[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag

Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Toeslagenwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Ziektewet in verband met het vereenvoudigen en beter uitvoerbaar maken van de toets op de re-integratie-inspanningen, de kwijtschelding en financiering van voorschotten en enkele andere wijzigingen (Wet wijziging toets op re-integratie-inspanningen en WIA-voorschotregeling)

Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)

Nummer: 2026D47730, datum: 2026-10-01, bijgewerkt: 2026-10-05 14:21, versie: 3 (versie 1, versie 2)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 37002 -5 Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Toeslagenwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Ziektewet in verband met het vereenvoudigen en beter uitvoerbaar maken van de toets op de re-integratie-inspanningen, de kwijtschelding en financiering van voorschotten en enkele andere wijzigingen (Wet wijziging toets op re-integratie-inspanningen en WIA-voorschotregeling).

Onderdeel van zaak 2026Z17478:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


37002 Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Toeslagenwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Ziektewet in verband met het vereenvoudigen en beter uitvoerbaar maken van de toets op de re-integratie-inspanningen, de kwijtschelding en financiering van voorschotten en enkele andere wijzigingen (Wet wijziging toets op re-integratie-inspanningen en WIA-voorschotregeling)

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 1 oktober 2026

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

I. Algemeen

  1. Inleiding en doel

  2. Achtergrond

  3. Knelpunten

  4. Inhoud van het wetsvoorstel

  5. Gevolgen en regeldruk

  6. Financiële effecten

  7. Doeltreffendheid en doelmatigheid

  8. Advies en consultatie

  9. Overgangsrecht en datum van inwerkingtreding

II. Artikelsgewijs

  1. Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. De wet roept een behoorlijk aantal vragen op bij deze leden, onder andere over de noodzaak van dit wetsvoorstel en de gevolgen voor werknemers.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet wijziging toets op re-integratie-inspanningen en WIA-voorschotregeling. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het goed dat met oog op de toekomst van het sociale zekerheidsstelsel dubbelingen uit UWV-processen worden geschrapt, en de onzekerheid voor werkgevers wordt verminderd middels het afschaffen van de toets op de re-integratie-inspanningen (RIV-toets). Deze leden hebben over het wetsvoorstel nog enkele vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Deze leden maken van de gelegenheid gebruik tot het stellen van enkele vragen.

  1. Inleiding en doel

De leden van VVD-fractie onderschrijven het belang van een uitvoerbaar, uitlegbaar en betaalbaar stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Werkgevers moeten weten waar zij aan toe zijn en niet worden geconfronteerd met onnodige bureaucratie of onzekerheid. Tegelijkertijd moet de re-integratie van zieke werknemers centraal blijven staan. Deze leden vinden het ook van groot belang dat mensen die door ziekte tijdelijk niet kunnen werken, zo snel en zoveel mogelijk worden begeleid naar passend werk. Goede en effectieve re-integratie staat daarbij voorop.

Het wetsvoorstel bevat verschillende maatregelen die hieraan raken. De voorgestelde aanpassing van de toets op de re-integratie-inspanningen biedt werkgevers meer zekerheid over hun verplichtingen gedurende de eerste twee ziektejaren en kan tegelijkertijd capaciteit bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) vrijspelen. Daarnaast wordt een wettelijke grondslag gecreëerd om onder voorwaarden WIA- en Toeslagenwetvoorschotten kwijt te schelden. Ook worden de regels rond het beëindigen van het Wajong-recht aangepast. Hierover hebben deze leden nog enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast aandacht voor de financiële dekking van het wetsvoorstel. Deze leden begrijpen dat er dekking voor de maatregelen in dit wetsvoorstel is. Kan de regering de financiële dekking van het wetsvoorstel nogmaals integraal uiteenzetten? Kan de regering daarbij per maatregel aangeven welke bedragen hiermee gemoeid zijn?

De leden van de PVV-fractie lezen dat de regering in de memorie van toelichting schrijft dat het ziekte- en arbeidsongeschiktheidsstelsel uitvoerbaar, uitlegbaar en betaalbaar moet zijn en dat de achterstanden bij de sociaal-medische beoordelingen maatregelen vragen. Deze leden vragen de regering concreet aan te geven welk deel van de achterstanden met dit wetsvoorstel wordt opgelost. Hoeveel extra WIA-claimbeoordelingen kan UWV naar verwachting per jaar uitvoeren doordat verzekeringsartsen niet meer worden ingezet bij de RIV-toets? Welk effect verwacht de regering op de wachttijden voor een WIA-beoordeling?

In de memorie van toelichting lezen de leden van de PVV-fractie dat het verschil tussen de vraag naar sociaal-medische beoordelingen en het aantal beoordelingen dat UWV kan uitvoeren in latere jaren oploopt tot meer dan 70.000 per jaar. Tegelijkertijd verwacht de regering door de wijziging van de RIV-toets meer instroom in de WIA. Deze leden vragen de regering daarom het netto-effect op de capaciteit van UWV inzichtelijk te maken. Hoeveel capaciteit van verzekeringsartsen komt vrij en hoeveel extra capaciteit is nodig door de hogere WIA-instroom, langere claimbeoordelingen en meer deskundigenoordelen?

De leden van de CDA-fractie onderschrijven dat het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid eenvoudiger, beter uitvoerbaar en beter uitlegbaar moet worden. Werkgevers moeten kunnen vertrouwen op de deskundigen die zij verplicht inschakelen. Werknemers moeten tijdens ziekte kunnen rekenen op goede begeleiding naar werk. Ook vinden deze leden het terecht dat mensen niet buiten hun schuld met hoge terugvorderingen worden geconfronteerd doordat UWV hun WIA-aanvraag niet tijdig kan beoordelen. Tegelijkertijd werkt de regering aan een bredere herziening van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich tot die herziening? Op welke onderdelen bestaat het risico dat keuzes die nu worden gemaakt later opnieuw moeten worden aangepast?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het leidend maken van het advies van de bedrijfsarts één van de aanbevelingen was van het OCTAS-rapport, waar de regering met dit wetsvoorstel nu gedeeltelijk opvolging aan geeft. Deze leden vragen de regering naar de ambitie van deze regering op het gebied van een totale hervorming van het stelsel van arbeidsongeschiktheid, waar het OCTAS-rapport en het IBO nadrukkelijk op zag. Deze leden zien op dat gebied een laag ambitieniveau, buiten de aankondigingen om te korten op het maximum dagloon en het schrappen van het IVA-regime. Hoe ziet de regering dit? Welke inhoudelijke stappen acht de regering noodzakelijk om de WIA houdbaar én uitvoerbaar te maken?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering ook naar het moment van indiening van het wetsvoorstel. Met dit wetsvoorstel wordt een klein deel rond de WIA-claimbeoordeling gewijzigd, terwijl een totale herziening van de WIA noodzakelijk is. Dat erkent ook de regering. Waarom grijpt de regering de mogelijkheid niet aan om een totale herziening van de WIA voor te stellen, waar ook wijzigingen kunnen worden aangebracht rond re-integratieverplichtingen van werkgevers en werknemers?

  1. Achtergrond

De leden van de VVD-fractie constateren dat de achterstanden bij de sociaal-medische beoordelingen bij UWV al langere tijd groot zijn. De mismatch tussen de vraag naar beoordelingen en de beschikbare capaciteit loopt volgens de regering de komende jaren verder op. Deze leden vragen de regering welke bijdrage de verschillende maatregelen uit dit wetsvoorstel naar verwachting leveren aan het terugdringen van deze achterstanden. Kan de regering daarbij concreet aangeven hoeveel capaciteit bij UWV naar verwachting wordt vrijgespeeld door de wijziging van de RIV-toets en op welke termijn dit effect zichtbaar wordt?

De leden van de PVV-fractie lezen dat UWV in de uitvoeringstoets schrijft dat in 2028 opnieuw moet worden bekeken of de nieuwe structurele financiering van WIA-voorschotten vanaf 2030 nog nodig is. Als het aantal voorschotten sterk daalt, kan de implementatie volgens UWV onnodig blijken. Deze leden vragen de regering waarom deze structurele regeling nu al wettelijk wordt vastgelegd. Hoe bepaalt de regering in 2028 of het plan voor 2030 nog door moet gaan? En wordt de Kamer over die beoordeling geïnformeerd?

De leden van de CDA-fractie lezen dat volgens de regering het verschil tussen de vraag naar en de beschikbare capaciteit voor sociaal-medische beoordelingen in latere jaren kan oplopen tot meer dan 70.000 beoordelingen per jaar. De wijziging van de RIV-toets maakt verzekeringsartsencapaciteit vrij. Welk concreet effect verwacht de regering hiervan op de wachttijden voor WIA-beoordelingen? Hoeveel eerder kan een werknemer hierdoor naar verwachting worden beoordeeld?

