Personeel (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D47545, datum: 2026-09-28, bijgewerkt: 2026-09-30 17:06, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-09-28 14:00: Personeel (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Defensie
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Personeel
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Defensie heeft op 28 september 2026 overleg gevoerd met de heer Boswijk, staatssecretaris van Defensie, over:
de brief van de minister van Defensie d.d. 15 september 2026 inzake de Stand van Defensie najaar 2026 (36800-X, nr. 118);
de brief van de minister van Defensie d.d. 2 september 2026 inzake beantwoording vragen commissie over de Stand van Defensie voorjaar 2026 (36800-X, nr. 82) (36800-X, nr. 116);
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027 (37020-X);
de brief van de minister van Defensie d.d. 28 september 2026 inzake verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden inzake Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2027 (37020-X) (2026Z20268);
de brief van de staatssecretaris van Defensie d.d. 26 augustus 2026 inzake toelichting opzet periodieke rapportage Mensen (personeel) (31516, nr. 53);
de brief van de staatssecretaris van Defensie d.d. 21 augustus 2026 inzake stand van zaken van het project Defensie Operationeel Kleding Systeem (DOKS) (27830, nr. 514);
de brief van de staatssecretaris van Defensie d.d. 17 juli 2026 inzake arbeidsvoorwaardenakkoord Defensie 2026-2028 (33763, nr. 179);
de brief van de staatssecretaris van Defensie d.d. 3 juli 2026 inzake ontwikkelingen op personeelsgebied Defensie zomer 2026 (33763, nr. 177);
de brief van de minister van Defensie d.d. 29 juni 2026 inzake de Defensienota 2026 "Samen voorwaarts!" (36975, nr. 1);
de brief van de minister van Defensie d.d. 21 september 2026 inzake beantwoording vragen commissie over de Defensienota 2026 "Samen voorwaarts!" (36975, nr. 1) (2026Z19453);
de brief van de minister van Defensie d.d. 18 september 2026 inzake ontwikkelingen veteranenbeleid (2026Z19246);
de brief van de minister van Werk en Participatie d.d. 3 juli 2026 inzake rechtspositie van de reservist (33763, nr. 178);
de brief van de staatssecretaris van Defensie d.d. 11 september 2026 inzake inrichting selectieve opkomstplicht (33763, nr. 181).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Defensie,
Huidekooper
De griffier van de vaste commissie voor Defensie,
De Lange
Voorzitter: Ten Hove
Griffier: De Lange
Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Van Baarle, Bolhuis, Boon, Dobbe, Peter de Groot, Van Houwelingen, Ten Hove, Jagtenberg, Van Lanschot en Nanninga,
en de heer Boswijk, staatssecretaris van Defensie.
Aanvang 14.01 uur.
De voorzitter:
Welkom allemaal bij dit wetgevingsoverleg Personeel, van de vaste
commissie voor Defensie. Welkom aan de staatssecretaris en de staf.
Welkom aan de mensen op de tribune, de kijkers op afstand en de
Kamerleden. Ik ga de Kamerleden even netjes aan u voorstellen. Dat zijn
de heer Boon namens de PVV, mevrouw Nanninga namens JA21, mevrouw
Jagtenberg namens D66, mevrouw Dobbe namens de SP, de heer Van Lanschot
namens het CDA, de heer Van Houwelingen namens Forum voor Democratie, de
heer Van Baarle van de fractie van DENK en de heer Bolhuis namens D66.
Welkom allemaal.
De heer Bolhuis (PRO):
Nee, namens PRO vandaag!
De voorzitter:
Sorry, het is de heer Bolhuis namens PRO. Excuses. We hebben vandaag een
indicatieve spreektijd. Die houden we een beetje in de gaten, maar weet
dat u daar enigszins vrij in bent. We staan vier interrupties toe in de
eerste termijn. Ik geef het woord aan de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Jarenlang is onze Defensie kapotbezuinigd. Goede
en ervaren militairen moesten vertrekken, materieel werd voor een
habbekrats verkocht en hele onderdelen werden wegbezuinigd. Onder Rutte
en zijn VVD stond de hele krijgsmacht in de uitverkoop. Dat zien we ook
terug in de cijfers. Alleen al tussen 2011 en 2016 verdwenen er bij
Defensie meer dan 11.000 voltijdbanen. 11.000 voltijdbanen! De gevolgen
daarvan merken we nog steeds. Materieel kun je opnieuw kopen, maar goede
en ervaren militairen die je uit de organisatie hebt laten lopen, heb je
niet zomaar terug. En nu moet Defensie in korte tijd enorm groeien. Er
werken inmiddels ruim 86.000 mensen bij Defensie. In 2030 moeten dat er
meer dan 100.000 zijn. Dat is een enorme opgave.
Juist over de manier waarop Defensie de komende jaren moet worden
opgebouwd, is onlangs de nieuwe Defensienota verschenen. Die heeft de
titel "Samen voorwaarts!". Onze militairen willen niets liever dan
voorwaarts gaan. Maar welke kant is voorwaarts? Waar gaan we naartoe? Ik
heb deze Defensienota gelezen en vraag mij werkelijk af: wie kan hier
iets mee? Er gaan de komende jaren vele miljarden extra naar Defensie.
Dan mag Nederland toch op z'n minst weten welke krijgsmacht we voor al
die miljarden terugkrijgen? Maar dat staat er dus nauwelijks in. Hoe
ziet onze krijgsmacht er straks uit? Hoeveel gevechtseenheden hebben we?
Welke wapensystemen gaan we gebruiken? Hoe groot moeten onze
munitievoorraden zijn? Moeten we zelf in Nederland ons onderhoud kunnen
doen? Wanneer moet dit allemaal gereed zijn? Je zou verwachten dat dát
juist in de Defensienota staat. Maar deze nota blijft vooral hangen in
ambities, mooie woorden en infographics. Dat is niet alleen de mening
van de PVV. Ook experts waren tijdens het rondetafelgesprek bijzonder
kritisch. Er worden onvoldoende keuzes gemaakt en het blijft onduidelijk
hoe de krijgsmacht van de toekomst eruit moet zien.
Dan vraag ik me nogmaals af: wat hebben we aan deze Defensienota? We
hoeven geen tientallen pagina's te krijgen om te horen dat de wereld
onveiliger wordt, dat drones belangrijk zijn en dat Defensie moet
groeien. Dat weten we inmiddels wel. Een Defensienota moet duidelijk
maken welke krijgsmacht we gaan bouwen, wat die krijgsmacht moet kunnen
en wat daarvoor nodig is. Maar duidelijke keuzes worden opnieuw niet
gemaakt. Dit kabinet blinkt uit in het vermijden van keuzes. Dat zien we
zeker in deze Defensienota terug. Hier kan de Kamer niets mee. Nederland
weet niet wat het voor die al die extra miljarden terugkrijgt. Daarom is
de conclusie van de PVV duidelijk: deze Defensienota krijgt van ons een
dikke onvoldoende. Wat de PVV betreft gaat deze Defensienota terug naar
de tekentafel. Kom met een nota waarin wél duidelijke keuzes gemaakt
worden, waarin staat waar onze krijgsmacht de komende jaren naartoe
gaat. Want samen voorwaarts klinkt heel mooi, maar we moeten wel weten
waar we naartoe gaan.
Als Defensie dan zo fors moet groeien, moeten we niet alleen kijken naar
hoeveel mensen we binnenhalen. Het gaat erom dat we geschikte mensen
binnenhalen en hen goed opleiden, want uiteindelijk valt of staat onze
krijgsmacht met de kwaliteit van onze militairen. Juist daarom zet de
PVV grote vraagtekens bij het verkorten van de AMO van achttien naar
tien weken. Ik ben zelf militair geweest en weet uit eigen ervaring dat
zo'n basisopleiding om veel meer gaat dan iemand leren schieten,
exerceren of een mars laten lopen. In die achttien weken bouw je iemand
fysiek op. Je wordt sterker, krijgt meer conditie en raakt steeds meer
gewend aan de belasting die bij het militaire werk hoort, maar je bouwt
ook samen iets op. Je maakt met elkaar dezelfde ellende mee. Je helpt
elkaar erdoorheen en er ontstaat een band. Je leert wie er naast je
staat en of je op elkaar kunt rekenen als het echt zwaar wordt.
Maar misschien nog wel belangrijker: tijdens de opleiding moet ook
blijken wie het uiteindelijk niet aankan. Niet iedereen is namelijk
geschikt om militair te worden. Daar kom je soms niet in de eerste paar
weken achter. Tien weken marsen met blaren is vervelend, maar achttien
weken marsen met blaren is nog veel vervelender. Juist als de
vermoeidheid en de belasting zich week na week opstapelen, zie je wat
iemand echt aankan. Ik heb zelf meegemaakt dat kandidaten een groot deel
van de opleiding gewoon doorkwamen, maar vlak voor het einde alsnog
afvielen, omdat uiteindelijk bleek dat ze niet geschikt waren. Ik vraag
me dus af: wat was er met die kandidaten gebeurd als de opleiding na
tien weken al klaar was geweest? Sommigen van hen hadden waarschijnlijk
gewoon hun opleiding gehaald. Dan was dus iemand die eigenlijk
ongeschikt was als geslaagde militair naar de eenheid gestuurd.
Daarin zit voor mij het grote probleem, want als je tijdens de
basisopleiding niet ziet dat iemand ongeschikt is, verplaats je het
probleem naar de eenheid. Geloof me: dan kan het heel lang duren voor
zo'n probleem is opgelost. Ik heb zelf meegemaakt dat een leidinggevende
bij een gevechtspeloton terechtkwam. Hij was daarvoor gewoon niet
geschikt. Militairen op de werkvloer hebben vaak heel snel door dat
iemand niet geschikt is, maar voordat Defensie dan eindelijk ingrijpt en
iemand van zijn functie af haalt, ben je echt makkelijk een jaar verder.
Ondertussen heeft een heel peloton daar last van. Er wordt minder
gepresteerd, de sfeer wordt slechter en er worden fouten gemaakt. Bij
een gevechtspeloton kunnen de gevolgen daarvan heel serieus zijn. Ik wil
niet weten wat er was gebeurd als die persoon was meegegaan naar
Afghanistan of naar Mali.
Hoe eerder je erachter komt dat iemand niet geschikt is, hoe beter.
Daarom wil ik van de staatssecretaris weten waarom Defensie denkt dat
tien weken basisopleiding voldoende is. Als Defensie niet onder druk had
gestaan om in korte tijd zo veel mogelijk militairen op te leiden, was
de AMO dan ook teruggebracht van achttien naar tien weken? Hoe weet
Defensie dat tien weken lang genoeg is, niet alleen om iemand fysiek op
te bouwen, maar ook om te kunnen beoordelen of iemand daadwerkelijk
geschikt is voor het militaire vak? Ziet Defensie inmiddels dat
militairen wel door de verkorte AMO komen, maar later alsnog bij een
eenheid uitvallen? Wordt er bijgehouden hoeveel militairen in de eerste
vijf jaar naar de AMO alsnog uitvallen omdat ze fysiek of mentaal niet
geschikt blijken? Als we de krijgsmacht snel willen laten groeien,
moeten we namelijk niet de fout maken om alleen naar aantallen te
kijken. Nederland heeft niet alleen meer militairen nodig; we hebben
goede militairen nodig. We hebben de beste mannen en vrouwen
nodig.
We moeten onze gevechtseenheden ook voorbereiden op de taken die ze hier
in Nederland kunnen krijgen. De krijgsmacht is wat de PVV betreft in de
eerste plaats voor de verdediging van Nederland. Daar hoort ook het
bewaken van onze eigen landsgrenzen bij. Oorlog wordt allang niet meer
alleen gevoerd met tanks, raketten en soldaten. Ook sabotage,
cyberaanvallen en migratiestromen worden door vijandige landen ingezet
om onze samenleving onder druk te zetten en te destabiliseren. De
gevolgen van die migratiestromen zien we ook gewoon terug in onze eigen
straten. Van Ter Apel tot aan Budel hebben onze inwoners te maken met
overlast en onveiligheid. Nederlanders willen hun veiligheid terug.
Daarom vindt de PVV dat onze gevechtseenheden ook moeten worden opgeleid
om zelfstandig onze landsgrenzen te kunnen bewaken. Is de
staatssecretaris bereid grensbewaking standaard onderdeel te maken van
de opleiding en training van Nederlandse gevechtseenheden, zodat die
eenheden zelfstandig kunnen worden ingezet voor het bewaken van onze
landsgrenzen?
Voorzitter. Grensbewaking alleen is niet genoeg. Er bevinden zich al
vele tienduizenden illegalen in Nederland. Wat de PVV betreft is het
heel simpel: als je hier niet mag zijn, dan mag je ook niet blijven; dan
moet je worden opgespoord, vastgezet en uitgezet. Juist Defensie
beschikt daarvoor over het personeel, de kennis en de middelen. Is de
staatssecretaris bereid om hiervoor 500 militairen vrij te maken en een
specifieke militaire eenheid op te richten en op te leiden die kan
worden ingezet voor het actief opsporen van illegalen? En is hij bereid
om ervoor te zorgen dat militairen daarvoor ook de benodigde wettelijke
bevoegdheden krijgen?
Voorzitter. Naast het opleiden van nieuwe militairen moeten we er vooral
voor zorgen dat de goede mensen die we al hebben, niet vertrekken, want
een ervaren sergeant, instructeur of monteur met twintig jaar ervaring
vervang je niet door iemand die gisteren bij Defensie is begonnen. Als
zo iemand vertrekt, verlies je niet alleen een militair; je verliest ook
een schat aan kennis en ervaring. Daarom wil ik van de staatssecretaris
weten waar op dit moment de grootste uitstroom zit. Hoeveel
onderofficieren, instructeurs en technisch specialisten zijn de
afgelopen jaren vertrokken? En vooral: waarom vertrekken ze? Is het
financieel, is er onvoldoende doorgroei, is de werkdruk te hoog? En wat
doet Defensie daar dan vervolgens aan? We hebben inmiddels nieuwe
arbeidsvoorwaarden, maar houden die ook rekening met de redenen waarom
militairen vertrekken? Ziet Defensie inmiddels dat door de nieuwe
arbeidsvoorwaarden meer militairen willen blijven? Het heeft weinig zin
om steeds weer nieuwe mensen binnen te halen als er ondertussen goede en
ervaren militairen de poort uitlopen.
Voorzitter. Dan kom ik bij al die mensen die onze nieuwe militairen
moeten gaan opleiden, want Defensie heeft helaas niet genoeg
instructeurs en maakt daarom steeds meer gebruik van externe opleiders.
Maar hoe afhankelijk willen we daarvan worden? Wat de PVV betreft moet
Defensie zelf genoeg instructeurs en kennis in huis hebben om deze
militairen op te leiden. Kijk, samenwerken met bedrijven en
kennisinstellingen kan daarbij nodig zijn, maar hoe afhankelijk is
Defensie inmiddels van externe opleiders? Welke opleidingen worden
geheel of gedeeltelijk door externe partijen gegeven? En welke
opleidingen en kennis moeten volgens de staatssecretaris altijd binnen
Defensie blijven? Want militaire kennis en opleidingen moeten we niet
steeds verder uit handen geven aan commerciële bedrijven. Waar ligt voor
de staatssecretaris de harde grens bij het uitbesteden van militaire
taken en hoe voorkomen we dat er straks naast onze krijgsmacht een
particulier leger ontstaat?
Voorzitter. Dan de selectieve opkomstplicht. Defensie zet in op meer
beroepsmilitairen en reservisten, maar ondertussen werkt deze
staatssecretaris ook al aan een verplichting. Als je zijn plannen leest,
dan gaat dat steeds een stap verder: eerst de verplichte enquête, dan
een verplicht gesprek, daarna een verplichte selectie en keuring en
uiteindelijk zelfs een verplichte opkomst. Dan vind ik één ding wel heel
opvallend: de staatssecretaris schrijft zelf dat Defensie op dit moment
voldoende mensen binnenkrijgt op basis van vrijwilligheid. Waarom zijn
we dan nu al bezig een systeem op te richten om jongeren uiteindelijk te
kunnen verplichten? Waarom? De PVV is tegen deze selectieve
opkomstplicht. Ik denk dat Defensie nog veel meer kan doen om mensen
vrijwillig binnen te halen. Ik ben zelf na 9/11 bij Defensie
terechtgekomen. De vrije westerse wereld was aangevallen door
islamitische terroristen en ik wilde ons land en onze vrijheid
verdedigen. Ik liep vrijwillig een banenwinkel van Defensie binnen om te
kijken wat de mogelijkheden waren. Niemand verplichtte mij ergens toe.
Van het een kwam het ander, en een paar jaar later stond ik als militair
in Afghanistan. Defensie wist me enthousiast te maken voor het militaire
vak. Ik ben ervan overtuigd dat er veel meer mensen in Nederland zijn
die ons land en onze westerse waarden willen verdedigen. We moeten ze
alleen weten te bereiken. Dus breng Defensie dichter bij de mensen, open
opnieuw die banenwinkels. Maak mobiele banenwinkels en laat die door het
hele land rijden. Ga naar mbo's, hogescholen, universiteiten. Benader de
jongeren actief.
Kijk ook naar de financiële prikkels. Waarom werken we bij functies met
grote tekorten bijvoorbeeld niet met een tekenbonus, als iemand zich
voor een aantal jaren aan Defensie verbindt? Ik wil van de
staatssecretaris weten welke mogelijkheden hij ziet om werving veel
actiever en zichtbaarder te maken. Is hij bereid om te kijken naar
banenwinkels, mobiele werving en tekenbonussen voor tekortfuncties? Wat
de PVV betreft moeten we mensen enthousiast maken om militair te worden,
maar het niet verplichten.
Daarbij moeten we niet alleen kijken naar beroepsmilitairen. Er zijn ook
genoeg mensen die Nederland willen dienen naast hun gewone werk. Daarom
zijn reservisten zo belangrijk. Defensie wil in 2030 20.000 reservisten
hebben. Maar hoeveel daarvan zijn straks ook echt inzetbaar? Hoeveel
zijn volledig opgeleid, oefenen regelmatig en kunnen daadwerkelijk bij
een eenheid worden geplaatst? Kijkt Defensie ook wat naar reservisten
zelf willen? Dat ken ik uit mijn geschiedenis: dat doe je niet alleen
door ze een heel weekend bij een MOB-complex te stallen. Als we mensen
binnenhalen als reservist, moeten we ze ook zien te behouden. Bied hun
uitdaging. Laat hen opleidingen volgen, meegaan met oefeningen en
ervaringen opdoen binnen eenheden. Wordt er bij de plaatsing en inzet
van reservisten voldoende gekeken naar hun kennis, ervaring en ambitie?
En, zo ja, waarom stoppen dan nog best veel reservisten? Wat is de
belangrijkste reden waarom ze stoppen? Wat doet Defensie met die
informatie?
Voorzitter. Defensie moet groeien, maar we moeten ook goed kijken naar
waar die groei terechtkomt. In 2017 had Defensie 76 generaals en
admiraals. In 2023 waren dat er 93. Maar in dezelfde periode nam het
aantal soldaten en korporaals juist af. Dus meer generaals en admiraals,
maar minder soldaten en korporaals. Dan vraag ik me af: bouwen we onze
krijgsmacht van onderaf op, of blijven we vooral de top uitbreiden?
Daarom wil ik van de staatssecretaris weten hoe het er vandaag voor
staat met de verhouding. Hoeveel generaals, admiraals en kolonels hebben
we nu? Hoeveel soldaten, korporaals en onderofficieren staan
daartegenover? Hoe heeft die verhouding zich sinds 2017 ontwikkeld?
Daarbij wil ik ook graag een vergelijking met landen als België,
Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Als we Defensie nu
eindelijk gaan opbouwen, moeten die extra mensen vooral terechtkomen
waar ze nodig zijn. Geen generaals die zich gedragen als
omhooggepromoveerde D66-managers, of zich vooral bezighouden met gender
en diversiteit, maar militairen die ervoor zorgen dat onze krijgsmacht
kan vechten en winnen.
Voorzitter. Defensie houdt vast aan de doelstelling van minimaal 30%
vrouwen in 2030. Uitgerekend dit kabinet, dat op andere terreinen het
onderscheid tussen man en vrouw steeds verder loslaat en mannen in
vrouwenkleedkamers toelaat, vindt het ineens belangrijk hoeveel vrouwen
er bij Defensie rondlopen! Maar waarom eigenlijk? Waarom moet het
geslacht van een militair überhaupt een doelstelling zijn? Het gaat er
toch om of iemand geschikt is voor zijn functie? Daarom wil ik van de
staatssecretaris weten waarom Defensie vasthoudt aan die 30%. Heeft die
doelstelling op welke manier dan ook gevolgen voor de werving, selectie,
plaatsing of bevordering van personeel? Laat ik het heel concreet
vragen: kan een vrouw binnen Defensie door deze doelstelling makkelijker
of sneller worden bevorderd dan een man, met minder of dezelfde
kwalificaties en ervaring? Voor de PVV moet maar één ding tellen: wie is
het meest geschikt voor de functie?
En dan nu over een andere hobby van D66: diversiteit en inclusie. Ook
bij Defensie lijken sommige generaals inmiddels meer bezig met het
uitdragen van D66-denken dan met de kerntaak van onze krijgsmacht. Ik
heb onlangs Kamervragen gesteld over Ketikoti binnen Defensie. We hebben
zelfs een Multicultureel Netwerk Defensie. Daar worden allerlei
wokeactiviteiten georganiseerd rond diversiteit en inclusie. Defensie is
geen welzijnsorganisatie. Defensie is er om Nederland te verdedigen en
oorlogen te kunnen winnen. Wat heeft Ketikoti te maken met het
gevechtsgereed maken van onze krijgsmacht? Waarom steken we hier mensen,
geld en diensturen in, terwijl we militairen, monteurs, instructeurs en
technisch personeel tekortkomen? Onze militairen moeten trainen, oefenen
en voorbereid zijn op het moment dat het er echt op aankomt. Daar moet
de aandacht naartoe. Daarom wil ik precies weten hoeveel capaciteit
Defensie aan diversiteitsbeleid besteedt. Hoeveel mensen houden zich
hiermee bezig? Wat kost het en hoeveel diensturen gaan erin zitten? Maar
vooral, wat draagt dit concreet bij aan de gevechtskracht van onze
krijgsmacht?
Het blijft niet bij diversiteit en inclusie. Defensie faciliteert ook de
islam binnen de eigen organisatie. De PVV is daar glashelder over: de
islam hoort niet thuis binnen Defensie. Geen islamitische gebedsruimte
op kazernes, geen islamitische geestelijke verzorgers en geen door
Defensie gefaciliteerde iftars en andere islamitische bijeenkomsten. De
politie heeft besloten om voortaan geen iftars meer te organiseren,
omdat dit volgens de politie niet past bij haar neutrale positie.
De heer Van Baarle (DENK):
Zoals verwacht horen we de heer Boon namens de PVV weer een kruistocht
tegen de islam voeren. Dat is walgelijk. Dat heeft gewoon te maken met
het feit dat de PVV vooringenomen is en iets tegen de islam heeft. Als
het daadwerkelijk zou gaan om neutraliteit … Ik vind het goed dat het
bij Defensie gebeurt. Ik vind het ook heel belangrijk dat het blijft
gebeuren. Maar er is een hele lange traditie van joodse vieringen,
christelijke vieringen en vieringen. Welke geestelijke verzorgende er
ook nodig is, die is er om militairen bij te staan, zodat ze hun werk
kunnen uitvoeren. Waarom hoor ik de heer Boon daar niet over als het
gaat om neutraliteit? Waarom hoor ik hem alleen maar over één ding?
Waarom maakt hij dat onderscheid?
De heer Boon (PVV):
Het gaat mij absoluut niet om neutraliteit. Ik geef die christelijke en
joodse geestelijk verzorgers zelfs een warm welkom. Waar het mij om
gaat, is de islam. De islam is er niet om Nederland te versterken. De
islam is er om Nederlanders te onderwerpen, om de sharia hier in te
voeren en om ons als slaaf en als minderwaardige te behandelen. Wij
krijgen uiteindelijk de keuze: bekeren tot de islam of onthoofden.
Daarom wil ik de islam niet in Defensie. Ik wil de islam überhaupt niet
in Nederland. Ga weg!
De heer Van Baarle (DENK):
Ik vind dat dit giftige gedachtengoed altijd in het parlement
weersproken moet worden. Ik vind dat hiertegen in moet worden gegaan.
Als het gaat over "mensen tot slaaf of minderwaardig te maken" dan is
dat wat de PVV doet. De PVV doet dat door mensen hun geloof te verbieden
binnen organisaties. Wat de heer Boon hier doet, is een keiharde trap in
het gezicht geven van al die Nederlandse militairen die moslim zijn en
die bereid zijn om uiteindelijk hun leven te geven om de heer Boon te
beschermen. Dat is walgelijk. In plaats van hier allemaal te staan voor
al dat Defensiepersoneel, waaronder heel veel Nederlandse moslims, wil
de heer Boon al die Nederlandse moslims hun rechten afpakken. Walgelijk,
walgelijk, walgelijk.
De heer Boon (PVV):
Laten we met z'n allen gewoon eerlijk zijn: als er iets giftig en
walgelijk is, is het de politieke ideologie van de islam, die alles wil
afpakken. Dat is pas walgelijk. Kom alsjeblieft niet met die hele
deugshow van u, want we weten precies waar de islam voor staat. U weet
precies waar de sharia voor staat. U weet precies waar DENK voor staat.
Ik denk dat de woorden die ik gesproken heb, heel duidelijk zijn. Het
hoort niet bij Nederland. Het hoort niet bij Defensie. Nogmaals, ga weg
en blijf weg.
De voorzitter:
Meneer Boon, u vervolgt uw betoog.
De heer Boon (PVV):
Dank u wel.
Is de staatssecretaris bereid om dezelfde lijn bij Defensie te trekken
en ook te stoppen met het organiseren en faciliteren van iftars? Want
onze krijgsmacht moet de islam niet faciliteren, maar bestrijden. Onze
militairen zijn er om Nederland, onze vrijheid en onze waarden te
verdedigen. En de islam staat haaks op onze vrijheid en op onze
waarden.
Mevrouw Nanninga (JA21):
De heer Boon refereert aan de motie van Ingrid Coenradie om die iftars
bij de politie weg te krijgen. Heel terecht dat hij dat voor Defensie
wil. Is de heer Boon het met me eens dat kerstvieringen ook niet a
priori religieus zijn? Heel veel niet-christelijke Nederlanders vieren
ook kerst, natuurlijk ook binnen Defensie. En dat is bij die
iftarpraktijken natuurlijk wel het geval.
De heer Boon (PVV):
Ik denk dat wij op dezelfde lijn zitten. Er zit een politieke ideologie
achter de islam die het christendom en jodendom niet hebben. Die
bijeenkomsten kunnen gewoon doorgaan. Daar is niks mis mee. Daar kunnen
mensen kracht uit halen. Ze verdedigen onze vrijheden en onze westerse
waarden. De islam wil die juist afbreken. Waar het leger voor staat, dat
halen we binnen. Ik begrijp het niet. Laat dat paard van Troje lekker
buiten.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer Boon (PVV):
Oké, dank u wel. Nogmaals, onze krijgsmacht hoeft de islam niet te
faciliteren, maar te bestrijden. Onze militairen zijn er om Nederland,
onze vrijheid en onze waarden te verdedigen. De islam staat haaks op
onze vrijheid en onze waarden. De islam zal zich niet aanpassen aan onze
samenleving. De islam streeft juist naar onderwerping aan islamitische
regels. Waarom faciliteren wij dat binnen onze krijgsmacht? We halen het
paard van Troje naar binnen. Stop de islamisering van onze
krijgsmacht.
Voorzitter, ik ga afronden. Ik moet het toch even benoemen: het gaat
over onze veteranen, onze helden. We hebben enkele maanden geleden nog
een uitgebreid debat gehad over het veteranenbeleid. Ik ga dat debat
vandaag niet overdoen, maar bij een debat over het personeel van
Defensie wil de PVV wel opnieuw haar grote waardering uitspreken voor
onze veteranen, voor de mannen en vrouwen die Nederland heeft
uitgezonden, die bereid zijn geweest hun leven op het spel te zetten
voor onze vrijheid en veiligheid. Die inzet mogen wij nooit als
vanzelfsprekend beschouwen. Wie namens Nederland uitgezonden is, moet
erop kunnen vertrouwen dat Nederland er ook voor hen is als ze
terugkomen en ze het nodig hebben.
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft nog een interruptie van meneer Van
Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Het is in ieder geval goed om te horen dat ook wat de PVV betreft het
Nederlandse leger Nederland moet verdedigen. Er zit in de
Defensiebegroting die we vandaag bespreken een post van 3 miljard euro
aan steun voor Oekraïne. Hoe kijkt de heer Boon daartegen aan?
De heer Boon (PVV):
De PVV is heel duidelijk over steun aan Oekraïne. We zijn al jaren de
koploper. We geven alles weg. We geven zelfs belangrijk materieel weg,
waardoor ons leger nu niet in staat is om aan de gereedschapseisen te
voldoen. We moeten gereed staan, en dat kan niet omdat we alles hebben
weggegeven. Wij vinden dat dat moet ophouden. Er zijn genoeg landen die
alles uitgeven aan andere dingen. Laat die maar eens een keer een tijdje
Oekraïne steunen. Nederland eventjes niet. We hebben meer dan genoeg
gedaan. Half Oekraïne heeft denk ik gedraaid op onze Nederlandse inzet.
Nu is het tijd voor andere landen. Laat andere landen een stap naar
voren doen. Ik verwacht dat deze staatssecretaris en de minister er ook
echt op gaan aandringen bij andere landen, dus niet met de
vrijblijvendheid van "doe eens een keer wat" om twee uur later weer met
de dikke cheque op de tv te staan, zo van "kijk eens wat wij aan
Oekraïne geven". Nee, dat gedrag moet stoppen. Ga nou eens een keer naar
vooral die zuidelijke landen, pak ze eens een keer stevig aan en zeg "en
nu gaan jullie betalen".
De heer Van Houwelingen (FVD):
Een vervolgvraag. Het is mooi om dat te horen, maar wat ik dan dus niet
begrijp, is het volgende. We hebben voor het zomerreces een motie
ingediend: "de Kamer spreekt uit dat de oorlog in Oekraïne niet onze
oorlog is". Daar heeft de PVV tegen gestemd. Als je dat doet, dan zal de
overkant van de tafel en de ambtsgenoten hier natuurlijk terecht zeggen:
luister, volgens de PVV is dit onze oorlog; ook al doen andere landen
misschien wat minder, daar kun je als Nederland niet op gaan
beknibbelen, want we kunnen niet op ónze oorlog gaan beknibbelen. Ik
snap niet goed — dat is eigenlijk mijn hoofdvraag; ik ben het verder
helemaal eens met het betoog tot nu toe — waarom de PVV dan tegen onze
motie stemt, want daar volgt logischerwijs uit dat je Oekraïne
natuurlijk gaat steunen. Het is immers toch "onze oorlog"?
De heer Boon (PVV):
Ik kan de motie nu niet voor de geest halen, maar ik ken wel andere
moties van Forum voor Democratie die in deze lijn zitten. Dan wordt
erover gesproken dat het een NAVO-oorlog is of dat de NAVO het uitgelokt
zou hebben, en daar zijn we het niet mee eens. Het is geen NAVO-oorlog.
De NAVO heeft het niet uitgelokt. Daarom kunnen wij dat niet steunen. Ik
begrijp uw denkrichting, maar u moet beter zijn met uw woorden.
De heer Bolhuis (PRO):
Ik heb een vraag aan de vertegenwoordiger van de PVV. Uit alle analyses
van dit moment blijkt dat Rusland de grootste bedreiging is voor het
Westen en dat we ons daarop voorbereiden. Dat is ook de reden dat we
naar 3,5% bbp voor de NAVO gaan. Dat doen we hard. Dat betekent dat we
met z'n allen de schouders eronder moeten zetten en dat we een leger
hebben dat heel Nederland moet verdedigen en dat ook door heel Nederland
gevuld moet worden. Het moet ook een afspiegeling zijn. Ik hoorde net
een redelijk hallucinerend stukje over dat kerstvieringen geen
religieuze vieringen zouden zijn. Dat lijkt me nogal een vreemde
constatering. Waarvoor splijt u Defensie? Waarom splijt u onze
militairen? Waarvoor zaait u verdeeldheid met uw woorden, door het te
hebben over kerst en iftars, en eigenlijk militairen tegen elkaar uit te
spelen terwijl Nederlandse militairen juist samen Nederland moeten
verdedigen?
De heer Boon (PVV):
Er is heel veel op één hoop gegooid. Ik wil deze interruptie even
ontleden en begin bij Rusland als onze grootste vijand, ons grootste
gevaar. Is het dan slim om alles maar weg te geven aan Oekraïne,
waardoor we straks geen Patriots meer hebben om onze Rotterdamse haven
te beschermen? Als er een plek is die als eerste wordt aangevallen — ik
wil geen mensen bang maken — dan is dat een plek die belangrijk is voor
onze infrastructuur, en Rotterdam is een van de mainports van Europa.
Die haven moeten we dus zeker kunnen beschermen. Dan zijn we toch
knettergek als we alles weggeven wat we nodig hebben om ons land te
beschermen? Dat is één.
Ik heb nooit gezegd dat kerst geen religieuze viering is. Kerst is een
prachtige religieuze viering; ik ben er ook hartstikke voor. Ik wil
alleen geen politieke viering, en de islam is een politieke ideologie.
De islam wil ons onderwerpen, wil ons onze vrijheden afpakken, wil ons
onderwerpen aan de sharia. Dat is totaal niet te vergelijken met de
viering van de geboorte van het kindeke Jezus. Laten we dat niet op één
hoop gooien. Als het aan de islam had gelegen, als die toen had bestaan,
was het kindeke Jezus waarschijnlijk ter plekke onthoofd; laten we
eerlijk zijn. Daarom wil ik dat absoluut niet hebben.
Waarom scheid ik die twee? Kijk, ik heb hier wat voorbeelden van de
gevaren. Hasan Karim Akbar was sergeant bij de 101ste Airborne Division.
Wat deed hij? Hij gooide granaten in de tenten van zijn eigen militairen
en opende het vuur. Het resultaat: twee doden, veertien gewonden. Ik zal
een ander noemen: Nidal Malik Hasan, een majoor en psychiater. Hij
opende het vuur op militairen op Fort Hood: 13 doden en 32 pogingen tot
moord. Naser Jason Abdo ... In Nederland hebben we dat ook gehad; in
Nederland hebben we ook een sergeant gehad, van de Koninklijke
Luchtmacht, die zich heeft aangesloten bij ISIS. Gelukkig is hij naar
ISIS gegaan, maar hij had ook in Nederland een aanslag kunnen plegen op
onze militairen. We hebben ...
De voorzitter:
Het mag iets korter.
De heer Boon (PVV):
Ja, ik wil het iets korter doen. Ik heb hier een hele lijst van namen
van personen die de politieke islam aanhingen, in militaire dienst waren
en gewoon aanslagen hebben gepleegd op hun eigen mensen. Dat wil ik in
Nederland niet, want niets lijkt mij erger dan in je eigen leger niet
veilig zijn. Daarom pleit ik voor geen islam binnen Defensie.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Bolhuis: had u nog een vervolgvraag?
De heer Bolhuis (PRO):
Zeker. Ik vraag me af waarom de heer Boon zich niet concentreert op de
grootste vijand die we op dit moment hebben, namelijk Rusland. Dat is
ook de reden dat we bezig zijn met het versterken en vergroten van het
leger. Ik vind echt dat u nu gif aan het verspreiden bent. De manier
waarop u dit doet ... Er zijn heel veel militairen die een islamitische
overtuiging hebben. Die zitten gewoon in het leger, die werken, die zijn
bereid om hun leven te geven. De manier waarop u dit nu doet en ook nog
even een onderscheid maakt tussen religieuze versus politieke
overtuigingen: ik vind dit echt een schande. Ik vind dat u met deze
opmerkingen het Nederlandse leger verzwakt.
De heer Boon (PVV):
Vorige week zei mijn collega Bosma tegen een andere collega: heeft u
pindakaas in uw oren? Dat is eigenlijk ook een vraag die ik aan u wil
stellen. Ik heb het alleen gehad over gereedheid, dat het Nederlandse
leger gereed moet zijn, gevechtsklaar, voor wie weet wat er nog komt. Ik
hoop dat er niks komt, ik hoop dat we nog duizend jaar in vrede leven,
maar stel dat er oorlog is, dan moet het leger gereed zijn. Daar heb ik
80% à 90% van mijn speech aan besteed. Ik vind het dus echt quatsch wat
u zegt. Ten tweede. Ik probeer juist het gif uit ons leven te halen, ik
probeer er juist voor te zorgen dat wij pal staan voor onze kernwaarden
en onze vrijheden, dat daarover geen discussie mag zijn, dat we niet
sluipenderwijs via Defensie sharia-invloeden krijgen. Dat wil ik juist
niet; ik wil dat gif juist uit onze samenleving halen.
De voorzitter:
Ik ga deze discussie stoppen. Ik wil iedereen vragen om via de
voorzitter te spreken. Meneer Van Lanschot, u heeft nog een
interruptie.
De heer Van Lanschot (CDA):
De laatste kruistocht was in 1272 en ik zou de tijd iets vooruit willen
spoelen. De heer Boon zegt dat hij keuzes mist in de Defensienota. Aan
welke keuzes denkt hij dan zoal?
De heer Boon (PVV):
Wat gaan we nu doen met de krijgsmacht? Kopen we nu om te kopen en
iedere week in de krant te kunnen zetten "we hebben dit systeem
aangekocht en dat systeem"? Wat willen we nou doen met ons leger? Er
komen nieuwe oorlogen aan. Hoe moet onze defensie er over 10, 20, 30
jaar uitzien? Wat gaan we nu doen? Welke keuzes maken we? Helikopters:
hoe gaan die optreden in het dronetijdperk? Moeten we daar nog wel in
investeren of niet? Gaan we meer investeren in tanks? Wat voor tanks?
Het krijgsveld wordt steeds dieper. We kunnen er niet meer van uitgaan
dat we veilig achter de linies zijn. Misschien moeten we wel plekken
onder de grond gaan creëren om veilig te kunnen opereren. Dat zijn
allemaal keuzes waarover ik niks hoor. We horen: we willen drones gaan
aanschaffen en 50% moet autonoom gaan opereren. Oké, en dan? Wat wil je
daarmee?
De heer Peter de Groot (VVD):
De VVD ziet daarvoor genoeg aanknopingspunten in de Defensienota. Dat de
hele militaire doctrine niet op tafel ligt, snap ik ook. Maar daar ging
mijn vraag niet over. Mijn vraag ging nog even terug naar de woorden van
de heer Boon alsof wij als Nederland alles zouden weggeven aan Oekraïne.
Hij is zelf militair geweest en hij weet ook dat we Oekraïne wel
degelijk moeten steunen als we een geloofwaardige afschrikking in Europa
willen hebben. Ik ondersteun de woorden dat andere landen hun portie
moeten doen, maar de heer Boon meent het toch niet echt als hij het
beeld schetst dat wij onze hele defensie uithollen en alles aan Oekraïne
geven en onszelf daardoor niet meer kunnen verdedigen?
De heer Boon (PVV):
Wij hebben vragen gesteld. In antwoord daarop geeft de minister zelf aan
dat onze gereedstelling te lijden heeft onder de levering aan Oekraïne.
Dat is ambtenarentaal voor "Nederland loopt gevaar omdat wij spullen
weggeven en wij onszelf nu niet kunnen verdedigen". Laten we eerst
zorgen dat we de boel zelf op orde hebben en dan pas spullen weggeven.
Ik hoop dat u thuis het huishoudboekje ook zo inricht dat u eerst zorgt
dat u genoeg geld heeft om uw eigen rekeningen te betalen en pas daarna
aan goede doelen geeft.
De heer Peter de Groot (VVD):
Nog een vervolgvraag daarop. De heer Boon weet zelf als militair — hij
benadrukt dat vaak in deze debatten — dat voorwaartse afschrikking
ontzettend belangrijk is. Daarmee kan je stellen dat de mensen in
Oekraïne, de soldaten in Oekraïne, vechten voor onze veiligheid. Waar
moeten ze dat mee doen als wij alle spulletjes hier onder de deken
houden? Volgens mij helpt het een het ander en moeten we tegelijkertijd
ontzettend hard werken om onze defensie verder op te bouwen. Als we het
niet doen, wordt Oekraïne zwakker en kan het weleens zo zijn dat de
Russen hier sneller staan. Zo werkt de wereld toch? Of zie ik dat
verkeerd, meneer Boon?
De heer Boon (PVV):
Nee, ik denk dat u dat verkeerd ziet. Ik kom dan terug bij mijn
inleiding. Als de VVD niet tientallen jaren Defensie kapotbezuinigd had,
dan hadden we meer dan genoeg spul over om weg te geven. Maar helaas
heeft u met de botte bijl, met de heer Rutte voorop, Defensie echt
kapotgemaakt, waardoor we eigenlijk niks meer hebben. Het kleine beetje
dat we hebben, geven we nu weg. Dat lijkt mij niet verstandig. Ik zou
eerst zeggen: zorg dat je eigen huis op orde is. Nou, daar hebben we een
hele lange weg te gaan dankzij de VVD. Maar als we dat eindelijk in orde
hebben, kunnen we eventueel wat weggeven. Ga lekker bij andere landen
shoppen op dit moment, maar laten we eerst zorgen dat ons land, onze
mensen, onze inwoners veilig zijn.
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Er werden net een aantal groepen flink geschoffeerd. Heel eerlijk: ik
vond dat wel een paar perken te buiten gaan. Maar er werd tegelijkertijd
ook gesproken over paraatheid van de krijgsmacht. Ik ben toch wel heel
nieuwsgierig of de heer Boon nou belang hecht aan haatzaaierij of aan
het vullen van Defensie met mensen die zich ongeacht hun achtergrond
willen inzetten voor onze vrede en veiligheid.
De heer Boon (PVV):
Iedereen die zich wil inzetten voor onze vrede en veiligheid en onze
normen en waarden aanhangt, is welkom bij Defensie. Ik heb daar ook
nooit iets over gezegd. Het enige wat ik erover gezegd heb, gaat over de
islam. We kunnen die discussie overdoen. De ideologie van de islam is:
onderwerpen en vrijheden afnemen. Als het aan de islam ligt, had u hier
niet eens gezeten, want dan was u verplicht getrouwd met iemand en had u
nu in een boerka rondgelopen. Dat wil ik niet binnen Defensie. D66 denkt
dat het allemaal wel kan — wij noemen dat bij de PVV het "Chickens for
KFC"-syndroom — maar in werkelijkheid gaat dat niet lukken. Dat is het
enige wat ik erover kan zeggen.
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Mijn fractie staat ervoor dat iedereen in zijn waarde staat en iedereen
van waarde is in onze maatschappij. Ik vind het toch wel schokkend om nu
te horen dat haatzaaierij belangrijker is dan onze vrede en
veiligheid.
De voorzitter:
Een heel korte reactie nog.
De heer Boon (PVV):
Ja, ik ga heel kort reageren. Je kan niet iedereen tevreden houden. Je
kan een kannibaal niet tevreden houden, want die gaat je uiteindelijk
opeten. Alleen, D66 begrijpt dat niet.
De voorzitter:
Mevrouw Nanninga, uw eerste termijn.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank, voorzitter. Een debat over personeel en Defensie kan natuurlijk
niet anders dan beginnen met woorden van waardering namens JA21 voor al
het Defensiepersoneel en natuurlijk onze veteranen.
Voorzitter. Nederland heeft een veel grotere en sterkere krijgsmacht
nodig. Daar hoort personeelsgroei bij. Daar bestaat ook bij JA21 geen
enkele twijfel over. De samenstelling van de 102.000 personen is
inmiddels duidelijker geworden. Defensie beoogt een toename van 10.000
beroepsmilitairen en 10.000 reservisten. Dat is nogal wat. In de door
Defensie gedeelde grafieken staat zelfs dat het aantal burgermedewerkers
moet dalen van 26.000 naar 25.000. Wij vragen ons dus af hoe het dan kan
dat een relatief groter deel van de groei bij Defensie uit
burgermedewerkers bestaat. Wat gaat hier mis? Hoe is de staatssecretaris
van plan meer beroepsmilitairen en reservisten aan te trekken?
Voorzitter. Uit de beantwoording van schriftelijke vragen blijkt dat de
samenstellingen van de doelstelling van de 122.000 werknemers en van het
opschalingsscenario richting de 200.000 pas het komende halfjaar
concreet worden uitgewerkt. De mobiliseerbare capaciteit in dat laatste
scenario zal grotendeels uit reservisten bestaan. Bovendien erkent het
kabinet in de beantwoording ook dat de groei naar circa 200.000 mensen
op dit moment niet financieel is gedekt. Waarop zijn die aantallen dan
gebaseerd? Zijn dit doorgerekende getallen of zijn dit mooie ronkende
ambities? Wanneer ontvangt de Kamer dan wel het volledige en onderbouwde
financiële plan?
Ook over de rechtspositie van reservisten en de verhouding van
reservisten met de werkgevers hebben wij nog wel wat vragen. Is hier
niet ook eerst een politiek doel gesteld — het aantal van 20.000
reservisten is genoemd — en wordt de onderbouwing er achteraf bij
gezocht? Wanneer zijn de reservistenplannen per eenheid gereed en
wanneer ontvangt de Kamer die plannen? Defensie wil daarnaast in 2030 de
helft van de militaire effecten met onbemande systemen bereiken, maar op
de vraag naar de gevolgen daarvan werd niet duidelijk gemaakt wat dit
betekent voor de personeelsbehoefte. Ook zei de staatssecretaris zelf
dat personeelsgroei geen doel op zich is en dat het uiteindelijk gaat om
het versterken van de gevechtskracht van Defensie. Daar zijn we het
helemaal mee eens, maar we zijn wel in de war, want waar zijn die
aantallen dan precies op gebaseerd? Welke invloed hebben de onbemande
systemen hierop? Welke functies verdwijnen? Welke nieuwe specialismes
zijn nodig? Hoe is dit verwerkt in alle genoemde aantallen? Laten we
niet vergeten dat deze onduidelijkheid ook rechtstreeks de discussie
rondom de opkomstplicht gaat raken als die niet wordt opgehelderd.
Voorzitter. Het probleem lijkt niet alleen een gebrek aan
belangstelling. Defensie heeft vooral moeite om belangstellenden om te
zetten in inzetbaar personeel. Tijdens het commissiedebat in april
spraken wij al over de duizenden mensen die wachten om reservist te
worden. Ook voor het dienjaar was de belangstelling veel groter dan het
aantal dat kon instromen, terwijl er anderzijds ook weer vacatures
openstaan. De staatssecretaris erkende toen dat opleiden de grootste
bottleneck was. De Defensienota belooft kortere en modulaire opleidingen
en samenwerking met civiele opleidingsinstituten. Dat klinkt verstandig.
In 2027 moet Defensie volgens de eigen planning netto met bijna 5.000
medewerkers groeien en hetzelfde geldt voor 2028, maar er vertrekken
jaarlijks ook mensen. Die gaan dan bijvoorbeeld met pensioen of vallen
uit tijdens selectie en opleiding. De bruto-instroom moet dus eigenlijk
nog veel hoger liggen dan deze aantallen. Dat brengt ons op de vraag:
hoe staat het er nu voor met de opleidingsketen van Defensie? Is er al
verbetering te melden sinds het debat in april? Wat is nu de wachttijd
tussen aanmelding, keuring, opleiding en uiteindelijk plaatsing? Wat is
de uitstroom tijdens die wachttijd? Hoeveel geschikte kandidaten haken
af?
Voorzitter. Groei begint bovendien bij de basis: het behouden van mensen
die er al zijn. Het arbeidsvoorwaardenakkoord bevat terecht
loonsverhogingen en betere voorwaarden. Dat is positief. Dat is ook niet
het grootste probleem voor het behoud van mensen. Wij horen terug dat
Defensie notoir stug is op het gebied van interne sollicitaties,
omscholing en doorstroming. Volgens de VBM is dit een van de grootste
oorzaken van het verlaten van de dienst door militairen. Herkent de
staatssecretaris zich in dit beeld? Welke maatregelen worden er genomen
om dit probleem te verhelpen?
Voorzitter. Naast militaire reservisten heeft Nederland ook goed
georganiseerde civiele reserves nodig. Tijdens de coronacrisis bleek dat
Nederland geen gebrek had aan mensen die wilden helpen. Vanuit die
ervaring heeft de SES de Nationale Zorgreserve opgebouwd. Het ligt voor
de hand om dit model verder te institutionaliseren en uit te breiden
naar de gebieden die zijn voorgesteld door SES: de techniek, de
logistiek en de veiligheid. Dit past rechtstreeks binnen total defence,
oftewel de "whole of society"-benadering. Dat is een benadering waar
JA21 al langer voor pleit. Deze modellen komen uit Scandinavische landen
en worden ook in de wetenschappelijke literatuur aangeprezen. De kern is
dat zij de nationale verdediging niet beschouwen als een exclusieve taak
van de krijgsmacht. In duidelijk geschetste plannen laten zij zien hoe
ook vooraf de overheid, het bedrijfsleven, maatschappelijke
organisaties, vitale sectoren en burgers gezamenlijk optreden tijdens
crisis en oorlog. Dat bereik je niet alleen met institutionele
afspraken; dat vraagt ook om een cultuuromslag in de samenleving. De
Defensienota komt inhoudelijk in de buurt. Er staat iets in over een
schaalbare krijgsmacht, civiele partners, ecosystemen en dergelijke,
maar een echt samenhangende landelijke strategie conform het
Scandinavische model is er nog niet. Hoe kijkt de staatssecretaris
hiernaar? Is hij bereid om samen met VWS, Justitie en Veiligheid,
Sociale Zaken en Economische Zaken te komen tot een rijksbrede strategie
voor civiele reserves, als onderdeel van een bredere "whole of society-"
of "total defence"-aanpak?
Voorzitter. Wij krijgen signalen dat de financiering van de Zorgreserve
onzeker dreigt te worden.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van mevrouw Jagtenberg.
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Grotendeels sluit ik me hierbij geheel aan als het gaat om die whole of
society approach, maar ik ben wel even benieuwd hiernaar, ook naar
aanleiding van het gesprek dat we net met z'n allen hadden. Die whole of
society approach, ziet mevrouw Nanninga die alleen voor de mensen die
kerst vieren of ook voor mensen die feestdagen van andere
geloofsovertuigingen vieren?
Mevrouw Nanninga (JA21):
Mensen moeten geloven wat ze willen, in hun eigen hoofd. Binnen Defensie
zien wij geen plaats voor islamitische religieuze uitingen. Dat is
absoluut geen kerntaak van Defensie en ik denk ook dat we, gezien de
ideologie die daarachter schuilgaat, dat niet moeten willen.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog. De heer Van Baarle?
De heer Van Baarle (DENK):
Ja, voorzitter, daar ga ik natuurlijk graag op door. In de voorbereiding
van dit debat heb ik echt een aantal fantastische voorbeelden gezien van
christelijke geestelijk verzorgers bij Defensie, die bijvoorbeeld
militairen die op uitzending gaan een krijgsmachtsbijbel overhandigden.
Of joodse geestelijk verzorgers, die samen vierden met militairen die op
uitzending zijn, omdat je religie ook belangrijk is als je op uitzending
bent; die geeft je houvast. Waarom zou dat volgens mevrouw Nanninga nou
wel kunnen voor christelijke militairen en joodse militairen, maar
waarom mag dat niet voor islamitische militairen? Waarom sluit ze die
mensen daarvan uit? Waarom discrimineert zij?
Mevrouw Nanninga (JA21):
We kunnen hier een heel theologisch debat over voeren en dat wil ik ook
best doen, maar we zijn een joods-christelijke cultuur, hè. Mensen mogen
moslim zijn. Dat recht hebben we gelukkig in Nederland en ik zal er
altijd voor staan om hier geloofsvrijheid te hebben, maar we zijn een
joods-christelijk land. En het praktiseren van het islamitische geloof
binnen de politie of binnen Defensie, een ideologie die echt wel anders
in elkaar steekt dan het christendom of het jodendom ... Nogmaals, daar
kunnen we een heel theologisch debat over gaan voeren, maar binnen
Defensie, daar hebben wij heel grote vraagtekens bij.
De voorzitter:
Dit wordt uw laatste interruptie.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter, die ga ik ervoor gebruiken. Even los van de sociologische
discussie — want dat is het — is het apart om Nederland een
"joods-christelijke cultuur" te noemen, terwijl we volgens mij in Europa
en in de wereld een van de hoogste percentages van niet-kerkelijke
mensen hebben. De vraag is dus of dat sociologisch accuraat is, maar dat
even terzijde. Het is niet mevrouw Nanninga die bepaalt wat de cultuur
in Nederland is. Het is niet mevrouw Nanninga die vanuit haar zetel hier
in de Tweede Kamer bepaalt wie in Nederland wel binnen Defensie zijn
religie mag belijden en daar ruimte voor krijgt, en wie niet. Dat staat
in onze Grondwet. Als mevrouw Nanninga hier met een hamer en botte bijl
gaat inhakken op die Grondwet om die buiten werking te stellen voor
moslims, dan is dat discriminatie. Dan is dat juist het ondergraven van
die cultuur en waarden waar wij met z'n allen voor staan. Ik zou tegen
mevrouw Nanninga willen zeggen: als er iemand is die de Nederlandse
cultuur haat, als er iemand is die de Nederlandse cultuur kapotmaakt,
dan is dat mevrouw Nanninga, die met JA21 en haar rechtse botte bijl
inhakt op de Grondwet, inhakt op onze cultuur, inhakt op onze waarden.
En zoals ik net zei, DENK zal altijd opkomen voor die Nederlandse
waarden van gelijkwaardigheid.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Nou, tuttuttut, voorzitter ... De heer Van Baarle dicht mij wel heel
veel invloed toe. Tja, het leuke is natuurlijk dat die Grondwet, waar de
heer Van Baarle het terecht over heeft en die godsdienstvrijheid die wij
hebben — waarvan ik net zei dat ook wij die natuurlijk te allen tijde
verdedigen — in een islamitische samenleving helemaal niet mogelijk
zouden zijn. Feit is dat heel veel mensen in Nederland niet kerkelijk
zijn, maar ze hebben natuurlijk wel een joods-christelijke basis en
joods-christelijke wortels. Dat hoef ik de heer Van Baarle niet uit te
leggen. Ons hele normen-en-waardensysteem, onze moraliteit, ons
rechtssysteem: het is allemaal de joods-christelijke traditie, of je nu
seculier of gelovig bent. Onze samenleving kent heel veel seculiere
mensen. We hebben een scheiding van kerk en staat. Dat zou onder de
islam helemaal niet mogelijk zijn. Het idee dat je in het leger een
andere geestelijke verzorging zou mogen hebben dan een islamitische: ik
vraag me af of er een islamitisch land bestaat waarin dat aan de orde
is. Dus als we het hebben over de grondwaarden en rechten in Nederland:
geloof zeker wat je wil. Ik ben er ook helemaal niet tegen dat mensen
die het islamitische geloof aanhangen in dienst gaan of bij de politie
gaan. Maar het is niet aan Defensie of de politie om religieuze
vieringen te organiseren. Dan haak ik ook meteen maar even aan op de
opmerking over Kerstmis. Dat is zeker een religieus feest. Dan vieren we
de aardse geboorte van de zoon van God. Maar er zijn ongelofelijk veel
seculiere mensen die dat feest met heel veel vreugde en plezier ook
vieren. Dat is ook iets wat in de islamitische traditie niet gebeurt.
Als je het daar niet op de goede manier doet, wordt er niet heel
tolerant mee omgegaan.
Als u het niet erg vindt, voorzitter, gaan we van de theologie weer
terug naar …
De voorzitter:
Uw betoog.
Mevrouw Nanninga (JA21):
… Defensie, hoewel ik dit een leuke discussie vind. Waar was ik? Ja, wij
krijgen signalen dat de financiering van de zorgreserve onzeker dreigt
te worden en dat aanbestedingsprocedures verdere ontwikkeling vertragen.
Is de staatssecretaris het met me eens dat civiele reserves als
onderdeel van de total defence-benadering centraal aangestuurd moeten
worden en dat dit bij uitstek niet iets is wat je aan veel verschillende
marktpartijen moet overlaten?
Voorzitter. Dan diversiteit. Defensie blijft streven naar minimaal 30%
vrouwen in 2030. Ik zag dat de collega van D66 daar ook een traktaat
over in elkaar heeft geknutseld en aangeboden. Natuurlijk wil JA21 dat
Defensie al het beschikbare talent aanspreekt en dat vrouwen die
geschikt zijn, alle kansen krijgen binnen de krijgsmacht. Maar welk
probleem lost het percentage van 30% nou concreet op? Ik snap het idee
dat je de krijgsmacht zo veel mogelijk open wil stellen voor mensen van
allerlei achtergronden om de vacatures te vullen. Maar als dit beleid
ertoe leidt dat vrouwen voorgetrokken worden op mannelijke
sollicitanten, om daarmee aan dit arbitraire quotum te voldoen: ja, dáár
zijn we faliekant tegen. Kan de staatssecretaris garanderen — dan bedoel
ik echt een toezegging — dat die 30%-norm geen voorkeursbeleid wordt? En
kan de staatssecretaris garanderen dat er geen standaarden verlaagd
worden bij de keuring, bij een promotie, bij de opleiding of ten aanzien
van een trainingsdoel om maar aan die 30% te komen? Daar zou ik echt
heel erg graag een harde toezegging op willen. Anders overwegen wij op
dit punt een motie.
Tot slot. Ik vroeg al in april aandacht voor de BSB'ers en hun ongelijke
behandeling rondom uitzendvergoedingen en andere regelingen. Op 2 juli
is er een motie van mijn hand aangenomen in de Kamer die de regering
oproept om deze onrechtvaardige verschillen te herstellen waar er sprake
van is. Hoe staat het ervoor met deze kwestie? Hoe staat het met de
uitvoering van deze motie? Welk overleg heeft er sinds 2 juli
plaatsgevonden? Wanneer ontvangt de Kamer deze voorstellen? Kan de
staatssecretaris toezeggen dat er gekeken kan worden naar herstel of
compensatie met terugwerkende kracht als BSB'ers door deze constructie
ten onrechte zijn benadeeld?
Voor nu, voorzitter, tot zover. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Jagtenberg voor haar eerste
termijn. Meneer van Baarle, u heeft geen interrupties meer. O, ik dacht
dat u zwaaide. Excuses. Dan gaan we echt over naar mevrouw Jagtenberg.
Het woord is aan u.
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Dank, voorzitter. Een paar weken geleden mocht ik getuige zijn van iets
heel bijzonders. Ik was in Breda op bezoek bij het Commando Lucht- en
Ruimtestrijdkrachten. Daar werd kolonel Buijs bevorderd tot de
allereerste echte ruimtevaartgeneraal van Nederland. Prachtig. En dat na
bijna 30 jaar van toewijding aan de luchtmacht en specifiek aan de
ruimtevaart. In het bijzijn van familie en collega's werden twee
biertjes over zijn schouders leeggegoten. Dat blijkt een oud gebruik te
zijn. Maar dat moment illustreerde voor mij vooral iets anders
belangrijks, iets wat Defensie bijzonder maakt: de trots van collega's,
de nabijheid en betrokkenheid van de familie, en het vertrouwen dat
mensen in elkaar hebben. Want werken bij Defensie doe je nooit alleen.
Je moet kunnen vertrouwen op de mensen om je heen, en zij op jou. Dat
maakt het werk zo betekenisvol. Je draagt bij aan iets wat groter is dan
jezelf.
Precies dat is waarom Defensie voor zo'n grote opgave staat. Defensie
wil groeien naar 122.000 mensen. Dat vraagt niet alleen om meer mensen,
maar ook om ervoor te zorgen dat de mensen die voor Defensie gaan
werken, zich er thuis voelen en zich er thuis blijven voelen. Want een
sterke krijgsmacht begint bij sterke mensen.
Voorzitter. De ambitie van Defensie is groot, maar dat past bij de
uitdaging waar we voor staan. Er is een oorlog op ons continent en we
hebben dagelijks te maken met hybride aanvallen, met sabotage en met
spionage. We willen groeien naar 122.000 mensen, maar dan moeten we ook
alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat Defensie een werkgever is
waar die mensen ook willen blijven en het beste uit zichzelf kunnen
halen en kunnen blijven halen.
Voorzitter. Daar spelen vrouwen een fantastische rol in. De afgelopen
maanden heb ik verschillende fantastische vrouwelijke militairen
ontmoet: vrouwen die meegingen naar Afghanistan, Irak, Libanon en Mali.
Ik heb vrouwen ontmoet die zich inzetten voor de veiligheid van ons land
en voor vrede en stabiliteit daarbuiten. Vrouwen maken Defensie elke dag
sterker. Ze kiezen bewust voor een beroep waar moed,
doorzettingsvermogen en verantwoordelijkheid centraal staan. Ze hebben
hun plek binnen Defensie allang bewezen.
Het wordt hoog tijd dat we die kracht nog beter gaan benutten. Er worden
goede stappen gezet. Zo waren er al initiatieven voor schermvesten voor
vrouwen en dat is heel goed. En vorige week is er een speciaal platform
gelanceerd voor vrouwengezondheid. Dat is ook echt super. Maar toch is
er nog een hoop werk aan de winkel, gezien de gewenste groei naar
122.000 mensen en de ambitie van 30% vrouw. We zien in de cijfers dat
het aantal vrouwelijke militairen al jaren stagneert rond de 12%, 13%.
Dus als we willen groeien, is daar meer aandacht voor nodig. Als we de
instroom en het behoud willen realiseren, is het hoog tijd dat vrouwen
zich niet langer hoeven aan te passen aan het systeem, maar dat het
systeem zich ook aanpast aan de mensen die Defensie sterker maken.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Die laatste zin, daar schrik ik eigenlijk een beetje van. "Systemen
moeten zich aan gaan passen om aan een vrouwenquotum tegemoet te kunnen
komen." Is de collega van D66 het met mij eens dat de eisen voor
opleiding en beleid bij sollicitaties niet mag leiden tot
voorkeursbeleid voor vrouwen — dat is dus per definitie
achterstellingsbeleid voor mannen — om dit doel te halen?
Mevrouw Jagtenberg (D66):
We pleiten ervoor dat vrouwen het meeste uit zichzelf kunnen halen om
ook de krijgsmacht sterker te maken. We pleiten er niet voor dat de lat
lager moet, maar we zien dat juist door inadequate uitrusting en kleding
vrouwen achterblijven. We zien namelijk dat als de lat gelijk is, de lat
eigenlijk hoger ligt voor vrouwen, doordat ze met verkeerde uitrusting
en verkeerde kleding aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen. Daartegen
moeten adequate maatregelen worden genomen, zodat vrouwen ook sterk
staan in hun kracht en aan dezelfde lat kunnen voldoen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Even ter verduidelijking. Dat vrouwen goede spullen en goede training
moeten krijgen om hun werk te doen, zijn we helemaal met elkaar eens.
Maar D66 is het dus ook met JA21 eens dat de opleidingseisen en de
toelatingsprocedures, de promotiekansen en de kansen bij een
sollicitatie voor vrouwen niet mogen worden aangepast om aan dat doel te
voldoen?
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Nee. Maar ik denk dat er wel een hoop andere dingen nodig zijn om aan
dat doel te voldoen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan meer rolmodellen in
het leiderschap. Als er meer vrouwen zijn, heb je rolmodellen en dat
zorgt ervoor dat je meer instromende vrouwen voor je organisatie kunt
behouden. We zien juist dat vrouwen zo ontzettend sterk zijn en zo
ontzettend veel te bieden hebben aan Defensie. Ik kan een hele lijst
voorbeelden opsommen van sterke vrouwelijke militairen, maar … Nou, ik
ga er toch eentje noemen. Ik doel dan op een vrouwelijke militair uit
Oekraïne. Ze deed eerst language studies en ze was helemaal niet de
stereotype vrouw die je bij Defensie zou verwachten, maar toen de
invasie in 2022 plaatsvond, besloot zij dat zij zich harder wilde
inzetten voor haar land. Zij is bij Defensie gegaan, maar zij vroeg zich
wel af wat iemand met de achtergrond van language studies te bieden zou
kunnen hebben. Zij is uiteindelijk combat medic geworden en iedere dag
redt zij leven aan het front. Dus vrouwen hebben Defensie heel veel te
bieden.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Voorzitter. Veel van wat vrouwen nodig hebben, maakt Defensie
uiteindelijk ook een betere werkgever voor iedereen. Daarom heb ik
vandaag de actieagenda Sterke vrouwen, sterke defensie gepresenteerd aan
de staatssecretaris. Hij heeft al vaker zelf gezegd dat hij een vader
van drie dochters is. Ik denk dat de staatssecretaris hier dan ook wel
raad mee weet.
Ik heb een aantal vragen. Wie is er binnen Defensie eindverantwoordelijk
voor het behalen van de doelstelling van 30% vrouwen? Is de
staatssecretaris bereid om één generaal expliciet met deze opdracht te
belasten? Waarom worden vrouwen eigenlijk nog verplicht om een rok te
dragen op plechtige momenten? En hoe wordt ervoor gezorgd dat veilig en
inclusief leiderschap daadwerkelijk meeweegt bij selectie, beoordeling
en bevordering van leidinggevenden? Dit is in lijn met de hierover
aangenomen motie-Bamenga.
Voorzitter. Het behouden van vrouwen én mannen gaat ook over goede
regelingen voor ouders. Zo zorgen we voor een levensloopbestendige
carrière bij Defensie. Hoe kan het, vraag ik de staatssecretaris, dat de
eerste negen weken van het ouderschapsverlof bij het Rijk voor 100% zijn
doorbetaald, maar bij Defensie maar voor 75%? Is de staatssecretaris
bereid dit op te brengen in de gesprekken met de vakbonden? Ik heb het
al een aantal keer gezegd: sterke vrouwen maken Defensie sterker. Laten
we ervoor zorgen dat Defensie die kracht volop kan benutten. Graag een
reactie van de staatssecretaris op deze punten en op de overige
voorstellen uit ons actieplan.
Voorzitter. Dan een ander stukje. Afgelopen zomer was ik in Oekraïne en
bezocht ik onder andere een militair trainingskamp, waar rekruten werden
opgeleid voor de medische basistraining voor militairen. Een van de
militairen die ik daar sprak, legde mij uit hoe door drones eigenlijk de
hele oorlogsvoering en de hele medische keten zijn veranderd. Met een
killzone van zo'n 40 kilometer wordt alles wat beweegt, gezien en
aangevallen door drones. Het is bijna geen doen meer om gewonde
militairen van het front terug te krijgen. Daarbij komt ook nog eens dat
Rusland geen rekening houdt met het humanitair oorlogsrecht en zelfs
medisch personeel aanvalt. Gelukkig heeft Oekraïne hier hele slimme
oplossingen voor: nieuwe manieren om met robots gewonden van het front
te halen, en een nieuwe planning en inrichting van de medische keten
voor het behandelen van gewonde militairen en bescherming van het
medisch personeel tegen drones. Hij benadrukte wel dat als de NATO de
medische keten blijft inrichten zoals het dat nu doet, we veel verliezen
gaan lijden, want elke seconde telt.
Hij bood gelukkig ook een oplossing. Hij had een heel boekwerk — ik heb
het vandaag meegenomen — meerdere boekwerken zelfs, over hoe de NATO de
medische keten kan verbeteren, van de planning, de logistiek en het
beschermen van medisch personeel tot het decentraliseren van die keten.
Zijn voorstel was helder: zet een bilateraal samenwerkingsverband op met
Oekraïne, een center of excellence, voor de militaire geneeskunde. Zo
kan Nederland leren van de meest recente geleerde lessen in Oekraïne en
kan Oekraïne profiteren van de hoogwaardige medische kennis en
technologieën van Nederland. Zo helpen we niet alleen onze eigen
medische keten sterker te worden, maar helpen we ook Oekraïne verder. Is
de staatssecretaris bereid hier opvolging aan te geven? Hoe kijkt hij
naar het idee om een concrete bilaterale samenwerking op medisch gebied
met Oekraïne op te zetten?
Voorzitter. In de Defensienota is veel te lezen over Defensie midden in
de samenleving. Dat is natuurlijk heel goed, want de samenleving heeft
Defensie heel veel te bieden. Een mooi voorbeeld zagen we al tijdens
corona, met de Nationale Zorgreserve: een pool aan professionals die bij
crises extra capaciteit leveren. Nederland is namelijk een land van
vrijwilligers. Miljoenen zetten zich dagelijks in. In Oekraïne zag ik
ook hoe sterk de samenleving Defensie kan ondersteunen. Ik zag
stichtingen, bedrijven en vrijwilligers die Defensie ondersteunen met
kennis, materieel en logistiek. Het initiatief van de Nationale
Zorgreserve om Defensie ook te ondersteunen en naast de zorgreserve ook
een reserve te hebben voor andere schaarse en cruciale beroepen, zoals
logistiek, techniek en IT, is supersympathiek. Zo versterken we niet
alleen Defensie, maar benutten we ook de kracht van de samenleving. Is
de staatssecretaris bereid om het initiatief van de Nationale
Zorgreserve te omarmen en ook voor andere cruciale beroepen, zoals
logistiek, techniek en IT, een nationale reserve op te zetten? Wat is er
tot op heden gebeurd met mijn aangenomen motie over combinatiebanen? Dat
is een klein bruggetje vanuit dit onderwerp.
Voorzitter. Dat is niet de enige motie waar ik nieuwsgierig naar ben,
want ik gebruik de tijd die we in dit debat hebben ook graag om te
vragen naar opvolging van andere moties. Eerder is mijn motie die vroeg
om meer in te zetten op vaardigheden en minder op diploma's, aangenomen.
Wat is daar tot op heden mee gebeurd? Ik heb dezelfde vraag over mijn
aangenomen motie over het voorbereiden en structureel contact houden met
het thuisfront van uitgezonden militairen. Wat betreft mijn aangenomen
motie over ketenregie binnen de veteranenzorg was ik eigenlijk niet
supertevreden met het antwoord dat de staatssecretaris hierover gaf in
zijn laatste brief aan onze Kamercommissie. Er wordt namelijk geschreven
dat er geen signalen waren voor aanvullende regie, maar in mijn betoog
tijdens het veteranenoverleg gaf ik aan dat er zo'n 200 casussen lopen
die dit wel echt degelijk verzoeken, en dat bij gebrek aan deze
ketenregie de regie uiteindelijk bij het thuisfront komt te liggen. Dus
ik vraag graag aan de staatssecretaris: op welke signalen baseert de
staatssecretaris zijn conclusie? Is de staatssecretaris bereid dieper in
de casussen te duiken waarbij het niet goed is gegaan? En hoe sluit deze
houding aan op de wens om meer over te gaan op een brengplicht in plaats
van een haalplicht?
Voorzitter. Eerder hebben we ook Kamervragen gesteld over de positie van
reservisten, die een belangrijke rol spelen bij de veiligheid en
schaalbaarheid van onze krijgsmacht. Er werd duidelijke opvolging
toegezegd. Daarover heb ik een paar vragen. Hoe staat het met de eerder
toegezegde verbetering en verduidelijking van de rechtspositie van
reservisten in hun arbeidsrelatie met hun civiele werkgever en met
Defensie? Ook gaf Defensie eerder aan te kijken naar toekenningscriteria
voor de tegemoetkoming en de hoogte van het bedrag van de
tegemoetkoming. Gaat Defensie hierin concreet stappen zetten? Ik heb nog
een andere vraag over reservisten: hoe verklaart de staatssecretaris de
salarisbetalingsachterstanden van zo'n twee tot vier maanden die
regelmatig voorkomen, zoals ook is gemeld door de vakbonden?
Voorzitter, tot slot. Uiteindelijk gaat de kracht van Defensie over
mensen die voor elkaar klaarstaan en die samen de verantwoordelijkheid
nemen voor iets wat groter is dan zijzelf, over militairen en de
samenleving daaromheen die zeggen: als het nodig is, staan wij er. Als
wij toe willen groeien naar een krijgsmacht van 122.000 mensen, moeten
we die kracht koesteren, ruimte geven en beter benutten. Want wie mensen
de ruimte geeft om het beste van zichzelf te geven, bouwt aan een
Defensie die klaar is voor de toekomst.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank voor het betoog. Er staat nogal wat op het spel op dit moment als
het gaat over Defensie. Je zou denken dat religieuze feesten en welke
beter zijn dan andere het belangrijkste is, maar als je kijkt naar de
miljarden die op dit moment worden gegraaid uit de zorg en onze sociale
zekerheid om aan Defensie te geven, dan is dat nogal wat. Waar wij
recentelijk heel veel jongeren over hebben gesproken, is de inzet
richting de opkomstplicht. Dat betekent dus dat jongeren onder dwang het
leger in zouden moeten in vredestijd. Ik heb het verkiezingsprogramma
van D66 erop nageslagen: tot de verkiezingen was D66 nog voor
vrijwilligheid. Vlak daarna kwam D66 met een plan om dat gedwongen te
doen, dus dat jongeren gedwongen in dienst zouden moeten. Wij hebben ook
jongeren gesproken die D66 hebben gestemd en het gevoel hebben dat hun
een rad voor ogen is gedraaid. Is dat ook zo volgens D66?
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Ik snap de angst en de zorgen van een hoop jongeren best. Kijk naar hoe
zij nu opgroeien: in een tijd van oorlog op ons continent, in een tijd
waarin je digitaal niet veilig bent, in een tijd waarin er veel meer
aandacht moet zijn voor het klimaat. Het zijn bizarre tijden voor
opgroeiende jongeren. Wat mevrouw Dobbe schetst, klopt niet helemaal. We
proberen een wet die ineens van 0 tot 100 gaat … Als de
veiligheidssituatie erom vraagt, wordt iedereen tussen de 18 en 45 jaar
opgetrommeld. Dat is totaal onwenselijk en logistiek ook volledig
onhoudbaar. Het kabinet werkt nu aan een voorstel om gelaagdheid aan te
brengen in de opschaling, waarbij in de basis wordt uitgegaan van zo
lang mogelijk vrijwilligheid. Mijn fractie staat voor die basis en
blijft daar ook altijd voor staan.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat klopt natuurlijk niet helemaal. Kijk, D66 heeft het over wat er
gebeurt in oorlogstijd. Ja, in oorlogstijd wordt iedereen opgetrommeld.
Maar nu gaat het over vredestijd, het gaat over het dwingen van jongeren
om het leger in te gaan, dus jongeren die niet willen; anders zou je
niet hoeven toewerken naar een plicht. Het is een plicht, dus je dwingt
jongeren om het leger in te gaan, in vredestijd. De dwangladder, die
escalatieladder van Defensie — de dwang loopt op: van een verplichte
enquête, naar een verplicht gesprek en vervolgens naar een verplichte
medische keuring — eindigt heel duidelijk in gedwongen het leger ingaan.
Als D66 zegt "wij staan voor vrijwilligheid", dan zou ze nu moeten
zeggen: wij willen niet dat het einde van die ladder, dus gedwongen het
leger ingaan, wordt uitgewerkt. Zegt D66 dat ook, of zegt D66: nee, we
werken inderdaad toe naar dwang; dat is iets wat we voor de verkiezingen
zeiden niet te doen, maar na de verkiezingen wel gaan uitvoeren?
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Waar wij naartoe willen werken, is een gelaagdheid waarbij zo lang
mogelijk wordt uitgegaan van "op basis van vrijwilligheid", daar waar in
de huidige situatie iedereen direct verplicht wordt.
De heer Boon (PVV):
Ik wil daar toch wel op ingaan, want ik vind dit een heel sterk punt van
mevrouw Dobbe en van de SP over de vredestijd en de rekbaarheid. Het
grijze gebied kan natuurlijk opgerekt worden. Mensen hebben daar totaal
geen zicht op. Het is heel gemakkelijk om te bepalen wanneer de oorlog
wordt verklaard, maar hoe gaan we dat bepalen in het grijze gebied als
dat steeds groter wordt? Zal dit enkel bij de minister van Defensie
worden neergelegd? Wie gaat bepalen wanneer vredestijd geen vredestijd
meer is?
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Ik ga even in op het zwart-witte beeld van vredestijd en oorlogstijd. Ik
denk dat wij ons er allemaal van bewust zijn dat we inmiddels in een
grijs gebied zitten, dat we daar heel adequaat mee om moeten gaan en dat
het na 30 jaar bezuinigen op Defensie hoog tijd is dat we gereed zijn
voor het kunnen waarborgen van vrede en veiligheid. Naar de precieze
uitwerking van het wetsvoorstel is ook mijn fractie superbenieuwd. In de
laatste brief van het kabinet hebben we kunnen lezen dat in ieder geval
aan drie voorwaarden moet worden voldaan voordat een volgende stap in de
escalatieladder genomen kan worden. Mijn fractie is ook heel benieuwd
naar de verdere uitwerking daarvan.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Dobbe voor haar eerste
termijn.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik weet dat iedereen bij Defensie en op het
ministerie keihard werkt, maar het moet mij toch van het hart dat ik met
veel spanning heb uitgekeken naar de beantwoording van de feitelijke
vragen. Die wilde ik namelijk ook betrekken bij de voorbereiding van dit
debat. Misschien zijn die antwoorden er nu wel — dat weet ik niet — maar
dat die er een paar minuten geleden nog niet waren, vind ik wel jammer.
We kunnen het debat immers beter voeren als we de antwoorden op de
vragen daadwerkelijk krijgen.
Voorzitter. Veel jongeren maken zich enorme zorgen over het plan van dit
kabinet om de opkomstplicht weer in te voeren. Onder dwang het leger in
moeten in vredestijd: dat is enorm ingrijpend in de levens van jongeren
en het is een verregaand dwanginstrument. Dit kabinet is de
escalatieladder richting de opkomstplicht nu aan het voorbereiden.
Jongeren staan nu dus ook op voor hun toekomst en komen in verzet. Ik
snap dat, want wat zegt deze staatssecretaris tegen de jongeren, de
kinderen die niet het leger in willen, maar straks mogelijk gedwongen
worden om toch het leger in te gaan? Wat zegt dit kabinet tegen de
jongere die zegt: "Ik kan geen huis vinden. Dit kabinet doet niets voor
mij, maar nu wil het mij toch onder dwang het leger in laten gaan."? Wat
zegt dit kabinet tegen al die jongeren voor wie dit kabinet nu niet
thuis geeft, die geen betaalbare woning kunnen vinden en naar wie niet
wordt geluisterd, maar voor wie wel plannen voor een opkomstplicht
worden gemaakt? Wat zegt dit kabinet tegen de jongere die zegt: "Ik wil
het leger niet in, maar nu willen ze mij dwingen om het leger in te
gaan. Ik vind dat doodeng. Dat wil ik niet."? Wat zegt u tegen de moeder
die ik gisteren sprak en die niet wil dat haar zoon verplicht het leger
in moet, die niet kan slapen van de gedachte dat dat gebeurt? Dat zijn
namelijk wel de vragen die wij krijgen, de onzekerheid die nu bestaat en
de verhalen die wij horen.
Ik vraag dit kabinet dan ook om te stoppen met het voorbereiden van die
opkomstplicht, om nu duidelijkheid te geven aan al die jongeren en hun
ouders en om te werken aan wat jongeren nú nodig hebben: een betaalbaar
huis, goed onderwijs, betaalbare boodschappen. Dat is wat jongeren nodig
hebben. Want hoe zit het nu? Aan de ene kant wil dit kabinet ons
geruststellen door te zeggen dat het allemaal wel mee zal vallen, dat er
waarschijnlijk geen dwang nodig zal zijn en dat het waarschijnlijk wel
zal lukken met de werving van vrijwilligers. Aan de andere kant is het
kabinet die dwangladder nu aan het uitwerken en is het sancties aan het
uitwerken voor jongeren die niet gedwongen het leger in willen. Moeten
zij straks de gevangenis in? Moeten zij boetes betalen, waardoor
bijvoorbeeld mensen met geld de dienstplicht kunnen afkopen? Ja, dat is
deze staatssecretaris nu aan het uitwerken. Als het kabinet zegt
"waarschijnlijk is het niet nodig", wat bedoelt het kabinet daar dan
mee? Is dat gewoon een opmerking om ons rustig te houden, terwijl
ondertussen wél gewoon alles wordt klaargezet omdat het kabinet ervan
uitgaat dat die dwang er toch gaat komen? Als de opkomstplicht volgens
deze staatssecretaris waarschijnlijk niet nodig zal zijn, dan zal het
verschil tussen wat gewenst is en de daadwerkelijke realiteit klein
moeten zijn. Anders zou deze staatssecretaris dat niet zeggen. Juist
dan, als het blijkbaar zo'n klein verschil gaat worden, gaat het wel
heel ver om een dwangmaatregel te nemen. Graag een antwoord. Wat ons
betreft gaat de opkomstplicht van tafel en wordt ook de voorbereiding
daarvan gestopt.
