Gelijkwaardigheid van
alternatieve oplossing
Art 14 REPG
Frank Klinckenberg
Yvonne Boerakker (DNV-KEMA)
Mia Forbes Pirie
Een rapport van Klinckenberg Consultants en The Policy Partners
in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Meerssen / London, mei 2013
www.ThePolicyPartners.com
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
1/32
Samenvatting
Nederland heeft ervoor gekozen om Art 14 REPG-herschikking (2010/31/EU), over keuring van
verwarmingstoestellen, deels in te vullen een “alternatieve oplossing”, voor verwarmingstoestellen tot een
vermogen van 100 kW. Vanwege deze keuze is een driejaarlijkse rapportage aan de EC verplicht, waarin
aangetoond wordt dat de alternatieve oplossing tenminste even effectief is als de in de EBPD aangegeven
optie. Voor andere toestellen (verwarmingstoestellen met vermogen 100 kW en meer) heeft Nederland wel
de door de EC voorgestelde verplichte keuringen ingevoerd en is het aantonen van gelijkwaardigheid niet
nodig.
Door jarenlange beleidsinzet voor betere verwarmingsketels en –systemen heeft Nederland al een
buitengewoon efficiënte voorraad verwarmingssystemen, waardoor de verwachte effecten van nieuw beleid
klein zijn, onafhankelijk van de gekozen benadering. De HR107-ketel, een zeer efficiënte gasgestookte,
modulerende en condenserende verwarmingsketel is bijvoorbeeld al jarenlang gemeengoed in Nederland en
verwacht wordt dat vrijwel alle geïnstalleerde ketels binnen vijf jaar van dit type ketel zullen zijn. Daarmee
wordt een substantiële energiebesparing behaald, maar uiteraard ook het potentieel voor verdere
maatregelen beperkt.
Figuur 1. Penetratie van keteltypen als aandeel van totaal aantal geïnstalleerde ketels (woningbouw)
Deze rapportage
In deze rapportage wordt bestaand beleid voor het verbeteren van de energie-efficiëntie van
verwarmingssystemen beschreven en worden drie scenario’s beschreven en vergeleken:
•
Een basisscenario, waarin geen nieuw beleid ingezet wordt
•
Een alternatieve oplossing voor verplichte keuringen, zoals Nederland deze invoert
•
Verplichte keuringen van verwarmingssystemen, zoals beschreven in de REPG-herschikking
In het basisscenario, zonder nieuw beleid, zullen er geen nieuwe beleidsinitiatieven ondernomen worden en
wordt geen extra inspanning verwacht om de efficiëntie van verwarmingssystemen in Nederland te
verbeteren. Wel zullen de effecten van bestaand beleid, waaronder EPBD maatregelen gericht op
bouwregelgeving en de recent geïntroduceerde Ecodesign richtlijn voor verwarmingsketels, invloed blijven
uitoefenen op nieuwe en bestaande verwarmingssystemen. In dit scenario zal de totale energievraag voor
de verwarming van gebouwen in 2020 circa 358PJ bedragen. De gerelateerde CO2-emissie zal naar
verwachting 20 Mton bedragen.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
2/32
De alternatieve oplossing bestaat, naast het bovenstaand beleid, uit een vrijwillige analyse van het
systeemrendement van verwarmingssystemen ontwikkeld en aangeboden door marktpartijen in
samenwerking met de overheid. Deze vrijwillige keuring wordt aangeboden bij regulier en incidenteel
onderhoud en omvat een analyse van de energie-efficiëntie van het gehele verwarmingssysteem, dus van de
verwarmingsketel, thermostaat of temperatuurregeling, distributie en afgiftesysteem.
Door deze alternatieve oplossing zal in 2020 circa 24% van de gebouwen vrijwillig geanalyseerd zijn op
systeemrendement. Deze analyses zullen in ca. 70% van de gevallen aanleiding geven tot het uitvoeren van
systeemverbeteringsmaatregelen. De totale energievraag voor de verwarming van gebouwen in dit scenario
zal in 2020 circa 0,76%-punt (2,5PJ) lager liggen dan zonder deze beleidsinzet. De daaraan gerelateerde CO2-
emissie reductie is 141 kton CO2.
Ter vergelijking zijn ook de verwachte effecten van verplichte keuringen in beeld gebracht. Dit zou bestaan
uit, naast bestaand beleid, een uitbreiding van de verplichting tot keuring van CV-ketels uit de Wet
Milieubeheer / Activiteitenbesluit tot gasgestookte ketels met een vermogen vanaf 20 kW (i.p.v. de huidige
ondergrens van 100 kW). Deze keuring wordt ook opgenomen in de SCIOS-methodiek. Daarnaast wordt
deze verplichting ook opgenomen in het Besluit energieprestatie gebouwen (Beg).
De totale energievraag voor de verwarming van gebouwen in dit scenario zal in 2020 daardoor circa 0,16%-
punt (0,7PJ) lager liggen dan zonder deze beleidsinzet. De daaraan gerelateerde CO2-emissie reductie is 37
kton CO2.
Impact van de scenario’s: Vrijwillige analyses en Verplichte keuringen
Conclusie
Uit deze analyse volgt duidelijk dat de alternatieve oplossing, zoals Nederland die invoert, tot substantieel
grotere energiebesparingseffecten zal leiden dan de verplichte ketelkeuringen, tegen duidelijk lagere kosten.
De betere integratie van keuringen met regulier onderhoud, de focus op verbeteringen van ketel en
afgiftesysteem die daarmee beter mogelijk wordt en de aansluiting bij natuurlijke momenten voor
verbeteringen van verwarmingssystemen zijn de belangrijkste verklarende factoren voor deze grotere
impact.
Gelet op deze analyse voldoet de Nederlandse alternatieve oplossing dan ook ruimschoots aan de eis zoals
geformuleerd in de REPG-herschikking, Art. 14, lid 4, dat een alternatieve oplossing een impact moet hebben
tenminste gelijk aan die van de verplichte keuringen zoals omschreven in Art. 14, lid 1 t/m 3.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
3/32
Summary
The Netherlands choose an “:alternative solution” to implement part of the requirements set out in Art 14 of
the EPBD (inspections of heating systems). This “alternative solution” applies only to gas-fired heating
systems with a capacity of up to 100kW. This requires a three yearly report to the European Commission
demonstrating its equivalence to the implementation described in the EPBD. For other heating systems, gas-
fired with a capacity of 100kW or more, and all liquid-fuel heating systems, the Netherlands choose to
implement mandatory boiler inspections, as described in the EPBD. Demonstrating equivalent impacts (with
the approach described in the EPBD) for those systems is, therefore, not needed.
The Netherlands has an exceptionally efficient boiler and heating system stock, as a result of many years of
Government policy. The expected impacts of any additional measure are therefore small, regardless of the
implementation selected. The “HR107” boiler, a highly efficient gas-fired modulating condensing boiler, for
example, has been the standard option in the Netherlands for many years (for new installations and
replacements) and projections indicate that, within 5 years, virtually all installed boilers will be of this type.
This will result in substantial further energy savings. However, it will of course also reduce the potential for
additional savings from other measures.
Figure 1E. Ownership level of boiler types, as share of total installed stock (residential sector)
This report
This report presents an overview of existing policy for energy efficiency improvements of heating systems
and a description and comparison of three scenarios:
•
Base case, with no new policy
•
Alternative solution scenario, with the alternative policy option as implemented by The Netherlands
•
Mandatory inspections scenario, as described in the EPBD (recast)
In the base case, with no new policy, there will be no additional policy actions and no additional efforts to
improve the energy efficiency of heating systems in the Netherlands. Existing policies, including EPBD
measures for building code requirements and the recently approved Ecodesign directive for boilers, will
continue to influence new and existing heating systems. Total energy demand, in this scenario, will amount
to approximately 358PJ in 2020. Related CO2 emissions will amount to 20Mton.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
4/32
The alternative solution scenario includes, in addition to the policies in the base case, a voluntary analysis of
the system performance of heating systems offered by market parties in collaboration with Government.
This voluntary analysis will be offered on top of planned and ad-hoc maintenance of boilers and will include
an analysis of the energy performance of the whole heating system, including boiler, thermostat or
temperature control, distribution and radiator system.
