Inbreng verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda informele Onderwijsraad 15-16 oktober 2026, Dublin, Ierland
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D47711, datum: 2026-10-01, bijgewerkt: 2026-10-06 16:44, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S. Hamstra, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (CDA)
- Mede ondertekenaar: C.H. Bosnjakovic, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z19960:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-11-05 10:15 ⇒ (Concept voorstel)
- 2026-10-13 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-10-08 10:15 ⇒ Betrokken bij het schriftelijk overleg over de informele OJCS-raad, onderdeel onderwijs d.d. 15 en 16 oktober 2026 op 1 oktober 2026. (Besluit)
- 2026-10-01 10:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-10-01 10:00: Informele OJCS-Raad, onderdeel onderwijs d.d. 15 en 16 oktober 2026 (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-10-08 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-10-13 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-11-05 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
Inbreng Verslag van een schriftelijk overleg
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brieven van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap:
d.d. 24 september 2026 inzake Geannoteerde agenda informele Onderwijsraad 15-16 oktober 2026, Dublin, Ierland (Kamerstuk 2026Z19960);
d.d. 27 augustus 2026 inzake Verslag van de OJCS-Raad voor de onderdelen onderwijs en cultuur van 11 en 12 mei 2026 (Kamerstuk 21501-34-458).
De voorzitter van de commissie,
Hamstra
Adjunct-griffier van de commissie,
Bosnjakovic
Inhoud
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
Inbreng van de leden van de Groep Markuszower
II Reactie van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie zijn verheugd te lezen dat er een aantal belangrijke agendapunten op de agenda staan waarop Europese samenwerking vereist en wenselijk is. Allereerst willen deze leden benadrukken dat zij het belang zien van Europese samenwerking op het gebied van herkenning van vaardigheden (skills), in het bijzonder voor mensen met een mbo-diploma die in Europa aan de slag willen. Deze leden maken zich verder zorgen over de verdere daling van de onderwijsresultaten.
De leden van de D66-fractie merken op dat in het kader van de Union of Skills de Europese Commissie onlangs het Skills Portability Initiative heeft gepubliceerd, gericht op een betere overdraagbaarheid van vaardigheden en kwalificaties tussen lidstaten. Dit kan van groot belang zijn voor mbo’ers die over de grens willen werken of leren, en in het bijzonder voor inwoners en werkgevers in grensregio’s. Juist aan de grens met Duitsland bestaan nog knelpunten bij de erkenning en overdraagbaarheid van kwalificaties. Kan de minister aangeven welke ambitieuze inzet zij voorstaat ten aanzien van dit nieuwe skills portability-initiatief? Is de minister bereid zich er binnen de Raad actief voor in te zetten om Duitsland en andere lidstaten mee te krijgen in een ambitieuze aanpak, zodat vaardigheden en kwalificaties van mbo’ers daadwerkelijk beter over de grens heen kunnen worden erkend en benut?
De leden van de D66-fractie zijn verheugd te lezen dat de Schuman en Blue Booktraineeships van het Europees Parlement en de Europese Commissie nu ook openstaan voor afgestudeerde mbo-studenten, een belangrijke stap om ook studenten uit het beroepsonderwijs toegang te geven tot internationale werk- en leerervaringen binnen de Europese instellingen. Dit sluit bovendien goed aan bij de Nederlandse ontwikkeling van mbo-traineeships binnen de Rijksoverheid. Kan de minister aangeven of zij voornemens is om zich zowel binnen de Raad als in Nederland actief in te zetten voor het bekendmaken en promoten van deze nieuwe mogelijkheden onder mbo-studenten, zodat deze doelgroep hier daadwerkelijk gebruik van kan maken? Op welke manieren worden organisaties als MBO Raad en het JOBmbo hierbij betrokken?
De leden van de D66-fractie hechten aan de gelijkwaardigheid van mbo-studenten en zien dat dit in Nederland maar ook in Europa nog aandacht vereist. Kan de minister aangeven wat de huidige status van de Herning-verklaring is en op welke wijze Nederland inmiddels uitvoering geeft aan de daarin afgesproken acties voor 2026–2030? Welke concrete maatregelen of beleidsvoornemens van het kabinet vloeien hieruit voort, en op welke punten zet Nederland zich binnen de informele Raad en het Europese VET1-beleid actief in om verdere uitvoering van de verklaring te bevorderen, en daarbij in het bijzonder het voornemen om ervoor te zorgen dat mbo en academisch onderwijs gelijkwaardig worden gewaardeerd in nationaal en Europees beleid en instrumenten?
