Verslag
Wijziging van de Mediawet 2008 houdende aanpassing van de rijksmediabijdrage
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D47186, datum: 2026-09-29, bijgewerkt: 2026-09-29 16:53, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S. Hamstra, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (CDA)
- Mede ondertekenaar: C.H. Bosnjakovic, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36995 -5 Wijziging van de Mediawet 2008 houdende aanpassing van de rijksmediabijdrage.
Onderdeel van zaak 2026Z16129:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-09-29 12:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-09-10 10:15 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op dinsdag 29 september 2026 om 12.00 uur. (Besluit)
- 2026-09-01 15:10 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-09-01 15:10 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Besluit)
- 2026-09-01 15:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-10 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-09-29 12:00: Wijziging van de Mediawet 2008 houdende aanpassing van de rijksmediabijdrage (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
36 995 Wijziging van de Mediawet 2008 houdende aanpassing van de rijksmediabijdrage
Nr. 5 Verslag
Vastgesteld 29 september 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.
Inhoudsopgave
I. Algemeen
1. Gevolgen voor stakeholders
1.1. Overige media-instellingen
2. Financiële gevolgen
3. Consultatie en toetsen
3.1. Overige onderwerpen
3.2. Uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets door Commissariaat
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Wijziging van de Mediawet 2008 houdende aanpassing van de rijksmediabijdrage. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben geen vragen over de Wijziging van de Mediawet 2008 houdende aanpassing van de rijksmediabijdrage.
De leden van de PRO-fractie hebben met enige zorg kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. In het Hoofdlijnenakkoord 2024-2028 van de toenmalige coalitiepartijen PVV, VVD, NSC en BBB was besloten om de rijksmediabijdrage voor de landelijke publieke omroep met ingang van 2027 met € 100 miljoen structureel te verlagen.1 Het onderhavige wetsvoorstel stelt nu de minimale omvang van de rijksmediabijdrage in de Mediawet 2008 naar beneden bij in verband met de verschillende bezuinigingen van de afgelopen periode. Na het deels terugdraaien van de bezuinigingen op de rijksmediabijdrage met € 45,0 miljoen resteert voor de landelijke publieke omroep nog altijd een bezuiniging van € 111,7 miljoen vanaf 2027. Bij een besparing van die omvang is het onvermijdelijk dat ook op de programmering wordt bezuinigd, zo wist de regering onlangs te melden.2 Van de € 111,7 miljoen wordt voor € 74,0 miljoen bespaard op het mediabudget. Op de kosten bij de NPO organisatie wordt € 17,1 miljoen bespaard, op het budget voor de organisatiekosten bij de omroepen € 15,6 miljoen. Tot slot wordt € 5,0 miljoen opgevangen met hogere eigen inkomsten. Deze leden vragen of zij het goed begrijpen dat de landelijke publieke omroep nog altijd € 36,3 miljoen moet bezuinigen op de programmering. Hoeveel programma’s en/of zendtijd moet de landelijke publieke omroep vanwege deze bezuiniging laten vervallen?
De leden van de PRO-fractie merken op dat, behalve het onderhavige wetsvoorstel, sinds september 2026 ook het wetsvoorstel over de hervorming van de landelijke omroep ter internetconsulatie ligt. In de huidige Mediawet 2008 (artikel 2.25) zijn ledenomroepen verplicht om te voldoen aan een minimaal aantal leden om een omroepvergunning te behouden. In de nieuwe wet wordt het ledencriterium als enige en verplichte criterium losgelaten. Deze leden zouden willen voorkomen dat vooral kleine ledenomroepen die moeten voldoen aan een verplichte ondergrens van 50.000 leden worden gedwongen om de komende tijd nog kostbare ledenwerfcampagnes en zendtijd in te zetten, terwijl deze verplichte ledeneis met het nieuwe stelsel al in 2029 komt te vervallen. De leden wensen dat alle ledenomroepen zich focussen op het maken van goede programma’s en zouden willen voorkomen dat deze ledenomroepen worden gedwongen om de schaarse middelen nog in te zetten voor marketing. De leden willen zo teweeg brengen dat alle omroepverenigingen zich in de jaren 2027 en 2028 meer gaan richten op hun kerntaken en de publieke mediaopdracht (artikel 2.1 Mediawet 2008) voor de nieuwe concessieperiode (zonder verplicht ledencriterium) in 2029 van start gaat. Genoemde leden hebben samen met andere partijen het voornemen om het onderhavige wetsvoorstel aan te grijpen om het punt van de ondergrens van het aantal leden te amenderen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Mediawet 2008 houdende aanpassing van de rijksmediabijdrage.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de Raad van State vindt dat er een deugdelijke onderbouwing ontbreekt die aantoont dat de continuïteit van een goed en gevarieerd publiek media-aanbod gewaarborgd wordt. Kan de regering nader onderbouwen waarom de bekostiging, na de voorgestelde verlaging, nog steeds toereikend is voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht? Welke concrete gevolgen verwacht de regering voor de pluriformiteit, toegankelijkheid en onafhankelijkheid van het publieke media-aanbod? Op welke wijze is bij deze verlaging rekening gehouden met het belang van onafhankelijke journalistiek in tijden van mis- en desinformatie?
