[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verzamelbrief Justitiële Jeugd oktober 2026

Brief regering

Nummer: 2026D48360, datum: 2026-10-02, bijgewerkt: 2026-10-02 18:27, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z20980:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Met deze brief informeer ik uw Kamer over de belangrijkste ontwikkelingen met betrekking tot de justitiële jeugd, mede ten behoeve van het commissiedebat Jeugdcriminaliteit op 8 oktober 2026. Alvorens in te gaan op de verschillende onderwerpen die in deze brief aan bod komen hecht ik er aan te benadrukken dat voor jongeren die in aanraking komen met het jeugdstrafrecht het pedagogisch uitgangspunt centraal staat, gericht op het bieden van een nieuw perspectief en daarmee het voorkomen van recidive. Waar het kan, handelen we zaken van jongeren buiten het strafrecht af. Als het strafrecht toch nodig is, dragen we tijdelijk een grote verantwoordelijkheid voor de jongeren waarbij schaarste in de keten geen gevolgen mag hebben voor hun toekomst. Daarom is het van belang alle zeilen bij te zetten om wachttijden in de justitiële keten terug te dringen en continuïteit hierin te waarborgen. Mijn inzet is erop gericht dat iedere jongere snel de juiste interventie krijgt en een consistent traject volgt dat bijdraagt aan een veilige terugkeer in de samenleving.

In deze brief komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  1. Beleidsreactie op het RSJ advies ‘Een nieuw perspectief op het stelsel van buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor jeugdigen’

  2. Stand van zaken Jeugdreclassering in Verbinding

  3. Licht verstandelijke beperking in de strafrechtketen

  4. Capaciteitstekort justitiële jeugdinrichtingen

  5. Beleidsreactie Inspectiebrief justitiële jeugdinrichtingen, Herbezinning en noodmaatregelen

  6. Motie Westerveld over de adviezen van de Onderwijsraad over het onderwijs in justitiële jeugdinrichtingen

  7. Beleidsreactie op het RSJ-advies ‘Problemen in de PIJ: Advies over de door- en uitstroom van jeugdigen met een PIJ-maatregel’

  8. Motie Bikkers over volwassenstrafrecht voor 16- en 17-jarigen die worden verdacht van zeer ernstige gewelds- en zedenmisdrijven

  9. Stand van zaken wetsvoorstel herziening vrijheidsbeneming jeugd

Onderwerpen 4, 5 en 6 betreffen de justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s). Voor het overzicht behandel ik deze hierna afzonderlijk, maar uiteraard hanteer ik in de praktijk een integrale aanpak.

Onder 4 informeer ik u over de actuele problematiek en de maatregelen die reeds zijn genomen.

Onder 5 licht ik, mede in het licht van de oproep van de inspecties, toe hoe ik de problemen op korte termijn (noodmaatregelen) en lange termijn (herbezinning) verder ga aanpakken.

Onder 6 geef ik ten slotte, mede namens de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie, aan hoe het onderwijs bij deze aanpak wordt meegenomen.

1. Beleidsreactie op het RSJ-advies “Een nieuw perspectief op buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor jeugdigen”

Op 9 september 2025 is het advies “Een nieuw perspectief op buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor jeugdigen” (bijlage 1a) van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) gepubliceerd en met uw Kamer gedeeld.1 In dit advies gaat de RSJ na welke rechten en belangen er spelen bij de inzet van buitenstrafrechtelijke afdoeningen bij jeugdigen, in hoeverre deze met elkaar conflicteren en hoe met dilemma’s kan worden omgegaan. Hieronder ga ik allereerst in op de belangrijkste bevindingen van de RSJ, waarna ik mijn beleidsreactie geef. Voor een reactie per aanbeveling verwijs ik naar bijlage 1b.

Belangrijkste onderzoeksbevindingen

Hoewel Nederland met de politiereprimande en de Halt-afdoening een aanbod van buitenstrafrechtelijke afdoeningen heeft, stelt de RSJ dat het huidige aanbod te beperkt is wat betreft de doelgroep en het moment van beschikbaarheid in de strafrechtelijke procedure. Daarmee voldoet Nederland volgens de RSJ niet aan de eisen die het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK; art. 40) stelt aan buitenstrafrechtelijke afdoeningen. De RSJ adviseert om obstakels voor het huidige aanbod van buitenstrafrechtelijke afdoeningen weg te nemen en meer zaken buiten het strafrecht af te doen. Door, meer dan nu gebeurt, strafrechtelijke vervolging als laatste redmiddel in te zetten wordt beter tegemoet gekomen aan de rechten van kinderen.

De RSJ doet daarom de overkoepelende aanbeveling om met een nieuwe en bredere blik naar het huidige stelsel en bestaande (uitvoerders van) interventies te kijken, waarin het belang van de jeugdige verdachte en maatwerk meer centraal wordt gesteld. Hiervoor is een meer gevarieerd en flexibeler aanbod van buitenstrafrechtelijke afdoeningen nodig, waarbij ook buiten de gebaande paden gekeken moet worden. Naast deze overkoepelende aanbeveling komt de RSJ met zestien losse aanbevelingen die tot dit vernieuwde stelsel moeten leiden waarbij meer (zwaardere) zaken buiten het strafrecht afgedaan worden. Hierbij kan gedacht worden aan het afschaffen of verruimen van de recidiveregeling en een gelijke toegang tot buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor alle jeugdigen.

Beleidsreactie

Het jeugdstrafrecht in Nederland kent een pedagogisch uitgangspunt en is gericht op het bieden van een nieuw perspectief en daarmee het voorkomen van recidive. Om dit te bewerkstelligen, wordt ingezet op een zo passend en effectief mogelijke interventie voor jeugdigen die een delict hebben gepleegd. Het jeugdstrafrecht kent een trapsgewijze opbouw in de intensiteit van proces en interventie. Met toenemende ernst en/of frequentie van gepleegde delicten kan een zwaarder proces en straf worden ingezet. Zo kunnen lichte vergrijpen buiten het strafrecht worden afgedaan, maar bij ernstiger of herhaalde delicten kan ook, waar nodig, een zwaardere interventie worden ingezet zoals de taakstraf (leer- en/of werkstraffen) of detentie. Hierbij telt het belang van het kind als eerste overweging en zal de afdoening primair gericht moeten zijn op het voorkomen dat een jeugdige opnieuw de fout in gaat en het bieden van een toekomstperspectief.

