Tweeminutendebat Situatie Soedan (CD 10/9) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D48061, datum: 2026-10-01, bijgewerkt: 2026-10-02 09:11, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-10-01 21:30: Tweeminutendebat Situatie Soedan (CD 10/9) (Plenair debat (tweeminutendebat)), TK
Preview document (đź”— origineel)
Situatie Sudan
Situatie Sudan
Aan de orde is het tweeminutendebat Situatie Sudan (CD d.d.
10/09).
De voorzitter:
Ik wil direct door naar het volgende tweeminutendebat, met als titel
Situatie Sudan. De eerste spreker van dit tweeminutendebat is de heer
Bamenga. Hij doet dat namens D66. Ik nodig hem om uit zijn bijdrage te
doen.
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat grondstoffen-, handels-, valuta- en financiële stromen
de oorlog in Sudan in stand houden;
overwegende dat inzicht in kritieke controlepunten in deze stromen
gerichte maatregelen mogelijk maakt;
verzoekt de regering op basis van beschikbare inzichten onverwijld
gerichte maatregelen te nemen tegen deze oorlogseconomie en zich binnen
de EU in te zetten voor aanvullende maatregelen;
verzoekt de regering tegelijkertijd kennishiaten en kritieke
controlepunten in kaart te brengen en nieuwe inzichten direct om te
zetten in aanvullende maatregelen;
verzoekt de regering de Kamer vóór de begrotingsbehandeling van
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking te informeren over de
genomen maatregelen en de voortgang,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Van Ark, Van Baarle,
Dobbe en Teunissen.
Zij krijgt nr. 260 (29237) (#1).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat een VN-onderzoeksmissie een choquerende constatering
heeft vastgesteld met betrekking tot misdaden tegen de menselijkheid in
Sudan en concrete aanbevelingen doet om burgers te beschermen en
straffeloosheid te beëindigen;
verzoekt de regering alle aanbevelingen over te nemen en zich actief in
te zetten voor de uitvoering ervan, waaronder een wapenembargo voor heel
Sudan, een onafhankelijke beschermingsmacht voor burgers, een
onmiddellijk staakt-het-vuren, ongehinderde humanitaire toegang,
berechting en bewijsverzameling, medewerking aan het Internationaal
Strafhof en beëindiging van de buitenlandse steun aan de strijdende
partijen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Stoffer, Kröger, Van
Baarle, Dobbe en Teunissen.
Zij krijgt nr. 261 (29237) (#2).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de oorlog in Sudan een humanitaire crisis is van
ongekende omvang;
overwegende dat Sudan geen vergeten en genegeerd conflict mag blijven en
aanhoudende internationale aandacht en actie daarvoor noodzakelijk
zijn;
verzoekt de regering Sudan structureel hoog op de agenda van de EU en de
VN te houden en zich actief in te zetten voor een gezamenlijke
internationale aanpak (desnoods als bemiddelaar) gericht op een
staakt-het-vuren, civiel geleid vredesproces, bescherming van burgers,
hulpverleners en ongehinderde humanitaire toegang,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Van Ark, Maes, Stoffer,
Kröger, Van Baarle, Dobbe en Teunissen.
Zij krijgt nr. 262 (29237) (#3).
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker in het tweeminutendebat is mevrouw
Dobbe. Het woord is aan u.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de al meer dan drie jaar durende oorlog in Sudan
gaande wordt gehouden door politieke en militaire steun van externe
actoren waaronder de Verenigde Arabische Emiraten, Egypte en andere
landen en actoren;
overwegende dat het kabinet druk wil houden op alle interne en externe
partijen die betrokken zijn bij het in stand houden van de oorlog;
verzoekt de regering om de Kamer binnen drie maanden te informeren over
de voortgang en de resultaten van deze diplomatieke aanpak,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Bamenga, Kröger, Van
Baarle, Teunissen, Van Ark en Maes.
Zij krijgt nr. 263 (29237) (#4).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het conflict in Sudan drones en andere geavanceerde
wapentechnologieën in toenemende mate worden ingezet tegen doelen
waarbij burgers en hulpverleners risico lopen;
verzoekt de regering zich binnen de VN en de EU actief in te zetten voor
versterking van internationale regelgeving en verantwoordingsmechanismen
rond de inzet, overdracht en ondersteuning van drones en vergelijkbare
wapentechnologieën, met bijzondere aandacht voor de bescherming van
burgers, hulpverleners en civiele infrastructuur;
verzoekt de regering de Kamer te informeren over de voortgang,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Kröger, Van Baarle en
Teunissen.
Zij krijgt nr. 264 (29237) (#5).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het rapport van de UN Fact-Finding Mission for the
Sudan concludeert dat externe staten, bedrijven, tussenpersonen en
andere netwerken bijdragen aan de levering van wapens, militaire
technologie, logistieke ondersteuning, training en personeel aan
strijdende partijen in Sudan;
verzoekt de regering om binnen de EU en de VN te pleiten voor concrete
maatregelen tegen personen, bedrijven en andere actoren die volgens dit
rapport bijdragen aan de bevoorrading, financiering of operationele
ondersteuning van strijdende partijen in Sudan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Bamenga, Kröger, Van
Baarle en Teunissen.
Zij krijgt nr. 265 (29237) (#6).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de fact-finding mission oproept tot het tegengaan van
straffeloosheid van alle betrokkenen die oorlogsmisdaden in Sudan
begaan, financieren of faciliteren;
roept de regering op om de aanbeveling van de fact-finding mission van
Sudan over te nemen en zich in te zetten voor een onafhankelijk
juridisch mechanisme in de vorm van bijvoorbeeld een gespecialiseerd
Sudantribunaal dat samenwerkt met het Internationaal Strafhof om
straffeloosheid tegen te gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Van Baarle en
Teunissen.
Zij krijgt nr. 266 (29237) (#7).
Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Kröger. Gaat uw gang.
Mevrouw Kröger (PRO):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat goudhandel de Sudanese oorlogseconomie spekt;
constaterende dat EU-sancties de import van goud uit Sudan
verbieden;
constaterende dat Sudanees goud ook via andere landen de wereldmarkt
betreedt;
constaterende dat het Britse sanctieregime daarom niet alleen de
goudhandel uit Sudan verbiedt, maar gericht individuen en bedrijven
sanctioneert die, ook vanuit derde landen waaronder de Emiraten, bij
deze handel betrokken zijn;
verzoekt de regering zich in EU-verband in te zetten voor sancties naar
Brits model tegen bij de goudhandel betrokken individuen en entiteiten,
ook in derde landen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger, Teunissen en
Dobbe.
Zij krijgt nr. 267 (29237) (#8).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een onafhankelijk VN-rapport in september 2026
vaststelde dat personen en entiteiten vanuit de Verenigde Arabische
Emiraten "een significante rol" spelen in het steunen van de Rapid
Support Forces in Sudan;
overwegende dat het kabinet zich tot dusver terughoudend heeft opgesteld
in het publiekelijk benoemen van de rol van de Verenigde Arabische
Emiraten in het Sudanconflict;
verzoekt de regering de rol van personen en entiteiten vanuit de
Verenigde Arabische Emiraten zoals vastgesteld door het VN-rapport
expliciet te erkennen, en dit standpunt uit te dragen in EU- en
VN-verband,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger, Teunissen en
Dobbe.
Zij krijgt nr. 268 (29237) (#9).
Dank u wel.
Mevrouw Kröger (PRO):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank. De volgende spreker in dit tweeminutendebat is de heer Van Baarle.
Gaat uw gang.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter, dank. Ik kijk terug op een goed commissiedebat dat we hebben
gehad over dit zeer ingrijpende onderwerp. Een van de meest ingrijpende
reizen die ik heb gemaakt als Kamerlid heeft ook te maken met dit
onderwerp: de reis naar Oost-Tsjaad. Een van de dingen die van belang
is, is dat er meer druk wordt gezet op de landen die de strijdend
partijen ondersteunen dan wel financieren. Een daarvan zijn de Emiraten.
