[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Antwoord op vragen van de leden Vermeer en Van der Plas over de gevolgen van de landbouwvrijstelling voor wisselteelt

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D48292, datum: 2026-10-02, bijgewerkt: 2026-10-05 08:17, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z17352:

Preview document (🔗 origineel)


AH 225

2026Z17352

Antwoord van staatssecretaris Eerenberg (Financiën), mede namens de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (ontvangen 2 oktober 2026)

Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2026-2027, nr. 16

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel ‘Strenge voorwaarden bij landbouwvrijstelling en vruchtwisseling’ van aaff?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u zich ervan bewust dat melkveehouders de landbouwvrijstelling over de periode van uitgebruikgeving kunnen verliezen wanneer zij grond tijdelijk beschikbaar stellen aan akkerbouwers of bollentelers voor wisselteelt? Zo ja, wat gaat u doen om dit knelpunt weg te nemen? Zo nee, bent u bereid dit op korte termijn te onderzoeken?

Antwoord 2

De landbouwvrijstelling is in beginsel niet van toepassing op de grond die ter beschikking wordt gesteld aan een ander. Hierop is in de jurisprudentie een uitzondering geformuleerd in het geval van noodzakelijke vruchtwisseling.2 Belangrijk is dat voor de toepassing van de landbouwvrijstelling beoordeeld moet worden of vruchtwisseling noodzakelijk is vanuit het perspectief van de grondeigenaar (of terbeschikkingsteller) bij de uitoefening van het landbouwbedrijf.3 Het in november 2025 gepubliceerde beleidsbesluit biedt hierover de gewenste duidelijkheid voor de praktijk.4 Melkveehouders kunnen de landbouwvrijstelling niet toepassen over de periode dat hun grasland ter beschikking wordt gesteld aan bijvoorbeeld een akkerbouwer. Voor die melkveehouder is er geen noodzaak om het grasland tijdelijk te ruilen voor het behoud van de bodemkwaliteit van die grond. Daarbij wordt opgemerkt dat de eigenaar van de grond dus niet de toepassing van de landbouwvrijstelling verliest voor de waardeontwikkeling van de grond voor de tijd dat deze in het eigen landbouwbedrijf werd gebruikt. Aan de landbouwvrijstelling is inherent dat de beoordeling of de grond in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt, plaatsvindt vanuit de positie van de eigenaar van de grond. In dat kader verwijzen wij ook naar de antwoorden op Kamervragen van de leden Stoffer en Flach (SGP) over het Landbouwbesluit.5
In de reactie op de motie van de leden Stoffer en Grinwis c.s. is aangegeven dat het beleidsbesluit binnen de bestaande wetgeving en jurisprudentie een zo ruim als mogelijke uitleg geeft van het begrip vruchtwisseling bij de toepassing van de landbouwvrijstelling.6 Een verdere (wettelijke) uitbreiding van de landbouwvrijstelling ligt niet voor de hand, gelet ook op uitkomsten van de recente beleidsevaluatie.7 Een dergelijke verruiming doet ook afbreuk aan de systematiek dat waardeaangroei belast wordt op het moment dat landbouwgronden niet meer in het eigen landbouwbedrijf worden aangewend. Een dergelijke uitzondering betekent ook een wetswijziging, waarvoor verschillende (bijvoorbeeld uitvoeringstechnische en Europeesrechtelijke) toetsen moeten worden doorlopen. Ook zullen er budgettaire consequenties zijn die in beeld moeten worden gebracht.

Vraag 3

Erkent u dat gewassen zoals bloembollen, aardappelen en uien vanwege de opbouw van ziekten en virusdruk vaak slechts eenmaal per vijf of zes jaar op hetzelfde perceel kunnen worden geteeld?

Antwoord 3

Ja, om bodemgebonden ziekte en plagen te voorkomen is het noodzakelijk om voor gewassen zoals aardappelen, uien en bloembollen vruchtwisseling toe te passen. Voor aardappelen gelden wettelijke vruchtwisselingseisen. Voor bloembollen en uien gelden geen wettelijke vruchtwisselingseisen.

Vraag 4

Erkent u dat het voor deze teelten noodzakelijk kan zijn dat akkerbouwers en bollentelers tijdelijk grond huren of uitruilen met melkveehouders?

Antwoord 4

Vruchtwisseling kan op het eigen bedrijf door invulling van het bouwplan met bijvoorbeeld rustgewassen, maar kan ook in samenwerking met melkveehouders. Op die manier wordt gewaarborgd dat de grond niet wordt uitgeput en de akkerbouwer of bollenteler ook in de toekomst op de eigen grond die gewassen kan blijven telen die hij normaliter op zijn grond teelt bij de uitoefening van zijn landbouwbedrijf. In het beleidsbesluit over vruchtwisseling worden handvatten gegeven voor de toepassing van de landbouwvrijstelling als grond tijdelijk uit gebruik is gegeven in het kader van noodzakelijke vruchtwisseling.

Vraag 5

Klopt het dat bij de beoordeling of sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling alleen wordt gekeken naar het belang van de teelt van de grondeigenaar en niet naar het belang van de teelt van degene die de grond tijdelijk gebruikt? Zo ja, waarom is voor deze beperking gekozen?

Vraag 6

Waarom kan een akkerbouwer of bollenteler onder voorwaarden wel aannemelijk maken dat wisselteelt noodzakelijk is voor zijn eigen bedrijfsvoering, terwijl een melkveehouder die zijn grond hiervoor tijdelijk beschikbaar stelt niet meer aan deze voorwaarden kan voldoen?

Antwoord 5 en 6

Het klopt dat voor de toepassing van de landbouwvrijstelling beoordeeld moet worden of vruchtwisseling noodzakelijk is vanuit het perspectief van de grondeigenaar (of terbeschikkingsteller) bij de uitoefening van het landbouwbedrijf. Melkveehouders kunnen de landbouwvrijstelling niet toepassen over de periode dat hun grasland ter beschikking wordt gesteld aan bijvoorbeeld een akkerbouwer. Voor die melkveehouder is er geen directe noodzaak om het grasland tijdelijk te ruilen voor het behoud van de bodemkwaliteit van die grond en het gebruik van die grond in de landbouwonderneming. Gras en maïs zijn geen bodemuitputtende gewassen. Deze voorwaarde volgt uit de wettelijke systematiek en de jurisprudentie op basis waarvan de landbouwgrond in de eigen landbouwonderneming gebruikt moet worden voor de toepassing van de landbouwvrijstelling. Als de grond uit gebruik wordt gegeven aan een ander, bestaat voor de periode dat de grond uit gebruik wordt gegeven geen recht op toepassing van de landbouwvrijstelling. De uitzondering op deze regel moet daarom zo worden uitgelegd dat dit alleen mogelijk is voor grond die zoveel als mogelijk in de eigen landbouwonderneming wordt gebruikt. Voor situaties waarin sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling, inhoudende dat het noodzakelijk is om de grond uit gebruik te geven om in de toekomst de eigen landbouwonderneming te blijven uitoefenen met die grond, is sprake van die uitzondering.

Vraag 7

Erkent u dat wisselteelt met grond van melkveehouders kan bijdragen aan het voorkomen van bodemgebonden ziekten en virussen en daarmee aan het verminderen van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen?

Antwoord 7

Ja, vruchtwisseling is noodzakelijk om bodemgebonden ziekten en plagen te voorkomen. Vruchtwisseling kan op het eigen bedrijf door invulling van het bouwplan met bijvoorbeeld rustgewassen, maar kan ook in samenwerking met andere agrariërs. Vruchtwisseling draagt bij aan het verminderen van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen.

Vraag 8

Bent u het ermee eens dat dit maatschappelijke en landbouwkundige voordeel moet worden meegewogen bij de toepassing van de landbouwvrijstelling? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 8

Het huidige beleidsbesluit over vruchtwisseling en ook de werkafspraak uit 2014 van de Belastingdienst met Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (hierna: LTO Nederland) zijn in lijn met de huidige wetgeving en gewezen jurisprudentie en geven een zo ruim als mogelijke uitleg van het begrip vruchtwisseling bij de toepassing van de landbouwvrijstelling. Daarbij wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met het maatschappelijke en landbouwkundige voordeel binnen de ruimte die de wet biedt.

Vraag 9

Deelt u de zorg dat melkveehouders hun grond niet langer voor wisselteelt beschikbaar zullen stellen wanneer daardoor een fiscale claim ontstaat die niet kan worden terugverdiend? Welke gevolgen verwacht u hiervan voor melkveehouders, akkerbouwers en bollentelers?

Vraag 10

Heeft u onderzocht hoeveel hectare landbouwgrond door deze strengere voorwaarden naar verwachting niet langer beschikbaar zal zijn voor wisselteelt? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?

Vraag 11

Deelt u de zorg dat het beperken van de landbouwvrijstelling bij uitgebruikgeving ertoe kan leiden dat gewassen vaker op dezelfde percelen worden geteeld, waardoor de ziekte- en virusdruk en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen kunnen toenemen? Zo ja, hoe gaat u dit voorkomen?

Vraag 12

Kunt u toezeggen dat de landbouwvrijstelling van toepassing blijft wanneer grond in het kader van noodzakelijke wisselteelt tijdelijk wordt uitgeruild tegen vervangende grond, zodat het beteelde areaal op peil kan blijven en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen kan worden beperkt?

Vraag 13

Bent u bereid de voorwaarden zo aan te passen dat tijdelijke uitgebruikgeving door een melkveehouder voor noodzakelijke wisselteelt niet leidt tot verlies van de landbouwvrijstelling over de betreffende periode? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 9, 10, 11, 12 en 13

Het is denkbaar dat een melkveehouder vanwege gedeeltelijk verlies van de landbouwvrijstelling de eigen grond niet beschikbaar wil stellen voor de ruil van grond met een akkerbouwer, terwijl die akkerbouwer de grond wel nodig heeft ter tijdelijke vervanging van die grond waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is. Of dit ook daadwerkelijk plaatsvindt en wat de gevolgen daarvan zijn voor grond van een akkerbouwer en melkveehouder, is ons niet bekend. Als ook de grond die de melkveehouder uit gebruik geeft aan een akkerbouwer of bollenteler onder het bereik van de landbouwvrijstelling zou moeten vallen, vergt dat een wettelijke aanpassing van de landbouwvrijstelling. Een dergelijke aanpassing ligt vanwege de uitkomsten van de evaluatie van de landbouwvrijstelling echter niet voor de hand. We benadrukken dat het huidige beleidsbesluit een zo ruim als mogelijke uitleg geeft van het begrip vruchtwisseling bij de toepassing van de landbouwvrijstelling. Het blijft mogelijk voor melkveehouders om grond ter beschikking te stellen aan anderen. Voor die korte periode is de landbouwvrijstelling weliswaar niet van toepassing, maar dat betekent niet dat de gehele waardeontwikkeling van de grond niet langer meer is vrijgesteld onder de landbouwvrijstelling. De landbouwvrijstelling blijft van toepassing over de waardeontwikkeling in de periode dat deze in de eigen landbouwonderneming werd gebruikt en ook aan de overige wettelijke voorwaarden is voldaan.

Vraag 14

Deelt u de zorg dat de huidige voorwaarden nadelig kunnen uitpakken voor de voedselzekerheid en sierteeltsector? Kunt u uw antwoord onderbouwen?

Antwoord 14

Op dit moment is niet bekend in hoeverre melkveehouders terughoudend zijn om grond uit te ruilen met akkerbouwers in het kader van wisselteelt. Voor akkerbouwers en bollentelers is in samenwerking met melkveehouders wisselteelt vaak een onderdeel van het bouwplan met als doel de bedrijfsvoering op dezelfde oppervlakte te kunnen continueren. Indien zij geen afspraken kunnen maken met melkveehouders over wisselteelt, zullen zij hun bedrijfsvoering hierop moeten aanpassen.

Vraag 15

Erkent u dat de regeling ook de extensivering van de melkveehouderij kan bemoeilijken, doordat de vraag naar geschikte wisselteeltgrond en daarmee de grondprijs verder kan stijgen? Hoe gaat u voorkomen dat melkveehouders hierdoor moeilijker extra grond kunnen verwerven?

Antwoord 15

Voor melkveehouders bestaat in beginsel geen noodzaak tot grondruil, aangezien bij de teelt van gras geen sprake is van een verplichte vruchtwisseling. Hierdoor kan de prikkel om grond beschikbaar te stellen aan andere sectoren, zoals de akkerbouw, mogelijk beperkter zijn wanneer tijdens de periode van uitgebruikgeving de landbouwvrijstelling mislopen. In hoeverre zij daadwerkelijk minder bereid zijn hun grond uit gebruik te geven aan akkerbouwers is niet bekend.

Vraag 16

Wat gebeurt er bij een bedrijfsoverdracht binnen de familie met een fiscale claim die is ontstaan doordat grond tijdelijk voor wisselteelt uit gebruik is gegeven? Kan deze claim worden doorgeschoven naar de bedrijfsopvolger en, zo ja, onder welke voorwaarden?

Antwoord 16

Vruchtwisseling speelt ook een rol bij de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) en de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR ab) bij schenking of vererving van een landbouwonderneming. Onroerende zaken die ter beschikking worden gesteld aan een ander komen sinds 1 januari 2024 niet langer in aanmerking voor de BOR en DSR ab, de zogenoemde vastgoedmaatregel. Er geldt echter een uitzondering op deze maatregel voor de terbeschikkingstelling van los land in het kader van teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is als bedoeld in de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen in titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).8 Teeltpacht wordt beoordeeld vanuit het perspectief van de pachter (of gebruiker van de grond). Bepaalde gewassen zoals gras of maïs zijn uitgezonderd van de teeltpachtwetgeving, omdat voor deze gewassen vruchtwisseling niet noodzakelijk is. Als een akkerbouwer grond verpacht aan de melkveehouder die hier gras of maïs op teelt, kan geen teeltpachtovereenkomst worden gesloten. De BOR en DSR ab zijn dan niet van toepassing. In de kabinetsreactie op de motie Grinwis is aangegeven dat onderzocht wordt of de uitzondering op de vastgoedmaatregel op dit punt kan worden verruimd.9 De insteek is om te komen tot een verruiming die bewerkstelligt dat bij uitruil van grond tussen akkerbouwers en melkveehouders de uitzondering op de vastgoedmaatregel ook gaat gelden voor door akkerbouwers in het kader van noodzakelijke vruchtwisseling verpachte grond. In de Fiscale Verzamelwet 2028 zal hiertoe een maatregel worden uitgewerkt.

Vraag 17

Bent u gezien de gevolgen voor reeds gemaakte teeltplannen bereid tijdelijk maatwerk of een ruimere overgangsregeling toe te passen totdat een structurele oplossing is gevonden?

Antwoord 17

De invulling van het begrip vruchtwisseling in het huidige beleidsbesluit is op hoofdlijnen gelijk aan de invulling die daaraan al in de werkafspraak uit 2014 tussen de Belastingdienst en LTO Nederland is gegeven. De werkwijze die het beleidsbesluit voorschrijft, verschilt dus niet wezenlijk van de werkwijze die al sinds de genoemde werkafspraak wordt gehanteerd. In de reeds gemaakte teeltplannen werd al rekening gehouden met of was het in ieder geval mogelijk om rekening te houden met deze werkwijze. Het beleidsbesluit geeft een zo ruim als mogelijke uitleg van het begrip vruchtwisseling bij de toepassing van de landbouwvrijstelling. Zoals aangegeven, ligt het vanwege de uitkomst van de evaluatie van de landbouwvrijstelling niet voor de hand om de landbouwvrijstelling aan te passen of te verruimen.


  1. Aaff.nl, 13 maart 2026, Landbouwvrijstelling en vruchtwisseling | aaff↩︎

  2. Zie Hof ’s-Gravenhage 19 januari 1968, ECLI:NL:GHSGR:1968:AX6040.↩︎

  3. Zie ter vergelijking Hoge Raad 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3175.↩︎

  4. Besluit Staatssecretaris van Financiën 5 november 2025, Stcrt. 2025, nr. 38606.↩︎

  5. Aanhangsel Handelingen II 2025/26, 1269.↩︎

  6. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 120, blg-1247807.↩︎

  7. SEO 2024, evaluatie Landbouwvrijstelling, Kamerstukken II 2023/24, 36418, nr. 137, bijlage.↩︎

  8. Artikel 7:396 BW.↩︎

  9. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 120, blg-1247807.↩︎