[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Tweeminutendebat Passend onderwijs (CD 27/5) (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2026D47631, datum: 2026-09-30, bijgewerkt: 2026-10-01 09:19, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Passend onderwijs

Passend onderwijs

Aan de orde is het tweeminutendebat Passend onderwijs (CD d.d. 27/05).

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Passend onderwijs. Van harte welkom aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De eerste spreker van de zijde van de Kamer is nu bezig met het pakken van haar spulletjes, en dat is mevrouw Rooderkerk! Zij spreekt namens D66.

Mevrouw Rooderkerk (D66):
Veel dank, voorzitter. Ik wil graag de volgende motie indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat nog altijd te veel kinderen langdurig thuis komen te zitten doordat zij vastlopen tussen school, jeugdhulp en andere instanties;

constaterende dat in Amsterdam-Diemen zogenoemde Fixers met persoonlijke aandacht en doorzettingsmacht proberen een doorbraak te realiseren wanneer een jongere is vastgelopen;

overwegende dat goede oplossingen voor thuiszitters niet afhankelijk zouden moeten zijn van de regio waarin een kind woont;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de aanpak van Fixers en vergelijkbare succesvolle doorbraakmethoden breder beschikbaar worden in het hele land,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Rooderkerk, Westerveld en Ergin.

Zij krijgt nr. 518 (31497) (#1).

Mevrouw Rooderkerk (D66):
Veel dank.

De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Beckerman. Zij spreekt namens de SP.

Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter. Bij de invoering van passend onderwijs waarschuwde mijn partij dat het knellend onderwijs zou kunnen worden. Ik denk dat we daar helaas ook gelijk in hebben gekregen. Nu wordt er een beweging gemaakt die "inclusief onderwijs" genoemd wordt. Wij vinden dat in theorie heel mooi klinken, maar wij zijn bang voor de praktijk. Daarom heb ik twee moties meegenomen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat docenten zich nog onvoldoende gehoord en betrokken voelen bij het vormgeven van inclusief onderwijs;

constaterende dat een enquête van de onderwijsbonden aantoont dat hoe dichter onderwijspersoneel op het werk in de klas staat, hoe sceptischer ze staan tegenover de haalbaarheid van inclusief onderwijs in 2035;

constaterende dat ook kinderen en jongeren die op dit moment geen onderwijs volgen, omdat ze bijvoorbeeld in de jeugdhulp of thuis zitten, een cruciale bijdrage aan de vormgeving van inclusief onderwijs kunnen geven;

verzoekt de regering onderwijspersoneel dat voor de klas staat een centralere rol te geven bij de verdere vormgeving van inclusief onderwijs;

verzoekt de regering naast leerlingen uit het (speciaal) onderwijs ook kinderen en jongeren die geen onderwijs volgen te betrekken bij de vormgeving van inclusief onderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 519 (31497) (#2).

Mevrouw Beckerman (SP):
En de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onderwijspersoneel grote zorgen heeft over de implementatie van inclusief onderwijs in 2035 en het speciaal onderwijs ook na 2035 wil behouden;

overwegende dat zij zich expliciet zorgen maken over het ontbreken van randvoorwaarden zoals kleinere klassen, extra onderwijspersoneel, extra ondersteuning en geschikte gebouwen;

verzoekt de regering om het realiseren van deze randvoorwaarden een centrale plek te geven in de uitwerking van inclusief onderwijs;

verzoekt de regering voorts om ook na 2035 voldoende speciaal onderwijs te behouden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 520 (31497) (#3).

Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Kisteman. Die spreekt namens de VVD.

De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Wij kunnen het zonder moties doen vandaag; de heer Boomsma schrok al enigszins! Ik heb nog wel een vraag aan de staatssecretaris. We hebben namelijk een goed debat gehad over inclusief onderwijs. Veel leden hebben in dit debat ook aangegeven dit traject te willen volgen. De staatssecretaris heeft aangegeven met een tijdlijn te komen van wat wanneer naar de Kamer komt, van wat we wanneer kunnen verwachten. Ik heb die tijdlijn nog niet gezien. Ik zou graag van de staatssecretaris willen weten wanneer we die kunnen verwachten. Daarnaast zou ik ook graag van de staatssecretaris willen weten hoe zij straks hoogbegaafdheid gaat borgen in inclusief onderwijs. Veel leerlingen, kinderen, die thuiszitten zijn hoogbegaafd. Wij zijn zeer benieuwd hoe de staatssecretaris daarnaar kijkt.

Dat was het, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Westerveld. Zij spreekt namens de fractie van PRO.

Mevrouw Westerveld (PRO):
Dank, voorzitter. Ik heb in het commissiedebat net als vele anderen al heel duidelijk mijn ongenoegen geuit over het feit dat passend onderwijs nog zo stroef loopt, dat zo veel kinderen thuiszitten zonder onderwijs en geen onderwijs krijgen dat bij hen aansluit. Welke schade levert dat op? Ik zal dat niet allemaal herhalen. We hadden vandaag een commissiedebat over jeugdzorg. Dat ging ook over het soms onnodig labelen van kinderen. Daar gaat mijn eerste motie over, want dat loopt in elkaar over.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voor passende examinering voor een leerling, zoals het mogen verlengen van examentijd, de school moet beschikken over een deskundigenverklaring;

constaterende dat er nog altijd geen duidelijkheid is gegeven door het ministerie over de vorm en inzet van de deskundigenverklaring;

overwegende dat in veel gevallen enkel voor passende examinering aanvullende diagnostiek wordt ingezet voor een deskundigenverklaring;

overwegende dat deze aanvullende diagnostiek beslag legt op de aanvullende jeugdhulp, die al overbelast is en wachtlijsten kent;

overwegende dat scholen vaak aan deze leerlingen al vele jaren passend onderwijs gegeven hebben en dus goed weten welke ondersteuningsbehoefte leerlingen hebben;

verzoekt de regering om op korte termijn scholen te voorzien van een duidelijke handleiding over de inzet van de deskundigenverklaring voor passend examineren, scholen daarbij de ruimte te geven om af te gaan op de eigen ervaring met passend onderwijs, de afspraken over passend onderwijs met ouders en leerlingen, en te stimuleren dat bij deskundigenverklaringen zo min mogelijk aanvullende diagnostiek wordt gebruikt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Moorman.