Het voorliggende wetsvoorstel biedt een oplossing voor het knelpunt dat de werkgever die bij re-integratie van een zieke medewerker opvolging geeft aan de adviezen van de bedrijfsarts toch een loonsanctie opgelegd kan krijgen na beoordeling door de verzekeringsarts van het UWV. Dit bovenop de toch al bijzonder loondoorbetalingsperiode bij ziekte. De leden van de JA21-fractie lezen echter op pagina 5 van de memorie van toelichting dat er in mei 2023 hiervoor al een wetsvoorstel lag, dat vervolgens werd ingetrokken omdat er werd gewacht op het eindrapport van de OCTAS. Dit wetsvoorstel had de potentie om dit probleem tegen te gaan en tevens de werkdruk te verlagen bij verzekeringsartsen, waar immers nog steeds een structureel tekort aan is. Deze leden vragen het kabinet derhalve om een reactie op de ruime tijd die er tussen de behandeling van het voorliggende wetsvoorstel om het advies van de bedrijfsarts leidend te maken en het verschijnen van het eindrapport van de OCTAS in februari 2024 zit, zeker gelet op de urgentie van deze kwestie. Gedurende deze periode zijn werkgevers onnodig lang geconfronteerd met een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting hebben gekregen. Deze leden vragen hoe het kabinet hierop terugkijkt.

  1. Knelpunten

De leden van de VVD-fractie constateren dat werkgevers op dit moment kunnen worden geconfronteerd met een loonsanctie wanneer de verzekeringsarts van UWV achteraf tot een ander oordeel over de medische belastbaarheid van een werknemer komt dan de bedrijfsarts, ook wanneer de werkgever het advies van de bedrijfsarts heeft opgevolgd. Deze leden vragen de regering nader in te gaan op de omvang van dit knelpunt. Hoe vaak komt het voor dat een verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts leidt tot een loonsanctie? Kan de regering aangeven hoe dit aantal zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en wat de belangrijkste oorzaken van deze verschillen van inzicht zijn? Hoe beoordeelt de regering de verhouding tussen de omvang van dit probleem en de gevolgen van de voorgestelde wijziging, waaronder de verwachte toename van de WIA-instroom?

De leden van de VVD-fractie vinden het onwenselijk dat mensen door de achterstanden bij UWV langdurig in onzekerheid verkeren over hun inkomen en vervolgens kunnen worden geconfronteerd met terugvordering van een voorschot. Deze leden begrijpen daarom de voorgestelde wettelijke grondslag voor het kwijtschelden van WIA- en Toeslagenwet-voorschotten. Tegelijkertijd vragen deze leden hoe groot het huidige knelpunt is. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat het kwijtschelden van voorschotten een structurele oplossing wordt voor een uitvoeringsprobleem dat in de kern bij de sociaal-medische beoordelingen ligt. Welke ontwikkeling verwacht de regering ten aanzien van de achterstanden en wanneer verwacht zij dat kwijtschelding van voorschotten niet langer noodzakelijk zal zijn?

De leden van de PRO-fractie constateren dat ook de Raad van State opmerkt dat de omvang van het probleem slechts zeer beperkt wordt onderbouwd. Deze leden vragen de regering hierop te reflecteren en nader te onderbouwen waarom de voorgestelde maatregel noodzakelijk en proportioneel wordt geacht.

De leden van de PRO-fractie lezen dat in de periode 2022-2024 de betreffende situatie de hoofdreden vormde voor 8% van de opgelegde inhoudelijke loonsancties. Deze leden vragen om hoeveel loonsancties dit in absolute aantallen ging. Klopt het dat het om ongeveer 175 gevallen ging, vragen deze leden. Zo ja, dan vragen deze leden hoe de regering het aantal van circa 175 gevallen beoordeelt in verhouding tot de voorgestelde stelselwijziging.

De leden van de PRO-fractie vragen de regering om hierbij ook de meest recente beschikbare cijfers te verstrekken, aangezien de genoemde cijfers inmiddels enkele jaren oud zijn en er een neerwaartse trend inzit. Deze leden willen graag onderbouwd zien wat het aantal nu is, aangezien aangenomen kan worden dat er de laatste jaren nog minder loonsancties zijn gegeven vanwege tekorten bij UWV.

De leden van de PRO-fractie vragen specifiek hoeveel loonsancties op basis van een onjuist medisch oordeel in de eerste helft van 2026 zijn opgelegd, hoeveel dit er in geheel 2025 waren en hoe deze aantallen zich verhouden tot het totaal aantal loonsancties in die perioden.

Daarnaast hebben de leden van de PRO-fractie vragen naar de proportionaliteit in het kader van alternatieven die voorhanden zijn. Zo vragen deze leden de regering hoeveel van de loonsancties die worden veroorzaakt door een verschil van inzicht over de belastbaarheid voorkomen hadden kunnen worden door andere maatregelen, zoals betere afspraken met arbodiensten of toepassing van een gezamenlijk beoordelingskader. Deze leden vragen de regering om, voor zover beschikbaar, de beschikbare cijfers hierover met de Kamer te delen. Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, vragen de leden waarom dit niet is onderzocht voordat tot deze stelselwijziging is besloten.

De leden van de PRO-fractie vragen welk percentage van de bedrijfsartsen het beschikbare gemeenschappelijke beoordelingskader en het inzetbaarheidsprofiel daadwerkelijk toepast. Voorts vragen deze leden of de regering beschikt over gegevens over de mate waarin bedrijfsartsen hiervan afwijken en wat de belangrijkste redenen daarvoor zijn.

De leden van de PRO-fractie vragen de regering welke concrete problemen met de RIV-toets naar verwachting niet kunnen worden opgelost door het traject ter verbetering van het poortwachtersproces, het gemeenschappelijke beoordelingskader en de overige reeds ingezette verbetermaatregelen. Voorts vragen deze leden waarom niet eerst de resultaten van deze verbetermaatregelen worden afgewacht voordat tot een fundamentele wijziging van de RIV-toets wordt overgegaan. Deze leden vragen daarbij welke concrete problemen naar verwachting zouden ontstaan indien de inwerkingtreding van de voorgestelde wijziging wordt uitgesteld totdat de resultaten van deze verbetertrajecten beschikbaar zijn.

De leden van de PRO-fractie vragen waarom de genoemde knelpunten niet kunnen worden opgelost met de mkb-verzuim-ontzorgverzekering, die immers Poortwachterproof is en waarbij werkgevers voor € 450 miljoen in de kosten daarvan worden tegemoetgekomen.

De leden van de PRO-fractie vragen voorts hoe het staat met het traject ter verbetering van het poortwachtersproces. Voorts vragen deze leden welke concrete verbeteringen uit dit traject voortkomen en op welke wijze deze verbeteringen kunnen bijdragen aan het voorkomen van de problematiek die met het voorliggende wetsvoorstel wordt beoogd op te lossen.

De leden van de PVV-fractie lezen dat de Raad van State opmerkt dat een verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts in de periode 2022-2024 bij 8% van de inhoudelijke loonsancties de hoofdreden was. In 2024 ging het volgens de Afdeling om ongeveer 175 gevallen op in totaal 2.197 inhoudelijke loonsancties en ruim 48.500 beoordeelde re-integratieverslagen. Deze leden vragen de regering deze cijfers per jaar voor 2022, 2023, 2024 en, voor zover beschikbaar, 2025 te geven. Kan daarbij ook een uitsplitsing naar grootte van de werkgever worden gegeven?

De leden van de PVV-fractie lezen dat de regering aangeeft dat met name kleine en middelgrote werkgevers onzekerheid ervaren over de RIV-toets. De Raad van State wijst erop dat eerder onderzoek juist laat zien dat een groot deel van dit type loonsancties bij grotere werkgevers terechtkomt. Deze leden vragen de regering waarop de conclusie is gebaseerd dat dit knelpunt vooral bij kleine en middelgrote werkgevers speelt. Welke actuele cijfers of onderzoeken onderbouwen dit?

Sinds medio 2021 voert UWV tegen wettelijk beleid om bepaalde WIA- en TW-voorschotten niet terug te vorderen, lezen de leden van de PVV-fractie. De wettelijke grondslag moet volgens het voorstel op 1 januari 2027 ingaan. Deze leden vragen de regering waarom het bijna zes jaar duurt voordat hiervoor een wettelijke grondslag wordt geregeld.