The alternative solution is expected to result in 24% of all buildings having undergone a voluntary analysis of
its system energy performance (of the heating system) by 2020. In 70% of the cases, these analyses are
expected to result in system improvement measures being implemented. The total energy demand for the
heating of buildings, in this case, will be approximately 0.76% (2.5PJ) below the base case by 2020. Related
CO2 emission reductions are expected to amount to 141 kton.
The expected impacts of mandatory boiler inspections have also been assessed, for comparison. This would
have consisted, on top of base case policies, of an extension of the requirement to regularly inspect gas-fired
boilers with a capacity of 20KW and more (instead of the current limit of 100kW or more) included in the
“Wet Milieubeheer” and the “Activiteitenbesluit”. That inspection would also be included in the “SCIOS”-
methodology. In addition, this requirement would be listed in the “Besluit energieprestatie gebouwen”.
The total energy demand for the heating of buildings, in this case, will be approximately 0.16% (0.7PJ) below
the base case by 2020. Related CO2 emission reductions will amount to 37 kton.
Impact of the scenarios: Voluntary analyses and Mandatory inspections
Conclusion
This analysis clearly demonstrates that the alternative solution, as being implemented by the Netherlands,
will result in substantially higher energy demand and CO2 emission reductions than the mandatory boiler
inspections, at lower cost. The better integration of inspections with scheduled maintenance, focus on
improvements in the boiler and heat distribution system enabled by this alternative solution and alignment
with natural moments for system improvements are the key explanations for this larger impact.
The alternative solution as being implemented in the Netherlands thus comfortably meets the requirement of
EPBD (recast) Art 14.4, for an alternative solution to meet or exceed the impacts of mandatory inspections as
described in EPBD (recast) Art 14.1 to 14.3.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
5/32
1. Inleiding
Nederland heeft ervoor gekozen om Art 14 EPBD recast (2010/31/EU), over keuring van
verwarmingstoestellen, deels in te vullen een “alternatieve oplossing” (alternatieve solution), voor
verwarmingstoestellen tot een vermogen van 100 kW. Vanwege deze keuze is een driejaarlijkse rapportage
aan de EC verplicht, waarin aangetoond wordt dat de alternatieve oplossing tenminste even effectief is als de
in de EBPD aangegeven optie. Voor andere toestellen (verwarmingstoestellen met vermogen 100 kW en
meer) heeft Nederland wel de door de EC voorgestelde verplichte keuringen ingevoerd en is het aantonen
van gelijkwaardigheid niet nodig.
Dit rapport beschrijft de gelijkwaardigheid van de Nederlandse alternatieve aanpak op basis van het
rapportageformat en berekeningsmethodiek zoals deze ook door het Verenigd Koninkrijk gebruikt is voor
haar rapportage aan de Europese Commissie. Het rapport omvat de volgende onderdelen:
-
Inleiding
-
Beschrijving en inschatting effecten van bestaand beleid
-
Beschrijving alternatieve oplossing voor gasgestookte ketels met vermogen tot 100kW
-
Berekening verwachte impact alternatieve oplossing voor deze ketels
-
Berekening verwachte impact verplichte keuringen
-
Vergelijking van opties en conclusies
In vergelijking met andere EU landen heeft Nederland al veel voortgang geboekt met het verbeteren van
verwarmingssystemen. Onder andere door jarenlange beleidsinzet en door de overheid ondersteunde
ontwikkelings-, trainings- en marketingactiviteiten van ketelfabrikanten en installateurs is Nederland al
vrijwel volledig overgegaan op modulerende condenserende verwarmingsketels bij nieuwe installaties en
ketelvervanging, en is de bestaande voorraad ook voor een belangrijk deel al vervangen door dit type ketels.
Gevolg hiervan is dat de energie-efficiëntie van de gemiddelde Nederlandse verwarmingsketel al belangrijk
hoger ligt dan gemiddeld in Europa, en dicht ligt bij het maximaal haalbare met gasgestookte
verwarmingsketels. Anderzijds betekent dit ook dat er beperkt potentieel is voor verbetering van de energie-
efficiëntie door verdere beleidsinzet en inzet van marktpartijen, eenvoudigweg omdat het grootste deel van
het besparingspotentieel al gerealiseerd is. Verdere besparing door betere verwarmingssystemen zal, in de
Nederlandse situatie, grotendeels gerealiseerd moeten worden door de introductie van nieuwe types
verwarmingssystemen. De alternatieve oplossing die Nederland invoert, in plaats van verplichte keuringen,
helpt deze omschakeling in gang te zetten.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
6/32
2. Richtlijn energieprestatie gebouwen -
herschikking
Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de
Energieprestatie van Gebouwen (herschikking) (PbEU L153/13) stelt in artikel 14 de volgende eisen aan de
keuring van verwarmingssystemen:
1. Voor ruimteverwarmingssystemen met een vermogen van meer dan 20 kW: een regelmatige keuring
van de toegankelijke delen van ruimteverwarmingssystemen. De keuring omvat een beoordeling van
het rendement van de ketel en van de ketelgrootte vergeleken met de verwarmingsbehoeften van het
gebouw.
2. de frequentie van de keuringen mag variëren voor verwarmingssystemen, voor ketels van
verschillend type en nominaal vermogen
3. Voor verwarmingssystemen met cv-ketels met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW: eens
in de vier jaar een keuring van gasketels, en eens in de twee jaar een keuring van de overige typen
ketels.
4. Als alternatief voor de leden 1, 2 en 3 hebben de lidstaten de mogelijkheid maatregelen te nemen om
ervoor te zorgen dat gebruikers geadviseerd worden over vervanging van de cv-ketels, andere
wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen om de doeltreffendheid en de
juiste grootte van de ketel te beoordelen. Deze aanpak dient hetzelfde globaal resultaat op te leveren
als het bepaalde in de leden 1, 2 en 3.
Indien wordt gekozen voor lid 4, dient de lidstaat eens in de drie jaar verslag uit te brengen over de
gelijkwaardigheid.
Uitgangspunt: Hoewel de Richtlijn spreekt over ‘ruimteverwarmingssystemen’, wordt dit begrip binnen de Richtlijn
niet gedefinieerd. In Artikel 14 wordt alleen gesproken over “het rendement van de ketel” en de “ketelgrootte”. Daarom
wordt ervan uitgegaan dat alleen verwarmingssystemen gebaseerd op een individuele centrale verwarmingsketel onder
dit artikel vallen; immers, alleen deze hebben een ketel waarvan het rendement bepaald kan worden en waarvan de
grootte bepaald kan worden. Dit rapport behandelt daarom alleen (gebouwen met een) individuele centrale
verwarmingsketel(s). Gebouwen met alleen lokale verwarming of alleen wijk- of stadsverwarming zijn buiten
beschouwing gelaten. Tabel 1. geeft aan welk deel van de gebouwvoorraad dit omvat.
Keuze Nederland
Nederland heeft, in het kader van artikel 14 van de richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van
gebouwen (REPG-herschikking), ervoor gekozen om voor centrale verwarmingsketels (CV-ketels) tot 100 kW
alternatieve maatregelen te nemen voor de keuring (zoals omschreven in lid 4). Gevolg van deze keuze, is
dat Nederland dient aan te tonen dat het globale resultaat van de ‘alternatieve maatregelen’ gelijkwaardig is
aan het globale resultaat van een hypothetische regeling met ‘regelmatige keuring’ (zoals omschreven in lid
1-3).
Om het effect van beide opties te kunnen vergelijken, zijn voor beide opties (de ‘alternatieve maatregelen’ en
de ‘regelmatige keuring’) scenario’s ontwikkeld. Vervolgens is voor beide scenario’s het effect ten opzichte
van een business-as-usual scenario (scenario 1) bepaald. Het effect van de alternatieve maatregelen dient
minimaal even groot te zijn als het effect van de regelmatige keuring. De scenario’s zijn met name
vergeleken op rendement en juiste dimensionering van de ruimteverwarmingssystemen.
Uitgangspunt van alle scenario’s is de huidige penetratiegraad en - snelheid van de verschillende
verwarmingssystemen. Hieronder worden historische trends en het huidige ketelbestand weergegeven voor
zowel de sector huishoudens als de utiliteitsbouw.
