Tweeminutendebat Emancipatie (CD 25/6) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D47634, datum: 2026-09-30, bijgewerkt: 2026-10-01 09:41, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-09-30 20:10: Tweeminutendebat Emancipatie (CD 25/6) (Plenair debat (tweeminutendebat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Emancipatie
Emancipatie
Aan de orde is het tweeminutendebat Emancipatie (CD d.d.
25/06).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat
Emancipatie. De eerste spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw
Moorman. Zij spreekt namens PRO. Ik heet nogmaals de staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom.
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter. Gelijke rechten ontstaan niet vanzelf. We moeten ervoor
blijven vechten. Dat zagen we ook de afgelopen weken weer.
Lhbtiq+-acceptatie daalt. Onderzoek liet zien dat het aantal mensen dat
het oké vindt als mannen hun vrouwen slaan — ik laat hier toch maar even
een pauze vallen — toeneemt en dat meer jongeren het een probleem vinden
als een vrouw meer verdient dan een man. Deze conservatieve
ontwikkelingen baren mij zeer veel zorgen. Om dit beter te begrijpen
lijkt het mij goed om de onderzoekers uit te nodigen in de Kamer; daar
kom ik graag op terug in de procedurevergadering.
Ik ben heel blij dat de motie over GSA's op scholen zojuist een positief
preadvies heeft gekregen. Ik hoop op steun van de Kamer.
Voorzitter. Dan over vrouwenemancipatie. We hebben dit jaar ook gezien
dat zogenaamd neutraal beleid negatiever uit kan pakken voor vrouwen.
Het kabinet verlaagt het maximumdagloon en, oeps, de uitkering tijdens
zwangerschapsverlof werd verlaagd en het kabinet had per ongeluk een
bevalboete geïntroduceerd. Daarom is het belangrijk dat de overheid een
gelijkheidscheck doet op beleid, zo van: vergroten onze plannen de
gelijkheid tussen mannen en vrouwen? Daarom dienen wij de volgende motie
in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat beleid regelmatig onbedoeld negatiever uitpakt voor
vrouwen en dat de gendertoets die is ontwikkeld om mogelijke effecten op
ongelijkheid tussen vrouwen en mannen zichtbaar te maken, niet
consistent wordt toegepast op de departementen;
verzoekt de regering jaarlijks bij de Emancipatienota inzicht te geven
in de toepassing en de uitkomsten van de gendertoets binnen de
Rijksoverheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Dobbe, Kostić en
Podt.
Zij krijgt nr. 455 (30420) (#1).
Mevrouw Moorman (PRO):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer
Ergin, die spreekt namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit onderzoek blijkt dat de lhbti-gemeenschap, Joden
en moslims te maken hebben met vergelijkbare vormen van negatieve
beeldvorming, waarbij hele groepen als verdacht of bedreigend worden
neergezet;
overwegende dat zulke beeldvorming bijdraagt aan discriminatie,
uitsluiting en haat tegen minderheden en dat haat tegen de
lhbti-gemeenschap onacceptabel is;
verzoekt de regering bij de aanpak van lhbti-discriminatie geen religie
of bevolkingsgroep als oorzaak, risicogroep of afzonderlijk onderwerp
van beleid aan te merken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 456 (30420) (#2).
De heer Ergin (DENK):
De tweede motie gaat over de Emancipatienota.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Emancipatienota vrijheid en zelfbeschikking als
belangrijke uitgangspunten van het emancipatiebeleid benoemt;
overwegende dat emancipatie betekent dat vrouwen zelf keuzes moeten
kunnen maken over hun leven en identiteit, waaronder de keuze om een
hoofddoek te dragen, ook wanneer die keuzes religieus of
levensbeschouwelijk zijn ingegeven;
verzoekt de regering om in het emancipatiebeleid als uitgangspunt te
hanteren dat vrijwillig gemaakte religieuze en levensbeschouwelijke
keuzes op zichzelf niet als belemmering voor emancipatie worden
beschouwd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 457 (30420) (#3).
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Van der Plas. Zij spreekt namens de BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter, dank u wel. In Nederland moet iedereen zichzelf kunnen zijn,
op een veilige manier. Dat geldt voor vrouwen, homoseksuelen,
transpersonen en voor iedereen die zijn of haar leven gewoon wil leiden
zonder angst, zonder intimidatie en zonder geweld. Uiteindelijk gaat
emancipatie niet over hoeveel campagnes we voeren, over hoeveel
programma's we optuigen of over hoeveel regenboogvlaggen er hangen. Het
gaat erom wat mensen daar in hun dagelijkse leven daadwerkelijk van
merken. Kunnen twee mannen hand in hand over straat zonder te worden
uitgescholden of bedreigd? Kan een vrouw zelf bepalen hoe zij haar leven
inricht? En weet iemand die slachtoffer wordt van intimidatie,
discriminatie of geweld, dat de overheid naast hem of haar staat?
Voorzitter. In het commissiedebat hebben wij daarom ook gezegd: pak de
problemen aan waar ze daadwerkelijk spelen; geen beleid omdat het op
papier mooi staat, maar een gerichte aanpak die gebaseerd is op wat er
in de praktijk gebeurt. Dat betekent ook dat we de oorzaken van
intolerantie en geweld eerlijk moeten kunnen benoemen, ongeacht uit
welke hoek die komen. BBB wil daarbij geen grote groepen wegzetten,
integendeel. Maar als uit onderzoek blijkt dat binnen bepaalde groepen
of op bepaalde plekken specifieke problemen spelen, dan moet de overheid
daar gericht tegen kunnen optreden.
Voorzitter. Ik heb geen moties, maar ik heb wel een vraag aan de
staatssecretaris. Kan de staatssecretaris de Kamer ieder jaar laten zien
wat het beleid voor de veiligheid van lhbtiq+-personen concreet heeft
opgeleverd, bijvoorbeeld als het gaat om geweld, meldingen en aangiften?
Kan zij daarbij aangeven waarin de aanpak nog tekortschiet en wat zij
daaraan gaat doen?
Voorzitter. Voor BBB is de maatstaf uiteindelijk niet hoeveel beleid we
hebben gemaakt, maar of mensen daadwerkelijk veiliger zijn, en niet
hoeveel geld we hebben uitgegeven, maar of de problemen daadwerkelijk
worden aangepakt. Er moet niet alleen worden gezegd dat iedereen
zichzelf moeten kunnen zijn, maar er moet ook voor worden gezorgd dat
mensen in hun dagelijkse leven dat ook daadwerkelijk durven.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie van mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
"De problemen aanpakken waar ze plaatsvinden." Meerdere onderzoeken
achter elkaar hebben laten zien dat de wijze waarop politici zich uiten,
een aanjager is van haat tegen homo's en de acceptatie vermindert. Heeft
mevrouw Van der Plas inmiddels spijt van haar uitspraak over "de
letterbak"?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, daar heb ik helemaal geen spijt van, omdat in dat debat … Ik heb
dat echt al 100.000 keer uitgelegd, maar ik doe het graag nog een keer.
Heel veel mensen, ook uit de lhbtiq+-gemeenschap, zeggen: "Wij willen
niet die letter zijn. Ik hou van een man en dat is hartstikke prima,
maar wij worden steeds in een lettergroep gezet." Ik gebruik het nu zelf
weer: lhbtiq+. Dat is wat ik daarmee bedoelde. Ik heb niet gezegd dat
een homoseksueel een letterbak is, integendeel. Iemand die homoseksueel,
transgender, lesbienne of biseksueel is, is een persoon die toevallig
van een man of een vrouw houdt, of van allebei. Die moeten we niet in
een hokje stoppen. Dat is waar het over gaat. Mevrouw Moorman kan hier
heel wijsneuzerig staan en vragen "heeft mevrouw Van der Plas daar al
spijt van?", maar nee, integendeel. Dit is waar wij voor staan. Ik raad
mevrouw Moorman ook aan om de column te lezen die vandaag in De
Telegraaf stond, van Raymond Mens. Hij valt zelf op mannen en hij zegt
eigenlijk identiek datgene wat ik hier net over heb gezegd. Hij heeft
het zelfs over de "letterverzamelbak". Raymond is iemand uit de
lhbti-gemeenschap die zegt: dat willen we helemaal niet; ik wil dat
gewoon helemaal niet. Vergeef me voor het gebruiken van het woord
"lhbti"; ik heb er een hekel aan om het weer in een hokje te
plaatsen.
De voorzitter:
Duidelijk.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Iedereen mag me vragen naar die letterbak hoor, al zit ik nog 100 jaar
in de Kamer …
De voorzitter:
Nou, dat hoeft niet.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
… maar luister gewoon even goed naar wat ik destijds heb gezegd, en neem
mij niet hier een beetje wijsneuzerig de maat.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vervolgvraag van mevrouw Moorman, denk ik, die dat ook
gewoon mag doen.
Mevrouw Moorman (PRO):
Dat is jammer, want volgens mij zijn er ook heel veel mensen uit de
lhbti-gemeenschap die zichzelf zo willen noemen en die niet graag horen
dat zij behoren tot een letterbak. Dat gezegd hebbende, we moeten de
problemen die er zijn aanpakken en politici hebben zelfreflectie nodig
over de manier waarop zij zich uiten. Dat staat niet voor niks in deze
rapporten. Graag toch ook nog een reflectie op de oud-bewindspersoon die
in de functie daarvoor een regenboogzebrapad vergeleek met een
nazisymbool en dat "even polariseren" noemde. Zou mevrouw Van der Plas
daar dan nu afscheid van willen nemen?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou, voorzitter, nee …
De voorzitter:
Hohohohoho. Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat ga ik echt niet doen. Kom op zeg! Het zijn uitspraken van jaren
geleden. Het gaat om een staatssecretaris die geen staatssecretaris meer
is. Het is een staatssecretaris die zich er uitgebreid over heeft
uitgelaten wat hij daarmee bedoelde. Die discussie is echt allang
gevoerd. Sterker nog, BBB had twee staatssecretarissen die homoseksueel
zijn. Meer dan de helft van de medewerkers binnen onze fractie is ofwel
homoseksueel ofwel bi. Als wij als BBB zo homofoob zouden zijn, was dat
nooit het geval geweest. Echt, hou op met mij. U mag alles vragen wat u
wil hoor, maar joh, echt, als we het hierover gaan hebben … Dit is dus
echt iemand de maat nemen op basis van een uitspraak van jaren geleden.
Echt waar. Mevrouw Moorman, ik ken u echt als een beter persoon en ook
als een beter politicus. Dit moet u echt niet doen.
De voorzitter:
Ik wil hier een streep onder zetten. We gaan door.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Wat een onzin.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik constateer dat het nogal gratuit is wat hier zonet is gezegd.
De voorzitter:
Oké.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Sorry? Dat heb ik niet gehoord.
De voorzitter:
Nee, we gaan gewoon door.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, ik wil wel even horen wat er is gezegd, omdat …
De voorzitter:
Nou, dat hoeft niet, want ik zet er een streep onder. Ik ga graag door
naar de volgende spreker.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Maar ik wil daar wel op kunnen reageren. Als er iets over mij wordt
gezegd, dan wil ik daar …
De voorzitter:
U heeft net ruim anderhalve minuut gereageerd op een interruptie,
mevrouw Van der Plas. Dat is volgens mij ruim. U heeft uw punt
gemaakt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter?
De voorzitter:
Ja?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter, u zet de microfoon open om toe te laten dat mevrouw Moorman
nog iets zegt. Als ik daar niks op te zeggen heb, dan heb ik daar niks
op te zeggen. Maar ik weet niet wat er is gezegd. Ik weet ook niet wat
er nu net over mij is gezegd. Ik wil het alleen weten, zodat ik de kans
heb om daar dan ook op te reageren. Als u de microfoon voor de derde
keer aanzet, wat helemaal niet gebruikelijk is omdat we maar twee
interrupties hebben, dan vind ik het fair om even te weten wat mevrouw
Moorman heeft gezegd. Ze concludeerde namelijk iets; dat hoorde ik.
De voorzitter:
Nee, hoor, interrupties doen we in drieën en ik ga over de orde van het
debat. Er werd geen vraag gesteld. Ik heb u ruimschoots de kans gegeven
om te reageren op de vraag van mevrouw Moorman. Ik vind dat dit niks
toevoegt aan de orde van dit debat. U heeft uw punt gemaakt. Het is
helder. Ik denk dat we allemaal graag verder willen. Als u nog iets met
mevrouw Moorman wil bespreken, kan dat straks ook buiten deze
vergadering. Er is geen vraag meer gesteld, dus ik zou graag door
willen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou, ik vind dat mevrouw Moorman zich belachelijk heeft gemaakt.
De voorzitter:
Het is goed zo. Ik nodig de heer Ergin graag uit … O nee, hij is al
geweest, excuus. De heer Clemminck is de volgende spreker aan de zijde
van de Kamer. Die wil wel nog spreken. Gaat uw gang, meneer
Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Heel goed, voorzitter, dank u wel. In dit commissiedebat hebben we het
er uitgebreid over gehad en ook uit de actualiteit werd het duidelijk:
het is vijf voor twaalf als het gaat om de acceptatie van de
lhbti-gemeenschap, of, zoals ik liever zeg, de lhbti'ers, in Nederland.
De olifant in de kamer is natuurlijk demografie, cultuur, religie. Dan
heb ik het natuurlijk over de islam. Daar heb ik het in mijn bijdrage in
het commissiedebat uitgebreid over gehad. Alle cijfers staan helaas op
negatief als het gaat om de acceptatie van lhbti'ers door de islam.
Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit het HBSC-onderzoek van de Universiteit Utrecht en
het Trimbos-instituut blijkt dat de positieve houding tegenover
homoseksualiteit tussen 2021 en 2025 sterk is afgenomen onder
jongeren;
constaterende dat het HBSC-onderzoek niet kijkt naar de rol van religie
bij deze ontwikkeling;
constaterende dat een ander recent onderzoek van de UvA naar
lhbti-opvattingen onder jongeren wel verschillen naar godsdienst vindt,
maar dat dit is onderzocht in een beperkte, niet volledig
representatieve dataset;
constaterende dat het CBS uitgebreide statistieken bijhoudt over de
religieuze betrokkenheid van de Nederlandse bevolking;
overwegende dat de grotere UvA-dataset van ruim 30.000 jongeren geen
gegevens over godsdienst bevat en daardoor niet naar religie kan worden
uitgesplitst;
overwegende dat inzicht in de oorzaken van de afnemende homoacceptatie
noodzakelijk is voor gericht beleid;
verzoekt de regering landelijk representatief vervolgonderzoek te laten
uitvoeren naar de samenhang tussen religieuze achtergrond en
lhbti-opvattingen onder jongeren, en de Kamer hierover te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 458 (30420) (#4).
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw
Podt, die spreekt namens D66.
Mevrouw Podt (D66):
Voorzitter. Twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de acceptatie van lhbtiq+-personen onder Nederlandse
jongeren de afgelopen jaren sterk is afgenomen;
overwegende dat jongeren op sociale media dagelijks worden
geconfronteerd met haat en discriminatie tegen lhbtiq+-personen, en dat
onlinecontent zich niets aantrekt van landsgrenzen;
overwegende dat de bescherming tegen onlinehaat in Europa nu sterk
verschilt per lidstaat, terwijl Nederlandse jongeren ook massaal
berichten en video's uit andere Europese landen te zien krijgen;
overwegende dat het weinig zin heeft onlinehaat in Nederland stevig aan
te pakken als diezelfde schadelijke content vanuit andere Europese
landen vrijwel ongehinderd onze jongeren kan bereiken;
verzoekt de regering zich in Europees verband actief in te zetten voor
de totstandkoming van Europese wetgeving die minimumvoorschriften
vaststelt voor de definitie van online gepleegde haatdelicten en de
daarop gestelde sancties, waaronder waar het gaat om haat vanwege
seksuele oriëntatie of genderidentiteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Podt.
Zij krijgt nr. 459 (30420) (#5).
Mevrouw Podt (D66):
Als voormalig TU Delftstudent vind ik het altijd leuk om te promoten dat
zoveel mogelijk vrouwen in de technieksector terechtkomen, dus vandaar
deze motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat vrouwen nog altijd sterk ondervertegenwoordigd zijn in
sectoren als techniek, bouw en andere STEM-beroepen;
constaterende dat juist in veel van deze sectoren grote
personeelstekorten bestaan en werkgevers staan te springen om
vakmensen;
overwegende dat Nederland het zich niet kan veroorloven om talent
onbenut te laten in sectoren die hard nodig zijn voor onder meer de
woningbouw, energietransitie en economie;
overwegende dat het daarbij niet alleen gaat om meer vrouwen aantrekken,
maar ook om ervoor te zorgen dat zij in deze sectoren willen en kunnen
blijven werken;
verzoekt de regering om met werkgevers, werknemersorganisaties en
onderwijsinstellingen een plan te maken om meer vrouwen aan te trekken
en te behouden in door mannen gedomineerde tekortsectoren, waaronder
techniek en bouw,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Podt.
Zij krijgt nr. 460 (30420) (#6).
Mevrouw Podt (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer
Hamstra. Hij spreekt namens het CDA.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Tijdens het vragenuur vorige week hebben we al met de
staatssecretaris gesproken over het onderzoek — meerdere partijen hebben
het al aangehaald — waaruit een sterke daling van homoacceptatie onder
jongeren blijkt. Dat is zorgelijk en vraagt om een stevige aanpak. Het
eerlijke verhaal is dat we beter zicht moeten krijgen op oorzaken en
verklaringen van die dalende acceptatie en de vraag waar de mate van
lhbti-acceptatie mee samenhangt. Het onderzoek dat er nu ligt, geeft
vooral droge cijfers. Wij zouden graag een slag dieper willen gaan, om
op zoek te gaan naar de achtergrond van die cijfers. Wat speelt er onder
jongeren? Welke factoren spelen er nu precies een rol en welke niet, en
in welke mate? Welke rol speelt migratieachtergrond? Welke rol speelt
religie? Hoe verklaren we de verschillen tussen opleidingsniveaus en de
verschillen tussen jongens en meisjes? Om echt een goed debat over te
voeren, moeten we hier beter zicht op krijgen. Voor het CDA zijn hierbij
geen taboes. De staatssecretaris heeft al aangegeven te komen met een
verdiepende analyse van de onderzoeken die er nu liggen. Wil de
staatssecretaris toezeggen dat deze analyse echt ingaat op verklaringen,
oorzaken en achtergronden van de dalende acceptatie en zouden we deze
misschien al voor het WGO Emancipatie, later dit jaar, kunnen
ontvangen?
Tot slot, voorzitter. De staatssecretaris gaat de komende tijd onderzoek
doen naar de negatieve invloed van de manosfeer. Wil de staatssecretaris
toezeggen om bij dat onderzoek ook te kijken naar effectieve
interventies, bijvoorbeeld gericht op de rol van schadelijke algoritmes,
sociale media, online radicalisering, opvoeding, onderwijs en
mediawijsheid, positieve rolmodellen en succesvolle maatschappelijke
initiatieven? Wil zij dat ook samen met andere betrokken departementen
concreet oppakken? We hebben dan namelijk niet alleen een onderzoek,
maar weten ook wat wel werkt en wat niet werkt, zodat we het snel kunnen
omzetten in een effectieve aanpak.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw
Müller, die spreekt namens de VVD.
Mevrouw Müller (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Gisteren kregen we nog het bericht dat het
aantal Nederlanders dat het oké vindt dat een man zijn vrouw slaat,
licht is gestegen. Vorige week stond ik hier in het vragenuurtje nadat
aan het licht kwam dat de homoacceptatie onder jongeren schrikbarend is
gedaald. De staatssecretaris heeft veel werk te verzetten. Ik ben blij
met de toezegging dat zij een nadere analyse gaat maken van de
onderzoeken naar de dalende acceptatiegraad.
Wat de VVD betreft, is het echter ook tijd voor actie. Daarom heb ik de
volgende twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de acceptatie van homoseksualiteit onder jongeren tot
een dieptepunt is gedaald en dat dat onaanvaardbaar is;
constaterende dat op sommige scholen leermiddelen worden gebruikt met
passages die haat en discriminatie tegen de gemeenschap aanjagen;
overwegende dat iedere leerling zichzelf moet kunnen zijn en zich veilig
moet kunnen voelen op school;
verzoekt het kabinet beter te borgen dat leermiddelen niet worden
gebruikt als die kunnen leiden tot het verspreiden van haat of tot het
aanzetten tot discriminatie, en de Kamer voor het einde van het jaar
hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Müller en Podt.