In de memorie van toelichting lezen de leden van de PVV-fractie dat mensen door een late WIA-beoordeling met hoge terugvorderingen en soms schulden kunnen worden geconfronteerd, maar het geeft geen volledig jaarlijks overzicht van de omvang van deze groep. Deze leden vragen de regering daarom voor de jaren 2021 tot en met 2025 en, voor zover beschikbaar, 2026 aan te geven hoeveel mensen een WIA-voorschot hebben ontvangen, hoeveel is teruggevorderd en hoeveel is kwijtgescholden.

De leden van de PVV-fractie lezen dat UWV erop wijst dat het ontbreken van terugwerkende kracht bij de nieuwe Wajong in bepaalde gevallen financieel hard kan uitpakken, bijvoorbeeld als iemand om medische redenen te laat om herleving vraagt. Deze leden vragen de regering hoeveel Wajonggerechtigden naar verwachting door deze wijziging geen recht meer zullen hebben op het garantiebedrag. Wat kan het financiële verschil per persoon zijn?

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat een werkgever moet kunnen vertrouwen op het advies van de bedrijfsarts. Tegelijkertijd was een medisch verschil van inzicht tussen bedrijfsarts en verzekeringsarts in de periode 2022–2024 bij 8% van de inhoudelijke loonsancties de hoofdreden voor de sanctie. De Raad van State wijst er bovendien op dat deze sancties relatief vaak bij grotere werkgevers terechtkomen. Kan de regering nader onderbouwen hoe groot het probleem voor werkgevers in de praktijk is, in het bijzonder voor het mkb?

De leden van de CDA-fractie constateren dat mensen door de achterstanden bij UWV lange tijd een voorschot kunnen ontvangen en vervolgens worden geconfronteerd met een terugvordering waar zij zelf geen invloed op hadden. Kan de regering aangeven hoeveel mensen de afgelopen jaren een WIA- of TW-voorschot hebben ontvangen, hoe lang zij gemiddeld op hun definitieve beoordeling wachtten en welke bedragen zonder het huidige beleid zouden zijn teruggevorderd? Kan de regering tevens aangeven wat het huidige beleid om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering sinds 2021 heeft gekost, hoeveel voorschotten geheel of gedeeltelijk zijn kwijtgescholden en welke uitgaven daarmee gemoeid waren?

De leden van de CDA-fractie constateren dat voor een groep werkende Wajonggerechtigden de vijfjaarstermijn rond hetzelfde moment afloopt. Kan de regering aangeven hoeveel mensen hierdoor naar verwachting hun Wajongrecht zouden verliezen en hoeveel van hen door de voorgestelde wijzigingen hun recht behouden? Hoe voorkomt UWV dat mensen tijdens deze overgang tijdelijk zonder uitkering of ondersteuning komen te zitten?

Op pagina 9 van de memorie van toelichting lezen de leden van de JA21-fractie over de mismatch tussen vraag en aanbod van sociaal-medische beoordelingen. Welke invloed heeft het feit dat er sinds oktober 2025 geen zzp’ers meer ingezet mogen worden als verzekeringsartsen vanwege risico op schijnzelfstandigheid? In welke mate heeft dit het tekort aan verzekeringsartsen verergerd? Kan het kabinet hierover een laatste stand van zaken geven?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering de omvang van de problematiek rond de re-integratieverplichtingen nader uiteen te zetten. In 8% van de loonsancties was onenigheid over de belastbaarheid van de zieke werknemer de hoofdreden. Kan de regering nader toelichten welke loonsancties (qua omvang) op grond van deze reden werden opgelegd? Betreft dit voornamelijk kleine werkgevers bij wie re-integratieverplichtingen moeilijker op te vangen zijn in tegenstelling tot grote werkgevers? Hoeveel werkgevers hebben de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk een loonsanctie gekregen vanwege uitsluitend een verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en verzekeringsarts?

  1. Inhoud van het wetsvoorstel

Het uitgangspunt dat het advies van de bedrijfsarts over de medische belastbaarheid van een werknemer leidend is bij de RIV-toets, wordt onderschreven door de leden van de VVD-fractie. De bedrijfsarts is immers de professional die de werknemer gedurende het ziekteproces begeleidt en de belastbaarheid beoordeelt. Tegelijkertijd is het van belang dat de kwaliteit en eenduidigheid van deze advisering worden geborgd. De Raad van State heeft gewezen op het belang van een gemeenschappelijk beoordelingskader, zoals de Basis Arbeidsgerelateerde Risicoschatting (BAR). De regering kiest ervoor het gebruik van de BAR niet verplicht te stellen. Waarom acht de regering verplicht gebruik niet noodzakelijk? Hoe staat het met de ontwikkeling en implementatie van de BAR en welke stappen worden tot de inwerkingtreding van de deze wet gezet om verschillen tussen bedrijfsartsen en verzekeringsartsen te verkleinen?

De leden van de VVD-fractie benadrukken dat het uitgangspunt moet blijven dat zowel werkgever als werknemer zich maximaal inspannen voor re-integratie. Loonsancties blijven mogelijk wanneer de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, maar één specifieke grond voor een loonsanctie vervalt. Kan de regering nader toelichten welke financiële en andere prikkels voor werkgevers blijven bestaan om zich gedurende de eerste twee ziektejaren maximaal in te zetten voor re-integratie? Hoe wordt gemonitord of deze prikkels in de praktijk voldoende blijven?

Mensen die buiten hun schuld lang op een WIA-beoordeling moeten wachten, zouden niet met financiële onzekerheid of hoge terugvorderingen moeten worden geconfronteerd, vinden de leden van de VVD-fractie. Tegelijkertijd moet voor betrokkene zo snel mogelijk duidelijkheid ontstaan over hun recht op een WIA-uitkering. Deze leden vragen welke criteria de regering heeft overwogen om te bepalen wanneer een WIA- of TW-voorschot geheel of gedeeltelijk kan worden kwijtgescholden. Zijn daarbij ook criteria overwogen die betrekking hebben op de financiële positie of draagkracht van de betrokkenen? Deze leden vragen de regering daarnaast hoe de voorgestelde wettelijke regeling zich verhoudt tot de verantwoordelijkheid van UWV om WIA-beoordelingen tijdig uit te voeren. Welke prikkel blijft bestaan om de achterstanden daadwerkelijk terug te dringen nu voorschotten onder voorwaarden kunnen worden kwijtgescholden?

De leden van de VVD-fractie constateren dat wordt voorgesteld om de financiering van lopende en kwijtgescholden WIA-voorschotten vanaf 2030 vanuit het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) te laten plaatsvinden. De regering stelt dat de huidige financiering via de Werkhervattingskas (Whk) niet goed aansluit bij het hybride stelsel, omdat eigenrisicodragers geen Whk-premie betalen. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten welke gevolgen deze wijziging heeft voor de financiële prikkels van werkgevers en eigenrisicodragers om zich in te zetten voor re-integratie. Kan de regering bevestigen dat met deze wijziging geen prikkels worden weggenomen die werkgevers stimuleren om werknemers zo snel mogelijk terug naar werk te begeleiden?

De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel verschillende aanpassingen bevat rond het beëindigen van het Wajong-recht. Zo wordt geregeld dat het recht op Wajong niet eindigt wanneer iemand met behulp van beschut werk, loondispensatie, loonkostensubsidie of een interne jobcoach aan het werk is. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten waarom juist voor deze vormen van ondersteuning is gekozen. Zijn ook andere vormen van ondersteuning overwogen die aanleiding zouden kunnen geven om het Wajong-recht niet te beëindigen? Daarnaast vragen de leden de regering toe te lichten welke gevolgen de voorgestelde wijziging van de regels rond het garantiebedrag in de praktijk heeft voor werkende Wajonggerechtigden.

Om te beginnen hebben de leden van de PRO-fractie vragen over de maatregel rondom de RIV-toets.

De leden van de PRO-fractie constateren dat een belangrijke veronderstelling onder het wetsvoorstel is dat werknemers voldoende waarborgen hebben om zich tegen een onjuist oordeel van de bedrijfsarts te verzetten. Zo zou een werknemer een deskundigenoordeel kunnen aanvragen wanneer deze twijfelt aan het oordeel van de bedrijfsarts. Deze leden merken echter op dat het momenteel feitelijk niet mogelijk is om een deskundigenoordeel aan te vragen, omdat deze mogelijkheid vanwege prioritering van de Wajong en de claimbeoordeling WIA is opgeschort, zoals blijkt uit de beleidsregels van UWV. Deze leden vragen hoe de regering dan kan stellen dat werknemers voldoende worden beschermd doordat zij een deskundigenoordeel kunnen aanvragen.