Voor grotere verwarmingsketels heeft Nederland een methodiek van regelmatige keuringen ingevoerd, via
het Activiteitenbesluit, waarin eisen voor de keuring en onderhoud van verwarmingsketels opgenomen zijn.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
7/32
Dit is verder uitgewerkt in de zogenaamde SCIOS-methodiek. Met deze benadering geeft Nederland
invulling aan de eisen van de REPG herschikking voor de keuring van verwarmingsketels met een vermogen
groter dan 100 kW, alsook van niet-gasgestookte verwarmingsketels met een vermogen groter dan 20 kW1.
Omdat het Activiteitenbesluit de Europese eisen zoals aangegeven in REPG herschikking Artikel 14, lid 1-3
volgt, voldoen de resultaten van de Nederlandse aanpak daarmee per definitie aan de eisen van Artikel 14.
Afbakening analyse
Verwarmingssystemen kunnen warmte leveren voor ruimteverwarming en/of warm tapwater. De REPG
spreekt expliciet over systemen voor ruimteverwarming. Systemen alleen geschikt voor tapwaterverwarming
vallen dus niet onder artikel 14 van de Richtlijn en worden daarom niet meegenomen in verdere analyses.
Ook de tapwaterbereiding met gecombineerde ketels wordt niet meegenomen in de analyse, alleen het
ruimteverwarmingsdeel.
Daarnaast kan er bij de opwekking van warmte onderscheid gemaakt worden tussen individuele systemen
en collectieve systemen. De REPG richt zich op CV-systemen. Voorbeelden van centrale
verwarmingsinstallaties zijn CR-, VR-, en HR-ketels en warmtepompen. Bij lokale verwarming (gaskachels)
wordt er per installatie maar een ruimte verwarmd, en is er dus geen sprake van een Centraal
Verwarmingssysteem (CV-systeem). Gaskachels vallen dus niet onder artikel 14 van de Richtlijn en worden
daarom niet meegenomen in verdere analyses.
Naast individuele verwarming is collectieve verwarming mogelijk, onder te verdelen in blok- en wijk- en
stadsverwarming.
•
Bij blokverwarming worden alle woningen binnen een woonblok van warmte voorzien door een (of
meerdere) ketel(s) in een ketelruimte in het gebouw.
•
Bij wijkverwarming worden de woningen van meerdere blokken voorzien door warmte opgewekt in
een apart ketelhuis.
•
Bij stadsverwarming worden vele woningen, woonblokken en andere gebouwen in een stad of
stadsdeel van warmte voorzien vanuit een centrale (bijv. WKK, biomassa- of
afvalverbrandingsinstallatie).
Omdat de REPG Artikel 14 zicht richt op een verbetering van de energieprestatie van individuele centrale
verwarmingsstoestellen, worden systemen die niet direct aan één gebouw gekoppeld zijn (wijk- en
stadsverwarming) verder niet in beschouwing genomen.
Zoals aangegeven wordt via het Activiteitenbesluit voor een deel van het ketelbestand al invulling gegeven
aan een deel van de eisen gesteld in Artikel 14 van de REPG-herschikking. Waar het Activiteitenbesluit niet
in voorziet is een verplichte keuring van gasgestookte verwarmings- of stookinstallatie met een nominaal
vermogen tussen de 20-100 kW. Daarom - en omdat dit de verwarmingsinstallaties zijn die het meest
voorkomen – wordt er in onderstaande analyse met name aandacht worden besteed aan dit type ketels.
Beoordeling rendement en grootte
Bij een verplichte keuring dienen verwarmingssystemen beoordeeld te worden op rendement en grootte.
Het rendement van een verwarmingsketel zal met name bepaald worden door het type ketel/installatie.
Ketelrendement en onderhoud
Slechts bij een klein deel van de ketels zal onderhoud invloed hebben op het rendement. Bij gesloten ketels
(HR-ketels en een groot deel van de VR-ketels en CR-ketels) zal onderhoud nauwelijks invloed hebben op het
rendement. Bij open verbrandingstoestellen valt wel enige energiebesparing te bereiken door beter
1 Gasgestookte verwarmings- of stookinstallaties van meer dan 100 kW dienen minimaal eenmaal per vier jaar te worden gekeurd op
veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid. Voor niet- gasgestookte verwarmings- of stookinstallaties geldt deze
verplichting al vanaf 20 kW nominaal vermogen. Niet- gasgestookte verwarmings- of stookinstallaties met een nominaal vermogen van
meer dan 100 kW dienen eenmaal per twee jaar gekeurd te worden. Onderhoud is alleen nog verplicht als de noodzaak uit de keuring
blijkt.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
8/32
onderhoud. Het gaat dan voornamelijk om oudere ketels; open ketels worden al enige jaren nauwelijks meer
nieuw geplaatst2. Gezien de gemiddelde levensduur van een ketel van 12 jaar, zullen er op dit moment nog
maar een relatief klein aandeel van deze ketels in gebruik zijn.
Met name het rendement van oliegestookte ketels neemt sterk af indien deze niet regelmatig onderhouden
worden. Maar in het Activiteitenbesluit is regelmatige keuring van dit type ketels ondervangen: niet-
gasgestookte verwarmings- of stookinstallaties met een vermogen vanaf 20 kW dienen minimaal eenmaal per
vier jaar te worden gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid. Overigens is
het marktaandeel van deze ketels bijzonder klein: minder dan 2% en afnemend.
Ketelrendement en ketelgrootte
Ook de dimensionering (ketelgrootte) heeft invloed op het ketelrendement en zal dus deel uit moeten maken
van de keuring in het kader van het Activiteitenbesluit. Opgemerkt dient te worden dat een beoordeling van
de grootte alleen herhaald hoeft te worden op het moment bij wijzigingen aan het verwarmingssysteem of
van de warmtevraag.
Zoals aangegeven vallen gasgestookte CV-ketels <100 kW nietonder het Activiteitenbesluit. Voor deze ketels
geldt dat de ketelgrootte in de woningbouw meer en meer bepaald wordt door de tapwatervraag
(gemiddelde warmtevraag per woning daalt door nieuwbouw en renovatie, terwijl de tapwatervraag per
huishouden langzaam stijgt).
Bij CV-ketels <100 kW in de utiliteitsbouw geldt dat beoordeling van de ketelgrootte is opgenomen in de
vrijwillige Installatie Performance Scan. De Installatie Performance Scan is een vrijwillig advies, gebaseerd op
een inspectie van de installatie. De Installatie Performance Scan richt zich op alle utiliteitsgebouwen, ook op
gebouwen met een ketel jonger dan 15 jaar.
Prestatie en bewonersgedrag
Indien niet alleen naar het functioneren van de ketel wordt gekeken, maar naar het gehele CV-systeem, in
beschouwing wordt genomen, blijkt dat de prestatie vaak achterblijft bij ‘productspecificaties’. Dit kan leiden
tot een hoger energiegebruik en tot comfortklachten. Het blijkt echter dat sommige installaties die in theorie
verbeterd kunnen worden, in de praktijk na aanpassing niet zuiniger functioneren. Bewonersgedrag speelt
hierbij een belangrijke rol (bronnen: Praktijkonderzoek waterzijdig inregelen bestaande woningvoorraad, uitgevoerd
door Bouwhulp Groep en Cauberg-Huygen raadgevende ingenieurs b.v. in opdracht van Novem 2002;
Parameterstudie waterzijdig inregelen/CV-optimalisatie in woningen, uitgevoerd door ECN in opdracht van
Novem 2003).
Overzicht toegepaste methodiek
De methodiek toegepast in dit rapport is gebaseerd op het format ben de analysemethode zoals deze ook zijn
toegepast door het Verenigd Koninkrijk in haar rapportage aan de Europese Commissie over
gelijkwaardigheid van alternatieve oplossingen voor de invulling van REPG, Artikel 14.
De methodiek bevat vijf stappen. Deze worden hier kort beschreven, met daarbij de wijze waarop de
stappen in de Nederlandse context uitgewerkt zijn :
1.
Beschrijving van historische trends, ketelbestand en van bestaand en nieuw beleid ingevoerd
parallel aan maar onafhankelijk van de REPG. Voor de Nederlandse situatie hebben met name het
jarenlange beleid ter promotie van HR ketels, inclusief HR label, en diverse
stimuleringsmaatregelen voor energetische renovatie van gebouwen sterk bijgedragen aan de
toepassing van HR-ketels.
