Verslag
Intrekking van de Rijkswet van 10 februari 2017, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid (Stb. 2017, 52) en tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D48094, datum: 2026-10-02, bijgewerkt: 2026-10-05 16:49, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid (JA21)
- Mede ondertekenaar: L.L. Nouse, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36984 (R2222)-6 Intrekking van de Rijkswet van 10 februari 2017, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid (Stb. 2017, 52) en tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.
Onderdeel van zaak 2026Z15564:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-10-01 14:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-09-10 09:30 ⇒ De tijdelijke commissie besluit een adviestraject te starten voor het wetsvoorstel Intrekking van de Rijkswet van 10 februari 2017, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid (Stb. 2017, 52) en tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (36984-(R2222)) gelet op het dictum en advies van de Raad van State. (Besluit)
- 2026-09-09 14:30 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 1 oktober 2026 te 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-09-01 15:10 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-09-01 15:10 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid (Besluit)
- 2026-09-01 15:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-09 14:30: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-09-10 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- 2026-10-01 14:00: Intrekking van de Rijkswet van 10 februari 2017, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid (Stb. 2017, 52) en tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (36984-(R2222)) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
36984 (R2222) Intrekking van de Rijkswet van 10 februari 2017, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid (Stb. 2017, 52) en tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017
Nr. 6 Verslag
Vastgesteld 2 oktober 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.
Inhoudsopgave
I. Algemeen 1
1. Inleiding 3
2. De bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap 3
2.1 Doel 3
2.2 Voorwaarden 4
2.3 Aantal intrekkingen 7
2.4 Verhouding tot hoger recht 8
3. Redenen tot behoud van de bevoegdheid 8
3.1 Dreigingsbeeld 9
3.2 Onderdeel van een breed instrumentarium 10
3.3 Conclusie 10
4. Uitgebrachte adviezen 10
III. Overig 10
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in belang van de nationale veiligheid. Deze leden onderschrijven de doelstelling dat personen die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie in het buitenland niet de mogelijkheid moeten krijgen om (illegaal) terug te reizen naar Nederland met het oog op de nationale veiligheid. Wel hebben zij nog enkele vragen over de werkwijze rondom het aanmerken van organisaties als terroristische alsmede een aantal andere vragen over het wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie hebben met veel interesse en enthousiasme kennisgenomen van Intrekking van de Rijkswet van 10 februari 2017, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid (Stb. 2017, 52) en tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (het wetsvoorstel). Deze leden vinden dat de bevoegdheid een cruciaal onderdeel is van het pallet aan maatregelen om terrorisme in Nederland tegen te gaan. Daarnaast zijn zij principieel van mening dat iemand die zich aansluit bij een terroristische organisatie het niet langer verdient om te genieten van de voordelen die de Nederlandse nationaliteit met zich meebrengt en dat het intrekken van het Nederlanderschap daarmee dus meer dan proportioneel is. Zij hebben nog wel enkele vragen over het wetsvoorstel.
De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden delen de mening van de regering dat er middelen moeten zijn om op te kunnen treden tegen degenen die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie en de veiligheid van Nederland in gevaar brengen. Zij zijn echter van mening dat het voorliggend wetsvoorstel daaraan niet bijdraagt, ongewenste neveneffecten heeft en mogelijk zelfs contraproductief is. Bovendien bestaan er al meerdere en afdoende mogelijkheden om op te kunnen treden tegen het gevaar waar dit wetsvoorstel zich op richt. Deze leden zouden voorts willen verwijzen naar de behandeling van het inhoudelijk gelijke wetsvoorstel tot verlenging van de bevoegdheid tot het intrekken van het Nederlanderschap uit 2021 (Kamerstuk 35934-(R2158)). Ook toen waren deze leden al niet overtuigd van het nut en de noodzaak van de verlenging van die bevoegdheid en stemden zij, daardoor gesterkt door het negatieve advies van de afdeling Advisering van de Raad van State (de Afdeling) en relevante bezwaren van anderen, waaronder het College voor de Rechten van de Mens, tegen het wetsvoorstel. In het nu voorliggend wetsvoorstel en de toelichting daarbij, waarin geen nieuwe inzichten worden aangedragen, zien deze leden geen aanleiding om van mening te veranderen. Zij hebben verder geen vragen of opmerkingen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en vragen of de regering een update kan geven van de cijfers die de Algemene Veiligheids- en Inlichtingendienst (AIVD) jaarlijks deelt over uitreizigers en terugkeerders. Deze leden vragen in hoeveel gevallen een minderjarige voldeed aan de voorwaarden van artikel 14, lid 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, maar de Nederlandse nationaliteit niet ingetrokken is omdat de leeftijdsgrens 18 jaar is. Hoeveel van deze minderjarige uitreizigers zijn teruggekeerd naar Nederland?
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden zien de meerwaarde van de bevoegdheid om het Nederlanderschap in te kunnen trekken als dit noodzakelijk voor de nationale veiligheid. Zij maken van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen aan de regering hierover.
De leden van de CDA-fractie vragen of er beperkingen bekend zijn bij het intrekken van het Nederlanderschap als een persoon zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie in het buitenland, en daar ook kinderen heeft met Nederlandse nationaliteit. Hoe kan worden voorkomen dat terroristen de aanwezigheid van kinderen misbruiken om de intrekking te frustreren?
De leden van de BBB-fractie steunen dit wetsvoorstel. Wie zich in het buitenland aansluit bij een terroristische organisatie, kan een ernstig gevaar vormen voor de veiligheid van Nederland. De bevoegdheid om in zulke gevallen het Nederlanderschap in te trekken, moet ook na 1 maart 2027 beschikbaar blijven. Deze leden vragen de regering welke lessen zijn getrokken uit de intrekkingsbesluiten die door de rechter zijn vernietigd of vervolgens door de minister zijn ingetrokken. Hoe wordt ervoor gezorgd dat toekomstige besluiten juridisch standhouden?
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van de nationale veiligheid en de intrekking van het Nederlanderschap als maatregel om de nationale veiligheid te beschermen. Zij benadrukken dat de inzet van de tijdelijke maatregelen het effect en nut van deze wet heeft bewezen en dat permanentmaking voor de hand ligt. Zij hebben nog enkele vragen over het voorstel.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met zorg kennisgenomen van het wetsvoorstel. Het intrekken van het Nederlanderschap is een maatregel die onomkeerbaar is. Hoewel deze leden begrip hebben voor de noodzaak om dit middel te hebben in een krachtige aanpak van terrorisme, zijn zij beducht voor de risico’s van het permanent verankeren van deze bevoegdheid. Daarom hebben zij nog enkele vragen.
1. Inleiding
De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat de gronden waarop het Nederlanderschap kan worden ingetrokken uitgebreid moeten worden. Zo hebben deze leden al eerder bepleit in het tienpuntenplan dat mensen met een dubbele nationaliteit, die veroordeeld zijn voor gewelds- en zedendelicten, direct moeten worden gedenaturaliseerd en uitgezet. In hoeverre is de regering bereid de gronden in artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap uit te breiden? Ook vragen zij of de regering ertoe bereid is het Europees Verdrag inzake nationaliteit op te zeggen, wanneer blijkt dat de gronden niet uitgebreid kunnen worden. Tenslotte lezen deze leden dat tegen het besluit tot intrekking beroep en hoger beroep openstaan. Klopt het dat het besluit zelfs zonder het aantekenen van beroep voor de bestuursrechter terechtkomt? Is Nederland hiertoe verplicht?
2. De bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap
De leden van de SGP-fractie lezen dat het wetsvoorstel het mogelijk maakt dat in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap wordt ingetrokken van een persoon van 18 jaar of ouder die zich buiten het Koninkrijk bevindt en zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie die een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Deze leden vragen of dit wetsvoorstel ook de mogelijkheid biedt om het Nederlanderschap in te trekken van een persoon van 18 jaar of ouder die zich binnen het Koninkrijk bevindt en zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie die een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Voorts vragen zij of onder ‘terroristische organisatie’ ook kan worden verstaan ‘een organisatie die in een andere lidstaat als terroristisch is aangemerkt’.
2.1 Doel
De leden van de D66 fractie constateren dat in het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State wordt opgemerkt dat het causaal verband tussen de intrekking van het Nederlanderschap en de mate waarin uitreizigers terugkeren naar Nederland onvoldoende door onderzoek is gevalideerd. Kan de regering op dit punt van de Afdeling in gaan en in haar beantwoording het onderzoek noemen dat aantoont dat een dergelijk causaal verband aanwezig is?
De leden van de SGP-fractie lezen dat als een persoon zich (eenmaal) in één van de landen van het Koninkrijk bevindt, strafrechtelijk optreden in de rede ligt. Deze leden vragen de regering toe te lichten welke inspanningen worden verricht om dergelijke personen met gevaar voor de nationale veiligheid de toegang tot het Koninkrijk te beletten teneinde het Nederlanderschap te kunnen intrekken.
De leden van de SGP-fractie lezen dat door de intrekking terugkeer als Nederlander onmogelijk wordt gemaakt, omdat het recht op toegang tot het grondgebied van het Koninkrijk als Nederlander vervalt. Het is evenmin mogelijk om als vreemdeling legaal terug te keren, omdat de betrokkene tegelijkertijd met de intrekking van het Nederlanderschap tot ongewenst vreemdeling wordt verklaard. Deze leden vragen de regering welke mogelijkheden er bestaan om de ongewenste vreemdeling de toegang tot het Koninkrijk te ontzeggen indien deze vreemdeling onder een valse identiteit de landsgrenzen probeert binnen te komen.
De leden van de SGP-fractie lezen dat het verval van het Nederlandse reisdocument wordt opgenomen in de Stolen and Lost Travel Document database van Interpol. Zowel de gegevens van betrokkene als zijn vervallen reisdocument worden geregistreerd in het Schengen Informatiesysteem II (SIS). Deze leden overwegen dat het SIS door lidstaten kan worden ingezien. Zij vragen de regering of ook ongewenst verklaarde personen uit andere lidstaten direct kunnen worden geweerd op basis van deze registratie vanwege het gevaar voor de nationale veiligheid. Voorts vragen zij welke bevoegdheden andere lidstaten hebben wanneer een ongewenst verklaarde persoon waarvan het Nederlanderschap is ingetrokken zich meldt in een der andere lidstaten.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering schrijft dat het strafrecht “het primaire instrument” is. In paragraaf 2.2 wordt echter erkend dat intrekking berechting en tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in Nederland kan doorkruisen. Hoe vaak is het voorgekomen dat er van intrekking is afgezien omdat strafvervolging de voorkeur kreeg? Daarnaast gaat de Afdeling Advisering van de Raad van State in op de onomkeerbaarheid van intrekking. Is er in uitzonderlijke gevallen een manier waarop dit toch ongedaan kan worden gemaakt? Heeft deze intrekking ook gevolgen voor de verblijfsstatus van kinderen of eventuele andere gezinsleden? Worden deze belangen meegewogen in de keuze om Nederlanderschap in te trekken?
2.2 Voorwaarden
De leden van de D66-fractie constateren dat het Nederlanderschap kan worden ingetrokken wanneer uit iemands gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door de minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en die een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Hiervoor is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Kan de regering uiteenzetten welke stappen de minister van Justitie en Veiligheid moet doorlopen om een organisatie aan te merken als terroristisch en in hoeverre daarbij onafhankelijk dan wel extern advies wordt ingewonnen? Op welke wijze wordt voorkomen dat enkel op basis van een politiek oordeel van de minister van Justitie en Veiligheid, dan wel de Ministerraad, kan worden overgegaan op het aanmerken van een organisatie als terroristisch? Welke onafhankelijk en objectieve bronnen liggen ten grondslag aan een dergelijke beslissing? Kan de minister ook zonder het bestaan van deze bronnen desondanks overgaan tot het aanmerken van een organisatie als terroristisch? Is het op basis van huidige wet- en regelgeving mogelijk om een onafhankelijk advies in te winnen van bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie dan wel de Raad van State voordat wordt overgegaan tot aanmerken van een organisatie als terroristische organisatie?
De leden van de D66-fractie vragen of de regering uiteen kan zetten hoe in andere Europese landen wordt gekomen tot een oordeel over welke organisaties kunnen worden aangemerkt als terroristisch. Wie kan in andere landen deze beslissing nemen en welke vereisten liggen daaraan ten grondslag? Ziet de regering aanvullende waarborgen in andere Europese landen die ook in Nederland mogelijk toegepast zouden kunnen worden om misbruik van een dergelijke lijst te voorkomen?
