet herstel en afwikkeling verzekeraars
Onderdeel van kamerstukdossier 36964 -6 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met de implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars (Implementatiewet herstel en afwikkeling verzekeraars) .
Onderdeel van zaak 2026Z13170:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-10-15 10:15 ⇒ Wetsvoorstel zonder stemming aangenomen. (Besluit)
- 2026-10-08 13:15 ⇒ Agenderen voor plenair debat. (Besluit)
- 2026-10-08 10:00 ⇒ Aanmelden voor plenaire behandeling als hamerstuk. (Besluit)
- 2026-07-02 09:30 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op dinsdag 1 september 2026 om 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-06-17 14:10 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-17 14:10 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Financiën (Besluit)
Onderdeel van zaak 2026Z20404:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-10-08 10:00 ⇒ Betrekken bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel. (Besluit)
- 2026-06-17 14:10: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-07-02 09:30: Procedurevergadering Financiën (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiën
- 2026-09-01 14:00: Implementatiewet herstel en afwikkeling verzekeraars (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Financiën
- 2026-10-08 10:00: Procedurevergadering Financiën (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiën
- 2026-10-08 13:15: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-10-15 10:15: Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met de implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars (Implementatiewet herstel en afwikkeling verzekeraars) (36964) (Hamerstukken), TK
Preview document (🔗 origineel)
36 964 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met de implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars (Implementatiewet herstel en afwikkeling verzekeraars)
Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 8 oktober 2026
Inleiding
De regering is de vaste commissie voor Financiën erkentelijk voor de aandacht die zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft geschonken en voor de door haar daarover gestelde vragen. De vragen worden zo veel mogelijk beantwoord in de volgorde van het door de commissie uitgebrachte verslag. Daarbij worden de definities gehanteerd zoals opgenomen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.
Algemeen
§ 1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel Implementatiewet herstel en afwikkeling verzekeraars. Deze leden onderschrijven het belang van een robuust afwikkelingskader voor verzekeraars ter bescherming van polishouders en de financiële stabiliteit en steunen in beginsel een voortvarende implementatie van de IRRD. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden steunen de doelstelling van de richtlijn en zijn positief over de verdere harmonisatie binnen de Europese Unie. Nederland beschikte reeds over een wettelijk kader via de Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars. Het is volgens deze leden wenselijk dat verzekeraars in andere lidstaten voortaan eveneens aan vergelijkbare eisen worden onderworpen. Daarnaast waarderen deze leden dat de regering bij de implementatie uitgaat van een zo beperkt mogelijke lastenverzwaring.
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden delen de wens om te komen tot een geharmoniseerd kader voor gecoördineerde afwikkeling van falende verzekeringsondernemingen. Zeker omdat verzekeraars zich niet beperken tot een lidstaat. Deze leden hebben geen verdere opmerkingen over de voorliggende implementatiewet.
De leden van de PVV-fractie hebben met kritische belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars (IRRD). Deze leden constateren dat het wetsvoorstel is bedoeld ter implementatie van Europese regelgeving en dat het bestaande Nederlandse kader op hoofdlijnen reeds aansluit bij deze Europese richtlijn. Deze leden hebben waardering voor de gekozen lastenluwe implementatie. Wel hebben deze leden nog enkele vragen.
§ 2. Inhoud richtlijn
2.2 Minimumharmonisatie
De leden van de VVD-fractie stellen vast dat sprake is van minimumharmonisatie, waardoor lidstaten de mogelijkheid hebben aanvullende voorschriften vast te stellen. Deze leden vinden het van belang dat Europese regelgeving niet wordt aangevuld met nationale koppen. Uit de memorie van toelichting maken deze leden op dat wordt aangesloten bij het reeds bestaande Nederlandse stelsel. Deze leden verzoeken de regering om te bevestigen dat het voorliggende wetsvoorstel nergens verder gaat dan de richtlijn voorschrijft. Indien op onderdelen toch aanvullende nationale keuzes zijn gemaakt, vernemen deze leden graag om welke onderdelen het gaat en welke overwegingen daaraan ten grondslag liggen.
Met dit wetsvoorstel wordt de IRRD zoveel mogelijk lastenluw geïmplementeerd, maar wordt tegelijkertijd beoogd het niveau van polishoudersbescherming gelijk te houden ten opzichte van de Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars 2019 (Whav) en de nieuwe regels goed in te passen in het bestaande wettelijke kader.
Eén van de onderdelen van het wetsvoorstel waarvoor gebruikt wordt gemaakt van de ruimte die minimumharmonisatie biedt, betreft de reikwijdte van het kader voor herstel en afwikkeling. Het wetsvoorstel is van toepassing op alle verzekeraars die onder toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB) staan. Dat houdt concreet in dat onder deze reikwijdte ook verzekeraars met beperkte risico-omvang vallen. Deze verzekeraars vallen niet onder de IRRD, maar wel onder het in Nederland reeds bestaande kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars. Voorbeelden van verzekeraars met beperkte risico-omvang zijn natura-uitvaartverzekeraars (ongeacht hun omvang) en bepaalde andere verzekeraars die de omvangdrempels van de richtlijn solvabiliteit II niet overstijgen. Ten behoeve van flexibiliteit in onvoorziene situaties is ervoor gekozen om de huidige reikwijdte zoals deze onder het nationale recht al gold, te behouden. Als deze verzekeraars zouden worden uitgesloten van de reikwijdte, is er geen mogelijkheid voor DNB om de afweging te maken of het in een concreet geval in het algemeen belang is om deze verzekeraar in afwikkeling te nemen.
Verzekeraars met beperkte risico-omvang zijn, in lijn met het bestaande kader, in dit wetsvoorstel wel uitgezonderd van doorlopende lasten zoals het opstellen van voorbereidende crisisplannen en afwikkelingsplanning. Van verzekeraars met beperkte risico-omvang kunnen geen bijdragen worden geheven ten behoeve van de financieringsregeling in artikel 3A:138 Wft. Doordat deze verzekeraars onder de reikwijdte blijven vallen, geldt wel dat zij in bepaalde overeenkomsten een clausule over de erkenning van het afschrijvings- en omzettingsinstrument (bail-in) moeten opnemen. En indien op bepaalde financiële overeenkomsten het recht van een staat die geen lidstaat is van toepassing is, moeten zij contractuele bepalingen opnemen, waarbij de contractspartijen erkennen dat de financiële overeenkomst onderworpen kunnen worden aan de uitoefening van bevoegdheden door DNB.
Daarnaast wordt met dit wetsvoorstel een grondslag gecreëerd voor DNB om een stichting administratiekantoor afwikkeling (SAA) op te richten ten behoeve van de afwikkeling van verzekeraars (artikel 3A:121a Wft). De SAA moet de concrete toepassing van het instrument van bail-in in de praktijk mogelijk maken. De SAA kan (tijdelijk) eigendomsinstrumenten houden ten behoeve van houders van claimrechten als gevolg van bail-in. De grondslag voor een dergelijk vehikel is ten behoeve van de afwikkeling van banken met de Wet Nadere Uitvoering BRRD-implementatie (Wet NUB) opgenomen in artikel 3A:50a Wft, en wordt nu omwille van consistentie ook voor de afwikkeling van verzekeraars toegevoegd. DNB zou ook zonder de grondslag in dit wetsvoorstel bevoegd zijn om ter uitvoering van haar taken als afwikkelingsautoriteit een dergelijke stichting op te richten om de omzetting te bewerkstelligen. Het wetsvoorstel verduidelijkt slechts dat DNB deze bevoegdheid heeft. Volledigheidshalve wordt verwezen naar het advies van de Algemene Rekenkamer hierover dat is gepubliceerd op de wetgevingskalender.1
Er is op een aantal onderdelen gebruik gemaakt van de ruimte die de richtlijn, in vorm van expliciete lidstaatopties, biedt.2 In paragraaf ‘3.2.6. Lidstaatopties’ van de memorie van toelichting (pagina 21 e.v.) wordt dit nader toegelicht. In het algemeen is de reden om van deze lidstaatopties gebruik te maken het in stand houden van het bestaande kader. Belangrijk om op te merken is dat met het gebruik van deze lidstaatopties juist beoogd wordt nieuwe lasten zoveel mogelijk te voorkomen.
2.4 Herstelplanning en voorbereiding van afwikkeling
De leden van de CDA-fractie lezen dat kleine en niet-complexe verzekeraars in beginsel worden uitgezonderd van de verplichting tot het opstellen van een voorbereidend crisisplan (VCP). Kan de regering nader toelichten welke verzekeraars hieronder worden verstaan? Kan de regering tevens aangeven welk deel van de Nederlandse verzekeringsmarkt naar verwachting onder de VCP-verplichting zal vallen en welk deel daarvan wordt uitgezonderd? Kan daarbij tevens worden aangegeven om hoeveel verzekeraars dit naar verwachting gaat, zowel in absolute aantallen als in relatieve zin?
Kleine en niet-complexe ondernemingen zijn in beginsel uitgezonderd van de verplichting om een VCP op te stellen, tenzij DNB van oordeel is dat een individuele onderneming nationaal of regionaal een bijzonder risico vormt. Dit is niet dezelfde groep als de verzekeraars met beperkte risico-omvang. Het zijn ‘Solvency II-verzekeraars’ die op grond van de herziene richtlijn solvabiliteit II kwalificeren als klein en niet-complex.3 Met deze classificatie van deze groep wordt beoogd om de uitvoering van een herstel- en afwikkelingskader in verhouding te laten staan tot de aard, de omvang en de complexiteit van de betrokken onderneming en haar activiteiten en diensten. DNB kan in het algemeen ook besluiten dat vereenvoudigde verplichtingen gelden voor een verzekeraar ten aanzien van opstellen van een VCP.
De groep entiteiten die op basis van de implementatie een VCP moet opstellen, is naar verwachting kleiner dan op basis van de reeds bestaande regelgeving. Dit komt omdat de richtlijn vereist dat de toezichthoudende autoriteit een beoordeling maakt van de te selecteren verzekeraars, waarbij de autoriteit in ieder geval moet waarborgen dat de uitkomst van de beoordeling ertoe leidt dat de partijen gezamenlijk in ieder geval 60% van de markt – gescheiden in leven en schade – betreffen. Op basis van het huidige wettelijk kader geldt de verplichting om een VCP op te stellen voor alle ‘Solvency II-verzekeraars’ en ligt het percentage boven de 60%. Een exacte inschatting van het uiteindelijke percentage en aantal partijen na implementatie van de IRRD is nu nog niet te maken. De criteria op basis waarvan de selectie wordt gemaakt, zijn genoemd in de IRRD en worden nader uitgewerkt in technische standaarden die EIOPA opstelt. Na vaststelling van deze standaarden, kan DNB haar definitieve beoordeling doen.
2.5 Afwikkelingsinstrumentarium
In de memorie van toelichting lezen de leden van de PVV-fractie dat eventuele compensaties voor schendingen van het 'no creditor worse off'-beginsel (NCWO) ex-post via heffingen worden verhaald op de Nederlandse verzekeringssector en haar consumenten via de financieringsregeling (artikel 3A:138). Klopt het dat deze ex-post heffingen uiteindelijk door verzekeraars worden doorberekend in de premies van de Nederlandse consument? Waarom moet de hardwerkende Nederlandse burger via hogere verzekeringspremies indirect opdraaien voor de risico’s en het falen van (grensoverschrijdende) financiële instellingen, in plaats van de sector volledig zelf verantwoordelijk te houden zonder collectieve sectorale vangnetten? Kan de regering bevestigen dat, doordat de financieringsregeling (artikel 3A:138 Wft) uitgaat van het zogenaamde 'home state-perspectief', de compensaties die via ex-post heffingen op de Nederlandse verzekeringssector worden verhaald, gelden ongeacht de verblijfplaats van de gedupeerde en dus ook ten gunste komen van buitenlandse polishouders in andere EU-landen? Erkent de regering dat de Nederlandse premiebetaler hierdoor de facto direct opdraait voor de financiële problemen en de compensatie van gedupeerden in een ander EU-land?
De bestaande financieringsregeling uit de Wft, die beperkt wordt aangepast met het wetsvoorstel, is van toepassing op verzekeraars met zetel in Nederland, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, en Uniebijkantoren4 in Nederland. Het klopt dat het wetsvoorstel met betrekking tot de financieringsregeling van artikel 3A:138 Wft daarmee uitgaat van het ‘home-state-perspectief’ of ‘home-country-principle’. Dat is conform de richtlijn, dus dat geldt voor de financieringsregelingen van alle lidstaten. Met artikel 81 IRRD, dat verplichte financieringsregelingen regelt, wordt duidelijkheid gegeven over welke financieringsregeling verantwoordelijk is voor eventuele compensatie bij tekorten. Met deze verdeling wordt aangesloten bij toezicht en resolutie, waarbij het ‘home-country-principle’ eveneens geldt. Dat betekent dat DNB primair verantwoordelijk is voor toezicht en het eventueel toepassen van resolutie op entiteiten met een zetel in Nederland. Mocht de financieringsregeling worden aangewend, dan is dit alleen in een scenario dat er sprake is van de afwikkeling van een verzekeraar (of andere entiteiten genoemd in 3A:78 Wft, zoals een Uniebijkantoor) gevestigd in Nederland, en alleen voor specifieke doeleinden. Bijvoorbeeld als bij die afwikkeling schuldeisers achteraf slechter af blijken te zijn in resolutie dan in faillissement. Als het verschil tussen wat schuldeisers terug krijgen in resolutie ten opzichte van een hypothetisch faillissement negatief is, dan wordt dat verschil gecompenseerd, ook wanneer dit buitenlandse polishouders zijn met een verzekering bij de verzekeraar met DNB-vergunning. Het kan bijvoorbeeld zijn dat burgers uit andere lidstaten een verzekering hebben afgesloten bij (een bijkantoor van) een Nederlandse verzekeraar. In dat geval vallen die diensten en verzekeringen onder Nederlands toezicht en onder de Nederlandse financieringsregeling. Omgekeerd geldt dat de Nederlandse financieringsregeling niet wordt gebruikt voor compensatie indien het verzekeringsentiteiten betreft van Nederlandse verzekeringsgroepen met een zetel in een ander EU-land. In die gevallen wordt, indien nodig, de financieringsregeling van het desbetreffende EU-land aangesproken.
2.6 Technische standaarden EIOPA
De leden van de PVV-fractie lezen dat de memorie van toelichting vermeldt dat de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) verregaande bevoegdheden krijgt om rechtstreeks werkende technische standaarden te ontwikkelen op het gebied van herstelplanning, waarderingen en NCWO-methodieken.
Kan de regering uiteenzetten in hoeverre deze rechtstreeks werkende verordeningen en standaarden van EIOPA de beleidsvrijheid van de Nederlandse wetgever en de soevereiniteit van het nationale toezicht uithollen? Tevens vragen de leden van de PVV-fractie of het klopt het dat deze dwingende harmonisatie op termijn leidt tot een verdere soevereiniteitsoverdracht naar Brussel. Waarom is er niet gekozen voor een maximaal 'lossere' benadering binnen de grenzen van de richtlijn? Zo nee, waarom niet?
In de IRRD worden mandaten verstrekt aan EIOPA voor het opstellen van verschillende technische standaarden die vervolgens worden neergelegd in een rechtstreeks werkende verordening van de Europese Commissie, en voor het opstellen van (niet formeel bindende) richtsnoeren.5 Er zijn verschillende waarborgen rondom de toekenning van bevoegdheden aan EIOPA in de context van Europese harmonisatie en wetgeving. De mandaten zijn gegeven door de Europese mede-wetgevers, waaronder de lidstaten verenigd in de Raad. Het aantal en de reikwijdte van de mandaten is een onderdeel van de onderhandelingen in de Raad tijdens het Europese wetgevingsproces. De Nederlandse inzet voor de onderhandelingen over de richtlijntekst, inclusief de daarin opgenomen mandaten, wordt afgestemd met de Tweede Kamer op basis van het BNC-fiche. De mandaten die EIOPA krijgt, betreffen het opstellen van standaarden van technische aard, die geen strategische beslissingen of beleidskeuzen inhouden, en zij zijn inhoudelijk beperkt door de grondslag in de wetgeving waarop zij gebaseerd zijn. De bevoegdheid om te delegeren aan EIOPA blijft bij de lidstaten.
Het doel van dergelijke standaarden en richtsnoeren van EIOPA is om bij te dragen aan een geharmoniseerde wijze van toepassing en uitvoering van de normen uit de richtlijn. Op die manier kan het doel van de richtlijn beter bereikt worden. Met de IRRD wordt beoogd een gelijk speelveld te creëren voor verzekeraars en een gelijker niveau van polishouderbescherming binnen de EU te waarborgen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat EIOPA op grond van de IRRD in totaal negentien technische standaarden en richtsnoeren ontwikkelt. Hoe beoordeelt de regering de gevolgen van deze omvangrijke set aan nadere regelgeving voor de regeldruk voor verzekeraars? Hoe verhoudt dit zich tot het uitgangspunt van een lastenluwe implementatie en de bredere Europese inzet op vereenvoudiging van regelgeving?
Zoals ook genoemd in de memorie van toelichting6, kan het zijn dat de standaarden en richtsnoeren uitgevaardigd door EIOPA leiden tot aanvullende regeldruk bovenop de nationale implementatiewet. EIOPA moet bij het opstellen van de standaarden en richtsnoeren binnen de aan haar verstrekte mandaten opereren. Ook is bij het opstellen van de hoofdnorm in de richtlijntekst ook rekening gehouden met lastendruk. EIOPA heeft zelf ook haar inzet openbaar gemaakt om regeldruk te beperken.7 Ik vraag daarnaast in mijn contact met DNB en EIOPA doorlopend aandacht voor de regeldruk die voortvloeit uit gedelegeerde regelgeving.
§ 3. Wijze van implementatie en hoofdlijnen van het voorstel
3.2 Hoofdlijnen implementatiewetsvoorstel
De leden van de D66-fractie hechten aan een goed functionerende kapitaalmarktunie waarbij regels tussen lidstaten worden gelijkgetrokken. In hoeverre heeft de regering gebruik gemaakt van de bevoegdheid om additionele regels te implementeren boven op de minimumharmonisatie van de IRRD? Kan de regering toelichten in hoeverre Nederland hierbij afwijkt van andere Europese lidstaten en waarom, indien dit het geval is? In hoeverre kunnen deze verschillen tussen lidstaten de doelen van harmonisatie ten behoeve van de kapitaalmarkunie in de weg zitten?
Er is op een aantal onderdelen gebruik gemaakt van de ruimte die de richtlijn, in vorm van expliciete lidstaatopties, biedt. In paragraaf ‘3.2.6. Lidstaatopties’ van de memorie van toelichting (pagina 21 e.v.) wordt dit nader toegelicht. In het algemeen is de reden om van deze lidstaatopties gebruik te maken om het bestaande kader in stand te houden en aanvullende lasten te voorkomen.
Er is inderdaad sprake van een richtlijn die minimum harmonisatie biedt. Van deze minimum harmonisatie wordt gebruikt gemaakt op twee onderdelen. Een onderdeel ziet op de reikwijdte: het wetsvoorstel is van toepassing op alle verzekeraars die onder toezicht van DNB staan. Dat houdt concreet in dat onder deze reikwijdte ook verzekeraars met beperkte risico-omvang vallen. Deze verzekeraars vallen niet onder de IRRD, maar wel onder het in Nederland reeds bestaande kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars. Een tweede onderdeel ziet op een grondslag die wordt gecreëerd voor DNB om een stichting administratiekantoor afwikkeling (SAA) op te richten ten behoeve van de afwikkeling van verzekeraars (artikel 3A:121a Wft). De SAA moet de concrete toepassing van het instrument van bail-in in de praktijk mogelijk maken. De SAA kan (tijdelijk) eigendomsinstrumenten houden ten behoeve van houders van claimrechten als gevolg van bail-in. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de beantwoording van de vraag onder paragraaf 2.2 hierboven.