Zij krijgt nr. 521 (31497) (#4).

Mevrouw Westerveld (PRO):
Voorzitter. Mijn tweede motie gaat over leerlingenvervoer. Naar onderwijs kunnen is natuurlijk een voorwaarde voor het volgen van onderwijs. We hebben het daar al heel lang over. We hebben spoeddebatten gehad en talloze moties ingediend. Daarover gaat ook mijn volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ieder kind recht heeft op onderwijs, en dat dit volgt uit de Grondwet en VN-verdragen;

constaterende dat dit recht wordt geschonden door de aanhoudende problemen in het leerlingenvervoer;

overwegende dat het beleid is versnipperd, de bureaucratie groot is en vervoersbedrijven soms kleine contracten hebben;

constaterende dat in de Verbeteragenda Doelgroepenvervoer wordt ingezet op het bevorderen van het integraal en regionaal aanbesteden in plaats van kleine contracten;

verzoekt de regering om verder te gaan dan bevorderen en in wetgeving als uitgangspunt op te nemen dat al het doelgroepenvervoer integraal en regionaal aanbesteed wordt om hiermee zowel de dienstverlening voor gebruikers als de arbeidsomstandigheden van chauffeurs te verbeteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.

Zij krijgt nr. 522 (31497) (#5).

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Raijer. Zij spreekt namens de PVV.

Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb vier moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat leerlingen met een fysieke beperking of lichamelijke aandoening vaak prima regulier onderwijs kunnen volgen wanneer zij cognitief goed meekomen en slechts beperkte ondersteuning nodig hebben;

overwegende dat deze leerlingen niet onnodig naar specialistische voorzieningen moeten worden verwezen;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat leerlingen die goed kunnen leren en slechts beperkte fysieke ondersteuning nodig hebben zo veel mogelijk binnen het regulier onderwijs onderwijs kunnen blijven volgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.

Zij krijgt nr. 523 (31497) (#6).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering inzet op meer deelname van leerlingen uit het voortgezet speciaal onderwijs aan reguliere examens;

overwegende dat veel vso-leerlingen juist gebaat zijn bij maatwerk en een examenroute die aansluit bij hun mogelijkheden;

verzoekt de regering geen verdere druk uit te oefenen op vso-leerlingen om reguliere examens af te leggen en de mogelijkheden voor staatsexamens en diplomering binnen het speciaal onderwijs volledig te behouden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.

Zij krijgt nr. 524 (31497) (#7).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering inzet op volledig inclusief onderwijs in 2035;

overwegende dat veel leerlingen juist gebaat zijn bij specialistische begeleiding, structuur en kleinschalig onderwijs;

verzoekt de regering af te zien van de transitie naar volledig inclusief onderwijs in 2035 en het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs te behouden en te versterken als volwaardige voorziening voor leerlingen die dit nodig hebben,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.

Zij krijgt nr. 525 (31497) (#8).

Mevrouw Raijer (PVV):
Dan de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het huidige stelsel van samenwerkingsverbanden passend onderwijs heeft geleid tot extra bureaucratie, onduidelijke verantwoordelijkheden en grote regionale verschillen;

constaterende dat ouders, leraren en scholen vastlopen in overlegstructuren, procedures en bestuurslagen terwijl het aantal thuiszitters blijft toenemen;

overwegende dat middelen voor passend onderwijs zo veel mogelijk direct terecht moeten komen bij leerlingen, leraren en specialistische ondersteuning in de klas;

verzoekt de regering om een plan uit te werken om zo spoedig mogelijk de samenwerkingsverbanden passend onderwijs op te heffen en de vrijgekomen middelen en verantwoordelijkheden rechtstreeks bij scholen en onderwijsinstellingen onder te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.

Zij krijgt nr. 526 (31497) (#9).

U heeft één vraag van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (PRO):
Wij hebben vaker een debat gehad over samenwerkingsverbanden. Volgens mij hebben we de staatssecretaris al gevraagd om bij de plannen voor de komende jaren na te denken over hoe je een plattere structuur kunt maken en uiteindelijk ook samenwerkingsverbanden kunt opheffen of laten samengaan. Deze motie vraagt om dat zo spoedig mogelijk te doen. Ik vraag me af hoe die twee in verhouding staan. Je kunt een stelsel natuurlijk niet van de ene op de andere dag helemaal omgooien.

Mevrouw Raijer (PVV):
Nee, dat klopt. Ik weet niet hoeveel termijnen er zijn afgesproken voor het debat. Er zitten nu 70.000 kinderen thuis, dus het passend onderwijs heeft gewoon gefaald. Het lijkt mij handig om er nu echt eens vaart achter te zetten. Daarvoor is deze motie.