Er is een motie van DENK en de SP aangenomen waarin is verzocht geen
enkele stap in de ladder van verplichte enquête, keuring en
opkomstplicht in te voeren zonder voorafgaande instemming van de Tweede
Kamer. Tegelijkertijd loopt er nu een traject voor de Wet op de
defensiegereedheid. Hoe werkt het dan als de Kamer in zou stemmen met de
Wet op de defensiegereedheid? Mag de minister van Defensie dan bepalen
dat een opkomstplicht alsnog nodig is als hij dat nodig vindt voor de
defensiegereedheid? Wat betekent dat dan voor een goedkeuring door de
Kamer en voor instemming van het parlement? Graag ook hier een antwoord
op.
De vraag is dan natuurlijk op basis waarvan dit allemaal gebeurt. De
groei en uitbreiding van Defensie en dus de werving van
Defensiepersoneel zijn gebaseerd op de 5%-NAVO-norm. Laten we er hier
eerlijk over zijn met elkaar dat we weten dat dit uit de koker en dus
het zakenmannenhoofd van Trump komt. Dat is de daadwerkelijke
onderbouwing van die NAVO-norm van 5%, want die was nog niet aan de orde
voordat hij dat riep. Dit is dus niet "doen wat nodig is", maar "doen
wat Trump wil". Op basis daarvan moet onze Defensie nu groeien naar
122.000 voltijdbanen in 2035. Maar als we bekijken hoeveel actieve
militairen er nu zijn in de Europese NAVO-landen, dan zien we dat dit er
al veel meer zijn dan Rusland heeft. Ik hoorde hier ook een aantal keer
zeggen: we moeten ons kunnen verdedigen. Hoezo zouden we ons nu niet
kunnen verdedigen? Leg dat dan uit. Volgens de cijfers hebben de
Europese NAVO-landen nog steeds ongeveer 700.000 meer actieve militairen
dan Rusland. Ik zou ook durven stellen dat die een stuk beter getraind
zijn. Ook zie je dat de hele NAVO — volgens het kabinet, dus niet per se
volgens ons, is dat de pilaar van ons veiligheidsbeleid — ongeveer 2
miljoen meer actieve militairen heeft dan Rusland. Volgens mij is het
dus een legitieme vraag: hoeveel keer meer militairen heb je dan nodig
om afschrikwekkend te zijn als het om Rusland gaat? Nu gaat het om
ongeveer drie keer zoveel actieve militairen in vergelijking met
Rusland. Moet dit dan vier keer of vijf keer worden om afschrikwekkend
te zijn? Wat is dan de onderbouwing waardoor onze jongeren misschien met
dwang in dienst zouden moeten?
Voorzitter. Voor het volgen van een minor bij Defensie krijgt een
student ongeveer €2.300 per maand. Dat is nogal een verschil met andere
studenten die voor hun studie moeten betalen. We spreken ook studenten
die stage moeten lopen, soms voltijds, zonder enige stagevergoeding.
Daardoor kunnen ze niet rondkomen. Ondertussen worden er klassen naar
huis gestuurd omdat er lerarentekorten zijn, en zijn er schreeuwende
tekorten van personeel in de zorg. Dat zijn toch ook de cruciale
beroepen in onze samenleving? Dit is toch een pijnlijk verschil? Ziet de
staatssecretaris dat ook? Dat is toch niet uit te leggen aan al die
andere studenten?
Voorzitter. Ik weet dat de militaire vakbonden zorgen hebben over het
arbeidsrecht. Kan de staatssecretaris garanderen dat met de wetten en de
plannen die nu worden uitgewerkt en eraan komen, er geen wijzigingen
komen in medezeggenschap en de vakbondsrechten van Defensiepersoneel?
Mensen die voor Defensie werken, verdienen respect en waardering. Dat
lijkt onder druk te staan en mag niet lijden onder de besluiten die aan
de top worden gemaakt.
Tot slot. Ik wil het ook hebben over vrouwen bij Defensie. Wij hebben
vorige week hier in de Kamer een debat gehad naar aanleiding van onze
initiatiefnota over hulp en steun aan vrouwen na seksueel geweld. In
onze samenleving kan heel veel beter, onder andere dat vrouwen eigen
risico moeten betalen als ze een medisch onderzoek willen na
bijvoorbeeld verkrachting. Ik vraag mij het volgende af. Defensie is een
afspiegeling van de samenleving. Hoe is dat nu geregeld bij Defensie?
Dat is een organisatie waarin mensen heel erg nauw samenwerken. Als daar
seksueel overschrijdend gedrag plaatsvindt, hoe wordt daar dan mee
omgegaan, welke steunmechanismes zijn er dan, welke hulp is er dan en
welke zorg is er dan voor slachtoffers van seksueel geweld of seksueel
overschrijdend gedrag?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van Lanschot heeft een interruptie.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dank aan collega Dobbe voor haar betoog. Er wordt gepraat over jongeren
die tegen mogelijke vormen van dwang zouden zijn. Laten we even
nuanceren dat dit niet om alle jongeren gaat, maar inderdaad, enkele
groepen jongeren protesteerden ook gisteren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat zijn twee vragen, dus ik ga ook twee antwoorden geven. Het CDA zegt:
er kunnen groepen jongeren tegen mogelijke vormen van dwang zijn. Laten
we effe eerlijk zijn. Als je werkt aan een opkomstplicht voor alle
jongeren ... Je hoeft het niet te verplichten voor de jongeren die het
willen. Met een plicht dwing je jongeren die dat niet willen, om alsnog
in vredestijd in het leger te gaan. Ik zou het niet willen
bagatelliseren. Dat er ook jongeren zijn die dat wel willen, is prima.
Maar die hoef je niet te dwingen. Dit gaat om de jongeren die het niet
willen. Dat is gewoon pure dwang.
Het tweede is het volgende. Ik heb ook Twitter gevolgd, of X, zoals het
tegenwoordig heet; sorry, voorzitter. Ik mag toch hopen dat mijn
mede-Kamerleden zich beter inlezen dan de gemiddelde twitteraar dat doet
op X. Ons standpunt is dat je de militaire steun voor verdediging aan
Oekraïne niet moet stopzetten. Dat hebben we altijd uitgedragen. Daar
kan dus geen verwarring over zijn. Daar staan wij voor. Als er mensen
zijn die wat anders vinden, moet u dat aan hen vragen, maar niet aan
ons.
De heer Van Lanschot (CDA):
Ziet mevrouw Dobbe het leveren van drones aan Oekraïne als verdediging
of als aanval?
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat vind ik eigenlijk een hele goede vraag. Wij zijn altijd kritisch
geweest op het leveren van aanvalswapens aan Oekraïne. Daar hebben we
hier ook meerdere debatten over gehad. Waarom zijn we daar kritisch op
geweest? Niet omdat we niet vinden dat Oekraïne zich moet kunnen
verdedigen tegen de Russische oorlog, de illegale oorlog die Poetin daar
voert, want dat vinden we wel. Maar als het materiaal betreft dat wij
leveren, dat Nederland levert, levert dat een risico op verdere
escalatie en onze betrokkenheid bij die oorlog op. Daar hebben we het in
de Kamer al meerdere malen over gehad. In het geval van een drone ligt
het dus heel erg aan het gebruik ervan. Ik vind dat wij goede afspraken
moeten maken, met Oekraïne maar ook met alle andere landen. Ik ben een
van de meest kritische Kamerleden als het gaat over wapenexport richting
Oekraïne maar ook richting alle andere landen waar wapens naartoe worden
geëxporteerd of geleverd, maar ik vind dat je altijd moet kijken
waarvoor de wapens die we leveren worden gebruikt en dat je daar goede
afspraken over moet maken. Ik vind dit ook als het gaat om Oekraïne. Ik
heb daar eerder ook andere vragen over gesteld aan deze staatssecretaris
of aan de minister van Defensie. We moeten ook kijken waar die wapens na
levering voor worden gebruikt. Dat geldt niet alleen voor Oekraïne, maar
ook voor andere landen. Als wij met Oekraïne afspreken dat wapens niet
zullen worden gebruikt voor aanvallen in Rusland, dan zou dat ook niet
moeten gebeuren. Ik zou u vooral willen stimuleren om kritisch te kijken
waar wapens naartoe gaan. Want laten we eerlijk zijn: de bewapening van
de wereld die op dit moment plaatsvindt, waarmee de wapenindustrie
ontzettend veel winst maakt, zorgt ervoor dat deze wereld wordt
overspoeld met wapens. Wij moeten dus heel goed kijken waar al die
wapens naartoe gaan, want die worden niet allemaal geleverd aan het
front in Oekraïne; die gaan de hele wereld over. Daarom moeten wij daar
heel kritisch op blijven, denk ik.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat was een mooi betoog. De SP was ook bij de vredesdemonstratie van
gisteren, denk ik. Dat is ook mooi. Ik zag een pamflet langskomen van de
SP-campagne met "Ik kies voor vrede". Maar dan heb ik toch een vraag,
niet om vervelend te zijn, maar gewoon om het te begrijpen. De SP heeft
tegen onze motie gestemd, waar geen consideraties bij zaten. Dat was een
kale tekst — ik zei het net ook tegen de heer Boon — namelijk: "de Kamer
spreekt uit dat de oorlog in Oekraïne niet onze oorlog is". Voor mij is
dat tegengesteld. Misschien kan mevrouw Dobbe dat toelichten. Hoe kun je
enerzijds zeggen "ik kies voor vrede" en anderzijds zeggen "de oorlog in
Oekraïne is onze oorlog", met alle implicaties die dat heeft?
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank voor deze vraag. Wij stemmen wel vaker tegen moties van Forum voor
Democratie. Dat is nou eenmaal wat het is. Wat deze specifieke motie
betreft: wij voeren ook debatten met Forum voor Democratie over Oekraïne
en over de Russische agressie, en we staan echt wel anders in de analyse
van wat daar gebeurt en wie daar schuld aan heeft. Ik zag bijvoorbeeld
ook een woordvoerder van Forum voor Democratie die niet wilde stellen
dat Rusland verantwoordelijk zou zijn voor het neerhalen van de MH17.
Dat vind ik zó pijnlijk voor de slachtoffers. De achtergrond van de
motie waar Forum nu naar verwijst, impliceert natuurlijk dat wij geen
steun zouden moeten leveren aan Oekraïne om zichzelf te verdedigen tegen
de Russische agressie. Daar hebben wij tegen gestemd, want daar zijn we
het gewoon fundamenteel over oneens.
De voorzitter:
Dit is uw laatste interruptie, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dit is toch wel opmerkelijk. Mevrouw Dobbe laat zich toch een beetje in
de kaarten kijken door te zeggen: het is een FVD-motie, dus daar stemmen
we tegen. Jawel, dat hoorde ik toch wel een beetje. Die motie had geen
overwegingen. Je stemt en je bent verantwoordelijk voor je stem. Het
gaat niet zozeer om wat je zegt. Dat is ook wat ik de hele tijd zeg: het
gaat niet om wat mensen hier zeggen, maar om wat ze stemmen. Dat is veel
belangrijker. Wij dienden een motie in zonder overwegingen, waarin
staat: "de Kamer spreekt uit dat de oorlog in Oekraïne niet onze oorlog
is". Daar stemt de SP tegen. Er stonden verder geen overwegingen en geen
implicaties in. Ik concludeer dus dat de SP vindt — als dat niet zo is,
hoor ik dat graag van mevrouw Dobbe — dat dit onze oorlog is. Dat heeft
nogal implicaties, want dan moet je natuurlijk ook wapens leveren. Dan
moet je er helemaal in meegaan. Dan moeten we onze jongeren die
vleesmolen in gooien. Het is dus best wel een verantwoordelijke taak. Je
moet goed stemmen. Dat is eigenlijk mijn oproep hier. Je moet niet
zeggen: oké, het is een FVD-motie, dus daar stemmen wij tegen. Dat vind
ik een hele laakbare houding.
Mevrouw Dobbe (SP):
Maar vóór deze motie stemmen betekent niet dat we niet goed zouden
hebben gestemd, hoor. Overigens, ik zei net dat we tegen een heleboel
moties van Forum voor Democratie hebben gestemd, maar we hebben ook
weleens vóór moties van Forum voor Democratie gestemd. U kunt dus niet
tegen ons aanhouden dat we dat principieel niet zouden doen. Wij kijken
altijd op inhoud, maar we kijken ook naar de context van het debat
waarin een motie wordt ingediend. Op het moment dat het debat zo
verloopt dat daar een woordvoerder van Forum voor Democratie zit die
allerlei gekkigheid vertelt over wie er schuld zou hebben aan de inval
van Rusland in Oekraïne, beoordelen wij een motie ook op de context van
dat debat. Deze motie zou impliceren — want dat zou het gevolg dan ook
zijn — dat we geen militaire steun zouden geven aan Oekraïne om zich te
verdedigen tegen de inval van Rusland. Daar zijn we fundamenteel op
tegen.
Waar we elkaar denk ik kunnen vinden, is dat wij altijd hebben gezegd
dat militaire steun niet genoeg is. Er moet daarnaast ook een pad naar
vrede zijn. Er moeten ook onderhandelingen zijn, omdat we willen dat er
zo snel als mogelijk een einde komt aan die oorlog en deze oorlog wordt
beëindigd aan de onderhandelingstafel. Er moet dus zo snel als mogelijk
een staakt-het-vuren komen, omdat er nu al 2 miljoen slachtoffers zijn
van die oorlog. Dus daar kunnen we elkaar vinden, maar soms, meneer Van
Houwelingen, lopen wij ook uiteen.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Van Lanschot, het woord is aan u.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dank, voorzitter. Een sterke krijgsmacht kan alleen functioneren met een
weerbare samenleving waarin burgers, werkgevers en maatschappelijke
organisaties weten welke bijdrage zij kunnen leveren. Niet voor niets
schrijft de Defensienota 2026: "De schaalbare krijgsmacht heeft civiele
partners nodig om mee te bewegen met het stadium van dreiging waarin we
ons bevinden, om capaciteiten uit de organisatie en samenleving
beheersbaar en in relatief korte tijd in te kunnen zetten." Mevrouw
Nanninga maar ook andere collega's benadrukten het net al: een
zogenaamde whole of society approach. Hoe kun je dat nou vormgeven? Het
CDA ziet een model voor zich met vier kringen die van klein naar groot
gaan. In het hart heb je onze beroepsmilitairen, daaromheen een tweede
schil met militair reservisten en Dienjaardeelnemers, de derde schil
bestaat dan uit burgerreservisten met algemene en specialistische
capaciteiten, en in de vierde daaromheen zit de rest van de
samenleving.
Op die schil van de burgerreserve wil ik vandaag graag inzoomen, want
veel Nederlanders willen bijdragen aan onze weerbaarheid en het
doorkomen van de eerste 72 uur van een crisis. Denk aan de Nationale
Zorgreserve, vandaag al een paar keer genoemd, met 6.500 voormalige
zorgprofessionals. Dat is prachtig, maar niet genoeg. Als het spoor
dagenlang gesaboteerd wordt, dan hebben we chauffeurs nodig. Als onze
gemalen in gevaar zijn, dan hebben we beveiligers nodig. Als ons
elektriciteitsnetwerk wordt platgelegd, dan hebben we monteurs nodig. En
wie opent eigenlijk het noodsteunpunt in jouw wijk? Het CDA wil de
krachten bundelen van mensen van goede wil. Daarom moet het kabinet
maatschappelijke burgerreserves oprichten en wel met een sterkte van
150.000 man en vrouw. Concreet gaat het om 130.000 burgerreservisten met
algemene vaardigheden en 20.000 met specialistische vaardigheden:
techniek, logistiek, veiligheid en zorg. Mevrouw Jagtenberg noemde dat
net ook al. En voor de goede orde: hierbij bouwen we als CDA, vanuit een
goede traditie, voort op wat er vanuit de samenleving al in beweging is
gezet in plaats vanuit de mooie ivoren toren hier in Den Haag.
Ik begin met algemene vaardigheden. Het maatschappelijk initiatief de
BurgerReserve verwacht eind 2026 ongeveer 1.000 inwoners te hebben
getraind. Dat gaat om hoe te handelen in een crisis, elkaar te helpen en
aan te sluiten op de lokale crisisaanpak. De kosten om op te schalen
naar 130.000 van deze reservisten in 2030 bedragen ongeveer 100 miljoen
euro. Het mooie is: dat wordt hoofdzakelijk gefinancierd door
deelnemende bedrijven en door particulieren. Zou het nou niet fijn zijn
als de overheid haar publieke bijdrage zou kunnen leveren door giften in
natura? Veel van de kosten bestaan namelijk uit bijvoorbeeld het gebruik
van logistiek op Defensieterreinen of opleidingen daar. Daartoe zullen
we in de tweede termijn een motie indienen.
Dan specifieke vaardigheden. We hebben het net al even gehad over de
techniek-, logistiek- en veiligheidsreserve. We zullen een motie
indienen om die op te richten in 2027, op een eenduidige manier via
maatschappelijke organisaties. Die motie wordt mede-ingediend door
collega Van Dijk van de SGP, mevrouw Ten Hove van de Groep Markuszower,
mevrouw Jagtenberg van D66 en collega Nanninga van JA21. Bij het
opschalen van deze burgerreserves hebben veteranen een belangrijke rol.
Die kunnen namelijk meehelpen met deelnemers trainen, maar ook de
leiding nemen in crisissituaties en de communicatie met de
veiligheidsregio's.
Voorzitter. We moeten het natuurlijk ook even hebben over de selectieve
opkomstplicht — onze fractie heeft er al eerder voor gepleit — waarbij
iedere jongere een verplichte enquête krijgt. Elementen van dwang zijn
niet leuk, maar moeten op tafel liggen als stok achter de deur. Zoals de
collega van D66 net al noemde, is dit een model waarin vrijwilligheid zo
lang mogelijk in stand moet blijven, zoals de staatssecretaris ook van
plan is uit te werken. Het is vooral belangrijk dat we kijken naar
motivatie, geschiktheid en wat Defensie daadwerkelijk nodig heeft.
Laten we ook eventjes rekenen, om misschien toch wat angst weg te nemen.
Een zogenaamd cohort, dus een aantal mensen in één levensjaar, is
ongeveer 200.000 als je uitgaat van een normaalverdeling van de
Nederlandse samenleving. Als daarvan 10% geïnteresseerd is om bij
Defensie aan de slag te gaan, heb je het over 20.000 kandidaten. Onze
sommetjes laten zien dat je ongeveer 10.000 mensen nodig hebt op
jaarbasis om toe te groeien naar een krijgsmacht met een omvang van
ergens tussen de 100.000 en 120.000. Kortom, 10% gemotiveerden is al
genoeg om dit te bereiken. Laten we dus met z'n allen vooral inzoomen op
hoe we die gemotiveerde jongeren snel aan de bak krijgen. Als mensen het
misschien spannend vinden om een oproep te krijgen en niet onder de
wapenen willen, is dat heel begrijpelijk. Die kunnen we op een andere
manier inzetten, zoals ik net al noemde bij de burgerreserves.
Het maatschappelijk rendement van dienen is een aspect waarover het
eigenlijk heel weinig gaat. Het was mooi dat generaal buiten dienst Mart
de Kruif dat inbracht vorige week. Jongeren met verschillende
opleidingen worden uit hun bubbel en verschillende achtergronden
gehaald. Ze krijgen training in samenwerken, verantwoordelijkheid nemen,
omgaan met druk, plannen en praktische problemen oplossen. Daarom vragen
we ook aan de staatssecretaris of hij in kaart kan brengen welke
diploma's kunnen worden erkend van jongeren die actief zijn voor
Defensie, zodat ze er daarna ook mee aan de slag kunnen. Het is
overigens interessant — wij willen dat ook graag weten — of de
staatssecretaris het maatschappelijke rendement kan meten dat wordt
behaald bij het invoeren van deze selectieve opkomstplicht. Ik doel dan
op de uitvoering ervan. Dat is een vraag die wij hebben.
Tot slot, voorzitter.
De voorzitter:
U heeft eerst een interruptie van de heer Bolhuis.
De heer Bolhuis (PRO):
Ja, ik heb een interruptie over de selectieve opkomstplicht en dan
vooral de communicatie. U zei net: ik wil niet een heel debat voeren
over standaardverdeling en cohorten en noem maar op. Maar ik begrijp uit
de stukken dat nu volgens mij 3% of zo van de enquêtes die worden
meegestuurd wordt ingevuld door 17-jarigen. Dat is echt heel laag; dat
is lager dan wat u zegt. Ik denk dat we daar dus nog wel een gaatje
hebben met elkaar. Ik merk dat er behoorlijk wat onrust is onder
jongeren, die bij het ontvangen van de enquête vooral meer angst krijgen
dan bewustwording dat er iets moet gebeuren. Ik vraag me af hoe u
daarnaar kijkt. Vindt u ook niet dat we vooral bewustwording moeten
kweken en niet angst?
De heer Van Lanschot (CDA):
Eerst wat cijfers: ik meen dat de reactie op die enquête 8% was. Die was
vrijwillig, dus daarmee hebben mensen ook een optie om niet te reageren.
Instroom vindt natuurlijk niet alleen plaats via die enquête. Mensen
hebben ook andere kanalen om zich aan te melden. Maar ook 8% is een vrij
lage reactie. We weten natuurlijk allemaal dat pubers enige mate van
laksheid kunnen hebben, maar meer dan 8% zou toch wel haalbaar moeten
zijn. Ik begrijp heel goed dat er bij sommigen angst is. Dat is ook
terecht, want het is geen vrede meer op dit continent. Het is belangrijk
dat wij, vanuit de Kamer en het kabinet maar ook generaals buiten
dienst, zoals u noemde, en denktanks, in het publieke debat het publiek
duidelijk maken wat er op het spel staat. Het is ook niet niets.
De heer Bolhuis (PRO):
Ik wil geen debat gaan voeren over pubers, maar wel over het gegeven dat
we horen dat de informatie voor deze jongeren vooral uit social media
komt. Daar gaan ook allerlei verhalen rond over wat er zou moeten
gebeuren, hoe de oorlog verloopt en ook wat je met de enquête zou moeten
doen als je die invult en wat het gevolg daarvan is. Is de heer Van
Lanschot het met mij eens dat de regering wel een verantwoordelijkheid
heeft om jongeren goed te informeren? Op het moment dat zij op andere
plekken hun informatie krijgen, moet de regering ook kijken hoe ze op de
juiste manier via social media de informatie bij deze jongeren
krijgt.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dat is een uitstekend punt van de heer Bolhuis. Als ik me niet vergis,
ligt er bij de kabinetsplannen en bij deze begroting een initiatief voor
een centrum — ik weet de exacte afkorting even niet — voor het tegengaan
van onjuiste informatie die onder andere via social media verspreid
wordt. Dat is gewoon gif en daar moeten we vol tegen ingaan.
De voorzitter:
Meneer Van Lanschot, vervolgt u uw betoog.
De heer Van Lanschot (CDA):
Ja, voorzitter. Ik was bijna klaar. Ik heb nog één vraag aan de
staatssecretaris over noodsteunpunten. Als we een weerbare samenleving
echt zo belangrijk vinden en ook ons vertrouwen daarin durven te
stellen, durven we dan ook de sleutel van het noodsteunpunt niet alleen
aan gemeenteambtenaren te geven, maar ook aan mensen in de wijk?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan u, meneer De Groot, voor uw eerste termijn
namens de VVD.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Defensie groeit en dat is hard nodig om gereed
te kunnen staan nu we zien dat het dreigingsbeeld in Europa en voor
Nederland in een snel tempo aan het veranderen is. Defensie moet
opschalen. Hoofdtaak één van Defensie, het beschermen en verdedigen van
het eigen grondgebied en dat van bondgenoten, vraagt om een parate
krijgsmacht en een sterke pijler in de NAVO. Dat betekent meer
militairen en een weerbare samenleving. Dat betekent overigens ook dat
we pal achter Oekraïne moeten blijven staan en dat de steun aan Oekraïne
door moet blijven gaan.
De vraag van vandaag is dan ook of Defensie snel genoeg groeit om die
belangrijke taak straks ook echt uit te kunnen voeren. De Defensienota
gaat uit van 102.000 mensen in 2030 en daarna een verdere groei naar
122.000 mensen. Tegelijkertijd staan er nog veel vacatures open.
Afgelopen juli waren er zo'n 8.000 tot 10.000 vacatures voor
beroepsmilitairen. Er mag geen grotere organisatie op papier ontstaan:
het is zaak om in de praktijk meters te blijven maken. Voor de VVD telt
daarom het resultaat. Hoeveel mensen zijn er gekeurd, opgeleid, behouden
en daadwerkelijk inzetbaar? Waar loopt het nu precies vast? In het
vorige personeelsdebat spraken we over keuringscapaciteit, instructeurs,
opleidingen, behoud na FLO, hybride banen en ga zo maar door. We kunnen
niet bij ieder debat opnieuw vaststellen dat er knelpunten zijn. Er moet
zichtbaar tempo komen.
De Kamer heeft inmiddels van het kabinet een tijdlijn voor de komende
jaren ontvangen. Wil de staatssecretaris daarom ook vanaf de volgende
Stand van Defensie per jaar laten zien hoe de realisatie zich verhoudt
tot het pad? Wil hij ook niet alleen de aantallen medewerkers tonen,
maar ook de vervulling van schaarse functies en het aantal mensen dat na
opleiding daadwerkelijk beschikbaar is voor inzet? Als Defensie niet op
koers ligt, wil de VVD namelijk graag weten hoe groot het verwachte
tekort is en welke maatregel dat tekort gaat verkleinen. Wat zijn
vandaag eigenlijk de drie grootste knelpunten in de keten? Zo kan ik wel
even doorgaan, maar het gaat dus over de overgang van papier naar
praktijk. Ik heb nog één specifieke vraag daarover aan de
staatssecretaris: welke rol kunnen schoolstages nog spelen in het wekken
van voldoende belangstelling voor Defensie en wat er speelt in de
wereld? Daar ging de discussie net ook al over. Ik vraag de
staatssecretaris graag om concrete antwoorden op deze vragen.
Voorzitter. Ondanks de nadruk dat er meer militairen bij moeten komen
bij Defensie, wil ik dit moment ook graag gebruiken om iedereen die dag
en nacht werkt, waar ook ter wereld, om ons land en dat van de
bondgenoten veilig te houden, te bedanken en te zeggen dat we pal achter
het werk staan dat jullie doen. Dank jullie wel.
Voorzitter. Dan mijn tweede punt: het behouden van waardevolle kennis en
ervaring binnen Defensie. Met het arbeidsvoorwaardenakkoord zijn er
namelijk stappen gezet. Mensen kunnen onder meer vrijwillig langer
doorwerken en de overgang naar de reserve wordt aantrekkelijker. Dat is
verstandig, maar ook hierbij heb ik de vraag: is inzichtelijk welke
resultaten dat gaat opleveren? Hoeveel ervaren militairen verwacht de
staatssecretaris hierdoor langer te behouden? Hoeveel uitstromers worden
daadwerkelijk reservist? Juist de ervaring van instructeurs en
specialisten kunnen we ons niet veroorloven te verliezen; dat zien we
gewoon. Defensie vist namelijk in dezelfde vijver als de politie en de
andere veiligheidsdiensten. De groei van Defensie is noodzakelijk, maar
mag wat de VVD betreft niet ten koste gaan van onze binnenlandse
veiligheid. Hoe stemt de staatssecretaris zijn werkzaamheden af met de
rest van de veiligheidsketen om het ontstaan van algemene tekorten te
voorkomen?
Dan een derde punt voor vandaag: de zorg voor vrouwelijke militairen.
Als vrouwen kiezen voor Defensie, moeten we er ook voor zorgen dat ze er
kunnen blijven. Dat vraagt natuurlijk om passende kleding en uitrusting
en een veilige werkomgeving, maar zeker ook om zorg die aansluit bij hun
gezondheid. Defensie noemt reproductieve gezondheid en de overgang
inmiddels als onderwerpen waar passende medische zorg nodig is, maar
daarmee weten we niet welke deskundigheid de militair in de praktijk kan
bereiken. Er zijn praktijkvoorbeelden genoeg van dingen waar vrouwelijke
militairen nog steeds mee worstelen. Het roept bijvoorbeeld de vraag op
welke specifieke zorg en begeleiding er binnen Defensie is en geboden
wordt rondom gynaecologische klachten, vruchtbaarheid, zwangerschap en
de overgang. Wanneer wordt verwezen naar de civiele zorg? Wie houdt dan
de regie als een klacht gevolgen heeft voor de opleiding en de
daadwerkelijke inzet? Is in kaart gebracht waar vrouwen nu tegen
wachttijden of ontbrekende expertise aan lopen?
Ik heb daar nog één concrete vraag over. Hoe kijkt de staatssecretaris
naar het carrièrepad van vrouwelijke militairen? Is hij bereid om
bijvoorbeeld specifiek blootstelling aan grote krachten die bij het
militaire werk komen kijken, verder te onderzoeken? Een mooi voorbeeld
is dat in het Amerikaanse leger vrouwen een budget krijgen om
bijvoorbeeld hun eicellen in te vriezen.
Voorzitter. Punt vier. Defensie hoeft niet iedere specialist voltijd op
de loonlijst te hebben. Dat brengt me bij de hybride loopbanen.
Technische en digitale kennis is schaars. De kennis is al aanwezig in
bedrijven en bij andere overheden. De Kamer heeft in juli de motie van
mij en collega Jagtenberg aangenomen om belemmeringen voor hybride
loopbanen weg te nemen en actief mensen te werven die militaire deeltijd
combineren met een civiele baan. De vraag is welke belemmeringen die
Defensie sinds het aannemen van die motie concreet heeft gevonden,
inmiddels zijn weggenomen en welke nog om een besluit vragen.
Specifiek heb ik nog een vraag aan de staatssecretaris. Naar welke
beroepsgroepen kijkt Defensie specifiek voor de gerichte werving?
Hoeveel functies worden in 2027 ingevuld met hybride banen?
Voorzitter, ik ga naar een slot. Punt vijf: de verbinding met de
samenleving. Veel collega's spraken daar al over. Het gaat over het
dienjaar, Defensity College en de Nationale Weerbaarheidstraining. Die
kunnen namelijk mensen voor Defensie winnen. Ze kunnen ook het begrip
vergroten van wat onze veiligheid vraagt. Dat is waardevol. Maar laten
we ook hier toetsen wat wel en niet werkt. Hoeveel deelnemers blijven er
na afloop van deelname hieraan nou eigenlijk verbonden aan Defensie? Hoe
meet de staatssecretaris of deze programma's bijdragen aan de
weerbaarheid en betrokkenheid buiten Defensie?
Voorzitter. De VVD ziet de noodzaak om Defensie te laten groeien. Dat
vraagt om scherp zicht op de uitvoering; dat merkt u al in mijn
bijdrage. Ik vraag de staatssecretaris daarom vandaag om drie dingen:
een eerlijk beeld van het verwachte personeelstekort richting 2030,
concrete termijnen voor de acties die al zijn aangekondigd en een manier
om de Kamer regelmatig te laten zien hoeveel extra inzetbare capaciteit
die acties opleveren. Dan kunnen we namelijk niet alleen vaststellen dat
Defensie groeit, maar ook of Nederland daadwerkelijk veiliger
wordt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Boon (PVV):
Ik vind het altijd knap hoe de VVD haar verhaal brengt. De VVD heeft
tientallen jaren Defensie echt kapotgemaakt. Nu wordt daar gewoon
overheen gestapt. Ze hebben er waarschijnlijk geen actieve herinnering
meer aan, zoals we de VVD kennen. Weet je wie er wel actieve herinnering
aan hebben? De vele tienduizenden mensen die ontslagen zijn door Rutte
en uw VVD, meneer De Groot. Ik heb toevallig net een mail gehad van een
sergeant-majoor. Die was na 36 jaar door Rutte ontslagen bij Defensie.
Wat zegt u nu tegen al de mensen die ontslagen zijn en tegen het
Nederlandse volk? Is de VVD nu eens een keer bereid om schuld te
bekennen en excuses aan te bieden voor het beleid dat ze tientallen
jaren heeft gevoerd?
De heer Peter de Groot (VVD):
Die jij-bak maakte de heer Boon net ook al, in reactie op mijn vraag of
we zouden moeten doorgaan met de steun aan Oekraïne. Ik zei dat hijzelf
als militair weet dat de steun aan Oekraïne belangrijk is voor onze
eigen veiligheid. Toen maakte hij deze jij-bak ook al. Ik vind het een
hele eer als alles van de afgelopen tientallen jaren toegeschreven wordt
aan de VVD. Dank daarvoor, meneer Boon. Het is in ieder geval fijn dat u
het de VVD toedicht dat wij zo veel invloed hebben gehad. Het is nog
maar de vraag. Wel stond de VVD vooraan om samen met SGP en CDA de
2%-wet in te brengen en te verdedigen, om Defensie te laten groeien. We
zetten ons in om de 3,5% zo snel mogelijk te realiseren. Daaraan kunt u
zien dat wij de inzet voor en de groei van Defensie voor de komende
jaren tot topprioriteit hebben gemaakt. Dat ziet u terug in wat wij elke
dag in de Kamer doen.
De voorzitter:
Ik zie verder geen interrupties meer. Dan is het woord aan de heer Van
Houwelingen voor zijn eerste termijn.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Voor Forum is het heel belangrijk dat we een sterk
leger hebben dat ons land goed kan verdedigen, zeker in deze onzekere
tijden. Wat dat betreft — het is net ook al genoemd — is het inderdaad
jammer dat er na het einde van de Koude Oorlog zo drastisch bezuinigd is
op onze Defensie en dat het leger is uitgekleed. Op zich is het dus een
goede zaak, en dat gebeurt ook in deze nota en deze begroting, om extra
te investeren in ons leger. Daar kunnen we voor zijn. Maar — dat is
natuurlijk een hele dikke "maar" — dan moet ons leger wel worden ingezet
om onze belangen te verdedigen, en daar hebben we dus hele grote
vraagtekens bij. We hebben de afgelopen decennia al gezien dat ons leger
vaak wordt ingezet voor allerlei vredesmissies in het buitenland. Denk
aan Afghanistan en Joegoslavië. Dat is eigenlijk allemaal dramatisch
afgelopen. Dat is dus niet in het Nederlands belang. En wat al helemaal
niet in het Nederlands belang is, is dat ons leger wellicht ooit ingezet
wordt — dan denk ik natuurlijk aan Oekraïne — in een proxyoorlog die
niet onze oorlog is. Alles stuurt daarop aan. Als je die nota's leest,
zie je dat onze samenleving er helemaal gereed voor wordt gemaakt. Dat
gebeurt ook met deze Defensiebegroting.
Als nou bijvoorbeeld zou worden gekeken waar de dreiging zit, dan zou ik
denken: wanneer is Nederland voor het laatst fysiek aangevallen? Voor
zover ik weet — ik word graag gecorrigeerd — was dat natuurlijk de
aanslag, exact vier jaar geleden op de Nord Stream. Dat is vitale
infrastructuur voor Nederland. Dat was voor 9% in handen van de Gasunie,
een Nederlands staatsbedrijf, en dat is opgeblazen. Dat hebben de Russen
— dat is inmiddels wel duidelijk — niet zelf gedaan bij hun eigen
pijpleiding. Daar zaten natuurlijk de Amerikanen achter. Dat is een
publiek geheim. Daar hebben ze misschien nog de Engelsen bij gebruikt en
ze hebben het vuile werk door de Oekraïners laten opknappen. Tóén zijn
we aangevallen. We moeten niet kijken van "o, Rusland!". Dat is voor ons
gewoon een land. Het is geen vriend en geen vijand. We moeten kijken wie
ons aanvalt. Dat is op dit moment zeker in ieder geval niet Rusland.
Daar zijn alle ogen op gevestigd en er gaan miljarden uit deze
Defensiebegroting naartoe. Wij maken ons vooral heel veel zorgen om het
volgende, en dat ziet u in de Defensiebegroting ook weer terug: ons hele
leger wordt vastgeketend aan de EU en aan de NAVO. Dáár zit voor ons
juist de bedreiging.
Ik zie de voorzitter kijken. Is er een interruptie?
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Nanninga. Dat is uw laatste
interruptie, mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik heb er twee gehad toch?
De voorzitter:
Dit wordt de vierde.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik ga het toch maar doen, omdat het eigenlijk ook een beetje zonde is
misschien … Ik heb ook geen vraag over dit geraaskal. Ik zou toch willen
opmerken — laat ik het dan maar zo zeggen — dat Rusland een vliegtuig
heeft neergehaald met daarin 200 landgenoten. En dan hoor ik hier zeggen
dat we niet zijn aangevallen en dat Rusland "gewoon een land" is.
Voorzitter, ik heb daar geen vraag over. Ik wil het alleen even gezegd
hebben.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat is wel de goedkoopste en simpelste interruptie die ik ooit gekregen
heb, dus ik geef er ook maar geen antwoord op. Ik ga door, want we
zitten allemaal kort in de tijd.
De EU is voor ons een grote bedreiging en de NAVO zelf ook, de NAVO zelf
ook. Als het gaat om die weerbaarheidsverplichting, hebben wij als FVD
boven water gehaald dat het zelfs boven het regeerakkoord staat. Dat
heeft minister Agema op een blauwe maandag in oktober bij de
begrotingsbehandeling van 2024 gezegd: ik moet dat doen, want dat zijn
de NAVO-weerbaarheidsverplichtingen. We hebben daar Kamervragen over
gesteld. De regering heeft toegegeven dat die verplichtingen geheim
zijn, maar wel bindend voor Nederland, voor de regering. Dat is heel
zorgelijk. Daarmee wordt onze democratie ondermijnd. De NAVO heeft zich
natuurlijk ontwikkeld tot aanvalsbondgenootschap, helaas. Sinds het
einde van de Koude Oorlog is het allerlei landen binnengevallen. Wij
willen na een referendum uit de NAVO, en natuurlijk al helemaal uit de
EU, die volstrekt illegitiem is en een grote bedreiging vormt voor onze
soevereiniteit, voor onze vrijheden, censuur … Hier kan ik heel lang
over doorgaan.
Het punt dat ik wil maken, en dan kom ik weer terug op de begroting, is
het volgende. De EU en de NAVO zijn de bedreigingen. Dat zijn de
bedreigingen. En dan gaan we ons leger helemaal koppelen — dat lees ik
keer op keer, en ik heb er ook bij de technische briefing een vraag over
gesteld — aan die EU en die NAVO. Dat is, denk ik, niet zo slim. Ik weet
dat niemand in de zaal zich dat kan voorstellen, maar het zou echt
kunnen dat over drie, vier jaar de kaarten er totaal anders bij liggen.
Als het aan ons ligt, gaan we uit die EU en die NAVO. Hoe staan we er
dan voor? Dat is eigenlijk mijn vraag, mijn eerste vraag aan de
staatssecretaris. Hoe staat ons leger er dan voor? Als wij dus ons leger
moeten gebruiken om echt ons eigen land te verdedigen, los van die EU en
die NAVO, kunnen we dat dan? Of is dat iets waar überhaupt geen rekening
mee wordt gehouden? De essentiële functies die we moeten hebben als
leger, besteden we uit binnen de NAVO aan andere landen. Hoever is ons
leger op de toekomst voorbereid buiten de EU en de NAVO? Voor andere
landen is dat al het geval. Zwitserland zit bijvoorbeeld niet in de EU
en de NAVO. Zo'n defensiestrategie zouden we misschien ooit moeten
hebben. Hoe zijn we daarop voorbereid? Dat is mijn eerste vraag.
De voorzitter:
Meneer Van Houwelingen, u heeft een interruptie van de heer Van
Lanschot. Dat is de vierde interruptie.
De heer Van Lanschot (CDA):
Het is fijn dat Forum voor Democratie wil investeren in Defensie. Als we
even de logica zouden doordenken en we uit de NAVO en uit de EU zouden
stappen, dan worden al die defensie-investeringen allemaal veel hoger
omdat we niet meer samenwerken en alles alleen moeten doen. Ik ben wel
benieuwd hoe Forum voor Democratie de tientallen miljarden gaat dekken
die daarvoor nodig zijn.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Nou ja, het wordt hoger. Dat ziet u goed. Landen als Zwitserland en ook
Singapore hebben die strategie. Die proberen een politiek vanuit de
neutraliteit. Dat zouden wij ook moeten doen in Nederland, naar ons
oordeel. Dan hebben ze een relatief grote defensie. Ja, waar kun je dat
geld vandaan halen? Er wordt zo veel geld weggesmeten. Waar moet ik
beginnen? Ik heb het al een keer voorgerekend: er gaat op z'n minst 50
miljard naar onzin, naar klimaatbeleid, naar de EU, naar massamigratie.