Het RSJ-advies geeft veel nieuwe inzichten mee over het stelsel van buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor jeugdigen. Ik sta positief tegenover een groot deel van de aanbevelingen en de opvolging van deze aanbevelingen zal bijdragen aan het verder verbeteren van het huidige stelsel.

Zo kent het huidige aanbod restricties waar het gaat om doelgroep en beschikbaarheid tijdens de strafrechtelijke procedure. De aanbevelingen die de RSJ hieromtrent doet zijn wat mij betreft dan ook een goede aanleiding om met een nieuwe en bredere blik naar het stelsel van buitenstrafrechtelijke afdoeningen te kijken en waar mogelijk en nodig dit te verruimen of te verbeteren. Dit sluit aan bij overweging 16 uit de general comments van het VN Kinderrechtecomité: De Staten die partij zijn, dienen het scala van strafbare feiten waarvoor buitengerechtelijke afdoening mogelijk is, in voorkomend geval met inbegrip van ernstige strafbare feiten, voortdurend uit te breiden.

Zo adviseert de RSJ dat gekeken kan worden hoe de doelgroep verruimd kan worden door onder andere te kijken naar de verbreding van het type strafbare feiten en om de buitenstrafrechtelijke interventies open te stellen voor adolescenten. Deze aanbevelingen onderschrijf ik.

Het RSJ stelt echter ook dat Nederland onvoldoende handelt in de geest van het IVRK2, omdat het huidige aanbod te beperkt is wat betreft de doelgroep en het moment van beschikbaarheid in de strafrechtelijke procedure. Het VN Kinderrechtecomité geeft in hun general comments uitleg over hoe artikel 40 uit het IVRK over het jeugdstrafrecht uitgelegd dient te worden. Hierbij wordt ook ingegaan op buitenstrafrechtelijke afdoeningen, hiervoor gebruikt het comité de term “diversion”.3 In overweging 13 wordt omschreven dat Staten verplicht zijn maatregelen in te voeren voor de behandeling van strafzaken voor jeugdigen buiten de gerechtelijke procedures. In overweging 17 wordt toegelicht hoe deze verplichting eruit moet zien: “Het wordt aan de Staten die partij zijn overgelaten om te beslissen over de precieze aard en de inhoud van de maatregelen inzake buitengerechtelijke afdoening en om de nodige wetgevende en andere maatregelen te nemen voor de tenuitvoerlegging ervan.” Omdat Nederland buitenstrafrechtelijke interventies4 aanbiedt en deze actief inzet bij jeugdigen verdachten, concludeer ik dat het niet noodzakelijk is het stelsel van buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor jeugdigen te herzien:

Nederland kent een passend en ruim aanbod aan afdoeningen buiten het strafrecht of zonder tussenkomst van een rechter. Daarentegen zie ik, zoals hierboven aangegeven, wel mogelijkheden ter verbetering van het stelsel, waardoor de procedures meer kindvriendelijk worden en Nederland meer handelt in de geest van het IVRK. De mogelijke verbreding van de inzet van buitenstrafrechtelijke afdoeningen is hier een voorbeeld van. Zo zal ik de komende periode met ketenpartners verkennen of het ook voor bepaalde zwaardere feiten wenselijk is om naar Halt te kunnen verwijzen en of de recidiveregeling verruimd kan worden. Daarnaast wordt gewerkt aan een projectvoorstel voor een pilot om Halt 18+ uit te voeren, waardoor jongvolwassenen onder bepaalde condities ook gebruik kunnen maken van deze buitenstrafrechtelijke afdoening.

Zie voor de verbeteringen die ik beoog door te voeren in het stelsel van buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor jeugdigen verder mijn reactie op alle 16 aanbevelingen van de RSJ in bijlage 1a. Deze aanbevelingen zijn afgestemd met de jeugdstrafrechtketenpartners en de komende periode worden de aanbevelingen samen met hen uitgewerkt. Daarvan zijn enkele aanbevelingen inmiddels al praktijk, of wordt toegewerkt naar implementatie.

Voor de zomer van 2027 zal ik de Kamer schriftelijk informeren over de voortgang van de opvolging van de aanbevelingen.

2. Stand van zaken Jeugdreclassering in Verbinding

Ik heb u toegezegd na de zomer terug te komen op de vraag van het lid Westerveld (PRO) over de voortgang van Jeugdreclassering in Verbinding (JRiV). JRiV is een nieuwe, landelijke methodiek voor jeugdreclasseerders om toe te passen bij het uitvoeren van toezicht op en begeleiding van jongeren aan wie de rechte reen jeugdreclasseringsmaatregel heeft opgelegd na het plegen van een delict. Inmiddels hebben er verschillende gesprekken plaatsgevonden. Er is extra financiële ruimte gevonden en het resultaat is dat er dit najaar een plan wordt opgesteld. Het streven is om vanaf januari 2027 te starten met JRiV in een aantal arrondissementen. Het plan wordt in overleg met de justitiële ketenpartners en de betreffende gemeenten gemaakt.

3. Licht verstandelijke beperking (LVB) in de strafrechtketen

Tijdens het commissiedebat justitiële jeugd van 23 april 2026 vroeg het lid Westerveld (Pro) mij naar de resultaten van de inmiddels afgeronde werkagenda ‘Strafrechtketen LVB-proof’. In reactie daarop heb ik toegezegd om hierop schriftelijk terug te komen. Daarnaast heb ik tijdens het tweeminutendebat op 27 mei 2026 toegezegd om in de komende brieven het veranderend karakter van de dader (zoals LVB) mee te nemen, en in te gaan op de vraag op welke manier rekening wordt gehouden met LVB in de communicatie richting jongeren.

Deze toezeggingen doe ik hierbij gestand.

De strafrechtketen werkt al enkele jaren aan een betere aansluiting van het strafproces op verdachten met een LVB door middel van de werkagenda ‘Strafrechtketen LVB-Proof’, die bestond uit zes verschillende thema’s. Zo is onder andere ingezet op het op peil brengen van kennis over LVB bij professionals en een betere signalering en herkenning van een LVB. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Screener voor Intelligentie en Licht verstandelijke beperking (SCIL), waarmee een eerste indruk wordt verkregen of mogelijk sprake is van een LVB.