De leden van de D66-fractie zijn trots te zien dat het kabinet-Jetten weer investeert in onderwijs en wetenschap en in die context positief over de beweging van de EU en Canada als het gaat om samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie. Hoe kijkt de minister aan tegen Canadese deelname aan Erasmus+ en Horizon Europe? En hoe beoordeelt de minister het voorstel van de Europese Commissie om Hongarije weer te laten deelnemen aan Erasmus+ en Horizon Europe? Welke mogelijkheden ziet de minister voor samenwerking op internationaal niveau binnen Europa in de context van Erasmus+ en Horizon? En welke mogelijkheden kan de minister aangrijpen voor samenwerking op de Talentstrategie naar aanleiding van de Canadese associatie?
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de verdere daling van de onderwijsresultaten. Uit PISA2 2025 blijkt dat de leesprestaties zowel in Nederland als gemiddeld binnen de OESO3 verder zijn gedaald. Tegelijkertijd zijn er Europese landen die erin slagen betere resultaten te behalen of een negatieve ontwikkeling te keren. Deze leden vinden dat Nederland deze Raad daarom vooral moet benutten om heel concreet te leren van landen die aantoonbaar betere resultaten boeken. Welke concrete lessen wil de minister tijdens deze Raad ophalen uit landen, zoals Ierland, die relatief goed presteren op leesvaardigheid en andere basisvaardigheden? Welke onderdelen van het Ierse beleid acht zij op voorhand interessant voor Nederland?
De leden van de D66-fractie lezen ook dat de Europese Commissie ondertussen werkt aan een nieuw onderwijspakket, dat naar verwachting voorstellen zal bevatten over basisvaardigheden, leraren en digitale onderwijsinfrastructuur. Welke inzet kiest Nederland bij de totstandkoming van dit pakket? Welke Europese ondersteuning zou volgens de minister daadwerkelijk behulpzaam zijn voor scholen en leraren? En van welke maatregelen vindt zij juist dat deze bij uitstek nationaal moeten worden bepaald?
De leden van de D66 fractie merken op dat goed onderwijs staat of valt met goede leraren. Deze leden zien daarom een duidelijke samenhang tussen de discussie over basisvaardigheden en het Europese lerarentekort. Ook in andere lidstaten blijken tekorten structureel en spelen naast salaris onder meer werkdruk, schoolleiderschap, waardering en mogelijkheden voor professionele ontwikkeling een belangrijke rol. Welke lessen ziet de minister in andere Europese landen als het gaat om het behouden van leraren, professionele ontwikkeling en betere loopbaanmogelijkheden binnen het onderwijs? Is zij bereid specifiek te kijken naar landen waar leraren zich inhoudelijk kunnen specialiseren en doorgroeien, zonder daarvoor de klas te hoeven verlaten?
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de informele OJCS-Raad. Deze leden onderschrijven het belang van goede basisvaardigheden en een goede aansluiting tussen onderwijs en de veranderende arbeidsmarkt. Over de Nederlandse inzet hebben deze leden enkele vragen.
Basisvaardigheden en PISA 2025
De leden van de VVD-fractie constateren dat de PISA 2025 laat zien dat de prestaties op basisvaardigheden in Nederland en andere OESO-landen onder druk staan. Deze leden vragen welke concrete lessen Nederland kan trekken uit landen die hun prestaties op basisvaardigheden weten te verbeteren of landen die consequent hoog scoren op PISA. Welke concrete maatregelen kan Nederland daarvan overnemen of zijn relevant om te onderzoeken?
De minister geeft aan dat Europese samenwerking en kennisuitwisseling de nationale aanpak kunnen versterken, maar dat Europees beleid niet moet leiden tot extra werkdruk of tegenstrijdigheden met het Nederlandse curriculum. Deze leden vragen hoe de minister hier tijdens de informele Onderwijsraad concreet invulling aan wil geven. Hoe wordt voorkomen dat Europese initiatieven leiden tot extra werk voor scholen, terwijl in Nederland al wordt gewerkt aan een aanpak om basisvaardigheden te versterken?
Skills intelligence in een zich ontwikkelend vaardighedenlandschap
De leden van de VVD-fractie zien het belang van goede informatie over de ontwikkeling van vaardigheden en de aansluiting daarvan op de arbeidsmarkt. Nederland beschikt met onder andere het ROA4, CompetentNL en de samenwerking tussen onderwijs en werkgevers al over instrumenten om ontwikkeling op de arbeidsmarkt en benodigde vaardigheden in beeld te brengen.
De leden van de VVD-fractie vragen de minister welke meerwaarde zij verwacht van de Europese ESIO5 ten opzichte van bestaande Nederlandse instrumenten. Hoe wordt voorkomen dat op Europees en nationaal niveau verschillende, naast elkaar bestaande systemen en definities ontstaan? Deze leden zouden het onwenselijk vinden als dit elkaar gaat doorkruisen.