!
Dit is beschreven in sectie 3: Historische trends en het huidige ketelbestand
2 Volgens EIM 2009 (zoals weergegeven in rapport KIWA, bijlage Verantwoording onderbouwingsstrategie, p12) was 9,4% van het
totaal aantal CV ketels (5.181.900) in de woningbouw in 2009 van het type ‘openverbrandingssysteem’, de overige circa 90% is van het
gesloten type.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
9/32
2.
Beschrijving van alternatieve oplossingen (vrijwillig en verplicht systeem): In de beschrijving
worden aannames gedaan over de te verwachten marktreactie op de alternatieve aanpak, met
name over het aantal gebouweigenaren dat overgaat tot ketelvervanging of systeemverbetering
naar aanleiding van een advies.
!
Dit is beschreven in sectie 4: Beschrijving scenario’s voor gasgestookte ketels met vermogen tot
100kW
3.
Berekening van de verwachte impact van alternatieve oplossingen. In de Britse aanpak wordt
deze berekening uitgevoerd in een bestaand model (BRE Boiler Energy Model - BEM), waarbinnen
de alternatieve aanpak als scenario opgezet is. Voor de Nederlandse situatie voldoet een
eenvoudiger model, omdat olieketels en ketels op vaste brandstof in Nederland amper voorkomen
en buiten beeld gelaten kunnen worden, en omdat de Nederlandse gebouwvoorraad uniformer is.
!
Dit is beschreven is sectie 5: Verwachte impact alternatieve oplossing, vrijwillige analyse van
systeemrendement
4.
Berekening van de verwachte impact van de EC-voorgestelde aanpak. Dit wordt in de Britse
aanpak gedaan door in het Building Energy Model een tweede scenario op te zetten, waarin de EC-
voorgestelde aanpak gemodelleerd wordt. Daarbij worden aannames gedaan over de verwachte
marktreactie op verplichte inspecties. Voor Nederland is een vergelijkbare stap uitgevoerd, met
vergelijkbare aannames.
!
Dit is beschreven is sectie 6: Verwachte impact verplichte keuringen zoals beschreven in REPG
Art. 14
5.
Vergelijking van opties. In deze stap worden CO2 reductie en kosteneffectiviteit van de opties
vergeleken.
!
Dit is beschreven in sectie 7: Vergelijking van opties en conclusies
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
10/32
3. Historische trends en het huidige
ketelbestand
Woningbouw
CV-installaties - een overzicht
Tabel 2.1 geeft een overzicht van het type verwarming voor verschillende eigendomssituaties. Het aandeel
blokverwarming lijkt vrij constant en komt vooral voor bij huurwoningen. Het aandeel individuele-CV
installaties neemt circa 1%-punt toe per jaar, en komt relatief vaker voor bij koopwoningen.
Tabel 1. Type verwarmingsinstallaties in woningen (%)
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
Individuele CV-ketel
79,2
79,8
80,6
81,0
82,1
83,7
83,0
Uitsluitend lokale verwarming
10,3
9,0
8,3
8,2
7,7
6,8
6,9
Blok- of wijkverwarming
6,7
7,3
6,8
5,6
5,6
5,2
5,4
Stadsverwarming
3,2
3,4
3,6
3,6
3,7
3,7
3,8
Bron: EnergieNed 2009 EnergieNed, Home-onderzoek, 2009]
Zoals Tabel 1 en Figuur 2 laten zien, is het grootste gedeelte van de Nederlandse woningen op dit moment
voorzien van een individuele CV- installatie. Verwacht wordt dat dit aandeel nog iets verder zal stijgen.
(bron VV+, mei 2012).
Figuur 2. Overzicht typen geïnstalleerde verwarmingsinstallaties
[bron: Henk Sijbring en Paul Overman, De hr-ketel een Nederlands feestje, VV+ mei 2012, p284-287]
Blokverwarming
Bij blokverwarming worden vaak CV-installaties toegepast die zijn opgebouwd zijn uit in cascade
geschakelde CV-ketels. Voor alle inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen (vermogen >100 kW),
geldt dat eenmaal per jaar onderhoud aan de ketel gepleegd moet worden. Bij gasgestookte CV ketels >100
kW dienen daarnaast iedere vier jaar gekeurd te worden. Voor het Activiteitenbesluit geldt het totale
vermogen van de in cascade geschakelde ketels als referentievermogen.
Om inzicht te krijgen in de soort warmte-opwekkers bij blokverwarming is nader onderzoek uitgevoerd
[Gastec, Inventarisatie van collectieve verwarmingssystemen, december 2009]. Voor het onderzoek is gebruik
gemaakt van de gegevens uit het SCIOS-afmeldsysteem. In dit afmeldsysteem zijn gegevens van
stooktoestellen opgenomen, die geïnspecteerd en/of onderhouden zijn volgens het kwaliteitssysteem dat
door SCIOS (Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stooktoestellen) beheerd wordt. Tot de
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
11/32
stooktoestellen worden ketels en WKK-installaties gerekend; warmtepompen vallen hierbuiten. In tabel 2.2 is
de verhouding tussen de verschillende typen stooktoestellen voor blokverwarming gegeven (bron: AgNL
2009 Update).
Tabel 2. Type stooktoestellen voor blokverwarming
Type stooktoestel
% t.o.v.
gebouwen
blokverwarming
% t.o.v. alle
gebouwen
Conventionele verwarmingsketels
37%
2,4%
VR-ketels
16%
1,1%
HR-ketels
47%
3,1%
WKK-toestellen
1%
0,1%
[bron: Gastec, Inventarisatie van collectieve verwarmingssystemen, december 2009]
Het onderzoek bevestigt dat er in de woningbouw met blokverwarming nog veel conventionele ketels staan.
Het is onduidelijk welke energiebesparing gerealiseerd kan worden door CR-ketels te vervangen door HR-
ketels. Om het besparingspotentieel te bepalen dient er inzicht te bestaan in welke mate de CR-ketels ingezet
worden (op de juiste manier ingezet in een cascade regeling zullen niet-HR ketels amper slechter presteren
dan HR-ketels, waardoor het besparingspotentieel beperkt kan zijn).
Oliegestookte ketels
Het totaal aantal olie-gestookte CV-ketels is in Nederland gering. Agentschap NL schat dit aantal in 2004 op
circa 2400 ketels, circa 0,04% van de totale voorraad, waarbij het aantal jaarlijks afneemt. Niet gasgestookte
ketels met een vermogen vanaf 20 kW dienen in het kader van het Activiteitenbesluit minimaal eenmaal per
vier jaar te worden gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.
Individuele gasgestookte ketels
Tabel 3 geeft een overzicht van het jaarlijks aantal verkochte ketels. Veruit de meeste ketels hebben een
vermogen <60 kW (in 2011 zijn circa 10.000 wandketels verkocht met een vermogen van meer dan 60 kW).
Uit Tabel 3 blijkt dat het aantal verkochte ketels per jaar wat fluctueert. Het aandeel verkochte HR-ketels
stijgt in de periode 2007-2011 en nadert de 100%.
Tabel 3. Jaarlijks verkochte ketels met een vermogen <60 kW (bron: VFK)
[bron: jaaroverzichten ketelverkoop, VFK, 2010 t/m 2012]
Figuur 3 geeft de penetratie van de verschillende keteltypen weer als percentage van het totaal aantal
individuele gasgestookte CV-ketels. Tevens is de verwachting tot en met 2020 opgenomen, waaruit blijkt dat
binnen enkele jaren het ketelbestand in Nederland vrijwel helemaal uit HR107 ketels zal bestaan. “Nederland
heeft hiermee een unieke situatie binnen Europa.” [bron: Henk Sijbring en Paul Overman, De hr-ketel een
Nederlands feestje, VV+ mei 2012, p284-287].
ketels < 60 kW
2007
2008
2009
2010
2011
staand model (niet HR)
2.655
1.963
1.918
785
693
gaswandketels (niet HR)
21.954
16.206
14.809
11.028
8.431
CV ketels HR
406.191
425.180
422.251
438.779
428.063
totaal
430.800
443.349
438.978
450.592
437.187
2007
2008
2009
2010
2011
staand model (niet HR)
1%
0%
0%
0%
0%
gaswandketels (niet HR)
5%
4%
3%
2%
2%
CV ketels HR
94%
96%
96%
97%
98%
totaal
100%
100%
100%
100%
100%
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
12/32
Figuur 3. Overzicht geïnstalleerde CV-toestellen (bron: VV+, mei 2012)
[bron: Henk Sijbring en Paul Overman, De hr-ketel een Nederlands feestje, VV+ mei 2012, p284-287]
Onderhoud
Zoals eerder aangegeven heeft onderhoud nauwelijks invloed op het rendement van gasgestookte ketels.