De leden van de PRO-fractie vragen daarnaast welke waarde een deskundigenoordeel in dit verband heeft wanneer dit oordeel niet bindend is. Deze leden vragen de regering uiteen te zetten hoe een werknemer met een dergelijk oordeel daadwerkelijk kan voorkomen dat hij of zij de gevolgen van een mogelijk onjuist oordeel van de bedrijfsarts ondervindt.

De leden van de PRO-fractie vragen voorts hoe de regering weegt dat een zieke werknemer in een dergelijke situatie zelf juridische stappen zou moeten ondernemen om op te komen tegen een mogelijk onjuist oordeel van de bedrijfsarts. Deze leden vragen of de regering erkent dat dit voor een werknemer die ziek is, zowel financieel als praktisch een aanzienlijke belasting kan vormen.

De leden van de PRO-fractie vragen de regering in dit verband te reageren op de opmerking van de Raad van State dat de mogelijkheid voor werknemers om een second opinion aan te vragen bij een andere bedrijfsarts niet moet worden overschat. Deze leden vragen hoe de regering de constatering van de Raad van State beoordeelt dat dit veel vraagt van het doenvermogen van werknemers en dat het proces complex is.

De leden van de PRO-fractie vragen tevens hoe de regering omgaat met de constatering van de Raad van State dat het wetsvoorstel het nog belangrijker maakt dat werknemers vroegtijdig inzicht hebben in hun eigen situatie en tijdig in actie komen wanneer zij twijfelen aan de juistheid van het advies van de bedrijfsarts. Deze leden vragen hoe realistisch de regering het acht dat werknemers in een kwetsbare positie dit daadwerkelijk kunnen en zullen doen.

De leden van de PRO-fractie vragen de regering daarnaast in te gaan op de uitvoeringstoets van UWV. Uit de doenvermogentoets van UWV blijkt dat werknemers er niet langer op kunnen vertrouwen dat een RIV-toets achteraf als een soort stok achter de deur corrigeert wanneer zij het niet eens zijn met het advies van de bedrijfsarts.

De leden van de PRO-fractie vragen de regering daarbij te reageren op de constatering van de Raad van State dat werknemers ook om andere redenen beperkte mogelijkheden hebben om het risico van een onterecht advies van de bedrijfsarts te mitigeren.

De leden van de PRO-fractie vragen specifiek welk handelingsperspectief een werknemer heeft bij het vermoeden van een onjuist medisch oordeel door de bedrijfsarts, indien er geen mogelijkheid is voor een werknemer om een herbeoordeling aan te vragen.

Voorts vragen de leden van de PRO-fractie tevens hoe werknemers überhaupt kunnen vermoeden dat hun bedrijfsarts een onjuist medisch oordeel heeft afgegeven.

De leden van de PRO-fractie vragen welke mogelijkheden werknemers hebben om achteraf, wanneer sprake blijkt te zijn geweest van een onjuist medisch oordeel van de bedrijfsarts, hun schade bij de bedrijfsarts te kunnen claimen wegens het niet middels een loonsanctie alsnog een jaar kunnen re-integreren op basis van een juist medisch oordeel.

De leden van de PRO-fractie vragen de regering te reflecteren op de opmerking van de Raad van State dat de maatregel op stelselniveau haaks staat op de poortwachtersfunctie van UWV. Deze leden vragen hoe de regering deze fundamentele constatering beoordeelt en hoe de voorgestelde maatregel zich volgens de regering verhoudt tot de huidige poortwachtersfunctie van UWV.

De leden van de PRO-fractie constateren dat een andere belangrijke veronderstelling onder het wetsvoorstel is dat bedrijfsartsen onafhankelijk tot hun oordeel komen. Deze leden vragen de regering deze veronderstelling nader te onderbouwen. Voorts vragen deze leden welke waarborgen bestaan om de onafhankelijkheid van bedrijfsartsen ten opzichte van werkgevers en arbodiensten te garanderen.

De leden van de PRO-fractie vragen de regering daarbij in te gaan op de uitvoeringstoets van UWV, waarin wordt gewezen op het risico dat een prikkel ontstaat om de bedrijfsarts nog minder in te schakelen of dat de bedrijfsarts druk ervaart om gemakkelijker mee te gaan in de claim dat sprake is van marginale of geen benutbare mogelijkheden.

De leden van de PRO-fractie constateren dat UWV daarbij expliciet wijst op het risico van belangenverstrengeling en op een groter risico dat de werkgever oneigenlijke invloed krijgt op de bedrijfsarts en de arbodienst. Deze leden vragen hierop in te gaan en te expliciteren of dit risico wordt onderkend en hoe dit gewogen wordt.

De leden van de PRO-fractie lezen bovendien dat UWV het risico groter acht in situaties waarin sprake is van een no-riskpolis of ziekte als gevolg van zwangerschap of bevalling. In deze situaties heeft de werkgever geen re-integratieverplichtingen en wordt de begeleiding eveneens getoetst aan de hand van een re-integratieverslag (RIV). Volgens UWV bestaat hierdoor een groter risico op werkgeversfraude. Deze leden vragen de regering hierop te reageren en uiteen te zetten welke waarborgen worden getroffen om dit risico te beperken.

De leden van de PRO-fractie vragen welke controle er na invoering van deze maatregel nog plaatsvindt op het oordeel dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden. Voorts vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat werkgevers verantwoordelijkheden afwentelen en vervolgens geen re-integratieverplichtingen hebben, terwijl er geen onafhankelijke controle meer plaatsvindt op het oordeel van de bedrijfsarts.

De leden van de PRO-fractie hebben daarnaast vragen over het niet terugvorderen van WIA-voorschotten.

De leden van de PRO-fractie merken op dat de regering bij het niet terugvorderen van WIA-voorschotten als uitgangspunt hanteert dat mensen die buiten hun schuld worden geconfronteerd met een terugvordering mogelijk in de problemen komen en dat de oorzaak hiervan buiten hun invloedssfeer ligt. Deze leden constateren vervolgens dat de regering er wel voor kiest om bij bepaalde groepen terugvordering toe te staan, namelijk bij groepen waarbij het bedrag in mindering kan worden gebracht op een uitkering. Deze leden merken op dat ook deze mensen te maken kunnen krijgen met hoge terugvorderingen en financiële problemen, terwijl ook bij hen de oorzaak buiten hun invloed en schuld kan liggen. Deze leden vragen de regering hierop te reflecteren.

De leden van de PRO-fractie vragen de regering expliciet te beantwoorden hoe wordt omgegaan met terugvorderingen bij de groepen die worden genoemd op pagina 8 van de memorie van toelichting.

De leden van de PRO-fractie vragen welke inhoud de regering voorziet voor de algemene maatregel van bestuur waarin wordt geregeld onder welke voorwaarden een terug te vorderen voorschot kan worden kwijtgescholden. Deze leden vragen of het inderdaad de bedoeling is om met deze algemene maatregel van bestuur een reeds bestaande uitvoeringspraktijk te bestendigen. Deze leden vragen de regering expliciet te melden waar zij voorziet enigszins af te wijken. Deze leden vragen waar dit nu staat en verwachten dat dit al in vergevorderd stadium is, aangezien het kwijtschelden nu al in de praktijk gebeurt. Deze leden vragen deze te delen met de Tweede Kamer.

De leden van de PRO-fractie lezen dat het wetsvoorstel de mogelijkheid bevat om bij algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 118 van de Wet financiering sociale verzekeringen tijdelijke regels te stellen over de overheveling van bedragen uit het Aof naar de Whk. Deze leden vragen wat hiermee precies wordt bedoeld en hoe deze overheveling in de praktijk zou werken.

De leden van de PRO-fractie vragen voorts om welke potentiële bedragen het hierbij gaat. Deze leden vragen welke omvang de overheveling van middelen van het Aof naar de Whk potentieel heeft.

Ten slotte hebben de leden van de PRO-fractie vragen over de maatregelen rondom de Wajong.

De leden van de PRO-fractie constateren dat de vijfjaarsmaatregel, na een jaar uitstel, op 1 januari 2027 van start gaat. Vanaf dat moment verliezen betrokkenen hun recht op Wajong. Deze leden vragen om hoeveel mensen het hierbij gaat. Voorts vragen deze leden of het klopt dat het om ongeveer 7.000 mensen gaat.

De leden van de PRO-fractie vragen wat de inkomensgevolgen zijn voor deze groep. Deze leden vragen wat het gemiddelde inkomenseffect is en hoeveel mensen er financieel op achteruitgaan.

De leden van de PRO-fractie vragen waarom niet is gekozen voor een regeling waarbij de inkomensondersteuning over een periode van drie of vijf jaar wordt afgebouwd. Voorts vragen deze leden welke kosten aan een dergelijke geleidelijke afbouw verbonden zijn en wat de inkomensgevolgen voor betrokkenen zouden zijn.

Na invoering wordt het oordeel van de bedrijfsarts over de belastbaarheid leidend bij de RIV-toets, zo lezen de leden van de PVV-fractie. Bij de latere WIA-claimbeoordeling maakt de verzekeringsarts van UWV wel een eigen medische beoordeling. UWV schrijft dat twee beoordelingskaders naast elkaar blijven bestaan en dat dit moeilijk uitlegbaar kan zijn voor werkgevers en werknemers. Deze leden vragen de regering uit te leggen wat er gebeurt als de bedrijfsarts tijdens de re-integratie oordeelt dat een werknemer weinig of geen mogelijkheden heeft, maar de verzekeringsarts bij de WIA-beoordeling later tot een duidelijk andere conclusie komt. Welke gevolgen kan dat hebben voor het inkomen, de re-integratie en de positie van de werknemer?

De leden van de PVV-fractie lezen dat de Raad van State adviseert een gemeenschappelijk beoordelingskader, zoals de Beschrijving Arbeidsbelastbaarheid en Re-integratiemogelijkheden (BAR), verplicht te stellen en te bezien of daarmee het doel van de wetswijziging kan worden bereikt. De regering kiest ervoor de BAR niet verplicht te maken. Deze leden vragen de regering welke concrete resultaten uit de testen met de BAR beschikbaar zijn. Waarom is niet gekozen om eerst het gebruik van een beoordelingskader verplicht te stellen en de effecten daarvan te meten?

De leden van de PVV-fractie lezen dat de voorwaarden voor het geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering niet in het wetsvoorstel zelf worden uitgewerkt, maar in een algemene maatregel van bestuur. UWV noemt in de uitvoeringstoets als hoofdlijn van het huidige beleid drie voorwaarden: het voorschot is verstrekt in afwachting van een WIA-beoordeling, de vertraging is niet aan de betrokkene te wijten en het voorschot kan niet worden verrekend met een andere uitkering. Deze leden vragen de regering of deze voorwaarden één op één worden overgenomen. Zo nee, welke wijzigingen worden voorzien en waarom? Wanneer wordt de algemene maatregel van bestuur bekendgemaakt?

De wettelijke bevoegdheid om voorschotten kwijt te schelden kan later bij koninklijk besluit vervallen, lezen de leden van de PVV-fractie. Deze leden willen van de regering weten aan welke concrete eisen de regeling moet voldoen om te kunnen vervallen. Hoe wordt voorkomen dat mensen die op dat moment al een voorschot ontvangen tussen wal en schip komen te vallen?

De leden van de PVV-fractie lezen dat de regering lopende en kwijtgescholden WIA-voorschotten vanaf 2030 uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) wil betalen in plaats van via de Werkhervattingskas (Whk). De leden van de PVV-fractie vragen de regering per jaar aan te geven welk bedrag hierdoor naar verwachting van de Whk naar het Aof verschuift. Welk effect heeft deze wijziging op de Whk-premie en op de Aof-premie?

In het conceptwetsvoorstel kon een eigenrisicodragende werkgever het voorschot namens UWV zelf betalen en daar per werknemer over beslissen, lezen de leden van de PVV-fractie. UWV vond beide onderdelen te complex en onhaalbaar. De regering heeft ze daarom laten vervallen. Deze leden vragen de regering wat het schrappen van deze onderdelen betekent voor de geraamde uitvoeringskosten en voor de administratieve handelingen bij UWV en werkgevers.

De leden van de PVV-fractie lezen dat het wetsvoorstel onder meer regelt dat beschut werk, loondispensatie, loonkostensubsidie en de interne jobcoach niet leiden tot beëindiging van het Wajong-recht als iemand voldoende verdient. Deze leden vragen de regering per maatregel aan te geven hoeveel Wajonggerechtigden hiermee naar verwachting te maken krijgen. Dit blijkt niet uit de stukken.

De leden van de PVV-fractie lezen dat de regering stelt dat de Wajong-wijzigingen geen financieel effect hebben. Tegelijkertijd is de beperking van de herleving van het garantiebedrag volgens UWV niet begunstigend voor de betrokken Wajonggerechtigde. Deze leden vragen de regering uit te leggen hoe deze twee punten zich tot elkaar verhouden. Is het financiële effect nihil omdat naar verwachting niemand wordt geraakt, omdat het om een zeer kleine groep gaat of om een andere reden?

De leden van de CDA-fractie constateren dat na inwerkingtreding de verzekeringsarts van UWV bij de RIV-toets niet langer zelfstandig de belastbaarheid die de bedrijfsarts heeft vastgesteld, beoordeelt. Welke kwaliteitswaarborgen moeten voor inwerkingtreding op orde zijn om ervoor te zorgen dat bedrijfsartsen de belastbaarheid van werknemers voldoende uniform en zorgvuldig beoordelen? Hoe houdt de regering daarbij rekening met verschillen tussen bedrijfsartsen en arbodiensten?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Raad van State adviseert om een gemeenschappelijk beoordelingskader, zoals de BAR, verplicht te stellen. De regering wil het gebruik daarvan stimuleren, maar niet verplichten. Welk gebruik van de BAR wil de regering voor de inwerkingtreding hebben bereikt? Wanneer is vrijwillig gebruik volgens de regering onvoldoende en komt een verplichting alsnog in beeld?

De leden van de CDA-fractie lezen dat werknemers die twijfelen aan het oordeel van de bedrijfsarts een second opinion of deskundigenoordeel kunnen aanvragen. De Raad van State wijst erop dat dit veel vraagt van een zieke werknemer en dat UWV deskundigenoordelen door capaciteitsproblemen niet altijd tijdig uitvoert. Hoe zorgt de regering ervoor dat een werknemer op tijd een onafhankelijk oordeel kan krijgen, voordat re-integratiekansen verloren gaan?

De leden van de CDA-fractie lezen dat bij de latere WIA-claimbeoordeling kan blijken dat de verzekeringsarts de belastbaarheid anders beoordeelt dan de bedrijfsarts tijdens de re-integratieperiode. Daardoor kan achteraf blijken dat er meer mogelijkheden voor re-integratie waren dan waarvan werkgever en werknemer zijn uitgegaan. Wat kan een werknemer in zo'n situatie nog doen om gemiste re-integratiekansen in te halen? Wie draagt de gevolgen wanneer een onjuist advies van de bedrijfsarts daaraan ten grondslag lag?

De leden van de CDA-fractie lezen dat tegen een besluit van UWV bestuursrechtelijke rechtsbescherming mogelijk blijft, maar binnen de RIV-toets kan het medische oordeel van de bedrijfsarts niet meer ter discussie worden gesteld. Voor een geschil met de werkgever kan een werknemer zich onder meer tot de burgerlijke rechter wenden. Hoe toegankelijk en tijdig is deze rechtsbescherming voor een zieke werknemer? Kan daarmee worden voorkomen dat een onjuist medisch oordeel al gevolgen heeft gehad voor de re-integratie voordat een rechter zich erover uitspreekt?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorwaarden waaronder UWV geheel of gedeeltelijk afziet van terugvordering bij algemene maatregel van bestuur worden uitgewerkt. Op basis van welke criteria wordt bepaald of een voorschot geheel of gedeeltelijk wordt kwijtgescholden? Hoe wordt gewaarborgd dat mensen in vergelijkbare situaties gelijk worden behandeld?

De leden van de CDA-fractie lezen dat deze wettelijke grondslag tijdelijk is en vervalt op een later bij koninklijk besluit te bepalen moment. Aan welke voorwaarden moet zijn voldaan voordat de regering besluit de regeling te beëindigen? Hoe voorkomt zij dat mensen met vergelijkbare wachttijden verschillend worden behandeld doordat de ene persoon net vóór en de andere net na beëindiging van de regeling wordt beoordeeld?

De leden van de CDA-fractie lezen dat wanneer iemand uiteindelijk geen recht heeft op een WIA- of WW-uitkering, diegene kan zijn aangewezen op bijstand of helemaal geen recht hebben op een uitkering. Hoe voorkomen UWV en gemeenten dat na de definitieve WIA-beslissing alsnog een inkomensgat ontstaat? Is voorzien in een goede overdracht naar de gemeente wanneer iemand mogelijk recht heeft op bijstand?