In 2025 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over de resultaten die vanuit deze werkagenda en met de inzet van alle betrokken strafrechtketenpartners5 zijn behaald en op basis waarvan de keuze is gemaakt om de werkagenda in die hoedanigheid niet verder te verlengen.6

Hieronder schets ik een aantal resultaten in relatie tot de vragen van het lid Westerveld over het karakter van de dader (zoals een LVB) en de communicatie richting jongeren met een LVB.

Met de werkagenda is ingezet op het aanpassen van het communicatiemateriaal en de gespreksvoering aan het (taal)niveau van mensen met een LVB. Een voorbeeld hiervan is de Basistool Strafrechtketen die tijdens de gespreksvoering kan worden ingezet. Deze tool bevat onder andere een pictogrammenset met visuele eenvoudige informatie over de strafrechtketen en een moeilijke woordenlijst.7 Het omgaan met mensen met een LVB komt bovendien terug in de opleidingen en trainingen die beschikbaar zijn voor de medewerkers. Zo wordt gedurende het strafproces beter bij het niveau van de jongere aangesloten en krijgt de jongere meer informatie over zijn strafproces aangereikt op een voor hem of haar begrijpelijk niveau.

Een ander thema uit de werkagenda was het handelingsperspectief richting personen met een LVB: voor de medewerkers van de verschillende ketenpartners moet duidelijk zijn hoe zij hun werkzaamheden (zoals advies, oplegging of tenuitvoerlegging) kunnen aanpassen bij (het vermoeden van) een LVB. Zo beschikken de RvdK, de jeugdreclassering, de drie reclasseringsorganisaties (3RO) en Halt over verschillende gedragsinterventies en toolkits die geschikt zijn voor mensen met LVB. De officier van justitie en de rechter betrekken de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, bij de vervolging respectievelijk de strafoplegging. In hoeverre een LVB daadwerkelijk meespeelt bij de vervolging en strafoplegging is uiteindelijk casusafhankelijk.

Voor verdere details over de (overige) resultaten van de werkagenda verwijs ik uw Kamer naar de bijlage bij eerdergenoemde brief waarin de behaalde resultaten aan de hand van de zes thema’s zijn weergegeven.8

Met de afronding van de werkagenda in 2024 is het aan de organisaties zelf om de kennis en expertise met betrekking tot LVB te blijven onderhouden en te borgen. Vanuit de rol die mijn ministerie als opdrachtgever vervult richting de verschillende ketenpartners blijf ik aandacht houden voor het onderwerp en de ontwikkelingen rondom LVB monitoren. Bovendien ga ik uit van een netwerkfunctie van de voormalig werkagenda, waarbij ik erop vertrouw dat ketenpartners elkaar zo nodig weten te vinden, maar ook de weg richting mijn ministerie zullen benutten als de praktijk daartoe aanleiding geeft.

4. Capaciteitstekort justitiële jeugdinrichtingen

Zoals bekend staan de JJI’s al langere tijd onder hoge capaciteitsdruk als gevolg van personeelstekort, bruikbare capaciteit9 en een toegenomen instroom en verblijfsduur.10 De toename in instroom blijkt bijvoorbeeld uit de recidivefactsheets van het WODC: het aandeel korte vrijheidsstraffen voor jeugdigen is tussen 2012 en 2022 meer dan verdubbeld; van 5% naar 11%.11 De Inspectie Justitie en Veiligheid, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de inspecties) vragen mijn aandacht voor het aanbod aan de jeugdigen en de druk op (het personeel in) de JJI’s. Op de bevindingen en aanbevelingen van de inspecties kom ik in later in deze brief (punt 5) terug.

Alvorens ik daartoe overga wil ik benadrukken dat het voor mij van groot belang is dat het verblijf in een JJI bijdraagt aan het pedagogische doel van het jeugdstrafrecht; het voorkomen van recidive door resocialisatie en re-integratie. Dit doel staat op dit moment onder druk. Tegelijkertijd besef ik terdege dat een heel groot deel van de jeugdigen slechts korte tijd in een JJI verblijft. Juist bij hen vraagt dit vanuit de JJI’s een andere bijdrage aan resocialisatie en re-integratie.

Daarom is het van belang dat ketenpartners vanaf de instoom in de JJI hun rol pakken in het voorbereiden van een goede en veilige terugkeer naar de maatschappij. Bijvoorbeeld door een structurele samenwerking in het nazorgoverleg. Voor jeugdigen die langer in een JJI verblijven moet de inzet maximaal bijdragen aan gedragsverandering zodat zij hun leven na de straf of maatregel weer constructief kunnen oppakken en de maatschappij daarmee veiliger wordt. Ik zet mij hiervoor in op zowel de korte als de lange termijn.

Eerder getroffen maatregelen

In februari 2023 zijn maatregelen getroffen om de personele bezetting en de kwaliteit van het verblijf op orde te brengen.12 Op dit moment volstaan deze maatregelen niet meer om de JJI’s op een verantwoorde manier draaiende te houden. Om die reden is eerder de Herbezinning op de opgave van de JJI’s gestart. Daar kom ik later in deze brief op terug. Daarnaast wordt ook gekeken naar de in- en uitstroom van jeugdigen in de JJI’s. Een oplossing voor het capaciteitstekort kan immers niet alleen binnen de DJI gezocht worden, maar ook in de rest van de keten.

Zoals toegezegd informeer ik uw Kamer hierbij over de stand van zaken van de eerder getroffen maatregelen.13

  1. Uitbreiding JJI-capaciteit

Het capaciteitstekort in de JJI’s wordt voornamelijk veroorzaakt door het personeelstekort en in mindere mate door een tekort aan plekken; enkele tientallen plekken die er al wel zijn, kunnen namelijk niet gebruikt worden omdat er te weinig personeel is om die op een verantwoorde en veilige wijze te benutten. Ten opzichte van de laatste keer dat ik uw Kamer hierover informeerde (april 2026)14 is de bruikbare capaciteit met 21 plekken afgenomen. In augustus bedroeg de gemiddelde bruikbare capaciteit 589 plekken.15 De afname wordt voornamelijk veroorzaakt door het personeelstekort, maar ook door renovaties. Eerder liet ik uw Kamer al weten dat er voor de JJI’s, net als voor het gevangeniswezen, renovatie van verschillende inrichtingen nodig is.16 Deze renovatieopgave is inmiddels gestart en wordt gefaseerd uitgevoerd op een wijze die zo min mogelijk impact heeft op de bruikbare capaciteit.