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast hoe de minister ervoor zorgt dat inzichten uit skills intelligence daadwerkelijk worden vertaald naar onderwijsaanbod. Hoe worden mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten hierbij betrokken en welke ruimte houden instellingen om zelf keuzes te maken over hun onderwijsaanbod?
Leven Lang Ontwikkelen
De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat mensen gedurende hun loopbaan hun vaardigheden kunnen blijven ontwikkelen en dat het onderwijs kan inspelen op veranderende behoeften op de arbeidsmarkt. Deze leden vragen daarom hoe de minister de inzichten uit de Europese skills intelligence wil benutten voor het versterken van een Leven Lang Ontwikkelen. Kan betere informatie over toekomstige vaardigheden helpen om gerichter in te zetten op bij-, om- en nascholing en om onderwijsaanbod tijdig aan te passen?
Inbreng van de leden van de PRO-fractieDe leden van de PRO-fractie lezen dat de PISA-scores op de agenda staan van de informele Raad. Welke kansen ziet de minister voor samenwerking tussen lidstaten in het vinden van manieren om basisvaardigheden te versterken? De OESO stelt dat sociale media en AI een rol spelen in het teruglopen van basisvaardigheden. Die fenomenen treden echter op in alle landen terwijl Nederland bijzonder slecht scoort. Is de ministerbereid om in gesprek te gaan over specifieke verschillen tussen Nederland en andere landen?
De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over de ontwikkeling van AI binnen het onderwijs, een uitdaging die in alle lidstaten speelt. Is de minister bereid om bij de informele Raad te verkennen hoe lidstaten kunnen samenwerken om de afhankelijkheid in de klas van (veelal Amerikaanse) big tech af te bouwen? In hoeverre is de minister van mening dat er eigen generatieve AI ontwikkeld moet worden voor zowel het hoger, voortgezet en funderend onderwijs? Klopt het dat de ontwikkelingen in het hoger onderwijs verder zijn dan in het funderend onderwijs, en wat vinden de bewindspersonen daarvan? In hoeverre gaan zij ophalen hoe deze ontwikkelingen er in andere lidstaten voor staan en of er mogelijkheden tot samenwerking bestaan?
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de informele Onderwijsraad van 15 en 16 oktober 2026 in Dublin en hebben op dit moment geen verdere vragen.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Onderwijsraad van 15 en 16 oktober 2026. Deze leden onderschrijven het belang van goede basisvaardigheden en constateren dat uit de PISA 2025-resultaten blijkt dat de prestaties van leerlingen op het gebied van lezen, rekenen en natuurwetenschappen onder druk blijven staan.
De leden van de BBB-fractie vragen de minister welke concrete lessen Nederland wil trekken uit de landen die de neergaande trend in basisvaardigheden wel hebben weten te keren, zoals Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Kan de minister aangeven welke maatregelen in deze landen aantoonbaar succesvol zijn gebleken en welke daarvan mogelijk toepasbaar zijn binnen het Nederlandse onderwijs?
De leden van de BBB-fractie lezen ook dat de Europese Commissie later dit jaar met een onderwijspakket zal komen waarin eveneens maatregelen rond basisvaardigheden worden aangekondigd. Deze leden vinden dat onderwijs primair een nationale bevoegdheid moet blijven. Kan de minister toezeggen zich er tijdens de Raad voor in te zetten dat eventuele Europese initiatieven ondersteunend zijn aan nationaal beleid en niet leiden tot extra administratieve lasten of nieuwe verplichtingen voor scholen?
De leden van de BBB-fractie lezen daarnaast dat tijdens de Raad gesproken zal worden over zogenoemde ‘skills intelligence’ en het beter in kaart brengen van toekomstige vaardigheden op de arbeidsmarkt. Deze leden onderschrijven het belang van een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, maar vragen hoe wordt voorkomen dat er een te eenzijdige focus ontstaat op theoretische of hoogopgeleide beroepen. Op welke wijze brengt Nederland tijdens de Raad het belang van vakmanschap, technische beroepen, agrarische opleidingen en het middelbaar beroepsonderwijs onder de aandacht?
Verder vragen de leden van de BBB-fractie hoe binnen Europese samenwerking rekening wordt gehouden met regionale verschillen op de arbeidsmarkt. Tekorten in krimpregio's en landelijke gebieden verschillen immers vaak sterk van die in stedelijke regio's. Is de minister bereid tijdens de Raad aandacht te vragen voor deze regionale component?
Ten slotte lezen de leden van de BBB-fractie dat Nederland ervaringen wil delen met betrekking tot sociale media en het gebruik van mobiele telefoons op school. Kan de minister aangeven welke eerste resultaten zichtbaar zijn van het aangescherpte beleid op dit terrein en in hoeverre deze ervaringen worden gedeeld met andere lidstaten?
Inbreng van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de brieven van de minister. Deze leden wachten de beantwoording met belangstelling af.
II Reactie van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap