[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

35497, eindtekst

Tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Justitie en Veiligheid, en tot wijziging van enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Tweede Verzamelspoedwet COVID-19)

Eindtekst

Nummer: 2020D38004, datum: 2020-07-02, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1

Directe link naar document (.doc), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2020Z11478:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


De Tweede Kamer der Staten- PRIVATE  

Generaal zendt bijgaand door

haar aangenomen wetsvoorstel

aan de Eerste Kamer.

De Voorzitter,

2 juli 2020



	Tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Justitie en
Veiligheid, en tot wijziging van enkele wetten op het terrein van het
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van
Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Justitie en Veiligheid
en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Tweede
Verzamelspoedwet COVID-19)







GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET



	Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op het
treffen van noodzakelijke maatregelen in verband met de uitbraak van
COVID-19 wenselijk is enkele spoedeisende tijdelijke voorzieningen te
treffen voor leningen op grond van de Erfgoedwet, voor leerresultaten op
grond van de Wet op het primair onderwijs, voor het verlengen van de
bevoegdheidstermijn voor leraren in opleiding op grond van de Wet op het
primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra, voor de
leeftijdsgrens van rechter-plaatsvervangers en voor tuchtrechters, en
enkele wijzigingen aan te brengen in de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000, de
Wegenverkeerswet 1994, de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen
en de Wet medische hulpmiddelen, in verband met de uitbraak van
COVID-19;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Artikel 1.1. Erfgoedwet

Artikel 7.8, vijfde lid, van de Erfgoedwet is niet van toepassing als
een lening wordt verstrekt om de ontvanger van een subsidie als bedoeld
in artikel 7.3 van die wet, die als gevolg van COVID-19 niet in staat is
om het eigen aandeel in de kosten van de gesubsidieerde activiteiten te
dragen, in staat te stellen het eigen aandeel te financieren.

Artikel 1.2. Wet op het primair onderwijs

1. In afwijking van artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op
het primair onderwijs mag de leraar aan wie op het moment van
inwerkingtreding van dit artikel een subsidie is verleend op grond van
de Subsidieregeling post-initiële leergang bewegingsonderwijs voor het
behalen van een certificaat van een post-initiële leergang
bewegingsonderwijs, drie aaneengesloten schooljaren zintuiglijke en
lichamelijke oefening geven aan leerlingen in het derde tot en met
achtste schooljaar, gerekend vanaf het moment waarop de leraar het
onderwijs ter verkrijging van dit certificaat is gestart.

2. Indien de periode van drie schooljaren, bedoeld in artikel 10a,
tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, de schooljaren
2018-2019 tot en met 2020-2021 of 2019-2020 tot en met 2021-2022
betreft, worden, in afwijking van artikel 10a, tweede lid, van die wet,
de leerresultaten gemeten over de drie meest recente schooljaren waarin
centrale eindtoetsen of andere eindtoetsen als bedoeld in artikel 9b van
die wet zijn afgenomen.

Artikel 1.3. Wet op de expertisecentra 

In afwijking van artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de
expertisecentra mag de leraar aan wie op het moment van inwerkingtreding
van dit artikel een subsidie is verleend op grond van de
Subsidieregeling post-initiële leergang bewegingsonderwijs voor het
behalen van een certificaat van een post-initiële leergang
bewegingsonderwijs, drie aaneengesloten schooljaren zintuiglijke en
lichamelijke oefening geven aan groepen bestemd voor leerlingen vanaf 7
jaar in het speciaal onderwijs, gerekend vanaf het moment waarop de
leraar het onderwijs ter verkrijging van dit certificaat is gestart.

Artikel 1.4. Wijziging Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek

Na artikel 7.37b. van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7.37c. Tijdelijke afwijkende voorwaarde voor inschrijving in
verband met COVID-19 

1. Het instellingsbestuur kan, in afwijking van artikel 7.37, eerste
lid, en onverminderd de overige bepalingen van artikel 7.37, degene per
1 september 2020 inschrijven voor een opleiding in het hoger onderwijs
of wetenschappelijk onderwijs voor het studiejaar 2020-2021 die ten
gevolge van de uitbraak van COVID-19 niet heeft kunnen voldoen aan:

a. een of meer van de vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.24
tot en met 7.26a, 7.28, eerste lid, de zinsnede voor de eerste komma,
lid 1a en tweede lid, derde en vierde volzin, en 7.30; of

b. een of meer van de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30b en
7.30c.