De leden van de CDA-fractie constateren dat lopende en kwijtgescholden voorschotten uiteindelijk uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds worden betaald. De kosten hangen daarmee mede af van de omvang en duur van de achterstanden bij UWV. Kan de regering inzichtelijk maken wat verschillende ontwikkelingen van die achterstanden betekenen voor de lasten van het Aof en de premie voor werkgevers?

De leden van de CDA-fractie lezen dat structurele financiering volgens de regering pas op 1 januari 2030 kan ingaan. Welke aanpassingen in de uitvoering en de systemen zijn daarvoor nodig? Op welke momenten wordt opnieuw bezien of eerdere invoering mogelijk is?

Tijdens de voorschotperiode bestaat voor een eigenrisicodrager nog geen wettelijke re-integratieplicht vanuit de WGA; die ontstaat pas nadat het recht op een WGA-uitkering is vastgesteld, constateren de leden van de CDA-fractie. Kan bij lange wachttijden hierdoor een periode ontstaan waarin te weinig aandacht is voor terugkeer naar werk? Hoe voorkomt de regering dat mensen tijdens de voorschotperiode uit beeld raken?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde uitzonderingen onder meer beschut werk, loondispensatie, loonkostensubsidie en de interne jobcoach omvatten. Zijn hiermee volgens de regering alle vormen van structurele ondersteuning afgedekt die relevant zijn bij het beëindigen van het Wajongrecht? Hoe wordt omgegaan met nieuwe vormen van ondersteuning die later worden ingevoerd?

De leden van de JA21-fractie hebben vragen over deskundigenoordelen. Het UWV komt vanwege de mismatch bij sociaal-medische beoordelingen vaak niet of tijdig toe aan het uitvoeren van deskundigenoordelen. Hoe vaak komt het UWV niet of tijdig toe u aan het uitvoeren van deskundigenoordelen? Bij welk deel hiervan gaat het om geschillen of een schrijnende situatie? En hoelang blijven deze gemiddeld liggen?

Omtrent deskundigenoordelen hebben de leden van de JA21-fractie nog een vraag: In 2023 is de uitvoering van de werkwijze rond het uitvoeren van deskundigenoordelen aangepast en geüniformeerd, vanwege het vaak niet of tijdig uitvoeren hiervan. Welk effect heeft deze veranderde werkwijze gehad?

De leden van de SGP-fractie merken op dat in het verleden diverse pogingen zijn gedaan om te komen tot een gezamenlijke visie van bedrijfsartsen en verzekeringsartsen. Ongeveer drie jaar geleden is hiervoor nog geld vrijgemaakt. Deze leden vernemen graag wat hiervan de resultaten zijn, en in hoeverre dat ook toepasbaar is cq. op dit moment daadwerkelijk wordt toegepast. Welke mogelijkheden ziet de regering om de beoordelingen van bedrijfsartsen en verzekeringsartsen meer te uniformeren? Welke mogelijkheden zijn er daarnaast om beter samen te werken en onderling meer gegevens uit te wisselen?

De leden van de SGP-fractie lezen dat werknemers de mogelijkheid behouden een onafhankelijke second opinion uit te voeren bij een andere bedrijfsarts. Hoe gaat dit in de praktijk in zijn werk?

De leden van de SGP-fractie lezen dat de regering als doel heeft de onzekerheid bij werkgevers weg te nemen door de beoordeling van de bedrijfsarts leidend te maken. Deelt de regering dat dit argument ook kan worden aangevoerd voor de beoordeling door de arbeidsdeskundige die door de werkgever wordt ingeschakeld? En is de regering om die reden alsnog bereid ook het oordeel van de arbeidsdeskundige leidend te maken? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SGP-fractie constateren dat het met regelmaat voorkomt dat UWV niet aan haar eigen verplichtingen voldoet en er vervolgens toch een sanctie vanuit UWV volgt, bijvoorbeeld bij het niet uitvoeren van een (toegezegd) deskundigenoordeel, Eerstejaars Ziektewetbeoordeling of Toetsing Verbetering Belastbaarheid tijdens het tweede ziektejaar. Is de regering bereid te bezien hoe in dit wetsvoorstel kan worden opgenomen dat er een sanctie wordt opgelegd in het geval UWV zelf niet aan haar (wettelijke) verplichtingen heeft voldaan in een bepaald dossier? Zo nee, waarom niet?

Voor de periode tot aan 2030 wordt gewerkt aan een tijdelijke oplossing. De leden van de SGP-fractie vragen hoe de tijdelijke regeling eruit komt te zien, en welke uitgangspunten daarvoor worden gehanteerd.

De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat de tekorten zo spoedig mogelijk moeten worden teruggedrongen en de voorschotten zo minimaal mogelijk moeten worden ingezet, mede gelet op de onzekerheid in verband met mogelijk kwijtschelding en bijbehorende maatschappelijke kosten hiervan. Deelt de regering dit standpunt? Hoe wordt dit uitgangspunt ook toegepast in beleid?

De leden van de SGP-fractie vragen of UWV, naast betaling voorschot ook de re-integratie van deze mensen ter hand neemt, in elk geval gedurende de periode van de afwikkeling van de WIA-aanvraag zolang UWV overbelast is. (Ex-)werknemers zouden vrijblijvend de re-integratie ter hand kunnen nemen ondanks dat de voorschotsperiode niet langer voor risico van de werkgever komt. Welke mogelijkheden, voor- en nadelen ziet de regering op dit punt?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoe wijziging van de toets op de re-integratie-inspanningen zoals de regering nu voorstelt, zich verhoudt tot het OCTAS-rapport, het IBO-rapport aangaande de WIA en de adviezen van de Commissie Borstlap.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Raad van State kritisch is op het voorstel van de regering om het oordeel van de bedrijfsarts leidend te laten zijn. Ze hebben zowel bezwaren die zien op de proportionaliteit als de subsidiariteit van het voorstel. Aangaande de proportionaliteit wijst de Raad van State erop dat slechts 8% van de inhoudelijke loonsancties samenhangt met een verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts. Deze leden vragen de regering om nader toe te lichten hoe een dusdanige wetswijziging in het licht van de omvang van het probleem proportioneel is. Aanvullend vragen deze leden hoe de regering de omvang van het probleem afzet tegen de verwachte gevolgen van het voorstel, namelijk een extra instroom in de WIA, inclusief bijbehorende uitgaven. Hoe weegt de regering dit?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat Raad van State concludeert dat het risico van een onjuist oordeel van de bedrijfsarts verschuift van de werkgever naar de werknemer. Deze leden vragen waarom de regering deze verschuiving te verantwoorden acht.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering ook welke groepen werknemers naar verwachting het hardst geraakt zullen worden door deze wetswijziging. Deze leden vrezen dat met name werknemers met complexe of moeilijk objectiveerbare aandoeningen eventuele gevolgen ondervinden. Hoe ziet de regering dit?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over voorliggend voorstel nu er grote zorgen zijn over de uitvoerbaarheid en houdbaarheid van de WIA. De Raad van State stelt dat dit wetsvoorstel tot een beperking van de poortwachtersfunctie van het UWV leidt. Hoe beziet de regering de relatie tussen dit voorstel, inclusief gevolgen voor de instroom in de WIA, en de zorgen van deze regering aangaande de houdbaarheid van de WIA(-instroom)? Is de beperking van de poortwachtersfunctie gezien die zorgen te verantwoorden en gerechtvaardigd?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader uiteen te zetten welke alternatieve maatregelen overwogen zijn om het onderliggend probleem van het wetsvoorstel, namelijk verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en verzekeringsarts, op te lossen. De Raad van State wijst in dit verband op een (verplicht) gemeenschappelijk beoordelingskader als minder vergaand alternatief. Deze leden vragen de regering om nader toe te lichten waarom zij niet voor dit minder vergaande instrument gekozen heeft. In het nader rapport stelt de regering: “De bar is echter geen alternatief voor het wetsvoorstel en zal het beschreven probleem niet geheel wegnemen.” Deze stelling wordt echter niet onderbouwd. Waarom zou dat de geschetste problematiek niet kunnen oplossen in de ogen van de regering?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe werknemers nu geïnformeerd worden dat zij een second opinion kunnen aanvragen bij een andere bedrijfsarts. Wordt hier nu vaak gebruik van gemaakt? Op welke wijze gaat de regering dit verbeteren?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben veel vragen over de mogelijkheid van een deskundigenoordeel. Werknemers kunnen een deskundigenoordeel aanvragen, schrijft de regering in de memorie van toelichting. Hoeveel mensen doen nu een aanvraag voor een deskundigenoordeel? Binnen welke termijn worden deze deskundigenoordelen uitgevoerd? Is de verwachting dat dit aantal aanvragen gaat toenemen? Hoe haalbaar is dat? Wat betekent dit voor de benodigde artsencapaciteit? Welke gevolgen heeft dit voor het aantal WIA-claimbeoordelingen dat kan worden uitgevoerd?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een oordeel over hoe realistisch het alternatief van een deskundigenoordeel is.

