Antwoord op vragen van de leden Ceulemans, Boomsma en Coenradie over de inzet van ambulances naar asielopvanglocaties
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D48254, datum: 2026-10-02, bijgewerkt: 2026-10-02 16:08, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie (Ooit CDA kamerlid)
- Mede ondertekenaar: S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z16458:
- Gericht aan: S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Gericht aan: G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 217
Antwoord van minister Van den Brink (Asiel en Migratie) en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ontvangen 2 oktober 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 2670
Vraag 1
Herkent u het beeld dat ambulancediensten buitenproportioneel vaak
moeten uitrijden naar asielzoekerscentra voor meldingen, wat hoge kosten
en druk met zich meebrengt en waarbij de meldingen ook vaak onterecht
blijken?
Antwoord op vraag 1
Nee, dit beeld herkennen wij niet. Dit beeld wordt ook niet
herkend door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Tevens laat
sectororganisatie Ambulancezorg Nederland (AZN) weten dat op basis van
landelijk beschikbare data dit gecombineerde beeld niet wordt
herkend.
Vraag 2
Kunt u aangeven hoe vaak het afgelopen jaar een ambulance opgeroepen is
naar locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers
(COA) (waaronder maar niet beperkt tot azc’s en noodopvanglocaties) en
de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en hoe dat zich verhoudt tot
andere instellingen?
Antwoord op vraag 2
Wij beschikken niet over deze cijfers. Er worden landelijk geen
gegevens bijgehouden over de aard van de melding en de daaraan verbonden
(ambulance-)inzet op het niveau van een individuele locatie, dan wel een
groep van locaties of instellingen in Nederland.
Wel is op basis van declaratiedata te achterhalen hoe vaak een
ambulance-inzet is gedeclareerd voor een asielzoeker of statushouder,
verblijvend op één van de locaties van het COA. Dit komt omdat zij niet
onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) vallen, maar een eigen regeling
kennen (Regeling Medische zorg Azielzoekers (RMA)). In 2025 betrof dit
in totaal 3.932 gedeclareerde ambulance-inzetten onder de RMA. Dit getal
geeft alleen een duiding aan wie de zorg heeft ontvangen, niet waar de
ambulance-inzet heeft plaatsgevonden. Ter referentie: in 2025 vonden in
totaal 1.514.188 ambulance-inzetten plaats. Voor asielzoekers rukken
daarmee naar verhouding minder vaak ambulances uit dan voor
niet-asielzoekers.
Vraag 3
Hoe verhoudt dit aantal zich tot de jaren ervoor? Is er sprake van een
stijging? Zo ja, welke verklaringen heeft u hiervoor?
Antwoord op vraag 3
Zie beantwoording vraag 2. Er zijn alleen historische
declaratiedata van de RMA beschikbaar, waarmee geen conclusies kunnen
worden verbonden aan de locatie waar de ambulance-inzet heeft
plaatsgevonden. De afgelopen drie jaar is een stijging in de
ambulanceritten te zien. Daar staat tegenover dat ook de bezetting bij
het COA in deze periode is toegenomen.
Tabel 1: Gedeclareerde ambulanceritten (RMA)
| 2023 | 2024 | 2025 | |
|---|---|---|---|
| Spoedvervoer (A-rit) | 2.560 | 2.873 | 3.110 |
| Besteld vervoer (B-rit) | 509 | 685 | 816 |
| MICU-vervoer* | 3 | 7 | 6 |
| Totaal | 3.072 | 3.565 | 3.932 |
*MICU = Mobiele Intensive Care Unit
De stijging is in lijn met de gestegen bezetting bij het COA.
Vraag 4
Hoe vaak bleek een spoedrit naar dergelijke locaties het afgelopen jaar
onnodig? Herkent u het beeld dat hier vaak sprake van is?
Antwoord op vraag 4
Het inzetten van een ambulance met spoed (A-urgentie) vindt
plaats op basis van triage door de meldkamer ambulancezorg. Daarbij
wordt, op basis van de gegeven situatie en de op dat moment beschikbare
informatie, beoordeeld welke inzet het meest gepast is. Het kan
voorkomen dat, nadat een ambulance ter plaatse is gekomen, blijkt dat
andere zorg toch passender zou zijn geweest. Dit betekent echter niet
dat de ambulance-inzet dan onnodig was. In sommige gevallen kan de
benodigde zorg ter plaatse worden geboden en blijkt vervoer niet
noodzakelijk. Daarmee kan echter niet gesteld worden dat de
ambulance-inzet op zichzelf onnodig was. De inzet blijft het resultaat
van een zo zorgvuldig mogelijke inschatting door de triagist van de
meldkamer ambulancezorg.