De leden van de VVD-fractie constateren dat in artikel 14 lid 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap een intrekkingsbevoegdheid aan de minister toekent, in plaats van verlies van rechtswege bij deelname aan een terroristische organisatie. Deze leden memoreren dat hiervoor is gekozen vanwege het Rottmann-arrest, waarbij er bij verlies van unieburgerschap altijd sprake dient te zijn van een evenredigheidsafweging. Volgens deze leden kan dit betekenen dat er geen evenredigheidsafweging nodig is indien de tweede nationaliteit de nationaliteit van een andere EU-lidstaat is. Deelt de regering deze opvatting? Hoe vaak is het sinds de inwerkingtreding van deze bevoegdheid voorgekomen dat het Nederlanderschap is ingetrokken van iemand die als tweede nationaliteit een andere Europese nationaliteit had?
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de intrekking van het Nederlanderschap in geen geval ertoe mag leiden dat de betrokkene staatloos wordt, omdat dit in strijd is met internationale verplichtingen. Welke maatregelen kunnen genomen worden tegen personen die zich in het buitenland hebben aangesloten bij een terroristische organisatie, maar alleen de Nederlandse nationaliteit bezitten? Hoe wordt voorkomen dat deze personen terugkeren naar Nederland zonder dat zij op de radar staan van de opsporingsdiensten?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader kan ingaan op de belangenafweging die wordt gemaakt en het totaalpakket aan mogelijke maatregelen die genomen kunnen worden om de nationale veiligheid te beschermen. Deze leden lezen dat bijvoorbeeld de rol die de betrokkene vervult bij de betreffende terroristische organisatie wordt afgewogen in de proportionaliteit om Nederlanderschap in te trekken. Begrijpen deze leden het goed dat het afreizen en lid worden van een terroristische organisatie, opzichzelfstaand onvoldoende is om het Nederlanderschap in te trekken als de verdachte een dubbele nationaliteit heeft? Waar ligt die grens precies?
De leden van de CDA-fractie vragen of de intrekking van het Nederlanderschap automatisch ook leidt tot het verlies van het Unieburgerschap. Zo niet, aan welke voorwaarden moet daarvoor voldaan zijn?
De leden van de CDA-fractie lezen dat een voorgenomen intrekking van het Nederlanderschap de opsporing en vervolging kan doorkruisen, omdat intrekking leidt tot ongewenstverklaring waardoor de verdachte zich niet in Nederland mag bevinden. Het is dan slechts mogelijk om legaal in Nederland aanwezig te zijn als de ongewenstverklaring tijdelijk wordt opgeheven. De regering schrijft dat de doorkruising van die belangen onder omstandigheden en in individuele gevallen aanleiding geven om af te zien van intrekking van het Nederlanderschap. Deze leden vragen hoe vaak de afgelopen 10 jaar van intrekking is afgezien ten behoeve van de opsporing, vervolging en berechting van verdachten.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe bij een voorgenomen intrekking het belang van de nationale veiligheid wordt afgewogen tegen het belang van opsporing, vervolging en berechting. Op welk moment wordt het Openbaar Ministerie daarbij betrokken?
De leden van de SGP-fractie lezen dat voor de intrekking van het Nederlanderschap geen voorafgaande strafrechtelijke veroordeling is vereist. Deze leden merken op dat het in het verleden meermaals onmogelijk bleek om het Nederlanderschap in te trekken vanwege het recht op verschijning in persoon bij de rechtbank. Zij vragen de regering welke mogelijkheden zij heeft teneinde het Nederlanderschap in te trekken van personen die zich in het buitenland bevinden, maar aanwezig willen zijn bij hun rechtszaak. Zij vragen de regering of deze problemen inmiddels ondervangen zijn.
De leden van de SGP-fractie lezen dat er momenteel drie organisaties zijn die op de lijst zijn geplaatst. Deze leden vragen de regering waarom terreurorganisaties Hamas en Hezbollah niet op deze lijst zijn geplaatst. Zij vragen de regering of er zicht is op uitbreiding van deze lijst, aan welke voorwaarden moet worden voldaan om organisaties op deze lijst te plaatsen en waarom deze lijst niet overeenkomt met de nationale sanctielijst terrorisme. Zo vragen zij de regering of organisaties die in Nederland of Europa aanslagen plegen niet direct op deze lijst zouden moeten worden geplaatst. Voorts vragen deze leden wat moet worden verstaan onder ‘organisaties die aan deze groeperingen zijn gelieerd’. Zij vragen de regering of de Nederlandse tak van een terroristische organisatie onder dit begrip valt.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe wordt bepaald wanneer een organisatie aan een terroristische groepering is gelieerd. Zo vragen deze leden te reflecteren op de in Nederland actieve organisatie Samidoun, een dochterorganisatie van de Popular Front for the Liberation of Palestine (PLFP), een organisatie die op de Europese terreurlijst staat. Welke verbanden moeten kunnen worden aangetoond om te kunnen spreken van ‘aan een terroristische groepering gelieerd’?
