Tweeminutendebat Passend onderwijs (CD 27/5) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D47631, datum: 2026-09-30, bijgewerkt: 2026-10-01 09:19, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-09-30 21:05: Tweeminutendebat Passend onderwijs (CD 27/5) (Plenair debat (tweeminutendebat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Passend onderwijs
Passend onderwijs
Aan de orde is het tweeminutendebat Passend onderwijs (CD d.d.
27/05).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Passend
onderwijs. Van harte welkom aan de staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap. De eerste spreker van de zijde van de Kamer is nu
bezig met het pakken van haar spulletjes, en dat is mevrouw Rooderkerk!
Zij spreekt namens D66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Veel dank, voorzitter. Ik wil graag de volgende motie indienen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat nog altijd te veel kinderen langdurig thuis komen te
zitten doordat zij vastlopen tussen school, jeugdhulp en andere
instanties;
constaterende dat in Amsterdam-Diemen zogenoemde Fixers met persoonlijke
aandacht en doorzettingsmacht proberen een doorbraak te realiseren
wanneer een jongere is vastgelopen;
overwegende dat goede oplossingen voor thuiszitters niet afhankelijk
zouden moeten zijn van de regio waarin een kind woont;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de aanpak van Fixers en
vergelijkbare succesvolle doorbraakmethoden breder beschikbaar worden in
het hele land,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Rooderkerk, Westerveld en
Ergin.
Zij krijgt nr. 518 (31497) (#1).
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Veel dank.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw
Beckerman. Zij spreekt namens de SP.
Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter. Bij de invoering van passend onderwijs waarschuwde mijn
partij dat het knellend onderwijs zou kunnen worden. Ik denk dat we daar
helaas ook gelijk in hebben gekregen. Nu wordt er een beweging gemaakt
die "inclusief onderwijs" genoemd wordt. Wij vinden dat in theorie heel
mooi klinken, maar wij zijn bang voor de praktijk. Daarom heb ik twee
moties meegenomen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat docenten zich nog onvoldoende gehoord en betrokken
voelen bij het vormgeven van inclusief onderwijs;
constaterende dat een enquête van de onderwijsbonden aantoont dat hoe
dichter onderwijspersoneel op het werk in de klas staat, hoe sceptischer
ze staan tegenover de haalbaarheid van inclusief onderwijs in
2035;
constaterende dat ook kinderen en jongeren die op dit moment geen
onderwijs volgen, omdat ze bijvoorbeeld in de jeugdhulp of thuis zitten,
een cruciale bijdrage aan de vormgeving van inclusief onderwijs kunnen
geven;
verzoekt de regering onderwijspersoneel dat voor de klas staat een
centralere rol te geven bij de verdere vormgeving van inclusief
onderwijs;
verzoekt de regering naast leerlingen uit het (speciaal) onderwijs ook
kinderen en jongeren die geen onderwijs volgen te betrekken bij de
vormgeving van inclusief onderwijs,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.
Zij krijgt nr. 519 (31497) (#2).
Mevrouw Beckerman (SP):
En de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onderwijspersoneel grote zorgen heeft over de
implementatie van inclusief onderwijs in 2035 en het speciaal onderwijs
ook na 2035 wil behouden;
overwegende dat zij zich expliciet zorgen maken over het ontbreken van
randvoorwaarden zoals kleinere klassen, extra onderwijspersoneel, extra
ondersteuning en geschikte gebouwen;
verzoekt de regering om het realiseren van deze randvoorwaarden een
centrale plek te geven in de uitwerking van inclusief onderwijs;
verzoekt de regering voorts om ook na 2035 voldoende speciaal onderwijs
te behouden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.
Zij krijgt nr. 520 (31497) (#3).
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer
Kisteman. Die spreekt namens de VVD.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Wij kunnen het zonder moties doen vandaag; de heer Boomsma
schrok al enigszins! Ik heb nog wel een vraag aan de staatssecretaris.
We hebben namelijk een goed debat gehad over inclusief onderwijs. Veel
leden hebben in dit debat ook aangegeven dit traject te willen volgen.
De staatssecretaris heeft aangegeven met een tijdlijn te komen van wat
wanneer naar de Kamer komt, van wat we wanneer kunnen verwachten. Ik heb
die tijdlijn nog niet gezien. Ik zou graag van de staatssecretaris
willen weten wanneer we die kunnen verwachten. Daarnaast zou ik ook
graag van de staatssecretaris willen weten hoe zij straks
hoogbegaafdheid gaat borgen in inclusief onderwijs. Veel leerlingen,
kinderen, die thuiszitten zijn hoogbegaafd. Wij zijn zeer benieuwd hoe
de staatssecretaris daarnaar kijkt.
Dat was het, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw
Westerveld. Zij spreekt namens de fractie van PRO.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dank, voorzitter. Ik heb in het commissiedebat net als vele anderen al
heel duidelijk mijn ongenoegen geuit over het feit dat passend onderwijs
nog zo stroef loopt, dat zo veel kinderen thuiszitten zonder onderwijs
en geen onderwijs krijgen dat bij hen aansluit. Welke schade levert dat
op? Ik zal dat niet allemaal herhalen. We hadden vandaag een
commissiedebat over jeugdzorg. Dat ging ook over het soms onnodig
labelen van kinderen. Daar gaat mijn eerste motie over, want dat loopt
in elkaar over.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor passende examinering voor een leerling, zoals het
mogen verlengen van examentijd, de school moet beschikken over een
deskundigenverklaring;
constaterende dat er nog altijd geen duidelijkheid is gegeven door het
ministerie over de vorm en inzet van de deskundigenverklaring;
overwegende dat in veel gevallen enkel voor passende examinering
aanvullende diagnostiek wordt ingezet voor een
deskundigenverklaring;
overwegende dat deze aanvullende diagnostiek beslag legt op de
aanvullende jeugdhulp, die al overbelast is en wachtlijsten kent;
overwegende dat scholen vaak aan deze leerlingen al vele jaren passend
onderwijs gegeven hebben en dus goed weten welke ondersteuningsbehoefte
leerlingen hebben;
verzoekt de regering om op korte termijn scholen te voorzien van een
duidelijke handleiding over de inzet van de deskundigenverklaring voor
passend examineren, scholen daarbij de ruimte te geven om af te gaan op
de eigen ervaring met passend onderwijs, de afspraken over passend
onderwijs met ouders en leerlingen, en te stimuleren dat bij
deskundigenverklaringen zo min mogelijk aanvullende diagnostiek wordt
gebruikt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Moorman.