De voorzitter:
Helder. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Van der Plas. Ze spreekt namens de BBB.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Inclusief onderwijs is een heel erg mooi streven. Een kind kan dan meedoen op een reguliere school, maakt daar vriendjes, wordt uitgenodigd voor verjaardagspartijtjes en is onderdeel van de buurt. Daar kan niemand tegen zijn. Goede bedoelingen zijn echter nog geen goed beleid, zeg ik daarbij. Ik ken een leerkracht die 29 kinderen in de klas heeft, waarvan zeven kinderen — dat is een kwart van de kinderen — vroeger naar het speciaal onderwijs zouden zijn gegaan. De randvoorwaarden zijn daar helemaal niet op orde. De basis is daar helemaal niet op orde. Daar hebben wij de staatssecretaris voor gewaarschuwd. Ook de onderwijsmedewerkers zeggen: jongens, dit gaat helemaal niet goed zo. Daar hebben we het in het debat uitgebreid over gehad. BBB vindt daarom: inclusief waar het kan, maar speciaal onderwijs waar dat gewoon beter is voor het kind. En stuur vooral geen kind naar het reguliere onderwijs zonder dat de ondersteuning die daarvoor nodig is, voor het kind én voor de leraar, daadwerkelijk beschikbaar is. Ik heb daarom twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering streeft naar inclusief onderwijs in 2035;

constaterende dat onderwijspersoneel zorgen uit over onder meer personeelstekorten, klassengrootte en onvoldoende specialistische ondersteuning;

overwegende dat verdere stappen richting inclusief onderwijs alleen verantwoord zijn wanneer scholen deze in de praktijk kunnen dragen;

verzoekt de regering bij de uitwerking van het transitieplan inzichtelijk te maken welke randvoorwaarden scholen nodig hebben om verdere stappen richting inclusief onderwijs verantwoord te kunnen zetten;

verzoekt de regering geen maatregelen te nemen die de beschikbaarheid van passend speciaal onderwijs beperken zolang niet is geborgd dat leerlingen elders passende ondersteuning kunnen krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 527 (31497) (#10).

Mevrouw Van der Plas (BBB):
De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering streeft naar inclusief onderwijs in 2035;

constaterende dat onderwijspersoneel zorgen uit over onder meer personeelstekorten, klassengrootte en onvoldoende specialistische ondersteuning;

overwegende dat verdere stappen richting inclusief onderwijs alleen verantwoord zijn wanneer scholen deze in de praktijk kunnen dragen;

verzoekt de regering bij de uitwerking van het transitieplan inzichtelijk te maken welke randvoorwaarden scholen nodig hebben om verdere stappen richting inclusief onderwijs verantwoord te kunnen zetten;

verzoekt de regering geen maatregelen te nemen die de beschikbaarheid van passend speciaal onderwijs beperken zolang niet is geborgd dat leerlingen elders passende ondersteuning kunnen krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Voorzitter. Ik realiseer me dat ik ver over mijn tijd ben gegaan, maar ik had me wel beperkt met de interrupties, dus het is een klein beetje six-seven.

De voorzitter:
Ik krijg de indruk dat u twee keer dezelfde motie hebt ingediend.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, u heeft gelijk. Sorry. Excuus daarvoor.

Maar bedankt dat u het even toeliet. Ik moet dit debat trouwens nu verlaten, dus van mij hebt u geen last meer vanavond.

De voorzitter:
Dat hebben we sowieso niet hoor, mevrouw Van der Plas.

De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Hamstra, die spreekt namens het CDA.

De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Stel je voor. Je kind kan moeilijk meekomen op school, omdat hij iets meer nodig heeft dan de reguliere school kan bieden. Daarom is hij aangewezen op speciaal onderwijs. Geen probleem, natuurlijk. Maar het speciaal onderwijs wordt niet gegeven in de gemeente waar je woont. Omdat je zelf gewoon een baan hebt en je partner misschien ook, is het niet mogelijk om hem elke dag naar school te brengen. Je bent dus aangewezen op leerlingenvervoer. Hoe erg is het dan als de reistijd, die normaal gesproken twintig minuten duurt, twee uur wordt door de geplande regeling? En hoe erg is het dan als je kind het niet zo lang kan ophouden en daardoor in zijn broek plast en met een vieze broek op school aankomt? Of als hij medicijnen nodig heeft, terwijl de chauffeur die weigert te geven?

Deze verhalen verzin ik niet zelf. Dit maken ouders dagelijks mee. Het is de dagelijkse realiteit. Wij vinden dat onacceptabel. Hier hebben we over gesproken tijdens het commissiedebat. Daarom heb ik een aantal concrete vragen aan de staatssecretaris. Een: kunt u aangeven hoe het staat met de motie-Beckerman, die ziet op leerlingenvervoer?

Twee: wanneer kunnen wij concrete verbetervoorstellen tegemoetzien in het kader van leerlingenvervoer?

Drie: kan de staatssecretaris bekijken welke mogelijkheden zij ziet ten aanzien van bijvoorbeeld landelijke minimumnormen voor maximale reistijden, veiligheid, begeleiding, continuïteit van chauffeurs en klachtenafhandeling?

Vier: ziet de staatssecretaris mogelijkheden om vanuit haar stelselverantwoordelijkheid gemeenten erop te attenderen te sturen op meer dan alleen op bijvoorbeeld de prijs?

Dan nog kort een opmerking over zorg en onderwijstijd. Ik zou graag van de staatssecretaris de toezegging krijgen dat bij de te maken afspraken vastgelegd kan worden dat een collectief zorgaanbod gecombineerd kan worden met het persoonsgebonden budget, het pgb, zodat er geen onevenredig deel van het budget besteed wordt aan collectieve zorg op school. Kan dat? Wanneer kan zij de Kamer daarover informeren?