Voor gasgestookte ketels is onderhoud met name van belang uit het oogpunt van veiligheid en
bedrijfszekerheid.
Het onderhoud van CV-ketels wordt gemonitord door middel van het Home-onderzoek. De resultaten zijn
weergegeven in Tabellen 4 en 5. In 2009 werd meer dan 90% van de CV-ketels regelmatig onderhouden. In de
periode 2006 – 2009 vertoonde het aantal ketels dat onderhouden wordt, een lichte daling. Van de ketels die
regelmatig onderhouden worden, wordt ,meer dan 95% minimaal eens per twee jaar onderhouden, de
frequentie die vaak wordt aanbevolen voor gesloten verbrandingstoestellen.
Tabel 4: Wordt de cv-ketel onderhouden?
2006
2007
2008
2009
cv-ketel wordt wel onderhouden
94%
93%
92%
91%
cv-ketel wordt niet onderhouden
6%
7%
8%
9%
[bron: EnergieNed, Home-onderzoek, 2009]
Tabel 5. Hoe vaak wordt de cv-ketel onderhouden
2006
2007
2008
2009
een keer per jaar
77%
76%
75%
72%
een keer per anderhalf jaar
7%
6%
7%
7%
een keer per twee jaar
12%
15%
15%
18%
een keer per drie jaar
1%
1%
2%
1%
onregelmatig
2%
2%
2%
3%
[bron: EnergieNed, Home-onderzoek, 2009]
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
13/32
Beleid woningbouw (onderdeel van de alternatieve aanpak)
Om de groei van HR-ketels in woningen te versnellen zijn er diverse instrumenten ontwikkeld en daarbij
ondersteunende campagnes uitgevoerd zoals de volgende.
Activiteiten en campagnes van Milieu Centraal (www.milieucentraal.nl)
Milieu Centraal is een onafhankelijke voorlichtingsorganisatie die consumenten praktische informatie biedt
over milieu en energie in het dagelijkse leven, waaronder informatie en advies over de toepassing van
energiezuinige CV-ketels. Milieu Centraal wordt voor de basisactiviteiten gesubsidieerd door de
rijksoverheid.
Activiteiten en campagnes van Meer met Minder (www.meermetminder.nl)
Meer Met Minder is een nationale aanpak van energiebesparing in bestaande woningen en andere
gebouwen. Doel van de aanpak is om bestaande woningen en gebouwen gemiddeld 20 tot 30%
energiezuiniger te maken. Meer Met Minder is in 2009 officieel van start gegaan.
Het initiatief vorm een onderdeel van een breed pakket van energiebesparingsactiviteiten welke middels een
convenant zijn vastgelegd tussen de overheid en doelgroepen in de markt (o.a. Uneto-VNI, Bouwend
Nederland en de Energiebedrijven).
De verwarmingswijzer van Milieu Centraal (www.verwarmingswijzer.nl).
De verwarmingswijzer is een web-module die aan de hand van specifieke woning gegevens berekent of het
verstandig is om of het verstandig is om de bestaande CV-ketel te vervangen door een energiezuinigere
ketel).
De energielastenverlager (www.energielastenverlager.nl)
De energielastenverlager is een interactieve website. Er kunnen vragen ingevuld worden over de
woonsituatie en voorkeuren. Dit resulteert in een advies op maat over energiebesparing in het hele huis
waarbij ook de precieze besparing per onderdeel wordt aangegeven.
De energiebesparingsverkenner voor particuliere woningen (www.energiebesparingsverkenner.nl).
De Energiebesparingsverkenner laat in enkele stappen de energiebesparingsmogelijkheden (waaronder de
vervanging van de CV-ketel) van een woning zien, en berekent meteen het financiële voordeel.
EPA- maatwerkadvies bestaande woningen
Een EPA-maatwerkadvies bestaande woningen geeft inzicht in bouwkundige en installatietechnische
verbetermaatregelen en is er voor woningen. Een EPA-maatwerkrapport biedt een helder overzicht van de
huidige energieprestatie van de woning (bron AgNL 2009 update).
De brochure "Installaties in bestaande woningbouw - kiezen voor verbetering" ontwikkeld door Agentschap
NL. Deze brochure richt zich op het verbeteren van installaties in woongebouwen, waarbij het duidelijk is
dat ze niet voldoen aan de huidige wensen, maar waarbij ook de oplossing nog niet gevonden is. Het gaat om
installaties voor verwarming, warm tapwater en ventilatie. en is gestart met een brochure met voorbeelden
van energiezuinige collectieve verwarmingsinstallaties.
Factsheets "Praktijkvoorbeelden woningbouw"
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
14/32
Factsheets praktijkvoorbeelden woningbouw zijn tien folders die beschrijven waarom
woningbouwcorporaties energiebesparing structureel moeten aanpakken. ( o.a. Veiligheidsinspectie
installaties: serieuze besparing voor huurder én corporatie. De factsheets zijn opgesteld door Agentschap NL.
Factsheets" Financieringsmogelijkheden woningcorporaties"
In deze factsheets worden voorbeelden beschreven van hoe corporaties investeringen in de duurzame
kwaliteit van de gebouwde omgeving financieren. De factsheets zijn opgesteld door Agentschap NL.
Het (individuele) effect van deze instrumenten is lastig te bepalen. Autonoom lijkt de toepassing van de HR-
107 al standaard te zijn bij nieuwbouw en ketelvervanging.
Utiliteitsbouw
Algemeen geldt voor de utiliteitsbouw (u-bouw) dat de data beschikbaarheid en de betrouwbaarheid van de
data beperkter is dan voor de woningbouw. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de interpretatie
van hieronder beschreven resultaten.
In Nederland waren er in 2009 ongeveer 221.750 utiliteitsgebouwen (kantoren, onderwijs, winkels,
ziekenhuizen en verpleging & verzorging).
Tabel 6. Aantal utiliteitsgebouwen (2009)
Gebouwen
Aantal
%
Kantoren
76.000
34,3
Onderwijs
15.000
6,8
Winkels
125.000
56,4
Ziekenhuizen
750
0,3
Verpleging/verzorging
5.000
2,3
Totaal
221.750
100,0
[bron: Mobius, Bepaling aantal utiliteitsgebouwen in Nederland, Resultaten voor 2007 augustus 2008]
CV-installaties - een overzicht
Ca. 25-30% van de utiliteitsgebouwen had in 2004 een ketel van 15 jaar of ouder (Bron: SenterNovem,
Energiebesparingsmonitor, 2004). Een deel van deze ketels zal naar verwachting deel uitmaken van een
cascade regeling of worden alleen ingezet om piekvermogen te leveren.
In de utiliteitsbouw komen naast HR-ketels ook andere efficiënte warmteopwekkers voor zoals WKK en
warmtepompen. Tabel 7 geeft een overzicht van warmte-installaties uitgesplitst naar gebouwtype.