Zij krijgt nr. 521 (31497) (#4).
Mevrouw Westerveld (PRO):
Voorzitter. Mijn tweede motie gaat over leerlingenvervoer. Naar
onderwijs kunnen is natuurlijk een voorwaarde voor het volgen van
onderwijs. We hebben het daar al heel lang over. We hebben spoeddebatten
gehad en talloze moties ingediend. Daarover gaat ook mijn volgende
motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ieder kind recht heeft op onderwijs, en dat dit volgt
uit de Grondwet en VN-verdragen;
constaterende dat dit recht wordt geschonden door de aanhoudende
problemen in het leerlingenvervoer;
overwegende dat het beleid is versnipperd, de bureaucratie groot is en
vervoersbedrijven soms kleine contracten hebben;
constaterende dat in de Verbeteragenda Doelgroepenvervoer wordt ingezet
op het bevorderen van het integraal en regionaal aanbesteden in plaats
van kleine contracten;
verzoekt de regering om verder te gaan dan bevorderen en in wetgeving
als uitgangspunt op te nemen dat al het doelgroepenvervoer integraal en
regionaal aanbesteed wordt om hiermee zowel de dienstverlening voor
gebruikers als de arbeidsomstandigheden van chauffeurs te
verbeteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 522 (31497) (#5).
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Raijer. Zij spreekt namens de PVV.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb vier moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat leerlingen met een fysieke beperking of lichamelijke
aandoening vaak prima regulier onderwijs kunnen volgen wanneer zij
cognitief goed meekomen en slechts beperkte ondersteuning nodig
hebben;
overwegende dat deze leerlingen niet onnodig naar specialistische
voorzieningen moeten worden verwezen;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat leerlingen die goed kunnen
leren en slechts beperkte fysieke ondersteuning nodig hebben zo veel
mogelijk binnen het regulier onderwijs onderwijs kunnen blijven
volgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 523 (31497) (#6).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering inzet op meer deelname van leerlingen uit
het voortgezet speciaal onderwijs aan reguliere examens;
overwegende dat veel vso-leerlingen juist gebaat zijn bij maatwerk en
een examenroute die aansluit bij hun mogelijkheden;
verzoekt de regering geen verdere druk uit te oefenen op vso-leerlingen
om reguliere examens af te leggen en de mogelijkheden voor staatsexamens
en diplomering binnen het speciaal onderwijs volledig te behouden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 524 (31497) (#7).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering inzet op volledig inclusief onderwijs in
2035;
overwegende dat veel leerlingen juist gebaat zijn bij specialistische
begeleiding, structuur en kleinschalig onderwijs;
verzoekt de regering af te zien van de transitie naar volledig inclusief
onderwijs in 2035 en het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal
onderwijs te behouden en te versterken als volwaardige voorziening voor
leerlingen die dit nodig hebben,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 525 (31497) (#8).
Mevrouw Raijer (PVV):
Dan de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het huidige stelsel van samenwerkingsverbanden passend
onderwijs heeft geleid tot extra bureaucratie, onduidelijke
verantwoordelijkheden en grote regionale verschillen;
constaterende dat ouders, leraren en scholen vastlopen in
overlegstructuren, procedures en bestuurslagen terwijl het aantal
thuiszitters blijft toenemen;
overwegende dat middelen voor passend onderwijs zo veel mogelijk direct
terecht moeten komen bij leerlingen, leraren en specialistische
ondersteuning in de klas;
verzoekt de regering om een plan uit te werken om zo spoedig mogelijk de
samenwerkingsverbanden passend onderwijs op te heffen en de vrijgekomen
middelen en verantwoordelijkheden rechtstreeks bij scholen en
onderwijsinstellingen onder te brengen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 526 (31497) (#9).
U heeft één vraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Wij hebben vaker een debat gehad over samenwerkingsverbanden. Volgens
mij hebben we de staatssecretaris al gevraagd om bij de plannen voor de
komende jaren na te denken over hoe je een plattere structuur kunt maken
en uiteindelijk ook samenwerkingsverbanden kunt opheffen of laten
samengaan. Deze motie vraagt om dat zo spoedig mogelijk te doen. Ik
vraag me af hoe die twee in verhouding staan. Je kunt een stelsel
natuurlijk niet van de ene op de andere dag helemaal omgooien.
Mevrouw Raijer (PVV):
Nee, dat klopt. Ik weet niet hoeveel termijnen er zijn afgesproken voor
het debat. Er zitten nu 70.000 kinderen thuis, dus het passend onderwijs
heeft gewoon gefaald. Het lijkt mij handig om er nu echt eens vaart
achter te zetten. Daarvoor is deze motie.
De voorzitter:
Helder. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Van der
Plas. Ze spreekt namens de BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Inclusief onderwijs is een heel erg mooi streven. Een kind
kan dan meedoen op een reguliere school, maakt daar vriendjes, wordt
uitgenodigd voor verjaardagspartijtjes en is onderdeel van de buurt.
Daar kan niemand tegen zijn. Goede bedoelingen zijn echter nog geen goed
beleid, zeg ik daarbij. Ik ken een leerkracht die 29 kinderen in de klas
heeft, waarvan zeven kinderen — dat is een kwart van de kinderen —
vroeger naar het speciaal onderwijs zouden zijn gegaan. De
randvoorwaarden zijn daar helemaal niet op orde. De basis is daar
helemaal niet op orde. Daar hebben wij de staatssecretaris voor
gewaarschuwd. Ook de onderwijsmedewerkers zeggen: jongens, dit gaat
helemaal niet goed zo. Daar hebben we het in het debat uitgebreid over
gehad. BBB vindt daarom: inclusief waar het kan, maar speciaal onderwijs
waar dat gewoon beter is voor het kind. En stuur vooral geen kind naar
het reguliere onderwijs zonder dat de ondersteuning die daarvoor nodig
is, voor het kind én voor de leraar, daadwerkelijk beschikbaar is. Ik
heb daarom twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering streeft naar inclusief onderwijs in
2035;
constaterende dat onderwijspersoneel zorgen uit over onder meer
personeelstekorten, klassengrootte en onvoldoende specialistische
ondersteuning;
overwegende dat verdere stappen richting inclusief onderwijs alleen
verantwoord zijn wanneer scholen deze in de praktijk kunnen
dragen;
verzoekt de regering bij de uitwerking van het transitieplan
inzichtelijk te maken welke randvoorwaarden scholen nodig hebben om
verdere stappen richting inclusief onderwijs verantwoord te kunnen
zetten;
verzoekt de regering geen maatregelen te nemen die de beschikbaarheid
van passend speciaal onderwijs beperken zolang niet is geborgd dat
leerlingen elders passende ondersteuning kunnen krijgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 527 (31497) (#10).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering streeft naar inclusief onderwijs in
2035;
constaterende dat onderwijspersoneel zorgen uit over onder meer
personeelstekorten, klassengrootte en onvoldoende specialistische
ondersteuning;
overwegende dat verdere stappen richting inclusief onderwijs alleen
verantwoord zijn wanneer scholen deze in de praktijk kunnen
dragen;
verzoekt de regering bij de uitwerking van het transitieplan
inzichtelijk te maken welke randvoorwaarden scholen nodig hebben om
verdere stappen richting inclusief onderwijs verantwoord te kunnen
zetten;
verzoekt de regering geen maatregelen te nemen die de beschikbaarheid
van passend speciaal onderwijs beperken zolang niet is geborgd dat
leerlingen elders passende ondersteuning kunnen krijgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
Voorzitter. Ik realiseer me dat ik ver over mijn tijd ben gegaan, maar
ik had me wel beperkt met de interrupties, dus het is een klein beetje
six-seven.
De voorzitter:
Ik krijg de indruk dat u twee keer dezelfde motie hebt ingediend.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, u heeft gelijk. Sorry. Excuus daarvoor.
Maar bedankt dat u het even toeliet. Ik moet dit debat trouwens nu
verlaten, dus van mij hebt u geen last meer vanavond.
De voorzitter:
Dat hebben we sowieso niet hoor, mevrouw Van der Plas.
De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Hamstra, die
spreekt namens het CDA.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Stel je voor. Je kind kan moeilijk meekomen op school, omdat
hij iets meer nodig heeft dan de reguliere school kan bieden. Daarom is
hij aangewezen op speciaal onderwijs. Geen probleem, natuurlijk. Maar
het speciaal onderwijs wordt niet gegeven in de gemeente waar je woont.
Omdat je zelf gewoon een baan hebt en je partner misschien ook, is het
niet mogelijk om hem elke dag naar school te brengen. Je bent dus
aangewezen op leerlingenvervoer. Hoe erg is het dan als de reistijd, die
normaal gesproken twintig minuten duurt, twee uur wordt door de geplande
regeling? En hoe erg is het dan als je kind het niet zo lang kan
ophouden en daardoor in zijn broek plast en met een vieze broek op
school aankomt? Of als hij medicijnen nodig heeft, terwijl de chauffeur
die weigert te geven?
Deze verhalen verzin ik niet zelf. Dit maken ouders dagelijks mee. Het
is de dagelijkse realiteit. Wij vinden dat onacceptabel. Hier hebben we
over gesproken tijdens het commissiedebat. Daarom heb ik een aantal
concrete vragen aan de staatssecretaris. Een: kunt u aangeven hoe het
staat met de motie-Beckerman, die ziet op leerlingenvervoer?
Twee: wanneer kunnen wij concrete verbetervoorstellen tegemoetzien in
het kader van leerlingenvervoer?
Drie: kan de staatssecretaris bekijken welke mogelijkheden zij ziet ten
aanzien van bijvoorbeeld landelijke minimumnormen voor maximale
reistijden, veiligheid, begeleiding, continuïteit van chauffeurs en
klachtenafhandeling?
Vier: ziet de staatssecretaris mogelijkheden om vanuit haar
stelselverantwoordelijkheid gemeenten erop te attenderen te sturen op
meer dan alleen op bijvoorbeeld de prijs?
Dan nog kort een opmerking over zorg en onderwijstijd. Ik zou graag van
de staatssecretaris de toezegging krijgen dat bij de te maken afspraken
vastgelegd kan worden dat een collectief zorgaanbod gecombineerd kan
worden met het persoonsgebonden budget, het pgb, zodat er geen
onevenredig deel van het budget besteed wordt aan collectieve zorg op
school. Kan dat? Wanneer kan zij de Kamer daarover informeren?