We hebben dat al vaker voorgerekend. Dus daar moeten we mee stoppen. Dat
kan dan ook. Dat is mooi, meneer Van Lanschot. Dan hebben we weer de
controle over ons eigen land terug. Dus we kunnen stoppen met het
uitverkopen van ons land. Dan hebben we weer de controle over onze
grenzen. Dat is het mooie daarvan. Dan zijn we weer een soeverein land.
Dan kunnen we dat ook doen. Nu kunnen we niks. Het hele land ligt vast.
We kunnen niks meer hier besluiten. Bijna alles komt vanaf de EU en
andere gremia. Dat is ons ding.
Voorzitter, met uw goedvinden ga ik door. Dan had ik een kleine vraag
over de begroting. Daar is mijn oog op gevallen. Er gaat €77.000 naar de
Universiteit van Amsterdam. Dan is mijn vraag aan de staatssecretaris:
waar wordt dat voor gebruikt? Wat voor onderzoek is dat? Daar wil ik
graag een zo concreet mogelijk antwoord op. Daar maken we ons namelijk
ook al langer zorgen over: we zien dat die sferen gemengd zijn geraakt.
De Staat zou natuurlijk zo veel mogelijk los moeten staan van de
wetenschap. Dat is niet het geval. We hebben bijvoorbeeld die
NCTV-leerstoel. Daar hebben we het al heel vaak over gehad. Bij Defensie
zie ik hetzelfde probleem. Defensie is bijvoorbeeld ook een van de
grootste opdrachtgevers van Instituut Clingendael. Kijk, wiens brood men
eet, diens woord men spreekt. Clingendael wordt hier uitgenodigd. Ik heb
ze nog nooit iets kritisch horen zeggen over de NAVO. Logisch. Logisch,
toch? Dat is heel zorgelijk. Dus waar gaat het geld naartoe? Zijn er
andere instituten die ook geld krijgen van Defensie? Ook daar maken we
ons zorgen over.
Het derde punt is de escalatieladder. Daar hebben we het al een paar
keer, heel terecht, over gehad in het debat. Ook daar maken we ons
zorgen over. In aanvulling op wat mevrouw Dobbe zei: op een gegeven
moment wordt het natuurlijk verplichtend. Wordt er al over nagedacht wat
voor straffen dat oplevert als je dus niet de enquête invult? Ik begrijp
dat maar 3% 'm invult. Dat is heel verstandig van onze jongeren. Die
zijn toch maar weer heel slim om die niet in te vullen. Ik raad ze op
zich ook zeker aan om die niet in te vullen. Maar op een gegeven moment
worden natuurlijk de duimschroeven aangedraaid, want die vleesmolen moet
blijven draaien in Oekraïne. Dan wil je natuurlijk naar het eindpunt van
die ladder toe. Welke straffen worden er dan ingericht? Daar hoor ik
graag een concreet antwoord op.
Dan wil ik nog een suggestie doen. Dat is misschien een suggestie waar
de staatssecretaris echt wat mee kan. Voeg ook de vraag toe aan de
enquête: hoe kijk je aan tegen de oorlog in Oekraïne? Hoe kijk je
daartegen aan? Vind je dat onze oorlog? Dan kun je misschien gelijk de
mensen eruit filteren die dus weten dat er zoiets is als
NAVO-propaganda. Dat is ook zoiets, hè. Ik zie de staatssecretaris
lachen. Ja, het is niet grappig, echt niet grappig wat hier gebeurt. We
worden een oorlog in gerommeld, zeg ik via de voorzitter. We maken ons
daar oprecht heel veel zorgen over. Maar oké, als je niks begrijpt, kun
je alleen maar lachen. Dat is waar. De minister van Defensie, de baas
van deze staatssecretaris, heeft ook gezegd: er bestaat geen
NAVO-propaganda.
De heer Boon (PVV):
Ik gun de heer Van Houwelingen even wat adem. Ik kon er weinig van
begrijpen. Ik heb een andere vraag. Het Nederlandse leger moet ingezet
worden om de Nederlandse belangen en het Nederlandse grondgebied te
verdedigen. Vrij scheepvaartverkeer is ook een belang. Nu worden onze
schepen aangevallen bij Jemen. Uw voormalige fractieleider heeft gezegd
dat deze islamitische terroristen die onze schepen aanvallen, waar onze
mensen op zitten, "fiere Jemenitische strijders" zijn. Hoe vertaalt
Forum dat nou naar het Nederlandse belang, als een islamitische
terreurgroep wordt geprezen die onze schepen aanvalt? Dat is zelfs
plenair hier in de Tweede Kamer gebeurd. Kunt u vertellen waarom u nu op
het islamitische pad bent gegaan?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dit is op zich een goede vraag. Je ziet dus wat er gebeurt. Onze
bondgenoten hebben niet per se onze belangen voor ogen. Dat is het punt
dat ik hier de hele tijd wil maken. Wij vinden het natuurlijk heel
zorgelijk dat die aanval op Iran heeft plaatsgevonden, met als gevolg
dat wij nu in de problemen zitten. Dat ziet de heer Boon goed. De
scheepvaart is afgekneld. De prijzen stijgen, de dieselprijzen en de
energieprijzen. En ja, dat doen onze bondgenoten. Dat is dus niet het
Nederlandse belang. De Amerikanen zijn heel slim en denken
waarschijnlijk: we trekken daar weg en laten de Europeanen het maar
opknappen. Ik hoop niet dat we zo dom zijn. Misschien gaat dat ook nog
gebeuren. Het is inderdaad heel zorgelijk. Het is weer een mooi
voorbeeld van dat je niet blind achter de Amerikanen, de NAVO of de EU
aan moet lopen. We moeten zelf nadenken, maar dat is heel moeilijk. Dat
weigert de regering zelfs.
Kan ik doorgaan, voorzitter, of is er nog een interruptie?
De voorzitter:
U heeft nog een vervolgvraag. Dat is de laatste voor de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Ja, het is een beetje zonde om hier nu mijn laatste interruptie aan te
besteden, maar het is niet anders. De heer Van Houwelingen vertelt nu
een heel verhaal, maar er klopt echt niks van. Geen jota klopt ervan.
Die uitspraak waarin de islamitische terroristen hier in de Tweede Kamer
werden geprezen, is lang, láng voor de oorlog in Iran gedaan. Die
terroristen waren al lang op onze schepen aan het schieten. De
internationale scheepvaart heeft daar al heel lang problemen mee. Uw
leider zat dit in de Tweede Kamer, in de plenaire zaal, op te hemelen.
Die vond het fantastisch. "Fiere Jemenitische strijders." Dan komt u met
een oorlog van veel later. Dus u prijst islamitisch terrorisme al veel
langer. Reageer daar nou eens op en probeer niet overal van alles
vandaan te halen. Reageer daar nou eens op: waarom is Forum zo'n fan van
de Houthi's? Waarom zijn dat "fiere Jemenitische strijders"?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik vind dit zo'n onzinnige vraag. Ik wil er niet eens op ingaan. Wij
zijn nergens fan van. Wij zijn maar fan van één ding, en dat is
Nederland. Wij zijn, in de kinderlijke woorden van de heer Boon, "fan"
van Nederland. Ik heb verder niks met Houthi's. Ik ben hier bezig om
hopelijk het Nederlands belang te dienen namens onze kiezers. Dat is wat
ik hier probeer te doen. Dat zouden meer mensen moeten doen. Daar had ik
het net dus over, bijvoorbeeld dat de NAVO-propaganda niet eens wordt
onderkend door de regering. Zo goed is die propaganda blijkbaar. Er
wordt niet nagedacht. We hebben gisteren antwoord gehad op schriftelijke
vragen waarin we zeiden: kijk nou eens naar een andere interpretatie van
de Oekraïneoorlog. We kregen een schandalig antwoord van het kabinet,
namelijk: dat willen we niet. Dat staat ook in de beslisnota: "We willen
er niet eens naar kijken." "Wil je hiernaar kijken?" Nee, is een ander
antwoord. Dan is het kennelijk per definitie propaganda. "Daar gaan we
niet eens op in." Dat is trouwens ook een schending van artikel 68 van
de Grondwet. Het is een weigering om zelfs maar na te denken. Als je
spreekt over The Closing of the American Mind, dat boek van Bloom, dan
is dit een prachtig voorbeeld. Het is voor mij onbegrijpelijk.
Ik eindig. Ik praat ook wat te snel, dus ik ga ietsje langzamer praten.
Ik heb nog een paar minuten, denk ik. De escalatieladder, dus de
suggestie om dan die vraag toe te voegen. Als het namelijk verplicht
wordt, weet je in ieder geval welke mensen je kan uitnodigen. Heel veel
van onze jongeren zijn bijvoorbeeld heel slim. Die gaan echt niet
vechten in een proxyoorlog in Oekraïne voor de belangen van het
Amerikaanse rijk of wat dan ook. Die willen dat niet, dus die kun je er
dan uit filteren. Laat dan vooral de mensen gaan die dat wel zien zitten
en die denken: het is onze oorlog. Laat die vooral gaan. Dat is
waarschijnlijk een groot deel van deze zaal. Laat die vooral gaan.
Tot slot, voorzitter. Dit is het enige waar de staatssecretaris iets mee
kan, denk ik. Van de rest weet ik dat het allemaal niet aankomt —
misschien dat het anderen wel aan het denken zet — maar hier kan hij
misschien iets mee. Toen de staatssecretaris namelijk nog Kamerlid was,
zijn wij op een heel indrukwekkend werkbezoek geweest bij de commando's.
De heer Boswijk was daar dus ook bij. Er zaten trouwens ook een aantal
FVD'ers bij; dat is misschien leuk om te vermelden. Die commando's
zeiden toen dat ze hun eigen uitrusting willen kopen. Dat is logisch,
want zij weten het beste wat ze willen hebben. Dit is een oud punt, dat
wij als partij al vaker gemaakt hebben. Nu gaat het blijkbaar via
Defensie, via een centraal inkoopbureau. Dat is een bureaucratische
moloch. Dat geeft dus blijkbaar niet wat onze commando's willen hebben.
We hebben er al Kamervragen over gesteld. Ga dat decentraliseren. Zorg
er eens een keer voor dat die commando's een individueel potje of per
eenheid een potje krijgen, zodat ze het zelf kunnen inkopen.
Het antwoord van de toenmalige staatssecretaris Tuinman was dat het
lastig is, omdat je dan misschien een risico hebt dat iets niet goed
wordt ingekocht of dat het product niet veilig is of niet aan de
standaarden voldoet en meer van dat soort gebazel. De mensen die het
beste kunnen beoordelen wat ze moeten hebben, wier leven ervan afhangt,
zijn natuurlijk die commando's zelf. Die gaan het nu met hun eigen geld
inkopen. Dus misschien dat de staatssecretaris zo aardig zou willen
zijn, ook voor die commando's daar, om in ieder geval te onderzoeken en
het met ze erover te hebben of het misschien geen goed idee is om het te
decentraliseren, dus om het voor onze troepen mogelijk te maken om
zelfstandig in te kopen, in plaats van dat ze een hele bureaucratische
molen door moeten, waardoor het uiteindelijk toch niet aangeschaft kan
worden. Ik ben benieuwd naar de beantwoording.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft nog een interruptie van mevrouw Jagtenberg.
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Mijn oren doen echt zeer bij het horen van dit betoog. Het liefst
besteed ik er geen tijd aan, maar ik wil toch even wat vragen. Er wordt
namelijk gezegd dat Rusland geen vijand is, dat Rusland geen dader is
bij MH17, geen dader bij MH17! Er wordt ook gezegd dat we af moeten van
de NAVO en van de EU, maar dat we wel op zoek moeten naar samenwerking
met andere landen. Wat stelt Forum dan voor? Dat wij voortaan militair
gaan samenwerken met Rusland?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Inderdaad. Wat ons betreft is Rusland geen vijand van Nederland. Het is
op dit moment natuurlijk wel een vijand van Oekraïne. Over het
MH17-dossier heeft onze fractievoorzitter al het nodige gezegd. We
zeggen niet dat Rusland geen dader is, we zeggen dat het niet goed
onderzocht is. Dat is ons standpunt. Ik herhaal dat ook nog maar een
keer. Verder had u nog wat te berde te brengen, maar oké, dat ben ik dan
half vergeten. Als u dat wil herhalen, zal ik het beantwoorden.
De voorzitter:
Mevrouw Jagtenberg, u was door uw interrupties heen, maar ik geef u even
de kans. Ik hoor dat het zo goed is. Dank u wel. Dan ga ik naar de heer
Van Baarle voor zijn inbreng in de eerste termijn.
De heer Van Baarle (DENK):
Dank, voorzitter. Als het gaat om het personeelsbeleid bij Defensie,
maken heel veel jongeren zich grote zorgen. Zij maken zich zorgen over
de dwang en de drang die dit kabinet wil toepassen door het invoeren van
een selectieve opkomstplicht en allemaal andere dwangmaatregelen bij het
leger. Jongeren maken zich zorgen of ze gedwongen worden om het leger in
te gaan. Ze maken zich zorgen of ze door de oorlog in Oekraïne of de
NAVO-norm hun vrijheid ten dele verliezen.
Voorzitter. Die kabinetsplannen zijn inderdaad heel erg zorgwekkend.
Jongeren moeten verplicht een enquête invullen of ze het leger in
willen, mogelijk verplicht reageren op een oproep voor een keuring bij
het leger, mogelijk verplicht opdraven bij die keuring bij het leger en
mogelijk verplicht dienen in het leger.
Voorzitter. DENK is principieel tegen deze opkomstplicht, principieel
tegen deze militaristische dwang. Onder dreiging van een boete of
celstraf mensen verplichten om zich te laten keuren, een enquête in te
vullen of het leger in te laten gaan is een disproportionele ingreep in
de vrijheid. De vrijheid van jongeren mag niet worden geofferd voor de
NAVO-norm of de oorlog in Oekraïne. Die wapenwedloop en die hitserij
moeten stoppen. Waarom bereidt de staatssecretaris zo'n verregaande
aantasting van de vrijheid van mensen voor, terwijl hij zelf schrijft
dat de vrijwillige instroom bij Defensie op dit moment voldoende is? Kan
hij uitleggen waarom een jongere die helemaal niet de ambitie heeft om
te dienen in het leger, toch wellicht in zo'n dwangtraject terecht zou
moeten komen? Snapt hij de zorgen die bij heel veel jongeren op dit
moment in Nederland leven? Dit alles is onder dreiging van sancties.
DENK vindt het echt onbestaanbaar dat iemand voor het weigeren om een
Defensie-enquête in te vullen, een gesprek te voeren of een keuring te
ondergaan mogelijk strafrechtelijk vervolgd wordt of zelfs een
gevangenisstraf of boete zou moeten kunnen krijgen.
Voorzitter. Het klinkt volslagen totalitair. Kan de staatssecretaris
eigenlijk uitsluiten dat in zijn systeem straks iemand die weigert een
enquête in te vullen in de gevangenis gaat? Hoe gek klinkt dat? Hoe
totalitair klinkt dat? In juli is mijn motie die ik samen met mevrouw
Dobbe heb ingediend door een ruime meerderheid van de Kamer aangenomen.
Daarin heeft de Kamer uitgesproken dat geen enkele stap op die ladder
naar meer dwang, dus ook niet die verplichte enquête, die verplichte
keuring of welke stap dan ook, ingevoerd mag worden zonder voorafgaande
instemming van de Tweede Kamer. Mijn vraag aan de staatssecretaris is
hoe hij deze motie gaat uitvoeren. Kan hij garanderen dat hij die motie
gaat uitvoeren?
Voorzitter. De brief vermeldt dat personele ondervulling op zichzelf
geen reden kan zijn om de selectieve opkomstplicht te reactiveren.
Tegelijkertijd noemt het kabinet een verslechterende veiligheidssituatie
en een uitbreiding van het operationele takenpakket als mogelijke
aanleidingen. Dat zijn allemaal vage termen. Welke aantoonbare noodzaak
moet er zijn voordat dit kabinet die dwang gaat overwegen? Sluit de
staatssecretaris uit dat een zelfgekozen uitbreiding van het takenpakket
daar een rechtvaardiging van wordt? Wie gaat dat eigenlijk
beoordelen?
Voorzitter. Het moge duidelijk zijn dat DENK met hand en tand oppositie
zal voeren tegen deze voorgestelde dwangmaatregelen om jongeren te
verplichten een Defensie-enquête, een keuring of wat dan ook te doen.
Blijf gewoon van onze jongeren af.
Voorzitter. Ik kom op het Srebrenicamonument. DENK blijft er altijd
aandacht voor vragen dat er zo snel mogelijk een plek moet komen met een
permanent monument waar de verschrikkelijke genocide in Srebrenica
herdacht kan worden. De duizenden mensen die op vreselijke wijze zijn
vermoord, verdienen een gedenkplaats. De nakomelingen verdienen dat. En
er moet een plek komen om blijvend bewustzijn te vragen. Srebrenica mag
nooit meer gebeuren. De Bosnisch-Nederlandse gemeenschap is al jaren
bezig om die permanente plek te realiseren, waar waardig herdacht kan
worden. Ook voor veteranen is dit van belang. DENK heeft met een
Kamerbreed ondersteunde motie de regering gevraagd om prioriteit voor
het permanente Srebrenicamonument en om financieel bij te dragen aan de
totstandkoming.
Voorzitter. Wij hebben begrepen dat er nog steeds geen definitieve
duidelijkheid zou zijn van het Rijksvastgoedbedrijf. Er is geen
duidelijkheid over het gebruik van het plein en ook geen duidelijkheid
over de eisen en de mogelijkheden. Dat maakt de totstandkoming op dit
moment moeilijker. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij dit
herkent en, zo ja, of hij zich ervoor in wil zetten dat het
Rijksvastgoedbedrijf zo spoedig mogelijk die duidelijkheid kan geven.
Daarnaast is de verantwoordelijke stichting voornemens om komend jaar
een internationale ontwerpwedstrijd te organiseren voor het ontwerp van
het monument. Mijn vraag is of de regering bereid is om komend jaar al
hierbij te ondersteunen, bijvoorbeeld financieel, zodat de stichting ook
ondersteuning kan inrichten voor het laten organiseren van dit proces
van het ontwerp. Graag hoor ik van de staatssecretaris een toezegging
dat de regering daartoe bereid is.
Voorzitter. Dan nog twee hieraan gerelateerde punten. Het gebouw van het
voormalige Joegoslaviëtribunaal heeft voor zover wij weten nog geen
definitieve bestemming voor de toekomst. Wordt de mogelijkheid
onderzocht, vraag ik de regering, om van het voormalige
Joegoslaviëtribunaal een museum te maken met behoud van complexen en
zittingszalen, zodat het een permanente plek van bewustwording kan zijn?
Graag een reactie.
Voorzitter. Daarnaast is het nu ook de vraag wat er zal gebeuren met het
enorme archief van het Joegoslaviëtribunaal. Het tijdelijke VN-beheer
zal op den duur stoppen en dan moet er een nieuwe plaats gevonden
worden. Is het voor Nederland een mogelijkheid, vraag ik aan de
staatssecretaris, om dat archief te blijven huisvesten in het gebouw van
het voormalige tribunaal? Ook op dit punt graag een reactie.
Voorzitter. Diversiteit en inclusie binnen Defensie. In de Tweede Kamer
wordt helaas vanuit sommige politieke partijen een hetze gevoerd tegen
diversiteit, een hetze tegen inclusie. Er worden voorstellen gedaan om
iftars te verbieden. Er wordt voorgesteld om al het inclusiebeleid te
stoppen. Er worden voorstellen gedaan om gebedsruimten te verbieden. De
PVV zei net zelfs dat de krijgsmacht de islam zou moeten bestrijden.
Laat het even op je inwerken, die totaal verwerpelijke uiting dat het
leger volgens de PVV blijkbaar het geloof van meer dan 1 miljoen
Nederlanders zou moeten bestrijden. Het is echt krankjorum waar het met
de extreemrechtse retoriek in de Tweede Kamer naartoe gaat.
Voorzitter. De realiteit is dat Defensie alleen kan groeien door een
inclusieve organisatie voor iedereen te zijn. DENK wil dan ook dat
Defensie die inclusieve organisatie is en dat daar werk van gemaakt
wordt, ook om misstanden en discriminatie tegen te gaan. Ik wil de
garantie van de staatssecretaris dat dat voor hem een prioriteit is. Op
2 juli heeft de Tweede Kamer mijn motie aangenomen waarin wordt gevraagd
om een versterkt plan voor inclusie, sociale veiligheid en de
bestrijding van discriminatie, mét meetbare resultaten en een jaarlijkse
rapportage. Wanneer kan de Kamer de uitvoering van deze motie en dat
plan tegemoetzien?
Het inclusieonderzoek was vertraagd en we zien ook dat culturele
diversiteit volgens de begroting pas in 2030 opnieuw wordt gemeten.
Waarom duurt dat zo lang? Waarom is dat onderzoek vertraagd? Hoe weten
we of Defensie de komende tijd daadwerkelijk inclusiever wordt als het
pas in 2030 gemeten wordt? Is de staatssecretaris bereid tussentijdse
streefcijfers voor bredere en culturele diversiteit vast te stellen en
daar jaarlijks over te rapporteren? Graag een reactie.
DENK heeft ook een motie ingediend, een motie die later is aangenomen,
om met concrete doelstellingen te komen voor het aandeel vrouwelijke
beroepsmilitairen. Dat aantal loopt namelijk nog steeds achter. Wanneer
kunnen we van de staatssecretaris de uitvoering van deze aangenomen
motie tegemoetzien?
Tot zover, voorzitter. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen interrupties, dus ga ik naar de heer Bolhuis
voor zijn inbreng in eerste termijn.
De heer Bolhuis (PRO):
Voorzitter, dank u wel. Het is oorlog op ons continent en de
veiligheidssituatie in de wereld wordt alleen maar slechter. Dat
betekent dat Defensie moet groeien. Daar staan we achter. We staan
erachter dat Defensie moet groeien naar 122.000 mensen. Er zijn daardoor
10.000 vacatures. Maar uiteindelijk is het personeel natuurlijk wel de
ruggengraat van Defensie. Het personeel is het belangrijkste dat we
hebben. Het is daarom goed dat we dit debat hebben, dat er een nieuw
arbeidsvoorwaardenakkoord is en dat er samengewerkt wordt met de
bonden.
Ik stap over naar de onderwerpen op de agenda om te beginnen naar de
selectieve opkomstplicht. Daarvoor ligt nu een voorstel voor. Wij zijn
ertegen om in vredestijd verplichtingen op te leggen aan jongeren. Er
wordt verder duidelijk aangegeven dat er op basis van vrijwilligheid
voldoende vulling plaatsvindt. Dus wij vinden het onverstandig om met
deze wet door te gaan. We zetten er echt grote vraagtekens bij.
Er wordt nu een escalatieladder opgesteld, maar die gaat wel steeds meer
verplichtingen opleggen aan jongeren, en trouwens ook sancties. Maar de
criteria voor escalatie naar een nieuwe trede op de ladder ontbreken en
dat leidt tot onzekerheid en onrust bij jongeren. PRO vraagt zich daarom
echt af of er duidelijke criteria voor escalatie komen, zodat jongeren
weten waar ze aan toe zijn en zodat dé Kamer weet waar ze aan toe is
wanneer er een stap gezet wordt. Komt dat terug tijdens de
wetsbehandeling? Hetzelfde geldt voor de sancties.
Het blijft onduidelijk wanneer we op gaan schalen. Er wordt gezegd "als
de veiligheidssituatie daarom vraagt", "als de personele behoefte daarom
vraagt", maar wat betekent dat nou precies? Wat betekent "indien de
personele behoefte dit vraagt" of "als de uitbreiding van het
operationele takenpakket daarom vraagt"? Hoe ziet de regering dit voor
zich? Kan de regering een reflectie geven: welke groep jongeren zou dit
betreffen als we vooruitkijken? Gaat het om jongeren die bezig zijn met
ICT of techniek? Komen daar de knelpunten? Waar hebben we het nou
eigenlijk over? Naar welke jongeren zal een vraag zijn bij de selectieve
dienstplicht?
Wij maken ons zorgen over het weerbaarheidsprogramma, het
jongerentrainingsprogramma. Volgens mij zei mevrouw Dobbe het al: €2.300
verdienen op het moment dat je een minor volgt op het gebied van
defensie. We willen toch dat mensen bij Defensie gaan werken die de
intrinsieke motivatie hebben om bij Defensie te gaan werken? We willen
toch dat ze dat vrijwillig doen? Nu zijn er financiële prikkels. Hoe
kijkt de regering daarnaar? Wat betekent dit voor de mensen die
uiteindelijk gaan instromen bij Defensie?
Wij horen via allerlei organisaties — UNICEF heeft er laatst ook
onderzoek naar gedaan — dat heel veel jongeren in Nederland onrustig
zijn, bang zijn. Dat komt door de communicatie over defensie en de
situatie in de wereld. Er worden nu twee keer enquêtes meegestuurd met
de "17 jaar-brief", om het zo maar te zeggen. Jongeren worden daar
angstig door, weten niet precies wat ze daarmee aan moeten. Er gaan op
social media allerlei spookverhalen rond. Daar halen jongeren hun nieuws
vandaan. Kan de regering hier geen stap zetten? Kan de regering nadenken
over een socialmediacampagne door Defensie, gericht op jongeren om uit
te leggen hoe het echt zit met de situatie in de wereld en wat Defensie
wil? Ik denk dat Nederlandse jongeren daar behoefte aan hebben en dat
dit bewustwording kweekt in plaats van angst zaait. Dat laatste willen
we immers volgens mij niet, in tegenstelling tot bewustwording.
Dan het volgende punt, de personele samenstelling. Wij zitten naar die
cijfers te kijken en zien dat Defensie achterloopt bij het werven van
beroepsmilitairen. Volgens de Stand van Defensie zouden er in 2026
49.000 beroepsmilitairen moeten zijn, maar tot mei waren er 46.371 in
dienst. Dat is een behoorlijk tekort. Er is wel groei, maar er is een
tekort. Vanaf dit jaar zetten we ook de Dienjaarmilitairen in. Dat is
ook een gedeelte daarvan. Hoe groot is de groep Dienjaarmilitairen? Hoe
reflecteert Defensie hierop? We horen dat er niet te weinig interesse
is. Jongeren willen dus bij Defensie werken. Het opschalen gaat echter
niet snel genoeg doordat de opleidingscapaciteit onvoldoende is of
doordat jongeren weer uitstromen. Bij de rondetafels begrepen we van de
vakbonden dat soldaten die willen beginnen heel lang moeten wachten
voordat ze daadwerkelijk aan de slag kunnen. Herkent de staatssecretaris
dit beeld? Wat wordt eraan gedaan om dit te versnellen, zodat jongeren
niet hoeven te wachten totdat ze daadwerkelijk in dienst kunnen? Dat is
immers gewoon slecht voor het moraal en volgens mij willen wij dat
allemaal niet.
Dan nog een punt van zorg. Bij beroepsmilitairen loopt de groei achter,
maar bij burgerpersoneel zien we juist een enorme groei. Het is toch wel
spannend wat er vervolgens gaat gebeuren. Gaat burgerpersoneel militaire
taken op zich nemen? Daar zijn vragen over gesteld en het antwoord van
de regering is dat burgers worden ingezet om militaire arbeidsplaatsen
op te vullen die tijdelijk niet met militair personeel kunnen worden
gevuld om zo de continuïteit van de bedrijfsvoering en ondersteuning van
de groei van de krijgsmacht te borgen. Maar tegelijkertijd wordt daarbij
"terughoudend omgegaan met de structurele vulling van militaire functies
door burgers". Wat is het nou? Worden er daadwerkelijk militaire
functies door burgers ingevuld? Hoe willen we daarmee omgaan? Gebeurt
dit? Wat betekent dit voor hun positie, zeker in het geval we
terechtkomen in een situatie van oorlogsdreiging? Volgens mij is het
zorgelijk als we militaire functies door burgerpersoneel laten
uitvoeren.
Dan sociale veiligheid. PRO bereiken nog vaak genoeg verhalen dat er
sprake is van racisme, discriminatie en seksisme binnen de krijgsmacht.
Defensie zegt in te zetten op diversiteit, op inclusiviteit en
dergelijke. Dat is goed. Helaas horen we ook dat er bij misstanden toch
vaak wordt weggekeken. Er wordt wel bewustwording gekweekt bij de
medewerkers en er zijn hulpmiddelen en interne campagnes om het gesprek
te voeren, maar we denken dat er ook consequenties nodig zijn. Er moeten
sancties zijn als er sprake is van sociale uitsluiting, discriminatie of
racisme. We denken dat het belangrijk is dat slachtoffers en melders
beter beschermd worden en dat er harder opgetreden dient te worden. Hoe
kijkt de staatssecretaris aan tegen een zerotolerancebeleid binnen
Defensie om dit echt te gaan bestrijden? Dan wordt er op het moment dat
er iets gebeurt, daadwerkelijk een sanctie toegepast in plaats van dat
er weer een bewustwordingsgesprek wordt gevoerd.
In dit verband kijken we ook naar het Plan van aanpak sociale veiligheid
binnen Defensie. Als wij dat zien, denken wij: de laatste versie is uit
2021. Dat is alweer vijf jaar geleden, na het jullie bekende
rapport-Giebels. Onze vraag is wat nu de tussenstand is van het Plan van
aanpak sociale veiligheid binnen Defensie, ook gelet op het feit dat er
meer vrouwen de krijgsmacht in zouden moeten stromen. Wanneer komt er
een nieuwe aanpak voor sociale veiligheid en hoe staat het
hiermee?
Dan de rechtspositie van de reservisten. Daar zijn we voor. We hebben
een mooie brief gekregen, mede namens de minister van Werk en
Participatie. Dat was een heel lange brief met heel veel gesignaleerde
knelpunten en problemen. Uiteindelijk gaan we er een aantal jaren over
doen om die rechtspositie goed neer te zetten, op een structurele
manier. Daar zijn wij voor; het is onhandig als er individuele afspraken
met bedrijven moeten zijn of als meerdere wetten tegen elkaar in werken.
Maar toch, tja ... Kunnen we bijvoorbeeld het punt over verlof voor
reservisten niet eerder regelen dan in een heel wetstraject dat de
komende drie jaar loopt? Vandaar de vraag: is dat geen punt dat echt
veel sneller zou kunnen? Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen de
verschillen die nu tussen cao's ontstaan?
Het punt van mevrouw Jagtenberg over de reservisten steunen wij. Dat
gaat om de vraag hoe het kan dat er reservisten zijn die twee, drie,
vier maanden zitten te wachten op uitbetaling. Dat kan natuurlijk niet
op het moment dat we meer reservisten in het leger zouden willen, dus ik
hoop echt dat hier snel een oplossing voor komt. Ik ben benieuwd hoe het
daarmee staat.
Mijn volgende punt gaat over personeelsbeleid, over de trackingapps,
want dat is toch wel een issue. We hebben de Polarstepsaffaire gehad, we
hebben de Strava-affaire gehad, en alles wat daarvoor is gebeurd. Wij
vragen ons toch het volgende af. Er wordt aan een whitelist gewerkt om
voor zakelijke telefoons aan te geven: dit mag je wel hebben en de rest
dus niet. Maar zit het probleem niet ook bij de privételefoon? Er zijn
ook mensen die zeggen: misschien zou je restricties moeten hebben voor
privételefoons op kazernes of op missie. Ik ben benieuwd hoe de
staatssecretaris daarnaar kijkt. Moeten we iets gaan doen met de
privételefoons van militairen om het veiliger te maken voor het
personeel?
Ik sluit af. Eind vorig jaar is de motie-Piri c.s. aangenomen om
Afghaanse bewakers, inclusief hun directe gezinnen, veilig over te
brengen naar Nederland. We zijn nu een jaar verder en de motie is nog
steeds niet uitgevoerd. Wij denken dat die motie gewoon uitgevoerd moet
worden; het is een morele discussie of je de Afghaanse beveiligers, die
veel voor Nederland hebben gedaan, terug naar Nederland laat komen en
niet zozeer een juridische discussie. Daarop graag de reactie van de
staatssecretaris.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie een interruptie van mevrouw Dobbe en daarna komt
mevrouw Nanninga. Mevrouw Nanninga zit zo voor. Mevrouw Dobbe, het woord
is aan u.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik ben ook heel benieuwd naar het laatste punt, over die Afghaanse
bewakers en de uitvoering van die motie. Het kan toch niet zo zijn dat
die niet wordt uitgevoerd, ook niet na al die debatten die we daarover
hebben gevoerd? Het is heel goed dat PRO daarnaar vraagt.
Ik heb ook een andere vraag, namelijk over de selectieve opkomstplicht.
Ik hoorde PRO zeggen: we vinden het onverstandig om hiermee door te
gaan. Vervolgens kwamen er toch een aantal vragen over hoe de
voorbereiding wordt vormgegeven, wat de criteria precies zijn et cetera.
Dan gaat PRO toch richting hoe we die dwangladder nu daadwerkelijk
uitvoeren. Maar zegt PRO nu samen met ons dat we het niet alleen
onverstandig vinden om hiermee door te gaan, maar ook dat de
staatssecretaris hier niet mee moet doorgaan, dat hij nu duidelijkheid
moet scheppen en dat hij er nu voor moet zorgen dat er geen dwangladder
komt die eindigt in een opkomstplicht waardoor jongeren gedwongen het
leger in zouden moeten?
De heer Bolhuis (PRO):
We zijn er heel duidelijk in: we vinden het ongewenst dat je in
vredestijd verplichtingen gaat opleggen aan jongeren. Dat is volgens ons
niet nodig, dus daar zijn wij tegen. Tegelijkertijd is het natuurlijk
wel goed om een aantal vragen te stellen over de wet, omdat ik denk dat
de staatssecretaris hiermee doorgaat en ik vind dat we wel een discussie
moeten hebben over wat die criteria dan precies zijn. Die twee dingen
staan voor PRO wel naast elkaar.
De voorzitter:
Oké, dank u wel. Dan wil ik het voorzitterschap even aan mevrouw
Nanninga geven. U neemt het voorzitterschap van mij over en dan heb ik
nog een korte inbreng in mijn eerste termijn.
Voorzitter: Nanninga
De voorzitter:
Aan u het woord voor uw inbreng in eerste termijn, mevrouw Ten Hove van
de Groep Markuszower. En aan de griffier het vriendelijke verzoek om bij
de interrupties even mee te kijken of mensen al door hun quotum heen
zijn, want ik heb het papiertje niet voor me liggen. Ga uw gang, mevrouw
Ten Hove.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst dankt mijn fractie al onze
militairen, reservisten, burgers en veteranen voor hun vrijwillige
inzet. DNA ziet vooralsnog niks in een verplicht-dienmodel. Gelukkig is
hiervan ook nog helemaal geen sprake. Wij zijn dan ook heel blij om te
horen dat de werving van nieuwe medewerkers voortvarend gaat en dat de
mogelijkheden om bij Defensie te komen werken, worden uitgebreid, onder
andere door meer aandacht voor reservisten en verschillende soorten
instroommogelijkheden, goede arbeidsvoorwaarden, loopbaanmogelijkheden
en ontwikkelkansen. Die zullen niet alleen zorgen dat medewerkers langer
aan Defensie verbonden blijven, maar ze zullen ook meer nieuw personeel
aantrekken. Herkent de staatssecretaris signalen over jongeren die zich
aanmelden, zelfs de keuringen al hebben doorlopen en alsnog heel lang
moeten wachten voordat zij opgeroepen worden voor de daadwerkelijke
opleiding? Er zijn dus nog steeds meer aanmeldingen dan plekken, wat een
hartstikke mooi gegeven is, maar hoe wordt ervoor gezorgd dat deze
mensen alsnog zo snel mogelijk kunnen beginnen? Wat is hiervoor nodig?
Het motiveert natuurlijk niet om lang te moeten wachten, zeker niet als
je de keuringen allemaal positief hebt doorlopen. Zeker in tijden dat
Defensie snel wil groeien, is dit niet gewenst.
Vanaf de werkvloer bereiken mij daarnaast berichten dat mensen in het
westen van ons land regelmatig geïnteresseerd zijn in een baan bij
Defensie, maar zich uiteindelijk toch niet inschrijven omdat ze dan vaak
naar andere uithoeken van het land moeten voor de opleiding en een
werkplek. Herkent het kabinet deze signalen ook? Wat DNA betreft is dit
onbenut arbeidspotentieel. Wij zijn dan ook benieuwd of het kabinet
bereid is om de mogelijkheden van meer Defensielocaties richting het
westen van het land te gaan onderzoeken.
Het kabinet vindt goede zorg en ondersteuning voor veteranen van groot
belang. Er wordt gesteld dat erkenning en waardering bijdragen aan
gezondheid en welzijn. In de praktijk pakt dit helaas nog regelmatig
anders uit, zoals bijvoorbeeld bij militairen die PTSS oplopen. Nazorg
blijft hierbij vaak lang uit. Er kan nog veel verbeterd worden in de
zorg voor afgekeurd personeel, veteranen, mensen met PTSS en ook voor
klokkenluiders. Wordt er op enige manier gekeken of zij, met vaak al hun
ervaringen op de werkvloer, alsnog betrokken kunnen worden bij de
krijgsmacht, bijvoorbeeld bij het opleiden of ondersteunen van nieuw
personeel? Wordt er gekeken naar maatwerk, zodat individuele gevallen
met een schat aan Defensie-ervaring van betekenis kunnen zijn voor de
organisatie? Is hier mogelijk nog winst te behalen, vraag ik de
staatssecretaris. Welke kansen ziet de staatssecretaris hier? Voor de
zomer werd de motie over het structureel inrichten van de integrale
ketenregie binnen de veteranenzorg unaniem aangenomen, met één vaste
regiehouder voor de militair, de veteraan en het thuisfront; er werd net
al even aan gerefereerd door collega Jagtenberg. Ook ik heb de
beantwoording gelezen. DNA zou toch heel graag zien dat de rol en de
effectiviteit van de zorgcoördinator of casemanager nog prominenter
worden. Kan het kabinet dit toezeggen? Juist in tijden waarin we veel
nieuw personeel proberen aan te trekken, moet Defensie laten zien dat we
goed zorgen voor het huidige personeel.
Voorzitter. We spreken hier veelal over wat beter kan en waar
verandering noodzakelijk is. Juist daarom is het ook waardevol om stil
te staan bij wat ons verbindt en bij het besef dat onze vrijheid niet
vanzelfsprekend is. Amper een week geleden mocht ik aanwezig zijn bij de
indrukwekkende Airborne-herdenking in Ede, een waardige en
betekenisvolle herdenking die ieder jaar opnieuw diepe indruk op mij
maakt. Het is een bijeenkomst van bezinning bij de offers die voor onze
vrijheid zijn gebracht, maar ook een gelegenheid om terug te kijken op
de eigen jaren bij Defensie. De opgedane ervaringen, lessen en
bijzondere momenten blijven ons hele leven waardevol. Het is een moment
van respect en verbondenheid, maar ook een moment waarop opnieuw
duidelijk wordt hoe bijzonder het is om je op welke manier dan ook te
mogen inzetten voor vrede en veiligheid.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat was de bijdrage van het lid Ten Hove van Groep
Markuszower. Ik zie dat er nog één interruptie is van mevrouw Dobbe. Die
heeft er inderdaad nog eentje tegoed. Gaat uw gang, mevrouw Dobbe van de
SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ook deze interruptie gaat over de selectieve opkomstplicht. Ik hoor
Groep Markuszower zeggen dat zij daar niet voor zijn, maar dat er
gelukkig nog geen sprake van is. Dat is natuurlijk wel de crux: er is
nóg geen sprake van. Mijn vraag aan Groep Markuszower is dan: welke
conclusies verbinden zij daaraan? Op het moment dat deze
staatssecretaris doorgaat met het uitwerken van die dwangladder, kan er
namelijk op een gegeven moment wel sprake van zijn, ook in vredestijd,
zelfs al is dat nu nog niet zo. Wil Groep Markuszower dan ook echt nu
samen met ons optrekken en zeggen tegen deze staatssecretaris: stop met
het uitwerken van die dwangescalatieladder, zodat we later niet alsnog
geconfronteerd worden met een selectieve opkomstplicht? Dat zou namelijk
bijvoorbeeld kunnen gebeuren via de Wet op de defensiegereedheid,
waarmee de minister ineens kan besluiten dat het voor de
defensiegereedheid noodzakelijk is om zo'n selectieve opkomstplicht in
te voeren.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Wij zijn tegen een verplichte opkomstplicht, zoals ik al zei. De
uitwerking van de ladder zie ik daar los van. Dat is nu nog niet aan de
orde. Er is een oorlog op ons continent. Stel dat wij gaan kijken hoe je
zo'n ladder inricht; dan is het voor mij nog helemaal niet aan de orde
dat die ingevoerd wordt. Op het moment dat die in vredestijd wordt
ingevoerd, zijn wij het daar absoluut niet mee eens en zullen wij daar
niet mee akkoord gaan.