De verwachting is dat een meer gelijk speelveld en een vergelijkbaar niveau van polishouderbescherming bevorderlijk is voor de interne (verzekerings)markt en daarmee bijdraagt aan de doelen van de kapitaalmarktunie. In algemene zin heeft alle regelgeving die leidt tot kosten, invloed op de rol van verzekeraars als investeerder binnen de kapitaalmarktunie. Financiële middelen die door verzekeraars worden besteed aan werkzaamheden in het kader van herstel- en afwikkelingsplanning kunnen niet worden besteed aan investeringen. De financiële gevolgen voor verzekeraars zijn naar verwachting echter beperkt ten opzichte van het huidige nationale kader. Er zullen naar verwachting vooral aanvullende kosten worden gemaakt omdat de frequentie van de verplichte actualisatie van VCPs toeneemt en DNB mogelijk andere informatie uitvraagt ten behoeve van haar afwikkelingsplanning, afhankelijk van de standaarden die EIOPA ontwikkelt daarvoor.
Het wetsvoorstel introduceert een grondslag voor DNB om een stichting op te richten voor de praktische toepassing van het bail-in-instrument. Kan de regering toelichten waarom voor deze vormgeving is gekozen en welke alternatieven zijn overwogen? Hoe wordt de governance en onafhankelijkheid van deze stichting geborgd? Kan de regering toelichten in hoeverre de keuze voor een stichting in lijn is met hoe andere lidstaten het bail-in-instrument uitvoeren?
De richtlijn schrijft niet voor hoe het afwikkelingsinstrument van bail-in volledig civielrechtelijk in iedere lidstaat dient te worden ingebed en uitgewerkt. Met de keuze voor de stichting administratiekantoor afwikkeling (SAA) is aangesloten bij de reeds gemaakte keuzes op het terrein van afwikkeling van banken.
Als gevolg van toepassing van het bail-in instrument (afschrijvings- of omzettingsinstrument) kan DNB beslissen dat de SAA (tijdelijk) eigendomsinstrumenten gaat houden ten behoeve van houders van claimrechten als gevolg van bail-in. Op het moment dat de definitieve waardering is afgerond en de conversiekoers door DNB bepaald is, zullen de claimrechten worden omgewisseld in de aandelen of certificaten en zoveel mogelijk worden toegekend aan de rechthebbenden. Op deze manier worden deze eigendomsinstrumenten op afstand gezet: zij staan niet op de balans van de afwikkelingsautoriteit en centrale bank, maar worden gehouden door een separate stichting. Tegelijkertijd wordt ook geregeld dat DNB instructies aan deze stichting kan geven ten aanzien van haar taakuitoefening. De SAA heeft immers geen verdere eigen rol in de afwikkelingsstrategie dan het beheren van de genoemde instrumenten en bij te dragen aan de uitvoering van besluiten tot bail-in van DNB. Dit wordt verder uitgewerkt met het implementatiebesluit in het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft.
DNB heeft verschillende bevoegdheden ten aanzien van de governance van deze stichting. Volledigheidshalve wordt verwezen naar het advies van de Algemene Rekenkamer hierover dat is gepubliceerd op de wetgevingskalender.8 Toezicht op de SAA loopt via de band van de toezichtverhouding die de minister van Financiën en de Algemene Rekenkamer hebben tot DNB als zelfstandig bestuursorgaan.
Onder de richtlijn kan een verzekeraar met toestemming van DNB afzien van het opstellen van een afwikkelingsplan, zo constateren deze leden. Kan de regering aangeven hoe DNB dit beoordeelt en of hierdoor (potentieel systeemrelevante) verzekeraars buiten de reikwijdte van een afwikkelingsplan kunnen vallen? De leden van de D66-fractie vragen welke waarborgen er bestaan om te voorkomen dat dit ten koste gaat van de financiële stabiliteit.
Op grond van de richtlijn (en de Wft) beoordeelt en bepaalt de afwikkelingsautoriteit (DNB) voor welke verzekeringsondernemingen zij zelf een afwikkelingsplan opstelt. De verplichting tot het opstellen van een afwikkelingsplan en het doen van afwikkelingsplanning is gericht aan de afwikkelingsautoriteit. De groep ondernemingen waarvoor DNB afwikkelingsplannen opstelt, selecteert zij op basis van (i) de waarschijnlijkheid dat de toepassing van een afwikkelingsmaatregel in het algemeen belang zou zijn, in geval van falen van de betreffende onderneming, en (ii) of de ondernemingen een kritieke functie vervullen. De afwikkelingsautoriteit houdt hierbij rekening met de noodzaak om afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en met de omvang, het bedrijfsmodel, het risicoprofiel, de verwevenheid, de vervangbaarheid en met name de grensoverschrijdende activiteiten van de betreffende verzekeringsonderneming. De instandhouding van de financiële stabiliteit is één van de vier afwikkeldoelstellingen in de IRRD (zie art 18, tweede lid, onderdeel b). DNB dient de mogelijke gevolgen van het eventuele falen van verzekeraars op de financiële stabiliteit dus te beoordelen bij het bepalen van de vraag voor welke verzekeraars een afwikkelingsplan opgesteld moet worden.
3.2.3 Aanpassing van de afwikkelingsdoelstellingen en algemeen-belangtoets
De leden van de CDA-fractie lezen dat met het voorliggende wetsvoorstel de bescherming van de collectieve belangen van polishouders een zelfstandige afwikkelingsdoelstelling wordt. De regering merkt daarbij op dat hiermee geen inhoudelijke koerswijziging wordt beoogd. Kan de regering aangeven in welke opzichten de beoordeling door DNB in de praktijk anders zal zijn dan onder het huidige wettelijke kader?
Onder het huidige wettelijke kader is één van de vier afwikkelingsdoelstellingen de ‘bescherming van de belangen van gerechtigden op vorderingen krachtens directe verzekering’. Deze doelstelling is geen zelfstandige afwikkelingsdoelstelling. Dit houdt in dat het alleen in combinatie met een andere afwikkelingsdoelstelling, zoals “het voorkomen van significante nadelige gevolgen voor de financiële markten”, grond kan zijn om aan de afwikkelingsvoorwaarde van ‘algemeen belang’ te kunnen voldoen. Als gevolg van de IRRD wordt de wet op dit punt aangepast, waardoor de ‘bescherming van de collectieve belangen van verzekeringnemers, begunstigden en indieners van vorderingen’ (zie artikel 18, tweede lid, onderdeel a, IRRD) op zichzelf al voldoende grond is om te concluderen dat afwikkeling in het algemeen belang is. De IRRD schrijft voor dat alle afwikkelingsdoelstellingen even relevant zijn, en dat het gewicht dat de afwikkelingsautoriteiten eraan toekennen, recht moet doen aan de aard en de omstandigheden van elke zaak.
In theorie kan DNB na implementatie van de IRRD sneller tot het oordeel komen dat afwikkeling in het algemeen belang is, omdat alle vier de afwikkelingsdoelstellingen individueel tot dat oordeel kunnen leiden (in plaats van gecombineerd). De keuze voor afwikkeling moet echter nog steeds noodzakelijk en evenredig zijn in het licht van de afwikkelingsdoelstellingen. De toetsing in een concrete casus is en blijft aan DNB. Op voorhand is niet te zeggen of de wijzigingen in het wettelijk kader in een concrete casus tot een ander oordeel van DNB zullen leiden.
De leden van de CDA-fractie constateren dat EIOPA in haar richtsnoeren voor de identificatie van kritieke functies een brede benadering hanteert, waarbij naast verzekerings- en herverzekeringsfuncties ook niet-verzekeringsfuncties en verzekeringsgerelateerde functies bij de beoordeling kunnen worden betrokken1. Hoe verhoudt deze benadering zich tot de uitleg van het begrip kritieke functies in de memorie van toelichting? Kan de regering aangeven of de EIOPA-richtsnoeren ertoe kunnen leiden dat in de praktijk meer activiteiten van verzekeraars als kritieke functie worden aangemerkt dan op basis van de memorie van toelichting kan worden verwacht? Welke gevolgen kan dit hebben voor de administratieve lasten voor verzekeraars?
Onder de IRRD is een van de afwikkelingsdoelstellingen het waarborgen van de continuïteit van kritieke functies. Deze doelstelling als zodanig bestaat nog niet in de Wft en wordt met de implementatie van de IRRD toegevoegd. Voor de definitie van kritieke functies wordt in het wetsvoorstel aangesloten bij de definitie in de IRRD. In de memorie van toelichting9 is tevens de verwachting uitgesproken dat dit begrip niet te breed wordt uitgelegd door DNB, namelijk dat de focus zou moeten liggen op typische verzekeringsactiviteiten, met bijzondere aandacht voor het belang van de continuïteit van verzekeringsdekking. EIOPA heeft een mandaat gekregen om richtsnoeren op te stellen waarin criteria worden opgenomen die de autoriteiten kunnen gebruiken bij de identificatie van kritieke functies. Deze richtsnoeren zijn niet bindend, maar een hulpmiddel voor consistente toepassing van begrippen door de verschillende autoriteiten van alle lidstaten. Het is aan DNB om, indachtig de oproep in de memorie van toelichting, te wegen hoe zij de criteria van EIOPA kan toepassen in haar werk.
3.2.6 Lidstaatopties
De leden van de VVD-fractie lezen dat per lidstaatoptie inzichtelijk is gemaakt of daarvan gebruik wordt gemaakt en dat het Adviescollege Toetsing Regeldruk de gemaakte keuzes als lastenluw beoordeelt. Deze leden vragen de regering of bij deze afwegingen tevens is gekeken naar de wijze waarop andere grote Europese lidstaten dezelfde keuzemogelijkheden invullen. Daarnaast vernemen deze leden graag of de regering risico’s of juist kansen ziet voor Nederlandse verzekeraars door de gekozen implementatie.
Nederland heeft al een wettelijk kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekeraars. Bij de implementatie is met name geprobeerd aan te sluiten bij dit reeds bestaande kader om de wijzigingen voor verzekeraars in Nederland zo beperkt mogelijk te maken. Nederland heeft zich in Brussel, en DNB bij EIOPA, ingezet om het Europese kader zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij het Nederlandse kader. Dit heeft als gevolg dat de Nederlandse verzekeringssector voorloopt op sectoren in andere lidstaten en de praktische implicaties van de IRRD relatief beperkt zijn. De komst van deze richtlijn en de implementatie zorgen voor een gelijk speelveld binnen de Europese Unie voor de Nederlandse verzekeringssector. Sectoren en toezichthoudende- afwikkelingsautoriteiten in de rest van de Europese Unie moeten veelal nog beginnen aan de praktische implementatie waardoor de uitwerking in andere lidstaten niet altijd duidelijk is.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de regering er conform het bestaande recht bewust voor heeft gekozen om de inzet van resolutiemaatregelen niet vooraf ex-ante door de rechter te laten toetsen, omwille van de "snelheid van handelen". Waarom weegt de operationele snelheid van DNB zwaarder dan het cruciale rechtsstatelijke principe van voorafgaande, onafhankelijke controle door een rechter?
Onafhankelijke controle door een rechter wordt geborgd middels toetsing achteraf. Het uitgangspunt van de richtlijn en van het bestaande Nederlandse kader is dat de rechter achteraf de besluiten van de resolutieautoriteit kan toetsen, indien deze worden aangevochten. Ex-ante toetsing van een rechter vergt gebruikmaking van een lidstaatoptie. Hoewel bij verzekeraars geen bank run kan optreden, waardoor acute liquiditeitsproblemen bij de onderneming ontstaan, is het desalniettemin van belang dat de resolutieautoriteit daadkrachtig en snel kan opereren en kan ingrijpen om de gevolgen van het omvallen van een verzekeraar voor de stabiliteit van het financiële stelsel zoveel als mogelijk te beperken. Daadkrachtig en snel opereren creëert duidelijkheid voor polishouders en bewaakt ook het vertrouwen in de markt. Naast rechtsmiddelen die open staan tegen alle besluiten van DNB, vormen ook de wettelijke criteria die DNB in acht moet nemen alvorens te kunnen overgaan tot afwikkeling, een waarborg.
§ 4. Verhouding tot hoger Europees recht
Kan de regering aan de leden van de D66-fractie aangeven in hoeverre het afwikkelingsregime voor verzekeraars na implementatie vergelijkbaar is met dat voor banken (BRRD/CMDI) en of er vanuit de Europese Commissie of DNB signalen zijn dat verdere harmonisatie of zelfs een Europese afwikkelingsautoriteit voor verzekeraars wenselijk wordt geacht? De leden van de D66-fractie vragen of de regering de ambitie deelt om, net als bij de bankenunie, ook op het terrein van verzekeraarsafwikkeling naar meer Europese eenvormigheid toe te werken.
Een vergelijkbaar onderdeel met de bankenunie is de discussie over een garantiestelsel, zo constateren deze leden. Een verzekeringsgarantiestelsel (Insurance Guarantee Scheme, IGS) kan polishouders bescherming bieden wanneer de verzekeraar in de problemen raakt. Kan de regering toelichten of een nationaal verzekeringsgarantiestelsel is overwogen? Zo niet, is de regering voornemens om Brussel te pleiten voor een Europees stelsel?
De IRRD is op veel onderdelen consistent met de artikelen uit de geconsolideerde versie van de BRRD. Dat is met name het geval waar het gaat om algemene bevoegdheden van de nationale resolutieautoriteit, waarborgen en instrumenten die op beide type ondernemingen van toepassing zijn (zoals de overbruggingsinstelling en de entiteit voor beheer van activa en passiva). Dit wordt vervolgens ook gereflecteerd in de Nederlandse wetgeving die daarvan een implementatie is. Door de verschillen in de bedrijfsmodellen van banken en verzekeraars, zijn de kaders echter niet volledig gelijk.
Een belangrijk verschil tussen banken en verzekeraars is dat er bij banken een zogenaamde bank run kan optreden, waarbij depositohouders in korte tijd al hun (spaar)geld willen opnemen of verplaatsen naar een andere aanbieder, waardoor de bank acute liquiditeitsproblemen kan krijgen. Bij verzekeraars kan een dergelijke run niet optreden, omdat er geen sprake is van deposito’s en de contracten vaak niet direct kunnen worden geliquideerd. Het depositogarantiefonds heeft een rol in het tegengaan van bank runs en heeft een stabiliserende werking bij onrust in de markt. Een dergelijke functie zou een verzekeringsgarantiestelsel niet hebben; daarbij gaat het eerder om polishouder bescherming bij tekorten achteraf.
Enkele jaren geleden heeft mijn ambtsvoorganger een onderzoek laten uitvoeren naar de wenselijkheid en betaalbaarheid van een nationaal verzekeringsgarantiestelsel. De conclusies naar aanleiding van het onderzoek waren dat een verzekeringsgarantiestelsel waarschijnlijk kostbaar en complex zou zijn voor de Nederlandse markt en dat de toegevoegde waarde van een verzekeringsgarantiestelsel beter in de context van Europese minimumharmonisatie zou kunnen worden overwogen. De minimumharmonisatie van verzekeringsgarantiestelsels is uiteindelijk geen onderdeel geworden van de IRRD. De IRRD bevat een opdracht aan de Europese Commissie om voor 29 januari 2027, na EIOPA te hebben geraadpleegd, een rapport te presenteren waarin de noodzaak en minimumcondities van een geharmoniseerd kader voor verzekeringsgarantiestelsels worden besproken. In afwachting van dit onderzoek en in het licht van de conclusies van het eerdere nationale onderzoek, is ervoor gekozen om nog geen verzekeringsgarantiestelsel te introduceren met dit wetsvoorstel.
Voordat beoordeeld kan worden of verdere harmonisatie van een verzekeringsgarantiestelsel zinvol is, dient de richtlijn eerst te zijn geïmplementeerd door de lidstaten. Artikel 99 IRRD bevat een evaluatiebepaling. Op basis daarvan moet de Europese Commissie uiterlijk 29 januari 2030, na EIOPA te hebben geraadpleegd, een evaluatierapport indienen bij de Raad en het Europees Parlement. Onderdeel van die evaluatie moet zijn of verdere harmonisatie van toegevoegde waarde is. De Europese Commissie kan dan met een wetsvoorstel komen indien zij dat nodig acht, ik wacht dit evaluatierapport af.
4.2 Herstelplanning en voorbereiding van afwikkeling
De leden van de PVV-fractie lezen dat de regering stelt dat kleine en niet-complexe ondernemingen in beginsel zijn vrijgesteld van de verplichting tot het opstellen van een Voorbereidend Crisisplan (VCP). Tegelijkertijd behoudt DNB echter de discretionaire bevoegdheid om deze kleine partijen tóch aan de VCP-verplichtingen te onderwerpen als DNB meent dat zij een "bijzonder risico op nationaal of regionaal niveau" vormen. Bovendien stijgt de frequentie voor de reguliere evaluatie van het VCP van drie naar twee jaar. Kan de regering uitsluiten dat kleine, oer-Nederlandse, regionale (onderlinge) verzekeraars die geen enkel systeemrisico vormen, door DNB alsnog worden verstikt onder de administratieve lasten en kosten van deze Brusselse herstelplanning? Welke concrete waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat DNB haar uitzonderingsbevoegdheid om VCP's op te leggen aan kleine verzekeraars te ruim en bureaucratisch gaat toepassen?
Verzekeraars met een beperkte risico-omvang zijn type verzekeraars die niet onder de reikwijdte van de richtlijn solvabiliteit II vallen. Dit type verzekeraar is uitgesloten van de verplichting tot het opstellen van een VCP. Daarnaast zijn er nog kleine en niet-complexe ondernemingen. Dit is een categorie verzekeraars die wel onder de richtlijn solvabiliteit II valt. Deze categorie is in beginsel ook uitgesloten van de verplichting tot het opstellen van een VCP. Het kan zijn dat een verzekeraar in deze categorie toch aan deze verplichting wordt onderworpen. Het is aan DNB om te beoordelen of een kleine en niet-complexe onderneming toch een VCP moet opstellen, dit doet zij op basis van de in de IRRD genoemde criteria. Tegelijkertijd kan DNB ook bepalen dat een verzekeraar waarvoor de verplichting om een VCP op te stellen geldt, deze verplichting op vereenvoudigde wijze mag toepassen.
Onder het bestaande wettelijk kader geldt de verplichting voor het opstellen van een VCP ook voor kleine en niet-complexe verzekeraars. Onder het nieuwe kader is het uitgangspunt dat deze kleine en niet-complexe verzekeraars niet meer aan deze verplichting zijn onderworpen. Zoals ook hierboven aangegeven onder paragraaf 2.4, is de verwachting dat daardoor het aantal verzekeraars dat onder de VCP-plicht valt, zal afnemen en dus sprake zal zijn van lastenvermindering ten opzichte van het huidige kader.
§ 6. Gevolgen
6.2.1 Innovatie-effecten
De leden van de VVD-fractie merken op dat de regering verwacht dat de richtlijn zal bijdragen aan een gelijker speelveld binnen Europa, mede omdat Nederland reeds over een nationaal kader beschikte. Deze leden vragen op welke wijze wordt gevolgd of dit beoogde gelijke speelveld in de praktijk daadwerkelijk ontstaat, juist gezien de beleidsruimte die de richtlijn aan lidstaten laat.
Artikel 99 IRRD bevat een evaluatiebepaling. Op basis daarvan moet de Europese Commissie uiterlijk 29 januari 2030, na EIOPA te hebben geraadpleegd, een evaluatierapport indienen bij de Raad en het Europees Parlement. In dat rapport moet onder meer aan de orde komen of en in welke mate de doelstellingen van deze richtlijn zijn verwezenlijkt wat betreft de werking van de interne markt en de versterking van het financiële stelsel in de EU. Daarnaast bevat artikel 4 IRRD bijvoorbeeld een verplichting voor de nationale toezichthoudende autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten om onder meer aan EIOPA te rapporteren hoeveel verzekeraars onderworpen zijn aan herstel- en afwikkelingsplanning en hoeveel verzekeraars gebruik kunnen maken van vereenvoudigde verplichtingen. EIOPA zal informatie daarover en over de eventuele verschillen in toepassing van de vereenvoudigde verplichtingen in de verschillende lidstaten jaarlijks openbaar maken.
§ 7. Uitvoering
De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre de kosten van het afwikkelingsinstrumentarium worden geborgd door de sector zelf.
De kosten voor het beoordelen van herstelplannen door de toezichthouder en de kosten voor afwikkelingsplanning door DNB als afwikkelingsautoriteit, worden omgeslagen over de relevante verzekeraars via de systematiek van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 en gedelegeerde regelgeving daarbij. De aanvullende taken voor DNB zien vooral op grensoverschrijdende samenwerking. DNB heeft in haar uitvoeringstoets aangegeven dat haar kostenkader 2025–2028 reeds voorziet in de toename van de uitvoeringslasten als gevolg van de IRRD.
In een specifieke resolutiecasus, kan DNB de kosten die voor de toepassing van een afwikkelingsmaatregel worden gemaakt, verhalen op de posten genoemd in artikel 3A:133 Wft. De kosten kunnen – kort gezegd – worden verhaald op de entiteit in afwikkeling, worden ingehouden op vergoedingen aan afgeschreven aandeelhouders en bepaalde andere schuldeisers, of worden verhaald op de opbrengsten uit toepassing van de SRO-tool of liquidatie van een overbruggingsentiteit of beheervehikel. Bij een tekort kan daarnaast, ter dekking van specifieke kosten, een beroep worden gedaan op de financieringsregeling van artikel 3A:138 Wft, wat inhoudt dat verzekeraars buitengewone bijdragen moeten betalen om die kosten te dekken. Uitgangspunt is dat de overheid niet meebetaalt aan een resolutiecasus.
§ 10. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de CDA-fractie lezen dat de IRRD uiterlijk op 29 januari 2027 moet zijn geïmplementeerd. Heeft de regering zicht op de voortgang van de implementatie in andere lidstaten en op eventuele verschillen in de wijze van implementatie? Verwacht de regering dat deze verschillen of eventuele vertragingen gevolgen kunnen hebben voor het gelijke speelveld voor Nederlandse verzekeraars?
Nederland was één van de weinige lidstaten die al een regelgevend kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars had voor de komst van de IRRD. Daardoor hebben veel andere lidstaten meer beleidsafwegingen moeten maken en voorbereidingen moeten treffen om de IRRD te implementeren, zoals het aanwijzen en inrichten van een nationale resolutie-autoriteit. Ik heb geen zicht op welk percentage van lidstaten naar verwachting de implementatiedeadline niet haalt. De implementatiedeadline is een wettelijke verplichting voor lidstaten. Eventuele overschrijding door verschillende lidstaten zorgt ervoor dat er later dan gepland een gelijk speelveld is gerealiseerd. De Europese Commissie handhaaft daarom op overschrijding van de termijnen. Het tempo waarin andere lidstaten hun implementatiewetgeving gereed hebben, is geen factor die wordt meegewogen in het implementatieproces. Voor de komst van de IRRD was er geen gelijk speelveld voor de Nederlandse verzekeraars die in Europa grensoverschrijdend opereren. Implementatie van de IRRD in Europa zal daaraan bijdragen.
Artikelsgewijs
ARTIKEL I (Wet op het financieel toezicht)
L (3A:79a)
In het nieuw voorgestelde artikel 3A:79a, tweede lid, wordt expliciet vastgelegd dat tegen een besluit van een afwikkelingsautoriteit uit een andere lidstaat (dat betrekking heeft op activa of passiva in Nederland) niet in Nederland in rechte kan worden opgekomen, zo lezen de leden van de PVV-fractie.
Deze leden vragen hoe de uitsluiting van de Nederlandse rechter zich verhoudt tot de rechtsbescherming en het fundamentele recht op effectieve voorziening in rechte (artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten) van Nederlandse polishouders en schuldeisers? Kan de regering rechtvaardigen waarom Nederlandse burgers gedwongen moeten accepteren dat buitenlandse autoriteiten ingrijpen in hun contracten of eigendommen op Nederlands grondgebied, zonder dat zij hiertegen bescherming kunnen zoeken bij hun eigen nationale rechter?
Het uitgangspunt van deze regeling is dat het Nederlandse recht geen grond biedt voor de aantasting van een maatregel die door een buitenlandse afwikkelingsautoriteit is genomen. De hoofdregel is dat belanghebbenden in de lidstaat waar de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsmaatregel heeft genomen, deze maatregel kunnen aanvechten. Doordat sprake is van een geharmoniseerd kader in de EU, gelden vergelijkbare criteria voor besluiten van afwikkelingsautoriteiten en moet ook tegen al deze besluiten rechtsmiddelen open staan waarmee rechten en belangen van polishouders worden gewaarborgd.
De voornoemde regel uit artikel 3A:79a Wft gaat over bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen een besluit van een afwikkelingsautoriteit. Het artikel staat er niet aan in de weg dat een belanghebbende bij de Nederlandse civiele rechter kan proberen om schade te verhalen die hij in Nederland heeft geleden als gevolg van dat besluit.10
SS (3A:120)
De wet verleent DNB verstrekkende en ingrijpende bevoegdheden, waaronder het eigenhandig aanstellen en ontslaan van bijzonder bestuurders en het overnemen van de volledige zeggenschap over een verzekeraar, het omzetten van de rechtsvorm van een entiteit en het toepassen van de 'bail-in'-tool waarbij vorderingen van polishouders en schuldeisers kunnen worden geconverteerd of afgeschreven, zo lezen de leden van de PVV-fractie. Hoe beoordeelt de regering deze enorme machtsconcentratie? Hoe garandeert de regering dat het fundamentele recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten) hiermee niet op onevenredige en onrechtmatige wijze wordt aangetast?