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer
Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het huidige beleid als toekomstbeeld formuleert dat in
2035 alle kinderen toegang hebben tot een "inclusieve leeromgeving",
waarbij "een flink deel van de kinderen die op dit moment
gespecialiseerd onderwijs op een aparte locatie volgen naar een school
in de buurt kan";
overwegende dat het aantal kinderen in de jeugdzorg en het speciaal
basisonderwijs de afgelopen jaren juist is toegenomen en 70.000 kinderen
thuiszitten;
overwegende dat leraren en schoolleiders alarm slaan over de
onhaalbaarheid van deze ambitie, onder meer vanwege de hoge werkdruk, de
grote klassen, het lerarentekort en het gebrek aan ondersteuning;
overwegende dat voor veel kinderen rust, structuur, expertise en
kleinschaligheid van het (voortgezet) speciaal onderwijs essentieel zijn
voor hun ontwikkeling en welzijn;
verzoekt de regering 2035 niet te presenteren als ambitie of doel dat
moet worden gehaald voor het realiseren van inclusief onderwijs, met een
grote vermindering van het aantal kinderen op speciaal onderwijs;
verzoekt de regering tevens eerst een gedegen plan te presenteren voor
het behoud en de versterking van een realistisch en dekkend netwerk van
speciaal (basis)onderwijs en voortgezet onderwijs, en goede
randvoorwaarden voor ondersteuning op reguliere scholen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.
Zij krijgt nr. 528 (31497) (#11).
De heer Boomsma (JA21):
Dan de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering ernaar streeft dat in 2035 alle scholen
inclusief onderwijs bieden, en dat voor kinderen die dat nodig hebben
gespecialiseerde onderwijsvoorzieningen beschikbaar blijven;
constaterende dat orthopedagogisch didactische centra (opdc's) en
vergelijkbare tijdelijke onderwijsvoorzieningen onderwijs en
ondersteuning bieden aan leerlingen die tijdelijk niet volledig op hun
reguliere school terechtkunnen, en dat samenwerkingsverbanden niet
afzonderlijk verplicht zijn een opdc in te richten;
overwegende dat meer inzicht nodig is in de toereikendheid van het
regionale aanbod van deze tijdelijke onderwijsvoorzieningen en dat
wanneer speciale ondersteuning binnen de reguliere school tijdelijk
onvoldoende is, een passende tijdelijke onderwijsvoorziening beschikbaar
moet zijn;
verzoekt de regering om per samenwerkingsverband het aanbod, de
capaciteit en eventuele wachttijden van tijdelijke
onderwijsvoorzieningen, zoals opdc's en time-out- en
reboundvoorzieningen, in kaart te brengen en in het transitieplan
inclusief onderwijs te borgen dat in iedere regio voldoende passende
tijdelijke onderwijsmogelijkheden beschikbaar zijn, afgestemd op de
behoefte,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.
Zij krijgt nr. 529 (31497) (#12).
Eén vraag van de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Een korte vraag met betrekking tot de eerste motie. We delen dezelfde
zorg, want de transitie lijkt niet goed te verlopen. Zou het dan niet
beter zijn om de transitie dan maar helemaal te stoppen, in plaats van
een langer tijdsbestek dan 2035 aan te houden?
De heer Boomsma (JA21):
De motie zegt eigenlijk: ga nou niet sturen op het onhaalbare 2035, want
dat gaat sowieso niet lukken; breng eerst in kaart wat nodig en
wenselijk is voor een realistisch en dekkend netwerk van specialistisch
onderwijs. Dat gaan we gewoon nodig hebben. Dat wordt overigens ook niet
ontkend. Je moet niet beginnen met een transitie naar een nieuw systeem
waarin ernaar wordt gestreefd dat zo veel mogelijk kinderen naar
regulier onderwijs gaan, als dat niet haalbaar is. Ik denk dat je dat
eerst in kaart moet brengen. Dat geeft ook rust voor de sector. Dat
geeft ook meer duidelijkheid voor de scholen voor speciaal onderwijs dat
ze kunnen blijven.
Vervolgens kun je inderdaad gaan nadenken over welke ambities er precies
geformuleerd moeten worden voor ondersteuning op reguliere scholen. Op
zich is het nog steeds een goed uitgangspunt dat kinderen, als dat
mogelijk is, naar een reguliere school kunnen.
De voorzitter:
Dat levert toch nog twee vragen op. Allereerst een vraag van de heer
Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Mijn vraag gaat over de eerste motie van de heer Boomsma. Het doel van
het samenwerkingsverband is om zich per 2035 op te heffen. Zou de heer
Boomsma dan niet een motie moeten indienen waarin wordt gezegd dat dit
niet gebeurt? Hoe kijkt de heer Boomsma daar dan naar?
De heer Boomsma (JA21):
Nee, het gaat er nu om dat wij een ambitie hebben geformuleerd voor
2035, waarbij het formeel beleidsdoel is om heel veel kinderen die nu op
speciaal of specialistisch onderwijs zitten naar reguliere scholen te
sturen. Ik denk dat dat niet realistisch is, dat we dat nu moeten
loslaten en dat we eerst in kaart moeten brengen wat haalbaar en
wenselijk is qua dekkend netwerk voor speciaal onderwijs in heel
Nederland. Vervolgens moeten we kijken hoe we er nou voor zorgen dat we
ook op reguliere scholen nog steeds de zorg en ondersteuning kunnen
bieden die daar nodig is. Dat lijkt me een betere volgorde dan zoals we
het nu hebben geformuleerd.