Er is al een motie over aangenomen, maar het blijft van belang om in
Europees verband te kijken hoe we die druk kunnen opvoeren. Vandaar de
volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de motie-Van Baarle/Dobbe (36180, nr. 209) is
aangenomen om de Europese Commissie te verzoeken om de ruimte binnen het
onderhandelingsmandaat, namelijk naleving van het internationaal recht,
te benutten om de rol van de VAE in de oorlog in Sudan bespreekbaar te
maken, en hierin te proberen Europese medestanders te vinden;
verzoekt de regering spoedig in Europees verband draagvlak te creëren,
zodat een hernieuwd verzoek aan de Europese Commissie kan worden gedaan
met gelijkgestemde landen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle en Dobbe.
Zij krijgt nr. 269 (29237) (#10).
De heer Van Baarle (DENK):
Wat we bij ons bezoek aan de vluchtelingen in Tsjaad gezien hebben, is
echt een schrijnend tekort aan watervoorzieningen. Daar zou ik ook graag
een motie over in willen dienen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland 10 miljoen euro beschikbaar stelt voor een
nieuw programma voor de opvang van Sudanese vluchtelingen en
gastgemeenschappen in Oost-Tsjaad;
constaterende dat tijdens het werkbezoek van Kamerleden is gebleken dat
in vluchtelingenkampen grote tekorten bestaan aan schoon
drinkwater;
verzoekt de regering bij de besteding van de 10 miljoen euro voor
Oost-Tsjaad expliciet prioriteit te geven aan het vergroten van de
toegang tot schoon drinkwater, waaronder waar mogelijk het realiseren en
herstellen van waterputten en andere lokale watervoorzieningen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 270 (29237) (#11).
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De laatste spreker in het debat is mevrouw Van Ark. Gaat uw
gang.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Voorzitter. Ik dank de minister nog voor het goede inhoudelijke debat
dat we een aantal weken geleden voerden over de situatie in Sudan. Fijn
dat het kabinet stappen zet om de toegang van humanitaire hulp te
vergroten en hier een leidende rol in pakt. Tijdens het debat vroeg ik
ook aandacht voor het openhouden van de ambassade in Juba en ik ben blij
dat het kabinet dit heeft toegezegd. Als we stabiliteit en veiligheid in
de regio belangrijk vinden en Nederland niet aan de zijlijn wil staan in
het geopolitieke conflict, kan dat niet zonder ambassade. Maar wat
betekent dit besluit nu concreet voor de lange termijn voor de inzet van
Nederland? Voor hoelang, met hoeveel mensen en vooral met welke inzet
blijft Nederland zich committeren aan deze regio?
Voorzitter. De minister gaf aan in een sessie bij de VN met andere
landen in gesprek te gaan over de humanitaire toegang. Zou de minister
iets kunnen delen over het resultaat van deze gesprekken? Welke
gesprekken voert het kabinet nog om andere landen aan te sporen ook meer
middelen beschikbaar te stellen? Ziet het kabinet daar ruimte voor,
bilateraal, in Europees verband of breder?
Voorzitter. Ik denk dat de constatering is dat de diplomatieke
initiatieven rond Sudan sterk versnipperd zijn. Ook de VN zetten daarom
in op meer samenhang en coördinatie tussen de verschillende
bemiddelingstrajecten. Tegen die achtergrond is mijn vraag hoe de EU
haar inzet beter kan afstemmen met de ALPS-groep, waar de EU niet aan
tafel zit. Dat heb ik ook in mijn bijdrage genoemd. De minister gaf toen
aan niet zeker te weten of dit wel een effectieve route is, maar hier
later nog op terug te komen. Kan de minister inmiddels specifiek
aangeven welke diplomatieke weg nu bewandeld wordt richting een
staakt-het-vuren en of de ALPS-groep hier een rol in speelt?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de inbreng van de
zijde van de Kamer. Ik kijk even naar de minister. Tien minuten. Dan
gaan we om 21.30 uur naar de beantwoording.
De vergadering wordt van 21.20 uur tot 21.32 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We gaan luisteren naar de reactie van de
minister op de inzet van de Kamer in het tweeminutendebat Situatie
Sudan. Het woord is aan de minister.