De voorzitter:
Dan is dat het einde van de bijdrage van de Groep Markuszower in eerste
termijn. Ik geef het voorzitterschap graag terug aan mevrouw Ten
Hove.
Voorzitter: Ten Hove
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan wij schorsen. De staatssecretaris heeft aangegeven
een halfuur nodig te hebben, dus dat betekent dat wij om 18.55 uur …
Excuus, mijn horloge staat stil. Dat betekent dat wij om 16.55 uur weer
terug zijn. Ik herinner de leden er even aan dat het een
wetgevingsoverleg betreft en dat u in de gelegenheid bent om in de
tweede termijn moties in te dienen.
De vergadering wordt van 16.25 uur tot 16.59 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug. Welkom, allemaal, bij de voortzetting van het WGO
Personeel. Ik wil graag afspreken met de Kamerleden dat wij in deze
termijn drie interrupties doen. Dat is vrij kort. We zitten een beetje
met de tijd, maar we hebben ook nog een tweede termijn. Dus ook aan de
staatssecretaris vraag ik om te proberen om kort en bondig te zijn. Dan
is het woord aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Boswijk:
Voorzitter. Dat ga ik natuurlijk proberen, wel met de opmerking erbij
dat de Kamer meer dan 130 vragen heeft gesteld over zeer uiteenlopende
onderwerpen, die stuk voor stuk natuurlijk allemaal ontzettend
belangrijk zijn.
Laat ik beginnen met te zeggen dat we het vandaag hebben over het
belangrijkste kapitaal dat onze krijgsmacht rijk is, namelijk het
personeel. Dat is onze grootste prioriteit. Beroepsmilitairen, maar ook
burgerpersoneel en reservisten vormen de ruggengraat van onze
organisatie. De internationale veiligheidsorganisatie is anders en
onzeker, maar onze opdracht is helder: we moeten groeien om Nederland en
zijn bondgenoten veilig te houden. Daarom bereiden we ons met deze
Defensienota voor op de huidige en nieuwe conflicten. In reactie op de
heer Boon zeg ik: niet op conflicten zoals die in het verleden.
Groeien doen we ook. Daar werkt iedereen binnen onze organisatie iedere
dag aan. Voor eenieder die wil, is er plek bij Defensie, van jongeren
via het dienjaar tot reservisten die ons komen versterken, naast
uiteraard militairen en burgerpersoneel. Maar het moet en het kan ook
harder; zeker. Om te groeien is het van belang dat Defensie een goede
werkgever is en dat we samen de rust vinden om de organisatie op een
verantwoordelijke wijze te laten groeien. De instroom gaat goed, zeker
op het gebied van burgers en reservisten, maar bij beroepsmilitairen
moet het echt beter. Daar werken we ook aan. Naast de instroom gaat het
over zaken die misschien minder in het oog springen, maar wel van belang
zijn, zoals de rechtspositie van reservisten. Ook dat heeft onze
aandacht.
Wat ook expliciet de aandacht heeft, is de groei van het aandeel
vrouwen. Dank aan mevrouw Jagtenberg voor haar aanhoudende aandacht
daarvoor. Ik onderschrijf helemaal het belang ervan. We streven, zoals u
weet, naar een percentage van 30. Dat is een uitdaging. Daar ben ik me
ook van bewust.
De voorzitter:
Staatssecretaris, even een korte vraag. Is dit nog uw inleiding? Gaat u
de beantwoording doen aan de hand van blokjes? Want dan kunnen de
Kamerleden daar rekening mee houden bij de interrupties.
Staatssecretaris Boswijk:
Voorzitter, dit was het eerste A4'tje van mijn inleiding. Ik heb er nog
twee. Daarna heb ik één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, ácht
blokjes.
De voorzitter:
Zou u die even willen noemen?
Staatssecretaris Boswijk:
Als ik mijn inleiding afrond, zal ik ze noemen. We zitten nu op 20,3% en
bij militairen op 13,2%. We hebben dus wat te doen. Juist daarom heb ik
de groei van het aantal vrouwen expliciet onderdeel gemaakt van het
programma opschaling van onze krijgsmacht, onder leiding van een
generaal-majoor. Dat programma richt zich niet alleen op de aantallen,
maar juist ook op de cultuur en de randvoorwaarden. Want we hebben
vrouwen nodig om de benodigde groei te kunnen halen, maar ook omdat
bewezen is dat gemengde teams beter presteren en dus leiden tot betere
resultaten. Die 30% is niet zomaar uit de lucht gegrepen. Onderzoek
wijst uit dat 30% de drempel is. Dan wordt de groep als "normaal" en
niet als uitzondering gezien.
Heeft dit dan gevolgen voor de kwaliteit van het personeel? Nee, dat
heeft het niet. Bij de werving en selectie leveren we niet in op
kwaliteit. Die eisen blijven. Het gaat er vooral om dat we meer vrouwen
aantrekken, binnenhalen en behouden, omdat daar ook de kwaliteit zit die
we nodig hebben. De uitdaging voor de komende tijd is dat we borgen dat
die vrouwen dezelfde arbeidsomstandigheden hebben als mannen, zoals rond
veiligheid en hun uitrusting.
Hierbij zou ik graag één mooi voorbeeld eruit willen lichten. Ze is hier
ook aanwezig. Even kijken, o, daar, ja. Het gaat om luitenant-ter-zee
Maite Spel. Zij is reservist en won vorige week de Young Talent Award.
Ik en Defensie zijn ontzettend trots op haar. Wat mij betreft is zij een
mooi voorbeeld voor de vele vrouwen die Defensie rijk is en hopelijk in
de toekomst nog meer gaat zien. Dank.
Ook ben ik trots op het Athena Force-project, een project om vrouwen te
trainen en voor te bereiden op speciale eenheden, zoals de commando's,
de mariniers en luchtmobiel. Daarbij wordt bijvoorbeeld specifiek
gekeken naar de aanpassing van de uitrusting, het beter afstellen van de
uitrusting en andere manieren van trainen.
Voorzitter. Wat ook gaat helpen, is het nieuwe arbeidsvoorwaardenakkoord
dat in juli met de sociale partners is gesloten. Dank aan de vakbonden
voor hun constructieve opstelling, waardoor we relatief snel tot elkaar
zijn gekomen. Enkele primaire elementen: 6,5% structurele loonsverhoging
per 1 september 2026 en daarnaast een structurele verhoging van 2% per 1
januari 2028. Daarnaast zijn er nog een aantal jaarlijkse eenmalige
uitkeringen. Er komt een betere beloning voor startende militairen
tijdens hun opleiding en er komen meer mogelijkheden om vrijwillig
langer door te werken; dat was een wens van uw Kamer. Tegelijkertijd
moeten we ons ook voorbereiden op alle scenario's, zodat we klaar zijn
als het nodig is. Daarom bereiden we een dienmodel voor met verplichte
elementen zoals een verplichte enquête en ultimo een verplichte opkomst.
Hierover heb ik recent ook een brief gestuurd.
Op uw vragen ga ik zo meteen in, maar laat ik allereerst beginnen met
het volgende. Het is mijn diepe overtuiging dat het voor de maatschappij
en in het bijzonder voor jongeren altijd beter is dat de krijgsmacht
vrijwillig wordt gevuld. Ik begrijp de zorgen die door uw Kamer gedeeld
zijn dan ook goed. Het is echter ook mijn verantwoordelijkheid om te
zorgen dat Nederland is voorbereid op oorlog, zeker in het grijze gebied
waar we vandaag de dag mee te maken hebben. Daar hoort ultimo ook een
verplichting bij. Ik ben dus bezig met het ontwikkelen van een
beleidsinstrument, waarvan ik hoop dat het nooit nodig zal zijn, en de
daarbij horende wetgeving. Dit brengt mij ook bij een dilemma, want
enerzijds hoor en begrijp ik uw zorgen, wensen en voorkeuren in deze
Kamer, maar anderzijds kan en wil ik niet te veel voorsorteren op
beleids- en wetsprocessen. Ik ga hierover dan ook regelmatig met u in
gesprek.
Ik wil overgaan naar de blokjes. Ik begin eerst met het blokje
dienmodel. Daarna heb ik het blokje diversiteit, het blokje werving en
uitstroom, het blokje opleiding en ontwikkeling, het blokje reservisten,
het blokje arbeidsvoorwaarden en het blokje geneeskundig. Het laatste
blokje gaat over overige belangrijke zaken.
Ik begin dus bij het onderwerp dat misschien wel het meest besproken is.
Dat gaat over de selectieve opkomstplicht. Onder andere de heer Boon en
mevrouw Dobbe hebben gevraagd: waarom is Defensie nu bezig met een
systeem om jongeren verplicht in dienst te stellen? Ik denk dat het goed
is om hier toch nog even een beeld te schetsen van de huidige situatie.
Op dit moment is er al een dienstplicht; die is alleen opgeschort. Ik
hoorde mevrouw Dobbe het al hebben over de "dwangladder". Ik zou het
wetsvoorstel waar we aan willen werken en dat dus ook nog de kant van uw
Kamer op komt, eigenlijk eerder willen zien als een rem op dwang dan als
een dwangladder. Het model dat we nu hebben, om maar even in metaforen
te blijven, is namelijk een noodschakelaar — hij kan aan en uit — en het
model waar we naartoe willen, is een dimmer. Je kan er dus aan draaien
naargelang de situatie. Wat mij betreft komen we daarmee juist aan heel
veel zorgen in deze Kamer tegemoet, want het model dat we nu hebben, is
veel extremer dan het model waar we eigenlijk heen zouden willen, waarin
je veel meer kan nuanceren.
Ik wens ook wel iets te melden over de status, over waar we nu zijn. We
hadden twee keuzes. We hadden het achter gesloten deuren kunnen
voorkoken en hadden u kunnen overvallen met een wetsvoorstel. We hebben
besloten om u toch redelijk snel al mee te nemen in de ideeën, de
gedachtes, de mitsen en de maren. Daar heeft u ook recent nog een brief
over gehad, zoals eerder in een debat is toegezegd. De heer Van Baarle
zei net: "Er is een motie aangenomen. Wij willen niet dat er wordt
overgegaan naar dat nieuwe model, naar die dimmer, omdat wij vinden dat
eerst de Kamer hier een zegje over moet hebben." Dat is inderdaad zo.
Voor dit wetsvoorstel zullen wij dus nog het hele reguliere wetsproces
gaan doorlopen. De insteek is idealiter Q1 2029. Dan hebben we nog een
hele periode daarvoor, waarin de Raad van State zal worden gehoord en
waarin ik ook zelf het gesprek zal aangaan, vooral in de samenleving,
maar met alle liefde — heel graag zelfs — ook met jongeren. Dat doe ik
ook met u, met uw Kamer, zoals we dat vandaag ook doen. Vandaag is ook
niet de eerste keer dat we dat doen. Dat alles doen we om te zorgen dat
dit op een ordentelijke manier gebeurt. Maar uw zorgen zo aanhorend denk
ik eerlijk gezegd dat u hier blij mee zou moeten zijn. Liever de dimmer
dan de noodschakelaar, zou je denken.
In het verlengde daarvan vroeg mevrouw Dobbe: moeten jongeren zich
zorgen maken over sancties, boetes en gevangenisstraffen? Het is
misschien wel goed om te melden dat ook deze details, die ontzettend
belangrijk zijn, in het wetsvoorstel en het wetstraject zullen worden
meegenomen. Ik zeg daar nogmaals bij: in de huidige wetgeving is er al
sprake van een sanctiesysteem. Het is dus niet helemaal nieuw.
Natuurlijk begrijp ik de zorgen, maar ik vind dat politici zelf ook
verantwoordelijk zijn voor de manier waarop we over dit onderwerp
communiceren.
De heer Van Baarle vroeg of de staatssecretaris kan garanderen dat de
aangenomen motie van DENK wordt uitgevoerd en dat er geen stappen worden
gezet. Zoals ik al zei, zijn we op dit moment bezig met het uitwerken
van het beleid. Er komt uiteindelijk een wetsvoorstel naar de Kamer en
de Kamer wordt dus bij elke stap meegenomen.
Mevrouw Dobbe vroeg hoeveel militairen er nodig zijn om afschrikwekkend
genoeg te zijn. "Welke factoren ten overstaan van Rusland en waarom is
een opkomstplicht dan noodzakelijk?" Zoals ik in de brief heb
geschreven, zijn er situaties die kunnen leiden tot een stap op die
escalatieladder. We hebben er drie genoemd: verslechtering van de
internationale veiligheidssituatie, uitbreiding van het operationele
takenpakket en structurele ondervulling. De laatste kan bovendien nooit
een alleenstaand onderdeel zijn. Ik begrijp, nogmaals, de wens van de
Kamer dat ik een concreet voorbeeld geef bij de laatste stap. Bij de
activering van de selectieve opkomstplicht kan men denken aan oorlog of
oorlogsgevaar. Maar uiteindelijk zal zo'n besluit altijd moeten worden
genomen op basis van beargumenteerd militair advies. Het is dus niet
iets wat wij op een achternamiddag besluiten.
Voorzitter. Nogmaals, wij zullen op een later moment nog een apart
wetstraject krijgen en daarin zullen we hierbij uitgebreid stilstaan. Ik
kan me ook voorstellen dat de Kamer dan zelf ook het initiatief voor een
rondetafel of een technische briefing neemt om zich op die manier te
laten informeren. Maar wij hebben er juist voor gekozen om de Kamer in
een vroeg stadium al mee te nemen en om de Kamer onderdeel te laten zijn
van het denkproces dat wij doormaken.
De heer Bolhuis vroeg voor welke jongeren de selectieve dienstplicht zou
gaan gelden. "Welke sectoren?" In principe geldt de dienstplicht voor
alle jongeren tot 35 jaar. Het is echter niet mogelijk en noodzakelijk
om alle jongeren die jaarlijks 18 jaar worden, op te leiden. Ik geloof
dat de heer Van Baarle iets zei over een cohort van 200.000. Nou,
200.000 zouden we inderdaad op dit moment helemaal niet kunnen
behapstukken. Bovendien is het op dit moment ook niet noodzakelijk. Maar
de komende tijd zullen we uitwerken hoe we die selectiekeuzes gaan
maken, omdat we misschien gaan zien dat bepaalde dreigingen weer andere
vaardigheden vragen. Dat doe je, omdat je er anders met een schot hagel
op losgaat. Deze vragen zijn zeer terecht en ze zetten ons natuurlijk
ook aan het denken. Maar we zijn het op dit moment dus aan het
uitwerken.
De heer Van Lanschot had het over de erkenning van de vaardigheden die
je in je diensttijd opdoet. "Welke vaardigheden die tijdens de
diensttijd worden opgedaan, worden vertaald naar erkende diploma's en
certificaten?" Op dit moment proberen we in het dienjaarmodel zo veel
mogelijk aan te sluiten bij civiele opleidingen. We hebben ook al
afspraken gemaakt over de kwaliteitskeurmerken. Stel dat je een dienjaar
hebt gedaan, dan krijg je inderdaad diploma's die ook in de civiele
wereld of bij vervolgopleidingen kunnen worden gebruikt. We hebben
daarvoor nadrukkelijk gekeken naar hoe andere landen dat doen. Ik denk
dat ze dat bijvoorbeeld in Zweden op een hele goede manier doen. Het is
daar ook een van de "drivers" waarom jongeren zich aanmelden. Ze zien
een streepje op hun cv en denken dan: ik heb er in de rest van mijn
leven ook iets aan. Dat is dus een praktijk die we nu al nadrukkelijk
verwerken in onze opleidingen.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik kom nog even terug op die selectieve opkomstplicht. De
staatssecretaris doet alsof dat allemaal niet zo extreem zou zijn en
alsof dat geen escalatie zou zijn. Maar als je jongeren zoals in
Scandinavië verplicht om een Defensieformulier in te vullen … Daar
kunnen ze als ze dat niet doen of als ze dat weigeren in te vullen, een
bestuurlijke boete opgelegd krijgen. Stel dat je jongeren gaat
verplichten om gekeurd te worden voor het leger en je ze gaat
verplichten om op gesprek te komen. Dat is dan toch escalatie op
escalatie? Dan gaat dat toch ontzettend ver? Dan is het toch
disproportioneel op het moment dat de staatssecretaris zegt "we kunnen
het op dit moment al vrijwillig invullen"? Dan ga je toch niet allerlei
dwangmaatregelen in de wet zetten die jongeren dit soort verplichtingen
opleggen? Me dunkt dat dit hartstikke extreem is voor jongeren. Waarom
ontkent de staatssecretaris dat?
Staatssecretaris Boswijk:
Ik kan weer komen met het hele riedeltje. Allereerst heb ik op dit
moment meer aanmeldingen dat we aankunnen. Dat is positief. Feit is dat
we nu al een wet hebben die veel extremer is, maar blijkbaar heeft de
heer Van Baarle die situatie liever dan dat ik zeg dat we moeten kunnen
variëren. Ik ga toch het punt maken: het dienen van je land is iets heel
moois. Wij hebben tienduizenden mensen in onze organisatie die met hart
en ziel ons vaderland dienen. Ik vind dat fantastisch. Veruit de meeste
mensen en vooral jongeren die ik spreek, zien ook dat ze er rijker van
worden, meer ervaring opdoen, niet het idee hebben dat het hele
universum om je grote ik draait. Dat zijn vaardigheden waar onze
samenleving in den brede beter van wordt. In een land met zo veel
voorrechten … Ik bedoel, als je zou vragen "waar wil je geboren
worden?", zou een groot deel van de wereldbevolking zeggen: in
Nederland. Als dan de enige vraag is "vul een enquête in", dan zie ik
dat niet als escalatie. Ik vind dat een zeer lage drempel om te kunnen
genieten van de rechten die wij in dit land hebben. De woorden van de
heer Van Baarle laat ik bij de heer Van Baarle. Ik doe wel een oproep.
Zelf hebben we ook een verantwoordelijkheid wat betreft het sentiment in
onze samenleving. Ik zou mijn woorden nauwkeurig kiezen. Zelf kunnen we
immers ook voor onrust zorgen. We moeten dingen niet extremer maken dan
ze zijn.
De heer Van Baarle (DENK):
Het ís hartstikke extreem. Het is hartstikke extreem als je jongeren
gaat vragen om een Defensie-enquête in te vullen en te zeggen dat als ze
dat niet doen, ze misschien wel een boete, een bestuurlijke dwangsom of
een celstraf krijgen. Het is hartstikke extreem als je jongeren
verplicht om een keuring te ondergaan. Heel veel jongeren zien, met de
oorlog in Oekraïne en de NAVO-norm, dat hun allerlei vrijheden ontnomen
worden. Als het dan ook nog eens onnodig is — de staatssecretaris gaat
er niet eens op in — omdat de vacatures die er bij Defensie zijn op dit
moment voor een groot deel op basis van vrijwilligheid kunnen worden
ingevuld, is het niet proportioneel dat de staatssecretaris een wet wil
gaan invoeren waarmee hij de regering dit soort vergaande bevoegdheden
geeft om te treden in de vrijheden van jongeren. Rommel de jongeren niet
in dit soort militaristische systemen met allerlei verplichtingen, zeg
ik tegen de staatssecretaris.
Staatssecretaris Boswijk:
De heer Van Baarle roept meerdere keren "vrijheid". Alle debatten die
wij hier voeren, of het nu gaat over spullen aanschaffen of over
personeel, voeren wij uiteindelijk om de vrijheid te behouden die de
heer Van Baarle net zo goed als ikzelf koestert. Waarom maak ik
wetgeving waarvan ik inderdaad zeg dat ik die op dit moment niet nodig
heb? Omdat we helaas zien dat de wereld onvoorspelbaarder is dan toen de
heer Van Baarle en ik opgroeiden. Ik kan het me niet veroorloven om met
wetgeving te komen als we al worden geconfronteerd met een
verslechterende oorlogssituatie. Het zou superdom zijn als we pas dan
zouden gaan opstarten. Dan zijn we te laat. Ik schetste net het
wetstraject: 1 januari 2029 zou het in moeten gaan, als de debatten hier
voorspoedig verlopen, als de Raad van State ernaar heeft gekeken en als
wij ons werk goed hebben gedaan. We gaan niet over één nacht ijs. Als
die wet er is, hebben we juist veel meer tussenstappen dan nu. Eigenlijk
hoor ik de heer Van Baarle zeggen: houd de oude praktijk in stand. De
oude praktijk, waar we het nooit over hebben gehad, bestaat sinds 1997
en is veel extremer: van vandaag op morgen gaan we van 0 naar 100.
Daarvan hebben we gezegd dat die niet meer aansluit bij de huidige
veiligheidssituatie en dat we met een genuanceerd model moeten komen. Ik
blijf erbij, als politici hebben we ook een verantwoording: hoe voeren
we hierover het debat?
De voorzitter:
Helder, dank u wel.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik heb de staatssecretaris hoog zitten, maar deze redenering vind ik
echt de omgedraaide realiteit. Hoor ik hem nou een aantal dingen zeggen
over dat wij ontzettend blij moeten zijn, en jongeren eigenlijk ook, dat
dit nu gebeurt? Hij zegt dat het dienen van je land iets heel moois is.
Niemand hier betwist dat dat heel mooi is. Het is overigens net zo mooi
om te werken in de zorg en in het onderwijs. Dat is ook heel mooi. Op
die manier dien je ook je land. Maar omdat het dienen van je land iets
heel moois is, zouden jongeren dus blij moeten zijn dat ze straks
misschien gedwongen moeten dienen voor dat land, dat ze worden gedwóngen
om dat te doen. Is dat echt wat deze staatssecretaris zegt?
Deze staatssecretaris zegt ook dat wij blij mogen zijn dat wij onderdeel
mogen zijn van dit denkproces, omdat ze dit ook achter gesloten deuren
hadden kunnen doen. Dat had gekund, ja. Dat was niet netjes geweest.
Kunnen we nou gewoon met elkaar hier vaststellen dat als iets gewoon
netjes is, wij niet blij hoeven te zijn op het moment dat iets netjes
wordt besproken met de Kamer en dat dat gewoon heel normaal zou moeten
zijn, en dat we ons hier niet in blijdschap hoeven rond te tollen omdat
er iets gebeurt wat normaal zou moeten zijn?
Het derde wat deze staatssecretaris zegt …
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, u stelt drie vragen in één interruptie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, sorry. Mijn vraag gaat over die blijdschap. Deze staatssecretaris
…
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de staatssecretaris.
Mevrouw Dobbe (SP):
Maar het punt is, voorzitter, dat deze staatssecretaris zegt dat de
situatie nu veel extremer is. Maar als hij daarmee voorbijgaat aan het
feit dat jongeren nu niet gedwongen in dienst hoeven en straks wél
gedwongen in dienst moeten, dan is het wel een heel raar frame om te
zeggen dat het niet extremer is, wat ze dan te wachten staat.
Staatssecretaris Boswijk:
Laat ik ermee beginnen dat ik ook mevrouw Dobbe hoog heb staan, dus dat
delen wij. Maar op dit punt zijn wij het gewoon fundamenteel met elkaar
oneens. Ik zie gewoon heel simpel hoe de huidige situatie is. We hebben
een huidige wet. De dienstplicht is op dit moment opgeschort. Stel dat
de situatie verslechtert, dan hebben wij maar één mogelijkheid: we gaan
meteen van 0 naar 100. Hup, alle jongeren moeten komen, ook vrouwen. Dat
laatste vind ik overigens een goede zaak. Daarvan hebben wij gezegd: ho
even, de veiligheidssituatie is veel diffuser dan alleen oorlog en
vrede. Er zitten veel meer gradaties in. Wij kunnen als organisatie niet
in één keer 200.000 jongeren binnenhalen. Waarschijnlijk is dat ook niet
eens nodig. Kan je niet met een veel genuanceerder model komen, dat veel
beter aansluit en waarvan in andere landen al bewezen is dat het een
goed model is? Daar hebben wij naar gekeken. Omdat ik weet hoe gevoelig
dit onderwerp is, hebben wij het er geloof ik in het eerste debat over
gehad. Ik heb u vrij snel geïnformeerd over hoever wij staan in dat
proces en waar wij aan denken. Elke keer als wij de debatten hierover
voeren en u komt met legitieme opmerkingen, dan zullen wij die ook
verwerken. Ik vind het geen legitieme opmerking dat ik hier jongeren hun
vrijheid afneem. Sterker nog, ik kom hier met de dimmer in plaats van de
noodschakelaar die we op dit moment hebben. Dat is in mijn ogen echt
beter dan de huidige praktijk. Ik blijf erbij dat het dienen van je land
iets heel moois is. Dat kun je inderdaad als onderwijzer, politieman of
-vrouw of verpleegkundige doen, en ook als militair.
De voorzitter:
U vervolgt. O, excuus. Mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik hoor de staatssecretaris nu weer zeggen dat de werving goed gaat en
dat het waarschijnlijk toch niet nodig is. Maar als de werving nu goed
gaat, waarom dan alsnog zo'n dwangmodel uitwerken?
Staatssecretaris Boswijk:
Dat antwoord heb ik eigenlijk al gegeven aan de heer Van Baarle. Ik moet
me voorbereiden op een situatie die ik niet kan voorspellen. Dus ja,
gelukkig hebben we op dit moment meer aanmeldingen dan we aankunnen. Dat
is iets positiefs. We zijn als de brandweer bezig om die knelpunten weg
te halen. Dat gaat steeds beter. Daar kom ik zo op terug. Maar als de
afgelopen vijf jaar ons iets hebben geleerd, is het dat we nauwelijks
een jaar vooruit kunnen kijken. Ik kan het niet verantwoorden dat ik met
die kennis op mijn handen blijf zitten en denk: vandaag is het niet
nodig, maar misschien over een jaar wel. Als ik dán een wetstraject moet
doorlopen, dan is dat sowieso niet zo nauwkeurig als ik dat nu zou doen.
Omdat ik uw Kamer serieus neem, vind ik dat we nu, nu het nog kan, in
deze rust en omstandigheden dit debat moeten kunnen voeren.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, jammer, voorzitter, maar ik ga het toch doen. Ik heb namelijk ook
aan de staatssecretaris gevraagd waarom het überhaupt nodig is om te
groeien naar 122.000 mensen, terwijl er al een grote militaire overmacht
is in Europa. Met de VS erbij — als je daar nog op vertrouwt — hebben we
nog vele malen meer actieve militairen dan bijvoorbeeld Rusland op dit
moment, en ze zijn nog beter getraind ook. Want dat is de basis van dit
dwangmodel, de basis van alle gesprekken en de basis van de uitbreiding
van Defensie. Ik zie gewoon nog steeds geen argumentatie voor waarom dit
nu nodig is. Je hebt al een militair overwicht dat zó overduidelijk is.
Kan de staatssecretaris daar een antwoord op geven? We zien er geen
enkele andere onderbouwing van dan dat we proberen te voldoen aan de
NAVO-norm. Trump heeft die gewoon geroepen. We weten hier ook allemaal
dat dat daar de onderbouwing van is.
Staatssecretaris Boswijk:
Ook de NAVO-norm zou mevrouw Dobbe moeten toejuichen, evenals deze
personele groei. Nee, hoor ik mevrouw Dobbe zeggen, maar wellicht doet
ze het na dit betoog wél. Ik weet namelijk dat mevrouw Dobbe heel graag
de afhankelijkheden van de Amerikanen wil afbouwen. Een van de
opdrachten van dit kabinet is dat we naar een veel gelijkwaardigere
relatie gaan tussen enerzijds Europa en anderzijds de VS. Ik geloof dat
het Donald Tusk, de huidige premier van Polen, is geweest die zei: het
is eigenlijk best krankzinnig dat 300 miljoen Amerikanen
verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van 450 miljoen Europeanen,
omdat ze bang zijn voor 160 miljoen Russen. Zoiets was het. Dat is
inderdaad eigenlijk gek. We moeten als Europa veel meer onze eigen broek
ophouden. Dat gaat over militaire capaciteit, over luchttransport en
luchtverdediging, waar we het donderdag nog uitgebreid over zullen
hebben, over munitievoorraden en over mensen. We weten dat de VS een
terugtrekkende beweging hebben gemaakt en aan het maken zijn. Misschien
— dat weten we niet, want het is ook wat onvoorspelbaarder geworden —
gaat dat in de toekomst vaker gebeuren. Dan is de realiteit dat bepaalde
capaciteiten die de VS op dit moment op het Europese vasteland invullen,
zullen moeten worden ingevuld door Nederlandse en Europese militairen.
Het is dus heel erg logisch, denk ik, dat wij kijken wat daarvoor nodig
is, hoeveel we zelf moeten investeren en welke personele groei daarbij
hoort.
Daar komt bij dat de dreiging die we nu hebben, veel complexer is dan
laten we zeggen tien jaar geleden. Het gaat om het cyberdomein, om space
en om hybride. De dreigingen die we het hoofd moeten bieden, zijn dus
heel anders dan een tijd geleden.
U stelt daartegenover, mevrouw Dobbe, dat Rusland een veel kleinere
krijgsmacht heeft met veel minder geld enzovoort. Dat is helemaal waar,
maar je ziet ook dat het niet simpelweg in een Excelsheet te plaatsen is
in de zin van: de Russen hebben zoveel militairen en Europa zoveel; nu
schrikken we Rusland voldoende af. Helaas is dat niet zo. We zien
namelijk dat de Russen veel meer bereid zijn om mensen op te offeren.
Een mensenleven is daar veel minder waard. Ze zijn veel meer geneigd om
bepaalde opofferingen te doen en om bepaalde risico's te lopen dan wij
als westerse landen misschien zouden doen. Wij willen de afschrikking zo
opschroeven dat Rusland het wel uit zijn hoofd haalt om iets uit te
halen. Als jij je mensenlevens meer waard acht dan in dit geval de
Russen, moet je dan altijd meer op de lat leggen. Dan is een disbalans
dus logisch.
De voorzitter:
U vervolgt.
Staatssecretaris Boswijk:
De heer Van Lanschot had een vraag over het maatschappelijke rendement
van de selectieve opkomstplicht: kan de staatssecretaris toezeggen om
bij de uitwerking van de selectieve opkomstplicht het maatschappelijk
rendement te gaan meten? Inderdaad zitten de behoeften en de meerwaarde
die wij als Defensie leveren, niet alleen in het veiligheidsdomein. Er
zijn ook maatschappelijke effecten. Wij zullen dit meenemen in de
uitwerking. Hoe we dat precies moeten vormgeven? Dit gaat niet het
laatste debat zijn, denk ik zomaar. Het is een terecht punt. We moeten
laten zien wat de maatschappelijke effecten zijn van het Dienmodel. Het
is een goed punt. We zullen het meenemen.
De heer Van Lanschot vroeg hoe we gemotiveerde jongeren zo snel mogelijk
binnen krijgen en hen die niet militair willen worden, gemotiveerd en
aangehaakt krijgen bij de burgerreserve. Het model omvat veel
verschillende initiatieven om gemotiveerde jongeren hiermee in aanraking
te brengen. Er is natuurlijk onder andere het Dienmodel. Dat bevat
verschillende doorstroom- en instroommogelijkheden binnen Defensie. U
kent natuurlijk allemaal het Dienjaar. Dat is, denk ik, het meest
succesvol op dit moment. Ik noem ook de NWT, waarmee we recent zijn
begonnen. Die heeft meer aanmeldingen dan er nu plek is. Daarmee boren
we weer een hele andere doelgroep aan, namelijk mensen die iets ouder
zijn. Het Defensity College is, denk ik, ook een goede. Daarnaast is er
natuurlijk — die staat niet op mijn blaadje — VeVa voor het vmbo- en
mbo-niveau. Dus we hebben nu voor alle niveaus en leeftijden een eigen
aanbod om bij Defensie binnen te komen. We zijn dat ook veel beter
intern aan het inrichten. Kom je van de NWT af, dan weet je veel beter
waar je landt. Maar ik heb het geloof ik al eerder verteld: we zitten in
een vliegtuig terwijl we dat aan het afmonteren zijn. Dus we hebben heel
veel dingen gelanceerd, veel aanwas binnen, maar nu zijn we vooral de
interne processen aan het stroomlijnen. Dat is eigenlijk ongoing
business. We hopen u daarvan ook op de hoogte te houden.
Dan de heer De Groot over de personele groei: hoe reëel zijn die
verwachtingen? Vooralsnog ziet het ernaar uit dat we de ambities voor
2030 gaan halen, dus dat we voldoende instroom zien. De grote beperking
op dit moment zit vooral bij onszelf: de uitbreiding van de
keuringscapaciteit; het matchen van de vaardigheden, dus dat je niet
meer naar diploma's kijkt, maar kijkt wat je binnen hebt, wat je kunt
gebruiken en wat er beter past; het aantrekken van externe
opleidingscapaciteit om die opleidingen sneller te doen; een betere
inrichting van de keuringslocaties. Dat zijn allemaal schakels waar we
nu mee bezig zijn. We hebben het daar ook eerder over gehad in het
debat. Ik houd jullie via de Stand van Defensie op de hoogte van hoe de
voortgang verloopt. Als we kijken naar de aanwas, dan zien we nu gewoon
een groei van een kleine 5.000 begin dit jaar. We zien die groei dus wel
de goede kant opgaan. Maar mijn zorg betreft vooral de
beroepsmilitairen. Het is mijn hoop en verwachting dat we daar met de
nieuwe arbeidsvoorwaarden ook een versnelling in kunnen gaan maken. Ik
zie bij de verschillende instroommodellen ook dat steeds meer deelnemers
blijven hangen als beroeps, dus daarin zien we een verbeterde trend. De
grootste uitdaging zit 'm uiteindelijk niet zozeer in de kwantiteit,
maar in de kwaliteit. Wat ik daarmee bedoel, zijn die schaarstefactoren,
dus technisch personeel en zorgpersoneel. Dat is eigenlijk de grootste
uitdaging waar we nu naar kijken.
De heer Bolhuis had de vraag: hoe groot is de groep van het Dienjaar op
dit moment? Dat zijn ongeveer tussen de 1.100 en 1.200
Dienjaarmilitairen per jaar, verdeeld over de vier verschillende OPCO's.
Dat is het aantal waar we nu aan zitten. Het is goed om te weten dat we
twee à drie jaar geleden — geloof ik, zo uit mijn hoofd — ooit zijn
begonnen met 250. Dus ook daar zien we dat er best wel een forse groei
in zit, en dat er nog steeds meer aanmeldingen dan plekken zijn.
De heer De Groot vroeg ook hoe de staatssecretaris met deze programma's
wil bijdragen aan de algehele weerbaarheid. Wat ik al zei: ongeveer 60%
van de deelnemers aan de NWT en het Dienjaar blijft hangen als beroeps
of reservist. Dat is ook een toenemend aandeel. Tegelijkertijd is het
programma nog relatief nieuw, dus om de echte trend te kunnen
beoordelen, moeten we het wat langer bezien, maar vooralsnog is het
veelbelovend. De deelnemers krijgen vaardigheden waar ze niet alleen bij
Defensie wat aan hebben, maar net zo goed in de samenleving. Het gaat
dan over samenwerken, leiderschap, ethiek, militaire EHBO. Ik denk dat
dat vaardigheden zijn die altijd goed zijn in onze samenleving.
Ondertussen — dit ligt in het verlengde van de vraag van de heer Van
Lanschot — kijken we ook hoe we die vaardigheden maatschappelijk beter
kunnen borgen, zodat je daar niet alleen als Defensie wat aan hebt. Zo
zouden we er ook voor kunnen zorgen dat reservisten of veteranen — ik
weet echt niet meer wie dat zei, maar ik geloof dat het mevrouw Nanninga
was — bij noodhulppunten een rol kunnen spelen. Die gesprekken voeren
wij ook met de veiligheidsregio's.
De heer Bolhuis had een heel terecht punt over de angst bij de
17-jaarbrief: zou de regering kunnen nadenken over een mediacampagne
over hoe het echt zit in de wereld, wat het inhoudt enzovoort? Ik denk
dat dat een zeer terecht punt is. We zijn met een aantal dingen bezig.
We gaan actief naar scholen toe. Ik heb dat ook zelf toegezegd. Ik
geloof dat er binnenkort een demonstratie is en ik heb mezelf een soort
van uitgenodigd — ik weet niet of ik mag komen — om gewoon het gesprek
aan te gaan, omdat ik gewoon zie dat er heel veel beelden worden
verspreid die losstaan van de werkelijkheid. Helaas ook in deze Kamer,
zeg ik in alle openheid. Dienjaarders gaan bijvoorbeeld niet linea recta
naar Oekraïne toe. Daar is geen enkele sprake van. Sterker nog, er zijn
Dienjaarders die zelf vragen: mag ik mee op een schip richting de
Pacific? Dat gaat altijd op verzoek van de Dienjaarder zelf. Dat is
nooit vanuit ons. Maar ik zie wel dat deze beelden resoneren en dat dit
ondermijnend is, helaas. Tegelijkertijd vind ik de angst, als die wordt
gewekt, legitiem. Die gesprekken moeten we ook aangaan. Dat wil ik ook
doen. We zijn ook aan het kijken hoe we gerichte mediacampagnes kunnen
doen op mediakanalen waar Defensie op dit moment nog niet op zit, onder
andere TikTok. Dat is er eentje waar we naar aan het kijken zijn.
De heer Bolhuis (PRO):
Dank aan de staatssecretaris voor het antwoord. Ik heb er ook waardering
voor dat hij met jongerenorganisaties in gesprek gaat. Volgens mij is
dat hartstikke goed. We herkennen volgens mij allebei dat er onder
jongeren zorgen leven en dat ze op zoek zijn naar de juiste informatie
en dergelijke. Maar toch even heel precies: de zorg waar ik het over
had, betrof de enquête bij de 17-jarigenbrief. De vraag is: wat gebeurt
er eigenlijk met deze gegevens als ik die invul? Waarom vul ik het in?
Hoe zit het eigenlijk echt met de veiligheidssituatie? Is de
staatssecretaris ook bereid om een socialmediacampagne te doen of om in
ieder geval te beginnen met voorlichting? Want jongeren zijn gewoon echt
op zoek naar de juiste informatie.
Staatssecretaris Boswijk:
Ja, dat kan ik bij dezen toezeggen, want ik zie zelf ook nut en noodzaak
daarvan. Om maar even te schetsen waarom we met een enquête komen, want
we zijn niet zo briljant dat we dat zelf allemaal bedenken: er zijn een
aantal landen, waaronder in Scandinavië, die dit al heel lang doen. Dat
is puur om jongeren aan het denken te zetten. Ik denk dat een aantal
jongeren denken: Defensie is niks voor mij. Dan kan zo'n enquête een
bijdrage leveren: heb je er weleens over nagedacht dat je bij Defensie
ook deze functies kunt vervullen? Of zoiets. En: waar liggen jouw
interesses? De militair die we tien jaar geleden wilden hebben, willen
we nog steeds heel graag, maar er zijn echt capaciteiten bij gekomen
waarvan we tien jaar geleden bij campagnes zeiden: nou, die is
ongeschikt. Dat zijn de capaciteiten die je wel nodig kunt hebben. Heel
veel jongeren — overigens zijn het niet alleen jongeren, maar ook veel
mensen van middelbare leeftijd die reservist willen worden — moeten we
er met zulke campagnes op wijzen dat ook zij kunnen bijdragen aan onze
veiligheid. We weten dat zo'n enquête in Scandinavië werkt. Maar het is
goed om daar informatie over te delen, ook over wat er met de gegevens
gebeurt, enzovoorts, enzovoorts.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik heb een vraag in aanvulling hierop, want daar zit natuurlijk de zorg.
Kan de staatssecretaris dan garanderen dat die enquête niet in een later
stadium wellicht gebruikt wordt? Het kan ooit nodig zijn. Wat ons
betreft gebeurt dat niet, maar het kan zijn dat Nederlandse troepen naar
Oekraïne worden gestuurd. Dan ligt het, omdat je al die gegevens uit de
enquête hebt, misschien voor de hand dat je daaruit gaat selecteren en
die gaat gebruiken. Dat is mijn vraag.
Staatssecretaris Boswijk:
Ik doe er natuurlijk alles aan om ervoor te zorgen dat de heer Van
Houwelingen weer een goede nachtrust heeft. Die gegevens worden daar
niet voor gebruikt. Dan is dat uit de wereld geholpen.
De voorzitter:
U vervolgt.