2. Onverminderd artikel 7.42, eerste tot en met derde lid, beëindigt
het instellingsbestuur de inschrijving:

a. indien degene die is ingeschreven op grond van het eerste lid, aanhef
en onderdeel a, niet vóór 1 januari 2021 alsnog heeft voldaan aan de
eisen, bedoeld in dat onderdeel;

b. indien degene die is ingeschreven op grond van het eerste lid, aanhef
en onderdeel b, niet vóór een daartoe door het instellingsbestuur bij
de inschrijving vastgestelde datum, die niet eerder is gelegen dan 1
januari 2021 en niet later dan 1 september 2021, alsnog heeft voldaan
aan de eisen, bedoeld in dat onderdeel.

3. Het instellingsbestuur kan afzien van de beëindiging van de
inschrijving vanwege het niet voldoen aan de in het tweede lid,
onderdelen a en b neergelegde termijn, indien de 

beëindiging zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In
dat geval wordt de inschrijving beëindigd indien niet alsnog vóór 1
september 2021 aan de in het eerste lid bedoelde eisen wordt voldaan.

4. Op het beleid dat het instellingsbestuur van een universiteit en het
instellingsbestuur van een hogeschool ter uitvoering van dit artikel
voert, zijn respectievelijk de aanhef van artikel 9.33a, tweede lid, en
de aanhef van artikel 10.20a, tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.

5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

a. de nadere voorwaarden voor inschrijving, waaronder mede wordt
verstaan in welke gevallen het niet kunnen voldoen aan de eisen, bedoeld
in het eerste lid, het gevolg is van de uitbraak van COVID-19;

b. de onderwerpen waarop het beleid dat het instellingsbestuur in het
kader van zijn bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, voert, in ieder
geval betrekking heeft.

Artikel 1.5. Wijziging Wet studiefinanciering 2000

Voor hoofdstuk 14 van de Wet studiefinanciering 2000 wordt een hoofdstuk
ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 13. Tegemoetkoming voor studievertraging in verband met
uitbraak COVID-19

Artikel 13.1. Aanspraak op tegemoetkoming 

1. Een student in de laatste fase van diens opleiding die in verband met
de uitbraak van COVID-19 studievertraging heeft opgelopen, komt in
aanmerking voor een tegemoetkoming, niet zijnde studiefinanciering in de
zin van artikel 3.1. 

2. Bij ministeriële regeling wordt in ieder geval vastgesteld:

a. wat wordt verstaan onder laatste fase als bedoeld in het eerste lid;

b. welke opleidingen aanspraak geven; 

c. wat wordt verstaan onder studievertraging in verband met de uitbraak
van COVID-19 als bedoeld in het eerste lid;

d. in welke gevallen de tegemoetkoming op aanvraag dan wel ambtshalve
wordt toegekend; en

e. welke gegevens bij een aanvraag worden verstrekt.

Artikel 13.2. Omvang tegemoetkoming

De omvang van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 13.1, wordt
vastgesteld bij ministeriële regeling. Daarbij kan in ieder geval aan
de hand van het aantal maanden studievertraging onderscheid worden
gemaakt tussen verschillende groepen studenten.

Artikel 13.3. Horizonbepaling

Dit hoofdstuk vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

HOOFDSTUK 2. MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Artikel 2.1. Wijziging Wegenverkeerswet 1994

In de Wegenverkeerswet 1994 wordt na artikel 108 een artikel ingevoegd,
luidende:

Artikel 108a

1. De in artikel 108, eerste lid, onderdelen g en i, onder 2°, genoemde
termijn van 185 dagen wordt ten behoeve van houders van een rijbewijs
dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland,
anders dan in een andere lidstaat van de 

Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, die in
Nederland woonachtig zijn, verlengd tot en met 30 september 2020, indien
de genoemde termijn van 185 dagen verstrijkt of is verstreken in de
periode tussen 1 februari 2020 en 1 september 2020.

