[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Vierde nota van wijziging

Wijziging van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg en de Jeugdwet in verband met digitale identificatie en authenticatie in de zorg

Nota van wijziging

Nummer: 2026D47842, datum: 2026-10-05, bijgewerkt: 2026-10-06 13:12, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36702 -15 Wijziging van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg en de Jeugdwet in verband met digitale identificatie en authenticatie in de zorg .

Onderdeel van zaak 2025Z04082:

Onderdeel van zaak 2026Z20746:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 702 Wijziging van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg en de Jeugdwet in verband met digitale identificatie en authenticatie in de zorg
Nr. 15

VIERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 5 oktober 2026

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I, onderdeel B, wordt als volgt gewijzigd:

1. Het voorgestelde artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het derde lid komt te luiden:

3. Onze Minister kan voor het in stand houden en beheren van het register:

a. bij een aanvraag tot registratie in het register van zorgmedewerkers de betaling van een eenmalige vergoeding verlangen;

b. van zorgaanbieders, indicatieorganen en zorgverzekeraars de betaling van een jaarlijkse vergoeding verlangen.

b. In het vierde lid, onder d, wordt na “de hoogte van de” ingevoegd “jaarlijkse of eenmalige”.

2. In het voorgestelde artikel 15 wordt in het eerste lid “Voor zover” vervangen door “Wanneer”.

B

In artikel I, onderdeel F, wordt in het voorgestelde artikel 18 “blijft van toepassing op de uitgegeven en nog uit te geven middelen tot 1 november 2028” vervangen door “blijft gelden voor de onder dat hoofdstuk door een beheerder uitgegeven en nog uit te geven middelen tot een bij een koninklijk besluit te bepalen tijdstip”.

C

Artikel II, onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:

1. Het voorgestelde artikel 7.2.7 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het derde lid komt te luiden:

3. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan voor het in stand houden en beheren van het register:

a. bij een aanvraag tot registratie in het register van jeugdhulpverleners en medewerkers die werkzaamheden verrichten of gaan verrichten voor jeugdhulpaanbieders de betaling van een eenmalige vergoeding verlangen.

b. van jeugdhulpaanbieders de betaling van een jaarlijkse vergoeding verlangen.

b. In het vierde lid, onder d, wordt “de jaarlijkse vergoeding” vervangen door “de jaarlijkse of eenmalige vergoeding”.

2. In het voorgestelde artikel 7.2.8 wordt in het eerste lid “Voor zover” vervangen door “Wanneer”.

D

In artikel II, onderdeel B, wordt in het voorgestelde vijfde lid “blijft van toepassing op de uitgegeven en nog uit te geven middelen tot 1 november 2028” vervangen door “blijft gelden op de onder dat hoofdstuk door een beheerder uitgegeven en nog uit te geven middelen tot een bij een koninklijk besluit te bepalen tijdstip”.

Toelichting

Deze nota van wijziging past het wetsvoorstel op drie punten aan. In de eerste plaats wordt naast de jaarlijkse gevraagde vergoeding voor de registratie van zorg- en jeugdhulpaanbieders, indicatieorganen en zorgverzekeraars in het Dezi-register, een basis gecreëerd voor een eenmalige vergoeding bij inschrijving van zorgmedewerkers, jeugdhulpverleners en medewerkers die werkzaamheden verrichten of gaan verrichten voor jeugdhulpaanbieders. In de tweede plaats wordt de einddatum voor de UZI-middelen bij koninklijk besluit bepaald. Als laatste zijn er redactionele verbeteringen toegepast.

Onderdelen A & C

Deze onderdelen passen aan dat voor zorgmedewerkers, jeugdhulpverleners en medewerkers die werkzaamheden verrichten of gaan verrichten voor jeugdhulpaanbieders niet langer sprake is van een gevraagde jaarlijkse vergoeding, maar van een betaling van een eenmalige gevraagde vergoeding bij een aanvraag tot inschrijving in het Dezi-register. Deze betalingen dekken de kosten voor het in stand houden van het Dezi-register. De jaarlijkse gevraagde betaling van een vergoeding door zorgaanbieders, indicatieorganen, zorgverzekeraars en jeugdhulpaanbieders blijft ongewijzigd. De bepaling hieromtrent is aangescherpt, zodat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels hierover gesteld kunnen worden.

Met deze wijzigingen wordt tegemoetgekomen aan signalen uit het zorgveld over de administratieve lasten die samenhangen met een jaarlijkse betaling van een vergoeding door zorgmedewerkers en jeugdhulpverleners en medewerkers die werkzaamheden verrichten of gaan verrichten voor jeugdhulpaanbieders. De jaarlijkse betaling van een vergoeding die zorgmedewerkers, jeugdhulpverleners en medewerkers die werkzaamheden verrichten of gaan verrichten voor jeugdhulpaanbieders moeten voldoen, worden naar verwachting met name gedeclareerd bij de zorgaanbieder. Dit betekent dat de zorgaanbieders en jeugdhulpaanbieders jaarlijks 1,5 miljoen declaraties moeten verwerken. Dit leidt zowel voor de medewerker als voor de betrokken organisatie tot terugkerende administratieve handelingen. Door voor zorgmedewerkers, jeugdhulpverleners en medewerkers die werkzaamheden verrichten of gaan verrichten voor jeugdhulpaanbieders te kiezen voor een eenmalige betaling van een vergoeding bij inschrijving in het Dezi-register, worden deze jaarlijkse terugkerende administratieve lasten weggenomen. Via deze weg worden de administratieve lasten verder beperkt, bovenop de beperking van de administratieve lasten die nu al volgt uit het wetsvoorstel.

Daarnaast wordt in deze onderdelen de zinssnede ‘Voor zover’ vervangen door ‘Wanneer’. Het gaat om een technische aanpassing om het toepassingsmoment van deze bepalingen te verduidelijken.

Onderdeel B & D

Dit onderdeel vervangt in Artikel I, onderdeel F, en Artikel II, onderdeel A, de einddatum voor het gebruik van UZI-middelen door een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Doordat de implementatie van het Dezi-stelsel nog niet is gestart, resteert minder tijd voor de overgang van het UZI-stelsel naar het Dezi-stelsel, zoals bepaald in het huidige wetsvoorstel. Naar aanleiding hiervan en, van signalen uit de Kamer dat de continuïteit van de zorg niet in gevaar mag komen, kan het gebruik van de UZI-middelen eenmalig verlengd worden. Dit zal dan een doorlooptijd tot 1 oktober 2029 hebben. Hierom wordt de einddatum in het huidige wetsvoorstel aangepast door een bij een koninklijk besluit te bepalen datum. Het uitgangspunt blijft het gebruik van UZI-middelen tot 1 oktober 2029 mogelijk te maken. Door deze datum met een koninklijk besluit te bepalen, is er ruimte voor het ondervangen van uitloop, zonder het wetsvoorstel te hoeven wijzingen.

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,

W.R.C. Sterk