Antwoord op vragen van het lid Van Houwelingen over de beoordeling van de Algemene Rekenkamer
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D54462, datum: 2026-10-30, bijgewerkt: 2026-10-30 17:02, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E. Heinen, minister van Financiën (Ooit VVD kamerlid)
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij antwoord op vragen van het lid Van Houwelingen over de beoordeling van de Algemene Rekenkamer
Onderdeel van zaak 2026Z20200:
- Gericht aan: E. Heinen, minister van Financiën
- Voortouwcommissie: TK
Onderdeel van zaak 2026Z22609:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- 2026-11-05 11:30: Procedurevergadering Europese Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Europese Zaken
- 2026-11-10 17:00: Raad Algemene Zaken 19 november 2026 en Rechtsstatelijke ontwikkelingen in de Europese Unie (Commissiedebat), vaste commissie voor Europese Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Pagina 1 van 1
Vragen van het lid Van Houwelingen (FVD) aan de minister van Financiën over de beoordeling van de Algemene Rekenkamer
Vraag 1
Onderschrijft u de conclusie van de Algemene Rekenkamer dat bij veel departementale begrotingen concrete en controleerbare doelstellingen ontbreken?
Antwoord 1
Het in de begroting opnemen van concrete doelen en beoogde resultaten maakt beleidskeuzes inzichtelijk, geeft richting bij de uitvoering en draagt bij aan het gesprek tussen parlement en kabinet. In de brief aan uw Kamer schrijft de Algemene Rekenkamer dat het kabinet, meer dan in afgelopen jaren, voor een deel van de uitdagingen concrete doelen stelt en daarmee duidelijk maakt welke maatschappelijke resultaten het wil behalen. Ik zie dit als bevestiging dat de juiste richting is ingezet. Tegelijkertijd constateert de Algemene Rekenkamer dat dit nog niet in alle begrotingen het geval is en geeft daarbij concrete suggesties te verbetering.
Vraag 2
Hoe kan de Tweede Kamer haar budgetrecht en controlerende taak uitoefenen wanneer ministers niet duidelijk maken welke resultaten zij met honderden miljarden euro’s belastinggeld willen bereiken?
Antwoord 2
In de beleidsagenda van de ontwerpbegrotingen 2027 zijn de hoofddoelen voor het aankomende begrotingsjaar opgenomen. Op deze manier geeft het kabinet aan welke resultaten het beoogt te bereiken en welke beleidsdoelen worden geprioriteerd. Aandacht voor doelen en resultaten is van belang om weloverwogen beleidskeuzes te kunnen maken. De hoofddoelen zijn nader uitgewerkt in de beleidsartikelen van de ontwerpbegrotingen, met daarbij ook nadere toelichting op de voornemens op dat specifieke beleidsterrein. Uw Kamer kan hierover het gesprek aangaan met de betreffende minister.
Vraag 3
Klopt het dat de Nederlandse EU-afdracht in de Miljoenennota mogelijk enkele miljarden euro’s te laag is geraamd?
Antwoord 3
De raming van de Nederlandse afdrachten aan de EU en de perceptiekostenvergoeding voor na 2028 (aanvang nieuwe MFK) zijn gebaseerd op een aantal aannames, zie voor een uitgebreide toelichting de beantwoording van vraag 36 in het Schriftelijk Overleg Raad Algemene Zaken (Kamerstuk 2026Z22609). Voor het kabinet zijn de MFK-prioriteiten uit het coalitieakkoord leidend, inclusief de budgettaire inzet om de stijging van de afdrachten te beperken, onder meer door continuering van de bni-correctie op de Nederlandse afdrachten. Het uiteindelijke budgettaire effect van een akkoord in de Europese Raad over het volgende MFK en nieuwe eigenmiddelenbesluit is afhankelijk van het onderhandelingsresultaat. Zodra een akkoord wordt bereikt in de Europese Raad zal dit indien nodig via het reguliere begrotingsproces worden verwerkt. Dit wordt in de eerste reguliere begrotingsbijstelling verwerkt.
Vraag 4
Hoe wordt een hogere EU-afdracht opgevangen: door aanvullende bezuinigingen, hogere belastingen of een verder oplopend begrotingstekort?
Antwoord 4
Gegeven dat er momenteel nog geen akkoord is over het volgende Meerjarig Financieel Kader 2028-2034 (MFK) en het nieuwe eigenmiddelbesluit (EMB) is het nog niet duidelijk of er een budgettaire opgave ontstaat. De besprekingen over het MFK en EMB lopen nog zeker tot het einde van 2026 en mogelijk tot in 2027 door. Het is dus voorbarig om te spreken over het opvangen van hogere EU-afdrachten.
Vraag 5
Hoe verklaart u dat de kosten van het rijksambtenarenapparaat in vijf jaar tijd zijn gestegen van circa 10 miljard naar 16 miljard euro?
Antwoord 5
De overheid is in de afgelopen jaren fors gegroeid, maar de productiviteitsgroei bleef achter. Dit kan beter. Daarom wil het kabinet, onder coördinatie van de staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, toe naar een fundamenteel efficiëntere en effectievere overheid met veel minder (complexe) wet- en regelgeving, minder overhead en een minder omvangrijk ambtenarenapparaat. Een gedeelte van de stijging van de kosten van het ambtenarenapparaat is te verklaren door de doorwerking van inflatie op lonen. Daarnaast is ook het aantal rijksambtenaren gestegen. Dit is deels te verklaren door nieuwe taken en taakverzwaringen die er in de afgelopen jaren bij zijn gekomen. Tegelijkertijd kan de overheid ook efficiënter werken. Dit kabinet wil een rijksdienst met minder mensen, minder externe inhuur en lagere apparaatskosten. De taakstellingen van de kabinetten Schoof (inclusief amendement Bontenbal) en Jetten lopen tot en met 2035 op tot 3,5 miljard euro. Een grove inschatting komt uit op een fte-reductie om en nabij de 25.000 fte. In de meest recente Voortgangsbrief Slagvaardige Overheid van de staatssecretaris van koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid wordt concrete invulling gegeven aan het toewerken naar een slagvaardige overheid.1 Binnen een half jaar komt er een meerjarige aanpak voor de toekomst van de Rijksdienst. De resultaten van de Commissie Toekomst Rijksdienst, van de Ministeriële Taskforce Slagvaardige Overheid en van het voorbereidende werk dat onder leiding van de secretarissen-generaal wordt gedaan, worden hierin verwerkt. Hiermee wordt ook voldaan aan de motie van de leden Brekelmans (VVD) en Bontenbal (CDA)2.
Vraag 6
Hoeveel extra rijksambtenaren zijn er in die periode aangenomen en kan wellicht een schatting worden gegeven van hoeveel daarvan zich (voornamelijk) bezig houden met de uitvoering, handhaving en controle van Europese wet- en regelgeving?
Antwoord 6
In de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025 is opgenomen dat in de afgelopen vijf jaar het aantal Rijksmedewerkers in fte per saldo is gegroeid van 131.132 fte ultimo 2021 naar 160.016 fte ultimo 2025. Er zijn geen gegevens beschikbaar welk deel van het aantal Rijksmedewerkers zich bezig houden met de uitvoering, handhaving en controle van Europese wet- en regelgeving.
Vraag 7
Waarom zijn eerdere voornemens om op het ambtenarenapparaat te bezuinigen niet gerealiseerd?
Antwoord 7
De taakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Schoof, inclusief de taakstelling op de apparaatskosten van het amendement Bontenbal3, om te bezuinigen op het ambtenarenapparaat is omgezet in een taakstelling per departement die budgettair is ingeboekt op de apparaatsartikelen van de departementale begrotingen. Deze taakstelling kent een oploop en was in 2025 en 2026 respectievelijk 393 en 603 miljoen euro. Deze oploop is deels een verklaring waarom de taakstellingen nog niet tot uitdrukking komt in een lager aantal fte. De taakstellingen van de kabinetten Schoof (inclusief amendement Bontenbal) en Jetten lopen tot en met 2035 op tot 3,5 miljard euro. Een grove inschatting komt uit op een fte-reductie om en nabij de 25.000 fte. Het kabinet heeft in de Voortgangsbrief Slagvaardige Overheid met uw Kamer gedeeld dat een dergelijke opgave niet gaat lukken met een besparing door efficiency alleen. Er wordt daarom gekozen voor een strategische bezuiniging, langs de lijnen van de inhoud. Binnen een half jaar komt er een meerjarige aanpak voor de toekomst van de Rijksdienst. Zie hiervoor ook vraag 5.
Kamerbrief kenmerk 2026D52762 (https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2026D52762&did=2026D52762)↩︎
Kamerstukken II 2026/27, 37020, nr. 8↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36600 VIII, nr. 141↩︎