In september 2025 informeerde mijn voorganger uw Kamer over het voornemen om de JJI in Harreveld te heropenen. In augustus dit jaar heeft het Rijksvastgoedbedrijf het pand waar de JJI zal worden gevestigd aangekocht. Op dit moment ben ik met de DJI in gesprek over de verdere randvoorwaarden om deze JJI te kunnen heropenen. Ik informeer uw Kamer voor het einde van het jaar over de stand van zaken op dat moment en de beoogde planning.

  1. Een alternatief dagprogramma

Zoals eerder met uw Kamer gedeeld wordt de wettelijke ondergrens van 77 uur gemeenschappelijke activiteiten niet gehaald.17 Als gevolg van het personeelstekort is het niet mogelijk om groepen te bemensen op een manier die veilig is voor zowel de medewerkers als de jeugdigen, en tegelijkertijd de wettelijk vastgestelde norm van 77 uren per week aan gemeenschappelijke activiteiten te behalen. Daarom is eerder een beleidsmatige ondergrens van 62 uur gemeenschappelijke activiteiten per week vastgesteld. Ook deze ondergrens wordt door het personeelstekort in sommige JJI’s met regelmaat niet gehaald. Als gevolg hiervan verblijven jeugdigen meer uren per dag op hun kamer. In de tijd die zij op hun kamer doorbrengen, wordt getracht een passend pedagogisch programma aan te bieden, wat helaas niet altijd mogelijk blijkt. Ik heb de DJI verzocht te verkennen wat er mogelijk is om dit alternatieve programma op orde te brengen. Voor het einde van het jaar informeer ik uw Kamer over de mogelijkheden.

  1. Plaatsen van jongvolwassenen in een Huis van Bewaring

Vanwege het capaciteitstekort in de JJI’s is het al langere tijd nodig om jongvolwassenen, die eigenlijk in een JJI geplaatst moeten worden, in het gevangeniswezen te plaatsen. Dit werd gedaan in twee speciaal daarvoor vrijgemaakte Huis van Bewaring (HVB)-afdelingen in Justitieel Complex Zeist (JC Zeist) en Penitentiaire Inrichting Almelo (PI Almelo). In de eerste helft van 2026 waren gemiddeld de helft van de 48 plekken op deze afdelingen bezet. Het is sinds januari 2025 niet meer nodig geweest om jongvolwassenen, bij gebrek aan plek in de JJI’s en op de afdelingen voor jongvolwassenen in JC Zeist en PI Almelo, elders in het gevangeniswezen te plaatsen.

In verband met het groeiende capaciteitstekort in het gevangeniswezen en omdat de beide afdelingen voor jongvolwassenen dus al langer niet volledig bezet zijn, heb ik deze zomer besloten om de afdeling in JC Zeist weer in gebruik te nemen voor de doelgroep van het gevangeniswezen.18 Dit kan tot gevolg hebben dat jongvolwassenen op piekmomenten niet in een JJI of op de afdeling voor jongvolwassenen in PI Almelo geplaatst kunnen worden. Als dat het geval is, worden deze jongvolwassenen incidenteel en kortstondig op een reguliere afdeling in het gevangeniswezen geplaatst. Op het moment van schrijven van deze brief zijn alle jongvolwassenen die op de jongvolwassenenafdeling in JC Zeist verbleven uitgestroomd of overgeplaatst naar een JJI of naar de jongvolwassenenafdeling in PI Almelo. Indien blijkt dat er in de toekomst opnieuw structureel behoefte is aan een tweede afdeling voor jongvolwassenen in het gevangeniswezen, wordt wederom de afweging gemaakt tussen het aanbod van volwassen gedetineerden en het aanbod van jongvolwassenen.

5. Beleidsreactie Inspectiebrief justitiële jeugdinrichtingen, Herbezinning en noodmaatregelen

Op 28 september 2026. bood ik uw Kamer de brief aan van de inspecties: Ernstige zorgen over steeds verdergaande versobering van het verblijf van jeugdigen in justitiële jeugdinrichtingen.19 Zoals toegezegd in de aanbiedingsbrief ontvangt uw Kamer hierbij mijn eerste reactie.

Conclusies en aanbevelingen van de inspecties

De inspecties concluderen het volgende:

  1. In de JJI’s is sprake van een steeds verdergaande versobering van de kwaliteit van het verblijf, de zorg en behandeling en het onderwijs van jeugdigen.

  2. De veiligheid van jeugdigen en medewerkers in de JJI’s staat aanhoudend

en ernstig onder druk.

  1. Een toekomstgericht handelingsperspectief voor de JJI’s blijft (te lang) uit.

  2. De noodzakelijke realisatie van uitbreiding van JJI-capaciteit zet de

kwaliteit van het verblijf en de veiligheid in de JJI’s extra onder druk.

  1. Alle gepleegde inzet sinds 2019 resulteerde niet in het beoogde effect: het

zorgen voor verlichting van de druk op het stelsel van JJI’s én de

negatieve gevolgen voor jeugdigen tot een minimum beperken.

De inspecties roepen mij dringend op tot het maken van keuzes, voor de korte termijn én voor een toekomstgericht handelingsperspectief op de lange termijn. Daarbij benadrukken de inspecties dat het belang en het perspectief van jeugdigen fundamenteel onderdeel moeten zijn van toekomstige (beleidsmatige) keuzes.

Dit vraagt volgens de inspecties om:

  1. Een actieplan JJI’s, gericht op de korte termijn tot aan de implementatie van de herziene opgave van de JJI’s en de inwerkingtreding van de wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

  2. Een toekomstgerichte, uitvoerbare opdracht voor de JJI’s waarin het pedagogisch uitgangspunt centraal staat.

Reactie

De Inspecties schetsen een bekend beeld over de aanhoudende zorgen over de situatie in de JJI’s. Ik deel die zorgen. Waar eerder gedacht werd dat de genomen maatregelen een meer tijdelijk karakter zouden hebben en lucht zouden bieden om de basis op orde te brengen, blijkt dit nu door toenemend personeelsgebrek onvoldoende effect te hebben. Sinds deze maatregelen genomen zijn is er een extra JJI geopend (de Haven in Veenhuizen), capaciteit uitgebreid bij bestaande JJI’s en door DJI tomeloze inzet gepleegd op de werving en het behoud van personeel. In diezelfde periode is de belangrijkste factor in het capaciteitstekort, het personeelstekort, verder verslechterd. Niet in de laatste plaats als gevolg van de afbouw van de inzet van zzp’ers.20 Bovendien is er in de zorg- en welzijn-sector, de sector waaruit een groot deel van het JJI-personeel komt, in bredere zin een toenemend tekort aan personeel.21 Hierdoor is het lastig grip te krijgen op het capaciteitstekort. Dit vraagt om scherpe keuzes die met de keten gemaakt worden in de herbezinning op de opgave van de JJI’s.

Dat ontslaat mij en ook DJI evenwel niet van de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het verblijf van de jeugdigen en de veiligheid van jeugdigen en personeel. Die kwaliteit en veiligheid staan onder druk. Het huidige systeem loopt op zijn uiterste grenzen en doorgaan op de oude voet is geen optie meer.

De hoge druk maakt het essentieel om niet alleen te focussen op de korte termijn, maar ook op de lange termijn te zorgen voor een uitvoerbare opdracht, rekening houdend met de beschikbaarheid van personeel, capaciteit en financiën. In april 2026 informeerde ik uw Kamer al over de herbezinning op de opgave van de JJI’s, inclusief het onderwijs die ik daarom ben gestart.22 Dit traject wordt vormgegeven aan de hand van het Beleidskompas. Inmiddels is een probleem- en oorzakenanalyse tot stand gebracht in samenspraak met alle betrokkenen, waaronder ervaringsdeskundige jeugdigen. Dit vormt de basis voor de volgende stappen, waarin we het beoogde doel vaststellen en vervolgens opties ontwikkelen om het doel te realiseren. Die opties wegen we op effectiviteit, uitvoerbaarheid en proportionaliteit. Dit traject loopt nog volgens planning; in het eerste kwartaal van volgend jaar verwacht ik uw Kamer te kunnen informeren over de uitkomsten.

Het belang van een zorgvuldig proces neemt de huidige zorgen en de urgente problemen niet weg. Daarom verken ik, samen met DJI, maatregelen die op korte termijn kunnen worden ingevoerd. De signalen van de Inspectie onderstrepen de noodzaak hiervan. Bij de keuze en invoering van maatregelen staat de veiligheid van personeel en jeugdigen onvoorwaardelijk voorop; daarop doe ik geen concessies. Tegelijkertijd weeg ik de werkdruk voor medewerkers af tegen de kwaliteit van het verblijf van jeugdigen. Specifiek wordt bijvoorbeeld bezien of aanvullende, tijdelijke versoberingen in het dagprogramma voor jeugdigen met een kort verblijf in een JJI soelaas bieden en welke alternatieven parallel aan het gemeenschappelijk dagprogramma geboden kunnen worden. Per JJI beoordeel ik kritisch wat haalbaar is, waarbij ongewenste verschillen tussen JJI’s zoveel mogelijk worden voorkomen. Voor het einde van het jaar informeer ik uw Kamer over de noodmaatregelen die ik tref.

6. Motie Westerveld over de adviezen van de Onderwijsraad over het onderwijs in JJI’s

Voor de zomer heeft uw Kamer de motie van het lid Westerveld (Pro) aangenomen die het kabinet oproept om prioriteit te geven aan de adviezen van de Onderwijsraad over het onderwijs in de JJI’s, waaronder een gedeelde visie op de rol en positie van onderwijs in JJI’s, en daarbij aandacht te besteden aan de positie van jongeren met een (licht) verstandelijke beperking.23 Via deze weg reageer ik, mede namens de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie, op deze motie.

Juist voor jongeren in hechtenis biedt onderwijs perspectief: het helpt hen vaardigheden te ontwikkelen, succeservaringen op te doen en toe te werken naar een diploma of certificaat. Daarmee vergroot onderwijs hun kansen op vervolgonderwijs en werk na vertrek uit de JJI. Scholing kan zo, in samenhang met behandeling en begeleiding, bijdragen aan een succesvolle terugkeer in de samenleving en het verminderen van recidive.

De Onderwijsraad heeft geadviseerd om de samenwerking tussen JJI-scholen en andere onderwijsinstellingen, zoals v(s)o-scholen en mbo-instellingen, te versterken, structureel te maken en verantwoordelijkheden duidelijker vast te leggen. In juli 2025 heeft uw Kamer een eerste reactie ontvangen op het advies.24 Daarin hebben we onder andere aangegeven dat er extra budget beschikbaar is voor het onderwijs bij de JJI-scholen, om de kwaliteit van het onderwijs te versterken en de samenwerking met andere partijen te verbeteren. Daarnaast is begin 2026 de handreiking ‘Versterken samenwerkingen JJI’s & mbo-instellingen’ (in opdracht van OCW en uitgevoerd door AEF) gepubliceerd en verspreid. 25 Aan de hand van concrete bouwstenen wordt getoond hoe rollen, verantwoordelijkheden en werkwijzen beter op elkaar afgestemd kunnen worden, zodat jongeren beter worden ondersteund in hun onderwijs tijdens en na verblijf in de JJI. Verder hebben we toen aangegeven dat we onder andere in zouden zetten op het verruimen van de inschrijftermijn voor de staatsexamens en betere informatieverspreiding via het Expertisepunt passend examineren.

OCW en JenV werken de aangekondigde visie op het onderwijs in de JJI’s uit binnen de Herbezinning op de opgave van de JJI’26s. Daarbij betrekken we het veld en besteden we, conform de motie, specifiek aandacht aan de onderwijsbehoeften van jongeren met een (licht) verstandelijke beperking.

In het eerste kwartaal van 2027 wordt uw Kamer hierover nader geïnformeerd.