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het huidige beleid als toekomstbeeld formuleert dat in 2035 alle kinderen toegang hebben tot een "inclusieve leeromgeving", waarbij "een flink deel van de kinderen die op dit moment gespecialiseerd onderwijs op een aparte locatie volgen naar een school in de buurt kan";

overwegende dat het aantal kinderen in de jeugdzorg en het speciaal basisonderwijs de afgelopen jaren juist is toegenomen en 70.000 kinderen thuiszitten;

overwegende dat leraren en schoolleiders alarm slaan over de onhaalbaarheid van deze ambitie, onder meer vanwege de hoge werkdruk, de grote klassen, het lerarentekort en het gebrek aan ondersteuning;

overwegende dat voor veel kinderen rust, structuur, expertise en kleinschaligheid van het (voortgezet) speciaal onderwijs essentieel zijn voor hun ontwikkeling en welzijn;

verzoekt de regering 2035 niet te presenteren als ambitie of doel dat moet worden gehaald voor het realiseren van inclusief onderwijs, met een grote vermindering van het aantal kinderen op speciaal onderwijs;

verzoekt de regering tevens eerst een gedegen plan te presenteren voor het behoud en de versterking van een realistisch en dekkend netwerk van speciaal (basis)onderwijs en voortgezet onderwijs, en goede randvoorwaarden voor ondersteuning op reguliere scholen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.

Zij krijgt nr. 528 (31497) (#11).

De heer Boomsma (JA21):
Dan de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering ernaar streeft dat in 2035 alle scholen inclusief onderwijs bieden, en dat voor kinderen die dat nodig hebben gespecialiseerde onderwijsvoorzieningen beschikbaar blijven;

constaterende dat orthopedagogisch didactische centra (opdc's) en vergelijkbare tijdelijke onderwijsvoorzieningen onderwijs en ondersteuning bieden aan leerlingen die tijdelijk niet volledig op hun reguliere school terechtkunnen, en dat samenwerkingsverbanden niet afzonderlijk verplicht zijn een opdc in te richten;

overwegende dat meer inzicht nodig is in de toereikendheid van het regionale aanbod van deze tijdelijke onderwijsvoorzieningen en dat wanneer speciale ondersteuning binnen de reguliere school tijdelijk onvoldoende is, een passende tijdelijke onderwijsvoorziening beschikbaar moet zijn;

verzoekt de regering om per samenwerkingsverband het aanbod, de capaciteit en eventuele wachttijden van tijdelijke onderwijsvoorzieningen, zoals opdc's en time-out- en reboundvoorzieningen, in kaart te brengen en in het transitieplan inclusief onderwijs te borgen dat in iedere regio voldoende passende tijdelijke onderwijsmogelijkheden beschikbaar zijn, afgestemd op de behoefte,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.

Zij krijgt nr. 529 (31497) (#12).

Eén vraag van de heer Van Houwelingen.

De heer Van Houwelingen (FVD):
Een korte vraag met betrekking tot de eerste motie. We delen dezelfde zorg, want de transitie lijkt niet goed te verlopen. Zou het dan niet beter zijn om de transitie dan maar helemaal te stoppen, in plaats van een langer tijdsbestek dan 2035 aan te houden?

De heer Boomsma (JA21):
De motie zegt eigenlijk: ga nou niet sturen op het onhaalbare 2035, want dat gaat sowieso niet lukken; breng eerst in kaart wat nodig en wenselijk is voor een realistisch en dekkend netwerk van specialistisch onderwijs. Dat gaan we gewoon nodig hebben. Dat wordt overigens ook niet ontkend. Je moet niet beginnen met een transitie naar een nieuw systeem waarin ernaar wordt gestreefd dat zo veel mogelijk kinderen naar regulier onderwijs gaan, als dat niet haalbaar is. Ik denk dat je dat eerst in kaart moet brengen. Dat geeft ook rust voor de sector. Dat geeft ook meer duidelijkheid voor de scholen voor speciaal onderwijs dat ze kunnen blijven.

Vervolgens kun je inderdaad gaan nadenken over welke ambities er precies geformuleerd moeten worden voor ondersteuning op reguliere scholen. Op zich is het nog steeds een goed uitgangspunt dat kinderen, als dat mogelijk is, naar een reguliere school kunnen.

De voorzitter:
Dat levert toch nog twee vragen op. Allereerst een vraag van de heer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):
Mijn vraag gaat over de eerste motie van de heer Boomsma. Het doel van het samenwerkingsverband is om zich per 2035 op te heffen. Zou de heer Boomsma dan niet een motie moeten indienen waarin wordt gezegd dat dit niet gebeurt? Hoe kijkt de heer Boomsma daar dan naar?

De heer Boomsma (JA21):
Nee, het gaat er nu om dat wij een ambitie hebben geformuleerd voor 2035, waarbij het formeel beleidsdoel is om heel veel kinderen die nu op speciaal of specialistisch onderwijs zitten naar reguliere scholen te sturen. Ik denk dat dat niet realistisch is, dat we dat nu moeten loslaten en dat we eerst in kaart moeten brengen wat haalbaar en wenselijk is qua dekkend netwerk voor speciaal onderwijs in heel Nederland. Vervolgens moeten we kijken hoe we er nou voor zorgen dat we ook op reguliere scholen nog steeds de zorg en ondersteuning kunnen bieden die daar nodig is. Dat lijkt me een betere volgorde dan zoals we het nu hebben geformuleerd.

De voorzitter:
Thuis zouden ze zeggen: bakkerskinderen eten oud brood. Ik probeer er zelf nu een beetje een ordentelijk proces van te maken. Het lukt niet helemaal. De heer Van Houwelingen zegt dat hij maar één interruptie had. Hij heeft gelijk, dus ik geef gewoon het woord aan mevrouw Rooderkerk.

Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dit is mijn eerste interruptie bij debat vier, dus in die zin doe ik het netjes. Maar dank, voorzitter. Mijn punt gaat erover dat ik het er helemaal mee eens ben dat het van belang is een dekkend aanbod van speciaal onderwijs te hebben, want dat is er niet. Er zijn namelijk wachtlijsten en er zitten heel veel kinderen thuis. Alleen hoor ik dan toch de heer Boomsma weer zeggen dat we rust moeten brengen in de sector door te zeggen dat speciaal onderwijs mag blijven bestaan. Ik wil dat punt toch even maken, want ik hoor ook andere sprekers dat soort verhalen opwerpen. Er is namelijk nooit gezegd dat speciaal onderwijs niet zou blijven bestaan. In alle kabinetsplannen blijft speciaal onderwijs gewoon bestaan. Ik zou voorstellen dat we dit vooral niet steeds roepen, om daarmee ook geen onrust te veroorzaken.

De heer Boomsma (JA21):
Nee, dat is heel goed, maar ik zei ook al: het is ook niet het streven om álle scholen voor speciaal onderwijs te doen verdwijnen. Alleen staat er wel letterlijk in die brief, in het toekomstbeeld, dat er een zeer flink deel van de kinderen die nu naar speciaal onderwijs gaan naar reguliere scholen moet. En dat geeft dus ook al een enorme … Dat heeft wel dat effect. Dan gaat het niet om alle scholen of om alle kinderen, maar wel een heel flink deel, dus vandaar.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Boomsma. De laatste spreker is de heer Van Houwelingen. De eersten zullen de laatsten zijn.

De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u wel, voorzitter. Wij hebben helemaal geen vertrouwen in de transitie naar inclusief onderwijs. Ik heb vier moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat minder dan 20% van de leraren de transitie naar passend en inclusief onderwijs steunt;

constaterend dat passend onderwijs voor veel kinderen juist niet passend is;

verzoekt de regering de transitie naar passend en inclusief onderwijs te stoppen of op z'n minst te temporiseren en weer extra te investeren in het speciaal onderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 530 (31497) (#13).

De heer Van Houwelingen (FVD):
De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

spreekt uit dat het onwenselijk is dat samenwerkingsverbanden onder dwang en tegen de zin van een school kunnen besluiten om een kind op die desbetreffende school te plaatsen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 531 (31497) (#14).

De heer Van Houwelingen (FVD):
De derde motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

spreekt uit dat in sommige gevallen voor kinderen de meest passende vorm van onderwijs thuisonderwijs is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 532 (31497) (#15).

De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot, en dit vind ik de belangrijkste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de door de Kamer op 12 november 2019 unaniem aangenomen motie-Kwint waarin de regering wordt verzocht de huidige wettelijke belemmeringen en beperkingen voor het oprichten van scholen voor speciaal onderwijs weg te nemen, niet is uitgevoerd;

verzoekt de regering deze motie alsnog en wel zo snel mogelijk uit te voeren, en daarover voor het einde van het jaar aan de Kamer te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 533 (31497) (#16).

De heer Van Houwelingen (FVD):
Deze motie was dus unaniem aangenomen. De staatssecretaris gaf ook toe dat deze motie niet is uitgevoerd. Er is alleen gesproken met de samenwerkingsverbanden, maar dat was natuurlijk helemaal niet het verzoek van die motie; het verzoek was om die belemmeringen weg te nemen. Ik neem aan dat deze motie breed wordt gesteund, anders neemt de Kamer zichzelf niet serieus.

De voorzitter:
Eén vraag van de heer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):
Ik heb een vraag over de tweede motie, volgens mij, over het thuisonderwijs. Hoe wil Forum voor Democratie de kwaliteit van thuisonderwijs, als die er al zou zijn, borgen?

De heer Van Houwelingen (FVD):
O, ik hoor nu dat de VVD blijkbaar helemaal van het thuisonderwijs … Want we hebben nu thuisonderwijs, hè? Het bestaat. En daar kunt u de inspectie … We komen zelfs met een amendement om het recht op thuisonderwijs te borgen en daar hoort inderdaad inspectie bij. En dat kan, dat kun je regelen.

De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee is een einde gekomen van de zijde van de Kamer. We gaan twaalf minuten schorsen, iets langer, tot ongeveer tot 21.45 uur. Ik schors de vergadering voor ongeveer een minuut of twaalf.

De vergadering wordt van 21.30 uur tot 21.43 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de appreciatie van de zijde van het kabinet in het tweeminutendebat Passend onderwijs. Ik geef het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Dit is, denk ik, een belangrijk onderwerp, waarover we een goed commissiedebat hebben gevoerd. Het laatste woord is er nog lang niet over gezegd, want we gaan bijvoorbeeld in december met elkaar de evaluatie van de verbeteraanpak passend onderwijs bespreken. En begin volgend jaar, ergens in de lente, kom ik met het transitieplan inclusief onderwijs. Sommigen deden alsof inclusief onderwijs al bezig is, maar officieel hebben we het nog niet gedaan. We kunnen dus ook nog niet zeggen of het al dan niet mislukt is. Ik geloof erin dat we dat voor elkaar kunnen krijgen.