Vraag 5
Hoe vaak werd een spoedrit naar deze locaties uitgevoerd vanwege
vechtpartijen enerzijds, en anderzijds extreem gedrag wegens een
afwijzing van asielaanvraag?
Antwoord op vraag 5
Dergelijke gegevens worden niet geregistreerd.
Vraag 6
Hoe vaak is gedurende dezelfde periode sprake geweest van de inzet van
taxi’s voor hetzelfde doel?
Antwoord op vraag 6
Er vindt geen registratie plaats van het aantal keer dat
gebruik is gemaakt van taxi’s voor medische spoedritten.
Vraag 7
Hoe vaak is het afgelopen jaar sprake geweest van (gewelds)incidenten,
bedreiging en intimidatie richting ambulancepersoneel op dergelijke
locaties? Is er sprake van een stijging ten opzichte van eerdere
jaren?
Antwoord op vraag 7
Wij beschikken niet over deze cijfers op het niveau van een
groep locaties in Nederland.
Vraag 8
Herkent u het beeld dat oproepen vanuit asielopvanglocaties een grote en
groeiende druk op de ambulancezorg leggen, met soms verstrekkende
gevolgen voor de inzetbaarheid van ambulances elders in de
regio?
Antwoord op vraag 8
Nee, dat beeld herkennen wij niet. In de beschikbare cijfers
vanuit de RMA vormden ambulance-inzetten voor asielzoekers en
statushouders, woonachtig op een locatie van het COA, 0,26% van het
totaal aantal ambulance-inzetten in 2025.
Vraag 9
Welke impact heeft het verondersteld hoge aantal onnodige ritten op de
aanrijtijden van ambulancediensten? Kunt u dit nader
toelichten?
Antwoord op vraag 9
Zie beantwoording vraag 4 en 8.
Vraag 10
Worden cijfers over ambulanceritten naar COA-locaties geregistreerd en
zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 10
Zie beantwoording vraag 2. Er worden landelijk geen gegevens
bijgehouden over de aard van de melding en de daaraan verbonden
(ambulance-)inzet op het niveau van een individuele locatie, dan wel een
groep van locaties of instellingen in Nederland. Daar is de landelijke
zorgregistratie niet op ingericht. Deze registratie is gericht op de
(zorgvraag van de) patiënt en de verleende ambulancezorg. Het landelijk
registreren van (groepen) locaties is in deze niet relevant. Daarnaast
kan men bij een locatie niet afleiden of de patiënt een bewoner van het
adres is, of bijvoorbeeld een medewerker, bezoeker of passant. Wel is op
basis van declaratiedata te achterhalen hoeveel ambulance-inzetten
zijn
gedeclareerd onder de RMA.
Vraag 11
Welke mogelijkheden zijn er om de zorg of controle van incidenten ter
plekke te verbeteren om onnodige ritten beter te voorkomen?
Antwoord op vraag 11
Bij beschikbaarheid van de voorziening Gezondheidszorg
Asielzoekers (GZA) op locatie kan, wanneer de aard van een medische
situatie dit mogelijk maakt, zorg worden geboden op locatie. Bij een
acute en/of ernstige zorgvraag of twijfel zal echter altijd met de
hulpdiensten worden gebeld waarna de afweging voor eventuele ambulance
inzet door de meldkamer wordt gemaakt. Bij benodigd medisch advies dat
niet 112-waardig is wordt de praktijklijn van de GZA gebeld. Die maakt
dan de afweging of bezoek aan tweedelijnszorg direct nodig is, al dan
niet met taxivervoer. De voorwaarden voor de indicatie medisch vervoer
zijn uitgewerkt in de RMA.
Vraag 12
Beschikt u over onderzoeken ten aanzien van het aantal spoedritten of
acute zorgvragen op COA-locaties?
Antwoord op vraag 12
Over extra onderzoeken, naast de eerdergenoemde declaratiedata
onder de RMA, beschikt het kabinet niet.
Vraag 13
Kunt u deze vragen afzonderlijk en één voor één
beantwoorden?
Antwoord op vraag 13
Ja.