Tabel 7. Warmteopwekkers voor 5 gebouwfuncties in de U-bouw ( in %)
Gebouwfunctie
Geen eigen
verwarmings-
installatie
HR-ketel
WKK
Elektrische
warmtepomp
Overig
2003
2004
2003
2004
2003
2004
2003
2004
2003
2004
Ziekenhuizen
3,1
6,9
21,9
20,7
50,0
31,0
-
13,8
25,0
27,6
Verpleging en
verzorging
4,3
2,1
30,7
54,7
22,1
14,7
-
8,4
42,9
20,0
Kantoren
11,5
5,3
39,8
61,7
4,5
1,5
-
4,9
44,3
26,7
Onderwijs
2,2
1,0
47,9
59,2
3,2
2,6
-
5,5
46,7
31,7
Winkels
7,8
13,0
36,8
53,5
2,5
1,9
-
5,1
52,9
26,5
Totaal*
6,2
4,8
39,7
56,8
8,1
5,1
-
6,0
46,0
27,3
* Het totaal is een gewogen gemiddelde: weging naar rato van het aantal gebouwen
[bron: SenterNovem, Energiebesparingsmonitor, 2004]
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
15/32
Tabel 7 laat zien dat in een jaar tijd het aandeel HR-ketels flink is gestegen. Het aandeel WKK lijkt af te
nemen, wat te maken kan hebben met terugleververgoedingen, waardoor de inzet van WKK minder gunstig
wordt. Ook kan de afname een gevolg zijn van de steekproef grootte, waardoor cijfers van jaar tot jaar
kunnen fluctueren, zonder dat er een trend uit afgeleid mag worden (zie ook opmerking verderop in de tekst
over databetrouwbaarheid met betrekking tot WKK en warmtepompen). In 2003 zijn elektrische
warmtepompen niet apart onderscheiden in het onderzoek, maar maken ze deel uit van de categorie ‘overig’.
Andere opties in de categorie ‘overig’ zijn VR-ketels en conventionele ketels. Deze laatste twee groepen ketels
zullen relatief vaker voorkomen in cascade regelingen. De data uit Tabel 2.7 zijn bijna 10 jaar oud. Met een
gemiddelde levensduur van 15 jaar, zal 2/3 van de ketels in de categorie ‘overige’ inmiddels vervangen zijn.
Omdat HR-ketels inmiddels bijna even duur zijn als VR-ketels, ligt het voor de hand dat een deel van de
vervangen ketels inmiddels vervangen is door een HR-ketel.
Het aandeel ketels in ‘overige’ is in 1 jaar sterk afgenomen. Zelfs als er voor warmtepompen wordt
gecorrigeerd (aanname is dat er in 2003 max. 6% aan warmtepompen was – gelijk aan het jaar 2004), dan zou
de afname van de categorie nog altijd bijna 13% -punt zijn (van 40 naar 27,3).
Oliegestookte ketels
In Nederland werd in 2002 ca. 1,7% van de utiliteitsgebouwen verwarmd met een CV-ketel gestookt op olie (
Bron: Achtergrondgegevens Utiliteitsbouw, ECN 2002). Dit betekent ca. 2600 – 3400 oliegestookte CV-ketels.
Niet gasgestookte ketels met een vermogen groter dan 20 kW vallen onder de onderhouds- en inspectieplicht
volgens het Activiteitenbesluit.
Individuele gasgestookte ketels
In Tabel 8 is de penetratie van HR-ketels weergegeven. Voor ziekenhuizen geldt dat het aantal te laag is om
betrouwbare cijfers te bepalen. Daarom zijn de percentages voor deze groep niet weergegeven.
In tabel 8 staat hoeveel procent van het totaal aan opgestelde ketels in het segment tot welk type
warmteopwekker behoort. In 2009 was 78% van de warmteopwekkers een HR-ketel. Omdat voor
ziekenhuizen de steekproef te klein was om betrouwbare cijfers te bepalen, zijn hiervoor geen percentages
opgenomen in Tabel 8.
Tabel 8. Verdeling aanwezigheid warmte opwekkers
HR-ketels penetratie
2004
2006
2008
2009
Ziekenhuizen
x
x
x
X
Verpleging en verzorging
59%
64%
70%
74%
Kantoren
60%
77%
80%
81%
Onderwijs
62%
71%
75%
74%
Winkels
66%
74%
78%
80%
Gemiddeld
63%
73%
77%
78%
[bron: Stratus, onderzoek U-bouw panel, 2009]
In 2009 geeft 8,5% van de respondenten uit het U-bouw panel aan één of meer ketels te hebben vervangen.
Daarbij is ruim 8% van het ketelpark vervangen. Meestal was de nieuwe ketel een HR-ketel (91%),waarbij
deze in 71% van de gevallen in de plaats van een VR- of CR-ketel kwam. In de overige gevallen verving de
nieuwe HR-ketel een oude HR-ketel.
Overige verwarmingssystemen
Voor alle cijfers met betrekking tot de U-bouw geldt dat door veranderingen in de steekproefsamenstelling
en het beperkt aantal deelnemers aan de steekproef aantallen kunnen fluctueren zonder dat representatief is
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
16/32
voor de werkelijke veranderingen in het ketelbestand van de totale populatie3. (bron: Installatie-inspecties
EPBD, Stand van zaken 2009, W. Bosshardt et al. 2010.)
“In algemene termen kan gezegd worden dat het aandeel WKK systemen ongeveer gelijk is gebleven voor de
gehele utiliteitsbouw. Maar omdat het om kleine aantallen gaat, is het lastig om een trend waar te nemen.
Verder geldt dat ziekenhuizen ten opzichte van andere segmenten relatief veel conventionele ketels en
weinig HR ketels hebben opgesteld. Hiertegenover staat dat ziekenhuizen van alle segmenten juist het meest
gebruik maken van moderne, energiezuinige systemen als warmtekracht koppeling, warmtepompen en
warmte-koude opslag.” (bron: Bosshardt, 2010)
Verbeteren functionering CV-installaties
In Tabel 9 is weergegeven welk deel van de respondenten uit het U-bouw panel energieadvies heeft laten
uitbrengen over de verwarmings- of koelingsinstallatie.
Tabel 9 Energieadvies klimaatinstallatie
Kantoren
Onder-
wijs
Winkels
Zieken-
huizen
Verpl. en
verz.
Totaal
2009
Totaal
2008
Extern advies voor:
Verwarmen
12%
15%
8%
31%
14%
11%
8%
Koelen
11%
11%
8%
19%
7%
9%
5%
Totaal
15%
16%
8%
33%
15%
12%
9%
Intern onderzoek naar:
Verwarmen
3%
5%
5%
19%
9%
5%
5%
Koelen
3%
1%
3%
19%
12%
4%
4%
Totaal
4%
5%
4%
25%
10%
4%
5%
Totaal advies en
onderzoek
16%
19%
12%
50%
24%
15%
13%
IPS gebruikt?
Extern advies
14%
5%
11%
33%
18%
11%
13%
Intern onderzoek
0%
1%
1%
0%
15%
2%
20%
Totaal
12%
4%
7%
22%
18%
9%
17%
[bron: Stratus, 2009]
Uit tabel 9 blijkt dat in 2009 voor 15% van de gebouwen een energieadvies is uitgebracht, waarbij in meer dan
de helft van de adviezen een externe adviseur betrokken was (soms als aanvulling op intern onderzoek of
vice versa). In 9% van de gevallen gebruik gemaakt van de Installatie Performance Scan (zie ook paragraaf
over ‘beleid’). In totaal is dus bij circa 1,4% van het gebouwenbestand vertegenwoordigd in het panel een
energieadvies uitgebracht waarbij de Installatie Performance Scan is toegepast.
Beleid Utiliteitsbouw
“Het optimaliseren van (delen van) technische installaties in gebouwen kan deel uitmaken van een
energiebesparingsonderzoek in het kader van het Activiteitenbesluit, de Meerjaren Afspraken en EPA-U
adviezen. De mate waarin er in deze energiebesparingsonderzoeken aandacht aan het optimaliseren van
technische installaties wordt besteed, is zeer verschillend. Om adviezen gericht op het beter laten
functioneren van CV- installaties te stimuleren, is de Installatie Performance Scan ontwikkeld. Dit is een
vrijwillig advies, gebaseerd op een inspectie van de installatie, dat zich richt op alle utiliteitsgebouwen (ook
met een ketel jonger dan 15 jaar).” (bron: Bosshardt, 2010).
3 Voor Warmtepomp, WKO en WKK systemen geldt dat de aantallen die hiervan opgesteld staan in Nederland te klein zijn om
significante waarnemingen te kunnen doen voor wat betreft trends en ontwikkelingen in de aanwezigheid van de systemen. Voor beide
type warmteopwekkers geldt dat hun aandeel in het totale aantal installaties minder dan 5% is.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
17/32
E& GO
Energie & Gebouwde Omgeving is het centrale energiebesparingsprogramma van het ministerie van BZK
(eerder VROM). Het programma biedt professionele marktpartijen en overheden ondersteuning bij
energiebesparing, duurzame energie en CO2-reductie van de gebouwde omgeving.