De leden van de SGP-fractie vragen of het tonen van spandoeken van deze organisatie tijdens demonstraties of het steun betuigen aan het werk van deze terroristische organisaties kan worden bestempeld als het ‘aangesloten zijn bij’ deze organisaties. Deze leden vragen de regering eveneens of de oproep tot een intifada kan worden beschouwd als een oproep tot terrorisme en derhalve zou moeten leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Zij vragen de regering of dit wetsvoorstel er ook toe strekt om ervoor te zorgen dat personen van wie in het verleden is aangetoond zich met terroristisch gedachtegoed te hebben ingelaten nóóit genaturaliseerd zullen worden.
De leden van de SGP-fractie lezen dat het mogelijk is de ongewenstverklaring tijdelijk in te trekken, bijvoorbeeld gedurende de periode die nodig is om betrokkene te berechten en een eventuele vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen. Deze leden vragen de regering uiteen te zetten welke maatregel de voorkeur geniet in het belang van de nationale veiligheid. Zij vragen de regering te benadrukken dat het belang van de nationale veiligheid in dit soort gevallen altijd prevaleert boven het belang van deze individuele verdachte die een gevaar vormt voor de veiligheid van Nederlanders. Zij vragen de regering voorts of het de inzet is om in geval van een dubbele nationaliteit altijd over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap.
De leden van de SGP-fractie lezen dat intrekking van het Unieburgerschap wordt betrokken bij de afweging of een persoon het Nederlanderschap verliest. Deze leden vragen de regering toe te lichten of verlies van het Unieburgerschap een voorwaarde vormt om niet over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Voorts wijzen deze leden de regering erop dat Unieburgerschap geen nationaliteit is die derhalve niet ingetrokken kan worden.
De leden van de SGP-fractie lezen dat tegen het besluit tot intrekking rechtstreeks beroep en vervolgens hoger beroep open staat. Deze leden lezen dat, vanwege het verblijf in het buitenland van degene tot wie de maatregel zich richt, de minister van Justitie en Veiligheid ambtshalve de bestuursrechter in kennis stelt van het genomen besluit. Deze leden vragen de regering in hoeveel gevallen er daadwerkelijk beroep in wordt gesteld en in hoeveel gevallen hoger beroep wordt ingesteld. Zij vragen tevens of een besluit tot intrekking direct ingaat, of dat beroep en hoger beroep kan worden afgewacht. Zij vragen voorts of dit ertoe zal leiden dat personen tegen wie een besluit tot intrekking is genomen in allerijl naar Nederland zullen reizen om intrekking van het Nederlanderschap te voorkomen. Zij vragen de regering of beroep en hoger beroep ook bij verstek kunnen worden uitgesproken, of dat de persoon ook de mogelijkheid krijgt om in persoon voor de rechter te verschijnen. In dit laatste geval zou intrekking van het Nederlanderschap al niet meer mogelijk zijn vanwege de voorwaarde dat de persoon zich in het buitenland dient te bevinden. Zij vragen voorts of er vanwege het gevaar voor de nationale veiligheid spoed betracht kan worden bij de behandeling van deze gewichtige zaken. Deze leden vragen de regering of zij mogelijkheden ziet om deze procedure te versnellen en vragen voorts of er internationale voorschriften zijn die ambtshalve in kennisstelling van de bestuursrechter voorschrijven. Ten slotte vragen zij de regering te verkennen hoe andere lidstaten dit hebben vastgelegd en deze verkenning met de Kamer te delen.