De jongeren in JJI’s zijn gemiddeld ouder dan voorheen: volgens de Onderwijsraad steeg het aandeel jongeren dat bij binnenkomst 18 jaar of ouder was van circa 28% in 2014 naar 40% in 2023, waardoor een gevarieerder aanbod nodig is, waaronder beroepsgericht onderwijs. Het huidige aanbod en de mogelijkheden voor praktijkonderwijs en examinering sluiten hier onvoldoende op aan; de opgave is om jongeren op hun niveau te laten werken aan basisvaardigheden, praktijkvaardigheden en diploma’s of certificaten, met passende inzet van personeel en faciliteiten. Op basis van het advies van de Onderwijsraad en de twee eerder aan uw Kamer aangeboden onderzoeken 27 werken OCW, DJI en JenV samen met de betrokken scholen en instellingen aan een afgestemde aanpak, waarover uw Kamer in het eerste kwartaal van 2027 wordt geïnformeerd.

7. Beleidsreactie op het RSJ-advies ‘Problemen in de PIJ: Advies over de door- en uitstroom van jeugdigen met een PIJ-maatregel’

In de voortgangsbrief Justitiële Jeugd van april 2026 heb ik een eerste reflectie gegeven op het RSJ‑advies en het onderscheid geschetst tussen aanbevelingen gericht op (a) jongeren aan wie een PIJ‑maatregel is opgelegd en die verblijven in een JJI of op een andere locatie waar de PIJ‑maatregel wordt uitgevoerd, en (b) jongeren die uitstromen uit de PIJ. De aanbevelingen die zien op doelgroep (a) zijn onderdeel van het lopende herbezinningstraject; voor de stand van zaken daarvan verwijs ik u naar punt 5.

In deze brief geef ik een reactie op de aanbevelingen die gericht zijn op de uitstroom van jongeren na de PIJ-maatregel. De RSJ doet 13 aanbevelingen, die in de volgende drie punten kunnen worden samengevat:

  1. Organisatie jeugdhulpaanbod

  • Landelijk loket bij het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV)

  • Landelijke financiering door JenV

  • Realisatie voldoende passend hulpaanbod na uitstroom, zorg en begeleiding zo nodig levenslang

  1. Voorbereiding/plan van aanpak uitstroom

  • Tijdig plannen

  • Goede invulling maatwerk Scholoings- en trainingsprogramma (STP)

  1. Kennis vergroten bij professionals, ketenpartners, gemeenten

Dat er sprake is van een tekort aan passende uitstroomplekken voor jongeren na een PIJ-maatregel is helaas de realiteit, waarmee de uitvoerders in de jeugdstrafrechtketen, DJI, Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), Raad voor de Rechtspraak (RvdR) en (jeugd)reclasseerders, en zorgaanbieders en gemeenten zeer regelmatig geconfronteerd worden. Het gevolg voor de doelgroep is zeer ingrijpend. Het betekent soms dat een jongere langer in JJI moet blijven, omdat er nog geen plek beschikbaar is. Na uitstroom uit de JJI28 zou een passende plek met hulp en begeleiding beschikbaar moeten zijn, als bouwsteen in de levensloop van deze jongeren.

Grenzen van wetten en budgetten zijn binnen deze jeugdhulp een van de obstakels. Bij deze doelgroep geldt dat des te meer nu ze onder het jeugdstrafrecht (vanuit minderjarigheid) instromen en op het moment van uitstroom bijna altijd 18 jaar of ouder zijn.29 Daarnaast is het ingewikkeld om een passend aanbod te realiseren voor deze doelgroep, omdat de benodigde forensische expertise bij veel zorgaanbieders niet beschikbaar is.

Ik onderschrijf dat het nodig is op de hiervoor genoemde onderdelen in de aanbevelingen tot een verbetering te komen. Dit is een gezamenlijke opdracht van het Rijk en de gemeenten. We moeten de levensloop van jongeren ononderbroken blijven volgen en niet laten breken op de grenzen van wetten en budgetten.

Ik sta eerst stil bij de onder 2 en 3 genoemde aanbevelingen, waar we al veel gezamenlijk stappen hebben gezet, om vervolgens uitgebreider in te gaan op de aanbeveling onder 1.

Een goede voorbereiding op de uitstroom van de PIJ-jongeren vraagt structurele samenwerking tussen betrokken ketenpartners30 vanaf het moment dat de jongere instroomt in de JJI. Het nazorgoverleg (casuïstiekoverleg over en met jongeren die in de JJI verblijven) onder regie van de RvdK voorziet hierin. De afgelopen jaren is gewerkt aan versterking van dit overleg, door meer capaciteit en ruimte te creëren, zodat de RvdK de regierol goed kan vervullen. Het resultaat is dat inmiddels in alle regio’s een nazorgoverleg wordt georganiseerd.

Het is van belang dat in dit nazorgoverleg alle relevante ketenpartners en vooral ook de gemeenten direct worden betrokken bij de voorbereiding op de uitstroom van jongeren met een PIJ-maatregel. In de praktijk is de wisseling van medewerkers, maar ook het tekort aan personeel, bij de meeste ketenpartners een hardnekkig knelpunt dat voortdurend aandacht behoeft.

In de Handreiking Nazorg die de ketenpartners samen hebben vernieuwd, staan alle bouwstenen, taken en verantwoordelijkheden die relevant zijn voor een goed functionerend nazorgoverleg; op grond daarvan worden ook regionale afspraken vastgelegd. Dit schept een duidelijk kader en draagt bij aan betere samenwerking. Vanaf 2026 vindt jaarlijks, onder regie van mijn ministerie, een evaluatie plaats van het nazorgoverleg om te monitoren of het goed functioneert en waar nodig knelpunten scherp te krijgen en op te lossen, regionaal dan wel landelijk. In oktober 2026 worden de bevindingen van de eerste evaluatie verwacht.

Een goed functionerend nazorgoverleg, zoals hiervoor benoemd, met vaste partners draagt bij aan het borgen van kennis en expertise bij de ketenpartners. Vooral bij de gemeenten zit hier een knelpunt. Bij grote(re) gemeenten is deze kennis/expertise meestal aanwezig, maar voor kleine(re) gemeenten is het ingewikkeld om deze specialistische kennis te borgen, nu zij veel minder of soms nauwelijks met uitstromende PIJ-jongeren te maken hebben. Dit heeft als gevolg dat de (jeugd)reclassering regelmatig veel tijd besteedt aan het zoeken naar een passende plek voor de jongere, terwijl dit niet tot hun taak behoort. Meer (boven)regionale samenwerking tussen gemeenten en uitwisseling van “good practises” kan daarbij helpend zijn. Via de landelijke nazorgwerkgroep31 wordt dit onder de aandacht gebracht.

Om te komen tot een betere organisatie/realisatie van jeugdhulpaanbod is nodig in beeld te hebben over welke hulp we het hebben. Daarvoor heb ik twee onderzoeken laten uitzetten. Het eerste onderzoek van bureau EHdK gaat over jeugdhulp in strafrechtelijk kader in den brede en is op 4 juni 2026 openbaar geworden.32 Een tweede onderzoek richt zich specifiek op de benodigde hulp voor de jongeren boven de 18 jaar; daaronder vallen de jongeren die uitstromen na de PIJ-maatregel en de jongeren die volgens het adolescentenstrafrecht (ASR) worden berecht (ASR) Helaas is het tweede onderzoek vertraagd. De verwachting is dat het rapport eind 2026 wordt opgeleverd.

Met de resultaten uit het onderzoek van EHdK en de signalen uit de uitvoergingspraktijk is wel al duidelijk dat het grootste tekort in het jeugdhulpaanbod bestaat in de beschikbaarheid van beschermde/begeleide woonplekken. Voor sommige PIJ-jongeren is de stap na behandeling en het lange(re) verblijf in de JJI te groot om geheel zelfstandig te kunnen wonen. Het aanbod van deze plekken sluit op dit moment niet aan op de behoefte daaraan. Er zijn te weinig forensische woonvoorzieningen en reguliere aanbieders vinden het plaatsen van deze jongeren vaak te risicovol. Daarbij speelt ook een rol dat, voor zover het plekken zijn binnen de jeugdhulp, het leeftijdsverschil tussen PIJ-jongeren en de anderen die er verblijven groot kan zijn. Dat werpt de vraag op of beschermde woonvormen binnen de volwassenzorg wellicht beter kunnen voorzien in wat deze doelgroep nodig heeft. Dit zijn plekken die gefinancierd worden vanuit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) of bij langdurige zorg uit de Wet Langdurige Zorg.

In praktijk blijkt het ingewikkeld om deze hulp (veelal maatwerk) op gemeenteniveau goed te organiseren. Hulp is vaak effectiever als die dichtbij wordt aangeboden en de lijnen tussen gezin, professional en gemeente kort zijn.

Het is echter, gelet op de kosten en de beschikbaarheid van professionals, niet realistisch om voor deze doelgroep in elke regio alle benodigde expertise en voorzieningen te organiseren. De wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg verplicht gemeenten vanaf 1 januari 2027 regionaal samen te werken bij inkoop van gespecialiseerde jeugdhulp, waaronder de forensische jeugdhulp. Toch is er meer nodig. Het gaat vaak mis op de grensvlakken: tussen jeugd en volwassenheid, tussen sociaal domein (zorg) en openbare orde en veiligheid, tussen landelijke kaders en lokale uitvoering. Dit leidt tot rechtsongelijkheid in de praktijk; het kan uitmaken in welke gemeente een jongere woont of er passende hulp beschikbaar is. De signalen en casuïstiek die ik vanuit de uitvoering ontvang, geven daar schrijnende voorbeelden van.

Ik vind het van belang om met mijn collega van VWS meer regie te nemen en hiervoor benoemde vragen en knelpunten op te pakken. Samen met VWS en de VNG ga ik daarom een verkenning doen om helder te krijgen waar dingen anders, wellicht landelijk, georganiseerd moeten worden en hoe. Het uitgangspunt is om landelijke kracht en lokale nabijheid te combineren.33

Een eerste stap is dat er, aan de hand van de uitkomsten van het recente EHdK-rapport, de komende tijd sessies georganiseerd worden in de (jeugd)regio’s, met gemeenten, gecertificeerde instellingen, aanbieders en andere betrokken partners met als doel te bepalen welk aanbod nodig is en hoe dit duurzaam georganiseerd kan worden voor jongeren die afhankelijk zijn van jeugdhulp in strafrechtelijk kader.

Al deze zaken moeten in de goede samenhang met wat er reeds loopt, leiden tot verbetering. Het verkenningsproces met VWS en VNG gaat in nauwe verbinding met de ketenpartners in de uitvoering plaatsvinden.

Aan de hand van de uitkomsten van de verkenning wordt beoordeeld welke acties nodig zijn om tot verbetering te komen. Ik streef ernaar in het voorjaar van 2027 uw Kamer de uitkomsten van de verkenning en het daar aan gekoppelde actieplan met uw Kamer te kunnen delen.

8. Motie Bikkers over volwassenstrafrecht voor 16- en 17- jarigen die worden verdacht van zeer ernstige gewelds- en zedenmisdrijven

In de motie van het lid Bikkers (VVD) is de regering verzocht in haar overleggen met het Openbaar Ministerie (OM) te bespreken of er knelpunten worden ervaren in het vorderen van volwassenenstrafrecht bij 16- en 17-jarigen die worden verdacht van zeer ernstige gewelds- en zedenmisdrijven, en hierover de Kamer voor het einde van het jaar te informeren.34 Inmiddels is dit verzoek gestand gedaan. Hierbij informeer ik u over de uitkomsten daarvan.

Het OM heeft mij laten weten geen knelpunten te ervaren in het vorderen van volwassenenstrafrecht bij 16- en 17-jarigen die worden verdacht van zeer ernstige gewelds- en zedenmisdrijven. Het OM geeft daarbij aan dat het uitgangspunt van het adolescentenstrafrecht is om bij minderjarigen het jeugdstrafrecht toe te passen. Het volwassenstrafrecht wordt slechts in uitzonderlijke gevallen gevorderd, namelijk wanneer sprake is van zeer ernstige feiten en de verwachting is dat een pedagogische interventie geen baat (meer) heeft. Daarbij wordt ook gewezen op het belang van de adviesrapportages die het OM benut bij het al dan niet vorderen van de toepassing van het adolescentenstrafrecht.

Over het aantal jaarlijkse toepassingen van het volwassenstrafrecht bij 16- en 17-jarigen meldt het WODC dat het sinds 2014 gaat om 5 tot 10 zaken per jaar met uitschieters van 13 zaken in 2019 en 14 zaken in 2025 (t/m 2020 ging het om een aandeel van rond de 0,5% van het totaal aantal zaken in deze leeftijdsgroep, in 2025 betrof het 0,66% bij een totaal van ca 2100 zaken). Hoewel het procentueel dus een klein aandeel van het totaal aantal strafzaken tegen 16- en 17-jarigen betreft, is in 2025 sprake van een verdubbeling ten opzichte van voorgaande jaren. Voor de verdubbeling is geen directe verklaring, maar hierin lees ik wel een bevestiging van de boodschap van het OM dat het geen knelpunten ervaart bij het vorderen van het volwassenstrafrecht bij 16- en 17-jarigen.

