Verslag van een schriftelijk overleg over de schaarste van antenne-opstelpunten voor mobiele telecommunicatie (Kamerstuk 26643-1504)
Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D47899, datum: 2026-10-01, bijgewerkt: 2026-10-16 13:19, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken (VVD)
- Mede ondertekenaar: R.D. Reinders, griffier
- Beslisnota bij verslag van een schriftelijk overleg over de schaarste van antenne-opstelpunten voor mobiele telecommunicatie (Kamerstuk 26643-1504)
- Dialogic Analyse schaarste van antenne-opstelpunten in Nederland
Onderdeel van kamerstukdossier 26643 -1566 Informatie- en communicatietechnologie (ICT).
Onderdeel van zaak 2026Z20794:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Digitale Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken
- 2026-11-03 16:45: Procedurevergadering commissie Economische Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Economische Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Hierbij zend ik u de antwoorden op de SO vragen over de schaarste van antenne-opstelpunten voor mobiele telecommunicatie (2026Z07967, ingezonden 28 mei 2026).
W.J.M. Aerdts
Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Beantwoording Schriftelijk Overleg schriftelijk overleg schaarste van antenne-opstelpunten voor mobiele telecommunicatie
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
1
De leden van de D66-fractie lezen dat de staatssecretaris geen acuut
probleem constateert, maar erkent dat de behoefte aan nieuwe
antennelocaties in stedelijk gebied snel toeneemt. Deelt zij de analyse
dat hoogwaardige mobiele connectiviteit een randvoorwaarde is voor
innovatie en mkb-digitalisering, en welke ruimte ziet zij om knelpunten
voor te zijn in plaats van achteraf te herstellen?
Antwoord
Ik deel de mening dat hoogwaardige digitale connectiviteit een randvoorwaarde is om maatschappelijke en economische kansen te benutten, waaronder op gebied van innovatie en digitalisering. Ik neem de signalen uit de sector serieus en daarom verken ik, aanvullend op de extra plaatsingsmogelijkheden onder de gigabitinfrastructuurverordening, de volgende maatregelen:
Het ophogen van de grens voor vergunningsvrije plaatsing van antenne-installaties van 5 naar 7 meter;
Het vernieuwen van het Antenneconvenant en daarbij betrekken van extra deelnemers.
2
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat de verhoging van vergunningsvrije antennehoogte van vijf naar zeven meter een concrete stap is. Op welke termijn wordt deze ingevoerd, en welke afweging is daarbij gemaakt tussen versnelling en ruimtelijke kwaliteit?
Antwoord
Voor het ophogen van de vergunningsvrije grens van 5 naar 7 meter is aanpassing van regelgeving onder de Omgevingswet nodig. Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) is verantwoordelijk voor deze wetgeving. Voorafgaand aan een eventuele wijziging ben ik met het ministerie van VRO hierover in gesprek, waarbij het voornemen is om nog dit jaar een onderzoek te starten naar de effecten van de beoogde wijziging. Daarbij zal onder meer worden gekeken naar zowel de effecten op het verbeteren van de mobiele connectiviteit als de impact op de ruimtelijke kwaliteit.
3
De leden van de D66-fractie vragen voorts hoe ambitieus de aangekondigde modernisering van het Antenneconvenant 2002 wordt. Gaat het primair om uitbreiding van het aantal deelnemers, of overweegt de staatssecretaris ook stappen zoals uniforme doorlooptijden of een sjabloon-omgevingsplan voor antennes?
Antwoord
Het Antenneconvenant is voor het laatst gewijzigd in 2021. Ik ben momenteel nog in gesprek met de deelnemers over de vernieuwing van het convenant, waarbij zij zelf suggesties kunnen aandragen om wijzigingen door te voeren. Omdat de gesprekken nog lopen, vind ik het niet gepast vooruit te lopen op mogelijke wijzigingen. Zoals genoemd in de Kamerbrief wordt als onderdeel van de vernieuwing ook verkend of het betrekken van nieuwe deelnemers opportuun is. Daartoe lopen in eerste plaats gesprekken met Aedes, de koepel van woningcorporaties. Bij het doorvoeren van mogelijke vernieuwingen en het laten toetreden van nieuwe deelnemers zal in elk geval gekeken worden naar de bestaande uitgangspunten van het convenant. Daarbij dient ook een afweging te worden gemaakt of het convenant daartoe het geëigende instrument is of dat een ander instrument beter passend is.
4
De leden van de D66-fractie lezen in het Dialogic-rapport een gedoogplicht voor uitzonderingssituaties als optie. Deze leden begrijpen de terughoudendheid maar vragen of een verkenning van een beperkte, gerichte gedoogplicht voor stedelijk gebied alsnog van waarde kan zijn. Onder welke omstandigheden zou de staatssecretaris hier wel toe bereid zijn?
Antwoord
Ik zie op dit moment geen grond voor een gedoogplicht die ingrijpt in het eigendomsrecht. Wel zal ik samen met de sector de vinger aan de pols houden om ontwikkelingen te blijven volgen, mede op basis van cijfers over antenneplaatsingen van Monet, de vereniging van de drie mobiele netwerkaanbieders. Tegelijkertijd zal ik monitoren of de extra plaatsingsmogelijkheden onder de gigabitinfrastructuurverordening in de praktijk het gewenste effect heeft. Mocht onverhoopt blijken dat de plaatsingspraktijk verslechtert, dan ben ik bereid te kijken naar aanvullende, al dan niet juridische, mogelijkheden.
5
De leden van de D66-fractie lezen dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) in 2022 een marktverkenning heeft gedaan naar de rol van tussenpersonen bij gebouweigenaren. In de praktijk worden ACM-procedures door operators als te lang en daarom als weinig effectief ervaren. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om de ACM een actievere, meer handhavende rol te geven op deze markt?
Antwoord
In mijn gesprekken met ACM breng ik signalen van stakeholders over en ook verwijs ik stakeholders naar ACM om dergelijke signalen zelf actief onder de aandacht te brengen bij de toezichthouder. Het is echter aan de ACM als onafhankelijk toezichthouder of en hoe daar vanuit haar toezichts- en handhavingstaken opvolging aan te geven. De instrumenten om dat te doen heeft de ACM al in handen. Zo heeft de ACM eerder een besluit gepubliceerd over een geschil tussen Vodafone en Aegon over het medegebruik van een antenne-opstelpunt op het dak van een woongebouw van Aegon.1 De uitkomsten van dat besluit geven bijvoorbeeld richting aan het hanteren van billijke en niet-discriminerende voorwaarden en vergoedingen bij dergelijk medegebruik. Daarnaast brengt het wetsvoorstel voor de gigabitinfrastructuurverordening een uitbreiding en aanvulling van huidige taken mee rond antenneplaatsingspraktijken.
6
De leden van de D66-fractie lezen dat de staatssecretaris meermaals verwijst naar de Europese gigabitinfrastructuurverordening. Hoe wordt gemonitord of medeoverheden daadwerkelijk meewerken aan redelijke verzoeken?
Antwoord
De verordening verplicht overheden om mee te werken aan redelijke verzoeken van (telecom)exploitanten om toegang tot hun fysieke infrastructuur. Als partijen daar niet uitkomen, dan kan het dan ontstane geschil aan de ACM ter beoordeling worden voorgelegd. Het oordeel van de ACM kan op zijn beurt, als een van de partijen dat wenst, weer aan de rechter worden voorgelegd. Ik zal de praktische uitwerking van de verordening in de komende jaren volgen, om te zien of deze in Nederland inderdaad het effect heeft zoals de verordening beoogt. Onder meer via periodieke overleggen tussen het Rijk, gemeenten en de sector over de uitvoeringspraktijk rond telecomaanleg.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
7
De leden van de VVD-fractie lezen dat Dialogic in opdracht van Monet een onderzoek heeft uitgevoerd naar de ervaren schaarste van antenne-opstelpunten in Nederland. Deze leden vragen waarom de staatssecretaris niet zelf deze opdracht aan Dialogic heeft gegeven. Deze leden vragen wie er uiteindelijk heeft betaald voor dit onderzoek.
8
De leden van de VVD-fractie vragen ook of het vaker voorkomt dat onderzoeksopdrachten niet door het ministerie worden uitgevoerd of dat het ministerie de opdracht afgeeft, maar dat belanghebbenden dit zelf moeten (laten) onderzoeken.
9
De leden van de VVD-fractie zouden graag het Dialogic-rapport ontvangen en vragen waarom dit niet is meegestuurd met de Kamerbrief. Ook vragen deze leden waarom het nog ruim een half jaar heeft geduurd na oplevering van het onderzoeksrapport voordat de Kamer is geïnformeerd.
Antwoord 7, 8 en 9
De Minister van Economische Zaken heeft begin 2025 contact gehad met Monet, voorafgaand aan het commissiedebat telecommunicatie op 25 januari 2025.2 Hier is, net als in het commissiedebat, gesproken over de gesignaleerde schaarste van antenne-opstelpunten. De minister heeft hierbij aangegeven de problematiek serieus te nemen en behoefte te hebben aan een cijfermatige onderbouwing. Monet heeft ervoor gekozen om een extern onderzoek uit te laten voeren, om deze cijfermatige onderbouwing vorm te geven. Het onderzoek is daarmee in opdracht van Monet uitgevoerd en de kosten voor dit onderzoek zijn betaald door Monet. Het staat belanghebbenden daarbij altijd vrij om onderzoeksopdrachten uit te zetten. Wel is het ministerie actief betrokken geweest bij het onderzoek, zoals bij het definiëren van onderzoeksvragen. Op de resultaten van het onderzoek is in de Kamerbrief gereflecteerd.3 Ook wordt in de brief verwezen naar het onderzoek op de website van NLconnect.4 Op deze wijze is het rapport ook zichtbaar voor de lezers van de Kamerbrief. Het Dialogic-rapport zal ook als bijlage worden meegezonden met deze beantwoording. Het heeft na het publiceren van het onderzoeksrapport langere tijd geduurd voordat de Kamer is geïnformeerd. Deze tijd is benut voor overleg met de telecomsector over de bevindingen en daarmee het verkrijgen van een gezamenlijk beeld over de urgentie en de te verkennen oplossingsrichtingen. Dit is gebeurd, mede op verzoek van de sector zelf.
10
De leden van de VVD-fractie vragen, mede door het niet zelf (laten) uitvoeren van het onderzoek en de brief die op zich heeft laten wachten, of de urgentie van de problematiek door de staatssecretaris voldoende worden gevoeld. Graag ontvangen deze leden daar een reflectie op.
Antwoord
De urgentie van de problematiek en het belang van hoogwaardige connectiviteit ervaar ik zeer zeker, zoals ik ook heb onderstreept in de Kamerbrief. Zo heb ik benadrukt dat de beschikbaarheid van hoogwaardige digitale connectiviteit één van de fundamenten is om de maatschappelijke en economische kansen van digitalisering ten volle te kunnen benutten. Zoals uit het onderzoek blijkt, zijn er geen grootschalige tekortkomingen in netwerkdekking of -capaciteit. Dit blijkt verder uit de metingen van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) bij het toezicht op de dekkings- en snelheidsverplichting.5 Desalniettemin zie ik gezien de toegenomen zoekgebieden in (groot)stedelijke gebieden aanleiding om de in de brief genoemde maatregelen te verkennen.
11
De leden van de VVD-fractie vragen waarom wordt geconcludeerd dat er geen acuut probleem is, maar dat er wel is vastgesteld dat het steeds moeilijker wordt geschikte locaties voor opstelpunten te vinden. Deze leden vragen wat, volgens de staatssecretaris, het kantelpunt is wanneer er wel een acuut probleem is.
Antwoord
Het onderzoek geeft aan dat er geen grootschalige tekortkomingen zijn in netwerkdekking of -capaciteit. Een kantelpunt zou kunnen zijn dat de doorlooptijd voor het realiseren van een antenne-opstelpunt verder toeneemt of gaten in de dekking en/of capaciteit ontstaan als gevolg van problemen bij het invullen van zoekgebieden. Gezien de hoge kwaliteit van de Nederlandse mobiele netwerken, is geen sprake van een acuut (landelijk) probleem. Wel is er sprake van toenemende moeite met het vinden van voldoende geschikte locaties voor antenne-opstelpunten, waarbij het van belang is om de cijfers te blijven monitoren. Om deze reden heb ik een oproep gedaan aan de mobiele netwerkoperators (MNO’s) om de cijfers in de gaten te houden, voor het geval de doorlooptijd verder oploopt of gevolgen kent voor eindgebruikers zoals verminderde dekking.
12
De leden van de VVD-fractie menen dat een goede bereikbaarheid voor het AMBER-alert essentieel is, zeker nu definitief gestopt gaat worden met het maandelijks testen van het luchtalarm. Deze leden vragen of een proactieve houding voor het vinden van geschikte locaties nu urgenter gaat worden. Ook vragen deze leden wat de gevolgen zijn van de beperkte ruimte voor opstelpunten voor de bereikbaarheid van noodnummer 112.
Antwoord
NL Alert en het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) zijn beide alerteringsmiddelen van de overheid bij rampen en crises. NL Alert is hierbij het primaire alerteringsmiddel in Nederland. AMBER Alert is iets anders dan NL Alert. Via de Burgernetapp worden alerts verspreid wanneer een vermist kind in levensgevaar is (dit zijn de zogeheten AMBER Alerts). Inmiddels is besloten om het bestaande netwerk van WAS-palen tot in ieder geval 2028 operationeel te houden.6 Daaropvolgend zal het sirenenetwerk worden vervangen door een nieuw sirenenetwerk. Goede dekking van mobiele netwerken is van belang voor het kunnen ontvangen van NL Alert en het mobiel kunnen bereiken van 112. Ondanks de toegenomen moeite voor het vinden van voldoende opstelpunten, behoort de mobiele netwerkdekking van Nederland tot de wereldtop. Dit blijkt onder andere uit het toezicht van de RDI op de dekkings- en snelheidsverplichting (DSV) en internationale benchmarks.7 Mocht desondanks mobiele onbereikbaarheid van 112 worden ervaren, kan dit worden gemeld bij het centraal informatiepunt mobiele bereikbaarheid 112.8
13
De leden van de VVD-fractie zijn blij te lezen dat er twee maatregelen verkend gaan worden en zij vragen wanneer de Kamer de resultaten van deze verkenning mag ontvangen. Daarnaast vragen deze leden of het niet verstandiger zou zijn de grens voor vergunningsvrije plaatsing van antenne-installaties direct op te hogen naar 7 meter.
Antwoord
Het streven is om het Antenneconvenant nog dit jaar te vernieuwen. Daaropvolgend zal ik de Kamer informeren, zoals dit bij een eerdere vernieuwing ook is gedaan.9 Daarnaast is het streven om nog dit jaar een onderzoek te starten naar de mogelijkheid tot het verruimen van vergunningsvrije antenneplaatsing. Voor het ophogen van de vergunningsvrije grens van 5 naar 7 meter is aanpassing van regelgeving onder de Omgevingswet nodig. Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) is verantwoordelijk voor deze wetgeving. Voorafgaand aan een eventuele wijziging is eerst nader onderzoek nodig naar enerzijds beoogde effecten voor het verbeteren van mobiele connectiviteit en anderzijds ruimtelijke effecten.
14
Tot slot vinden de leden van de VVD-fractie het belangrijk dat Nederland de economische kansen kan benutten die de ontwikkeling van 6G biedt. Welke gevolgen heeft de beperkte ruimte voor opstelpunten voor de ontwikkeling van 6G in Nederland? Zijn er nog andere economische gevolgen als gevolg van de problemen rondom de plaatsing van opstelpunten?
Antwoord
De ontwikkeling van 6G bevindt zich nog in een vroeg stadium en de huidige ontwikkeling ondervindt geen consequenties van beperkte ruimte. Het is verder nog onzeker welke gevolgen de toekomstige ingebruikname van 6G zal hebben op de vraag naar antenne-opstelpunten. In algemene zin is het beeld dat de schaarste rondom de plaatsing van antenne-opstelpunten nog niet leidt tot andere grootschalige economische gevolgen, gelet op de mogelijkheden om zoekgebieden nu nog in te vullen en de schaarste nu geen gevolgen kent voor dekking of snelheden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
15
De leden van de PRO-fractie erkennen het belang van goede digitale connectiviteit. Zij benadrukken dat dit niet een gegeven is. Een land dat zich ‘digitale koploper’ acht, moet bereid zijn te investeren in een stevig digitaal netwerk. In dit licht vragen deze leden of de staatssecretaris in wil gaan op hoe zij de taakverdeling voor deze opgave voor zich ziet. Welke verantwoordelijkheid draagt de overheid en welke verantwoordelijkheid draagt de markt? Hoe werken overheid en markt samen? Daarbij vragen deze leden of de staatssecretaris weet wanneer Nederland de connectiviteitsdoelstelling haalt om álle huishoudens van een 1000Mbps-verbinding te voorzien.
Antwoord
De markt voorziet inmiddels het overgrote deel van Nederland van snel internet.10 De overheid draagt daarbij verantwoordelijkheid voor het scheppen van de juiste randvoorwaarden voor deze investeringen en het ondersteunen van medeoverheden met kennisuitwisseling en expertise die een soepele uitrol bevorderen. Nederland is hiermee goed op weg om de Europese connectiviteitsdoelstelling van 1000 Mbps per 2030 te halen. Volgens de prognose van oktober 2024, zullen naar verwachting in 2028 nog zo’n 12.000 adressen niet door de markt worden voorzien van snel vast internet. Deze adressen kunnen veelal wel beschikken over draadloze alternatieven die steeds hogere snelheden bieden. In 2028 zal de balans opnieuw worden opgemaakt hoe de uitrol van snel internet en de draadloze alternatieven zich ontwikkelen.
16
De leden van de PRO-fractie zijn benieuwd naar de risico’s die de mobiele netwerkaanbieders schetsen, in het geval er geen actie wordt genomen. Wat bedoelt de markt als zij zegt dat de kwaliteit en beschikbaarheid van hun netwerken “onder druk” kan komen te staan? Graag horen deze leden concreet welke risico’s zij voor zich zien. Hoe reëel acht de staatssecretaris deze risico’s? Net als de staatssecretaris waarderen deze leden dat er een analyse is uitgevoerd op verzoek van de marktpartijen. Zij vragen de staatssecretaris om concreet in te gaan op zowel de technische als niet-technische oplossingsrichtingen uit het rapport.
17
De leden van de PRO-fractie hebben vragen over de reactie op het rapport. Zo zijn zij benieuwd of, hoewel er nu geen toename zichtbaar is in de doorlooptijd om antenne-opstelpunten te realiseren, dit op termijn wél het geval kan zijn. Onder welke voorwaarden kan dit op langere termijn een probleem worden? Ook vragen deze leden wat er bedoeld wordt met “spanning” tussen de beleidsambities van Nederland en Europa en de druk op de bedrijfsvoering van mobiele netwerkaanbieders. Hoe duidt de staatssecretaris deze conclusie? Welke “spanning” bestaat hier?
Antwoord 16 en 17
De huidige cijfers geven geen aanleiding om te concluderen dat er momenteel een toename zichtbaar is in de doorlooptijd om antenne-opstelpunten te realiseren. Bij een toename van schaarste zou dit op termijn wel het geval kunnen zijn. Om deze reden roep ik in de Kamerbrief Monet op om de cijfers ook de komende tijd in de gaten te houden. In het Dialogic-rapport worden diverse oplossingsrichtingen aangedragen. Allereerst worden technische oplossingsrichtingen aangedragen. De technische oplossingsrichtingen liggen, aldus de onderzoekers, in de directe invloedsfeer van de MNO’s en worden toegepast zodra beschikbaar en haalbaar. Binnen de niet-technische oplossingsrichtingen, zoals aangedragen door Dialogic, kan de mogelijke deelname van eigenaren van daklocaties aan het Antenneconvenant bijdragen aan het vergroten van de beschikbaarheid van antenne-opstelpunten.
Mogelijke problemen als gevolg van de schaarste worden het grootst als deze schaarste zou gaan leiden tot gaten in de dekking. Voor nu wordt dit risico niet verwacht en blijkt uit metingen van de RDI en internationale benchmarks dat de dekking en snelheid van de Nederlandse mobiele netwerken tot de wereldtop behoort. Uiteraard is het zaak dit hoge niveau te behouden en daarom zet ik in op de maatregelen die ik heb toegelicht in mijn brief van april. In eerste instantie zal toename van schaarste kunnen leiden tot onvoldoende capaciteit, lagere snelheden van de netwerken en daarmee kan de koploperspositie van Nederland onder druk komen te staan. Hier wordt ook op gedoeld met “spanning” tussen de beleidsambities voor het versterken van hoogwaardige digitale infrastructuur en de druk op de bedrijfsvoering van mobiele netwerkaanbieders.
18
De leden van de PRO-fractie benadrukken het belang van participatie van bewoners. Hoewel het belang van sterke digitale infrastructuur zwaar weegt, hebben mensen het recht om bezwaar te maken op aanpassingen in hun fysieke ruimte. Hoe waarborgt de staatssecretaris dat recht, bijvoorbeeld in de implementatie van de gigabitinfrastructuurverordening? Welke maatregelen zijn er te nemen om het draagvlak voor noodzakelijke antenne-plaatsingen te behouden en vergroten? Deze leden vragen de staatssecretaris om op basis van actuele cijfers aan te geven hoe groot het draagvlak is voor antenne-plaatsingen in de fysieke leefomgeving en welke zorgen er zijn.
Antwoord
Voor plaatsing van vrijstaande, vergunningplichtige masten is participatie geborgd middels de Omgevingswet. Dit recht blijft ongewijzigd met de komst van de gigabitinfrastructuurverordening. Voor vergunningsvrije plaatsing, tot vijf meter op daken, regelt het Antenneconvenant dat bewoners geraadpleegd worden. Dit kan bijdragen aan het vergroten van het draagvlak voor noodzakelijke antenne-plaatsingen.
Concrete cijfers over draagvlak bij antenneplaatsingen zijn er niet. Wel blijkt uit het onderzoek naar de informatiebehoefte van de doelgroepen van het Antennebureau uit 2024 dat Nederlanders positiever zijn gaan kijken naar 5G ten opzichte van de onderzoeksresultaten van 2020 (2020: 30% (heel) positief en 2024: 37% (heel) positief). Het aandeel Nederlanders dat negatief is, is ten opzichte van de vorige meting gedaald (2020: 11% (heel) negatief en 2024: 4% (heel) negatief)).
Het Antennebureau vervult hier een rol in de voorlichting van inwoners en professionals over diverse aspecten van antennes. Denk hierbij aan wet- en regelgeving, techniek en de gezondheidseffecten van straling. Uit de hiervoor genoemde instemmingsprocedure als onderdeel van het Antenneconvenant blijkt dat sinds begin 2025 in het overgrote deel van de gevallen voldoende steun onder bewoners was voor de plaatsing van antenne-installaties op woongebouwen. Deze cijfers zeggen overigens niet alles over draagvlak: het kan voorkomen dat de gebouweigenaar en/of vereniging van eigenaren niet instemt met antenneplaatsing, waardoor er geen instemmingsprocedure plaatsvindt.
19
De leden van de PRO-fractie achten het verstandig om het Antenneconvenant te vernieuwen. Deze leden vragen de staatssecretaris om nader toe te lichten met welke deelnemers zij dit wil doen en of ook de belangen van bewoners van woningcorporaties en hoogbouwwoningen worden vertegenwoordigd. Ook wijzen zij erop dat het Nationaal Antennebeleid uit 2000 komt, en daarmee flink verouderd dreigt te worden. Is er, naast het implementeren van de gigabitinfrastructuurverordening, nog meer nodig om het nationale beleid te actualiseren?
Antwoord
In eerste instantie zal ik kijken naar toevoeging van de koepel van woningcorporaties. Deze koepel kan de belangen van bewoners vertegenwoordigen. In de Kamerbrief is verder genoemd om te kijken naar de koepels van universiteiten, hogescholen en mbo's. Er bestaat vooralsnog geen verdere intentie of aanleiding om naast het Antenneconvenant ook het Nationaal Antennebeleid ingrijpend te vernieuwen.
20
De leden van de PRO-fractie vragen de staatssecretaris om duidelijk te maken waarom is besloten om precies de twee genoemde aanvullende maatregelen te verkennen. Acht de staatssecretaris deze maatregelen het meest kansrijk? Wanneer verwacht de staatssecretaris de uitkomsten van deze verkenning te kunnen delen? Heeft de staatssecretaris ook andere maatregelen overwogen, en zo ja, waarom worden deze niet verder verkend?
Antwoord
De twee genoemde aanvullende maatregelen zijn het meest kansrijk en proportioneel. Ze dragen enerzijds bij aan het vergroten van de beschikbaarheid van potentiële antenne-opstelpunten, door mogelijke deelname van eigenaren van daklocaties aan het Antenneconvenant. De maatregel van het ophogen van de vergunningsvrije grens van 5 naar 7 meter kan bijdragen aan een lagere vraag naar antenne-opstelpunten en daarmee schaarste verminderen. Dit wordt in potentie mogelijk gemaakt doordat op meer antenne-opstelpunten medegebruik mogelijk is. In een onderzoek zal worden verkend wat de effectiviteit is van deze maatregel en wat dit voor gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving, zoals verandering van visuele inpassing. Daarnaast is eerder dit jaar de website van Overalsnelinternet vernieuwd11 en worden periodiek nieuwsbrieven verstuurd om geïnteresseerden te informeren over ontwikkelingen op het vlak van digitale connectiviteit. Er wordt gekozen om deze genoemde aanvullende maatregelen te verkennen, en bijvoorbeeld niet een gedoogplicht te onderzoeken, gezien een gedoogplicht veel ingrijpender zou zijn en de cijfers uit het Dialogic-onderzoek onvoldoende grond geven voor een dergelijke maatregel. Het streven is om het Antenneconvenant nog dit jaar te vernieuwen. Daaropvolgend zal ik de Kamer informeren, zoals dit bij een eerdere vernieuwing ook is gedaan. Daarnaast ben ik voornemens om nog dit jaar een onderzoek te starten naar de mogelijkheid tot het verruimen van vergunningsvrije antenneplaatsing.
21
Tot slot lezen de leden van de PRO-fractie wanneer er volgens de staatssecretaris aanleiding is om aanvullende mogelijkheden voor knelpunten in de antenneplaatsing te onderzoeken. Op welke wijze dient de noodzaak hiertoe onderbouwd te worden?
Antwoord
In de Kamerbrief wordt Monet opgeroepen om de cijfers, zoals becijferd in het rapport van Dialogic, ook de komende tijd te blijven monitoren. Op deze wijze kunnen eventuele meer vergaande maatregelen worden verkend, mocht dit alsnog nodig blijken. Een aanleiding hiervoor zou kunnen zijn dat de doorlooptijd voor het realiseren van een antenne-opstelpunt verder toeneemt of gaten in de dekking en/of capaciteit ontstaan als gevolg van problemen bij het invullen van zoekgebieden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
22
Wat de leden van de CDA-fractie betreft mogen we trots zijn op de hoge kwaliteit van de Nederlandse vaste en mobiele netwerken en moeten deze kwaliteit blijven koesteren. Deze netwerkkwaliteit is echter geen statisch gegeven, maar vergt voortdurende aandacht en investeringen. In dat kader is het goed dat de onderzoekers vooralsnog geen tekortkomingen in de netwerkdekking constateren en op landelijke schaal geen acute problemen zien bij het vinden van geschikte locaties voor antenne-opstelpunten. Tegelijkertijd roept dit de vraag op wat deze constatering betekent voor de toekomst. Resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Is onderzocht wat de toekomstige kwalitatieve en kwantitatieve vraag naar antenne-opstelpunten zal zijn? Sluit die toekomstige vraag aan op de verwachte beschikbaarheid van geschikte locaties? Met andere woorden: dreigt er op termijn een mismatch te ontstaan tussen de groeiende netwerkambities en de fysieke ruimte die beschikbaar is voor antenne-opstelpunten?
Antwoord
In het onderzoek van Monet, uitgevoerd door Dialogic, is er geen diepere analyse uitgevoerd naar de relatie tussen de toekomstige behoefte aan nieuwe opstelpunten en de (on)beschikbaarheid daarvan. Ook niet naar de achterliggende vraag of MNO’s kunnen blijven voldoen aan de toekomstige (capaciteits)behoefte van gebruikers. In een eerder onderzoek bracht Dialogic in kaart12 dat de behoefte aan nieuwe opstelpunten met name het gevolg is van continue netwerkverbetering,13 waarbij geschat werd dat het aantal daarvoor benodigde opstelpunten tussen de 30 en 90 per jaar bedraagt. Ik verwacht vooralsnog dat de extra mogelijkheden voor antenneplaatsingen op grond van de gigabitinfrastructuurverordening en de aanvullend verkende maatregelen uit de Kamerbrief bijdragen aan voldoende nieuwe opstelpunten voor de toekomstige vraag. Daarnaast heb ik Monet opgeroepen om de relevante cijfers over antenneplaatsing te blijven monitoren, om gezamenlijk de vinger aan de pols te houden hoe antenneplaatsing in de komende jaren zal verlopen.
23
De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast enkele vragen over de voorgestelde aanvullende maatregelen. In het Dialogic-rapport wordt gesproken over zowel technische als niet-technische oplossingsrichtingen voor het uitbreiden van het netwerk. De technische oplossingsrichtingen liggen binnen de directe invloedsfeer van de mobiele netwerkoperators (MNO’s), maar worden niet genoemd in de Kamerbrief. Kan worden aangegeven of hierover wel gesprekken plaatsvinden met de MNO’s?
Antwoord
De meeste van door de onderzoekers onderzochte technische oplossingen zijn dermate complex en/of kostbaar dat deze (vooralsnog) geen oplossing vormen voor de ervaren problematiek door MNO’s. Dit is bekrachtigd in de gesprekken die zijn gevoerd met MNO’s over deze oplossingen. Wel blijf ik de technische ontwikkelingen volgen en mogelijke opportune oplossingen bespreken met MNO’s in het periodieke antennebeleidsoverleg.
24
De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast vragen over de niet-technische maatregelen. Zij merken op dat in het bijzonder twee maatregelen worden uitgelicht, namelijk het verruimen van de vergunningsvrije plaatsingsmogelijkheden en het vernieuwen van het antenneconvenant. Zij vragen om de effectiviteit van het verhogen van de grens voor vergunningsvrije plaatsing van vijf naar zeven meter nader toe te lichten, aangezien deze maatregel slechts beperkt aan bod komt in het rapport.
Antwoord
Hoewel deze optie beperkt wordt toegelicht in het onderzoek, is deze oplossing – voorzien van nadere toelichting en onderbouwing - eerder door Monet aan mij aangereikt.14 Een dergelijke oplossing zou moeten bijdragen aan het vergroten van dekking, capaciteit en medegebruik van antenne-installaties op daken. In het nog uit te voeren nader onderzoek voor de beoogde wijziging, zal onder meer worden gekeken naar dergelijke effecten op het verbeteren van de mobiele connectiviteit.
25
De leden van de CDA-fractie vragen voorts of, naast het vernieuwen van het antenneconvenant met onder andere de VNG voluit, ook wordt ingezet op betere landelijke coördinatie en communicatie richting gemeenten, onder meer door de voorbeeldnota antennebeleid actiever onder de aandacht te brengen. Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie of vereenvoudiging eveneens onderdeel zal zijn van het vernieuwde antenneconvenant.
Antwoord
Ik blijf me met behulp van het Antennebureau inzetten om gemeentes actief te informeren over digitale connectiviteit. Zo draagt het Antennebureau de Voorbeeldnota gemeentelijk antennebeleid uit, biedt het verschillende documenten en leidraden om gemeenteambtenaren te ondersteunen en organiseert het bureau meerdere keren per jaar de cursus ‘Alles over antennes’. Ook verstuurt het Antennebureau nieuwsbrieven. In oktober organiseert het Antennebureau een kenniscafé speciaal over de gigabitinfrastructuurverordening waarbij het zich met name richt op gemeenteambtenaren. Ook via de Rijkswebsite en nieuwsbrieven ‘Overal snel internet’ worden professionals in de digitale connectiviteit geïnformeerd over vaste en mobiele connectiviteit.
De inhoudelijke wijzigingen van het Antenneconvenant, en of vereenvoudiging hiervan onderdeel zal zijn, hangt af van de lopende gesprekken met de deelnemers. Ik kan hier nu dus niet op vooruitlopen.
26
De leden van de CDA-fractie vragen ook of commerciële
vastgoedeigenaren en
-beheerders nadrukkelijk worden betrokken bij de herziening van het
antenneconvenant, aangezien juist deze partijen in hoogstedelijke
gebieden een belangrijke rol kunnen spelen bij de beschikbaarheid van
geschikte antennelocaties.
Antwoord
In eerste plaats wordt alleen het gesprek gevoerd met Aedes, de koepel van woningcorporaties, om te bezien of toetreding van nieuwe deelnemers (met veel vastgoed in hoogstedelijke gebieden) tot het convenant opportuun is. Op basis van die bevindingen wordt in samenspraak met de huidige deelnemers bezien of toetreding van andere partijen met veel (hoogbouw) vastgoed gewenst is.
27
De leden van de CDA-fractie vragen verder naar de tijdslijn voor zowel het vernieuwen van het antenneconvenant als het verruimen van de mogelijkheden voor vergunningsvrije plaatsing. Is het mogelijk om het antenneconvenant uiterlijk dit jaar te moderniseren en te vereenvoudigen, aangezien het huidige convenant na dit jaar afloopt?
Antwoord
Het is de ambitie en inzet van deelnemers om het Antenneconvenant nog dit jaar te vernieuwen, maar dit zal onder meer afhangen van de lopende gesprekken over de inhoudelijke vernieuwingen en de mogelijke toetreding door nieuwe deelnemers. Mocht dat onverhoopt niet lukken, dan zal het convenant naar alle waarschijnlijkheid in ongewijzigde vorm worden verlengd voor de periode die nodig is om tot de gewenste vernieuwing te komen. Daarnaast is het streven om nog dit jaar een onderzoek te starten naar de mogelijkheid tot het verruimen van vergunningsvrije antenneplaatsing. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek zal in 2027 samen met VRO worden bezien of en hoe verruiming in de regelgeving moet worden bekrachtigd.
28
De leden van de CDA-fractie vragen ook welke wetgeving of regelgeving aangepast dient te worden om het verruimen van het vergunningsvrij plaatsen van antennes mogelijk te maken en op welk termijn kan dit geregeld kan worden. In hoeverre worden gemeentes en de VNG hierbij actief betrokken?
Antwoord
Voor het verhogen van 5 naar 7 meter voor de vergunningsplicht voor antennes is het nodig om het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) als besluit onder de Omgevingswet aan te passen. Het Bbl regelt namelijk landelijk welke antennes vergunningsvrij geplaatst mogen worden en onder welke voorwaarden. Als onderdeel van het onderzoek naar de ruimtelijke kwaliteit zullen verschillende stakeholders, waaronder gemeenten en de VNG worden betrokken. Voor het wijzigen van het Bbl zal ook de Juridisch-Technische Commissie (JTC)15 worden geraadpleegd.
29
De leden van de CDA-fractie hebben tot slot nog een vraag over de Europese gigabitinfrastructuurverordening. Deze verordening verplicht overheidsinstanties om medewerking te verlenen aan redelijke verzoeken van mobiele netwerkoperators (MNO’s) voor het plaatsen van antenne-installaties op overheidsobjecten. De leden van de CDA-fractie vragen hoe het begrip “redelijk verzoek” in dit verband wordt geïnterpreteerd, aangezien dit begrip ruimte laat voor uiteenlopende interpretaties en daarmee kan leiden tot terughoudendheid bij decentrale overheden. Kan de staatssecretaris nader toelichten op basis van welke criteria wordt beoordeeld of sprake is van een redelijk verzoek?
30
De leden van de CDA-fractie vragen of de staatssecretaris daarnaast bereid is om, indien blijkt dat overheden onvoldoende medewerking verlenen aan de plaatsing van antenne-installaties, meer sturend of normerend op te treden.
Antwoord 29 en 30
Het begrip ‘redelijke verzoeken’ is opgenomen in de tekst van artikel 3, eerste lid, van de verordening. Het is de bedoeling dat de partij die om toegang tot fysieke infrastructuur verzoekt samen met de partij die eigenaar is van, of zeggenschap heeft over, de fysieke infrastructuur bepaalt wat in het concrete geval redelijk is. Het feit dat het hier gaat om een open norm maakt het mogelijk om rekening te houden met de omstandigheden van het geval. Van partijen mag worden verwacht dat zij te goeder trouw met elkaar hierover onderhandelen, waarbij het uitgangspunt is dat er in beginsel toegang moet worden verleend. Als partijen daar niet uitkomen dan kan het dan ontstane geschil aan de ACM ter beoordeling worden voorgelegd. Zo zal door de ACM moeten worden bekeken of er één of meer in de verordening genoemde weigeringsgronden aan de orde zijn in het geschil. Ook is van belang dat de (financiële) vergoeding recht doet aan de kosten die de toegangsverlener maakt door het geven van toegang. Het oordeel van de ACM kan op zijn beurt, als een van de partijen dat wenst, weer aan de rechter worden voorgelegd. De verordening biedt geen ruimte om in nationale regelgeving nader uit te werken wat onder redelijke verzoeken moet worden verstaan. Dat lijkt de regering overigens ook niet wenselijk. De kracht van een open norm als deze is juist dat de omstandigheden van het geval een grote rol spelen bij wat redelijk is in dat geval of niet. Dit is ook de reden dat de regering niet kan schetsen wat (in zijn algemeenheid) redelijk is of niet. Overigens zijn dergelijke normen in het recht niet nieuw en hebben zij in de praktijk hun nut bewezen. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van nieuwe taken onder de gigabitinfrastructuurverordening organiseert het Antennebureau een online kenniscafé over dit onderwerp en ben ik voornemens om een leidraad te ontwikkelen voor het behandelen van toegangsverzoeken, zoals eerder gedaan bij soortgelijke Europese wetgeving.16
31
De leden van de CDA-fractie vragen voorts of het Rijk via het Rijksvastgoedbedrijf zelf nadrukkelijker het goede voorbeeld kan geven door proactief geschikte locaties op rijksvastgoed beschikbaar te stellen voor de plaatsing van antenne-installaties. Is men daartoe bereidt en kan inzichtelijk gemaakt worden welke rijkslocaties hiervoor potentieel geschikt zijn?
Antwoord
De gigabitinfrastructuurverordening bevat de verplichting om minimale informatie over fysieke infrastructuur, waaronder die van overheidsinstanties, beschikbaar te stellen via een centraal informatiepunt (CIP). Voor informatie over potentieel geschikte gebouwen, waaronder die van het Rijksvastgoedbedrijf, wordt de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) aangewezen als CIP. Of een rijkslocatie daadwerkelijk geschikt is voor antenneplaatsing is afhankelijk van verschillende factoren, waaronder de radioplanning van de zoekende mobiele operator en het specifieke gebruik door de betreffende overheidsinstantie, waarbij vanuit veiligheidsoverwegingen andere uitgangspunten kunnen gelden voor toegang tot gebouwen. Gelet op deze verschillende factoren en het feit dat het meer in de rede ligt om per geval te bekijken of toegang mogelijk is, maakt het lastig op voorhand aan te geven wat geschikte rijksvastgoedlocaties zijn voor antenneplaatsing.
https://www.acm.nl/nl/publicaties/besluit-het-geschil-tussen-vodafone-en-aegon-over-medegebruik-antenne-opstelpunt↩︎
2026Z07967&did=2026D25545">https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026Z07967&did=2026D25545↩︎
https://www.nlconnect.org/kennis/graafrechten/onderzoek-naar-de-schaarste-aan-antenne-opstelpunten-in-nederland↩︎
https://www.rdi.nl/onderwerpen/telecommunicatie/telecomaanbieders/dekkingseis-en-snelheidsverplichting↩︎
https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2026/06/09/kabinet-komt-met-nieuw-sirenenetwerk↩︎
O.a. de benchmarks van Connect/Umlaut, Ookla en Opensignal.↩︎
https://www.rdi.nl/onderwerpen/consumenten/informatiepunt-112↩︎
2021Z01324&did=2021D03087">https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2021Z01324&did=2021D03087↩︎
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2024/10/15/kamerbrief-voortgang-snel-internet-uitvoering-motie-amhaouch-cs-over-sluiten-convenant-en-centraal-informatiepunt-mobiele-bereikbaarheid-112↩︎
Onderzoek uit 2021 i.o.v. EZK: https://www.overalsnelinternet.nl/documenten/2021/04/30/de-ontwikkeling-van-het-aantal-antenne-opstelpunten-voor-mobiele-netwerken-in-nederland-in-de-komende-tien-jaar-dialogic↩︎
Het kan hier bijvoorbeeld gaan om nieuwe woonwijken, bedrijven- of industrieterreinen en drukke locaties.↩︎
O.a. als reactie op de consultatie van het wetsvoorstel voor de gigabitinfrastructuurverordening: https://www.internetconsultatie.nl/uitvoeringswetgia/b1↩︎
Het Besluit instelling Overlegplatform Bouwregelgeving en Juridisch-technische commissie regelt de betrokkenheid van belangenorganisaties van ontwerpende, uitvoerende en toeleverende bouw alsmede belangenorganisaties van beheerders en gebruikers van bouwwerken en organisaties van toezichthouders of andere deskundigen.↩︎
https://www.overalsnelinternet.nl/documenten/2022/06/22/brief-aan-gemeenten-over-lokaal-antennebeleid↩︎