Een groot knelpunt in de uitvoering van de WIA is het tekort aan artsencapaciteit waardoor er veel te weinig claimbeoordelingen kunnen worden uitgevoerd. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering uiteen te zetten of de getroffen maatregelen om de artsencapaciteit uit te breiden al resultaat geeft. Daarnaast vragen deze leden naar de stand van zaken van de uitvoering van de motie Ceder (Kamerstuknr. 26448, nr. 857) voor verplichte taakdelegatie en verdergaande taakherschikking. Wordt hier al wetgeving voor voorbereid en wat is hiervan de planning?

  1. Gevolgen en regeldruk

De leden van de VVD-fractie onderschrijven de doelstelling om onnodige administratieve lasten voor werkgevers te verminderen. Het VVD-verkiezingsprogramma benadrukt het belang van minder complexe wet- en regelgeving en minder rapportages en procedures. Deze leden vragen de regering hoeveel administratieve lasten voor werkgevers met dit wetsvoorstel daadwerkelijk worden verminderd. Kan de regering daarbij specifiek aangeven wat dit betekent voor kleine werkgevers of mkb’ers, voor wie langdurige ziekte en re-integratie relatief zwaar kunnen drukken op de bedrijfsvoering? Kan de regering daarnaast aangeven of de wijziging van de RIV-toets in de praktijk leidt tot minder administratieve handelingen voor werkgevers en hoe groot deze vermindering naar verwachting is?

De leden van de PRO-fractie vragen hoe de regering reflecteert op de geraamde toename van circa 5.500 uitkeringsjaren als gevolg van de maatregel. Deze leden vragen hoe deze toename zich verhoudt tot het doel van het wetsvoorstel en tot de omvang van het probleem dat de regering met de maatregel wil oplossen.

De leden van de PRO-fractie vragen hoe de regering kan rechtvaardigen dat zij een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer stuurt dat leidt tot extra instroom in de WIA, terwijl de regering zich op andere momenten grote zorgen maakt over de instroom in de WIA, onder meer als rechtvaardiging voor bezuinigingen op de sociale zekerheid, en de regering bovendien weet dat er andere oplossingen zijn die niet leiden tot extra instroom in de WIA.

De leden van de PRO-fractie constateren dat het risico dat nu bij de werkgever ligt, met het wetsvoorstel in belangrijke mate wordt verschoven naar de werknemer. De Raad van State wijst eveneens op deze verschuiving. Deze leden vragen de regering hoe zij deze verschuiving beoordeelt en waarom zij het gerechtvaardigd acht om dit risico bij werknemers neer te leggen.

De leden van de PRO-fractie vragen of onderzoek beschikbaar is naar de mate waarin een derde jaar loondoorbetaling bij ziekte leidt tot een verminderde WIA-instroom. Deze leden vragen de regering eventuele beschikbare onderzoeken en de onderliggende cijfers met de Kamer te delen.

De leden van de PVV-fractie lezen in de memorie van toelichting dat werknemers in situaties waarin geen loonsanctie meer volgt mogelijk eerder een WIA-uitkering ontvangen in plaats van loon, dat de ontslagbescherming twee jaar blijft in plaats van maximaal drie jaar en dat de re-integratie door de werkgever na twee jaar stopt in plaats van maximaal drie jaar. Deze leden vragen de regering hoeveel werknemers per jaar naar verwachting met één of meer van deze gevolgen te maken krijgen. Wat is voor deze groep gemiddeld het verschil in inkomen tussen voortgezette loondoorbetaling en de uitkering die daarna wordt ontvangen? Dit blijkt niet uit de stukken.

De leden van de PVV-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het wetsvoorstel geen effect op de administratieve lasten heeft, terwijl UWV verwacht dat meer deskundigenoordelen worden aangevraagd en meer uitleg aan werknemers nodig zal zijn. Deze leden vragen de regering waarom deze extra handelingen niet als extra regeldruk of uitvoeringslast worden meegenomen. Op hoeveel extra deskundigenoordelen per jaar rekent de regering?

De leden van de CDA-fractie lezen dat door het vervallen van deze grond voor een loonsanctie een werknemer maximaal een jaar eerder de loondoorbetaling en re-integratie door de werkgever kan verliezen en eerder afhankelijk wordt van een WIA-uitkering. Heeft de regering onderzocht welke groepen werknemers hierdoor het grootste inkomensverlies of de grootste gevolgen voor hun re-integratie kunnen ondervinden? Hoe wordt gevolgd of bepaalde groepen hierdoor onevenredig worden geraakt?

De Aof-premie is een werkgeverspremie. Vanwege de UWV-achterstanden draaien werkgevers steeds vaker op voor het feit dat UWV niet tijdig kan keuren, constateren de leden van de SGP-fractie. Werknemers verkeren daardoor langer in onduidelijkheid. Er zijn maatregelen noodzakelijk om binnen de 104-wekentermijn een WIA-beschikking af te geven. Zet de regering hierop in?

Voor het tegengaan van de achterstanden is optimalisering van de publiek-private samenwerking noodzakelijk, tussen private uitvoerders en UWV. Hoe wil de regering hieraan invulling geven, vragen de leden van de SGP-fractie.

De leden van de SGP-fractie merken op dat voorschotten momenteel separaat worden geregistreerd binnen Status Uitkering Arbeidsgeschiktheid (SUAG). Om de financiële afhandeling ook in de toekomst transparant en consistent te laten zijn is structurele borging van deze werkwijze noodzakelijk. Zo blijft inzichtelijk bij verzekeraars voor welke werknemer er een voorschot is verstrekt. Momenteel ontvangen verzekeraars deze informatie van de werkgever als deze bij verzekeraars de voorschotnota indient. Als voorschotten niet meer op de nota van de werkgever staan, weten verzekeraars niet of er een WIA-aanvraag is gedaan. Is de regering bereid op dit punt naar een passende oplossing te kijken, vragen de leden van de SGP-fractie.

  1. Financiële effecten

Door de aanpassing van de RIV-toets stijgen de structurele uitgaven, lezen de leden van de PVV-fractie. De regering rekent op € 96,2 miljoen extra voor de WIA en € 9,6 miljoen voor de Toeslagenwet. Dit is jaarlijks € 105,8 miljoen. In de memorie van toelichting staat de hogere WIA-post gelijk aan zo'n 3.800 extra uitkeringsjaren. Deze leden hadden graag een volledige toelichting op de berekening achter deze cijfers. Welk deel van de € 96,2 miljoen komt specifiek door een eerdere toekenning van de WIA-uitkering, en welk deel door een structureel hogere instroom?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering als gevolg van de wijziging van de RIV-toets structureel ongeveer €96 miljoen aan extra WIA-uitkeringslasten raamt, overeenkomend met circa 3.800 extra uitkeringsjaren. Daar staan meer zekerheid voor werkgevers en vrijgespeelde verzekeringsartsencapaciteit tegenover. Aan de hand van welke criteria beoordeelt de regering na invoering of deze afweging goed uitpakt? Wanneer geven ontwikkelingen in de WIA-instroom, re-integratieresultaten of verschillen tussen bedrijfsartsen en verzekeringsartsen aanleiding om de maatregel bij te stellen?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe vaak de afgelopen vijf jaar aan werkgevers de maximale loonsanctie is opgelegd (loondoorbetaling voor 52 weken), zowel op grond van de bevoegdheid die wordt geschrapt met dit wetsvoorstel, als voor andere mogelijkheden. Wat is de gemiddelde loonsanctie die op basis van de bevoegdheid die met dit wetsvoorstel wordt weggehaald, wordt opgelegd?

  1. Doeltreffendheid en doelmatigheid

De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering een beperkte toename van de WIA-instroom verwacht als gevolg van de voorgestelde wijziging van de RIV-toets. Tegelijkertijd blijft het doel van het stelsel om mensen zo veel mogelijk en zo snel mogelijk naar passend werk te begeleiden. Kan de regering aangeven welke effecten zij verwacht van het wetsvoorstel op de daadwerkelijke re-integratie van zieke werknemers? Acht de regering het risico aanwezig dat het vervallen van deze grond voor een loonsanctie in bepaalde gevallen leidt tot minder re-integratie-inspanningen en daarmee tot extra WIA-instroom? Hoe wordt dit gemonitord? Deze leden vragen daarbij specifiek hoe wordt gemonitord of de vrijgespeelde capaciteit bij verzekeringsartsen daadwerkelijk bijdraagt aan het terugdringen van de achterstanden bij sociaal-medische beoordelingen.