2. De in artikel 108, eerste lid, onderdeel h, genoemde termijnen worden
ten behoeve van houders van een rijbewijs dat is afgegeven door het
daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of Zwitserland, die in Nederland woonachtig zijn,
verlengd tot en met 30 september 2020, indien de in dat onderdeel
bedoelde termijn verstrijkt of is verstreken in de periode tussen 1
februari 2020 en 1 september 2020. 

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde verlenging geldt op
voorwaarde dat het desbetreffende rijbewijs voor het besturen van een
motorrijtuig van de categorie waarmee wordt gereden geldig is dan wel in
de periode tussen 1 februari 2020 en 1 september 2020 zijn geldigheid
heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur.

4. Dit artikel vervalt met ingang van 1 oktober 2020.

HOOFDSTUK 3. MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Artikel 3.1. Tijdelijke wijziging Wet beveiliging netwerk- en
informatiesystemen

De Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen wordt als volgt
gewijzigd:

A

Aan artikel 3 worden drie leden toegevoegd, luidende: 

4. Onze Minister heeft, ter voorkoming of beperking van het uitvallen
van de beschikbaarheid of het verlies van integriteit van netwerk- en
informatiesystemen van de organisaties genoemd in het vijfde lid, de
volgende taken: 

a. het bijstaan van de in het vijfde lid genoemde organisaties bij het
treffen van maatregelen om de continuïteit van hun diensten te
waarborgen of te herstellen;

b. het informeren en adviseren van deze organisaties over dreigingen en
incidenten met betrekking tot de in de aanhef bedoelde netwerk- en
informatiesystemen;

c. het verrichten van analyses en technisch onderzoek ten behoeve van de
onder a en b genoemde taken, naar aanleiding van de onder b bedoelde
dreigingen en incidenten of aanwijzingen daarvoor, niet zijnde onderzoek
naar personen of organisaties die voor die dreigingen of incidenten
verantwoordelijk zijn of die daar anderszins aan bijdragen of hebben
bijgedragen.

5. De in het vierde lid bedoelde organisaties zijn: 

a. instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet
kwaliteit, klachten en geschillen zorg waar intensive care wordt of kan
worden verleend; 

b. instellingen die onderzoek verrichten gericht op diagnostiek van
COVID-19;

c. fabrikanten van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel mm, en de houders van handelsvergunningen van geneesmiddelen
als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet; en

d. fabrikanten van medische hulpmiddelen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de medische hulpmiddelen en van
persoonlijke beschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 3 van de
verordening 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart
2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen en tot intrekking van
Richtlijn 89/686/EEG van de Raad (PbEU 2016, L 81).

6. Voorts heeft Onze Minister, ter voorkoming van nadelige
maatschappelijke gevolgen in en buiten Nederland, tot taak: het
verstrekken van ingevolge het vierde lid, onder c, verkregen gegevens
over dreigingen en incidenten met betrekking tot andere netwerk- en
informatiesystemen dan bedoeld in de aanhef van het vierde lid aan:

a. organisaties die objectief kenbaar tot taak hebben om andere
organisaties of het publiek daarover te informeren;

b. CSIRT’s;

c. andere computercrisisteams, aangewezen bij regeling van Onze Minister
of behorend tot een bij die regeling aangewezen categorie;

d. aanbieders van internettoegangs- en internetcommunicatiediensten ten
behoeve van het informeren van gebruikers van die diensten.

B

Aan artikel 18 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing op de in artikel 3,
vierde lid, genoemde taken.

Artikel 3.2. Verval tijdelijke wijziging Wet beveiliging netwerk- en
informatiesystemen

De Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen wordt als volgt
gewijzigd:

A

In artikel 3 vervallen het vierde, vijfde en zesde lid.

B

In artikel 18 vervalt het derde lid.