Minister Sjoerdsma:
Dank, voorzitter. Allereerst de vragen. Het lid Van Ark vroeg wat het
besluit om de Nederlandse ambassade in Zuid-Sudan open te houden
concreet betekent. Het kabinet heeft ervoor gekozen om de ambassade in
Zuid-Sudan, in Juba, niet te sluiten en in een licht afgeslankte vorm
voort te zetten. De reden daarvoor is de ernstige humanitaire situatie
in Zuid-Sudan en uiteraard ook de verwevenheid met de oorlog in Sudan
zelf. De beleidsopdracht van die ambassade zal worden toegespitst op
humanitaire hulp en het bevorderen van regionale stabiliteit. De
continuering van de diplomatieke aanwezigheid is permanent. Er is geen
einddatum voorzien. De bezetting zal bestaan uit twee diplomaten met
ondersteuning van een aantal lokale medewerkers. De ambassade in
Khartoem openen we zodra de veiligheidssituatie dat weer toelaat. Dat is
iets wat we nu niet durven te voorspellen.
Mevrouw Van Ark vroeg ook of we iets zouden kunnen delen over de
resultaten van de gesprekken met betrekking tot de humanitaire toegang
die in New York zijn gevoerd. We hebben daar meerdere gesprekken gevoerd
met de belangrijkste chefs van WFP, OCHA en andere VN-organisaties. We
hebben met hen gesproken over de belangrijkste belemmeringen die ze
tegenkomen in hun werk. Om er maar eens een paar te noemen: dat hulp
niet over de vuurlinies heen komt, dat ze geen medische evacuatie van
medewerkers kunnen uitvoeren, dat ze niet in betwiste gebieden kunnen
werken … Uit die meetings komen ook weer verklaringen; daar ga ik u niet
mee vermoeien. Ik vind het zelf van groot belang dat die verklaringen er
zijn, maar die verklaringen an sich veranderen niet zo veel op de grond.
Het belangrijkste is, denk ik, dat er in de gesprekken met de
verschillende landen, waaronder Sudan zelf, echt wel het gevoel is dat
er iets moet gebeuren. Dat betekent niet dat er meteen helderheid is
over wat er moet gebeuren of dat we meteen stappen vooruit gaan zetten,
maar ik zag wel een heleboel landen naast Nederland uitermate veel druk
uitoefenen op de partijen om te kijken of er stappen mogelijk zijn, of
dat nu een humanitair staakt-het-vuren is, een einde maken aan het
gebruik van drones, zeker stellen dat de hulp over vuurlinies kan … Dat
gebeurt nu allemaal tegelijkertijd. We zullen even moeten afwachten hoe
dat beklijft.
Tot slot. Mevrouw Van Ark vroeg nog naar de ALPS Group. Ik heb daar in
het vorige debat ook iets over gezegd. Die waren indertijd zeer actief
rondom Sudan en richtten zich op het staakt-het-vuren. Inmiddels is deze
groep echt wel ingehaald door het multilaterale Quintet en de Quad en
ligt het primaat dus elders, en is de ALPS Group eigenlijk niet meer
actief.
Voorzitter, daarmee kom ik bij de moties. De motie-Bamenga c.s. op stuk
nr. 260 kan ik oordeel Kamer geven.
De motie-Bamenga c.s. op stuk nr. 261 krijgt ook oordeel Kamer, met twee
kanttekeningen, waarvan ik hoop dat de heer Bamenga en zijn
mede-indieners die kunnen volgen. Ik zeg ja op al die aanbevelingen,
maar als het gaat over de oproep tot een onafhankelijke
beschermingsmacht voor burgers, zeg ik daar wel bij dat dat in het
huidige internationale krachtenveld niet waarschijnlijk is, en ik geen
snelle resultaten verwacht. Het tweede punt gaat over een andere
aanbeveling. De oproep tot het oprichten van een speciaal tribunaal voor
Sudan zien wij niet als opportuun. Dat vinden we niet alleen omdat het
erg kostbaar is en geen garantie geeft op betere resultaten, maar ook
omdat het eigenlijk het Internationaal Strafhof ondermijnt en dat zou
het kabinet, zeker gelet op de druk die er toch al is op het Strafhof,
niet willen doen. Met die interpretatie geeft het kabinet deze motie
oordeel Kamer.