De voorzitter:
Thuis zouden ze zeggen: bakkerskinderen eten oud brood. Ik probeer er
zelf nu een beetje een ordentelijk proces van te maken. Het lukt niet
helemaal. De heer Van Houwelingen zegt dat hij maar één interruptie had.
Hij heeft gelijk, dus ik geef gewoon het woord aan mevrouw
Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dit is mijn eerste interruptie bij debat vier, dus in die zin doe ik het
netjes. Maar dank, voorzitter. Mijn punt gaat erover dat ik het er
helemaal mee eens ben dat het van belang is een dekkend aanbod van
speciaal onderwijs te hebben, want dat is er niet. Er zijn namelijk
wachtlijsten en er zitten heel veel kinderen thuis. Alleen hoor ik dan
toch de heer Boomsma weer zeggen dat we rust moeten brengen in de sector
door te zeggen dat speciaal onderwijs mag blijven bestaan. Ik wil dat
punt toch even maken, want ik hoor ook andere sprekers dat soort
verhalen opwerpen. Er is namelijk nooit gezegd dat speciaal onderwijs
niet zou blijven bestaan. In alle kabinetsplannen blijft speciaal
onderwijs gewoon bestaan. Ik zou voorstellen dat we dit vooral niet
steeds roepen, om daarmee ook geen onrust te veroorzaken.
De heer Boomsma (JA21):
Nee, dat is heel goed, maar ik zei ook al: het is ook niet het streven
om álle scholen voor speciaal onderwijs te doen verdwijnen. Alleen staat
er wel letterlijk in die brief, in het toekomstbeeld, dat er een zeer
flink deel van de kinderen die nu naar speciaal onderwijs gaan naar
reguliere scholen moet. En dat geeft dus ook al een enorme … Dat heeft
wel dat effect. Dan gaat het niet om alle scholen of om alle kinderen,
maar wel een heel flink deel, dus vandaar.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Boomsma. De laatste spreker is de heer Van
Houwelingen. De eersten zullen de laatsten zijn.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u wel, voorzitter. Wij hebben helemaal geen vertrouwen in de
transitie naar inclusief onderwijs. Ik heb vier moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat minder dan 20% van de leraren de transitie naar
passend en inclusief onderwijs steunt;
constaterend dat passend onderwijs voor veel kinderen juist niet passend
is;
verzoekt de regering de transitie naar passend en inclusief onderwijs te
stoppen of op z'n minst te temporiseren en weer extra te investeren in
het speciaal onderwijs,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 530 (31497) (#13).
De heer Van Houwelingen (FVD):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
spreekt uit dat het onwenselijk is dat samenwerkingsverbanden onder
dwang en tegen de zin van een school kunnen besluiten om een kind op die
desbetreffende school te plaatsen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 531 (31497) (#14).
De heer Van Houwelingen (FVD):
De derde motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
spreekt uit dat in sommige gevallen voor kinderen de meest passende vorm
van onderwijs thuisonderwijs is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 532 (31497) (#15).
De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot, en dit vind ik de belangrijkste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de door de Kamer op 12 november 2019 unaniem
aangenomen motie-Kwint waarin de regering wordt verzocht de huidige
wettelijke belemmeringen en beperkingen voor het oprichten van scholen
voor speciaal onderwijs weg te nemen, niet is uitgevoerd;
verzoekt de regering deze motie alsnog en wel zo snel mogelijk uit te
voeren, en daarover voor het einde van het jaar aan de Kamer te
rapporteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 533 (31497) (#16).
De heer Van Houwelingen (FVD):
Deze motie was dus unaniem aangenomen. De staatssecretaris gaf ook toe
dat deze motie niet is uitgevoerd. Er is alleen gesproken met de
samenwerkingsverbanden, maar dat was natuurlijk helemaal niet het
verzoek van die motie; het verzoek was om die belemmeringen weg te
nemen. Ik neem aan dat deze motie breed wordt gesteund, anders neemt de
Kamer zichzelf niet serieus.
De voorzitter:
Eén vraag van de heer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Ik heb een vraag over de tweede motie, volgens mij, over het
thuisonderwijs. Hoe wil Forum voor Democratie de kwaliteit van
thuisonderwijs, als die er al zou zijn, borgen?
De heer Van Houwelingen (FVD):
O, ik hoor nu dat de VVD blijkbaar helemaal van het thuisonderwijs …
Want we hebben nu thuisonderwijs, hè? Het bestaat. En daar kunt u de
inspectie … We komen zelfs met een amendement om het recht op
thuisonderwijs te borgen en daar hoort inderdaad inspectie bij. En dat
kan, dat kun je regelen.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee is een einde gekomen van de zijde van de Kamer. We
gaan twaalf minuten schorsen, iets langer, tot ongeveer tot 21.45 uur.
Ik schors de vergadering voor ongeveer een minuut of twaalf.
De vergadering wordt van 21.30 uur tot 21.43 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de appreciatie van de zijde
van het kabinet in het tweeminutendebat Passend onderwijs. Ik geef het
woord aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Dit is, denk ik, een belangrijk onderwerp,
waarover we een goed commissiedebat hebben gevoerd. Het laatste woord is
er nog lang niet over gezegd, want we gaan bijvoorbeeld in december met
elkaar de evaluatie van de verbeteraanpak passend onderwijs bespreken.
En begin volgend jaar, ergens in de lente, kom ik met het transitieplan
inclusief onderwijs. Sommigen deden alsof inclusief onderwijs al bezig
is, maar officieel hebben we het nog niet gedaan. We kunnen dus ook nog
niet zeggen of het al dan niet mislukt is. Ik geloof erin dat we dat
voor elkaar kunnen krijgen.