Staatssecretaris Boswijk:
Dat is mooi. Dan gaan we door naar het volgende blokje, diversiteit. De
heer Boon vroeg, en eigenlijk vroeg mevrouw Jagtenberg daar 180 graden
haaks op: wat heeft Ketikoti te maken met de gevechtsgereedheid van onze
krijgsmacht? Je spreekt Ketikoti overigens niet uit als Kétikoti, maar
als kittiekottie, heb ik me laten vertellen. Ik denk dat de
belangrijkste eigenschap die onze gevechtskracht vergroot verbondenheid
is. Het is niet een wapensysteem. Het gaat, denk ik, niet eens om
opleiding. Het gaat erom dat je degene, de man of de vrouw, voor je,
naast je, achter je honderd procent kunt vertrouwen. Wat draagt daaraan
bij? Dat je elkaar respecteert, en dat je mensen beoordeelt op hun inzet
en niet op hun afkomst, niet op hun geslacht of wat dan ook, maar puur
op die waarde. Wij weten ook dat diversiteit, dus verschillende mensen
met verschillende achtergronden, diverse teams, de krijgsmacht beter
maakt. Ik denk dat het heel goed is als een krijgsmacht ruimte geeft
voor verschillende geloofsovertuigingen binnen de krijgsmacht. Waarom?
Omdat uiteindelijk de mannen en de vrouwen die bij de krijgsmacht dienen
als militair, het uiterste zullen geven, hun leven zullen geven, om te
staan voor de zaken waar wij voor staan, onder andere de vrijheid van
geloof. Ik vind het dus heel goed en heel logisch dat er ook ruimte is
voor een iftar, dat er ook ruimte is voor kerst, dat er ook ruimte is
voor Ketikoti. Ik vind het zelfs heel erg goed dat we die ruimte hebben.
Sterker nog, ik heb toevallig pas geleden het boek "De ongelooflijke
geschiedenis" van onder anderen Beatrice de Graaf gelezen. Althans, ik
heb het nog niet helemaal uit. Ik wist het zelf ook niet, maar het
principe van geloofsvrijheid komt voort uit de christelijke traditie. Ik
denk dus dat als we zeggen dat we opkomen voor de christelijk-joodse
traditie, we ook voor geloofsvrijheid moeten staan. Dat vind ik
eigenlijk fantastisch, dus in die hoedanigheid zou ik zeggen: een iftar
moet gewoon kunnen.
De heer Boon (PVV):
Volgens mij behoort het kabinet met één mond te spreken. Ik hoor van een
andere minister toch een totaal ander verhaal bij de politie, dus kunt u
mij nou uitleggen waarom uw standpunt 180 graden gedraaid is ten
opzichte van uw standpunt over de politie? De argumenten die u noemt,
heeft die minister juist allemaal van tafel geveegd.
Staatssecretaris Boswijk:
Dat is een goede vraag van de heer Boon. Bij de politie ging het om
openbare bijeenkomsten waar ook andere mensen bij konden komen. Bij ons
is het puur en alleen voor Defensiepersoneel. Daar zit het grote
verschil in. Daarvan zeggen we: dit draagt bij aan sociale cohesie, aan
erkenning en aan samenwerking. Dit is alleen voor Defensiepersoneel en
daarom hebben wij daar niks op tegen.
De voorzitter:
Helder. U vervolgt.
Staatssecretaris Boswijk:
De heer Boon vroeg ook: wat kost het diversiteitsbeleid nu eigenlijk?
Binnen Defensie zijn op dit moment vijftien medewerkers werkzaam aan dat
beleid. We hebben 84.000 medewerkers en 15 daarvan zitten op dit moment
op dit onderwerp. De middelen zijn onderdeel van de verschillende
reguliere personeels-, opleidings- en wervingscampagnes, dus ik kan niet
helemaal met een schaartje knippen hoeveel dat precies in euro's is.
Diversiteit komt namelijk in heel veel verschillende programma's
terug.
Mevrouw Jagtenberg had een vraag over de opvolging van de motie over
inclusief leiderschap: hoe wordt ervoor gezorgd dat veilig en inclusief
leiderschap daadwerkelijk meeweegt in de selectie, beoordeling en
bevordering van leidinggevenden? Om ervoor te zorgen dat veilig en
inclusief leiderschap daadwerkelijk meeweegt in de selectie, beoordeling
en bevordering van leidinggevenden wordt het structureel verankerd in de
functioneringscyclus en de functie-eisen. In de aankomende periode
zullen we hier extra aandacht aan geven. Dit is ook onderdeel van het
uitvoeringsplan Diversiteit en Inclusie. We zullen u hiervan op de
hoogte houden bij de volgende Stand van Defensie.
De heer Bolhuis had een vraag over het Plan van aanpak sociale
veiligheid. Het is al vijf jaar oud en komt uit 2021. De vraag was:
wanneer komt er een nieuwe aanpak sociale veiligheid, zeker in relatie
tot de gewenste groei van het aantal vrouwen bij de krijgsmacht? De vijf
sporen van het Plan van aanpak sociale veiligheid zijn geborgd in het
beleidskader in 2022. Dit is ook beschreven in het Jaarverslag
Integriteit. Momenteel wordt er gewerkt aan een nieuw beleidskader,
waarin sociale veiligheid een expliciet onderdeel is. Naar verwachting
is dit beleidskader begin 2027 gereed.
De heer Van Baarle vroeg: wil de staatssecretaris de garantie geven dat
de krijgsmacht een diverse en inclusieve organisatie is? Ik heb daar net
al het een en ander over gezegd. Wij staan als krijgsmacht voor onze
normen en waarden. Onze mensen zijn tot in het uiterste bereid om
daarvoor te vechten. Het zou natuurlijk gek zijn als diezelfde normen en
waarden niet worden gerespecteerd binnen onze krijgsmacht. Dus ja, ik
sta daarvoor. Zeg ik daarmee dat het allemaal opgelost is en wij geen
problemen hebben? Nee, helaas hebben wij ook met problemen als racisme
en discriminatie te maken, zoals we ook in de hele samenleving zien. Dat
ontslaat ons niet van de plicht om de hele dag bezig te zijn om dit met
wortel en tak uit te roeien, maar zoals de heer Van Baarle zich kan
voorstellen, is het niet een kwestie van: we dienen een motie in, die
wordt aangenomen en het is opgelost. Het gaat er ook om mensen hierop
aan te spreken. Ik heb eerder een debat gehad met mevrouw Jagtenberg —
dat was in het vorige debat — over een vrouwelijke kapitein die het
nodige naar haar hoofd kreeg geslingerd. Daarop hebben wij meteen
gehandeld. Nogmaals, we hebben niet het idee dat het meteen is opgelost.
Dat is iets van blijvende inspanning. Dat zullen wij ook blijven doen en
daar kan de heer Van Baarle mij op aanspreken.
In het verlengde daarvan vroeg de heer Bolhuis: hoe pakken jullie dat
aan en wat betekent "zero tolerance"? Het meest recente voorbeeld is dat
van kapitein Mandy Heeren, die te maken kreeg met zeer
vrouwonvriendelijk gedrag. Daar hebben wij meteen op gereageerd. Ik heb
vanuit mijn positie als staatssecretaris een bericht gestuurd naar al
onze medewerkers. De verantwoordelijke commandanten hebben meteen de
betreffende militairen erop aangesproken dat het onacceptabel is. Stel
dat er sprake is van strafbaar gedrag, dan zullen we daar meteen
opvolging aan geven om duidelijk te maken dat dit gewoon niet oké is.
Het helpt enorm dat u als Kamer hierover publiekelijk uw afkeur
uitspreekt. Uiteindelijk kunnen wij vanuit onze ivoren toren het niet
allemaal veranderen; dat moet breder in de samenleving gebeuren. Ik ben
intrinsiek gemotiveerd om dit te doen, om verschillende redenen.
Gelijkwaardigheid is een van onze kernprincipes. Als Defensie moeten wij
dat ook laten zien en ervoor staan. De pragmatische vertaling is: we
hebben iedereen nodig als krijgsmacht, dus het zou dom zijn om mensen op
basis van overtuiging, geslacht of geaardheid uit te sluiten. Dat is
niet acceptabel en daar kunt u mij op afrekenen.
De heer Bolhuis (PRO):
De staatssecretaris geeft nu een goed voorbeeld: de situatie van de
kapitein waarin is gereageerd. Dat is goed. Tegelijkertijd is dit ook
een voorbeeld dat publiekelijk bekend is geworden. Wij hebben echter
signalen dat er dingen binnen Defensie gebeuren waarna er geen sancties
volgen of zelfs dat mensen die iets melden benadeeld worden. De
staatssecretaris zegt "we hebben al een zerotolerancebeleid", maar
volgens mij is dat er op dit moment niet binnen Defensie. De vraag was:
is de staatssecretaris bereid om dat in te gaan voeren? Wil hij binnen
Defensie als norm stellen: op het moment dat er iets gebeurt dat echt in
strijd is met hoe wij als Defensie met mensen willen omgaan, volgt er
een sanctie. Dat was de vraag.
Staatssecretaris Boswijk:
Ja, er is zerotolerancebeleid, maar is er altijd gehandhaafd op dat
zerotolerancebeleid? Ik moet helaas erkennen dat dat niet altijd het
geval is geweest. Toen ik net binnenkwam, heb ik vrij snel met ... We
hebben het netwerk Vrouw & Defensie, maar we hebben ook een netwerk
voor mensen met een multiculturele achtergrond en een netwerk voor
mensen met een lhbti-achtergrond. Ik heb met al die netwerken gesproken.
Uiteindelijk zijn zij onze oren en ogen. In een organisatie van 84.000
mensen die bovendien snel groeit is het heel moeilijk om alles te zien
en te horen. Ik heb regulier overleg met ze, elk kwartaal, over: wat
leeft er, wat speelt er, wat kan er beter? Naar mijn mening zitten we er
nu echt goed bovenop. Kan ik garanderen dat het niet voorkomt of nooit
voorkomt? Dat kan ik helaas niet. Mochten er signalen zijn dat we dingen
missen, laat het dan ook weten. Wij zitten er sinds een halfjaar wel
echt bovenop.
De voorzitter:
U vervolgt.
Staatssecretaris Boswijk:
Dan ga ik naar het mapje werving en uitstroom.
De voorzitter:
Excuses, meneer Van Baarle. Dit is uw laatste interruptie.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter, ik heb op dit onderwerp nog een aantal onbeantwoorde vragen.
De vraag is even of ik dit als interruptie moet neerzetten en mijn
vragen moet herhalen. Of mag ik de vragen even herhalen?
De voorzitter:
Dat is geen interruptie. U mag uw vraag herhalen.
De heer Van Baarle (DENK):
Goed, voorzitter. Als het gaat om diversiteit — ik pak mijn spreektekst
er even bij — had ik naar aanleiding van een tweetal aangenomen moties
van ondergetekende gevraagd wanneer het herziene, herijkte nieuwe plan
voor diversiteit en inclusie komt. Ik heb gevraagd waarom het
inclusieonderzoek dat eerder uitgevoerd is, volgens de begroting
vertraagd is. Ik heb gevraagd waarom culturele diversiteit pas in 2030
opnieuw wordt gemeten, hoe we in de tussentijd weten of Defensie
daadwerkelijk inclusiever wordt en of de staatssecretaris bereid is om
tussentijdse streefcijfers voor bredere culturele diversiteit vast te
stellen en daar jaarlijks over te rapporteren. Ik heb dus redelijk wat
gemist.
De voorzitter:
Als ik daar wat over mag zeggen … Volgens mij heeft de staatssecretaris
iets over diversiteit toegezegd bij de Stand van Defensie. Zaten deze
vragen daar ook bij?
Staatssecretaris Boswijk:
Ja, dat heb ik inderdaad gedaan richting de heer Bolhuis. Dat
klopt.
De voorzitter:
Misschien kunt u nog even kort reageren op de heer Van Baarle.
Staatssecretaris Boswijk:
Ja, ik zit even te kijken. Ik heb inderdaad richting de heer Bolhuis
iets gezegd over dit thema. Het is mijn fout geweest dat ik de heer Van
Baarle niet apart heb genoemd. Ik heb toegezegd dat we hier bij de Stand
van Defensie apart over zullen rapporteren. Dat heb ik gezegd,
inderdaad.
De heer Van Baarle (DENK):
Waarom kan ik niet gewoon antwoord op mijn vragen krijgen? Waarom word
ik weer verwezen naar een rapportage? Nu is het een interruptie. Er is
in 2024 een motie aangenomen. Er is in 2025 een motie van mij
aangenomen. Er is een diversiteitsonderzoek uitgesteld. Ik word verwezen
naar een onderzoek in 2030. Ik snap gewoon niet waarom ik nu geen
antwoord op die vragen kan krijgen. Er blijkt weinig urgentie uit de
beantwoording van de staatssecretaris. Het is namelijk een non-existente
beantwoording op dit gebied. Ik heb alleen maar open deuren gehoord, met
alle respect.
Staatssecretaris Boswijk:
Excuus. Ik heb hier een fiche die ik even over het hoofd had gezien.
Waarom is onderzoek pas in 2030 voorzien en is de staatssecretaris
bereid tussentijdse getallen van de streefcijfers te delen? Defensie
hecht veel waarde aan onderzoek en doet hier actief aan mee. We nemen
deel aan de Barometer Culturele Diversiteit van het CBS, met
vervolgmetingen in 2023 en 2025. Deze wordt gedeeld in de Stand van
Defensie van 2027. Defensie heeft tevens een inclusiebelevingsonderzoek
laten uitvoeren. Dit wordt in het vierde kwartaal van 2026 met de Kamer
gedeeld. Sorry, voorzitter. Meer kan ik niet delen. Dit is wat het is.
Ik heb geloof ik in het verleden al laten zien dat dit onderwerp mij na
aan het hart ligt. Daar zal de heer Van Baarle het mee moeten
doen.
De heer Bolhuis (PRO):
Ik heb een vraag. Ik wachtte even op dit antwoord. Wat gaat de
staatssecretaris dan eigenlijk weergeven in de Stand van Defensie? De
grote voorkeur van PRO zou zijn dat u in de Stand van Defensie
bijvoorbeeld gaat aangeven: dit is de hoeveelheid sancties die opgelegd
zijn binnen de organisatie, want we hebben een zerotolerancebeleid en zo
vaak is er ingegrepen. Dat zijn cijfers die wij graag zouden willen
zien.
Staatssecretaris Boswijk:
Ik kom daar even in tweede termijn op terug, want ik kan wel zeggen dat
ik dit wil delen, maar ik weet niet of dat zomaar mag qua AVG. Daar kom
ik in de tweede termijn even op terug.
De voorzitter:
Helemaal goed. Dan zie ik nog een interruptie van mevrouw
Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Een inclusiebelevingsonderzoek, dat zal de Russen leren! Daar zullen ze
van schrikken. Maar goed, daar ging mijn vraag niet over. Ik heb nog een
vraag openstaan. Eigenlijk had ik om een toezegging gevraagd over het
30%-vrouwenquotumbeleid. Daar zijn we al niet zo voor, maar goed, als
het er dan is, wil de staatssecretaris dan toezeggen dat er geen
concessies worden gedaan aan toelatingseisen, fitheidsnormen,
trainingen, de snelheid van promoties et cetera? Ik bedoel dus dat die
normen absoluut niet worden verlaagd of afgezwakt en dat vrouwen geen
versneld traject of voorkeursbehandeling krijgen. Is dat op geen enkel
punt aan de orde om tot die 30% te komen?
Staatssecretaris Boswijk:
Dat kan ik. Wij doen inderdaad geen concessies aan keuringen, sporteisen
of wat. Uiteindelijk gaat het ook om de veiligheid, niet alleen van de
collega's, maar ook van de mensen zelf. Daar zullen wij dus geen
concessies op doen. Wat wij zien is dat vrouwen bijvoorbeeld vaak
uitvallen omdat ze uitrusting hadden die niet aansloot op het lichaam.
Dat leidde namelijk tot blessures enzovoort. Wij zien gewoon dat daar
echt heel veel winst te behalen is en op dit moment ook al winst wordt
behaald. Daar ligt dus onze focus.
De voorzitter:
Een vervolgvraag? Ja, dan wordt dat de tweede.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Een vervolgvraag.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik hoorde niet echt een ja of nee. Het is helemaal redelijk dat vrouwen
de goede spullen krijgen. Daar zijn we het natuurlijk helemaal mee eens,
maar daar gaat het dan ook helemaal niet om. Mijn vraag is heel
expliciet en heel duidelijk: kan ik de toezegging krijgen dat er voor
vrouwen geen verlaging is van normen, geen versnelling van procedures en
geen voorkeursbeleid bij sollicitaties? Kan de staatssecretaris dat
toezeggen, ja of nee?
Staatssecretaris Boswijk:
Laat ik helder zijn: wij doen er alles aan om vrouwen naar binnen te
halen en om ze te behouden. Daar zitten voor ons de grootste risico's op
dit moment, want de grootste uitstroom en de grootste drempel zijn daar
het gevolg van. Wij doen geen concessies. Wij snijden geen hoekjes af
omdat iemand een vrouw is. Uiteindelijk moet je wel de route doorlopen
die iedereen moet doorlopen. We zagen alleen dat er in het verleden
bovengemiddeld veel vrouwen uitvielen of überhaupt niet binnenkwamen
omdat de voorwaarden niet op orde waren. Dus dat is hoe wij dat nu
insteken.
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Ik heb nog een aantal vragen over het blokje diversiteit en natuurlijk
ook over het actieplan dat ik heb overhandigd. Omwille van de tijd denk
ik echter dat het makkelijker is om te vragen of de staatssecretaris
wellicht kan toezeggen in een brief terug te komen op de punten uit het
actieplan en of het overgenomen kan worden.
Staatssecretaris Boswijk:
Ja, excuus. Dit had ik meteen in mijn inleiding moeten zeggen. Heel veel
dank voor het actieplan. Wij komen voor de begroting in een brief terug
met een aantal punten. De generaal-majoor, die actie, is al ingevuld.
Wij hebben nu inderdaad één iemand die hiervoor verantwoordelijk is. Die
luistert ook mee! Maar op de andere punten zullen wij voor het
begrotingsdebat terugkomen. Ik denk dat het goed is om dat te
doen.
Voorzitter. Ik ga nu door met het blokje werving. Ik begin met de vraag
van de heer De Groot van de VVD: hoe groot is het verwachte tekort bij
de schaarse functies en welke maatregelen gaan dat tekort verkleinen?
Dat zijn inderdaad de punten waar ik net al iets over zei. Dat is
bijvoorbeeld de technische zorg. De toekomstige omvang van de schaarste
is op hoofdlijnen bekend en is te vergelijken met het tekort op de
arbeidsmarkt. We proberen het tekort te verkleinen door meer naar
vaardigheden en aanleg te kijken dan naar het vereiste diploma. Dit
werkt ook aantoonbaar.
We doen het onder andere met het bbl-traject op het vmbo. We anticiperen
verder op schaarste met nieuwe instroom- en doorstroomvarianten, zoals
het Defensity College en samenwerkingsverbanden met bedrijven. Vrij
recent hebben we er één gesloten met de KLM. We wisselen daarbij niet
alleen piloten uit, maar ook monteurs voor onze vliegtuigen, zodat je
uiteindelijk de schaarse capaciteit in onze samenleving dubbel kan
gebruiken. We doen dat nu met een paar bedrijven, maar er staan gelukkig
ook nog heel veel bedrijven op de deur te kloppen. Maar daar is echt nog
wel een hele grote slag te maken.
Daarnaast zetten we natuurlijk ook in op betere arbeidsvoorwaarden. We
hebben net, de afgelopen zomer, over nieuwe arbeidsvoorwaarden
overeenstemming bereikt met de vakbonden. Dat gaat overigens niet alleen
over de financiële kant, een marktconform salaris, maar ook over
bijvoorbeeld meer flexibiliteit met het gezin, meer mogelijkheden om
thuis te werken en aanstellingspremies of arbeidsmarkttoelages. Die
zouden we ook specifiek kunnen inzetten op schaarse capaciteiten.
Er is nu dus veel in place om de schaarste aan te pakken, maar het is
geen walk in the park, want wat wij doen, zien we ook veel andere
bedrijven doen. Wat we nu dus vooral moeten doen, is niet gaan
concurreren met het bedrijfsleven, maar gewoon slimme combinaties maken.
Daar zijn we op dit moment mee bezig.
De heer De Groot vroeg ook hoeveel deelnemers na afloop van het Dienjaar
of de NWT blijven aangehaakt. Bij het Dienjaar blijft 46% als
beroepsmilitair en 14% als reservist. Bij de NWT blijft 91% als
reservist. Dat zijn denk ik heel hoopvolle percentages. Tegelijkertijd:
we zijn met de NWT net begonnen; het Dienjaar bestaat net iets langer.
Dus om de echte trend te kunnen zien, zullen we het langer moeten
bezien, maar dit is wel veelbelovend.
De heer De Groot vroeg ook welke rol schoolstages kunnen spelen in het
wekken van voldoende belangstelling voor Defensie. We zien daarin
inderdaad een grote toegevoegde waarde. Voor een groot deel faciliteren
we dit ook al. Sinds 2025 hebben wij als Defensie een centraal
Defensiestagebureau. Op dit moment lopen gemiddeld rond de 1.000
studenten op jaarbasis stage. Dat gaat dan zowel over mbo, hbo als wo.
We willen uiteindelijk richting 2027 groeien naar 2.400 stageplekken.
Dat is vrij ambitieus, zult u begrijpen, omdat die stagiairs natuurlijk
ook begeleiding nodig hebben. Dit is een van de vele dingen die wij
moeten gaan doen, ook omdat wij zien dat dit uiteindelijk heel zinvol is
om interesse voor Defensie te wekken, ook bij een nieuwe generatie. Dit
is dus een goed punt.
Dan mevrouw Jagtenberg: wat is de voortgang van de motie-Jagtenberg
betreffende vaardigheden in plaats van diploma's? Ik heb dit al een paar
keer genoemd. We zijn op dit moment inderdaad bezig met de uitvoering
van die motie, en dan vooral in de schaarse categorieën techniek, zorg
en logistiek. We zijn de manieren van het beoordelen van die mensen aan
het binnenhalen.
Dan mevrouw Nanninga: "Hoe kan het dat een groot deel van de groei uit
burgermedewerkers bestaat? Sterker nog, u zit zelfs boven de norm." Dat
is inderdaad een terechte constatering. Ik zou daar allereerst wel bij
moeten zeggen dat we in de toekomst een grote afname gaan zien van
burgerpersoneel. Dat komt doordat er veel mensen met pensioen gaan. We
proberen ons daarop voor te bereiden, zodat je zo meteen niet een gat
hebt. We zien ook dat bepaalde militaire functies nu door burgers worden
vervuld. Ik hoorde goed de zorgen van mevrouw Nanninga daarover.
Uiteraard gaat dat niet over gevechtsfuncties. Dat gaat vooral over de
staf- en de beleidsfuncties. Sterker nog, wij zien onder andere — dat is
een van de lessen uit Oekraïne — dat het voor bepaalde processen die we
vroeger altijd door een militair lieten doen, soms handiger is om daar
een slimme ingenieur of bedrijfseconoom op te zetten. Zeker als het gaat
om opschalen in de defensie-industrie is het juist goed als je daarvoor
een burger naar binnen haalt, omdat die net iets meer ondernemend denkt,
of wat dan ook. Dus ik snap de zorg, maar soms is het ook iets
positiefs. Maar dit is wel een punt van aandacht.
Dan de heer Boon: waarom wordt er voor een functie met tekorten niet een
tekenbonus gehanteerd? Voor de vervulling van de schaarstefuncties kent
Defensie meerdere instrumenten. De aanstellingspremie heeft tot doel
lastig te werven groepen te bewegen om juist bij Defensie te komen. Na
de dienplicht kan de vervulling van de schaarstefuncties worden
gestimuleerd met een bindingspremie. Wij kijken ook jaarlijks voor welke
functies dit van toepassing is. In zekere zin doen we dit dus al.
Mevrouw Nanninga: wat is de wachttijd tussen keuring, aanstelling en
opleiding? De tijd van de keuring en plaatsing verschilt per functie en
kandidaat, maar over het algemeen moeten we het daarbij hebben over
enkele maanden. Dit is echt afhankelijk van het moment van het jaar. U
kunt zich misschien voorstellen dat september wat drukker is, omdat veel
jongeren dan hun schooljaar hebben gehad en gaan beginnen en dat het net
iets anders is als je je midden in het jaar aanmeldt. Dat is dus echt
afhankelijk van wanneer de sollicitant solliciteert. Maar op dit moment
is het dus enkele maanden. We proberen dat uiteraard zo kort mogelijk te
maken, omdat ik natuurlijk ook moet zeggen — u krijgt ook al die
signalen — dat mensen zich aanmelden en het soms heel lang duurt voordat
er een reactie komt. Daar zitten verbeteringen in, maar het heeft er
simpelweg mee te maken dat we gewoon heel veel aanmeldingen krijgen, wat
overigens weer positief is.
Hoe groot is de uitstroom tijdens deze wachttijd? Ook dat is een vraag
van mevrouw Nanninga. De uitstroom tijdens de wachttijd tussen de
keuring en de plaatsing betreft voor de beroeps ongeveer 2% van de
instroom. Dit zijn militairen die zich uiteindelijk niet melden voor de
start van de opleiding. Dit treedt vooral op bij de lange duur tussen de
keuring en de start van de opleiding. Om de tijd tussen de keuring en de
oproep zo klein mogelijk te houden, moeten we de frequentie van de
initiële opleidingen vergroten, of starten militairen vooruitlopend op
de start van de initiële opleiding, dus een vooropkomst. Waar moet je
dan aan denken? Je spullen ophalen bij het KPU-bedrijf, schoenen
aanmeten, administratieve handelingen en dergelijke. Eigenlijk al het
voorwerk doe je dan helemaal in het begin.
De heer Boon stelde een vraag in het verlengde daarvan: hoe hoog is op
dit moment de uitstroom en waarom vertrekken mensen; is de werkdruk te
hoog? Dat brengen we redelijk nauwgezet in kaart. Wat zijn de redenen om
helaas de dienst verlaten? 20% geeft inderdaad aan dat de werkdruk de
vertrekreden is. Voor militairen is dat 19%, voor burgers 25%. Dan gaat
het om de wisselende werkdruk, dus het zal voor hen hollen of stilstaan
zijn. Ik denk dat elke militair dat wel herkent, dat het veel wachten
is. De top drie van vertrekredenen voor beroepsmilitairen is: de balans
tussen werk, reistijd en thuis, de wijze waarop de organisatie wordt
bestuurd en de inhoud van de functie. De top drie van vertrekredenen
voor burgers is: de inhoud van de functie, de wijze waarop de
organisatie wordt bestuurd en de balans tussen werk, reistijd en
thuis.
Mevrouw Ten Hove vroeg net: kun je niet meer mensen uit de Randstad bij
Defensie krijgen? Ze wees erop dat de reistijd naar kazernes voor
Randstedelingen soms best lang is. Dat herken ik en dat is ook een van
de redenen dat we onder andere naar Zeewolde kijken, omdat dat tussen de
Randstad en de rest van Nederland ligt. Daar wordt dus wel actief naar
gekeken. Vrij recent is er een eenheid ... Ik ben even kwijt welke dat
ook alweer was. Ja, het 45ste pantserinfanteriebataljon is vanuit
Havelte naar Soesterberg gegaan. Een van de redenen was: weer terug op
de plek die voor een deel van de eenheid beter bereikbaar is. Daar wordt
dus echt naar gekeken. Of neem de marinierskazerne, niet te vergeten;
maar dat is weer een ander verhaal.
Welke invloed heeft een onbemenst systeem op de opbouw en de omvang van
de beoogde groei van de krijgsmacht? Mevrouw Nanninga vroeg daarnaar. Ik
denk dat het goed is als we onbemenste systemen niet een-op-een
tegenover mensen zetten, allereerst omdat deze systemen ook bestuurd
moeten worden door mensen. De functie van de militair zal misschien
anders worden, maar het is niet zo dat er een militair verdwijnt.
Sterker nog, omdat het een combinatie gaat zijn tussen mensen en
onbemenste systemen en de manier van optreden complexer wordt, is de
verwachting juist dat we meer mensen nodig hebben. Het is dus niet
zozeer een vervanging, maar een verschuiving van de inzet. Ik zeg er
meteen bij dat je de normale infanteriesoldaat altijd zult blijven
houden. Alleen de manier van optreden zal anders worden.
De heer Bolhuis zei: er is voldoende interesse van jongeren voor
Defensie, maar de opschaling gaat niet snel genoeg; ondertussen zijn de
wachttijden lang en op het moment dat ze daadwerkelijk in dienst kunnen
treden, is de interesse soms weer afgenomen." Voor beroeps zijn de
wachttijden inmiddels een stuk korter. Er wordt ook vaker met initiële
opleidingen gestart, waardoor de wachttijd tot de dienst ook korter is.
Tevens starten kandidaten in enkele functiegroepen voordat de initiële
opleiding aanvangt. Ook hierdoor is de wachttijd zo kort mogelijk
gehouden. Tegelijkertijd herken ik dat voor bepaalde opleidingen het
animo ontzettend hoog is en dat mensen soms ver van tevoren
solliciteren. Soms zijn ze nog bezig met hun studie maar solliciteren ze
alvast. Dat juichen wij overigens toe, want dan hebben wij ook een beter
beeld van wat eraan gaat komen. Dat geeft soms echter wel een wat
vertekend beeld. De wachttijd totdat de jongeren daadwerkelijk op kunnen
komen is ruim. Nogmaals, het is wel zo dat we heel veel meer
aanmeldingen krijgen dan we op dit moment aankunnen, dus we moeten daar
ook soms in differentiëren. Maar daarvoor hebben we de stappen voor
verbeteringen ook al gehad, zoals ik de heer De Groot al zei.
Mevrouw Ten Hove van DNA. DNA toch?
De voorzitter:
Groep Markuszower, alias DNA.
Staatssecretaris Boswijk:
O, Groep Markuszower. Sorry, excuus. Ja, ik ben een beetje verkouden,
dus u zult misschien wel denken: wat heeft ie een gekke stem inmiddels
... Dat klopt dus. Ik adem nu alleen maar door mijn mond. Ik houd het
dan nog maar even bij "Groep Markuszower", maar dan hebben we alvast
geoefend. Mevrouw Ten Hove maakte net de opmerking dat kazernes soms te
veraf liggen van het westen, zoals u het noemde, en dat dat demotiverend
kan werken. Daarom hebben we in het Nationaal Programma Ruimte voor
Defensie ook expliciet gekeken naar de bereikbaarheid over heel
Nederland heen. Ik denk dat Zeewolde een goed voorbeeld daarvan is. Het
grappige is dat je bijvoorbeeld ziet dat in het Mariniers
Opleidingscentrum in Rotterdam weer een heel andere groep jongeren
binnenkomt die je eigenlijk veel meer zou willen benutten, maar dat dat
onvoldoende gebeurt omdat andere krijgsmachtsonderdelen weer te ver weg
zitten. Wij zijn van mening dat we met het Nationaal Programma Ruimte
voor Defensie daar behoorlijke stappen in gaan zetten.
Dan had mevrouw Ten Hove ook nog een vraag over de wachttijden na
selectie. Ja, die zijn er. Ze zijn wel structureel fors teruggedrongen,
maar ze zijn er nog steeds. En de schaalbaarheid blijft gewoon een
uitdaging als het gaat om opleidingscapaciteit, keuringscapaciteit en
mensen behuizen. Maar we zetten hier echt wel serieuze stappen. Eén
klein voorbeeldje. Ik was twee weken geleden in Dongen in Brabant. Daar
werd een complex geopend voor 235 cadetten. Toen ik dat opende, was het
vrijdag. Die maandag zouden ze binnenkomen. 3,5 maand geleden was daar
nog helemaal niks. Dus in 3,5 maand werd er een legering geopend voor
235 cadetten. Maar ik zie dat de griffier "opschieten" zegt, dus ik ga
door.
De voorzitter:
Dank u wel, staatssecretaris.
Staatssecretaris Boswijk:
Als je iemand te vriend moet houden, is het griffier Tim. Oké, dan gaan
we door naar het kopje opleiding en ontwikkeling. Hoe afhankelijk wil
Defensie zijn van externe opleidingscapaciteiten? Dat was een vraag van
de heer Boon. Ons uitgangspunt is op dit moment "civiel, tenzij". Dat is
niet een keuze uit luxe; dat is omdat we op dit moment door een
flessenhals moeten. Het is inderdaad waar wat de heer Boon zegt: het
gevolg van 30 jaar bezuinigen is dat we heel veel kader zijn
kwijtgeraakt, dat we nu heel hard aan het groeien zijn en dat je het
kader dat we hebben niet wilt overbelasten, want dan raak je nog meer
mensen kwijt en maak je het probleem groter. We moeten nu gebruikmaken
van externe opleidingscapaciteit. Het positieve daaraan is dat we op die
manier weer heel veel kennis en ervaring mobiliseren die Defensie in de
afgelopen jaren juist was kwijtgeraakt. Je ziet dus oude
sergeant-majoors die niet meer terugkomen in de dienst — wat natuurlijk
altijd wel mag — maar wel terugkomen als externe inhuur. Uiteindelijk is
het goed als ongeveer 10% van de totale opleidingscapaciteit extern
wordt ingehuurd. Dat vinden wij acceptabel, zulks ook binnen het hele
principe van de whole of society approach. Ik geloof dat de heer Maes
van Lanschot het had over het schillenmodel. Je hebt daarin schillen met
bijvoorbeeld chauffeurs en noem maar op. Je zou de externe
opleidingscapaciteit ook daaronder kunnen beschouwen. We willen
uiteindelijk in de toekomst veel meer eigen kader hebben, maar we moeten
door die flessenhals heen; we moeten eerst die mensen zelf ook weer
opleiden.
Ook de heer Boon: is de staatssecretaris bereid om van grensbewaking een
standaardonderdeel van de opleiding te maken? Grensbewaking is een
wettelijke taak van de KMar die niet bij de andere krijgsmachtdelen
ligt. De KMar wordt daarvoor opgeleid. De focus van de initiële
opleiding ligt in het opleiden voor de eerste hoofdtaak. Grensbewaking
hoort wat ons betreft niet standaard bij de Defensieonderdelen. Plus: ik
weet dat de heer Boon een groot pleitbezorger is van het juist niet
verkorten van de opleiding. Dan moeten we er vooral niet méér dingen bij
gaan doen, want dan loopt het helemaal spaak. Waar nodig is Defensie
natuurlijk altijd bereid om ondersteuning te geven aan de civiele
autoriteiten, maar grensbewaking is niet de primaire taak van de
krijgsmacht.
Dan had de heer Van Lanschot het over het ter beschikking stellen van
oefenterreinen en lesruimtes: zou het niet mooi zijn als de overheid ook
een bijdrage zou leveren door het in natura beschikbaar stellen van
oefenterreinen en lesruimtes van Defensie? Zeker, ik sta daar positief
tegenover. Ik denk ook dat het mooi is als je als krijgsmacht laat zien
dat je niet alleen bijdraagt aan veiligheid, maar ook een bredere
maatschappelijke rol pakt. Ik zeg daar wel bij dat we nog wel de Wet
markt en overheid hebben. Maar goed, u bent de wetgever hier. Die wet
beperkt ons daar wel in. Gewoon heel simpel: als wij als Defensie een
ruimte aanbieden, is dat prima, mits dat beveiligingstechnisch enzovoort
kan. Maar stel dat je daar een zalencentrum in de buurt hebt, dan kun je
zeggen dat wij daarmee met dat zalencentrum concurreren, wat oneerlijke
concurrentie is. Dus er zijn ook beperkingen om dit te doen, los
natuurlijk van de beveiligingsbeperkingen. Op zich staan wij hier wel
voor open, maar het is minder makkelijk gezegd dan gedaan.
De heer Van Lanschot (CDA):
Als oud-wethouder van Eindhoven ken ook ik de Wet markt en overheid. De
staatssecretaris en ik delen het beeld dat dit soort wetten helaas vaak
ook gebruikt worden door juristen om eindeloos veel zand in de motor te
strooien. Dan vraag ik aan de staatssecretaris of hij het volgende kan
toezeggen. Ik ga hier natuurlijk met meerdere collega's nog een motie
over indienen. Kan hij bij de uitwerking van die motie al dit jaar
aangeven hoe het binnen de Wet markt en overheid mogelijk is om, in het
landsbelang en het veiligheidsbelang, wel deze zaken gratis te
verschaffen aan initiatieven als de Burgerreserve? Ik verwacht daarbij
ook een meewerkende houding van de juristen en niet het klassieke "er is
een risico; dat kunnen we niet uitsluiten", en dat het vervolgens vier
maanden ambtelijk blijft ronddolen.
Staatssecretaris Boswijk:
Dat kan ik toezeggen, ja.
Dan naar mevrouw Nanninga: hoe staat de opleidingsketen ervoor en is er
sinds april al verbetering? Ja, ik heb er net al een paar genoemd.
Gewoon simpel en praktisch: legering komt nu als de brandweer; ik noemde
Dongen net. Binnenkort, ergens begin december, leveren we een
legeringsgebouw op in Leeuwarden. Dat maakt het mogelijk om meer mensen
te laten slapen. Maar we zijn ook bezig met een digitaal leerplatform,
waardoor het onderwijs een stuk digitaler, meer modulair, slimmer
enzovoort wordt. Zo zijn we eigenlijk heel veel stappen aan het zetten
om die opleidingsketen slimmer te maken, omdat we gewoon zien dat die
een stuk efficiënter kan. Dat zijn we dus zeker aan het doen. Het is
iets wat nooit helemaal af is, maar er wordt nu wel snelheid gemaakt,
omdat we zien dat die opleidingen soms wat inefficiënt zijn.
In het verlengde daarvan vroeg de heer Boon naar de AMO van tien weken:
zien we extra uitval? Nee, we zien op dit moment geen extra uitval bij
de AMO. Het opleidingsrendement is 81,4%. Ons streven is minimaal 80%,
dus we zitten aan de veilige kant. Dat is het antwoord.
Dan de heer Boon: "Waarom denkt of weet Defensie dat tien weken
basisopleiding voldoende is? Heeft Defensie, zonder onder druk te staan,
de opleiding ingekort?" De kwalificatie-eisen blijven van kracht. Dit
debat heb ik natuurlijk vaker met de heer Boon gehad. Er zijn elementen
die in de basisopleiding thuiszitten en we hebben een aantal modules van
die opleiding verplaatst naar de eenheden, omdat we van mening zijn dat
we daardoor meer kunnen versnellen en meer mensen kunnen opleiden. Ik
ontken natuurlijk niet dat dit een grotere druk geeft op de eenheden,
maar dit is dezelfde flessenhals waar we doorheen moeten om zo snel
mogelijk massa te creëren en daarna, vanuit die massa, weer een nieuw
opleidingskader op te leiden. Overigens is het ook goed om te weten dat
we niet alle opleidingen verkorten. We kijken gewoon praktisch naar:
welke opleidingen zijn goed, welke kunnen korter, efficiënter en beter?
Sommige opleidingen worden zelfs verlengd omdat we zien dat de
vraagstukken waarmee de militairen te maken gaan krijgen complexer
worden. Dat zien we onder andere bij de Lucht- en Ruimtestrijdkrachten,
waar een aantal opleidingen langer zijn geworden. Het gaat dus wel
degelijk twee kanten op.
Voorzitter. Dat brengt me bij het kopje reservisten. De heer Boon:
"Hoeveel van de aanstaande reservisten zijn echt inzetbaar bij eenheden?
Wordt bij de plaatsing van de reservisten voldoende gekeken naar
ervaring, kennis en ambitie? Kijkt Defensie ook naar wat reservisten
zelf willen doen qua werkzaamheden?" Alle militairen ontvangen een
start- en functieopleiding. Dat geldt ook voor reservisten. Zij krijgen
een algemene militaire basisopleiding voor reservisten. Doordat
reservisten goed opgeleid zijn, kunnen ze ook meteen bij eenheden worden
ingezet. Reservisten solliciteren op een functie, waarbij wordt
geselecteerd op basis van relevante kennis en ervaring. Een reservist
met specifieke deskundigheid ... Ik noem maar wat: van de week was ik
bij ING, waar reservisten zitten die heel goed zijn in het cyberdomein.
Over het algemeen solliciteren die dan op een functie bij Defensie in
het cyberdomein. Of de reservist zegt zelf: ik vind het verschrikkelijk;
ik vind het wel leuk om bij ING in de Excelsheets te zitten, maar
eigenlijk wil ik in het weekend in het groen bij bewaken en beveiligen.
Dat gebeurt ook. Dat kan dan. Je ziet dus wel uitwisseling, maar daar
heeft de reservist zelf best wel invloed op.