De voorzitter:
Daar kan de heer Bamenga mee instemmen.
Minister Sjoerdsma:
Dank. De motie-Bamenga c.s. op stuk nr. 162 krijgt ook oordeel
Kamer.
De motie-Dobbe c.s. op stuk nr. 163 krijgt ook oordeel Kamer, waarbij ik
wel wil aangeven dat de inhoud van diplomatieke gesprekken vertrouwelijk
zal blijven.
De motie-Dobbe c.s. op stuk nr. 164. Ik snap wat ze probeert te doen,
maar de bestaande regelgeving ziet eigenlijk voldoende op hoe wapens wel
en niet mogen worden ingezet. Het zit 'm in de naleving. Aanvallen op
burgers en hulpverleners zijn verboden. Deze mensen moeten worden
beschermd. Het probleem zit dus niet in de soort wapens; het probleem
zit in de naleving van de internationale standaarden die daarbij horen.
Vanuit dat oogpunt — dus niet vanuit de gedachte van de motie, maar wel
vanuit dat oogpunt — wordt de motie ontraden.
De motie-Dobbe op stuk nr. 265 geef ik oordeel Kamer.
De motie-Dobbe op stuk nr. 266 geef ik ook oordeel Kamer, maar wel met
dezelfde kanttekening die ik maakte bij de motie van de heer Bamenga.
Wij zien geen brood in het oprichten van een speciaal tribunaal. Dat
achten wij nu niet opportuun. Wij beschermen en versterken liever
bestaande mechanismes. Met die interpretatie kan ik de motie oordeel
Kamer geven.
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Dobbe knikken. De motie op stuk nr. 266: oordeel
Kamer.
Minister Sjoerdsma:
Dank aan mevrouw Dobbe.
Mevrouw Kröger dient een motie in. Ik wil haar vragen of zij die even
kan aanhouden, zodat wij even ruggespraak kunnen houden. Dit ligt
namelijk meer op het terrein van de minister van Buitenlandse Zaken.
De voorzitter:
Ik kijk naar mevrouw Kröger.
Minister Sjoerdsma:
Het gaat om de motie op stuk nr. 267.
De voorzitter:
Is mevrouw Kröger bereid om die motie aan te houden?
Mevrouw Kröger (PRO):
Kan de minister me even helpen? Dit is namelijk uitvoerig in het debat
met de minister gewisseld. Ik was dus volledig in de veronderstelling
dat dit op het terrein van deze minister lag. Ik wil 'm best aanhouden,
maar dan wil ik wel iets beter begrijpen waar het beleidsterrein van de
minister dan kennelijk eindigt.
De voorzitter:
We hebben het over de sancties naar Brits model? Ja? Oké.
Minister Sjoerdsma:
Het ingewikkelde van dit debat is natuurlijk dat het terrein van
Buitenlandse Zaken zich niet zomaar laat scheiden van het terrein van
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Als het gaat over
sancties, dan ligt de verantwoordelijkheid formeel bij de minister van
Buitenlandse Zaken. Ik wil er graag even voor zorgen dat datgene wat
mevrouw Kröger doet ook goed landt. Daarom vraag ik om de motie aan te
houden. Dan kunnen we daar even goed naar kijken. Dat zou ik
waarderen.
De voorzitter:
Ik zie dat mevrouw Kröger bereid is om die motie aan te houden.
Op verzoek van mevrouw Kröger stel ik voor haar motie (29237, nr.
267) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Sjoerdsma:
Ik dank haar daarvoor.
De motie-Kröger op stuk nr. 268 moet ik ontraden. Dat doe ik overigens
niet vanwege het feit dat we het moeilijk zouden vinden om rollen te
veroordelen of om feiten vast te stellen. Het kabinet omarmt alle
aanbevelingen uit het rapport van de fact-finding mission rondom Sudan.