MeerJarenAfspraken (MJA)
De meerjarenafspraken energie-efficiency zijn overeenkomsten tussen de overheid en bedrijven en
instellingen over het effectiever en efficiënter inzetten van energie.
Duurzame Energie Nederland (DEN)
DEN stimuleert het gebruik van duurzame energiebronnen, zoals wind, zon, biomassa, water of aardwarmte.
Daarnaast zorgt het bureau Energieprojecten voor een zorgvuldige en snelle realisatie van de
vergunningverlening rond grote energieprojecten.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
18/32
4. Beschrijving scenario’s voor gasgestookte
ketels met vermogen tot 100kW
Basisscenario: geen nieuw beleid
Zonder nieuw beleid zullen er geen nieuwe beleidsinitiatieven ondernomen worden en wordt geen extra
inspanning verwacht om de efficiëntie van verwarmingssystemen in Nederland te verbeteren. Wel zullen de
effecten van bestaand beleid, waaronder EPBD maatregelen gericht op bouwregelgeving en de recent
geïntroduceerde Ecodesign richtlijn voor verwarmingsketels, invloed blijven uitoefenen op nieuwe en
bestaande verwarmingssystemen.
Uitgangspunten in het basisscenario zijn:
•
Circa 98% van de nieuw aangeschafte ketels is een HR-ketel, en vrijwel uitsluitend een HR107 ketel
•
Ook in de bestaande voorraad neemt het aandeel HR107 ketels snel toe. Dit bedraagt nu (2011 data)
86% van de voorraad, waarvan 56% HR107 en 30% HR100. Naar verwachting zal het aandeel HR107
ketels in de bestaande voorraad al in 2018 97% zijn. Met andere woorden: binnen vijf jaar zullen,
naar verwachting, zo goed als alle ketels waar vervanging door een condenserende ketel mogelijk is,
vervangen worden door HR107 ketels.
•
HR107 ketels zijn alle modulerend, waardoor “overdimensionering” veel minder effect heeft.
Daarmee is ook het effect van maatregelen gericht op kleinere verwarmingsketels, beter passend bij
de ruimteverwarmingsvraag van gebouwen, beduidend kleiner.
•
Daarnaast geldt dat in Nederland vrijwel alle ketels combi-ketels zijn (verwarming en warm water
gecombineerd), waardoor in ieder geval voor nieuwe installaties in woningen het ketelvermogen
met name bepaald wordt door de warm watervraag en niet door de verwarmingsvraag. De analyse
van de juiste dimensionering van de ketel, zoals beschreven in de EPBD art 14, zal in de
Nederlandse situatie dan ook nauwelijks tot beter (op ruimteverwarmingsvraag) gedimensioneerde
ketels in woningen leiden. In kleine utiliteitsgebouwen is mogelijk wel enige winst te behalen door
betere dimensionering van ketels. In grotere utiliteitsgebouwen wordt steeds vaker een zogenaamde
cascade-opstelling gebruikt, waarbij over-dimensionering van de installatie onder normale
omstandigheden niet zal leiden tot een ander gebruik van de primaire ketel, en daardoor ook geen
effecten op het energiegebruik.
•
De meeste ketels (ca. 90%) wordt regelmatig (= eens per 1 tot 3 jaar) onderhouden
•
Gemiddelde levensduur van een verwarmingsketels is 12 jaar; het aandeel van ketels ouder dan 15
jaar in de bestaande voorraad die regelmatig gebruikt worden is onbekend maar waarschijnlijk zeer
laag. Ingeschat is dat dit circa 3% bedraagt, voor de primaire warmteopwekker. Daarnaast is er
waarschijnlijk een groter aandeel oudere ketels in gebruik als niet-primaire ketel in cascade-
opstellingen in grotere utiliteitsgebouwen. Vanwege het gebruikspatroon (onregelmatig gebruik en
alleen bij piekbelasting) is het effect van deze ketels op het rendement van de gehele
verwarmingsinstallatie gering.
•
Door na-isolatie van bestaande gebouwen neemt de warmtevraag gestaag af. Geïnstalleerd
ketelvermogen daalt echter niet doordat de warm watervraag gelijk blijft of stijgt.
•
De Europese Commissie heeft recent een richtlijn aangekondigd voor minimum efficiëntie-eisen voor
verwarmingsketels en verwarmingstoestellen. De eisen lijken lager te liggen dan die van het
Nederlandse HR107-label, en de verwachte impact op de Nederlandse markt is naar verwachting
gering. Wel zullen, als gevolg van deze richtlijn, alle nieuwe (of vervangen) verwarmingsketels
moeten voldoen aan eisen uit de richtlijn, tenzij installatie van een condenserende verwarmingsketel
technisch of economisch gezien niet haalbaar is. Voor de Nederlandse situatie heeft deze eis geen
praktische gevolgen, aangezien ook nu al bij vervanging waar mogelijk vrijwel altijd een HR107 ketel
wordt geplaats.
Hieronder zijn de uitgangspunten opgesomd die zijn gebruikt om de verwachte energie-impact van het
basisscenario te berekenen. De uitgangspunten zijn gebaseerd op de impact van bestaand beleid (inclusief de
aangekondigde Ecodesign-richtlijn)
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
19/32
-
Warmtevraag van gebouwen neemt trendmatig af onder invloed van bestaand beleid voor
energieprestaties van gebouwen.
-
De voorraad gasgestookte verwarmingsketels in Nederlandse gebouwen wordt snel vervangen door
nieuwe ketels, volgens onderstaand schema.
-
Ca. 90% van de gasgestookte verwarmingsketels wordt regelmatig vrijwillig onderhouden; dit
aandeel blijft constant. Aangenomen wordt dat dit aandeel voor HR en niet-HR-ketels gelijk is.
-
Ketels worden gemiddeld na ca. 12 jaar vervangen, op het moment dat de oude ketel teveel storingen
vertoont en/of niet meer te repareren is. Vervanging uitsluitend voor verbetering van de energie-
efficiëntie komt niet voor.
-
Bij ketelvervanging of grootschalige verandering van de verwarmingsinstallatie moet een analyse
van het hele systeem uitgevoerd worden en moet het hele systeem voldoen aan minimum energie-
eisen voor het systeemrendement. Doordat in deze analyse ook aandacht besteed wordt aan
systeemcomponenten anders dan de ketel, zou verwacht mogen worden dat er een kleine
verbetering zal gaan plaatsvinden van de efficiëntie van nieuwe en gewijzigde installaties (door
betere dimensionering en betere thermostaten / temperatuur-regelingen)..
Verwachte aandelen keteltypen in voorraad, per jaar:
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
VR &
CR
15%
12%
9%
8%
6%
5%
4%
3%
3%
3%
HR100
30%
27%
23%
18%
14%
9%
5%
0%
0%
0%
HR107
56%
62%
68%
74%
80%
86%
92%
97%
97%
97%
In dit scenario zal de totale energievraag voor de verwarming van gebouwen in 2020 circa 358PJ bedragen.
De gerelateerde CO2-emissie zal naar verwachting 20 Mton bedragen.
Scenario 1: Alternatieve oplossing: Vrijwillige analyse van
systeemrendement
In dit scenario wordt, naast bestaand beleid, een vrijwillige analyse van het systeemrendement van
verwarmingssystemen ontwikkeld en aangeboden door marktpartijen in samenwerking met de overheid. De
kosten van de analyse zullen, wanneer deze gecombineerd wordt met regulier ketelonderhoud, naar
verwachting €30 bedragen (bron: Keuring van verwarmingssystemen, Beleidsopties en lasten, Building
Vision, januari 2013). Deze vrijwillige keuring wordt aangeboden bij regulier onderhoud en omvat een
analyse van de energie-efficiëntie van het gehele verwarmingssysteem, dus van de verwarmingsketel,
thermostaat of temperatuurregeling, distributie en afgiftesysteem. Verwacht wordt dat, in de Nederlandse
situatie, aanvullende energiebesparing vooral bereikt kan worden door optimalisatie van het afgiftesysteem
en het optimaliseren van het gehele systeem, en door de inzet van nieuwe typen verwarmingssystemen.
Scenario 1: alternatieve oplossing
Uitgangspunten bij scenario 1 zijn:
-
Alle bestaand beleid uit het basisscenario blijft ongewijzigd.