De leden van de VVD-fractie zien de beantwoording van de vragen met belangstelling tegemoet.

Het doel van de RIV-maatregel is onder meer om de onzekerheid bij werkgevers te verminderen. De leden van de PVV-fractie vragen de regering hoe dit doel na invoering wordt gemeten.

  1. Advies en consultatie

De leden van de PRO-fractie constateren dat de regering uitgaat van een verminderde druk op verzekeringsartsen. Tegelijkertijd blijkt uit de uitvoeringstoets van UWV dat de maatregel ook tot extra druk op verzekeringsartsen kan leiden. Zo kunnen sommige beoordelingen juist meer tijd kosten omdat de verzekeringsarts niet betrokken is geweest bij de RIV-beoordeling en zich daardoor nog niet eerder in het dossier heeft verdiept. Deze leden lezen daarnaast dat de verzekeringsarts meer tijd kwijt kan zijn aan uitleg aan de werknemer wanneer deze tot een ander oordeel over de belastbaarheid komt dan de bedrijfsarts. Voorts verwachten de leden dat volgens UWV meer deskundigenoordelen zullen worden aangevraagd. Ook leidt de maatregel volgens de ramingen tot een hogere WIA-instroom, waardoor meer capaciteit van verzekeringsartsen nodig zal zijn. Deze leden vragen de regering daarom om een volledige kwantificering van zowel de verwachte besparing als de verwachte extra benodigde capaciteit. Deze leden vragen hoeveel fte naar verwachting wordt bespaard bij UWV en hoeveel extra fte nodig is bij verzekeringsartsen, Bezwaar & Beroep, arbeidsdeskundigen en andere betrokken onderdelen van de uitvoering.

De leden van de PRO-fractie vragen specifiek of cijfermatig stap voor stap kan worden aangetoond hoe de door het UWV aangegeven besparing op de artsencapaciteit is berekend. Deze leden vragen daarbij hoeveel tijd een verzekeringsarts gemiddeld kwijt is aan een controle op het medisch oordeel van een bedrijfsarts in het kader van een RIV-toets en bij welk percentage van de RIV-toetsen een verzekeringsarts betrokken is.

De leden van de PRO-fractie constateren bovendien dat UWV zelfs concludeert dat de extra werkzaamheden en risico's volgens de uitvoeringstoets niet opwegen tegen de tijdsbesparing die de maatregel oplevert. Deze leden vragen waarom de regering de maatregel desondanks doorzet. Voorts vragen deze leden welke belangen en overwegingen voor de regering zwaarder wegen dan de problematiek bij UWV.

De leden van de PRO-fractie vragen welke concrete wijzigingen in de wettekst of het beleid zijn doorgevoerd naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Deze leden doelen hierbij nadrukkelijk niet op wijzigingen in de formulering van de memorie van toelichting, maar op materiële wijzigingen in het wetsvoorstel of de uitvoering. Deze leden vragen de regering deze wijzigingen puntsgewijs uiteen te zetten.

De leden van de PRO-fractie vragen waarom de regering er, ondanks de bezwaren van de vakbonden zoals die naar voren zijn gebracht in hun reacties op de internetconsultatie, toch voor heeft gekozen dit voorstel door te zetten.

De leden van de PRO-fractie vragen of de regering bekend is met de brief van FNV, CNV en VCP die zij op 25 september naar de Tweede Kamer hebben gestuurd.

De leden van de PRO-fractie vragen waarom de regering ervoor kiest deze inhoudelijk losstaande voorstellen in één wetsvoorstel op te nemen en welke inhoudelijke samenhang de regering ziet tussen de drie voorstellen.

De leden van de PRO-fractie vragen hoe de regering de dringende oproep van de vakbonden beoordeelt om het onderdeel over de RIV-toets uit het voorliggende wetsvoorstel te schrappen, mede omdat ook de Raad van State aangeeft dat het om losstaande maatregelen gaat.

De Raad van State heeft bij dit wetsvoorstel een zwaar dictum gegeven en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer in te dienen tenzij het is aangepast, lezen de leden van de PVV-fractie. De inhoudelijke kritiek richt zich vooral op het leidend maken van het advies van de bedrijfsarts bij de RIV-toets. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten waarom het advies om deze maatregel te heroverwegen niet is overgenomen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat UWV verwacht door de wijziging verzekeringsartsencapaciteit vrij te spelen, maar voorziet daarnaast meer deskundigenoordelen, extra WIA-instroom en in sommige gevallen meer werk bij de uiteindelijke claimbeoordeling. Welke voorwaarden moeten voor de beoogde inwerkingtreding op 1 januari 2028 zijn vervuld? Kan de regering daarbij specifiek ingaan op de capaciteit voor deskundigenoordelen, het gebruik van de BAR, de scholing van betrokken professionals en de mogelijkheden om tijdig bij te sturen als de re-integratieresultaten of de bescherming van werknemers achterblijven?

De leden van JA21-fractie vindt het positief dat er een MKB-toets is verricht. Deze leden vragen het kabinet nader toe te lichten hoe deze in de praktijk is uitgezet bij ondernemers. Hoe is naar kleine ondernemers gecommuniceerd dat zij mee konden doen aan deze mkb-toets?

De leden van de JA21-fractie lezen dat de vertegenwoordigers van tien ondernemingen verschillende voorstellen hebben gedaan tijdens deze MKB-toets, zoals het tijdig oppakken van deskundigenbeoordelingen door het UWV om oplopende spanningen tussen werkgever en werknemer te voorkomen. Welke voorstellen zijn er gedaan door deze vertegenwoordigers bij de MKB-toets en wat is er met deze adviezen gedaan? Zijn deze ook opgepakt en verwerkt in het voorstel?

De leden van de JA21-fractie lezen dat meerdere respondenten bij de internetconsultatie zich terecht afvragen waarom dit voorstel (advies van bedrijfsarts leidend) pas per 1 januari 2028 wordt ingevoerd, en niet eerder. Deze vraag wordt vervolgens niet duidelijk beantwoord. Waarom is de inwerkingtredingsdatum pas op 1 januari 2028 en niet bijvoorbeeld een jaar of half jaar eerder?

  1. Overgangsrecht en datum van inwerkingtreding

Het wetsvoorstel is opgeknipt in verschillende ingangsdata, zo lezen de leden van de PVV-fractie. Zo moet het kwijtschelden van voorschotten ingaan per 1 januari 2027, volgen de Wajong-wijzigingen en de nieuwe RIV-toets op 1 januari 2028, en staat de structurele financiering gepland voor 1 januari 2030. Deze leden willen per maatregel van de regering horen aan welke harde randvoorwaarden nog moet worden voldaan om deze data veilig te halen.

Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie wat het concrete noodplan is als het UWV op een van de genoemde data simpelweg nog niet klaar is voor de uitvoering. Voor de Wajong-wijzigingen geldt dat er terugwerkende kracht mogelijk is tot 1 januari 2026. Bij de beperking van de herleving van het garantiebedrag doet het UWV dit echter niet, omdat die verandering nadelig uitpakt voor de betrokkene. Deze leden vragen hoe de overheid deze kwetsbare groep Wajongers gaat bereiken. Op welke manier zorgt de regering ervoor dat zij op tijd en op individueel niveau helderheid krijgen over deze verschillende data en de financiële gevolgen hiervan?

II. ARTIKELSGEWIJS

In artikel I, onderdeel B, en artikel II lezen de leden van de PVV-fractie dat wordt geregeld dat UWV onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden geheel of gedeeltelijk afziet van terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten. Deze leden vragen de regering waarom de belangrijkste voorwaarden niet in de wet zelf worden vastgelegd. Welke onderdelen van het huidige kwijtscheldbeleid worden in ieder geval in de algemene maatregel van bestuur opgenomen?

De bepalingen kunnen op een later tijdstip bij koninklijk besluit vervallen. De leden van de PVV-fractie vragen de regering of voorafgaand aan zo'n besluit altijd inzichtelijk wordt gemaakt hoeveel mensen nog op een WIA-beoordeling wachten, hoeveel voorschotten nog lopen en wat de gemiddelde wachttijd is. Wordt de Kamer vooraf over een voorgenomen vervaldatum geïnformeerd?

De voorzitter van de commissie,

Van der Lee

Adjunct-griffier van de commissie,

Van den Broek