Ik ontraad de motie omdat ik in het debat heb gezegd dat het van belang
is dat alle regionale actoren die betrokken zijn de maximale druk voelen
om hun rol positief in te vullen. Het enkel noemen van één van deze
actoren kan contraproductief werken. Ik snap goed wat mevrouw Kröger
wil. Wij omarmen dus ook alle aanbevelingen van de factfindingmissie,
maar deze motie moet ik ontraden.
De motie op stuk nr. 269 …
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, minister: dat leidt tot een vraag van mevrouw
Kröger over de appreciatie van de motie op stuk nr. 268.
Mevrouw Kröger (PRO):
Ik doe deze portefeuille nu een jaar, en dit is toch behoorlijk
opvallend. Volgens mij ben ik begonnen met een debat over Sudan, en het
is eigenlijk best wel opvallend dat iedere keer, bij elke motie waardoor
de rol van de Emiraten dreigt te worden benoemd, het verzoek is om dat
allemaal naar "de regio" of "overige landen" te verbreden. Op dit moment
is er dat rapport van de Verenigde Naties waarin van één land wordt
gezegd: personen en entiteiten — dat is dus niet de overheid — vanuit de
Verenigde Arabische Emiraten spelen een significante rol. Is dit nou een
conclusie die deze minister erkent en ook uitdraagt, of niet? Zo niet,
dan hebben we een heel ander gesprek, want dan is de VN, om mevrouw Van
der Plas te citeren — wat was het ook alweer? — "niet Pipo de
Clown".
Minister Sjoerdsma:
Deze uitdrukking kende ik nog niet, maar het is goed om die aan mijn
kennis toe te voegen. Het is geen enkel probleem voor het kabinet om dit
te erkennen en uit te dragen. Wat ik hier zeg, is dat het isoleren van
een van de regionale actoren in moties en uitspraken, daar waar
verschillende actoren een grote rol spelen, contraproductief kan werken.
De reden dat het hier nadrukkelijk om de VAE gaat, is omdat de Kamer de
rol van de VAE natuurlijk ook nadrukkelijk aan de kaak stelt. Voor een
deel snapt het kabinet dat ook heel goed.
We zouden met hetzelfde oordeel komen als de Kamer dit enkel richting
Egypte, enkel richting Ethiopië, enkel richting Turkije of enkel
richting andere regionale spelers zou doen. Ons geloof is dat druk op ál
deze partijen nodig is, ongeacht welke partij het is. Vandaar dat wij in
het isoleren van een van deze partijen minder brood zien, maar
uiteraard, wat u zegt, helder zijn over wat er gebeurt en de druk
daarover opvoeren: dat doet het kabinet uiteraard.
Mevrouw Kröger (PRO):
Nu doet de minister het weer. Nu zegt de minister dat de Kamer bezig is
om de Emiraten eruit de pikken; dat de Kámer dat doet. Het is niet de
Kamer die dat doet, het is de Verenigde Naties. In een rapport spreken
zij over één partij die een significante rol heeft. In een heel rapport:
één heeft een significante rol, namelijk personen en entiteiten vanuit
de Arabische Emiraten. Kan de minister dat erkennen?
Minister Sjoerdsma:
Ook daar heb ik echt geen enkel probleem mee. Voor de duidelijkheid,
misschien nogmaals en misschien ten overvloede: het kabinet omarmt alle
aanbevelingen van dit rapport. Tegelijkertijd, als we dat rapport goed
lezen, zien we ook dat er staat dat het rapport niet volledig is en dat
de rol van andere actoren en de steun van andere actoren richting
anderen in dit conflict nog nader onderzocht zal worden. Dat is wat ik
hier zeg. Ja, wij omarmen die conclusies en die aanbevelingen; dat is
heel helder. Het rapport an sich is echter niet het enige wat hierover
te zeggen valt. Dat zegt de VN en dat zegt deze factfindingmissie ook.
Daar moeten we wel goed naar blijven kijken; we moeten echt blijven
uitgaan van wat die factfindingmissie zelf zegt.