Zij krijgt nr. 461 (30420) (#7).
Mevrouw Müller (VVD):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat buitenlandse regimes via de financiering van
weekendscholen invloed kunnen uitoefenen op wat kinderen daar leren en
dat daarmee het risico bestaat dat denkbeelden worden overgedragen die
op gespannen voet staan met onze vrije waarden;
overwegende dat in het regeerakkoord is afgesproken wetgeving te
ontwikkelen waarmee onder voorwaarden toezicht kan worden gehouden op
weekend- en avondscholen die door buitenlandse regimes worden
gefinancierd;
verzoekt het kabinet de Kamer in het eerste kwartaal van 2027 te
informeren over hoe toezicht op informeel onderwijs dat wordt
gefinancierd door buitenlandse regimes zal worden georganiseerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Müller en Podt.
Zij krijgt nr. 462 (30420) (#8).
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Dobbe. Zij staat er eigenlijk al het hele debat klaar voor. Zij is de laatste spreker. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een aantal moties naar aanleiding van het
debat.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat sleutelpersonen een belangrijke rol spelen bij de
preventie van en nazorg bij vrouwelijke genitale verminking;
overwegende dat deze sleutelpersonen nu al langdurig tijdelijk
gefinancierd worden, terwijl het probleem structureel is;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de onzekerheid rondom de
financiering van sleutelpersonen vrouwelijke genitale verminking wordt
weggenomen, door de bestaande financiering structureel te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Mutluer.
Zij krijgt nr. 463 (30420) (#9).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat vrouwenrechten in Nederland in toenemende mate onder
druk staan;
verzoekt het kabinet om in gesprek te gaan met organisaties die zich
inzetten voor vrouwenrechten over de vraag of en op welke manier extra
steun nodig is om hun werk te kunnen doen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Moorman.
Zij krijgt nr. 464 (30420) (#10).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
tijdens het debat over de loonkloof van 23 april 2026 heeft gezegd te
willen kijken naar het uitbreiden van het ouderschapsverlof;
constaterende dat dit een belangrijk onderdeel kan zijn voor het dichten
van de loonkloof;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe het ouderschapsverlof kan worden
uitgebreid, welk effect dit heeft op de loonkloof en daarbij voorbeelden
uit landen met een uitgebreider ouderschapsverlof dan Nederland mee te
nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 465 (30420) (#11).
Mevrouw Dobbe (SP):
Voorzitter. Er is hier eerder al gerefereerd aan het feit dat Nederland
eerder dit jaar op de vingers werd getikt omdat we in Nederland
tekortschieten in het beschermen van de mensenrechten van vrouwen. De
homoacceptatie daalt. Vorige week bleek ook dat het in Nederland steeds
slechter gaat met vrouwengelijkheid. Deze week was er nieuw onderzoek:
vrouwen voelen zich onveiliger en maken zich grotere zorgen over
seksueel geweld, en meer mannen vinden het een probleem als vrouwen meer
verdienen dan een man. Die vinden het dus een probleem als een vrouw
meer verdient dan een man. Hoe conservatief wil je het hebben? En steeds
meer mensen in Nederland vinden het oké als een man zijn vrouw slaat;
het gaat om een op de zes! Ik vind dat enorm problematisch, dus er staat
ons ook een enorme taak te wachten. De tijd van verontwaardiging
uitspreken is dus wel voorbij. We moeten echt actie gaan ondernemen. Ik
hoor dat deze staatssecretaris ook onderzoek gaat doen naar de
manosfeer. Als we dan toch gaan vragen wat ze allemaal kan meenemen, zou
ze dan ook de financiering van die manosfeer vanuit de
antirechtenbeweging kunnen meenemen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de
zijde van de Kamer. De staatssecretaris heeft aangegeven dat ze slechts
twee minuten nodig heeft voor de appreciatie, dus ik schors de
vergadering voor een ogenblik. Dan gaan we verder met de appreciatie. Ik
schors de vergadering.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de appreciatie van de zijde
van het kabinet. Daarvoor geef ik heel graag het woord aan de
staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Tielen:
Ik onderschrijf mijn brieven altijd met "staatssecretaris van Onderwijs
en Emancipatie". Zeker in dit debat benadruk ik dat nog maar een
keertje, voorzitter.
Er waren een hele hoop moties. Sommige zijn tegenstrijdig aan elkaar. Ik
vind het altijd het leukste om iedereen oordeel Kamer te geven, want het
leuke van een debat is dat je met elkaar zoekt hoe je verder komt, maar
dat gaat helaas niet lukken.
Laten we gewoon beginnen bij het begin. Dat is de motie op stuk nr. 455
van mevrouw Moorman en de leden Dobbe, Kostić en Podt, over het inzicht
geven in wat we nou eigenlijk met die gendertoets doen. Dat lijkt me
heel goed om te doen. We doen die toets niet voor niks en we doen die
niet altijd, maar het lijkt me goed om met elkaar in gesprek te zijn
over hoe dat goed werkt. Die motie geef ik dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 455 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Dan twee moties van meneer Ergin. Bij de motie op stuk nr. 456 snap ik
heel goed wat de overwegingen en constateringen van meneer Ergin zijn.
Tegelijkertijd moet ik die motie ontraden, want die vraagt eigenlijk om
buiten beschouwing te houden wat sommige oorzaken van discriminatie
kunnen zijn. Religie kan een oorzaak zijn. Sterker nog, we zien in
sommige onderzoeken aanwijzingen dat dat een invloed heeft. Die motie
moet ik dus ontraden, maar als meneer Ergin mij vraagt om alles te doen
om discriminatie, zeker van groepen, te voorkomen, dan ben ik dat
natuurlijk helemaal met hem eens, en dat is volgens mij ook precies
waarom we hier meer actie achter de emancipatie zetten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 456 wordt ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
In de motie op stuk nr. 457 van de heer Ergin staat eigenlijk: laten we
nou zorgen dat mensen zelf die keuzes kunnen maken, ook als het gaat
over religie en levensbeschouwing. Dat lijkt mij ook. Die motie geef ik
dus oordeel Kamer.
De vragen doe ik aan het einde.
De motie op stuk nr. 458 van meneer Clemminck vraagt juist eigenlijk om
wat dieper in te zoomen op hoe het nou komt dat jongeren niet
toleranter, verdraagzamer, respectvoller, of welke woorden je er ook aan
wil geven, zijn ten opzichte van lhbtiq+-personen. Ik wil dat ook graag
beter begrijpen, om met elkaar een gerichtere aanpak neer te kunnen
zetten. Die motie geef ik dus oordeel Kamer. Ik moet daarbij wel
aangeven dat, zoals meneer Clemminck volgens mij zelf ook al in zijn
motie zegt, we niet alle data zomaar op kunnen halen; dat is logisch.
Het gaat over gegevens die ook sterk persoonsgebonden zijn, dus we
moeten even kijken hoe we dat in de praktijk goed kunnen doen. Met die —
hoe noem je dat? — voetnoot, of disclaimer, vind ik dat we dat op een
zuivere manier moeten doen.
De voorzitter:
Zullen we één vraag doen? Oké, één vraag van mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Dat snap ik, hoor, maar ik merk ook dat hier soms beweringen over
onderzoek worden gedaan die gewoon onjuist zijn. Dan hebben we contact
met de onderzoekers, die zeggen: we hebben dat wel degelijk onderzocht.
Maar dat wordt dan … Is het niet verstandig om voordat we meteen
doorgaan naar allemaal nieuw onderzoek gewoon eerst het gesprek met de
onderzoekers te voeren over de vraag wat er allemaal in de data zit, en
daarin feit van fictie te onderscheiden? Ik denk namelijk dat het echt
verstandig is om hier niet de hele tijd dingen te herhalen. Ik merk het
soms bij collega's. Die noemen hier dingen die gewoon feitelijk niet uit
dat onderzoek blijken. Mijn verzoek aan de staatssecretaris zou dus zijn
om eerst te kijken naar wat er allemaal al ligt.
De voorzitter:
Ja, dat is een verzoek aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Moorman heeft daar helemaal gelijk in. Dat is ook waar we het
vorige week in het vragenuur over hebben gehad. Er ligt al heel veel.
Laten we daar goed naar kijken en laten we inderdaad met onderzoekers
kijken wat we daar wel en niet uit kunnen halen. Ik moet echter
constateren dat een deel van de dataset nog niet volledig genoeg is. Ik
heb de motie van meneer Clemminck zo begrepen dat als dat niet genoeg
is, we daar aanvullend onderzoek op moeten doen. Ik sluit me helemaal
aan bij wat mevrouw Moorman zegt over feiten en fictie van elkaar
scheiden. Ook herken ik dat mensen vervolgens naar aanleiding van
onderzoeken en conclusies soms dingen zeggen in de trant van "grote
stappen, snel thuis".
Dan de motie van mevrouw Podt op stuk nr. 459 over zich in Europees
verband inzetten om te komen tot wetgeving met betrekking tot
onlinehaat. Dat is uiteraard iets wat ik ook samen met de
staatssecretaris Digitale Zaken oppak. Daar heb ik vorige week ook aan
gerefereerd. Wij kunnen zelf als Nederland geen wetgeving indienen, maar
wij kunnen natuurlijk wel dingen op de agenda zetten en aandragen. Op
dit moment loopt er een uitbreidingsprocedure voor — sorry, maar dit is
even technisch — artikel 83, lid 1, waarbij een lijst van erkende
EU-misdrijven uitgebreid kan worden met haatzaaiende uitlatingen en
haatdelicten, zowel on- als offline. Wij staan als lidstaat heel
welwillend tegenover die uitbreiding. Volgens mij hebben we nu een
aantal debatten in deze Kamer gehad die mij ook sterken in die
welwillendheid. We gaan daar dus ook op die manier mee aan de slag. Dat
betekent dat ik deze motie met die toelichting ook oordeel Kamer kan
geven.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar mevrouw Podt. Met die toelichting? Ja, er wordt
geknikt. De motie op stuk nr. 459 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 460 is ook van mevrouw Podt. Mevrouw Podt zei het
al mooi: we hebben iedereen gewoon nodig; we hebben alle talenten in
Nederland nodig om op de toekomst voorbereid te zijn. Ik geloof dat ze
dat ook opgeschreven heeft in de motie. Ik zie hier ook graag meer
vrouwen en meisjes die meer in contact komen met techniek. We zijn er al
best wel mee bezig. Er lopen dus al een aantal zaken, bijvoorbeeld het
Actieplan Groene en Digitale Banen. Techkwadraat is druk bezig. We zijn
bezig om te kijken hoe het vmbo weer wat minder verschraalt. Zo noem ik
het nu eventjes; daar heb ik meer woorden voor nodig, maar daar hebben
we vast nog wel een debat over. Denk aan Sterk Techniekonderwijs. We
moeten er dus ook voor zorgen dat er niet te veel versnippering is, maar
het doel ben ik heel erg met mevrouw Podt eens. Als de rest van de Kamer
dat ook is, ga ik die motie graag uitvoeren door daar ook met alle
betrokken organisaties en partijen in dit land mee aan de slag te gaan.
Oordeel Kamer.
De voorzitter:
De moties op de stukken nrs. 459 en 460: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Ik zei het al, voorzitter: ik vind het eigenlijk fijn om zo veel
mogelijk moties oordeel Kamer te geven.
De motie op stuk nr. 461 van mevrouw Müller en mevrouw Podt. Mevrouw
Müller zegt dat de acceptatie van homoseksualiteit onder jongeren tot
een dieptepunt is gedaald. Ja, het is heel diep. Ik hoop ook dat het een
dieptepunt is en dat we echt alles op alles zetten om het gewoon weer
normaler en vanzelfsprekender te maken, en dat we meer verdraagzaamheid,
gelijkwaardigheid en vrijheid met name in ons land krijgen. De motie
gaat vooral over leermiddelen. Daarbij zoeken we altijd wel een beetje
hoe we dat goed doen. Maar ja, tegen het aanzetten tot haat of het
aanzetten tot discriminatie moeten we echt pal staan, op welke manier
dan ook. Ook deze motie geef ik dus graag oordeel Kamer, om ervoor te
zorgen dat we inderdaad geen lessen vullen met dingen waar we eigenlijk
van zeggen: dat kan gewoon niet.
De voorzitter:
Eén vraag van mevrouw Moorman en één vraag van de heer Ergin.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik ben het hier echt volstrekt mee eens, want we mogelijk natuurlijk
geen leermiddelen hebben die tot haat of discriminatie zouden aanzetten,
maar dat zit al gewoon in onze wet. De onderwijsinspectie moet hier dus
op letten. Ik heb het gevoel dat we de hele tijd in hetzelfde gesprek
zitten. Dan zou ik ook willen weten welke leermiddelen dat zijn en
waarom die dan niet allang aangepakt zijn. Ik vind dat de moties die we
hier indienen en die we hier aannemen scherpe instrumenten moeten zijn.
Ik vraag me echt af: wat voegt deze motie nou toe aan het
instrumentarium dat we allang hebben? Er mogen namelijk helemaal geen
leermiddelen zijn die tot haat of tot discriminatie aanzetten.
De voorzitter:
Even kijken. Normaal zou ik zeggen: we doen één vraag per indiener. Nu
doen we even één vraag per Kamerlid. Dan gaan we het rijtje straks wel
even af en dan eindigen we met mevrouw Müller. Eerst de
staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Moorman heeft er gelijk in dat we een aantal heel duidelijke
dingen in de wet- en regelgeving hebben opgenomen en dat we een
inspectie hebben die daarop toeziet. Tegelijkertijd moeten we ook
constateren dat het voor de inspectie soms lastig is om daarop te kunnen
handhaven. Wat deze motie, hoe ik 'm lees, meegeeft, is om ook met de
inspectie te kijken hoe je daar weer steviger op toeziet en op
handhaaft. Dat doe ik graag, omdat we gewoon toch echt … Ik kan gewoon
niet garanderen dat er op geen enkele school in Nederland leermiddelen
zijn waar hele rare dingen in zitten.
De heer Ergin (DENK):
In haar appreciatie gaf de staatssecretaris aan dat het haar gaat om het
aanzetten tot haat, geweld en discriminatie.
Staatssecretaris Tielen:
Ja.
De heer Ergin (DENK):
Maar daar hebben we deze staatssecretaris niet voor nodig. We hebben een
rechter die daarover kan oordelen. Dan is deze motie puur als het gaat
om het aanzetten tot haat, geweld en discriminatie dus overbodig. Is de
staatssecretaris hier niet een motie aan het appreciëren die door de VVD
wordt ingediend en waarvan de staatssecretaris eigenlijk zou moeten
zeggen: ik vind het vreselijk, maar het is niet mijn rol als
staatssecretaris om daarop in te grijpen? Ik ben het overigens eens met
deze staatssecretaris over als er haat en geweld in boeken voorkomt.
Staatssecretaris Tielen:
Het is wel mijn rol om te zorgen voor wat we in wetgeving hebben
vastgelegd over wat voor schoolklimaat er is en wat er aan veiligheid op
school is. Daar hebben we voor het zomerreces nog uitgebreid over
gedebatteerd. Er zijn een heleboel dingen waar ik wel verantwoordelijk
voor ben en waar de rechter, zeg maar, in de hele escalatieladder op het
eind wellicht een oordeel over moet vellen. Zeker over de veiligheid op
school — leermiddelen spelen daar een rol bij — voor zowel leerlingen
als leraren moeten we constateren dat we, met het handhavingsinstrument
dat de inspectie heeft, misschien nog niet helemaal zijn waar we moeten
zijn. Dat zie ik wel als mijn verantwoordelijkheid.
De voorzitter:
Meneer Clemminck, één vraag.
De heer Clemminck (JA21):
Ik ben een beetje in verwarring door de appreciatie "oordeel Kamer" van
de staatssecretaris, omdat op eerdere schriftelijke vragen van JA21 over
islamitische lesmethodes waarin duidelijk haatdragende dingen richting
de lhbti-gemeenschap stonden het antwoord van de minister was: de
lesmethode mag wel, maar het gaat dan over de manier waarop een docent
en een school zo'n lesmethode gebruiken. Daarom kan ik het dictum van
deze motie niet helemaal rijmen met het "oordeel Kamer" van de
staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Ik kan me een set vragen herinneren, maar heel eerlijk gezegd weet ik
die ook niet precies. Ik ben daar niet in veranderd. Uiteindelijk moeten
we gewoon stevig kijken naar wat er aan leermiddelen is. Ik moet u het
antwoord hier even enigszins schuldig blijven. Ik heb een recente set
vragen langs zien komen die echt wel in deze lijn liggen.
Mevrouw Müller (VVD):
Ik voel me toch geroepen om nog wat over mijn motie te zeggen.
De voorzitter:
Misschien kan dat in een vragende vorm.
Mevrouw Müller (VVD):
Deze motie komt voort uit een onderzoek dat door Nieuwsuur gedaan is.
Dat onderzoek heeft ons eigenlijk het inzicht gegeven dat er op scholen
lesmateriaal is dat gewoon niet oké is en tegen onze waarden ingaat. Ik
vind het heel goed om te horen dat de staatssecretaris daar ook echt
iets aan wil gaan doen. Wat mij betreft is de motie dus wel degelijk
belangrijk. Hopelijk is er steun van de Kamer zodat de staatssecretaris
hiermee aan de slag kan.
Staatssecretaris Tielen:
Dank voor deze toelichting van mevrouw Müller. Die toelichting sluit aan
bij het feit dat we nu nog niet kunnen uitsluiten dat er scholen zijn
waarop lesmethoden worden gebruikt die indruisen tegen onze waarden.
De voorzitter:
Mevrouw Podt, ik wil graag door.
Mevrouw Podt (D66):
Ik ben heel braaf op mijn stoeltje blijven zitten, voorzitter. Daar wil
ik graag een compliment voor. Ik heb begrepen dat er ook een
kwaliteitskader voor leermiddelen aankomt. Ik vraag de staatssecretaris
of het nou wat zou zijn om in de ontwikkeling daarvan ook de strekking
van deze motie mee te nemen.
Staatssecretaris Tielen:
Het mooie van de debatten van deze avond is dat ze allemaal een beetje
met elkaar te maken hebben. Ik hou het graag overzichtelijk, maar
volgens mij hebben we heel veel synergie tussen de verschillende
onderwerpen. Ik kan mevrouw Podt dus toezeggen dat we die ontwikkeling
zeker meenemen. Maar daar gaan we niet op wachten; tenminste, als uw
Kamer deze motie aanneemt. Ik voel daar wel voor.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we doorgaan. De motie op stuk nr. 461 — daar hadden we
het over — heeft oordeel Kamer gekregen.
Staatssecretaris Tielen:
Ja. We gaan nu naar de motie op stuk nr. 462 over informeel onderwijs.
Die is deels lastig omdat informeel onderwijs natuurlijk geen officieel
onderwijs is; daarom heet het ook "informeel onderwijs". Tegelijkertijd
zien we, als we kijken naar een aantal voorbeelden, dat het soms echt
wel in kan druisen tegen de waarden van onze democratische rechtsstaat.
Eigenlijk zou ik willen zeggen dat de motie ontijdig is, maar de motie
kan ook een aanmoediging van beleid zijn. Ik moet dus even kijken. Ik
zal het zo meteen zeggen, maar ik geef voor de Kamer even mijn dilemma
weer. We zijn met Justitie en Veiligheid aan het kijken wat we kunnen
leren van het traject van de Wet transparantie en tegengaan
ondermijning, omdat we denken dat daar een aantal aangrijpingspunten in
zitten die passen bij het uiteindelijke doel zoals het in de
overwegingen van de motie is verwoord. Het makkelijkste zou dus zijn om
'm gewoon oordeel Kamer te geven, maar wel met deze voetnoten erbij.
De voorzitter:
Oké. Dan kijk ik even naar de indiener. Die knikt. Dat snap ik ook wel
weer, ja. De heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Dit is raar. Het kabinet is bezig met een wetsvoorstel. Gedurende de
voorbereiding van dat wetsvoorstel wordt er een motie ingediend om het
op een bepaald moment in te dienen. Ik heb destijds ook een motie
ingediend om dat wetsvoorstel níét in te dienen. Toen was de appreciatie
"ontijdig". Nu krijgt deze motie oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
In deze motie lees ik niet wanneer er een wetsvoorstel moet worden
ingediend. Dat zie ik daar niet. Ik zie in de motie de vraag aan mij om
de Kamer te informeren over hoe we daarmee omgaan. Dat staat er. Dat
hoor ik wel vaker; dat staat in heel veel moties. Nogmaals, ik informeer
uw Kamer graag. Ik kan dat ook wel in het eerste kwartaal van 2027
doen.
De voorzitter:
Dat was de vraag. Goed.
Staatssecretaris Tielen:
Oordeel Kamer dus.
De voorzitter:
Oordeel Kamer. We hebben er nog een.
Staatssecretaris Tielen:
We hebben er zelfs nog drie.
De voorzitter:
Mevrouw Moorman heeft ook nog een vraag.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik vind het ook vervelend, maar ik moet toch zeggen dat ik dit een rare
gang van zaken vind. Er staat iets in het coalitieakkoord. Ik neem aan
dat de staatsecretaris daarmee bezig is. Waarom vindt de
staatssecretaris het dan nodig dat zij een motie krijgt om te doen
waarvan al is afgesproken dat ze dat zou gaan doen? Ik begrijp het
gewoon werkelijk niet.
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind het niet nodig. Uw Kamer heeft het recht om mij opdrachten te
geven. Dat wordt verwoord in moties. Dat is helemaal prima. Ik geef daar
een oordeel over. Het zou heel raar zijn als ik zeg: dat ga ik niet
doen.
De voorzitter:
De staatssecretaris gaat door met de motie op stuk nr. 463.
Staatssecretaris Tielen:
Zoals ik al zei: het liefst volg ik de opdrachten van uw Kamer op, maar
sommige vind ik gewoon niet verstandig en die ontraad ik dan. Zo ga ik
daarmee om.
Mevrouw Dobbe heeft een motie ingediend over genitale verminking. Het
ingewikkelde daarbij is dat ik daar niet alleen over ga. In de
Emancipatienota heeft u ook gelezen dat ik me overal verantwoordelijk
voor voel, maar niet alles zelf kan doen. Dat moet dus echt met anderen.
Dit moet onder andere met VWS en misschien ook nog wel met Justitie en
Veiligheid. Ik zou het dus heel fijn vinden als mevrouw Dobbe deze motie
kan aanhouden, zodat ik kan kijken hoe we daar een goede respons op
kunnen geven.
De voorzitter:
Een verzoek aan mevrouw Dobbe om de motie aan te houden.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik zou graag een tegenverzoek willen doen, namelijk dat deze
staatssecretaris met haar collega's even over deze motie overlegt en
hopelijk, als dat lukt, voor de stemming van volgende week met een
oordeel komt. Maar ik ga de motie niet aanhouden, want dit is te
belangrijk.
De voorzitter:
Dan hebben we wel een appreciatie nodig.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Dobbe vraagt om die appreciatie op schrift te krijgen. Dat kan
natuurlijk. Ik durf alleen niet te zeggen … Ik vind het altijd lastig om
voor anderen te spreken en te zeggen hoe snel dat kan. Daarom vraag ik
om de motie aan te houden, omdat dat me ook tijd geeft om dat goed af te
hechten.
De voorzitter:
Ja, maar de indiener heeft gezegd dat niet te willen doen. Dat kan
natuurlijk altijd nog tot de stemmingen. Daarmee heeft de motie de
appreciatie "ontijdig".
Staatssecretaris Tielen:
Ja, ja.
De voorzitter:
Dan gaan we door.
Staatssecretaris Tielen:
Dan kan ik mijn best doen. Als het dan niet lukt, hoop ik dat mevrouw
Dobbe de motie toch aan wil houden, zodat we iets meer tijd hebben en
bij wijze van spreken een week later alsnog daarmee komen. Maar dit is
niet echt een veemarkt.
De voorzitter:
Ja, vervolgt u.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, laten we doorgaan.
De motie op stuk nr. 464 van mevrouw Dobbe roept op om in gesprek te
gaan. Uiteraard ben ik al in gesprek, maar ik vind het prima om dat te
blijven doen, ook met wat mevrouw Dobbe en mevrouw Moorman in het dictum
vragen. Dat ga ik dus doen. Oordeel Kamer is het dan.
De voorzitter:
Oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Voor de motie op stuk nr. 465 geldt eigenlijk hetzelfde als voor de
motie op stuk nr. 463: ik ga er ook niet helemaal zelf over. Het kabinet
is, met name via de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de
minister van Werk en Participatie, bezig met een vereenvoudiging van de
verlofregelingen. Ik moet dus ook echt met hen bekijken wat dat betekent
voor deze motie van mevrouw Dobbe. Dus ook voor die motie geldt:
ontijdig, en liefst aanhouden.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, bent u bereid de motie aan te houden?
Mevrouw Dobbe (SP):
Daarbij zou ik eigenlijk hetzelfde willen voorstellen als bij die andere
motie. Kijk, dit is gewoon een beetje het manco van dit onderwerp: het
valt onder een heleboel ministeries. Ik zou het toch heel erg op prijs
stellen als deze staatssecretaris zou willen proberen om met haar
collega's te bekijken of er voor de stemming een appreciatie kan
komen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat probeer ik uiteraard. Het is een manco, maar het is ook iets moois,
want het is echt wel iets wat dwars door al onze beleidsportefeuilles en
departementen heen gaat. Dat maakt het ook heel krachtig. Die positieve
noot wil ik daar dus nog bij geven. We gaan ons best doen en ik kom erop
terug, maar ik kan dus nog niet zeggen dat dit voor dinsdag lukt.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 465: ontijdig. En dan waren er nog wat vragen.
Staatssecretaris Tielen:
Dan zijn er nog een paar vragen, ja. Ik moet het dan wel even goed op
orde hebben ...
Meneer Hamstra vroeg naar onderzoek rondom de manosfeer en of ik daar
geen taboes in wil houden. Volgens mij heb ik bij de appreciatie van een
aantal moties ook al aangegeven dat ik dat doe. Meneer Hamstra vroeg ook
om dat voor het wetgevingsoverleg te doen. Ik durf heel eerlijk gezegd
niet te zeggen of dat me lukt. We zijn bezig met een wat breder
onderzoek naar de manosfeer. Daar een antwoord op formuleren, hebben we
staan voor het eerste kwartaal van 2027. Ik weet dat we het
wetgevingsoverleg Emancipatie dan al hebben gehad.
De heer Hamstra (CDA):
Ik had om twee toezeggingen gevraagd. De eerste ging om verdiepend
onderzoek. Dat ligt een klein beetje in het verlengde van wat meneer
Clemminck ook aangaf. De tweede ging over de rijksbrede aanpak
manosfeer. Dat is dus een andere. Dat ging erover om bij het onderzoek
ook te kijken naar effectieve interventies gericht op de rol van
schadelijke algoritmes, sociale media, radicalisering, opvoeding,
onderwijs, mediawijsheid, positieve rolmodellen en succesvolle
maatschappelijke initiatieven.
Staatssecretaris Tielen:
Met beide gaan we aan de slag, dus beide zou ik kunnen toezeggen.
Alleen, meneer Hamstra vroeg om dat verdiepende onderzoek voor het WGO
Emancipatie. Dat gaat me niet lukken, omdat we inderdaad gaan bekijken
welke datasets er zijn, en omdat we met onderzoekers in gesprek gaan
over wat we wel en niet hebben en of we analyses kunnen maken van wat
dat betekent. Vervolgens bekijken we wat we eventueel nog extra nodig
hebben. Dat kost gewoon meer tijd dan de acht weken die er zijn tot het
wetgevingsoverleg Emancipatie. Maar we gaan het zeker wel doen.
Mevrouw Van der Plas vroeg nog een aantal dingen rondom emancipatie. Ze
zegt — dat spreekt mij ontzettend aan — dat het uiteindelijk niet gaat
over programma's, campagnes of verhalen, maar over wat eigenlijk
iedereen in Nederland ervaart als het gaat over veiligheid, vrijheid en
gelijkwaardigheid. Mevrouw Van der Plas vroeg: wat heeft het nou
daadwerkelijk opgeleverd? Dat heb ik voor een heel groot deel proberen
te vatten in een Emancipatienota. Dat vatten we in de
Emancipatiemonitor, en ook in de specifieke Lhbtiqa+-monitor en de
periodieke rapportages. We zien dat met een heleboel programmaonderdelen
die de afgelopen zeven jaar zijn geëvalueerd het emancipatiebeleid — het
is geen gerandomiseerd dubbelblind onderzoek, dus daar moet je altijd
een aannemelijkheid in zien — echt wel aannemelijk effectief is als je
kijkt naar de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw en de
gelijkwaardigheid van lhbtqi+-personen. Ik kan me voorstellen dat
mevrouw Van der Plas zegt: als je kijkt naar de cijfers, hoe kan dat
dan? Zeker in de afgelopen twee weken hebben we een aantal toch best wel
schrikbarende en heftige uitkomsten gezien. Dat is natuurlijk omdat we
niet in dezelfde situatie zitten als een paar jaar geleden. Maar we zijn
heel kritisch op wat we aan het doen zijn, inderdaad om te zorgen dat de
gelijkwaardigheid en vrijheid in ons land voor iedereen gelden. Ik heb
geprobeerd om de meest gerichte en effectieve aanpakken samen te vatten
in de Emancipatienota, maar we blijven daar constant scherp op, ook via
de monitor. Dat is, denk ik, het beste antwoord dat ik mevrouw Van der
Plas kan geven. Maar ik ben blij met haar hartenkreet. Ik hoop ook dat
we dat met elkaar blijven doen. Het uitdragen daarvan, ook door ons, is
heel belangrijk om te laten zien hoe belangrijk het is om vrij en
gelijkwaardig in ons land te kunnen leven.
Voorzitter. Volgens mij heb ik daarmee alle moties geapprecieerd en alle
vragen beantwoord.
De voorzitter:
Er is nog één vraag van mevrouw Dobbe.
Staatssecretaris Tielen:
O ja! Nu mevrouw Dobbe het zegt, denk ik: o ja.
De voorzitter:
Misschien kan de staatssecretaris eerst kijken of ze het antwoord heeft.
Dat scheelt misschien een vraag.
Staatssecretaris Tielen:
Nee, misschien moet ze die vraag toch maar even stellen. Ik heb één
woordje opgeschreven en ik weet nu even niet of ik dan het goede
antwoord ga geven.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik had gevraagd of als dat onderzoek naar de manosphere opgezet gaat
worden, de staatssecretaris daarin ook de eventuele financiering door de
antirechtenbeweging op wil nemen.
Staatssecretaris Tielen:
Ook dat vind ik ingewikkeld, want ook dat ligt weer ergens — mevrouw
Dobbe weet precies hoe ze mij zo breed mogelijk kan trekken — tussen
alle departementen. Ik moet even kijken hoe diep dat kan gaan, want naar
echt die diepgaande financiering zijn we op het gebied van informeel
onderwijs überhaupt aan het kijken. Als je puur kijkt naar de
manosphere, zie je dat daar wel wat gegevens over beschikbaar zijn, maar
ik weet niet hoeveel waarden en hoeveel tijd ik dan extra nodig heb,
terwijl ik ook niet te lang wil wachten. Volgens mij zei mevrouw Dobbe
met betrekking tot andere onderwerpen ook al dat we wel snelheid nodig
hebben. Ik kijk dus sowieso wat voor informatie we daarover hebben en
hoe we dat daarin in kunnen passen, maar echt een verdiepend onderzoek
naar financieringsstromen is buiten mijn orde, denk ik. Dat zou ik dus
niet kunnen doen. Buiten mijn dictie, bedoel ik. Buiten mijn … Nou ja,
macht.
De voorzitter:
In één zin, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Emancipatie gaat nu natuurlijk niet alleen over onderwijs. Het valt wel
onder OCW, maar het is breder dan dat.
Staatssecretaris Tielen:
Zeker.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik weet dat er al heel veel informatie loopt via collega's van deze
staatssecretaris. Ik weet dat minister Sjoerdsma bijvoorbeeld bezig is
met de antirechtenbeweging. Ik weet dat vanuit de Kamer ook bij JenV is
gevraagd om een onderzoek, volgens mij al een hele tijd geleden. Daar
moet dus al wat liggen. We weten dat er invloed van de
antirechtenbeweging is op de manosphere en het zou gewoon zonde zijn als
die informatie dan niet samenkomt. Dat was nou juist het mooie van dat
overstijgend doen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is precies wat ik tegen mevrouw Dobbe probeerde te zeggen. Wat we al
hebben — met "we" bedoel ik dan inderdaad niet OCW maar het kabinet — en
wat van waarde is voor het onderzoek naar de manosphere en wat we
daartegen moeten doen, kan ik meenemen. Maar extra onderzoek kan ik
eigenlijk niet doen. Dat is ook heel ingewikkeld, want dan moet ik
allerlei dingen optuigen rondom gegevensverwerking, juridische grondslag
enzovoort, enzovoort, enzovoort. We willen hetzelfde.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de zijde van de
het kabinet, de beantwoording van de vragen en de appreciaties. Ook is
daarmee een einde gekomen aan het tweeminutendebat Emancipatie.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors voor een enkel ogenblik. Dan gaan we daarna verder, met het
tweeminutendebat Passend onderwijs.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.