Maar laat ik nu de moties appreciëren en de vragen beantwoorden. Ik doe
het op volgorde.
Ik geef de motie van mevrouw Rooderkerk, mevrouw Westerveld en de heer
Ergin over de Fixers oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dat is de eerste motie, de motie op stuk nr. 518.
Staatssecretaris Tielen:
Daar hebben we het in het commissiedebat ook al over gehad. Dus dat is
goed nieuws, denk ik.
De motie van mevrouw Beckerman op stuk nr. 519 over het betrekken van
onderwijspersoneel, zoals leraren, en een hoop andere mensen, onder wie
leerlingen en jongeren die nog niet speciaal onderwijs of ander
onderwijs volgen. Dat doen we al. We doen dat ook graag bij het verder
vormgeven van de plannen rondom het transitieplan. Ik zie het als
ondersteuning van beleid, maar ik kan de motie ook gewoon oordeel Kamer
geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 519: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 520 is ook van mevrouw Beckerman. Deze motie gaat
over het realiseren van de randvoorwaarden. Ik denk dat dat
superbelangrijk is. Een aantal van uw leden heb ik daar ook over horen
spreken. Uiteindelijk is het ons doel om in 2035 zo veel als mogelijk
inclusief onderwijs te bieden, maar voor leerlingen voor wie het toch
nodig is om gespecialiseerd onderwijs te hebben, zullen we dat soort
onderwijs ook moeten hebben; een van de leden zei dat ook. Het betekent
dat we nu eerst in kaart moeten brengen wat we verwachten dat er de
komende tijd nodig is en hoe we dat willen invullen. Dat doen we met
leraren, experts, leerlingen, ouders, samenwerkingsverbanden
schoolbesturen et cetera et cetera. We doen het zo om juist die
randvoorwaarden duidelijk te maken. Ik zie ook deze motie van mevrouw
Beckerman dus als een steuntje in de rug bij waar we mee bezig zijn. Dus
oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 520: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Kisteman had twee vragen. Allereerst: hoe ziet de tijdslijn
eruit? Ik heb in de brief geprobeerd op te schrijven dat de transitie
naar inclusief onderwijs in drie fasen wordt ingericht. We doen dat om
het enigszins — hoe moet je dat zeggen? — behapbaar te houden. Negen
jaar is best wel ver weg, maar tegelijkertijd voelt het ook als heel
dichtbij wanneer je zoiets groots verandert. We gaat het dus in drie
fasen doen. We zijn nu bezig met het opschrijven van hoe die eerste fase
eruit gaat zien. Die fase loopt tot en met '29. De volgende fase loopt
van '30 tot en met '33 en de laatste fase loopt van '34 tot en met '35.
We hopen in '35 te zijn waar we nu voorzien te zijn, maar daar hebben we
tussentijds ook een aantal toetsmomenten voor.
Wij zijn nu in co-creatie, zoals dat mooi heet, met al die mensen waar
mevrouw Beckerman naar verwees, bezig om echt concreet op te schrijven
hoe we die eerste fase vorm gaan geven. Wat zijn de doelen? Met welke
acties gaan we dat doen? Wat zijn de randvoorwaarden? Daar gaan we zo
veel mogelijk cijfermatige elementen aan toevoegen. Daarmee kom ik in de
lente. "In de lente" vind ik gewoon mooi. Ik kom daarmee in de lente
naar uw Kamer. Ik neem aan dat we dan met elkaar in debat gaan om het
echt goed te kunnen pakken met elkaar, om het maar populair te
zeggen.
Meneer Kisteman vroeg ook naar het hoogbegaafdheidsonderwijs. "In
hoeverre is dat hiervan een oordeel en hoe wordt het geborgd?"
Inderdaad, een deel van de leerlingen die nu geen onderwijs vinden, is
hoogbegaafd. Deze kinderen vinden geen passende plek. We hebben het zo
ingeregeld dat samenwerkingsverbanden daar ondersteuning en geld voor
kunnen krijgen. Vanaf dit kalenderjaar is daar structureel extra geld,
23,3 miljoen euro per jaar, aan toegevoegd. Dat betekent dat er geld
gereed staat voor die samenwerkingsverbanden om aanbod aan te bieden.
Het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid zorgt er dan voor dat die middelen aan
de goede programma's worden besteed. Dus op die manier proberen we het
zowel qua financiële als qua inhoudelijke ondersteuning te borgen.
Mevrouw Westerveld had een motie over de deskundigenverklaring. Ik snap
wel wat ze daarover zegt, maar ik wil daar wel een paar woorden aan
wijden. Scholen kunnen nu al zelf bepaalde aanpassingen doen,
bijvoorbeeld door een leerling in een aparte ruimte te zetten omdat die
daar beter zijn examen kan maken. Tegelijkertijd zijn er dingen die
scholen niet zelf kunnen kiezen. Misschien moeten we dat ook niet
toelaten, om ervoor te zorgen dat examens en diploma's voor iedereen
hetzelfde zijn. Stel dat ik de motie zo mag interpreteren, zoals dat zo
mooi heet, dat er voor de aanpassingen die de school zelf kan doen,
ruimte wordt genomen om de ervaringen van ouders, leerlingen en docenten
mee te nemen, maar dat de deskundigenverklaring voor een deel echt nodig
blijft, bijvoorbeeld voor extra tijd voor het examen. Als mevrouw
Westerveld het eens is met die invulling, kan ik de motie oordeel Kamer
geven.