Mevrouw Dobbe (SP):
Wij hadden vanmiddag ook een debat en daarin kwam dit ook aan de orde;
dat ging over geweld tegen hulpverleners. Als je een rapport hebt waarin
staat dat er geweld is tegen hulpverleners, maar er wordt vervolgens
niks mee gedaan, is dat een probleem. Dat erkende de minister en hij had
daar ook heel mooie woorden voor. Excuses, ik ben het een beetje
vergeten, maar hij had er een heel mooie benaming voor. Maar datzelfde
geldt eigenlijk toch ook hiervoor? Als die factfindingmissie zegt: er is
in ieder geval één land dat expliciet een rol speelt in het steunen van
de RSF — de RSF is ook de partij die de meeste oorlogsmisdaden begaat,
niet de enige, maar wel de meeste, en dat erkent dat rapport ook — dan
moeten we toch wat met die conclusie?
Minister Sjoerdsma:
Ja. Dat is ook zo en dat heb ik in het debat, dat al wel een tijdje
geleden is, ook nadrukkelijk proberen te zeggen. Door uw Kamer heb ik op
dit terrein ook geen gebrek aan instrumenten. De druk die uit dit soort
conclusies voort moet komen, wordt ook uitgeoefend. De Kamer heeft
eerder moties aangenomen over — pin mij alstublieft niet vast op het
exacte dictum — het treffen van sancties en maatregelen tegen alle
personen en entiteiten die betrokken zijn bij het schenden van
wapenembargo's en andere zaken in Sudan. Die inzet is niet verdwenen.
Echt even voor de helderheid: de sancties die door de Europese Unie op
het gebied van goud zijn ingesteld, komen uit de koker van Nederland.
Wij hebben in dat debat gezegd: overal waar wij de oorlogseconomie
kunnen raken en daarmee regionale spelers kunnen laten afhouden om een
rol te spelen, zullen wij navolgen, zolang dat niet ten koste gaat van
de vredeseconomie voor de Sudanezen zelf. Ik ben het dus volledig eens
met mevrouw Dobbe. Dit soort rapporten kunnen niet zonder gevolgen
blijven. Dat is ook waarom het kabinet al die aanbevelingen omarmt.
Mevrouw Dobbe (SP):
Tot slot. Deze minister zegt: ik heb er geen moeite mee om te erkennen
wat er in het rapport staat; wij omarmen de conclusies. Maar ik krijg
toch de indruk dat dit kabinet, net zoals het vorige, er wel echt moeite
mee heeft om de Verenigde Arabische Emiraten te benoemen, en dan wordt
het ingewikkeld. Dan vragen wij ons namelijk af: erkent dit kabinet dat
daadwerkelijk en hoe spreken ze de Verenigde Arabische Emiraten dan aan?
Kan de minister dat ook in die bewoordingen zeggen, eigenlijk wat er in
het dictum staat? Erkent de minister dat? Dus dat het ook vanuit de
Verenigde Arabische Emiraten is, die rol expliciet erkennen en dat
standpunt ook uitdragen. Het gaat niet alleen over de Verenigde
Arabische Emiraten. Het staat deze minister natuurlijk vrij om ook
andere landen te noemen. Als deze motie wordt aangenomen, kan hij ook de
rol van bijvoorbeeld Egypte en Saudi-Arabië noemen.
Minister Sjoerdsma:
Absoluut. Wat mevrouw Dobbe zegt, is ook wat het kabinet doet. Wij maken
geen enkel onderscheid tussen welke personen en entiteiten dan ook, van
welk land dan ook dat betrokken is bij dit conflict. Dat geldt ook voor
de VAE. Dat niet alleen erkennen maar ook druk uitoefenen, doet het
kabinet. Om het wat persoonlijker te maken: ook in New York heb ik de
kans gehad om met mijn VAE-collega's te spreken. Los van de samenwerking
op bijvoorbeeld het gebied van water, die we daar ook bespreken, want de
VN-watertop vindt daar plaats, worden dit soort zaken ook indringend
besproken. Ik denk dus dat mevrouw Dobbe naar iets vraagt wat gebeurt,
maar ik zeg nog steeds: één partij eruit lichten werkt helaas echt
contraproductief.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 268: ontraden.
De motie op stuk nr. 269.
Minister Sjoerdsma:
De motie op stuk nr. 269 is van de heer Van Baarle. Dat doen we. Ik zou
kunnen zeggen "dat doen we al, dus overbodig", maar: oordeel Kamer. We
doen dit.