Waarom stoppen er reservisten? Wordt dat onderzocht en wat doet Defensie
in reactie daarop? Dat is ook een vraag van de heer Boon. De
belangrijkste vertrekreden voor reservisten is de balans tussen de
civiele loopbaan en de reservistenloopbaan en ook de verschuiving in
hoofdtaken, de focus daarop. Wij monitoren doorlopend de vertrekredenen
en kijken ook hoe we dit kunnen verbeteren. Ik denk dat we hierin ook
goede stappen zetten. De arbeidsvoorwaardenovereenkomst met de vakbonden
heeft ook wel handvatten gegeven om beter tegemoet te komen aan de
positie van de reservist. We zijn met SZW bezig om de rechtspositie van
de reservist te verbeteren; ik weet niet meer wie die vraag precies
stelde. Zo kan weer een vertrekreden worden weggenomen. Alleen, het
tempo ligt voor een deel bij SZW. We moeten het wel op een ordentelijke
manier doen, dus die wetswijziging gaat wel even duren. Maar we zijn
doorlopend bezig om dit te verbeteren.
Dan mevrouw Nanninga: "Wanneer zijn de reservistenplannen per eenheid
gereed? Ontvangt de Kamer die plannen?" De eenheden binnen Defensie
hebben de opdracht gekregen hun vredesorganisatie en oorlogsorganisatie
in te richten. De plannen moeten niet later dan Q1 2027 gereed zijn. We
houden bij het indelen van reservisten in de organisatie rekening met
kennis, kunde en ervaring van de reservisten. Deze plannen worden, zoals
u zich kunt voorstellen, niet publiek gedeeld.
Dan mevrouw Jagtenberg over de toezegging over de rechtspositie van
reservisten. Dat is het verhaal van SZW. We hebben gezamenlijk inmiddels
een redelijk beeld van wat de knelpunten dan zijn. Op dit moment werken
we ook verschillende voorstellen uit. Dat doen we overigens ook met de
sociale partners, met werkgevers. Uiteindelijk moet het ook landen in
wetgeving die gemaakt moet worden. De ambitie is invoering per 2029. Dat
lijkt heel ver weg en dat is het ook, maar een wetstraject, inclusief
het meenemen van de positie van de Kamer, het advies van de Raad van
State ... Volgend jaar zijn we de hele tijd druk met de wet en daarna
gaan we hem behandelen. Dat neemt niet weg dat we al maatregelen kunnen
nemen op praktisch niveau. Dat wordt nu ook al uitgelopen.
Dan mevrouw Jagtenberg: wat is de voortgang van de toezegging om de
tegemoetkoming voor reservisten te verhogen; zijn daar al concrete
stappen op gezet? Ja, ik heb in de huidige regeling voor de werkgevers
de tegemoetkoming inmiddels onderzocht, waarbij ik onder meer heb
gekeken naar de werking van de regeling en de ervaring van de
werkgevers. Op basis daarvan is de regeling nu in concept uitgewerkt.
Daarbij is specifiek gekeken naar zowel de toekenningscriteria als de
hoogte van de tegemoetkoming, zodat er beter wordt aangesloten bij de
praktijk en de groeiende inzet van de reservisten. Dit sluit ook aan bij
de bredere inzet van het kabinet om werkgevers beter te ondersteunen. De
conceptregeling wordt op dit moment uitgewerkt. De ambitie is om de
regeling in de eerste helft van 2027 ingevoerd te hebben.
In het verlengde daarvan: wat is de voortgang van de motie-Jagtenberg
over de combinatiebanen? Daar heb ik op 23 september een brief over
gestuurd. Dat is dus een paar dagen geleden, zeg ik even uit mijn hoofd.
Het kan dus zijn dat we die gemist hebben. Het gedeeld werkgeverschap is
verder uitgewerkt binnen het bestaande Nederlandse stelsel. De motie is
niet vertaald naar een nieuw juridisch model, maar naar een structurele
samenwerking tussen Defensie, de reservist en de civiele werkgever, met
afspraken over beschikbaarheid, opleiding, inzet en
verantwoordelijkheid. Ik noemde zojuist al het voorbeeld van de KLM,
waarmee we afgelopen zomer een overeenkomst hebben bereikt. De
werknemers behouden daarbij hun civiele baan, bijvoorbeeld piloot of
monteur, en tegelijkertijd krijgen ze een reservistenaanstelling bij
Defensie. We gaan kijken hoe dit bij KLM werkt. Het is nu te vroeg om te
zeggen dat dit briljant werkt, want het loopt nog maar ongeveer twee of
drie maanden, maar het is redelijk snel tot stand gekomen met KLM. Naar
aanleiding van het feit dat we hier afgelopen zomer uit zijn gekomen,
geven best wel wat partijen ook invulling hieraan op het punt van
schaarse capaciteiten. Zij rammelen aan de deur omdat zij ook hun
maatschappelijke verantwoordelijkheid voelen. Ook daar zien we dus best
wel dat dit work in progress is.
Dan had mevrouw Jagtenberg een vraag over de Nationale Zorgreserve, waar
ik meer Kamerleden over heb gehoord. Is Defensie bereid succesfactoren
achter de Nationale Zorgreserve te onderzoeken en die te vertalen naar
andere sectoren, zoals techniek, logistiek en IT? En is Defensie bereid
met de technische en logistieke sectoren en de IT-sector in gesprek te
gaan om dit in lijn met de Nationale Zorgreserve ook op te zetten?
Defensie voert op dit moment al gesprekken met verschillende partijen en
kijkt ook welke succesfactoren uit dit bestaande model kunnen worden
vertaald. Dit past ook helemaal in het vierdeschilprincipe dat volgens
mij de heer Van Lanschot noemde. De Stichting Extra Samen, die de
Nationale Zorgreserve uitvoert, is een van de partijen waarmee we in
contact zijn. Wij verwachten in 2027 een operationeel concept uit te
rollen voor de flexibele burgercapaciteit. Dit is overigens niet iets
wat wij als Defensie alléén doen. Hier gaan meerdere ministeries over:
SZW, Binnenlandse Zaken, VWS en noem maar op. Wij staan hiervoor dus
niet helemaal alleen aan de lat. Maar we zijn hier op dit moment dus mee
bezig.
Dan de heer De Groot: is inzichtelijk welke resultaten behaald worden
doordat militairen die diensten verlaten hebben reservist worden? Een
van de afspraken die we in het AV-akkoord met de sociale partners hebben
gemaakt, is het langer verbinden van militaire expertise aan Defensie.
Militaire expertise is een schaars goed, dat over een lange periode
wordt opgebouwd. Daarom is de afspraak opgenomen dat een beroepsmilitair
die op eigen verzoek met ontslag gaat, automatisch wordt aangesteld als
reservepersoneel, tenzij de beroepsmilitair in kwestie daar expliciet
van afziet. In het eerste halfjaar van 2026 hebben 729 beroepsmilitairen
Defensie verlaten, waarvan 433 met een heraanstelling binnen 30 dagen.
Van die 433 zijn er 24 met een heraanstelling als beroeps, 22 met een
heraanstelling als burger en 187 met een heraanstelling als reservist.
Dat is op zich dus positief. Deze cijfers zijn voor de automatische
aanstelling als reservist na de beroepsaanstelling ook conform het
akkoord dat we hebben gesloten met de partners. De verwachting is ook
dat er vanaf 2028 meer reservisten zullen worden aangesteld.
Mevrouw Jagtenberg en de heer Bolhuis vroegen: hoe komt het dat er
reservisten zijn die enkele maanden, drie à vier maanden, moeten wachten
totdat ze uitbetaald worden? Helaas bent u niet de enige die dit signaal
heeft gekregen. Dat heb ik ook veelvuldig gekregen. We erkennen
inderdaad dat er in het verleden behoorlijke vertragingen zijn geweest
bij de salarisbetalingen van reservisten. De oorzaak lag met name bij de
administratieve verwerking van de opkomsten. Voor de reservisten die nog
niet onder de maandbezoldiging vallen, wordt er nog gewerkt met papieren
opkomstlijsten die via verschillende schakels moeten worden verwerkt.
Als er na de sluitingsdatum een mutatie wordt aangeleverd, dan kan die
pas bij de volgende maand worden meegenomen. U moet zich voorstellen dat
je gewoon een papieren formuliertje hebt dat je met een pen invult. Dat
is superouderwets. Dat werd ingescand en als het dan onleesbaar was,
kwam het weer terug, of er ontbrak een handtekening. Dat was een
hopeloos systeem.
Voor reservisten met een vast rooster is per 1 juli 2026 de
maandbezoldiging ingevoerd. Daarmee wordt het salaris niet langer
achteraf per afzonderlijke opkomst vastgesteld. Die invoering is goed
verlopen. Zoals bij iedere nieuwe systematiek zijn er natuurlijk nog
aanloop- of verbeterpunten. Die worden opgepakt. Voor de overige
reservisten wordt de Rooster Management Tool uitgerold. Sorry, ik neem
even een slokje water om mijn strot te smeren. We hopen een einde te
maken aan die hele papiermolen. Dan gaat het digitaal en veel sneller en
is het minder foutgevoelig. De vertraging zal dan ook een stuk minder
zijn. Met de invoering van deze maandbezoldiging en de Rooster
Management Tool zijn de belangrijkste oorzaken van de
betalingsachterstanden weggenomen. Ik moest even mijn neus ophalen,
excuus.
Welke beroepsgroepen waar Defensie specifiek naar kijkt worden ingevuld
door hybride banen? Defensie kijkt wat betreft hybride banen in het
bijzonder naar functies en expertisegebieden waarbij er sprake is van
schaarste. Daar heb ik het net al over gehad. Dan hebben we het over het
cyberdomein, monteurs, logistiek en medische functies. Als het over hele
specialistische expertise gaat — dan kom ik weer op de KLM-casus terug —
dan gaat het onder andere over luchtmachtvliegers.
De heer Bolhuis vroeg: kunnen we verlof voor reservisten niet eerder
regelen dan via een wetgevingstraject; hoe kijkt de staatssecretaris aan
tegen de verschillen die nu ten gevolge van de cao's ontstaan? Wij doen
dit samen met SZW. U refereerde ook aan de brief die u in de zomer heeft
gekregen. We ambiëren om zo veel en zo snel mogelijk verschillende
wetgeving gelijktijdig aangepast te krijgen, zodat u die als Kamer
integraal kan beoordelen. Tegelijkertijd is dit best complexe materie,
waar we nauwkeurig mee moeten omgaan. Ik ga er alles aan doen om dit zo
snel mogelijk te doen. Blijf mij daar ook op bevragen. Dat wil ik ook
doen. De verwachting is wel dat het toekomstige stelsel pas vanaf 2029
kan worden ingevoerd, als we het hele wetgevingstraject hebben
doorlopen. Ik zal in de tussentijd individuele afspraken maken — die
worden al gemaakt — met bedrijven en sectoren, zodat er in hun cao's al
aanpassingen worden doorgevoerd. Dan komt er in het nieuwe stelsel
duidelijkheid. Ondertussen zal ik pushen om te zorgen dat we dat samen
met SZW zo snel mogelijk doen. Ik wil hier ook aan
verwachtingenmanagement doen, omdat het gewoon best complexe materie
is.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik denk dat dit een goed moment is voor de staatssecretaris om even op
adem te komen en zijn neus te snuiten. Dat is ook belangrijk. Nu weet ik
natuurlijk niet of hij mijn vraag hoort, dus ik wacht heel even.
Staatssecretaris Boswijk:
Nee, ik luister.
(Hilariteit)
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik wil specifiek nog iets vragen over de hybride banen. Er wordt
natuurlijk heel veel gesproken over het voorbeeld van KLM: je werkt bij
KLM en bent ook reservist. Het idee van de hybride baan is geboren om
... De reservist helpt de staande militaire organisatie natuurlijk. Je
kan ook beroepsmilitair zijn en bij KLM werken. Dat is een nog net iets
andere variant. Welk voordeel zou het opleveren als we naar die variant
kijken? Ik stel deze vraag omdat je dan gelijk een heel groot arsenaal
aan extra beroepsmilitairen hebt die voor honderd procent beschikbaar
zijn als de situatie daarom vraagt.
Staatssecretaris Boswijk:
Ik denk dat het altijd goed is om creatieve ideeën te hebben, maar het
eerste wat bij mij opkomt, is: voor welk probleem is dit een oplossing?
In feite wil ik altijd de beschikking hebben over beroepsmilitairen.
Mijn verwachting is ook … Nee, het is niet alleen mijn verwachting. De
druk op beroepsmilitairen is nu al best wel groot, omdat ze de gaten
dicht moeten lopen en opleidingen in hun eenheden moeten draaien. Als
iemand weet-ik-veel-waar werkt en binnenkomt als beroepsmilitair, dan
verwacht ik van hem minimaal honderd procent inzet. Als dat niet kan,
ben je geen beroepsmilitair, maar dan ben je reservist. Ik denk eerlijk
gezegd dat we het niet complexer moeten maken dan het nu is. Ik zou er
dan toch voor pleiten om te zeggen: wil jij dienen, maar wil jij ook een
civiele baan behouden, dan word je reservist. Daarbij kijken we ook naar
het volgende. Stel dat we met een ramp of in het ergste geval een oorlog
worden geconfronteerd, dan kan het ook zijn dat jouw civiele baan
misschien wel belangrijker is dan die van reservist. Dus ook daarin zit
een behoorlijke complexiteit. Met alleen dat al in ons achterhoofd zou
ik er niet voor zijn om te zeggen: je kan ook beroepsmilitair worden.
Als je die twee combineert, moet je per definitie reservist zijn, ook
vanwege het hele juridische kader. Ik had het er net met de heer Bolhuis
over. Dat zijn we nu als de brandweer aan het updaten. Als we dat hebben
gedaan, is het helder. Dan zou ik er niet voor zijn om er weer een
nieuwe categorie bij te doen.
De voorzitter:
Duidelijk, dank u wel. Staatssecretaris, hoelang denkt u ongeveer nog
nodig te hebben? Ik kijk alvast even naar de klok.
Staatssecretaris Boswijk:
Ik heb nu nog het blokje reservisten. Sorry, reservisten heb ik gehad.
Ik ga nu het blokje arbeidsvoorwaarden doen. Dan heb ik geneeskundig en
dan heb ik nog andere belangrijke zaken. Dat is vrij dik. Ik ga gewoon
stoïcijns door.
Dan gaan we nu naar arbeidsvoorwaarden. Mevrouw Jagtenberg vroeg: waarom
worden Defensiemedewerkers, in tegenstelling tot het Rijk, slechts voor
75% doorbetaald tijdens de eerste negen weken van hun ouderschapsverlof;
wilt u dit opbrengen bij de vakbonden? Nou, dat heb ik bij dezen gedaan.
Het huidige arbeidsvoorwaardenakkoord is een uitkomst van een vrij
pittige onderhandeling, kan ik vertellen. Ik kan natuurlijk niet alles
zeggen wat ik denk. Nee, grapje. Het was buitengewoon constructief, maar
ook pittig. Het hangt natuurlijk allemaal met elkaar samen. Wat er nu
ligt, is wat ons betreft een heel goed afgewogen geheel, met
arbeidsvoorwaarden waar we echt trots op kunnen zijn, denk ik. Hierin
hebben de sociale partners ook maatregelen afgesproken die specifiek de
Defensiemedewerkers meer ruimte bieden om hun persoonlijke leven beter
te kunnen combineren met het werk voor Defensie. We hebben natuurlijk
allemaal de 6,5% plus de 2% gezien. Dat gaat vooral over financiën, maar
we hebben ook echt grote stappen gezet op het gebied van de kosten van
de kinderopvang, mantelzorg en het schrappen van de
terugbetalingsverplichting bij ouderschapsverlof. Ik ben altijd bereid
om in overleg met de vakbonden te kijken wat we in de tussentijd nog
kunnen veranderen. Bij dezen zullen we dat doen. Ik beloof alleen geen
succes op de korte termijn, omdat ik gewoon weet hoe complex de
onderhandeling is. Ik denk dat we nu een heel afgewogen verhaal hebben.
Maar ik zal het zeker ter sprake brengen.
Dan heb ik een vraag van mevrouw Dobbe en de heer Bolhuis: "Voor het
volgen van een minor bij Defensie krijgt een student €2.300.
Hiertegenover staat een onbetaalde stage in het onderwijs. Hoe kan de
staatssecretaris dit accepteren?" Ja, ik vind het eigenlijk wel heel
mooi dat je als student met je minor volwaardig meedraait bij Defensie.
Ik bedoel: mevrouw Dobbe moet het toch toejuichen dat studenten bij
Defensie volwaardig serieus worden genomen? En omdat we ze serieus
nemen, hoort daar ook een vergoeding bij. Dus ik denk dat Defensie hier
het perfecte socialistische ideaal laat zien: mensen belonen voor wat ze
doen. Daar ben ik trots op. Zij ontvangen bij deze minor een regulier
militair salaris dat hoort bij hun aanstelling. Dat juichen we
toe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik heb weleens minder erge gevallen van uitlokking gehoord, dus mag ik
hierop reageren? Ik word hier namelijk direct aangesproken.
De voorzitter:
Nee. U stelde een vraag, maar u bent door uw interrupties heen. U heeft
nog een tweede termijn, als we een beetje tijd maken. Ik zou graag
verdergaan.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik wil graag in de notulen laten opnemen dat dit niet een voorbeeld is
van een soort socialistisch ideaalbeeld — verre van. Daar zal ik het
maar bij laten.
Staatssecretaris Boswijk:
Mevrouw Dobbe weet dat ze mij altijd met een korreltje zout moet nemen,
omdat ik af en toe plaag. Maar ik ben er serieus wel trots op dat we dit
hebben gedaan, omdat ik denk dat dit een hele goede stap is. We zien ook
dat veel jongeren zich aanmelden voor een minor. Dat gaat niet om het
geld. Er zijn ook heel veel jongeren die dit uit intrinsieke motivatie
doen, omdat ze gewoon zien dat de wereldsituatie een stuk is
verslechterd en ze daarbij graag een rol willen vervullen.
Dan mevrouw Nanninga. Zij vroeg: hoe staat het met de motie over de
BSB-uitzendvergoeding? Op 1 oktober aanstaande wordt de Regeling
Militaire Inzet ingevoerd. De BSB-inzet die daarvoor in aanmerking komt,
wordt in het vervolg onder diezelfde regeling betaald. Het verschil in
rechtspositie wordt met de invoering van de Regeling Militaire Inzet
weggenomen. Overigens wil ik wel meteen zeggen dat het aangepaste beleid
niet wil zeggen dat de BSB's in de vorige situatie zijn benadeeld, maar
het wordt in ieder geval rechtgetrokken.
Mevrouw Nanninga vroeg: herkent de staatssecretaris de stugge
functietoewijzing en bevordering als grootste reden voor de uitstroom en
wat doet Defensie hieraan? Bij de functietoewijzing worden het
organisatiebelang en het persoonlijke belang zorgvuldig afgewogen. In
verband met tekorten bij met name specialistische functies kan het
organisatiebelang zwaarder wegen. Dat is helaas hoe het is. Dat is
overigens niet de grootste reden voor de uitstroom. De grootste reden
voor de uitstroom is de werk-privébalans of de afstand tot het werk. We
zijn ermee bezig om dat handen en voeten te geven, zoals ik net al zei.
Bij Defensie is het inderdaad wel zo, zoals bij elke werkgever, dat je
soms werk moet doen of een functie moet uitoefenen waar je minder
enthousiast van dan je misschien zou willen. Dat maakt een volgende
functie weer een stuk leuker.
Dan gaan we naar de heer Boon. Hij vroeg: ziet Defensie dat door het
nieuwe AV-akkoord meer militairen willen blijven? Ja, maar met een
kleine nuance: het is er natuurlijk heel kort, dus het echte effect
moeten we nog gaan zien. We zien bijvoorbeeld al wel dat het ontslag op
eigen verzoek stabiel is. Als we dat afzetten tegen de rest van de
overheid, waar het 5% is, of het bedrijfsleven, waar het 10% is, dan
zien we dat we het eigenlijk best goed doen. Zeker in de afgelopen jaren
zie je dat de arbeidsvoorwaarden niet meer een van de redenen zijn om te
vertrekken bij Defensie. Ik denk wel dat we kunnen zeggen dat niet
alleen het laatste AV-akkoord maar ook degene hiervoor, de negatieve
kanten heeft verbeterd.
Dan de heer De Groot. Hij vroeg: hoeveel militairen verwacht de
staatssecretaris te kunnen behouden dankzij het AV-akkoord en het feit
dat beroepsmilitairen langer kunnen doorwerken? Dat is een maatregel die
voortvloeit uit, ik meen, een motie van Struijs van 50PLUS, met brede
steun van de Kamer. De maatregel is ingegaan vanaf 1 september
jongstleden. De prognose is als volgt. Er zijn ongeveer tussen de 640 en
720 militairen die elk jaar met functioneel leeftijdsontslag gaan. De
prognose is dat tussen de 150 en 170 militairen hier gebruik van gaan
maken. Maar goed, het is een klein beetje gissen, omdat het voor ons ook
nieuw is. Onder het mom van "iedere persoon binnenhouden is er één", is
het een positieve ontwikkeling, denk ik.
Dan ga ik naar het blokje geneeskundig. Mevrouw Jagtenberg vroeg naar de
samenwerking met Oekraïne. Nederland is een van de medeoprichters van
het NATO Centre of Excellence for Military Medicine. Dat is gevestigd in
Hongarije. Nederland heeft ook een permanente presentie daar. Daar
worden de lessons learned elke keer gedaan en verder binnen de NAVO
geïmplementeerd. Ik onderschrijf natuurlijk volkomen het belang van het
implementeren van de lessen die in Oekraïne worden geleerd, of dat nou
gaat over de productie van drones, de medische keten of wat dan ook.
Alleen willen wij dat wel via deze route doen, omdat we Oekraïne niet
extra willen belasten met weer een bilateraal kanaal. We willen dus de
lijn gebruiken die er nu is via de NAVO.
Dan de heer De Groot. Wanneer wordt iemand als militair verwezen naar de
civiele zorg? Dat gebeurt in het geval dat de capaciteit of de expertise
van de militaire geneeskunde niet toereikend is. Dan wordt de patiënt
doorverwezen naar een civiel ziekenhuis.
De heer De Groot vroeg ook welke specifieke zorg en begeleiding er
binnen Defensie zijn voor gynaecologische klachten. Militairen bij
Defensie hebben initieel toegang tot zorg via de militaire huisarts. Hij
of zij verwijst de patiënt dan naar een civiele zorgverlener bij
gynaecologische klachten. In het Universitair Medisch Centrum Utrecht is
hiervoor ook een dedicated gynaecoloog voor Defensie beschikbaar.
Is in kaart gebracht of vrouwen tegen wachttijden aanlopen als ze
vrouwelijke medische expertise nodig hebben? Op dit moment beschikt
Defensie niet over gegevens rond wachttijden voor vrouwelijke medische
expertise. Defensie maakt voor vrouwspecifieke
tweedelijnsgezondheidszorg op dit moment hoofdzakelijk gebruik van de
civiele zorg.
Dan ga ik naar het laatste blokje, voorzitter: overig. De volgende vraag
ga ik zo kort mogelijk behandelen, want we gaan die nog heel vaak
behandelen. Hoe ziet de krijgsmacht van de toekomst eruit? Ik hoorde de
heer Boon zeggen dat hij in de Defensienota eigenlijk niks nieuws leest.
Daarover verschillen we echt van mening. Ik denk ook dat we niet alleen
naar de Defensienota moeten kijken maar, ook naar de vertrouwelijke
bijlage, waarin de vertaling zit. Die is met u gedeeld, maar niet met de
experts waar u naar verwees. Het gaat onder andere over een bataljon bij
de 13 Lichte Brigade, lichte voertuigen voor luchtmobiel, nieuwe tanks,
drones, nieuwe fregatten in combinatie met onbemenste systemen,
cybercapaciteit enzovoorts, enzovoorts. Omwille van de tijd zeg ik dat
we ook nog een begrotingsdebat hebben, en donderdag nog een
materieeldebat. Het is misschien handig om hierop dan specifiek door te
gaan.
Dan mevrouw Nanninga: waarop zijn de aantallen rond de groei van het
personeel gebaseerd en wanneer ontvangt de Kamer de financiële
onderbouwing daarvan? Het getal van 102.000 is de operationele
inschatting van de personele capaciteit die Defensie in 2030 nodig
heeft, en de doorgroei in de Defensienota naar 122.000 is bepaald op
basis van de Defensienota. Voor dat aantal van 122.000 bestaat
financiële ruimte. Dat is gebaseerd op het dreigingsniveau. We hebben
gekeken welke capaciteit we nodig hebben. Die capaciteit hebben we
uiteindelijk vertaald naar personeel. Dat brengt ons op dit getal.
Dan de heer Boon, die vroeg wat de verhouding is tussen manschappen en
generaals. Op 1 september was 35% manschappen en 0,3% generaals. En
0,0115 aan generaals zit nu naast mij, gok ik. Bij beide groepen, dus
zowel de manschappen als de generaals, is een lichte stijging te zien.
Een vergelijking met andere landen heb ik op dit moment niet
beschikbaar. En om even de hele opbouw van de verdeling te geven:
manschappen 35%, onderofficieren 41% en officieren 24%.
De heer Boon vroeg ook of ik bereid ben om 500 militairen vrij te maken
…
De voorzitter:
Staatssecretaris, u heeft een interruptie van de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Ja, heel even vanwege de tijd. Ik begrijp dat de staatssecretaris dat
van die generaals niet zo snel heeft kunnen uitzoeken, maar zou hij een
vergelijking kunnen maken met bondgenoten en die schriftelijk naar ons
toe kunnen laten komen?
Staatssecretaris Boswijk:
Ja, op zich kan dat. Ergens begin volgend jaar krijgt u die, als u dat
goedvindt. Mooi.
Met iets anders kan ik de heer Boon niet blij maken. Ik ga niet een
speciale eenheid met 500 militairen oprichten voor het opsporen van
illegalen. Als Defensie gaan wij daar niet over, en we hebben al zat te
doen. Het laatste wat ik wil doen, is nog meer op het bordje van onze
militairen gooien.
Dan vroeg mevrouw Dobbe welke steunmechanismen en regelingen er zijn
voor vrouwen binnen Defensie als er sprake is van seksueel agressief
gedrag, denk aan aanranding en verkrachting. Allereerst is seksueel
geweld strafbaar. Elk geval wordt meteen onderzocht door de KMar.
Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek nemen wij meteen
maatregelen. Dit kan onder andere leiden tot strafontslag. Het
belangrijkste is de meldingsbereidheid van deze vrouwen. Dat is denk ik
de grootste drempel: schaamte. Het is daarom van belang dat wij veel
vertrouwenspersonen hebben, dat wij campagnes hebben om dit te
agenderen, dat wij hier in de opleiding aandacht aan geven en dat elke
vorm van grensoverschrijdend gedrag, zeker als het gaat om aanranding en
verkrachting, natuurlijk onacceptabel is. Dat moeten we keihard
aanpakken en dat zullen we blijven doen.
Er is gevraagd of de staatssecretaris kan garanderen dat er in de wetten
en plannen die nu worden uitgewerkt geen wijzigingen komen in de
medezeggenschaps- en vakbondswerkwijze voor Defensie. U doelde op de
Wodg. Om het even puur te houden, stel ik voor dat wij deze antwoorden
geven in het verslag, zodat het bij het goede wetsvoorstel terechtkomt.
De vraag wordt dus beantwoord in het verslag van de behandeling van de
Wodg. Dat is namelijk wat ons betreft waar die thuishoort.
De heer Van Houwelingen vroeg: hoe staat ons leger ervoor als we los van
de EU en de NAVO ons land zouden moeten verdedigen; kunnen we dat dan en
zijn we daarop voorbereid? Ik denk dat de wereld een stuk
onvoorspelbaarder is geworden dan wij ons ooit in ons leven hebben
kunnen voorstellen. Het belang van bondgenootschappen is nog nooit zo
belangrijk geweest. Iemand sprak over de Straat van Hormuz en over
Taiwan. Daarvan zou je kunnen denken: het is ver weg en het raakt ons
niet. Maar wij zien hoe conflicten en incidenten ver weg grote effecten
hebben op Nederland. Dat zijn dreigingen die wij als Nederland
onmogelijk aankunnen. Daarom is het essentieel dat wij in een
bondgenootschap als de EU en de NAVO zitten. Stel dat wij alles zelf
zouden willen doen, dan kunnen we volgens mij niet de garantie geven dat
we Nederland veilig kunnen houden. Dan staan we er echt heel anders
voor. Dan hebben we hele andere investeringen die we in Defensie moeten
doen. Ik denk dat ik dan ook maar meteen de dienstplicht moet gaan
afstoffen, want dan moeten we heel veel capaciteit zelf hebben, terwijl
we nu kunnen rekenen op onze bondgenoten. In alle gevallen is het dus
goed dat we in een bondgenootschap zitten.
De voorzitter:
U hebt een interruptie van de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Bedankt voor de beantwoording, maar dit is toch niet helemaal mijn
vraag. Ik preciseer de vraag iets meer. Ik snap wat de staatssecretaris
zegt, maar het punt dat ik wil maken is anders. Mijn vraag is: wordt er
bij de inrichting van ons leger in het kader van "Samen voorwaarts!" en
het toekomstbestendig maken van het leger, rekening gehouden met het
scenario dat Nederland wellicht in de toekomst geen lid meer is van de
EU en/of de NAVO? Wordt daar rekening mee gehouden? Gebeurt dat wel of
niet? Dat is van belang, want het zou kunnen zijn dat we, als we
bijvoorbeeld geen lid meer zijn van de NAVO, bepaalde functies missen in
ons leger die we wel graag zouden willen hebben, om het maar even heel
concreet te maken. Mijn vraag is: wordt daar rekening mee
gehouden?
Staatssecretaris Boswijk:
Nee, daar wordt geen rekening mee gehouden. Onder het mom van "Europa
moet meer op zijn eigen benen staan" weten we natuurlijk wel welke
capaciteiten we veel meer zelf moeten hebben. Ik denk dan aan het hele
spacedomein. Dat gaat overigens niet alleen over militair maar ook over
economie. Misschien moeten we die capaciteiten meer zelf hebben. Daar
wordt volop in geïnvesteerd en dat zullen we als Nederlandse krijgsmacht
doen. Maar wij houden geen rekening met een scenario waarin Nederland
uit de NAVO stapt. Dat lijkt me heel onverstandig, zeg ik erbij.
De heer De Groot vroeg: groeit Defensie snel genoeg om straks aan de
taakstelling te voldoen? De vereiste groei raakt niet alleen personele
samenstelling en omvang, maar ook de randvoorwaarden. Ik noemde net al
voorbeelden over de legering. Dat is een belangrijke. Wij doen echt
alles en alles om te zorgen dat we die randvoorwaarden rond hebben.
Kwantitatief lopen we redelijk op schema. Als we deze aanwas houden en
de lage uitstroom doorzet, gaan we de uiteindelijke doelstelling halen.
Alleen is het veel meer: hebben wij de goede verhouding tussen
reservist-beroeps en schaarse capaciteit? Daar zit eigenlijk vooral de
uitdaging. Sec op het getal zeg ik ja, maar het gaat het ook over de
kwaliteit.
Hoe kijkt de staatssecretaris naar het loopbaanpad voor militairen? Is
hij bereid dit verder te onderzoeken? Het ging over het bevriezen van
eicellen, omdat die mogelijk te maken hebben met G-krachten. Het is wel
zo dat je voor die behandeling verlof kan opnemen, maar voor de
behandeling zelf niet. Ik moet het eerlijk gezegd even uitzoeken. Dit is
wel een heel technisch onderwerp. We raken ook echt wel alle
onderwerpen, moet ik zeggen.
Is de staatssecretaris bereid interdepartementaal te kijken naar de
opzet/opbouw van de "whole of society"-benadering, vroeg mevrouw
Nanninga. Zeker, en dat doen we ook al. Wij zijn in nauw overleg samen
met JenV, die ook het coördinerende ministerie is als het gaat over
whole of society. Daar hebben we eigenlijk doorlopend contact over. De
NCTV is degene die het coördineert. Dat gaat over de veiligheid van de
Rotterdamse haven. Welke capaciteit kan Defensie daaraan leveren? Kan er
bijvoorbeeld particulier worden beveiligd? Wij hopen u in Q1 volgend
jaar samen met de NCTV meer te kunnen informeren over de herziene
weerbaarheidsaanpak en de invulling daarvan.
Dan had de heer Van Houwelingen een vraag over geld naar de UvA. Is dat
geen vermenging van staat en onderwijs? Nee, want het is op dit moment
al zo dat heel veel instellingen bepaalde leerstoelen financieren, van
ngo's tot bedrijven. Er wordt natuurlijk door de universiteiten altijd
nauwkeurig gekeken of de wetenschappelijke zuiverheid van het onderzoek
voldoende en onafhankelijk genoeg is. Dat wordt ook gedaan bij de
opleidingen die bij de UvA, de leerstoel militair recht, worden gegeven.
Er wordt dus altijd apart gekeken of het neutraal is, om het maar even
zo te zeggen.
De heer Van Houwelingen maakte ook de opmerking: "Defensie doet ook veel
projecten met denktanks, zoals Clingendael en HCSS. Ik heb ze nog nooit
een kritisch woord horen zeggen." Ik weet het niet, maar ik geloof dat
er van de week een briefing was waarin gehakt werd gemaakt van de
Defensienota, aldus de verslaglegging in de krant. Dus was dat maar zo,
zou ik tegen de heer Van Houwelingen. Nee, gekkigheid. Ik denk dat het
heel goed is dat wij kritisch worden bekeken, want wij hebben absoluut
niet de waarheid in pacht. Ik denk dus dat denktanks hier een heel goede
rol in kunnen spelen. Ja, wij betalen weleens onderzoeken, maar niet met
het idee dat degene die betaalt de uitkomst van het onderzoek bepaalt.
Er komen ook wel regelmatig uitkomsten uit die ons weer aan het denken
zetten en ons scherp maken. Zowel universiteiten als denktanks zijn
volledig onafhankelijk en transparant over hoe ze met ons werken.
De heer Bolhuis vroeg of er daadwerkelijk militaire functies worden
vervuld door burgers. Mevrouw Nanninga had die vraag ook gesteld. Die
heb ik eigenlijk net al een beetje beantwoord. Het zijn vooral
staffuncties, beleidsfuncties, en geen gevechtsfuncties. In sommige
situaties is het denk ik ook best goed dat burgers die vervullen.
Dan had de heer Bolhuis een vraag over het overbrengen van Afghaanse
bewakers en gezinnen naar Nederland. Waarom is dit nog niet gebeurd?
Defensie houdt uitvoering van de motie vooralsnog aan, net als het
vorige kabinet, hangende de uitspraak van de Hoge Raad in de
cassatieprocedures van de twee voormalige Afghaanse bewakers. Wij
wachten af wat daaruit komt.
Mevrouw Ten Hove vroeg: wordt er op enige manier gekeken of mensen met
PTSS maar ook klokkenluiders en veteranen toch nog kunnen worden ingezet
bij Defensie en of zij nog van waarde kunnen zijn voor de organisatie?
Zijn er mogelijkheden om deze mensen beter te benutten? Het doel is dat
Defensie medewerkers wil re-integreren binnen de organisatie. Er worden
dus andere functies gezocht, soms met succes en soms ook niet. Vaak is
het ook wel: wil de persoon dat, is dat wenselijk en past dit? Wij zijn
altijd bereid om die gesprekken te voeren. Wij voelen die
verantwoordelijkheid ook. Maar dat is per situatie, per persoon, wel
echt verschillend.
De heer Bolhuis vroeg naar het gebruik van apps en eventuele restricties
op privételefoons. Het is misschien goed om te melden dat op dit moment
in bepaalde omgevingen, zoals op inzetlocaties of in staatsgeheime
ruimtes, het gebruik van privételefoons niet is toegestaan. Dat geldt
ook voor smartwatches en iPads. Wellicht heeft u dit als Kamer al een
paar keer gemerkt toen u bij ons op bezoek kwam. Er zijn ook plekken
waar gewoon niks inkomt. Dit is dus al beleid. Het grote probleem zat
vooral bij de apps en de onwetendheid daarover. U heeft net al gezegd
dat we dat principe omdraaien, zo van: de apps die goedgekeurd zijn, mag
je gebruiken en de rest dus niet. Maar op het gebied van privételefoons
zijn we al vrij restrictief.
Dan vroeg de heer Van Baarle: wat gebeurt er met het Joegoslaviëarchief
en is er in Nederland een mogelijkheid om het archief over te nemen als
de VN dit niet kan of wil? Nederland en Defensie delen het belang van
goed beheer van de archieven van het Joegoslaviëtribunaal en zijn van
mening dat er uiterst zorgvuldig mee om moet worden gegaan. Het blijft
uiteindelijk eigendom van de VN. Het is ook aan de VN om daar
verantwoordelijkheid mee om te gaan. Ik weet dat Zwitserland heeft
aangeboden om archieven over te nemen. De minister zal ook hierop op een
later moment bij jullie terugkomen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Even teruggrijpend op het punt van de heer Bolhuis over de apps:
daarover ligt er op zich al een toezegging aan ons die tijdens een
eerder debat is gedaan, namelijk dat er voor het einde van het jaar een
standvanzakenbrief inzake trackingapps onze kant op zou komen. Dat zeg
ik ter vriendelijke herinnering, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel.
Staatssecretaris Boswijk:
Zeker, ik zou het niet durven vergeten. Daar zijn we inderdaad mee
bezig, maar dit ging even over de privételefoons en dat is echt een
aanvullende vraag. Daarover zeggen we: daar hebben we al restricties op
en daar zit op dit moment ook niet het probleem. Het gaat echt om de
devices van Defensie zelf.
Dan de vraag over het Srebrenicamonument. Het valt onder de minister,
maar ik zal het doorgeleiden. Het valt onder het veteranenbeleid. Ik zal
het doorgeleiden. We hebben binnenkort een begroting. Ik stel voor dat u
de vraag dan opnieuw stelt, als die dan niet al beantwoord is.
Voorzitter, dat geldt eerlijk gezegd, ook omwille van de tijd, ook voor
de vraag van mevrouw Jagtenberg over de haal- en brengplicht rond
veteranen. Strikt formeel genomen valt veteranenbeleid onder de
minister. Aangezien we nog vier of vijf minuten hebben voor de tweede
termijn, laat ik het hierbij.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik heb één rappelleervraag. Ik hoop dus dat het mij niet mijn laatste
interruptie kost, want die hoort echt in dit debat. Het gaat om mijn
vraag over dat commando's zelf hun uitrusting kunnen kopen en dat ze
daarvoor eigen budget krijgen. Die hoort echt bij dit debat.
Staatssecretaris Boswijk:
Ja, sorry. Dit is een terecht punt. Ik heb het inderdaad uit laten
zoeken. Het is zo dat als het om relatief kleine instrumenten gaat,
zoals nachtkijkers, er al decentraal ingekocht kan worden door KCT. Voor
grote uitgaven, zoals voertuigen, geldt dat niet, omdat dit gaat over
instandhouding, maar voor de kleine is het wel mogelijk.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank, maar even om het precies te krijgen: betekent dat dan dat de
eenheden of de individuen dat zelf kunnen kopen en betreft dat dan
bijvoorbeeld ook vesten en wapens? Daar ging het namelijk om toen we op
werkbezoek waren.
Staatssecretaris Boswijk:
Ja, niet individueel, maar qua eenheid. Het gaat ook over wapens,
ja.
De voorzitter:
Dank u wel, staatssecretaris. Ik zie dat er nog één interruptie is, van
mevrouw Jagtenberg.
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Ja, ook omwille van de tijd. Ik zie de bui al hangen. Daar wordt dan
verder niets meer mee gedaan, maar ik vond het wel een vrij kritisch
onderwerp. Ik snap dat het misschien niet binnen het takenpakket van de
staatssecretaris valt, maar het ging om de ketenregie rondom
veteranenzorg. In de brief worden wel vier instanties genoemd die over
die regie zouden gaan. Daarin wordt gezegd dat er wel één
verantwoordelijke is voor de ketenregie. Ik vond dit toch een
systeemantwoord voor een taak die ook in de wet is vastgelegd en waarbij
het gaat over erkenning, waardering en zorg voor veteranen. Ik had hier
sowieso een reactie verwacht met een meer menselijk aspect. Ik had ook
al aangegeven dat er zo'n 200 casussen lopen waarbij dit niet goed was
geregeld. Ik geloof echt dat er achter de schermen misschien een hoop
gebeurt om dit te verbeteren, maar dat had ik dan terug willen zien in
de reactie van in dit geval de minister. Ik zou dus toch de
staatssecretaris willen vragen door te geleiden dat ik verzoek om de
toezegging dat hier via een brief nog een keer op terug wordt gekomen,
met daarbij meer het menselijke aspect.