De mogelijkheid voor DNB om een bijzondere bestuurder aan te wijzen bij een entiteit in afwikkeling of om de zeggenschap van de entiteit in afwikkeling over te nemen is een reeds bestaande bevoegdheid. Met deze implementatie wordt toegevoegd dat het er ook meerdere bijzondere bestuurders kunnen worden aangesteld. Het klopt dat overname van zeggenschap en het benoemen van bijzondere bestuurders ingrijpende bevoegdheden zijn. Dit gebeurt echter in een situatie waarbij de verzekeraar al in afwikkeling is genomen om de gevolgen van een falende verzekeraar op de financiële stabiliteit zoveel als mogelijk te beperken. Gegeven de ingrijpende aard van deze bevoegdheden, wordt expliciet geregeld dat tegen besluiten van een bijzondere bestuurder administratief beroep bij DNB kan worden ingesteld.
Een belangrijke overkoepelende waarborg bij het optreden van de afwikkelingsautoriteit is het ‘no creditor worse off’-principe (NCWO), dat inhoudt dat houders van eigendomsinstrumenten en schuldeisers (ook polishouders) niet slechter af mogen zijn in resolutie dan in faillissement, een scenario waarin er geen sprake is van ingrijpen door DNB. Dit houdt in dat bij de beoordeling van DNB ten aanzien van de te nemen maatregelen zij dit principe zoveel mogelijk in acht moet nemen. Indien achteraf blijkt dat de houders van eigendomsinstrumenten of schuldeisers in faillissement minder verliezen hadden geleden, kan aanspraak worden gemaakt op de financieringsregeling.
VV (3A:122a)
Op grond van het voorgestelde artikel 3A:122a krijgt DNB de bevoegdheid om terugbetalingsrechten van verzekeringnemers onder een levensverzekeringsovereenkomst (waaronder pensioenpolissen en oudedagsvoorzieningen vallen) tijdelijk te beperken of op te schorten, zo lezen de leden van de PVV-fractie Kan de regering garanderen dat Nederlandse gepensioneerden en spaarders niet de dupe worden van het falen van een verzekeraar doordat zij in de praktijk (tijdelijk) niet bij hun opgebouwde pensioengeld kunnen? Wat is de absolute maximale termijn van een dergelijke opschorting van rechten, en hoe wordt voorkomen dat burgers hierdoor in acute betalingsproblemen geraken?
Levensverzekeringen waarbij een waarde wordt opgebouwd, geven de polishouder vaak het recht om de polis voortijdig op te zeggen in ruil voor voldoening van de afkoopwaarde door de verzekeraar aan de polishouder. Polishouders die niet reeds vóór het moment dat de betreffende verzekeraar in resolutie gaat, hun afkooprecht hebben uitgeoefend, kunnen op grond van het voorgestelde artikel 3A:122a Wft tijdelijk worden beperkt in hun mogelijkheid dit alsnog te doen tijdens resolutie. Uitoefening van de bevoegdheid tot opschorting kan tot gevolg hebben dat polishouders tijdelijk niet bij de onder hun polis opgebouwde waarde kunnen. Het wetsvoorstel koppelt geen termijn aan de opschortingsmogelijkheid. De gedachte achter de opschortingsmogelijkheid is dat (i) de afwikkelingsautoriteit voldoende tijd moet krijgen om de onderneming in afwikkeling te waarderen en te beoordelen welke afwikkelingsinstrumenten moeten worden toegepast, en (ii) polishouders gelijk worden behandeld en zo mogelijke negatieve financiële gevolgen voor polishouders die hun verzekering niet als eersten lieten afkopen, worden voorkomen.
DNB dient bij het toepassen van afwikkelingsmaatregelen, waaronder de bovengenoemde bevoegdheid, telkens de vergelijking te maken met een faillissementsscenario om het “no creditor worse off”-principe zoveel mogelijk te borgen. Indien verzekerden achteraf slechter af blijken te zijn doordat afwikkeling heeft plaatsgevonden, vergeleken met wat zij ontvangen zouden hebben in een hypothetisch faillissement, dan hebben zij recht op compensatie van het verschil (zie artikelen 3A:91 en 3A:138 Wft, zoals aangepast met dit wetsvoorstel).11
Het afwikkelingsraamwerk, ten opzichte van het faillissementsraamwerk, is er in algemene zin juist op gericht om het risico te beperken dat polishouders geen toegang hebben tot de door hen opgebouwde polissen.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
https://wetgevingskalender.overheid.nl/regeling/WGK027580/documenten/Tweede%20Kamer/Voorbereidende%20documenten%20gepubliceerd/1↩︎
Van een zogenaamde ‘nationale kop’ is geen sprake in geval van een lidstaatoptie, omdat nationale wet- en regelgeving binnen de ruimte blijft die de Europese richtlijn biedt.↩︎
Zie Richtlijn (EU) nr. 2025/2.↩︎
Een Uniebijkantoor is een bijkantoor dat gevestigd is in een lidstaat van een verzekeraar uit een land dat geen Europese lidstaat is.↩︎
Zie voor details ook de Verordening (EU) nr. 1094/2010 inzake de oprichting van EIOPA.↩︎
Zie met name p. 33.↩︎
Zie par. 3.1 van de EIOPA Strategy towards 2030 (https://www.eiopa.europa.eu/document/download/1891eeae-42f8-4720-823d-4f6fd4eaad6c_en?filename=EIOPA-Strategy-Towards-2030.pdf).↩︎
https://wetgevingskalender.overheid.nl/regeling/WGK027580/documenten/Tweede%20Kamer/Voorbereidende%20documenten%20gepubliceerd/1↩︎
Zie onder andere p. 11 e.v. en p. 34.↩︎
Zie ook overweging 72 van de preambule van de richtlijn en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:79a in de memorie van toelichting (p. 34).↩︎
Van een schending van het “no creditor worse off”-principe zal bij de tijdelijke opschorting van afkooprechten in resolutie overigens niet snel sprake zijn. Uitgangspunt in faillissement is immers dat polishouders die pas na datum faillietverklaring hun afkooprecht uitoefenen, niet in aanmerking komen voor tussentijdse uitkering en dus in beginsel pas na langere tijd de afkoopsom (gedeeltelijk) uitgekeerd krijgen, voor zover daarvoor middelen zijn in het faillissement.↩︎