Artikel 3.3. Tijdelijke inzet van raadsheren-plaatsvervangers en
rechters-plaatsvervangers tot drieënzeventig jaar

1. Bij een gebrek aan capaciteit aan rechterlijke ambtenaren met
rechtspraak belast als gevolg van de maatregelen getroffen na de
uitbraak van COVID-19 kunnen rechterlijke ambtenaren als bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, onder 2° en 3°, van de Wet op de rechterlijke
organisatie alsmede raadsheren en raadsheren-plaatsvervangers bij het
College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Centrale Raad van beroep
die op grond van artikel 46h, derde lid, van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren worden ontslagen, vervolgens worden benoemd tot
raadsheren-plaatsvervangers of rechters- plaatsvervangers. 

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op rechterlijke
ambtenaren als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2° en 3°, van
de Wet op de rechterlijke organisatie alsmede raadsheren en
raadsheren-plaatsvervangers bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven en de Centrale Raad van beroep

a. ten aanzien van wie binnen vierentwintig maanden na het ontslag op
grond van artikel 46h, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren door het gerechtsbestuur een aanbeveling wordt gedaan aan de
Raad voor de rechtspraak tot benoeming tot raadsheer-plaatsvervanger of
rechter-plaatsvervanger; 

b. die binnen vierentwintig maanden voorafgaand aan de datum van
inwerkingtreding van deze wet ontslagen zijn op grond van artikel 46h,
eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en
inmiddels de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt of op grond van
artikel 46h, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke
ambtenaren, ontslagen zijn. De aanbeveling als bedoeld in het derde lid
wordt gedaan binnen vierentwintig maanden na het ontslag.

3. Het bestuur van het gerecht, het College van Beroep voor het
bedrijfsleven of de Centrale Raad van beroep waar de rechterlijk
ambtenaar als bedoeld in het eerste of tweede lid werkzaam is of
laatstelijk werkzaam was doet een aanbeveling aan de Raad voor de
rechtspraak voor de benoeming als bedoeld in het eerste en tweede lid. 

4. Hoofdstuk 2 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is van
overeenkomstige toepassing op de benoeming, plaatsing en beëdiging van
rechterlijke ambtenaren overeenkomstig het eerste en tweede lid, met
dien verstande dat ten aanzien van de benoemingen als bedoeld in het
eerste lid kan worden afgezien van het vereiste van het bezit van een
verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in artikel 4a, eerste lid,
van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. 

5. Raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers die op grond
van deze wet zijn benoemd, worden met ingang van de eerste dag van de
maand volgende op die waarin zij de leeftijd van drieënzeventig jaren
hebben bereikt, bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister
voor Rechtsbescherming ontslagen.

Artikel 3.4 Tijdelijke voorziening ten behoeve van de mondelinge
behandeling in tuchtrechtelijke procedures

1. Indien in verband met de uitbraak van COVID-19 in tuchtrechtelijke
procedures het houden van een fysieke zitting door de accountantskamer
als bedoeld in de Wet tuchtrechtspraak accountants, een raad van
discipline of het hof van discipline als bedoeld in de Advocatenwet, een
regionaal tuchtcollege of het centrale tuchtcollege als bedoeld in de
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, het veterinair
tuchtcollege of het veterinair beroepscollege als bedoeld in de Wet
dieren, de kamer voor gerechtsdeurwaarders als bedoeld in de
Gerechtsdeurwaarderswet, het tuchtcollege loodsen als bedoeld in de
Loodsenwet, een kamer voor het notariaat als bedoeld in de Wet op het
notarisambt, het tuchtcollege voor de scheepvaart als bedoeld in de Wet
zeevarenden, het gerechtshof Amsterdam, het College van Beroep voor het
bedrijfsleven of tuchtcolleges, ingesteld op grond van artikel 3, eerste
lid, van het Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet, niet mogelijk is,
kan de mondelinge behandeling plaatsvinden door middel van een
tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.

2. Indien in tuchtprocedures in verband met de uitbraak van COVID-19
sprake is van een capaciteitsgebrek, kan de voorzitter van een regionaal
tuchtcollege of het centrale tuchtcollege als bedoeld in de Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg, het veterinair tuchtcollege
of het veterinair beroepscollege als bedoeld in de Wet dieren, het
tuchtcollege loodsen als bedoeld in de Loodsenwet of het tuchtcollege
voor de scheepvaart als bedoeld in de Wet zeevarenden bepalen dat een
zaak wordt behandeld en beslist door drie leden. Indien een zaak naar
het oordeel van een van deze leden ongeschikt is voor behandeling en
beslissing door drie leden, wordt deze voortgezet door vijf leden.
Wanneer toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in de eerste volzin,
draagt de voorzitter van het tuchtcollege er zorg voor dat, indien de
wet de behandeling van een zaak door een meerderheid van
leden-beroepsgenoten dan wel andere leden voorschrijft, deze meerderheid
ook tot uitdrukking komt in een samenstelling van drie leden. 

HOOFDSTUK 4. MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Artikel 4.1. Wijziging Wet medische hulpmiddelen

In de artikelen 23 en 26 van de Wet medische hulpmiddelen wordt “26
mei 2020” vervangen door “26 mei 2021”. 

HOOFSTUK 5. SLOTBEPALINGEN

Artikel 5.1. Overgangsrecht hoofdstuk 3, artikel 3.3

Wanneer artikel 3.3 vervalt op grond van artikel 5.4, vierde lid,
blijven de benoemingen tot raadsheren-plaatsvervangers en
rechters-plaatsvervangers die op grond van deze wet tot stand zijn
gekomen van kracht, tot de eerste dag van de maand volgende op die
waarin de raadsheer-plaatsvervanger of rechter-plaatsvervanger de
leeftijd van drieënzeventig jaren heeft bereikt. Het ontslag vindt
plaats bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister voor
Rechtsbescherming.

Artikel 5.2. Inwerkingtreding en verval hoofdstuk 1

1. Hoofdstuk 1 van deze wet treedt in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering
van de artikelen 1.2, tweede lid, en 1.4, die in werking treden met
ingang van 1 augustus 2020. 

2. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt
uitgegeven na 1 augustus 2020, treden de artikelen 1.2, tweede lid, en
1.4 in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werken deze artikelen terug
tot en met 1 augustus 2020.

3. De artikelen 1.1 tot en met 1.3 vervallen op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 5.3. Inwerkingtreding hoofdstukken 2 en 4

Hoofdstukken 2 en 4 van deze wet treden in werking met ingang van de dag
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij wordt geplaatst.

Artikel 5.4. Inwerkingtreding en verval hoofdstuk 3

1. Hoofdstuk 3 van deze wet treedt in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

2. In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat de artikelen van
hoofdstuk 3 of onderdelen daarvan, terugwerken tot en met [datum
indiening wetsvoorstel].

3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel 3.2 in werking met
ingang van 1 december 2020, met dien verstande dat bij koninklijk
besluit een eerder tijdstip kan worden bepaald waarop dit artikel in
werking treedt, dan wel een later tijdstip dat steeds ten hoogste twee
maanden later ligt dan het eerder geldende tijdstip. 

4. Artikel 3.3 vervalt drie jaar na de inwerkingtreding daarvan. Het
tijdstip waarop dit artikel vervalt kan bij koninklijk besluit worden
bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip
steeds ten hoogste twee maanden na het tijdstip ligt waarop dit artikel
zou vervallen.

5. Artikel 3.4 vervalt op 1 september 2020. Het tijdstip waarop dit
artikel vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander
tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste twee
maanden na het tijdstip ligt waarop dit artikel zou vervallen.

6. De voordracht voor een krachtens het vierde en vijfde lid vast te
stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan een week nadat
het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 5.5. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Tweede Verzamelspoedwet COVID-19.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

De Minister van Justitie en Veiligheid,

De Minister van Justitie en Veiligheid,

De Minister voor Rechtsbescherming,

De Minister voor Rechtsbescherming,

 

 

 PAGE    

 PAGE   11