9. Stand van zaken Wetsvoorstel herziening vrijheidsbeneming jeugd

Vorig jaar informeerde mijn ambtsvoorganger uw Kamer over de stand van zaken van het wetsvoorstel herziening vrijheidsbeneming jeugd.35 Dit betreft de aanpassing van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen waarvan de Inspecties mij hebben verzocht deze in werking te laten treden (zie alinea 2). Met dit wetsvoorstel wordt hoofdzakelijk beoogd te komen tot een stevige wettelijke basis van de kleinschalige voorzieningen justitiële jeugd (KVJJ). Dit kost meer tijd dan eerder was voorzien door andere wetgevingsprioriteiten, personele wisselingen en een herstructurering van het wetsvoorstel. Op dit moment is het streven om de betrokken ketenpartners zo snel mogelijk in de gelegenheid te stellen op het aangepaste voorstel te reflecteren en de uitvoeringsconsequenties in kaart te brengen. Daarna kan worden overgegaan tot een formele consultatieronde rond de zomer van 2027.

De verwachting is dat ook de uitkomsten van de Herbezinning (punt 5) aanpassing van wet- en regelgeving vergen. Wanneer eveneens een aanpassing van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen nodig is zal ik op dat moment de keuze maken om de twee wetswijzigingen samen te voegen of, omwille van de voortvarendheid apart aan uw Kamer aan te bieden.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Claudia van Bruggen

  1. Kamerstukken II 2025/26, 28741, nr. 130.↩︎

  2. Pagina 54↩︎

  3. Overweging 13 en verder. Diversion is de internationale term die gegeven wordt aan afdoeningen buitenstrafrechtelijk of buitengerechtelijk worden afgedaan.↩︎

  4. Buitenstrafrechtelijke afdoeningen: trajecten en interventies waarbij een strafbaar feit volledig buiten het formele strafrecht wordt afgedaan (zonder aantekening op de justitiële documentatie)

    Buitengerechtelijke afdoeningen: afdoening die wel plaats vindt binnen de kaders van het strafrecht, te weten door het Openbaar Ministerie, wordt gegeven, maar zonder tussenkomst van een rechter.↩︎

  5. De betrokken ketenpartners zijn: Politie, Openbaar Ministerie, Raad voor de Rechtspraak, Raad voor de Kinderbescherming, Halt, de drie Reclasseringsorganisaties (Reclassering Nederland; Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering; Stichting Verslavingsreclassering GGZ), Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, met ondersteuning van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.↩︎

  6. Kamerstukken II 2024/25, 28 741, nr. 126.↩︎

  7. https://www.basistoolstrafrechtketen.nl/↩︎

  8. Kamerstukken II 2024/25, 28 741, nr. 126.↩︎

  9. Bruikbare capaciteit is het daadwerkelijk inzetbare aantal plaatsen in inrichtingen dat niet buiten gebruik is gesteld door bijvoorbeeld verbouwingen of personeelstekorten.↩︎

  10. Kamerstukken II 2024/25, 24587, nr. 994 en nr. 1047 en 2025/26, 28741, nr. 131 en 136.↩︎

  11. Verweij, S. Boschman, S.E, Factsheet recidivemeting 2012-2025 ex-gedetineerde volwassenen en jeugdigen, WODC 2026.↩︎

  12. Kamerstukken II 2022/23, 24 587, nr. 881.↩︎

  13. Kamerstukken II 2023/24, 28741, nr. 115.↩︎

  14. Kamerstukken II 2025/26, 28741, nr. 136.↩︎

  15. Dit zijn de meest actuele cijfers waarover ik op dit moment beschik.↩︎

  16. Kamerstukken II 2025/26, 28741, nr. 136.↩︎

  17. Artikel 22 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.↩︎

  18. De 24 plekken voor jongvolwassenen in JC Zeist kunnen door het gevangeniswezen dubbel worden benut omdat voor jongvolwassenen geen gebruik wordt gemaakt van meerpersoonscellen en voor volwassen gedetineerden wel.↩︎

  19. Kamerstukken II 2026/27, 2026Z20185↩︎

  20. Kamerstukken II 2025/26, 28741, nr. 131.↩︎

  21. https://www.rijksoverheid.nl/themas/familie-zorg-en-gezondheid/werken-in-de-zorg/personeelstekort-in-zorg-en-welzijn-tegengaan↩︎

  22. Kamerstukken II 2025/26, 28741, nr. 131.↩︎

  23. Kamerstukken II 2025/26, 24587, nr. 1130.↩︎

  24. Kamerstukken II 2024/25, 31497, nr. 508.↩︎

  25. https://open.overheid.nl/documenten/a25c32cf-9bb7-427f-818a-68dabcbbdf4a/file.↩︎

  26. Kamerstukken II 2024/25, 31497, nr. 508↩︎

  27. Kamerstukken II 2025/26, 31497, nr. 513 en 24587, nr. 1093↩︎

  28. Cijfers DJI: In 2025 stroomden 57 jeugdigen met een PIJ-maatregel uit. ↩︎

  29. Cijfers DJI 2025: van de jeugdigen in de JJI met een PIJ-maatregel was 88,1% achttien jaar of ouder.↩︎

  30. Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), de gecertificeerde instellingen (GI’s), de drie Reclasseringsorganisaties (3RO), DJI en de gemeenten (waar jongere vandaan komt en waarnaar hij uitstroomt)↩︎

  31. Onder regie van JenV met VWS, VNG, G4, RvdK, JZN, 3RO en DJI↩︎

  32. Jeugdzorg in het strafrechtelijk kader - EHdK - Doebureau Amsterdam↩︎

  33. In de recente kamerbrief ‘Passende zorg voor jeugdigen met complexe problematiek’ staat hoe de aanpak van de bredere doelgroep vorm gaat krijgen.↩︎

  34. Kamerstukken II 2025/26, 24587, nr. 1124.↩︎

  35. Kamerstukken II 2024/25, 24587, nr. 1055.↩︎