Maar laat ik nu de moties appreciëren en de vragen beantwoorden. Ik doe het op volgorde.

Ik geef de motie van mevrouw Rooderkerk, mevrouw Westerveld en de heer Ergin over de Fixers oordeel Kamer.

De voorzitter:
Dat is de eerste motie, de motie op stuk nr. 518.

Staatssecretaris Tielen:
Daar hebben we het in het commissiedebat ook al over gehad. Dus dat is goed nieuws, denk ik.

De motie van mevrouw Beckerman op stuk nr. 519 over het betrekken van onderwijspersoneel, zoals leraren, en een hoop andere mensen, onder wie leerlingen en jongeren die nog niet speciaal onderwijs of ander onderwijs volgen. Dat doen we al. We doen dat ook graag bij het verder vormgeven van de plannen rondom het transitieplan. Ik zie het als ondersteuning van beleid, maar ik kan de motie ook gewoon oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 519: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 520 is ook van mevrouw Beckerman. Deze motie gaat over het realiseren van de randvoorwaarden. Ik denk dat dat superbelangrijk is. Een aantal van uw leden heb ik daar ook over horen spreken. Uiteindelijk is het ons doel om in 2035 zo veel als mogelijk inclusief onderwijs te bieden, maar voor leerlingen voor wie het toch nodig is om gespecialiseerd onderwijs te hebben, zullen we dat soort onderwijs ook moeten hebben; een van de leden zei dat ook. Het betekent dat we nu eerst in kaart moeten brengen wat we verwachten dat er de komende tijd nodig is en hoe we dat willen invullen. Dat doen we met leraren, experts, leerlingen, ouders, samenwerkingsverbanden schoolbesturen et cetera et cetera. We doen het zo om juist die randvoorwaarden duidelijk te maken. Ik zie ook deze motie van mevrouw Beckerman dus als een steuntje in de rug bij waar we mee bezig zijn. Dus oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 520: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:
Meneer Kisteman had twee vragen. Allereerst: hoe ziet de tijdslijn eruit? Ik heb in de brief geprobeerd op te schrijven dat de transitie naar inclusief onderwijs in drie fasen wordt ingericht. We doen dat om het enigszins — hoe moet je dat zeggen? — behapbaar te houden. Negen jaar is best wel ver weg, maar tegelijkertijd voelt het ook als heel dichtbij wanneer je zoiets groots verandert. We gaat het dus in drie fasen doen. We zijn nu bezig met het opschrijven van hoe die eerste fase eruit gaat zien. Die fase loopt tot en met '29. De volgende fase loopt van '30 tot en met '33 en de laatste fase loopt van '34 tot en met '35. We hopen in '35 te zijn waar we nu voorzien te zijn, maar daar hebben we tussentijds ook een aantal toetsmomenten voor.

Wij zijn nu in co-creatie, zoals dat mooi heet, met al die mensen waar mevrouw Beckerman naar verwees, bezig om echt concreet op te schrijven hoe we die eerste fase vorm gaan geven. Wat zijn de doelen? Met welke acties gaan we dat doen? Wat zijn de randvoorwaarden? Daar gaan we zo veel mogelijk cijfermatige elementen aan toevoegen. Daarmee kom ik in de lente. "In de lente" vind ik gewoon mooi. Ik kom daarmee in de lente naar uw Kamer. Ik neem aan dat we dan met elkaar in debat gaan om het echt goed te kunnen pakken met elkaar, om het maar populair te zeggen.

Meneer Kisteman vroeg ook naar het hoogbegaafdheidsonderwijs. "In hoeverre is dat hiervan een oordeel en hoe wordt het geborgd?" Inderdaad, een deel van de leerlingen die nu geen onderwijs vinden, is hoogbegaafd. Deze kinderen vinden geen passende plek. We hebben het zo ingeregeld dat samenwerkingsverbanden daar ondersteuning en geld voor kunnen krijgen. Vanaf dit kalenderjaar is daar structureel extra geld, 23,3 miljoen euro per jaar, aan toegevoegd. Dat betekent dat er geld gereed staat voor die samenwerkingsverbanden om aanbod aan te bieden. Het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid zorgt er dan voor dat die middelen aan de goede programma's worden besteed. Dus op die manier proberen we het zowel qua financiële als qua inhoudelijke ondersteuning te borgen.

Mevrouw Westerveld had een motie over de deskundigenverklaring. Ik snap wel wat ze daarover zegt, maar ik wil daar wel een paar woorden aan wijden. Scholen kunnen nu al zelf bepaalde aanpassingen doen, bijvoorbeeld door een leerling in een aparte ruimte te zetten omdat die daar beter zijn examen kan maken. Tegelijkertijd zijn er dingen die scholen niet zelf kunnen kiezen. Misschien moeten we dat ook niet toelaten, om ervoor te zorgen dat examens en diploma's voor iedereen hetzelfde zijn. Stel dat ik de motie zo mag interpreteren, zoals dat zo mooi heet, dat er voor de aanpassingen die de school zelf kan doen, ruimte wordt genomen om de ervaringen van ouders, leerlingen en docenten mee te nemen, maar dat de deskundigenverklaring voor een deel echt nodig blijft, bijvoorbeeld voor extra tijd voor het examen. Als mevrouw Westerveld het eens is met die invulling, kan ik de motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Dat is het geval, zie ik. Dan krijgt de motie op stuk nr. 521 oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 522 moet ik helaas ontraden. Ik weet dat mevrouw Westerveld hier vaak en veel aandacht voor vraagt, en terecht. We zijn nu bezig met de werkagenda leerlingenvervoer. VWS is bezig met het bredere doelgroepenvervoer. Uiteindelijk spelen gemeentes daarin een belangrijke rol. Dat doen we dus samen met de gemeentes. Maar om dat nu in wetgeving … Daarmee nemen we de gemeentes hun democratische verantwoordelijkheid af. Dat kan ik niet doen. Ik moet de motie dus ontraden, tenzij mevrouw Westerveld de motie nog even aan wil houden. De werkagendabrief over leerlingenvervoer komt namelijk binnenkort, net als de brief over doelgroepenvervoer, van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Daar komt dus op korte termijn duidelijkheid over. Als mevrouw Westerveld zegt "ik breng de motie volgende week in stemming", moet ik die ontraden.

Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik ga daar even over nadenken. Dat hangt er ook van af wanneer die brief precies komt. Het dilemma is dat we al jarenlang hetzelfde gesprek over leerlingenvervoer voeren. We vinden allemaal dat het beter moet. Ook bewindspersonen — ik heb het niet alleen over deze staatssecretaris, maar ook over haar voorgangers — zeggen dat iedere keer. Maar op de een of andere manier komt het niet verder dan: we maken afspraken. Dan moeten wij het jaar daarop weer constateren dat het nog steeds niet is geregeld. Daarom zoek ik naar een manier om niet alleen min of meer vrijblijvende afspraken te maken, maar ook een keer uitgangspunten in wetgeving op te nemen, omdat het anders gewoon niet wordt geregeld. Dat weet ik al sinds ik betrokken ben bij het passend onderwijs. Dat is al zo sinds ik werkte bij de Algemene Onderwijsbond, en dat is alweer een hele lange tijd geleden. Ik zoek dus naar een manier om echt duidelijkere niet-vrijblijvende afspraken te maken en een keer heel duidelijk te maken: naar school kunnen hoort gewoon bij het recht op onderwijs. Daarvoor ligt er ook een verantwoordelijkheid bij de staatssecretaris van Onderwijs.

Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat herken ik. Volgens mij delen we het doel heel erg en de probleemanalyse voor een deel ook. We zijn nu juist samen — het is namelijk een verantwoordelijkheid die op verschillende tafels ligt — met de werkagenda bezig, om te bekijken hoe het beter kan. Dat leren we ook vanuit gemeentes of bepaalde scholen waar het wel goed gaat. Daar kom ik op redelijk korte termijn — ik durf nu geen datum te noemen — op terug. Die werkagenda komt eraan.

De heer Hamstra (CDA):
Ik heb een korte vraag naar aanleiding van de appreciatie van de staatssecretaris. Ik hoor dat u vraagt aan collega Westerveld om de motie aan te houden, omdat het op dit moment des gemeentes is en het anders door het democratische proces van gemeentes heen loopt. Tegelijkertijd bent u bezig met een werkagenda. Wat zou er dan in die werkagenda kunnen komen te staan dat niet door het democratische proces van die gemeentes heen loopt? Hoe kijkt u daarnaar?

Staatssecretaris Tielen:
Dat is precies het gesprek dat we onder andere met de gemeentes voeren, zo van: wat doen zij nu wel goed en waar lopen zij zelf tegenaan? Ook gemeentes hebben belemmeringen, waar de ene gemeente heel anders mee omgaat dan de andere. Dat is precies wat we doen: het uitwisselen van belemmeringen aan de ene kant en oplossingsrichtingen aan de andere kant, om gezamenlijk te kijken waar we dat kunnen laten landen. Dat proberen we in de werkagenda neer te zetten.

De voorzitter:
Laten we naar de motie op stuk nr. 523 gaan.

Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 523 van mevrouw Raijer gaat over het zo veel mogelijk volgen van onderwijs binnen het regulier onderwijs. Die motie kan ik oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 523 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 524 gaat over vso-leerlingen en examens. Eigenlijk is die motie overbodig, want we proberen dat al zo veel mogelijk te doen; dat doen we al. Voor leerlingen is het soms heel fijn om aan reguliere examens mee te doen, juist omdat het ook kansen biedt voor de vervolgopleiding enzovoort enzovoort. Ik hoor dus niet per se van leerlingen zelf dat zij onnodig druk ervaren om aan reguliere examens mee te doen. Soms vinden ze het juist een kans. Uiteindelijk blijft die mogelijkheid waar mevrouw Raijer in de motie om vraagt bestaan voor staatsexamens en diplomering. De motie is dus overbodig.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 524: overbodig.

Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 525 van mevrouw Raijer moet ik ontraden, juist omdat we er echt mee bezig zijn om naar inclusief onderwijs toe te werken. We zijn ervan overtuigd dat dat echt voor heel veel leerlingen, de ouders en ook voor scholen een verbetering zal zijn ten opzichte van wat we nu hebben.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 525: ontraden.

Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 526 van mevrouw Raijer moet ik ontraden, ook omdat mevrouw Raijer zegt: het moet zo spoedig mogelijk. Uiteindelijk, als we bezig zijn met inclusief onderwijs, zullen we het ook zeker hebben over de plek van de samenwerkingsverbanden. Misschien komt tegen die tijd het dictum van de motie van mevrouw Raijer in de buurt, maar op dit moment, met het "zo spoedig mogelijk", zijn we daar nog niet. Ontraden.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 526: ontraden. De motie op stuk nr. 527.

Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 527 is van mevrouw Van der Plas. Ik vond het mooi wat mevrouw Van der Plas zei: inclusief waar het kan, speciaal waar het nodig is. Dat is volgens mij een heel belangrijk motto, of misschien zelfs een leidraad, voor het transitieplan inclusief onderwijs. Ik vind de motie van mevrouw Van der Plas best wel lijken op die van mevrouw Beckerman wat betreft de randvoorwaarden en beschikbaarheid, dus die geef ik, net als die motie, oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 527: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:
Dan had meneer Hamstra een aantal vragen.

Allereerst de vragen over de uitvoering van de motie-Beckerman, de verbetervoorstellen met betrekking tot leerlingenvervoer en de normen en reistijden. Wat ik zei naar aanleiding van de moties van mevrouw Westerveld, geldt ook voor de heer Hamstra, denk ik. Ik hoor hem hier vaak, en terecht, een punt van maken; het is ook gewoon een punt. Als ik de macht zou hebben, dan zou ik het al verbeterd hebben. We zijn dus bezig met een werkagenda en het maken van een brief. Ik kan de antwoorden in de brief en in het debat dat we vast naar aanleiding daarvan zullen hebben, terug laten komen. Die brief komt voor het herfstreces. Dat was de datum die ik net zocht in mijn antwoorden op vragen van mevrouw Westerveld. Dan zal ik inderdaad ook ingaan op de motie van mevrouw Beckerman, op de verbetervoorstellen en op de vraag hoe we omgaan met normen.

Meneer Hamstra vroeg ook naar de zorg- en onderwijstijd en een collectief aanbod in combinatie met het persoonsgebonden budget, of het "kindgebonden budget", wat ik vanmorgen hoorde toen ik bij een Samen naar School-klas zat. Ik vind dat een hele interessante gedachte, maar u zult begrijpen dat ik daar niet in mijn eentje over kan beslissen. Sowieso heb ik u als Kamer daarvoor nodig, maar ik moet daar ook samen met minister Sterk naar kijken. Ik kom daar dus graag nog op terug. Ik verwees in mijn korte inleiding al even naar het debat dat we in december hebben over de evaluatie en de verbeteraanpak. Dit is typisch iets wat we daarbij aan de orde kunnen laten komen, denk ik.

Dan zijn we, denk ik, bij de motie op stuk nr. 528 van de heer Boomsma. Ik zie de voorzitter knikken, dus ik heb de boel nog op orde. Die motie moet ik ontraden. Ik vind oprecht dat we een stip op de horizon moeten hebben. 2035 is dichtbij of ver, maar in ieder geval moeten we daar echt naartoe werken. We gaan in drie fases elke drie jaar kijken waar we staan en of we op de goede weg zijn, in contact met iedereen die daarbij betrokken is; dat gaf ik net in antwoord op vragen van meneer Kisteman al aan. We nemen in de uitwerking sowieso mee voor wie we verwachten dat gespecialiseerd onderwijs nodig is en hoe dat eruitziet naast regulier inclusief onderwijs. Die uitwerking ontvangt u dus in de lente. Ik ontraad de motie.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 528: ontraden.

Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 529 was ook van de heer Boomsma. Die moet ik ook ontraden, ondanks dat ik best wel begrijp wat hij wil. Hij wil namelijk dat we overal voldoende capaciteit hebben. Dat deel van het dictum — maar goed, dat was niet het hele dictum — zal onderdeel zijn van ons transitieplan en de manier waarop we hier de komende jaren mee om zullen gaan. We zullen vast nog niet alle cijfers zomaar kunnen overleggen, maar dit is uiteraard wel onderdeel van hoe wij de hele transitie voor ons zien. Maar om per samenwerkingsverband — dat zijn er 151 — alles in kaart te gaan brengen … Ik denk dat dat onnodig veel tijd, capaciteit en energie kost, en ook veel bureaucratie betekent. Die moet ik dus gewoon ontraden.

De heer Van Houwelingen had ook nog vier moties.

De motie op stuk nr. 530 van de heer Van Houwelingen druist in tegen de visie die ik en een heleboel andere mensen daarop hebben. Die moet ik dus ontraden.

Over de motie op stuk nr. 531 van de heer Van Houwelingen hoef ik geen oordeel te vellen, want dat is een spreekt-uitmotie.

Hetzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 531. Dat laat ik dan ook.

De motie op stuk nr. 532 moet ik ontraden, onder verwijzing naar het debat. De heer Van Houwelingen verwijst eigenlijk naar een beweging weg van inclusief onderwijs, terwijl we juist ook vanuit het gespecialiseerd onderwijs terughoren dat de weg naar inclusie de goede weg is. 2019 is inmiddels toch alweer zeven jaar geleden.

De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik heb eigenlijk een verduidelijkende vraag. Ik begrijp dat de minister niet op die aangenomen motie zit te wachten. Kunnen we daar dan ook uit concluderen dat de motie die wel is aangenomen in 2019, niet is uitgevoerd, dus dat er geen wettelijke belemmeringen zijn weggenomen? Ik verwijt dat de staatssecretaris overigens niet.

Staatssecretaris Tielen:
Daarvoor verwijs ik echt naar het debat. We hebben daar in het commissiedebat wel over van gedachten gewisseld. Gemakshalve verwijs ik daarnaar.

De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de appreciatie van de zijde van het kabinet. Daarmee zijn we ook aan het einde van dit debat gekomen.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik schors de vergadering voor een enkel ogenblik. Dan gaan we naar het laatste tweeminutendebat van vandaag, over toetsen en examens. Ik schors de vergadering.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.