De motie op stuk nr. 270 van de heer Van Baarle: ook oordeel Kamer. Net
als andere Kamerleden is de heer Van Baarle daar bij de grens geweest.
Hij heeft zijn persoonlijke ervaringen gedeeld. Andere Kamerleden hebben
dat ook gedaan. Ik snap deze oproep zeer goed. Dus: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie mevrouw Kröger nog bij de interruptiemicrofoon
staan.
Mevrouw Kröger (PRO):
Voorzitter, ik heb wellicht een ongebruikelijke vraag. Het is een hele
lange avond geweest. We hebben zes tweeminutendebatten gehad. Er is net
nieuws binnengekomen over een onderwerp waar wij vanochtend met de
minister over gedebatteerd hebben. Het gaat over de zet van de minister
van Justitie en zijn uitspraken over dat de ontwikkelingshulp aan Sierra
Leone zou worden stopgezet om druk uit te oefenen op de uitlevering van
Bolle Jos. Wij lezen nu dat de Europese Commissie zegt: "Daar is
helemaal niets van waar. Sierra Leone had niet de juiste formulieren
ingevuld. Daarom is die steun bevroren." Ik zou heel graag een reactie
van de minister daarop willen. Dit is vanochtend namelijk uitgebreid aan
bod gekomen. Ik ben echt zeer verbaasd dat deze informatie hier nu
ligt.
Minister Sjoerdsma:
In alle eerlijkheid, heb ik dit artikel niet kunnen lezen. Ik heb het
ook niet kunnen zien. Het betreft ook een collega-minister van mij.
De voorzitter:
Is het mogelijk om er een schriftelijke reactie op te geven?
Minister Sjoerdsma:
Als u het mij toestaat, zou ik het graag zelf even uitzoeken en aan mijn
collega-minister vragen om er schriftelijk op terug te komen. Ik denk
dat dat het handigste is.
Mevrouw Kröger (PRO):
Dat kan, maar dan zou ik het wel heel graag vóór het debat van maandag
willen hebben. Uiteindelijk gaat dit ook over ontwikkelingsgeld. Daarom
is het vanochtend ook door diverse collega's opgebracht. Er zijn grote
zorgen dat ontwikkelingsgeld op deze manier wordt gepolitiseerd. Nu
blijkt er ook nog helemaal niets van te kloppen. De minister van
Justitie spreekt grote woorden, terwijl Sierra Leone een paar
formulieren niet lijkt te hebben ingevuld. Ik krijg dus heel graag vóór
maandag een schriftelijke reactie.
Minister Sjoerdsma:
Maandag hebben we een debat over handel. Ik denk dat het het beste is om
het even te laten waar het het beste kan landen en waar u de meeste
informatie krijgt. Ik wil u graag toezeggen dat die brief komt, mevrouw
Kröger, maar ik durf u niet namens een collega-minister toe te zeggen
dat dat maandag al kan. Ik ga u dus zeggen: zo snel als mogelijk zal die
brief komen.
De voorzitter:
Ik zal dit verzoek doorgeleiden aan het kabinet, zoals te doen
gebruikelijk, zeg ik richting mevrouw Kröger. Dat zal het in al zijn
wijsheid oppakken.
Daarmee … Tenzij?
Minister Sjoerdsma:
Voorzitter, ik wil vooral de Kamerleden nog danken. Het waren natuurlijk
heel veel tweeminutendebatten achter elkaar. Ik wil ze graag danken voor
de open, goede en inhoudelijke debatten die we de afgelopen weken hebben
kunnen voeren. Misschien mag ik ook de medewerkers danken, die net in
korte tijd een veertigtal moties, soms zeer technisch en soms zeer
politiek, van een oordeel hebben weten te voorzien. Dank aan de Kamer
voor de goede samenwerking, maar ook zeer veel dank aan de mensen achter
de schermen.
De voorzitter:
Zo is het. Met deze warme woorden wil ik het debat graag afronden. Ik
wens u allen een hele fijne nacht.
De beraadslaging wordt gesloten.
Sluiting
Sluiting 21.50 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|