De voorzitter:
Dat is het geval, zie ik. Dan krijgt de motie op stuk nr. 521 oordeel
Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 522 moet ik helaas ontraden. Ik weet dat mevrouw
Westerveld hier vaak en veel aandacht voor vraagt, en terecht. We zijn
nu bezig met de werkagenda leerlingenvervoer. VWS is bezig met het
bredere doelgroepenvervoer. Uiteindelijk spelen gemeentes daarin een
belangrijke rol. Dat doen we dus samen met de gemeentes. Maar om dat nu
in wetgeving … Daarmee nemen we de gemeentes hun democratische
verantwoordelijkheid af. Dat kan ik niet doen. Ik moet de motie dus
ontraden, tenzij mevrouw Westerveld de motie nog even aan wil houden. De
werkagendabrief over leerlingenvervoer komt namelijk binnenkort, net als
de brief over doelgroepenvervoer, van de minister van Langdurige Zorg,
Jeugd en Sport. Daar komt dus op korte termijn duidelijkheid over. Als
mevrouw Westerveld zegt "ik breng de motie volgende week in stemming",
moet ik die ontraden.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik ga daar even over nadenken. Dat hangt er ook van af wanneer die brief
precies komt. Het dilemma is dat we al jarenlang hetzelfde gesprek over
leerlingenvervoer voeren. We vinden allemaal dat het beter moet. Ook
bewindspersonen — ik heb het niet alleen over deze staatssecretaris,
maar ook over haar voorgangers — zeggen dat iedere keer. Maar op de een
of andere manier komt het niet verder dan: we maken afspraken. Dan
moeten wij het jaar daarop weer constateren dat het nog steeds niet is
geregeld. Daarom zoek ik naar een manier om niet alleen min of meer
vrijblijvende afspraken te maken, maar ook een keer uitgangspunten in
wetgeving op te nemen, omdat het anders gewoon niet wordt geregeld. Dat
weet ik al sinds ik betrokken ben bij het passend onderwijs. Dat is al
zo sinds ik werkte bij de Algemene Onderwijsbond, en dat is alweer een
hele lange tijd geleden. Ik zoek dus naar een manier om echt
duidelijkere niet-vrijblijvende afspraken te maken en een keer heel
duidelijk te maken: naar school kunnen hoort gewoon bij het recht op
onderwijs. Daarvoor ligt er ook een verantwoordelijkheid bij de
staatssecretaris van Onderwijs.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat herken ik. Volgens mij delen we het doel heel erg en de
probleemanalyse voor een deel ook. We zijn nu juist samen — het is
namelijk een verantwoordelijkheid die op verschillende tafels ligt — met
de werkagenda bezig, om te bekijken hoe het beter kan. Dat leren we ook
vanuit gemeentes of bepaalde scholen waar het wel goed gaat. Daar kom ik
op redelijk korte termijn — ik durf nu geen datum te noemen — op terug.
Die werkagenda komt eraan.
De heer Hamstra (CDA):
Ik heb een korte vraag naar aanleiding van de appreciatie van de
staatssecretaris. Ik hoor dat u vraagt aan collega Westerveld om de
motie aan te houden, omdat het op dit moment des gemeentes is en het
anders door het democratische proces van gemeentes heen loopt.
Tegelijkertijd bent u bezig met een werkagenda. Wat zou er dan in die
werkagenda kunnen komen te staan dat niet door het democratische proces
van die gemeentes heen loopt? Hoe kijkt u daarnaar?
Staatssecretaris Tielen:
Dat is precies het gesprek dat we onder andere met de gemeentes voeren,
zo van: wat doen zij nu wel goed en waar lopen zij zelf tegenaan? Ook
gemeentes hebben belemmeringen, waar de ene gemeente heel anders mee
omgaat dan de andere. Dat is precies wat we doen: het uitwisselen van
belemmeringen aan de ene kant en oplossingsrichtingen aan de andere
kant, om gezamenlijk te kijken waar we dat kunnen laten landen. Dat
proberen we in de werkagenda neer te zetten.
De voorzitter:
Laten we naar de motie op stuk nr. 523 gaan.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 523 van mevrouw Raijer gaat over het zo veel
mogelijk volgen van onderwijs binnen het regulier onderwijs. Die motie
kan ik oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 523 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 524 gaat over vso-leerlingen en examens. Eigenlijk
is die motie overbodig, want we proberen dat al zo veel mogelijk te
doen; dat doen we al. Voor leerlingen is het soms heel fijn om aan
reguliere examens mee te doen, juist omdat het ook kansen biedt voor de
vervolgopleiding enzovoort enzovoort. Ik hoor dus niet per se van
leerlingen zelf dat zij onnodig druk ervaren om aan reguliere examens
mee te doen. Soms vinden ze het juist een kans. Uiteindelijk blijft die
mogelijkheid waar mevrouw Raijer in de motie om vraagt bestaan voor
staatsexamens en diplomering. De motie is dus overbodig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 524: overbodig.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 525 van mevrouw Raijer moet ik ontraden, juist
omdat we er echt mee bezig zijn om naar inclusief onderwijs toe te
werken. We zijn ervan overtuigd dat dat echt voor heel veel leerlingen,
de ouders en ook voor scholen een verbetering zal zijn ten opzichte van
wat we nu hebben.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 525: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 526 van mevrouw Raijer moet ik ontraden, ook omdat
mevrouw Raijer zegt: het moet zo spoedig mogelijk. Uiteindelijk, als we
bezig zijn met inclusief onderwijs, zullen we het ook zeker hebben over
de plek van de samenwerkingsverbanden. Misschien komt tegen die tijd het
dictum van de motie van mevrouw Raijer in de buurt, maar op dit moment,
met het "zo spoedig mogelijk", zijn we daar nog niet. Ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 526: ontraden. De motie op stuk nr. 527.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 527 is van mevrouw Van der Plas. Ik vond het mooi
wat mevrouw Van der Plas zei: inclusief waar het kan, speciaal waar het
nodig is. Dat is volgens mij een heel belangrijk motto, of misschien
zelfs een leidraad, voor het transitieplan inclusief onderwijs. Ik vind
de motie van mevrouw Van der Plas best wel lijken op die van mevrouw
Beckerman wat betreft de randvoorwaarden en beschikbaarheid, dus die
geef ik, net als die motie, oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 527: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Dan had meneer Hamstra een aantal vragen.