2.3 Aantal intrekkingen
De leden van de D66-fractie constateren dat sinds de inwerkingtreding van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap in 25 gevallen gebruik gemaakt is van de bevoegdheid om het Nederlanderschap in te trekken. Deze leden lezen dat in twee gevallen door de bestuursrechter is besloten het besluit te vernietigen omdat onvoldoende was aangetoond dat de betrokkene op of na maart 2017 was aangesloten bij een terroristische organisatie. Dit heeft geleid tot het intrekken van het besluit in vijf andere zaken. Daarnaast zijn er nog twee zaken waarbij het besluit is vernietigd. Zij constateren hiermee dat in ruim 35% van de gevallen het intrekkingsbesluit is ingetrokken of vernietigd. Kan de regering toelichten waarom in de andere twee zaken is besloten tot vernietiging van het besluit? Kan de regering reflecteren op de vraag in hoeverre de intrekkingsbevoegdheid voldoende terughoudend wordt toegepast als in 34% van de gevallen is geoordeeld dat intrekken van de nationaliteit niet gepast was? Aan de hand van welke criteria bepaalt de regering of het intrekken van het Nederlanderschap proportioneel en noodzakelijk is? Ziet de regering mogelijkheden om de juridische houdbaarheid van toekomstige intrekkingsbesluiten te verbeteren?
De leden van de VVD-fractie merken op dat er sinds 2017 een aantal gevallen is waarbij de bestuursrechter de intrekking heeft vernietigd. Hierbij zijn er twee zaken waarbij uit de memorie van toelichting niet blijkt waarom de bestuursrechter tot vernietiging is overgegaan. Kan de regering hier alsnog op ingaan?
De leden van de CDA-fractie lezen dat sinds de inwerkingtreding van de bevoegdheid tot intrekking 15 intrekkingen definitief zijn en dat dit in lijn is met de verwachting ten tijde van totstandkoming van de bevoegdheid. Verwacht de regering de komende periode meer gevallen waarin intrekking van het Nederlanderschap aan de orde is? Zijn er volgens de regering voldoende mogelijkheden om informatie te verkrijgen van activiteiten van personen in het buitenland die zich vermoedelijk hebben aangesloten bij een terroristische organisatie?
De leden van de SGP-fractie lezen dat sinds de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap in 25 gevallen gebruikgemaakt is van deze bevoegdheid, maar dat slechts 15 intrekkingen definitief zijn en dat vijf zaken zijn ingetrokken. Zij vragen de regering of de lat niet te hoog wordt gelegd om het Nederlanderschap in te trekken.
2.4 Verhouding tot hoger recht
De leden van de D66-fractie onderschrijven de boodschap van de regering dat het intrekken van de nationaliteit legale terugkeer naar Nederland kan voorkomen. Tegelijkertijd constateren deze leden dat dit niet betekent dat deze personen niet alsnog op illegale wijze zullen proberen terug te keren naar Nederland, maar dat het intrekken van Nederlanderschap wel tot gevolg kan hebben dat de Nederlandse autoriteiten in mindere mate toezicht hebben op deze personen die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie. Kan de regering toelichten hoe het toezicht op dit moment is vormgegeven op deze personen, in welke mate dit wordt verminderd wanneer de nationaliteit wordt ingetrokken en hoe wordt voorkomen dat personen niet ‘onder de radar’ verdwijnen na een intrekkingsbesluit?
De leden van de BBB-fractie vragen naar de stand van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:1849). Die uitspraak betreft een andere grondslag voor intrekking van het Nederlanderschap. Welke gevolgen zou een bevestiging van die uitspraak volgens de regering kunnen hebben voor de bevoegdheid die met dit wetsvoorstel permanent wordt gemaakt?
De leden van de SGP-fractie lezen dat ingeval bij intrekking van het Nederlanderschap tevens het burgerschap van de Unie verloren gaat en beoordeeld wordt welke gevolgen het verlies van het Unieburgerschap heeft. Dit kan ertoe leiden dat in het concrete geval van intrekking wordt afgezien. Deze leden vragen de regering of zij uiteen kan zetten in hoeveel van de voorgenomen gevallen is afgezien van intrekking van het Nederlanderschap vanwege het verlies van het Unieburgerschap.
3. Redenen tot behoud van de bevoegdheid
De leden van de SGP-fractie lezen dat ISIS een belangrijke rol blijft spelen bij jihadistische aanslagdreiging in Europa. Deze leden constateren dat er tal van organisaties zijn die aan ISIS gelieerd zijn of hetzelfde doel hebben; aanslagen plegen in Europa. Zij vragen de regering waarom de lijst met terroristische organisaties in de loop der tijd niet is uitgebreid met dit soort organisaties. Zij vragen de regering of plaatsing van dit soort organisaties die een werkelijk gevaar voor de nationale veiligheid vormen op de lijst het intrekken van het Nederlanderschap van personen eenvoudiger en slagvaardiger zou maken.
De leden van de SGP-fractie lezen dat in de jaren 2012-2019 er ruim 300 volwassen personen met (onder meer) de Nederlandse nationaliteit naar Syrië en Irak zijn uitgereisd. Daarvan zijn er ongeveer 90 teruggekeerd naar Nederland. Deze leden vragen de regering of bij al deze personen is geprobeerd het Nederlanderschap in te trekken. Zij vragen voorts waarom dit niet is gelukt en of de procedure dan wel volstaat. Zij constateren dat de periode van uitreizen van deze personen al zo’n 15 tot 10 jaar geleden is. Zij vragen de regering of onderzocht kan worden dat aansluiting bij een terroristische organisatie en het uitreizen niet direct tot intrekking van het Nederlanderschap zou moeten leiden. Zij vragen de regering of de teruggekeerde personen bij terugkeer direct zijn vastgezet en berecht. Ten slotte vragen zij of er voldoende capaciteit is om de teruggekeerde personen in het oog te houden.
De leden van de SGP-fractie lezen dat op dit moment zich nog ongeveer 75 Nederlandse uitreizigers in Syrië, Irak of Turkije bevinden. Deze leden vragen de regering of tegen deze personen al een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap genomen is of in voorbereiding is. Zij verzoeken de regering om al het mogelijke te doen om dit besluit te nemen.
De leden van de SGP-fractie lezen dat de meeste Nederlandse uitreizigers zich in Syrië bevinden. Ongeveer 25 volwassen uitreizigers begeven zich op dit moment vrijelijk in het gebied wat onder controle staat van het nieuwe bewind. Deze leden vragen hoe de diplomatieke verhouding met dit bewind eraan bijdraagt om te beletten dat deze personen terugkeren naar het Koninkrijk.
De leden van de SGP-fractie lezen dat zowel vrouwen als kinderen met een Nederlandse link zich bevinden in al-Hol en al-Roy. Deze leden vragen de regering of het mogelijk is dat kinderen van uitreizigers, geboren in Syrië of ander gebied onder controle van terroristische organisaties, kunnen worden belet de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen wanneer een van de ouders tevens een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezit.
3.1 Dreigingsbeeld
De leden van de CDA-fractie vragen de regering welke preventieve maatregelen mogelijk zijn om te voorkomen dat personen uitreizen naar bijvoorbeeld ISIS-provincies in Afghanistan en Pakistan, wanneer daar een redelijk vermoeden toe is. Deze leden lezen daarnaast dat online contacten ISIS-aanhangers in Nederland ertoe kunnen aanzetten om jihadistische propaganda te verspreiden, geld in te zamelen, uit te reizen of een aanslag te plegen. Kunnen de opsporingsdiensten gemakkelijk dit soort contacten signaleren en onderscheppen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat op dit moment ongeveer 75 Nederlandse uitreizigers zich bevinden in Syrië, Irak of Turkije. Deze personen zijn dus in beeld. Wordt voor die groep personen een proces voorbereid om het Nederlanderschap in te trekken, ook als er geen signalen bekend zijn dat ze willen terugkeren naar Nederland? En wat gebeurt er als de intrekking nog wordt overwogen, maar deze persoon in de tussentijd al is teruggekeerd naar Nederland?
De leden van de CDA-fractie lezen dat een deel van de vrouwelijke Nederlandse uitreizigers eerder tijdens hun verblijf in de Syrisch-Koerdische detentiecentra heeft aangegeven de wens te hebben om terug te keren naar Nederland. De regering geeft aan dat waar mogelijk het Nederlanderschap is ingetrokken van deze uitreizigers, maar dat bleek niet in alle gevallen mogelijk. Kan de regering meer uitleg geven over de redenen waarom dit niet mogelijk was?