Staatssecretaris Boswijk:
Nogmaals, ik denk dat mevrouw Jagtenberg mij goed genoeg kent om te
weten dat ik me er geenszins makkelijk van af wil maken als het over
veteranen gaat, integendeel zelfs. Maar strikt formeel genomen is de
minister de eindverantwoordelijke hierover. Ik zal de vraag
doorgeleiden. Ik ga ervan uit dat dat antwoord er komt, maar ik ga daar
niet over.
De voorzitter:
Dank u wel. Het is 19.00 uur, dus gezien de tijd gaan we starten met de
tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik wil vragen om het kort te
houden en om u waar mogelijk te beperken tot het indienen van
moties.
De heer Boon (PVV):
Voorzitter, dank u wel. Ik ga het echt heel kort houden. Ik heb geen
antwoord gehad op de vraag over de banenwinkels. Zou de staatssecretaris
daar nog op willen terugkomen? De rest zal ik laten zitten. Dat zal ik
dan eventueel behandelen bij het debat over materieel of de
begroting.
Dan ga ik over tot mijn moties. De eerste motie is de volgende.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de bescherming van het Nederlandse grondgebied een
kerntaak is van de krijgsmacht;
overwegende dat de krijgsmacht er in de eerste plaats is voor de
verdediging van Nederland en dat Nederlandse gevechtseenheden daarom ook
moeten zijn voorbereid op het zelfstandig bewaken van onze
landsgrenzen;
verzoekt de regering grensbewaking standaard onderdeel te maken van de
opleiding en training van Nederlandse gevechtseenheden, zodat deze
eenheden indien nodig zelfstandig kunnen worden ingezet voor de bewaking
van de Nederlandse landsgrenzen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boon.
Zij krijgt nr. 5 (37020-X) (#3).
De heer Boon (PVV):
En dan de tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de krijgsmacht er in de eerste plaats is voor de
verdediging van Nederland;
overwegende dat vele tienduizenden illegalen in Nederland verblijven
terwijl zij hier niet mogen zijn en dat zij actief moeten worden
opgespoord met het oog op uitzetting;
overwegende dat Defensie beschikt over personeel, kennis en middelen die
hiervoor kunnen worden ingezet;
verzoekt de regering een speciale militaire eenheid op te richten en op
te leiden voor het actief opsporen van vreemdelingen zonder rechtmatig
verblijf, en deze eenheid van de daarvoor benodigde wettelijke
bevoegdheden te voorzien,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boon.
Zij krijgt nr. 6 (37020-X) (#4).
De heer Boon (PVV):
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording en
aan de commissie voor het debat.
Inzake de "whole of society"-aanpak wil ik wel nog even opmerken dat het
wat ons betreft niet alleen in de JenV- en NCTV-hoek gezocht moet
worden, maar ook bij — noem het maar op — OCW, VWS en Infra. Maar goed,
ik zie dat er wordt geknikt, dus ik geloof dat dat is doorgekomen.
Dan de BSB-regeling, die 1 oktober ingaat. Ik kijk even naar de mensen
van de vakbond. Die ga ik dan even bellen en dan ga ik kijken of die
blij zijn. Als ze niet blij zijn, dan hoort u het wel weer.
Dan heb ik ook nog een motie, want ik was absoluut niet overtuigd. Er
werd net even iets te druk overlegd over het antwoord op mijn simpele
vraag, namelijk dat er absoluut geen sprake is van een voorkeursbeleid
om het vrouwenquotum maar te halen. Daar kwam geen helder nee op. Daar
heb ik toch maar een motie over gemaakt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Defensie streeft naar een personeelsbestand dat in
2030 voor minimaal 30% uit vrouwen bestaat;
overwegende dat Defensie er is om Nederland te verdedigen en dat het
personeelsbeleid van Defensie gericht moet zijn op het versterken van de
gevechtskracht;
verzoekt de regering de fysieke eisen en overige selectie- en
opleidingsnormen niet te verlagen om dit streefcijfer te behalen;
verzoekt de regering bij selectie en plaatsing geschiktheid en
operationele behoefte leidend te maken, zonder voorrang op grond van
geslacht om dit doel te halen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Nanninga.
Zij krijgt nr. 7 (37020-X) (#5).
Dank u wel. Mevrouw Jagtenberg.
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Dank, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording van
alle vragen. Het waren er een hoop. Hij was een beetje verkouden, zo te
merken, dus fijn dat hij het nog heeft volgehouden. Ook dank aan
iedereen achter de schermen die onze bijna 100 vragen allemaal in een
halfuurtje tijd heeft weten te beantwoorden. Heel erg dank daarvoor. Zet
dat graag door.
Ik heb een aantal moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat alle rijksambtenaren vallen onder de cao Rijk, waarin
is opgenomen dat de eerste negen weken ouderschapsverlof 100% worden
doorbetaald, en dat dit voor Defensiepersoneel slechts 75% is;
overwegende dat nieuwe ouders bij Defensie dezelfde rechten zouden
moeten hebben als nieuwe ouders bij alle andere ministeries;
overwegende dat het onwenselijk is voor zowel burger- als militair
personeel van Defensie om als het gaat om arbeidsvoorwaarden
achtergesteld te worden op de rest van de overheid;
verzoekt de regering om te onderzoeken of doorbetaling bij
ouderschapsverlof bij Defensie gelijkgetrokken kan worden met de rest
van de Rijksoverheid, en de Kamer uiterlijk voorjaar 2027, voorafgaande
aan het volgende commissiedebat Personeel, over de uitkomsten te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jagtenberg, Dobbe en
Bolhuis.
Zij krijgt nr. 8 (37020-X) (#6).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een goed functionerende militaire medische keten
onmisbaar is voor de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen van onze
krijgsmacht;
overwegende dat Oekraïne unieke en actuele ervaring heeft met militaire
geneeskunde in moderne oorlogvoering, en dat Nederland beschikt over
hoogwaardige medische kennis en technologie;
overwegende dat structurele samenwerking met Oekraïne kansen biedt om de
militaire medische keten te moderniseren, waaronder de decentralisatie
van medische zorg;
verzoekt de regering om samen met Oekraïne een multilateraal centre of
excellence voor militaire geneeskunde te realiseren, waarin kennis,
innovaties en praktijkervaring structureel worden uitgewisseld en
toegepast om de militaire medische ketens van de landen te
versterken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jagtenberg.
Zij krijgt nr. 9 (37020-X) (#7).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de huidige kledingvoorschriften bij Defensie nog
onnodige verschillen en beperkingen kennen, zoals de verplichting om bij
bepaalde ceremoniële gelegenheden een rok en pumps te dragen;
overwegende dat iedere militair recht heeft op een functioneel, veilig
en passend uniform, met keuzevrijheid in kleding en schoeisel waar
operationele eisen dit toelaten;
overwegende dat ook zwangere militairen die dat wensen hun militaire
identiteit zichtbaar moeten kunnen behouden door een passend en veilig
uniform te dragen;
verzoekt de regering de kledingvoorschriften bij Defensie te herzien en
daarbij keuzevrijheid tussen een rok of broek en in passend schoeisel
mogelijk te maken, te zorgen voor uniformen die aansluiten bij
verschillende lichaamstypen en passende uniformen voor zwangere
militairen beschikbaar te stellen, zonder concessies te doen aan
veiligheid en operationele inzetbaarheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jagtenberg.
Zij krijgt nr. 10 (37020-X) (#8).
De heer Boon (PVV):
Ik heb een korte, verduidelijkende vraag. Ik hoor u zeggen dat Oekraïne
veel ervaring heeft met medische zorg voor militairen, maar als één land
misschien wel 20 of 25 jaar vooruitloopt met de zorg voor militairen,
dan is het Israël. Vindt u dat Israël er ook bij betrokken moet worden,
omdat zij juist excellente kennis hebben?
Mevrouw Jagtenberg (D66):
We hebben een nauwe samenwerking met Oekraïne. Ik zie dat er belangrijke
lessen worden gedeeld, die zij ook graag in NATO-verband willen delen.
Er is verbondenheid in normen en waarden. Ik denk dat we ons daar vooral
op moeten richten.
De voorzitter:
Een heel korte vervolgvraag.
De heer Boon (PVV):
Ja, een heel korte vraag, want ik heb niks gehoord over waarom dat niet
met Israël gebeurt. We delen dezelfde normen en waarden en hebben
dezelfde samenwerkingen. Waarom wilt u Israël er dus niet bij betrekken,
en Oekraïne wel?
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Het lijkt me vrij duidelijk dat de normen en waarden op dit moment
verschillen. Er is één land dat genocide aangaat. Ik zou niet graag onze
lessons learned daarop willen baseren.
De voorzitter:
Mevrouw Jagtenberg, was u klaar met uw tweede termijn? Ja? Dank u wel.
Dan gaan we naar mevrouw Dobbe. O, excuses, eerst nog mevrouw
Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Bij DENK en zo laat ik het meestal maar een beetje gaan, want die doen
het erom, maar ik vind het toch een heel ingewikkelde dat een partij als
D66, die echt geen kans onbenut laat om, terecht, te wapperen met de
internationale rechtsorde en rechtsstaat en noem het allemaal maar op,
zonder enige juridische of gerechtelijke uitspraak hier loopt te roepen
over genocide. Er zal vast een reden zijn om kritisch te zijn, maar er
is geen uitspraak gedaan door enige rechter dan ook dat er sprake is van
genocide. De bevolkingsaantallen in Gaza stijgen. Er is geen enkele
sprake van een daling of dip. Er is geen sprake van genocide. Ik vind
het van een partij als D66 toch wel iets dat even gemarkeerd moet
worden. Dit is meer het niveau van DENK dat we hier zien.
Mevrouw Jagtenberg (D66):
We zien genoeg schendingen van het internationaal recht in Gaza. D66
blijft pal voor dat internationaal recht staan. Daarom blijf ik bij mijn
uitspraak van zojuist.
De voorzitter:
Ik wil graag naar mevrouw Dobbe gaan voor de tweede termijn.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Als er iets zou moeten gebeuren met de defensiesamenwerking
met Israël, is dat het opzeggen daarvan; dus gewoon niet meer
doen.
Dan over de opkomstplicht. Het spijt me zeer, maar de antwoorden van
deze staatssecretaris over de selectieve opkomstplicht zijn
onnavolgbaar. Jongeren moeten blij zijn dat ze mogelijk gedwongen worden
om het leger in te gaan. Ik kan de staatssecretaris nu vertellen dat
niemand blij wordt van dwang, echt helemaal niemand. Jongeren hoeven nu
niet verplicht in dienst. Door het mogelijk opschorten van de
opkomstplicht moeten ze dat mogelijk wel, maar dat maakt hun situatie
volgens deze staatssecretaris beter dan die was. Dat is natuurlijk ook
gewoon niet waar. En de Kamer moet blij zijn dat we zijn meegenomen en
het over de opkomstplicht kunnen hebben — hij zit nog te knikken ook —
want de opkomstplicht had ook achter gesloten deuren vast kunnen worden
gesteld. Ja, hallo, zo ga je toch niet met de Kamer om? Dat is echt een
bizarre redeneerlijn, maar dit heeft wel grote gevolgen voor de levens
van jongeren én hun ouders én hun familie én hun naasten. Dat moet deze
staatssecretaris zich ook realiseren, omdat de jongeren straks, ook als
ze het niet willen, mogelijk gedwongen worden om in vredestijd het leger
in te gaan. Wij gaan dat niet accepteren. Daarom de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Defensie zelf zegt dat het naar verwachting voldoende
vrijwillig personeel kan werven en daar ook vol op inzet;
verzoekt het kabinet om te stoppen met het voorbereiden van een
opkomstplicht waardoor jongeren onder dwang in vredestijd het leger in
zouden moeten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 11 (37020-X) (#9).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de massale actieve werving voor Defensie mensen wegtrekt
van belangrijke beroepen als zorg of onderwijs, waarin tekorten zijn en
niet actief wordt geworven;
constaterende dat de arbeidsvoorwaarden voor Defensie veel
aantrekkelijker worden gemaakt dan die voor andere beroepen in de
publieke sector;
verzoekt het kabinet in beeld te brengen hoe de actieve werving voor
Defensiepersoneel leidt tot personeelstekorten in de zorg en in het
onderwijs,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Bolhuis en Van
Baarle.
Zij krijgt nr. 12 (37020-X) (#10).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de militaire vakbonden aangeven dat de plannen van
Defensie leiden tot afbraak van werknemersrechten, inspraak en
vakbondsrechten, zoals vastgelegd in de Wet ambtenaren defensie en het
Besluit georganiseerd overleg sector Defensie;
verzoekt het kabinet in kaart te brengen op welke manieren de plannen
van Defensie werknemersrechten, inspraak en vakbondsrechten wijzigen, en
te garanderen dat er geen afbreuk zal worden gedaan aan deze
rechten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 13 (37020-X) (#11).
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van Lanschot.
De heer Van Lanschot (CDA):
Dank, voorzitter. Dank aan de collega's voor het debat. Ik dacht even
dat ik in een commissie Asiel en Migratie terecht was gekomen, maar we
hebben het gelukkig ook nog over Defensie kunnen hebben. Dank u wel
daarvoor.
Ik heb twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat een weerbare samenleving essentieel is voor nationale
veiligheid;
overwegende dat een Nederlandse burgerreserve zou moeten bestaan uit
inwoners met zowel algemene als specialistische vaardigheden;
constaterende dat het maatschappelijke initiatief de BurgerReserve eind
2026 ongeveer 1.000 inwoners heeft getraind op algemene vaardigheden om
in de eerste 72 uur van een crisis te handelen, elkaar te helpen en aan
te sluiten op de lokale crisisaanpak;
constaterende dat de ambitie om op te schalen naar 130.000 algemene
burgerreservisten in 2030 voor ongeveer 85% (100 miljoen euro)
gefinancierd wordt door het bedrijfsleven en particuliere fondsen;
overwegende dat kosten grotendeels bestaan uit het compenseren van
Defensie voor de huur van oefenterreinen, lesruimtes, logistiek, et
cetera;
verzoekt de regering om de publieke cofinanciering voor het opschalen
naar 130.000 algemene burgerreservisten bij te dragen via investeringen
in natura door het ministerie van Defensie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Lanschot.
Zij krijgt nr. 14 (37020-X) (#12).
De heer Van Lanschot (CDA):
De tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat op het gebied van zorg inmiddels 6.500 (voormalige)
zorgprofessionals als burgerreserve paraat staan om in crisissituaties
bij te springen;
constaterende dat uit een verkenning in opdracht van Defensie eenzelfde
noodzaak en potentie aan burgerreserves blijkt voor de sectoren
techniek, logistiek en veiligheid;
overwegende dat de operationele samenwerking tussen deze burgerreserves
en overheid via relevante ministeries en crisisstructuren zou moeten
plaatsvinden;
overwegende dat investeringen beperkt zijn door het vrijwillige
reservistenmodel;
overwegende dat Nederland een eventuele aanbesteding voor het
maatschappelijk coördineren van de oprichting van aanvullende
specialistische burgerreserves pragmatisch vorm moet geven;
verzoekt de regering om in 2027 eenduidige aanvullende specialistische
burgerreserves op te richten voor de sectoren techniek, logistiek en
veiligheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Lanschot, Diederik van Dijk,
Ten Hove, Jagtenberg en Nanninga.
Zij krijgt nr. 15 (37020-X) (#13).
De heer Van Lanschot (CDA):
Tot slot, voorzitter, kijken we ontzettend uit naar de TikTokfilmpjes
van de staatssecretaris.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer De Groot.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank, voorzitter. Hoewel het debat al een uur langer gepland is, lukt
het niet om binnen de tijd af te ronden. Dat ligt niet aan de
beantwoording van de staatssecretaris, waarvoor dank. Volgens mij waren
er 150 vragen; ik hoor nu dat het bijna 150 vragen waren. Ik zal de
volgende keer goed kijken hoeveel vragen ik namens de VVD zal stellen.
Ik heb nu geen verdere vragen. Dank aan de collega's voor het debat. Ik
heb wel twee moties. De eerste motie gaat over de gezondheidszorg voor
vrouwelijke militairen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Defensiegezondheidszorg passend, doeltreffend en
toereikend moet zijn voor álle militairen en medewerkers binnen de
krijgsmacht;
constaterende dat vrouwelijke militairen specifieke fysiologische
risico's en gezondheidseffecten ondervinden door operationele
omstandigheden, zoals zware fysieke belasting, hoge G-krachten en
ergonomische uitdagingen;
verzoekt de regering de militaire gezondheidszorg en preventie beter toe
te spitsen op de specifieke behoeften van vrouwelijke militairen, met
gerichte aandacht voor onder meer operationele belasting, vruchtbaarheid
en mentale gezondheid;
verzoekt de regering in kaart te brengen wat de gevolgen van vliegen
(waaronder blootstelling aan hoge G-krachten) op de vruchtbaarheid zijn
en waar nodig maatregelen zoals het invriezen van eicellen mogelijk te
maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Peter de Groot.
Zij krijgt nr. 16 (37020-X) (#14).
De heer Peter de Groot (VVD):
De tweede motie gaat over de uitvoering van hybride banen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de Stand van Defensie gesproken wordt over
personeelsgroei, reservisten en samenwerking met civiele partijen;
overwegende dat in navolging van de motie-De Groot/Jagtenberg geen zicht
is op weggenomen belemmeringen, aangewezen beroepsgroepen of beoogd
aantal hybride functies;
verzoekt de regering voor het einde van 2026 een overzicht naar de Kamer
te sturen van welke schaarse functies de prioriteit hebben bij de
werving via hybride banen en hoeveel hybride banen er in 2027
gerealiseerd worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Peter de Groot.
Zij krijgt nr. 17 (37020-X) (#15).
De heer Peter de Groot (VVD):
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank. Ik zal het korter houden. Over veel zullen we het natuurlijk niet
eens worden, maar goed om in ieder geval te horen dat de commando's nu
wel zelf op eenheidsniveau aan een eigen uitrusting kunnen komen. Ik had
daar een motie voor voorbereid, maar die dien ik dus niet in. Ik heb nog
één motie over. Die lees ik nu voor.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering bij het zo robuust en toekomstbestendig mogelijk
inrichten en vormgeven van onze krijgsmacht ook rekening te houden met
het scenario waarbij in de toekomst Nederland niet langer lid is van de
EU en/of NAVO,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 18 (37020-X) (#16).
Dank u wel. De heer Van Baarle.
De heer Van Baarle (DENK):
Dank, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het kabinet met het dienmodel werkt aan een
escalatiemodel waarin van een verplichte enquête toegewerkt wordt naar
uiteindelijk een selectieve opkomstplicht;
overwegende dat de regering het verplichtende karakter wil aanvangen met
een verplichte enquête;
verzoekt de regering uit te sluiten dat jongeren een boete krijgen
indien zij de Defensie-enquête niet invullen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle en Dobbe.
Zij krijgt nr. 19 (37020-X) (#17).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het kabinet met het dienmodel werkt aan een
escalatiemodel waarin van een verplichte enquête toegewerkt wordt tot
uiteindelijk een selectieve opkomstplicht;
overwegende dat de regering het verplichtende karakter wil aanvangen met
een verplichte enquête;
verzoekt de regering uit te sluiten dat jongeren een vrijheidsstraf
krijgen indien zij de Defensie-enquête niet invullen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle en Dobbe.
Zij krijgt nr. 20 (37020-X) (#18).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat Defensie inclusief en representatief dient te zijn;
verzoekt de regering streefcijfers te hanteren bij Defensie ter
versterking van de brede diversiteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle en Bolhuis.
Zij krijgt nr. 21 (37020-X) (#19).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het gebouw van het voormalige Joegoslaviëtribunaal nog
geen definitieve nieuwe bestemming heeft;
overwegende dat in dit gebouw historische berechtingen hebben
plaatsgevonden naar aanleiding van verschrikkelijke misdaden en dat er
hiermee sprake is van belangrijk historisch erfgoed;
overwegende dat dit voor nabestaanden en slachtoffers een plek is van
gerechtigheid en erkenning en dat er ook een rol kan zijn voor
bewustwording en educatie;
verzoekt de regering om de haalbaarheid van een herinnerings- en
educatiecentrum binnen het complex van het voormalige
Joegoslaviëtribunaal te onderzoeken en hierbij in te zetten op behoud
van originele rechtszalen in de huidige staat,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 22 (37020-X) (#20).
De heer Van Baarle (DENK):
Tot slot.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de stichting Nationaal Monument Srebrenica Genocide
'95 (NMSG'95) een ontwerpwedstrijd wil organiseren voor de
totstandkoming van een permanent monument ter herdenking van de genocide
in Srebrenica;
verzoekt de regering om in overleg met de stichting Nationaal Monument
Srebrenica Genocide '95 te bezien of de Rijksoverheid de stichting in de
totstandkoming van het ontwerp organisatorisch en financieel kan
ondersteunen, waarbij de behoefte van de stichting leidend is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 23 (37020-X) (#21).
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Over de laatste twee moties zegt de staatssecretaris dat dat
bij de minister zou liggen, maar de brieven staan wel gewoon op de
agenda vandaag. Ik heb het ook in de bijdrage genoemd, dus vandaar.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Bolhuis.
De heer Bolhuis (PRO):
Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris en alle medewerkers en
ambtenaren voor de beantwoording. Het waren inderdaad veel vragen, dus
ik stop mijn hand in eigen boezem voor de volgende keer. Dat gaan we
zeker doen.
Ik heb twee moties. Eentje gaat over het beter informeren van jongeren
over die enquête die naar 17-jarigen gaat. Ik denk dat het echt
belangrijk is om dat samen met jongeren te doen. Vandaar deze eerste
motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er onrust bestaat onder jongeren nu alle 17-jarigen
een uitnodiging voor de Defensie-enquête ontvangen;
overwegende dat jongeren recht hebben op heldere en feitelijke
informatie over het doel en het vrijwillige karakter van de enquête en
hoe hun gegevens worden verwerkt, en dat de overheid die informatie moet
aanbieden via de informatiekanalen die jongeren gebruiken;
verzoekt de regering jongeren actief te informeren via sociale media en
andere kanalen die zij gebruiken over het doel en het vrijwillige
karakter van de enquête en hoe hun gegevens worden verwerkt, en jongeren
zelf te betrekken bij de vormgeving van deze
voorlichtingscampagne,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bolhuis en Jagtenberg.
Zij krijgt nr. 24 (37020-X) (#22).
De heer Bolhuis (PRO):
De tweede motie gaat over zerotolerancebeleid. Ik dien die motie in
omdat Defensie volgens mij ook gewoon klaar is met wat er allemaal
gebeurt en met de berichten die naar buiten gaan. Ik wil absoluut niet
het beeld schetsen dat er van alles fout gaat bij Defensie, maar vooral
dat er een stille meerderheid is die daar juist iets aan wil doen. Ik
vind dat dit krachtiger neergezet kan worden. Vandaar de motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de staatssecretaris erkent dat medewerkers van
Defensie uit angst voor hun loopbaan terughoudend zijn met het melden
van ongewenst gedrag, zoals racisme en seksisme;
constaterende dat een vastgestelde overtreding in veel gevallen slechts
tot een bewustwordingsgesprek leidt en op benadeling van melders niet
altijd een sanctie volgt;
overwegende dat de uitspraak van de staatssecretaris dat racisme en
discriminatie niet worden getolereerd binnen Defensie alleen
geloofwaardig is als melders worden beschermd en op elke vastgestelde
overtreding een sanctie volgt;
verzoekt de regering een zerotolerancebeleid in te voeren waarin op elke
vastgestelde overtreding op het gebied van discriminatie, seksuele
intimidatie of ander grensoverschrijdend gedrag, waaronder benadeling
van melders, een sanctie volgt;
verzoekt de regering dit te verankeren in de te actualiseren Gedragscode
Defensie en over het zerotolerancebeleid jaarlijks te rapporteren in het
Jaarverslag Integriteit Defensie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bolhuis, Van Baarle en
Jagtenberg.
Zij krijgt nr. 25 (37020-X) (#23).
De heer Bolhuis (PRO):
Tot slot. We zijn nog niet overtuigd door de antwoorden over de
selectieve opkomstplicht. Het is goed om dat te zeggen. Daar gaan we dus
nog een flink debat over voeren, want verplichtende enquêtes in tijden
van vrede, een opkomstplicht, keuringen en ga zo maar door gaan ons toch
echt te ver.
De voorzitter:
Duidelijk. Dank u wel. Ik heb zelf geen moties namens Groep Markuszower.
Ik heb een mooie motie mee mogen tekenen.
We hebben 21 moties. De staatssecretaris heeft tot 19.30 uur de tijd om
de appreciatie voor te bereiden. Ik zie u over tien minuten dus weer
terug.
De vergadering wordt van 19.20 uur tot 19.33 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug allemaal. Ik geef het woord aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Boswijk:
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de Kamer voor het goeie debat. Ik
hoop dat er wat duidelijkheid is verschaft. Het is ook mooi om
ideologisch de degens te kunnen kruisen. Laten we dat vaker doen.
Omwille van de tijd ga ik meteen door naar de moties. O, ik heb hier
eerst nog één opmerking. Mevrouw Nanninga zei over de whole of society:
ik mag toch hopen dat het breder gaat dan de genoemde ministeries.
Uiteraard is dat zo. Dat had ik inderdaad niet gezegd, maar dat is wel
zo. Het gaat van de fysieke wereld tot de meer zachte kant, sociale
zaken enzovoort. Het is dus vrij integraal.
Voorzitter. Ik ga door naar de moties, want er zijn een hoop moties
ingediend.
De motie op stuk nr. 5: ontraden, met verwijzing naar het debat.
De motie op stuk nr. 6: ook ontraden, met verwijzing naar het
debat.
De motie op stuk nr. 7: oordeel Kamer.
De motie …
De voorzitter:
Eén moment, hoor. We gaan heel snel. Ik zal het even herhalen. De motie
op stuk nr. 5: ontraden.
De motie op stuk nr. 6: ontraden.
Staatssecretaris, wat was de appreciatie van de motie op stuk nr.
7?
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 7: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 7: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 8: ook oordeel Kamer, alleen met de volgende
kanttekening daarbij. Ik moet het onderzoek en het overleg met de bonden
vertrouwelijk doen, omdat dat natuurlijk niet in alle openbaarheid kan.
Met die kanttekening krijgt de motie oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 8: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 9: ook oordeel Kamer, met de kanttekening dat we al
heel veel doen. Deze motie ondersteunt vooral het beleid dat we op dit
moment al in hebben gezet. We zullen er dus nog eens een keer goed naar
kijken, maar veel doen we al.
Dan de motie op stuk nr. 10.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 9: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 10: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 10: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 11: ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 11: ontraden.
Staatssecretaris Boswijk:
Wat betreft de motie op stuk nr. 12 heb ik een verzoek. Zou de indiener
bereid zijn om het dictum iets te wijzigen, in "verzoekt het kabinet in
beeld te brengen of en hoe de actieve werving voor Defensiepersoneel
leidt tot personeelstekorten in de zorg en het onderwijs"? De huidige
motietekst wekt namelijk de indruk dat dat zo is. Dat is nog maar zeer
de vraag. Als mevrouw Dobbe bereid is om die nuancering toe te voegen,
dan zijn wij bereid om dat uit te zoeken.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat vind ik prima. Moet ik de motie dan gewijzigd indienen? Of is dit
voldoende? Voldoende, oké.
De voorzitter:
De motie-Dobbe (37020-X, nr. 12) is in die zin gewijzigd dat zij thans
luidt:
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de massale actieve werving voor Defensie mensen wegtrekt
van belangrijke beroepen als zorg of onderwijs, waarin tekorten zijn en
niet actief wordt geworven;
constaterende dat de arbeidsvoorwaarden voor Defensie veel
aantrekkelijker worden gemaakt dan die voor andere beroepen in de
publieke sector;
verzoekt het kabinet in beeld te brengen of en, zo ja, hoe de actieve
werving voor Defensiepersoneel leidt tot personeelstekorten in de zorg
en in het onderwijs,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. 26, was nr. 12 (37020-X) (#24).
Staatssecretaris Boswijk:
Met die wijziging krijgt de motie op stuk nr. 12 oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 12 is gewijzigd en krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 13 raakt de Wodg. Het is mijn advies om die motie
aan te houden en in te dienen bij de behandeling van de Wodg. Wordt de
motie wel ingediend, dan zou ik 'm ontraden omdat die prematuur is. Het
verzoek is dus om de motie aan te houden.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de indiener, naar mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat klopt, maar dan zou het oordeel "ontijdig" moeten zijn. Die
behandeling volgt later, dus dan zou het oordeel niet "ontraden" moeten
zijn. Ik dien de motie echter wel hier in, want die gaat over personeel.
Als deze staatssecretaris niet als uitgangspunt kan geven dat de
vakbondsrechten en de werknemersrechten niet worden verslechterd, dan
vind ik dat zorgelijk. Ik krijg hierover dus graag een uitspraak van de
Kamer.
Staatssecretaris Boswijk:
Dan blijf ik bij mijn punt. Het lijkt mij voor de hygiëne van het debat
goed als we daar heel technisch een debat over kunnen voeren. Misschien
kan ik dan zorgen wegnemen. Daarvoor hebben we het debat rond de Wodg.
Dan kunnen we moties over dit onderwerp indienen. Het lijkt mij niet
goed om dat te doen bij een debat waarbij we al gierend uit de tijd
lopen en we het niet echt over de Wodg hebben gehad. Dat is ook logisch,
want die staat niet op de agenda. Het lijkt mij niet goed om daar dan
wel moties over in te dienen. Als mevrouw Dobbe de motie op stuk nr. 13
toch indient, dan moet ik zeggen dat die ontijdig is.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 13: ontijdig.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 14 geef ik oordeel Kamer, mits ik de motie zodanig
mag interpreteren dat het gaat om onderzoeken hoe we kunnen bijdragen.
Dan staan we hier positief in.
De motie …
De voorzitter:
Ik hoor een akkoord. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 14 oordeel
Kamer.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 15: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 15: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 16: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 16: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 17 geef ik oordeel Kamer, mits het in de zomer van
2027 mag zijn — eerder kan het namelijk nog niet — en we nog even
contact hebben over de exacte definitie van "hybride banen". Ik denk dat
we daar wel uit komen. Dan krijgt de motie oordeel Kamer.
De heer Peter de Groot (VVD):
We praten hier natuurlijk over de begroting voor 2027. Je wil natuurlijk
de resultaten van de inzet zien. Ik snap best dat het precieze getal pas
in de zomer van 2027 kenbaar is. Dat is wat mij betreft akkoord als de
staatssecretaris aan het eind van het jaar wel alvast een schatting kan
geven. Anders gaan we namelijk pas volgend jaar in het najaar praten
over of de begroting van 2027 gewerkt heeft met de inzet die we
plegen.
Staatssecretaris Boswijk:
Wij gaan heel snel contact hebben over de exacte definitie. Dan zeg ik
bij dezen een inspanningsverplichting toe en geen resultaatverplichting,
omdat het ook afhankelijk is van de exacte definitie, maar dan bekijken
we wat haalbaar is.
De voorzitter:
Een momentje, hoor.
Mevrouw Dobbe (SP):
Kijk, ook voor de hygiëne van het debat: op het moment dat u contact
heeft, weet u zo meteen wat de definitie is van "hybride banen", maar
wij moeten er ook over stemmen, dus wij willen dan ook wel graag weten
waar we dan voor- of tegenstemmen. Dus krijgen wij dat dan ook te
horen?
De heer Peter de Groot (VVD):
Laten we dan gewoon koffie drinken of thee, mevrouw Dobbe. Maar er is
gewoon een aangenomen Kamermotie over hybride banen, hè? Daar is ook al
over gecommuniceerd vanuit de staatssecretaris. Er wordt hier net de
verwachting geschept dat we verschillende dingen bedoelen. Dat komt
wellicht door vragen die ik gesteld heb over reservisten versus civiele
banen en beroepsmilitairen versus civiele banen. Daar is het mij niet om
te doen. Dat wil ik maar even gezegd hebben. Volgens mij loopt er gewoon
een traject en heeft de staatssecretaris daar ook al een brief over
gestuurd.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 17 oordeel Kamer.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 18 wordt ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 18 wordt ontraden.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 19 wordt ook ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 19 wordt ontraden.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 20 wordt ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 20 wordt ontraden.
Staatssecretaris Boswijk:
Dan de motie op stuk nr. 21. Het is ingewikkeld. Ook al zouden we het
willen, het kan niet vanwege allerlei AVG-punten. Dus om die reden wordt
de motie op stuk nr. 21 ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 21 wordt ontraden.
Staatssecretaris Boswijk:
Dan de motie op stuk nr. 22. Ik meen dat de heer Van Baarle hier al
eerder een motie over heeft ingediend. In dat debat heb ik ook al gezegd
dat het onder de verantwoordelijkheid van de minister valt. We hebben
het uitgezocht. Het loopt op dit moment. Daarom is deze motie overbodig.
Als de heer Van Baarle benieuwd is naar de uitvoering, dan kan die vraag
gesteld worden bij de begrotingsbehandeling die we binnenkort
hebben.
Hetzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 23.
De voorzitter:
Een moment, hoor. De motie op stuk nr. 22 is overbodig.
Staatssecretaris Boswijk:
Ja. En de motie op stuk nr. 23 ook.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 23 is overbodig.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 24 van de heer Bolhuis krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 24 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Boswijk:
De motie op stuk nr. 25 krijgt oordeel Kamer, maar wel met de
kanttekening dat we op dit moment al heel veel op dit gebied doen en dat
er al keihard wordt ingegrepen op grensoverschrijdend gedrag, racisme en
discriminatie. Maar wij zien ook het belang van een nog betere aanpak,
dus om die reden krijgt de motie op stuk nr. 25 oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 25 krijgt oordeel Kamer.
De heer Bolhuis (PRO):
Even om misverstanden weg te nemen: de motie is inderdaad bedoeld om
juist te laten zien wat er op dit moment gebeurt en ook aan te geven
welke maatregelen er genomen worden en welke sancties er zijn. Die is
niet bedoeld om te zeggen: er gebeurt nu veel te weinig of helemaal
niks. Dat wil ik niet zeggen, voordat we daar misverstanden over
krijgen.
De voorzitter:
Oké, dank u wel.
De heer Van Lanschot (CDA):
Toch nog één verhelderende vraag over de motie op stuk nr. 22 van de
heer Van Baarle. De staatssecretaris zei dat die overbodig was, maar er
is toch niet eerder een motie ingediend over dat herinnerings- en
educatiecentrum? Die vraag stel ik even, via u, voorzitter.
Staatssecretaris Boswijk:
Sorry. Het ging over de motie op stuk nr. 22?
De voorzitter:
Ja, de motie op stuk nr. 22.
Staatssecretaris Boswijk:
Dat is het nadeel van het indienen van een motie bij een persoon die er
niet over gaat. Ik heb in het debat al gezegd dat de minister erover
gaat. Wij hebben het snel uitgezocht en daarop kregen we terug dat de
minister erover gaat en dat er al uitvoering aan wordt gegeven. Als de
heer Van Baarle wil dat de motie wordt aangenomen, zou ik zeggen: houd
'm aan en kom in het debat hierop terug. Maar goed, dat advies heb ik al
gegeven bij het indienen.
De heer Van Baarle (DENK):
Naar mijn weten is er overigens inhoudelijk door het
Rijksvastgoedbedrijf nog niks gecommuniceerd over de invulling van het
pand en wat het daarbij bekijkt, maar dat even daargelaten: dit
onderwerp stond gewoon in de brief die op de agenda staat. Ik ben altijd
bereid om mee te kijken en moties aan te houden, maar aangezien het
gewoon op de agenda stond, ga ik de motie niet aanhouden. Ik heb een
aantal punten gemaakt in het debat. Die worden óf doorverwezen óf niet
beantwoord, dus ik handhaaf 'm gewoon.
De voorzitter:
Ik kijk even rond. De heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Ik heb in de tweede termijn één vraag gesteld over de banenwinkels. Daar
zou ik graag nog antwoord op willen krijgen.
Staatssecretaris Boswijk:
Ja, en dat antwoord gaat komen. Sorry, ik was nog bezig met de moties,
maar dat is bij dezen afgerond.
Dan de vraag van de heer Boon. Ik ben pas geleden bij de opening van een
pop-upstore op Utrecht Centraal geweest. Die is daar eens in de zoveel
tijd. Dat gebeurt niet alleen op Utrecht Centraal, maar in heel
Nederland. We hebben meeloopdagen. We hebben openstellingen van
vliegvelden en kazernes. We hebben mobiele bussen, die met voorlichting
door het land heen gaan. Er gebeurt dus echt heel veel, nog even los van
alle digitale campagnes die we op dit moment hebben. Er gebeurt dus heel
veel wat we vroeger eigenlijk ook deden; het gebeurt alleen veel meer in
een pop-upstore-achtige opzet.
Mevrouw Jagtenberg (D66):
Ik wil toch nog terug naar de motie op stuk nr. 22, want ik sluit me wel
echt aan bij de woorden van de heer Van Baarle. Deze onderwerpen stonden
wel geagendeerd voor dit debat. Daarom heb ik zelf ook een punt over
veteranen ingebracht. Ik snap dat er nu wat ruis is, maar dan zou ik
toch liever willen vragen: kan er nog schriftelijk teruggekomen worden
op de appreciatie? Dan kan het nog even intern worden gecheckt.
De voorzitter:
De minister zou vandaag eigenlijk aanwezig zijn, maar vanwege een
buitenlandbezoek is dat niet doorgegaan. Maar die punten stonden wel
geagendeerd. Ik heb daar zelf ook iets over ingebracht. We zouden er ook
voor kunnen kiezen om daar misschien tijdens de begroting of binnenkort
een keer op terug te komen. We zien elkaar nog heel veel de komende
tijd.
Mevrouw Dobbe, heel kort.
Mevrouw Dobbe (SP):
Misschien een suggestie. We hebben ook weleens andere gevallen gehad
waarbij dit aan de hand was. De staatssecretaris zou bijvoorbeeld aan de
minister kunnen vragen of zij hier nog een keer naar kan kijken. Dan
kunnen we voor de stemming eventueel een appreciatie van de minister op
de motie vragen.
De voorzitter:
Dat lijkt mij een mooi compromis, staatssecretaris.
Staatssecretaris Boswijk:
Als ik daarmee de lieve vrede bewaar, doe ik dat met alle liefde. Maar
excuses van mijn kant. Ik wist eerlijk gezegd niet dat de minister
hierbij aanwezig zou zijn. Ik wist het wel van het debat over materieel,
maar het andere had ik niet scherp. Maar in mijn ervaring als Kamerlid
is het zeer ongebruikelijk dat we veteranenzaken bij het personeelsdebat
deden, omdat we een apart veteranendebat hebben, dus vandaar.
De voorzitter:
Wij gaan pas volgende week dinsdag stemmen over de moties, dus het zou
mooi zijn als we eind deze week, uiterlijk vrijdag, een schriftelijke
appreciatie hebben.
Dan heb ik nog een aantal toezeggingen staan, die ik u even mee wil
geven.
De staatssecretaris zegt toe in de komende Stand van Defensie de Kamer te zullen informeren over de inclusie. Die toezegging is gedaan aan onder anderen mevrouw Jagtenberg.
De staatssecretaris zegt toe in een brief terug te komen op het actieplan Sterke vrouwen, sterk Defensie. Dit gebeurt voor de plenaire begrotingsbehandeling.
De staatssecretaris zegt toe om binnen het kader van de Wet markt en overheid te kijken of Defensieterreinen en -diensten gratis ter beschikking gesteld kunnen worden aan maatschappelijke organisaties die bijdragen aan de nationale veiligheid, en de Kamer hierover uiterlijk eind 2026 te informeren.
De staatssecretaris zegt toe begin volgend jaar aan de Kamer een internationale vergelijking met andere landen qua percentages voor de verdeling van het personeel — officiers, onderofficiers en manschappen — te sturen.
De staatssecretaris zegt toe in Q1 van 2027 de Kamer nader te informeren over de herziene weerbaarheidsaanpak.
Daarnaast zijn er nog een paar kleine toezeggingen gedaan. Die kunt u
in de Handelingen terugvinden. Dit waren de grootste toezeggingen.
Ik dank de staatssecretaris, de ambtelijke ondersteuning, de mensen op
de tribune, de kijkers op afstand en de Kamerleden. Ik zie u allen graag
donderdag, bij het WGO Materieel. Daar hebben we een uurtje extra voor.
Dat scheelt.
Dank u wel.
Sluiting 19.48 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|