[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag

Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met het scheppen van een wettelijke grondslag voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten, voor structurele tegemoetkomingsregelingen voor personen die lijden aan een beroepsziekte en de subsidiëring van het Steunpunt RI&E

Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)

Nummer: 2026D47827, datum: 2026-10-01, bijgewerkt: 2026-10-05 16:10, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36978 -5 Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met het scheppen van een wettelijke grondslag voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten, voor structurele tegemoetkomingsregelingen voor personen die lijden aan een beroepsziekte en de subsidiëring van het Steunpunt RI&E.

Onderdeel van zaak 2026Z15056:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 978 Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met het scheppen van een wettelijke grondslag voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten, voor structurele tegemoetkomingsregelingen voor personen die lijden aan een beroepsziekte en de subsidiëring van het Steunpunt RI&E

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 1 oktober 2026

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

2. Aanleiding voor dit wetsvoorstel

3. Uitwerking Kabinetsreactie adviescommissie Heerts

4. De doelen van het kennisprogramma

5. De doelen van de grondslag voor beroepsziekteregelingen

6. De doelen van de grondslag voor het steunpunt RI&E

7. Wettelijke structuur van het kennisprogramma

8. Wettelijke structuur van het Steunpunt RI&E

9. Verhouding tot hoger recht

10. Verhouding tot nationaal recht

11. Gevolgen kennisprogramma beroepsziekten

12. Gevolgen grondslag beroepsziekteregelingen

13. Gevolgen grondslag Steunpunt RI&E

14. Regeldruk

15. Financiële gevolge

16. Uitvoering

17. Evaluatie

18. Consultatie en advies

19. Bekendmaking en inwerkingtreding

II. Artikelsgewijs

  1. Algemeen

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden steunen het doel van het wetsvoorstel om betere ondersteuning te leveren aan mensen die te maken hebben met beroepsziekten en bedrijven om juist te voorkomen dat mensen ziek worden van hun werk. Deze leden hebben nog enkele vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse het voorstel gelezen en zijn blij met de structurele subsidie voor het steunpunt.

De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden hebben hier enkele vragen bij.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met beroepsziekten en de subsidiëring van het Steunpunt RI&E. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van een veilige en gezonde werkplek en van betere preventie van beroepsziekten. Wanneer mensen ondanks die inspanningen ernstig ziek worden door hun werk, moeten zij kunnen rekenen op erkenning en een toegankelijke regeling. Deze leden steunen daarom de inzet om kennis over beroepsziekten duurzaam op te bouwen en bestaande voorzieningen van een structurele wettelijke basis te voorzien. Zij hebben nog enkele vragen.

De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van wegnemen van de knelpunten die door deze wet worden geadresseerd en het beter werkbaar maken hiervan voor ondernemers. Over de wet hebben zij enkele vragen

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Deze leden hebben voor nu geen vragen.

1. Inleiding

De leden van de D66-fractie vragen zich in het algemeen af wat precies de toegevoegde waarde is van het voorzien in een wettelijke grondslag voor beleidsontwikkelingen die in de praktijk al zijn ingevoerd. Kan de regering een tabelmatig overzicht verschaffen van wetswijzigingen waarbij alleen wettelijke grondslagen geboden worden voor de huidige praktijk en waar wetswijzigingen daadwerkelijk leiden tot een grondslag voor nieuw beleid of een verandering van beleid? Kan de regering een overzicht geven van subsidieregelingen uit de Kaderwet SZW-subsidies, in hoeverre deze een structureel karakter hebben en waarom voor andere regelingen niet is gekozen om hier een wettelijke grondslag voor te bieden?

De leden van de PVV-fractie hebben bij de behandeling van de vergunningplicht voor bepaalde asbestwerkzaamheden eerder naar voren gebracht dat werknemers veilig hun werk moeten kunnen doen en dat bedrijven die bewust de regels overtreden hard moeten worden aangepakt.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering stelt dat de kennis over beroepsziekten in Nederland nog onvoldoende is. Waar zitten volgens de regering de belangrijkste kennislacunes? En hoe wordt straks vastgesteld of het structurele kennisprogramma die lacunes ook verkleint?

De leden van de CDA-fractie lezen dat het kennisprogramma kan zich op alle beroepsziekten richten, terwijl de regering verwacht dat de nadruk de eerste decennia vooral op stoffengerelateerde beroepsziekten zal liggen. Op basis van welke criteria kan worden besloten het programma uit te breiden naar andere beroepsziekten? En hoe wordt de Kamer bij zo'n uitbreiding betrokken?

De leden van de JA21-fractie vragen, in het kader van de reikwijdte van het probleem waar de wet op ziet, de regering aan te geven hoeveel eenmalige financiële tegemoetkomingen door de jaren heen zijn aangevraagd door en uitgekeerd aan (voormalig) werkenden op grond van de (voormalige) tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten die in de memorie van toelichting zijn opgenomen.

De leden van de JA21-fractie lezen dat per 1 januari 2023 er van start is gegaan met de uitvoering van de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB). Deze leden vragen de regering naar de stand van zaken rond deze regeling en de eventuele problemen die sinds de start hiervan zijn geïdentificeerd.

De leden van de JA21-fractie constateren dat er veel zzp’ers (eenmanszaken) zijn waar ondernemers op de werkvloer de werkzaamheden zelf uitvoeren en zo blootgesteld kunnen worden aan schadelijke stoffen. Vaak zijn ondernemers druk met hun bedrijf en zijn ze niet goed op de hoogte van het bestaan van bepaalde regelingen. Deze leden vragen de regering in te gaan op de situatie met betrekking tot specifiek deze groep en het beeld dat de regering heeft van de bekendheid van deze ondernemers met de bestaande regelingen.

2. Aanleiding voor dit wetsvoorstel

De leden van de PVV-fractie lezen in de memorie van toelichting dat beroepsziekteclaims ingewikkeld zijn, lang kunnen duren en voor een werkende kostbaar kunnen zijn. Deze leden vragen de regering hoeveel personen jaarlijks naar schatting een beroepsziekte oplopen. Kan de regering daarnaast vanaf 2023 per jaar aangeven hoeveel aanvragen zijn gedaan voor de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB) en de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS), hoeveel daarvan zijn toegekend, hoeveel zijn afgewezen en wat de belangrijkste redenen voor afwijzing waren?

In de memorie van toelichting op pagina 7 lezen de leden van de JA21-fractie dat het opstellen van een RI&E vooral door het MKB wordt ervaren als een complexe taak. Het opstellen ervan kost tijd en geld. Een RI&E is wel een wettelijke verplichting. Van bedrijven met minder dan 5 medewerkers heeft 59% een RI&E. Kan de regering nader ingaan op de zaken waar ondernemers tegenaanlopen bij het opstellen van een RI&E en de acties die de regering heeft ondernomen of nog voornemens is te ondernemen om deze weg te nemen?

De leden van de JA21-fractie vragen de regering daarnaast welke stappen inmiddels zijn gezet om in de praktijk onnodige RI&E-verplichtingen weg te nemen, in het bijzonder binnen bedrijfstakken met lage risico’s, onder andere naar aanleiding van de in maart aangenomen motie Flach/Kisteman. Kan de regering een stand van zaken geven?

3. Uitwerking Kabinetsreactie adviescommissie Heerts

De leden van de PVV-fractie lezen dat de regering schrijft dat het huidige kennisprogramma sinds 1 juli 2023 tijdelijk wordt uitgevoerd door Lexces en dat dit wetsvoorstel het sluitstuk vormt van de uitwerking van het advies van de commissie-Heerts. Deze leden vragen de regering welke concrete en meetbare resultaten het kennisprogramma sinds 2023 heeft opgeleverd. Welke resultaten laten volgens de regering zien dat een structurele financiering nodig is?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de commissie-Heerts adviseerde om naast een tegemoetkoming ook in te zetten op preventie, handhaving en kennisontwikkeling. Hoe zorgt de regering ervoor dat nieuwe kennis ook wordt vertaald naar concrete maatregelen op de werkvloer? Wie is verantwoordelijk voor die vertaalslag naar werkgevers en sectoren?

De leden van de CDA-fractie lezen dat het structurele kennisprogramma voortbouwt op het tijdelijke programma van Lexces, dat tot medio 2028 loopt. Hoe worden de resultaten en ervaringen van dat programma betrokken bij de volgende subsidieronde? Wordt daarbij onafhankelijk beoordeeld welke onderdelen goed werken en welke niet?

4. De doelen van het kennisprogramma

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of het nodig is om hier extra ambtenaren voor aan te nemen of kan dit met bestaand personeel in combinatie met externe organisaties.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de opgebouwde kennis onder meer terecht moet komen bij bedrijfsartsen, huisartsen, medisch specialisten, werkgevers en werknemers. Hoe gaat de regering meten of deze kennis hen ook bereikt en in de praktijk wordt gebruikt? Wordt bijvoorbeeld gevolgd of beroepsziekten eerder worden herkend en werkgevers vaker preventieve maatregelen nemen?

5. De doelen van de grondslag voor beroepsziekteregelingen

De leden van de D66-fractie ondersteunen het bieden van een wettelijke grondslag voor twee tegemoetkomingsregelingen voor stoffengerelateerde beroepsziekten en asbestslachtoffers. Deze leden benadrukken daarbij dat zij de tegemoetkomingen zien als erkenning van het opgelopen leed en niet als compensatie daarvan aangezien bij veel slachtoffers de schade vele malen groter is. Zeker in de afgelopen jaren maakt de overheid vaker gebruik van dit middel van een tegemoetkoming als erkenning van leed zonder compensatie. Kan de regering uiteenzetten wat de verschillen zijn in wetgeving tussen deze tegemoetkomingen en andere tegemoetkomingen die vanuit de overheid worden aangeboden of zijn aangeboden? Waarom kiest de regering ervoor wederom deze wettelijke grondslag specifiek en apart te regelen? Is onderzocht of er geen algemene wettelijke grondslag kan worden geboden voor dit soort tegemoetkomingen zodat deze onderling consistent zijn?

De leden van de D66-fractie vragen daarnaast om een nadere onderbouwing waarom er gekozen is voor rechtstreekse delegatie aan de minister. Erkent de regering dat er normatieve keuzes ten grondslag liggen aan de invulling van de regelingen en dat de Aanwijzingen voor de regelgeving voorschrijven dat deze dan niet gedelegeerd dienen te worden aan de minister? Valt het niet te verwachten dat de invulling van de tegemoetkoming, vooral ten aanzien van asbestslachtoffers, aangepast zou kunnen worden als gevolg van veranderingen in regelgeving rondom de omgang met asbest?

De leden van de PVV-fractie lezen dat de Afdeling advisering van de Raad van State stelt dat de uitwerking van de tegemoetkomingsregelingen in het wetsvoorstel volledig wordt gedelegeerd aan de minister. De Afdeling wijst erop dat onder meer de doelgroep, voorwaarden en vormgeving van de tegemoetkoming inhoudelijke keuzes zijn en adviseert om de hoofdlijnen in de wet vast te leggen. Deze leden vragen de regering waarom zij dit advies niet heeft overgenomen

De leden van de PVV-fractie constateren dat het voorgestelde artikel 9b in de toekomst ook kan worden gebruikt voor nieuwe tegemoetkomingsregelingen voor andere beroepsziekten. Deze leden vragen de regering op welke wijze de Kamer vooraf wordt betrokken wanneer een geheel nieuwe beroepsziekteregeling op deze grondslag wordt ingevoerd. Kan een nieuwe regeling met nieuwe financiële gevolgen worden ingevoerd zonder een nieuwe wetswijziging?

De leden van de CDA-fractie merken op dat de Raad van State erop wijst dat erkenning van het leed van mensen met een beroepsziekte meer kan omvatten dan een financiële tegemoetkoming. De regering wijst in haar reactie op de persoonlijke begeleiding binnen de bestaande regelingen. Hoe worden getroffenen zelf betrokken bij de vormgeving en evaluatie van bestaande en toekomstige regelingen? Hoe wordt onderzocht aan welke vorm van erkenning zij behoefte hebben?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Raad van State adviseert om de belangrijkste uitgangspunten van tegemoetkomingsregelingen in de wet vast te leggen. De regering kiest ervoor veel van de uitwerking bij ministeriële regeling te regelen. Welke onderdelen van een tegemoetkomingsregeling vindt de regering echter zo wezenlijk dat de Kamer daarbij betrokken moet zijn? Hoe wordt geborgd dat de Kamer tijdig invloed kan uitoefenen wanneer een nieuwe regeling wordt ingevoerd of een bestaande regeling op belangrijke onderdelen wordt gewijzigd?

6. De doelen van de grondslag voor het steunpunt RI&E

De leden van de VVD-fractie zijn blij met het steunpunt dat ondernemers helpt met vragen over de RI&E. Deze leden vragen zich af in hoeverre dit voor overlap zorgt met steun die er vanuit brancheverenigingen wordt geleverd. En als deze overlap er is dan vragen zij zich af hoe dit kan worden voorkomen?

Ook vragen de leden van de VVD-fractie zich af hoe ervoor wordt gezorgd dat het vooral een steunpunt RI&E blijft en dan het steunpunt zich niet steeds meer taken gaat toe-eigenen.

De leden van de VVD-fractie vragen zich ook af of dit steunpunt al voorsorteert op de wensen van de Kamer om de RI&E te vereenvoudigen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat per subsidieronde één samenwerkingsverband subsidie krijgt voor het hele kennisprogramma. Hoe voorkomt de regering dat hierdoor op termijn een gesloten kennisstructuur ontstaat waarin nieuwe kennisinstellingen moeilijk een plek krijgen? Welke mogelijkheden zijn er om tijdens een subsidieperiode nieuwe expertise te betrekken en bij een volgende tender ruimte te houden voor andere samenwerkingsverbanden?

7. Wettelijke structuur van het kennisprogramma

De leden van de D66-fractie ondersteunen dat alleen samenwerkingsverbanden en kennisprogramma’s worden gefinancierd die voldoen aan de thema’s en doelen die samen vastgesteld worden. Kan de regering toelichten in hoeverre de huidige praktijk voldoet aan de thema’s en doelen zoals vastgelegd in de hoofdlijnennotitie of dat de regering nog verwacht dat partijen aanpassingen in hun werk zullen moeten doen? Zijn huidige of te verwachten gebruikers van deze regeling naar verwachting in staat om hieraan te voldoen, op dit moment en in de toekomst? Is het de bedoeling dat de uitgangspunten uit de hoofdlijnennotitie regelmatig worden vernieuwd op basis van actuele ontwikkelingen en zo ja, op welke termijn? Waarom is ervoor gekozen al deze zaken op te nemen in een bijgevoegde hoofdlijnennotitie, in plaats van (enkele) voorwaarden ook op te nemen in wet- en regelgeving?

De leden van de PRO-fractie lezen dat er een hoofdlijnennotitie wordt opgesteld. Deze leden vragen de regering welke inhoud de regering hiervoor heeft.

De leden van de PRO-fractie lezen dat een wettelijke, blijvende grondslag wordt gecreëerd voor beroepsziekteregelingen. Deze leden vragen of dit betekent dat de hiervoor beschikbare subsidie daarmee ook een structureel karakter krijgt. Zo nee, waarom niet?

De leden van de PVV-fractie constateren dat per hoofdlijnennotitie één samenwerkingsverband subsidie ontvangt. Tegelijkertijd schrijft de regering in de staatssteunanalyse dat er op dit moment geen markt is, dat slechts een beperkt aantal instellingen over de benodigde kennis en expertise beschikt en dat er geen andere aanbieders zijn. Deze leden vragen de regering hoe in die situatie voldoende concurrentie bij de subsidietender wordt gewaarborgd. Hoe wordt voorkomen dat een bestaand samenwerkingsverband feitelijk structureel de subsidie ontvangt? Welke concrete prestaties worden aan de subsidie gekoppeld en wanneer kan de regering besluiten een subsidie niet voort te zetten?

De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering bij dringende actualiteiten tijdens een lopende subsidieperiode een nieuwe hoofdlijnennotitie kan toevoegen. Deze leden vragen de regering wanneer volgens haar sprake is van een dringende actualiteit. Kan een nieuwe hoofdlijnennotitie ook leiden tot extra uitgaven boven het eerder vastgestelde subsidieplafond?

De leden van de CDA-fractie lezen dat het RIVM een wetenschappelijk ondersteunend bureau beschikbaar stelt. Wie is verantwoordelijk voor de inhoudelijke keuzes en resultaten van het kennisprogramma?

De leden van de JA21-fractie vragen wanneer de aangekondigde hoofdlijnennotitie(s) worden gepubliceerd en hoe het proces hieromtrent zal worden vormgegeven. Kan de regering hier nader op ingaan?

8. Wettelijke structuur van het Steunpunt RI&E

9. Verhouding tot hoger recht

De leden van de D66-fractie ondersteunen het belangrijke werk van het kennisprogramma beroepsziekten en het Steunpunt RI&E. Deze leden steunen daarbij voorstellen die hun werk kunnen verbeteren. Dit werk zou gehinderd kunnen worden indien op basis van het wetsvoorstel geoordeeld zou worden dat hier sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Kan de regering nader toelichten waarom de Mededeling van de Europese Commissie hieromtrent ook specifiek van toepassing is op deze activiteiten? De regering stelt dat er geen markt bestaat op deze vlakken, maar sluit de regering dan uit dat er op dit moment mensen zijn die tegen betaling kennis delen op deze vlakken met bedrijven of hen ondersteunen met het voldoen van de RI&E-verplichtingen? Kan de regering toelichten waarom niet gekozen is om het zekere voor het onzekere te nemen door deze activiteiten aan te wijzen als diensten van een algemeen economisch belang (DAEB)?

De leden van de PVV-fractie constateren dat het wetsvoorstel het mogelijk maakt dat ook instellingen die geen bestuursorgaan zijn, gezondheidsgegevens verwerken wanneer zij een taak krijgen bij de uitvoering van een tegemoetkomingsregeling. De regering noemt in de memorie van toelichting als voorbeeld een stichting die de belangen van mensen met een bepaalde beroepsziekte behartigt. Deze leden vragen zich af waarom de belangrijkste rechten en voorwaarden niet in de wet zelf kunnen worden vastgelegd en alleen de onderdelen die regelmatig moeten worden gewijzigd, bij lagere regelgeving worden geregeld.
De Raad van State heeft daarnaast vraagtekens gezet bij de staatssteunanalyse voor het Steunpunt RI&E en gewezen op de mogelijkheid om de taak vorm te geven als een dienst van algemeen economisch belang. De regering houdt vast aan de conclusie dat geen sprake is van staatssteun. Deze leden vragen de regering waarop deze conclusie juridisch is gebaseerd.
Wat zijn de gevolgen voor de structurele financiering als later blijkt dat er toch sprake is van staatssteun?

De leden van de JA21-fractie lezen in de memorie van toelichting op pagina 15 en pagina 16 dat er bij de regeling-TSB en de regeling-TAS ernaar wordt gestreefd om de verwerking van persoonsgegevens tot een minimum te beperken. Daarnaast wordt er gesteld dat de verwerkingen van persoonsgegevens nodig zijn om te voorkomen dat ten onrechte een tegemoetkoming wordt verstrekt. Welke praktijkervaringen hieromtrent zijn er reeds opgedaan bij de regeling-TSB en regeling-TAS? Zijn er gevallen bekend van personen die hierdoor ten onrechte tegemoetkomingen hebben gekregen of juist zijn misgelopen?

10. Verhouding tot nationaal recht

De leden van de PRO-fractie constateren dat er een lopende kwestie is die nog altijd niet goed is geregeld. Het betreft de dertigjarige verjaringstermijn voor schadeclaims, die voor een deel van de asbestslachtoffers nog steeds niet is vervallen. Asbestslachtoffers krijgen hun diagnose vaak pas tientallen jaren na de laatste blootstelling aan asbest. Hierdoor is de dertigjarige verjaringstermijn in veel gevallen al verstreken voordat zij weten dat zij ziek zijn. Daarmee kan hun recht op schadevergoeding zijn verjaard voordat de schade zich überhaupt heeft geopenbaard. Deze leden vinden dit bijzonder schrijnend, omdat het slachtoffer wordt geconfronteerd met een verjaringstermijn die buiten zijn of haar invloed is verstreken, terwijl juist de aard van asbestziekten de lange periode tussen blootstelling en het ontstaan van de ziekte veroorzaakt. Deze leden constateren dat er in het verleden op meerdere momenten in de Kamer over is gesproken, met als gevolg een aangenomen motie met Kamerstuk 25883, nr. 507.

De leden van de PRO-fractie constateren dat dit wetsvoorstel, dat onder andere een wettelijke grondslag schept voor de erkenning van mensen die lijden aan beroepsziekten en voor de Tegemoetkomingsregeling Asbestslachtoffers, bij uitstek een gelegenheid biedt om ook deze kwestie op te lossen. Deze leden vragen de regering dan ook waarom niet van deze gelegenheid gebruik wordt gemaakt om de dertigjarige verjaringstermijn voor alle asbestslachtoffers te laten vervallen.

De leden van de PRO-fractie merken op dat er in deze wet expliciet wordt verwezen naar ziekten door werken met asbest in een ver verleden, waardoor “bewijslast” verdwenen kan zijn. Deze leden vragen de regering om in dit verband te reflecteren op de huidige civielrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar en de gevolgen daarvan voor slachtoffers van beroepsziekten die pas na lange tijd aan het licht komen.

De leden van de PRO-fractie vragen de regering tevens naar de actuele stand van zaken rond de “Reactie op verzoek commissie over asbestslachtoffers” (Kamerstuk 25834, nr. 199). Deze leden vragen welke ontwikkelingen zich sinds deze brief hebben voorgedaan, hoe de regering hier momenteel tegenaan kijkt en welke in de brief toegezegde acties inmiddels zijn uitgevoerd of nog openstaan.

In het verlengde daarvan vragen de leden van de PRO-fractie expliciet in te gaan op de volgende onderdelen van de genoemde brief. Het vorige kabinet heeft de Kamer laten weten dat het de voorkeur geniet om asbestslachtoffers langs andere wegen tegemoet te komen. Daarbij werd onder meer gewezen op het voeren van gesprekken met weigerachtige werkgevers die zich nog op verjaring beroepen. Voor zover deze leden bekend zijn de gesprekken met werkgevers niet gevoerd en is geen invulling gegeven aan deze toezegging. Deze leden vragen de regering daarom om toe te lichten welke concrete stappen sindsdien zijn gezet om deze toezegging gestand te doen, en hoeveel asbestslachtoffers inmiddels daadwerkelijk langs deze weg tegemoet zijn gekomen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel een beroepsziekte als een ziekte of aandoening die “in overwegende mate” het gevolg is van arbeid of arbeidsomstandigheden omschrijft. Voor individuele aanvragen binnen de TSB-regeling blijft het criterium “voorshands aannemelijk” gelden. Hoe voorkomt de regering dat de nieuwe wettelijke definitie bij aanvragers of uitvoerders de indruk wekt dat voortaan een zwaardere bewijslast geldt?

11. Gevolgen kennisprogramma beroepsziekten

12. Gevolgen grondslag beroepsziekteregelingen

De leden van de PRO-fractie merken op dat zowel de Raad van State als de FNV aandacht hebben gevraagd voor de definitie van het begrip beroepsziekten in het voorliggende wetsvoorstel en in de TSB-regeling. Deze leden lezen dat de regering voornemens is het begrip in de TSB-regeling aan te vullen met een ander begrip, om te voorkomen dat het begrip beroepsziekte in de TSB-regeling anders wordt uitgelegd. Deze leden vragen wat de actuele stand van zaken hiervan is.

De leden van de PRO-fractie vragen tevens waarom er niet voor is gekozen om de definitie van het begrip beroepsziekte rechtstreeks in de wet aan te passen. Deze leden vragen de regering om een beschouwing van de voor- en nadelen van het aanpassen van de wettelijke definitie enerzijds ten opzichte van het aanvullen van het begrip in de TSB-regeling anderzijds. Deze leden vragen de regering expliciet in te gaan op beide opties.

De leden van de PVV-fractie constateren dat de Raad van State aandacht heeft gevraagd voor het verschil tussen de wettelijke definitie van beroepsziekte en het criterium "voorshands aannemelijk" dat binnen de TSB wordt gebruikt. De regering stelt in het nader rapport dat het voorshandsaannemelijkprincipe voor de TSB behouden blijft. Deze leden vragen de regering te bevestigen dat de nieuwe wettelijke definitie niet leidt tot een zwaardere bewijslast voor huidige en toekomstige TSB-aanvragers en hun recht op een tegemoetkoming niet beperkt.

13. Gevolgen grondslag Steunpunt RI&E

De leden van de PVV-fractie lezen in de memorie van toelichting dat 68% van de werkgevers over een RI&E beschikt en een derde van de bedrijven met een RI&E slecht scoort op volledigheid en actualiteit. Bij bedrijven met minder dan vijf werknemers heeft 59% een RI&E. Deze leden vragen de regering welk percentage van de werkgevers moet volgens de regering over twee jaar en over vijf jaar een volledige en actuele RI&E hebben? Wanneer vindt de regering dat de structurele financiering van het Steunpunt RI&E voldoende resultaat heeft opgeleverd?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de naleving van de RI&E-verplichting vooral bij kleine werkgevers achterblijft. Volgens de memorie heeft 59% van de bedrijven met minder dan vijf werknemers een RI&E, tegenover 96% van de werkgevers met honderd of meer werknemers. Welke verbetering wil de regering met de structurele financiering van het Steunpunt RI&E bereiken?

14. Regeldruk

De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering schrijft dat de regeldrukgevolgen van het kennisprogramma verder worden uitgewerkt in de subsidieregeling en dat de kosten voor het RIVM en de apparaatskosten eveneens later worden uitgewerkt. Deze leden vragen de regering waarom de Kamer nog geen volledig beeld heeft van de kosten en de administratieve lasten. Wat gaat dit de deelnemende instellingen en de overheid kosten, eenmalig en jaarlijks?

De leden van de JA21-fractie vragen de regering nader in te gaan op de tekortkomingen die het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) benoemd heeft ten aanzien van de regeldrukparagraaf.

15. Financiële gevolgen

De leden van de PRO-fractie vragen of het klopt dat alle benodigde middelen reeds zijn voorzien voor de wettelijke grondslag voor het kennisprogramma en het daaruit voortvloeiende beleid. Indien dit niet het geval is, vragen deze leden welke aanvullende middelen nodig zijn en op welke wijze hierin wordt voorzien.

De leden van de PRO-fractie vragen of het klopt dat alle benodigde middelen reeds zijn voorzien voor de wettelijke grondslag voor tegemoetkomingen bij beroepsziekten en het daaruit voortvloeiende beleid. Indien dit niet het geval is, vragen deze leden welke aanvullende middelen nodig zijn en op welke wijze hierin wordt voorzien.

De leden van de PRO-fractie vragen of het klopt dat alle benodigde middelen reeds zijn voorzien voor de wettelijke grondslag voor het Steunpunt RI&E en het daaruit voortvloeiende beleid. Indien dit niet het geval is, vragen deze leden welke aanvullende middelen nodig zijn en op welke wijze hierin wordt voorzien.

De leden van de PVV-fractie constateren dat in de memorie van toelichting staat dat voorlopig ongeveer €5,5 miljoen per jaar structureel is gereserveerd voor het kennisprogramma. Deze leden vragen de regering om dit bedrag uit te splitsen. Kan de regering de €5,5 miljoen per jaar uitsplitsen? Hoeveel geld gaat naar de instellingen die het onderzoek uitvoeren, hoeveel naar het RIVM en hoeveel naar de overige uitvoeringskosten?

De leden van de PVV-fractie constateren dat voor het Steunpunt RI&E nu een driejarige subsidie van in totaal €1,5 miljoen euro loopt.
De regering maakt deze financiering structureel en indexeert de bedragen jaarlijks, maar noemt in de memorie van toelichting geen structureel jaarbedrag vanaf 2027. Deze leden vragen de regering welk bedrag vanaf 2027 jaarlijks voor het Steunpunt RI&E wordt geraamd? Uit welk begrotingsartikel wordt dit bedrag dan betaald?

De leden van de PVV-fractie constateren dat de financiële gevolgen van de TAS- en TSB-regeling in dit wetsvoorstel niet volledig worden weergegeven. Deze leden vragen de regering daarom om een overzicht van de geraamde jaarlijkse uitgaven aan tegemoetkomingen en uitvoering van beide regelingen voor de jaren 2027 tot en met 2031. Deze leden willen weten welk bedrag werkgevers via de Aof-premie bijdragen aan de financiering van de TSB en hoe dit bedrag zich naar verwachting de komende jaren ontwikkelt.

De leden van de CDA-fractie lezen dat voor het kennisprogramma voorlopig ongeveer €5,5 miljoen per jaar beschikbaar is. Welke resultaten verwacht de regering met dit budget te bereiken? En hoe krijgt de Kamer inzicht in de besteding aan onderzoek, kennisverspreiding en ondersteuning door het RIVM?

De leden van de CDA-fractie menen dat het wetsvoorstel niet vastlegt hoe toekomstige tegemoetkomingsregelingen worden gefinancierd. De Raad van State wijst daarbij op de verantwoordelijkheid van werkgevers en opdrachtgevers voor veilige arbeidsomstandigheden. Welke uitgangspunten hanteert de regering voor de financiering van nieuwe regelingen? Blijft daarbij het uitgangspunt dat werkgevers gezamenlijk bijdragen wanneer het gaat om gezondheidsschade die door werk is ontstaan?

16. Uitvoering

17. Evaluatie

De leden van de D66-fractie vragen waarom een evaluatie voorzien is na vijf jaar, terwijl een groot deel van de wetswijzigingen een wettelijke grondslag betreft voor bestaand beleid.

De leden van de PVV-fractie constateren dat de wet vijf jaar na inwerkingtreding wordt geëvalueerd. Deze leden vragen de regering welke informatie de Kamer in de tussentijd ontvangt. Is de regering bereid jaarlijks te rapporteren over de besteding van de middelen, de resultaten van het kennisprogramma, het aantal TSB- en TAS-aanvragen, de uitvoeringskosten en de ontwikkeling van de RI&E-naleving?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de wet binnen vijf jaar wordt geëvalueerd. In de tussentijd kunnen nieuwe beroepsziekten en nieuwe tegemoetkomingsregelingen worden toegevoegd. Welke gegevens houdt de regering vanaf de start bij over het bereik van de regelingen, het gebruik van de ontwikkelde kennis, de naleving van de RI&E en de ervaringen van getroffenen? Kan de Kamer hierover ook vóór de evaluatie worden geïnformeerd?

18. Consultatie en advies

19. Bekendmaking en inwerkingtreding

De leden van de CDA-fractie lezen dat de huidige subsidie voor het Steunpunt RI&E volgens de memorie afloopt op 1 mei 2027, terwijl de beoogde inwerkingtreding van deze wet 1 juli 2027 is. Hoe wordt de financiering van het Steunpunt in de tussenliggende periode geregeld? Kan de regering garanderen dat de dienstverlening aan werkgevers en branches in die periode doorgaat?

II. Artikelsgewijs

De voorzitter van de commissie,

Van der Lee

Adjunct-griffier van de commissie,

Van Mullekom