De leden van de BBB-fractie constateren dat voor toepassing van de bevoegdheid de betrokken organisatie op een door de minister vastgestelde lijst moet staan. Kan de regering de Kamer een actueel overzicht van deze organisaties verstrekken, met per organisatie de datum waarop zij op de lijst is geplaatst? Hoe vaak beoordeelt de regering of organisaties aan de voorwaarden voor plaatsing voldoen, wanneer heeft die beoordeling voor het laatst plaatsgevonden en op grond waarvan wordt besloten een organisatie toe te voegen of te verwijderen?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat in het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State wordt ingegaan op de nadelige effecten van intrekking van burgerschap (e.g. de complexiteit van informatiewinning over vreemdelingen, deradicalisering is lastiger en de kans dat de persoon banden breekt met de organisatie is kleiner). Het nader rapport lijkt echter niet in te gaan op deze mogelijke gevolgen. Hoe worden deze effecten gewogen? Zijn deze nadelen meegenomen in de afwegingen van de regering?
3.2 Onderdeel van een breed instrumentarium
In het nader rapport vernemen de leden van de ChristenUnie-fractie dat de regering als doel heeft legale terugkeer te voorkomen. Tegelijkertijd is dit vooral het juridische gevolg van de regeling zelf. Kan de regering uitleggen in hoeverre de intrekking tot nu toe aan het daadwerkelijke doel van nationale veiligheid heeft bijgedragen? Wanneer intrekking niet mogelijk was, heeft de regering andere maatregelen getroffen. Kon de nationale veiligheid in deze gevallen via de andere maatregelen voldoende worden beschermd? Zo ja, wat zegt dat over de noodzaak voor deze permanente bevoegdheid?
3.3 Conclusie
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Afdeling Advisering van de Raad van State adviseert de horizonbepaling te verlengen, waarmee er meer ruimte is om de noodzakelijkheid van deze permanente bevoegdheid nader te onderzoeken. Welke risico’s ziet de regering waardoor zij het noodzakelijk acht nu deze permanente bevoegdheid te creëren?
4. Uitgebrachte adviezen
De leden van de SGP-fractie lezen dat het Openbaar Ministerie erop wijst dat er bij elke beslissing tot intrekking van het Nederlanderschap uitdrukkelijk aandacht moet zijn voor het belang van opsporing, vervolging en berechting van de betrokkene en de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Deze leden vragen de regering of er voldoende capaciteit bij alle ketenpartners is om de ongewenstverklaring te handhaven. Zij vragen de regering hoe voorkomen wordt dat een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken toch voet weet te zetten binnen de grenzen van het Koninkrijk. Zij vragen de regering tevens welke wettelijke mogelijkheden er bestaan om personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken en die zich onverhoopt toch binnen de grenzen van het Koninkrijk weten te begeven, de toegang tot Nederland ontzegd kan worden.
II. Artikelsgewijze toelichting
III. Overig
De leden van de D66-fractie constateren dat er op dit moment nog een zaak in hoger beroep aanhangig is bij de rechter wat betreft het onderscheid tussen Nederlander met alleen de Nederlandse nationaliteit en Nederlanders met meerdere nationaliteiten. Onderhavig wetsvoorstel is desondanks naar de Kamer gestuurd. Kan de regering uiteenzetten waarom niet is gewacht met het indienen van het wetsvoorstel totdat eerdergenoemde zaak tot afronding is gekomen? Kan de regering uiteenzetten wat de stand van zaken is met betrekking tot het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025 en in hoeverre de regering de uitspraak in deze zaak nog kan, dan wel zal, betrekken bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel?
De leden van de D66-fractie merken op dat de Tijdelijke Commissie Grondrechten en Constitutionele Toetsing naar verwachting op 15 oktober met een advies komt over het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden willen de regering vragen in te gaan op het advies van de Tijdelijke Commissie in haar beantwoording en eventuele punten of vragen genoemd door de commissie te beantwoorden.
De leden van de VVD-fractie merken op dat bij de initiële behandeling van het wetsvoorstel waarmee de bevoegdheid om het Nederlanderschap in te trekken door de regering is ingevoerd werd aangegeven dat het onwenselijk zou zijn om betrokkene zelf verantwoordelijk te maken voor het betalen van het griffierecht. Heeft de regering anno 2026 nog steeds dezelfde zorgen? In hoeveel gevallen heeft de betrokkene zich actief bemoeid met het ambtshalve beroep tegen de intrekking?
De voorzitter van de commissie,
Eerdmans
De adjunct-griffier van de commissie,
Nouse