De leden van de BBB-fractie onderschrijven het belang van een sterke publieke omroep als pijler onder de democratische rechtsstaat. Een publieke omroep moet zorgen voor betrouwbare journalistiek, pluriformiteit, onafhankelijke nieuwsvoorziening en programma's met publieke waarde voor alle Nederlanders. Tegelijkertijd vinden deze leden dat publiek geld doelmatig moet worden besteed. Daarom kijken de leden kritisch naar de omvang van bestuur, management en overhead binnen het publieke bestel en moeten beschikbare middelen zo veel mogelijk terecht komen bij journalistiek, programmamakers en regionale nieuwsvoorziening. De genoemde leden hechten eraan dat de publieke omroep zichtbaar en herkenbaar blijft voor Nederlanders in alle regio's van het land, en niet uitsluitend vanuit een Hilversums perspectief opereert. Tegen die achtergrond hebben zij nog enkele vragen over de voorgestelde Wijziging van de Mediawet 2008 en de verlaging van de rijksmediabijdrage.
Ten eerste vragen de leden van de BBB-fractie of de regering kan aangeven welk deel van de structurele besparing van € 113,9 miljoen naar verwachting wordt gerealiseerd door vermindering van overhead, management en ondersteunende functies, en welk deel direct neerslaat bij journalistiek en programmering. Ten tweede vragen deze leden op welke wijze wordt gemonitord dat de bezuinigingen daadwerkelijk leiden tot een efficiëntere organisatie en niet vooral ten koste gaan van programmamakers en redacties. Ten derde vragen de leden welke maatregelen de regering neemt om ervoor te zorgen dat de huidige bezuinigingen zoveel mogelijk aansluiten bij de toekomstige inrichting van het bestel. Ten vierde vragen zij welke gevolgen de regering specifiek voor regionale publieke omroepen als gevolg van de voorgestelde verlaging van de rijksmediabijdrage verwacht. Ten vijfde vragen de genoemde leden of de regering mogelijkheden ziet om samenwerking tussen landelijke, regionale en lokale publieke omroepen verder te versterken zodat beschikbare middelen effectiever kunnen worden ingezet. Tot slot merken deze leden op dat het Commissariaat voor de Media (hierna: CvdM) wijst op het risico dat noodzakelijke investeringen in digitalisering onder druk komen te staan. Hoe beoordeelt de regering dit risico en welke maatregelen worden genomen om dit te voorkomen, zo vragen deze leden.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Ze hebben een aantal vragen.
1. Gevolgen voor stakeholders
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader kan toelichten op welke Europese vergelijkingen zij haar conclusie baseert dat de Nederlandse landelijke publieke omroep ook na de bezuiniging geen uitzonderlijke positie inneemt. Hoe verhoudt Nederland zich tot vergelijkbare Europese landen op het gebied van publieke mediabekostiging per inwoner, de omvang van de publieke mediaopdracht en de waarborgen voor pluriformiteit en onafhankelijkheid?
De leden van de CDA-fractie merken op dat de huidige Mediawet 2008 via een prestatieovereenkomst het aanbod van levensbeschouwelijke programma’s en programma’s over wereldgodsdiensten waarborgt. Deze leden vragen of de verlaging van de rijksmediabijdrage gevolgen heeft voor deze prestatieovereenkomst. Zo ja, kan de regering toelichten welke gevolgen dat zijn?
De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoe de bezuiniging op organisatiekosten bij de verschillende organisaties zich verhoudt tot de voorgenomen hervorming van het publieke bestel vanaf 2029.