Allereerst de vragen over de uitvoering van de motie-Beckerman, de
verbetervoorstellen met betrekking tot leerlingenvervoer en de normen en
reistijden. Wat ik zei naar aanleiding van de moties van mevrouw
Westerveld, geldt ook voor de heer Hamstra, denk ik. Ik hoor hem hier
vaak, en terecht, een punt van maken; het is ook gewoon een punt. Als ik
de macht zou hebben, dan zou ik het al verbeterd hebben. We zijn dus
bezig met een werkagenda en het maken van een brief. Ik kan de
antwoorden in de brief en in het debat dat we vast naar aanleiding
daarvan zullen hebben, terug laten komen. Die brief komt voor het
herfstreces. Dat was de datum die ik net zocht in mijn antwoorden op
vragen van mevrouw Westerveld. Dan zal ik inderdaad ook ingaan op de
motie van mevrouw Beckerman, op de verbetervoorstellen en op de vraag
hoe we omgaan met normen.
Meneer Hamstra vroeg ook naar de zorg- en onderwijstijd en een
collectief aanbod in combinatie met het persoonsgebonden budget, of het
"kindgebonden budget", wat ik vanmorgen hoorde toen ik bij een Samen
naar School-klas zat. Ik vind dat een hele interessante gedachte, maar u
zult begrijpen dat ik daar niet in mijn eentje over kan beslissen.
Sowieso heb ik u als Kamer daarvoor nodig, maar ik moet daar ook samen
met minister Sterk naar kijken. Ik kom daar dus graag nog op terug. Ik
verwees in mijn korte inleiding al even naar het debat dat we in
december hebben over de evaluatie en de verbeteraanpak. Dit is typisch
iets wat we daarbij aan de orde kunnen laten komen, denk ik.
Dan zijn we, denk ik, bij de motie op stuk nr. 528 van de heer Boomsma.
Ik zie de voorzitter knikken, dus ik heb de boel nog op orde. Die motie
moet ik ontraden. Ik vind oprecht dat we een stip op de horizon moeten
hebben. 2035 is dichtbij of ver, maar in ieder geval moeten we daar echt
naartoe werken. We gaan in drie fases elke drie jaar kijken waar we
staan en of we op de goede weg zijn, in contact met iedereen die daarbij
betrokken is; dat gaf ik net in antwoord op vragen van meneer Kisteman
al aan. We nemen in de uitwerking sowieso mee voor wie we verwachten dat
gespecialiseerd onderwijs nodig is en hoe dat eruitziet naast regulier
inclusief onderwijs. Die uitwerking ontvangt u dus in de lente. Ik
ontraad de motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 528: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 529 was ook van de heer Boomsma. Die moet ik ook
ontraden, ondanks dat ik best wel begrijp wat hij wil. Hij wil namelijk
dat we overal voldoende capaciteit hebben. Dat deel van het dictum —
maar goed, dat was niet het hele dictum — zal onderdeel zijn van ons
transitieplan en de manier waarop we hier de komende jaren mee om zullen
gaan. We zullen vast nog niet alle cijfers zomaar kunnen overleggen,
maar dit is uiteraard wel onderdeel van hoe wij de hele transitie voor
ons zien. Maar om per samenwerkingsverband — dat zijn er 151 — alles in
kaart te gaan brengen … Ik denk dat dat onnodig veel tijd, capaciteit en
energie kost, en ook veel bureaucratie betekent. Die moet ik dus gewoon
ontraden.
De heer Van Houwelingen had ook nog vier moties.
De motie op stuk nr. 530 van de heer Van Houwelingen druist in tegen de
visie die ik en een heleboel andere mensen daarop hebben. Die moet ik
dus ontraden.
Over de motie op stuk nr. 531 van de heer Van Houwelingen hoef ik geen
oordeel te vellen, want dat is een spreekt-uitmotie.
Hetzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 531. Dat laat ik dan
ook.
De motie op stuk nr. 532 moet ik ontraden, onder verwijzing naar het
debat. De heer Van Houwelingen verwijst eigenlijk naar een beweging weg
van inclusief onderwijs, terwijl we juist ook vanuit het gespecialiseerd
onderwijs terughoren dat de weg naar inclusie de goede weg is. 2019 is
inmiddels toch alweer zeven jaar geleden.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik heb eigenlijk een verduidelijkende vraag. Ik begrijp dat de minister
niet op die aangenomen motie zit te wachten. Kunnen we daar dan ook uit
concluderen dat de motie die wel is aangenomen in 2019, niet is
uitgevoerd, dus dat er geen wettelijke belemmeringen zijn weggenomen? Ik
verwijt dat de staatssecretaris overigens niet.
Staatssecretaris Tielen:
Daarvoor verwijs ik echt naar het debat. We hebben daar in het
commissiedebat wel over van gedachten gewisseld. Gemakshalve verwijs ik
daarnaar.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de appreciatie van de zijde
van het kabinet. Daarmee zijn we ook aan het einde van dit debat
gekomen.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering voor een enkel ogenblik. Dan gaan we naar het
laatste tweeminutendebat van vandaag, over toetsen en examens. Ik schors
de vergadering.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.