De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering momenteel in feite eerst de hoogte van de beschikbare rijksmediabijdrage vaststelt en vervolgens concludeert dat dit bedrag toereikend moet zijn om de publieke mediaopdracht adequaat uit te voeren. Acht de regering dit de juiste volgorde? Zou niet eerst moeten worden vastgesteld wat nodig is voor een adequate uitvoering van de publieke mediaopdracht om vervolgens op basis van die analyse te bepalen welke publieke financiering noodzakelijk is? Hoe voorkomt de regering dat met de gekozen benadering het budget niet uit de publieke mediaopdracht volgt, maar de uitvoering van de publieke mediaopdracht steeds verder wordt aangepast naar gelang het beschikbare budget?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het CvdM een risico ziet voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht en de publieke waarden die daarbij horen, terwijl er ook investeringen nodig zijn voor de digitale transitie. Heeft de regering naar aanleiding van de uitvoeringstoets gesproken met het CvdM? Hoe reageerde het CvdM bijvoorbeeld op de in de memorie van toelichting uiteengezette argumentatie dat de resterende middelen toereikend zijn voor een adequate uitvoering van de publieke mediaopdracht?
De leden van de ChristenUnie-fractie is ter ore gekomen dat de NPO de samenwerking met Socutera, die reclamespots van goede doelen uitzendt, beëindigt. De gratis zendtijd gaat na de eerste helft van 2027 verdwijnen. Deze leden vragen hoe de regering kijkt naar dit besluit van de NPO. Klopt het dat de regering in het verleden heeft toegezegd dat de gratis zendtijd zou blijven bestaan? De leden vragen of er een verband is tussen dit besluit en het besluit van de regering om de rijksmediabijdrage te verlagen. Is de regering bereid om met de NPO te spreken om te bezien hoe deze gratis zendtijd alsnog behouden kan blijven en de Kamer over de uitkomsten hiervan te informeren? Zo nee, waarom niet?
1.1. Overige media-instellingen
De leden van de CDA-fractie merken op dat de invulling van de kortingen van deze organisaties (regionale en lokale publieke omroep, het CvdM en het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek) vraagt dat zij keuzes moeten maken in hun taakuitvoering. De regering stelt dat die kortingen door de betreffende instellingen binnen de taakuitvoering kunnen worden opgevangen. Deze leden vragen zich af hoe zij dit moeten begrijpen, nu deze organisaties op grond van de mediawet een wettelijke taak hebben. Kan de regering per organisatie toelichten welke keuzes in de taakuitvoering mogelijk zijn zonder afbreuk te doen aan die wettelijke taak? Hoe wordt geborgd dat de continuïteit en kwaliteit van deze taakuitvoering behouden blijven?
2. Financiële gevolgen
De leden van de D66-fractie lezen dat bij de voorgenomen besparingsmaatregelen wordt bespaard op de organisatiekosten bij de verschillende organisaties, waardoor een deel van de bezuinigingen niet direct het beschikbare programmabudget raakt. Daartoe vragen deze leden de regering op welke wijze toegezien wordt op dat de besparingen voor een groot deel daadwerkelijk terechtkomen bij organisatiekosten.
3. Consultatie en toetsen
3.1 Overige onderwerpen
De leden van de D66-fractie lezen dat Nederlandse Audiovisuele Producenten Alliantie (NAPA) vraagt om meer publiek-private samenwerking om de impact van de bezuinigingen te verzachten. Deze leden zijn daarom ook blij om te zien dat er uitvoering wordt gegeven aan de motie van de leden Mohandis en Paternotte.3 Deze leden vragen de regering welke concrete stappen worden ondernomen om de publiek-private samenwerking binnen de mediasector te versterken. Op welke wijze wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang?
3.2. Uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets door Commissariaat
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het klopt dat de uitvoerbaarheidstoets niet is gedeeld met het parlement. Is de regering bereid om dit alsnog te doen?
De voorzitter van de commissie,
Hamstra
Adjunct-griffier van de commissie,
Bosnjakovic
1 Hoop, lef en trots. Hoofdlijnenakkoord 2024-2028 van PVV, VVD, NSC en BBB.↩︎
Beantwoording feitelijke vraag 58 bij de wijziging van de OCW-begroting 2026 samenhangende met de Miljoenennota (2026Z20080).↩︎
Kamerstuk 32 827, nr. 339.↩︎