-
Overheid en marktpartijen ontwikkelen gezamenlijk een systeemanalyse-instrument. Dit wordt
gebaseerd op het instrument dat ontwikkeld is voor de keuring van nieuwe of gewijzigde
verwarmingssystemen zoals vereist in het Bouwbesluit (invulling REPG Art 8). Het instrument
wordt aangepast voor advisering ( in plaats van een check op minimum prestatie-eisen), en geschikt
gemaakt voor gebruik in aanvulling op regulier onderhoud.
-
Installateurs en onderhoudsbedrijven bieden vrijwillige analyses aan bij regulier onderhoud en bij
vragen over of problemen met de prestatie van verwarmingssystemen. In vervolg op een analyse
zal een installateur of onderhoudsbedrijf indien van toepassing ook uitvoering van geadviseerde
maatregelen aanbieden. Daarmee wordt de kans op uitvoering van adviezen vergroot.
-
De overheid vraagt via communicatie-instrumenten aandacht voor de energie-efficiëntie van
verwarmingssystemen en roept gebouw-eigenaren op om, op een geschikt moment, het
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
20/32
systeemrendement van installaties in hun gebouwen te laten onderzoeken. De overheid wijst daarbij
op de voordelen van geoptimaliseerde verwarmingssystemen, zoals lagere energierekeningen, lagere
CO2-uitstoot en verbeterd comfort.
-
Vrijwillige analyses worden aangeboden voor huishoudens en klein- en middelgrote zakelijke
gebouwen. De geschatte kosten voor huishoudens en kleine zakelijke installaties wordt geschat op
€30 per analyse; kosten voor grotere (m.n. zakelijke) installaties zullen variëren met de complexiteit
van de installatie.
-
Analyses worden met name aangeboden als er gebruikersklachten zijn over het functioneren van de
installatie, als er een oudere ketel (ouder dan 12 jaar) aanwezig is en/of als een installateur vermoedt
dat het verwarmingssysteem niet optimaal functioneert.
-
Doordat analyses aangeboden worden bij regulier onderhoud of bij storingen, wanneer er een
natuurlijk contact is tussen installateur of onderhoudsbedrijf en klant, worden de kosten van deze
analyse relatief laag gehouden en wordt een relatief grote follow-up verwacht. Door het grote aantal
installaties waarvoor regulier onderhoud plaatsvindt, wordt een groot bereik van het vrijwillig
instrument verwacht.
-
Ketels worden vervangen als deze defect zijn; vervanging uitsluitend ter verbetering van de
energieprestatie komt nu (vrijwel) niet voor. In vervolg op een systeemanalyse zal een deel van de
gebouweigenaren besluiten om (niet HR-ketels) ketels ouder dan 12 jaar versneld te laten vervangen
door een HR107-ketel.
-
Ook wordt verwacht dat gebouweigenaren systeemverbeteringen laten doorvoeren als een analyse
uitwijst dat dit duidelijke besparingen zal opleveren. Systeemverbeteringen die meegenomen
worden in dit scenario zijn:
o Vervanging van thermostaat: aan/uit – of oude klokthermostaat vervangen door moderne
modulerende thermostaat. Hiervan wordt theoretisch een maximale energiebesparing van
6% verwacht (bron: Ecodesign boilers, task 4 report, VHK, September 2007). Voor dit
scenario wordt uitgegaan van een conservatieve energiebesparing van ca. 3% bij vervanging
van een oude door een nieuwe, modulerende thermostaat.
o Betere inregeling van het water-distributiesysteem (“waterzijdig inregelen”). Het
energiebesparingseffect hiervan is theoretisch niet goed te bepalen en zal in de praktijk sterk
afhankelijk zijn van de systeemconfiguratie. Praktijkervaring is dat het inregelen van het
distributiesysteem vooral energiebesparing oplevert in situaties waarin er klachten zijn over
het functioneren van het verwarmingssysteem (bron: Keuring van verwarmingssystemen,
Beleidsopties en lasten, Building Vision, januari 2013). Voor dit scenario wordt aangenomen
dat de gemiddelde energiebesparing ca. 3% zal bedragen.
o Veranderingen aan radiatoren. Het energiebesparingseffect hiervan is sterk afhankelijk van
de systeemconfiguratie in een specifiek gebouw. Voor dit scenario wordt aangenomen dat
het besparingseffect, in die gevallen waarin deze ingreep aangeraden wordt, gemiddeld ca.
5% energiebesparing oplevert.
o Versnelde vervanging van CR- en VR-ketels. Het energiebesparingseffect hiervan is, in een
geoptimaliseerd systeem, groot. Verwacht wordt dat vervanging van een CR door een
HR107 ketel gemiddeld ongeveer 20% energiebesparing zal opleveren, en vervanging van
een VR door een HR107 ketel gemiddeld ongeveer 10% energiebesparing. Voor dit scenario
wordt een gemiddelde energiebesparing van 12% aangenomen, in de jaren totdat de ketel
om technische redenen toch vervangen had moeten worden.
De verwachte impact van verplichte keuringen op de efficiency van de Nederlandse voorraad
verwarmingssystemen is als volgt, in aanvulling op het basisscenario:
-
Tenminste 60% van alle installatie- en onderhoudsbedrijven bieden vrijwillige analyses van het
systeemrendement van verwarmingsketels aan, bij regulier onderhoud, voor een gemiddelde prijs
van €30.
-
Analyses worden aangeboden met een interval van 4 tot 8 jaar, ofwel elke derde onderhoudsbeurt.
-
Circa 40% van de gebouweigenaren die een analyse aangeboden krijgt laat deze ook uitvoeren:
o ca. 10% vanwege klachten over het functioneren van de installatie;
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
21/32
o ca. 20% omdat er een verwarmingsketel ouder dan 12 jaar aanwezig is;
o ca. 10% omdat de installateur vermoedt dat het verwarmingssysteem niet optimaal
functioneert.
-
Een analyse zal naar verwachting in de meeste gevallen wijzen op mogelijke kosteneffectieve
systeemverbeteringen:
o Ca. 40% van de uitgevoerde analyses zal naar verwachting wijzen op een niet-optimaal
ingeregeld water-distributiesysteem en verbeterd functioneren van het verwarmingssysteem
door “waterzijdig inregelen”;
o Ca. 20% van de uitgevoerde analyses zal naar verwachting wijzen op niet-optimale plaatsing
en/of grootte van radiatoren, en verbeterd functioneren van het systeem door vervangen,
veranderen of bijplaatsen van radiatoren;
o Ca. 40% van de uitgevoerde analyses zal naar verwachting wijzen op een niet-optimale
thermostatische regeling, en verbeterd functioneren van het verwarmingssysteem door
vervanging van de thermostaat (door een moderne, modulerende thermostaat);
o Ca. 20% van de uitgevoerde analyses zal wijzen op (kosteneffectief) versneld vervanging van
een oude (CR of VR) verwarmingsketel door een moderne HR107-ketel.
o NB Verschillende aanbevelingen kunnen onafhankelijk van elkaar voorkomen, waardoor het
totaal op meer dan 100% kan uitkomen.
-
De verwachte respons van gebouweigenaren op aanbevolen systeemverbeteringen is als volgt:
o Van het aanbevolen “waterzijdig inregelen” wordt 80% uitgevoerd;
o Van het aanbevolen veranderen van radiatoren wordt 40% uitgevoerd;
o Van het aanbevolen vervangen van thermostaten wordt 50% uitgevoerd;
o Van het aanbevolen vervangen van verwarmingsketels wordt 50% uitgevoerd.
-
Gelet op de eisen van het bouwbesluit (om bij verandering van verwarmingssystemen een minimaal
ketelrendement te behalen) worden veranderingen van radiatoren en thermostaten alleen uitgevoerd
als er al een HR-ketel aanwezig is of als deze tegelijkertijd geplaatst wordt. Inregelen van het
distributiesysteem wordt niet gezien als systeemverandering en wordt daarom niet beïnvloed door
de eisen van het Bouwbesluit.
-
Alle maatregelen in vervolg op vrijwillige systeemanalyses met verwachte frequentie en
energiebesparingspercentage zijn weergegeven in onderstaande tabel:
Installateurs
die
vrijwillige
analyses
aanbieden
Consumenten
die
aangeboden
analyses laten
uitvoeren
Aanbevolen
maatregelen
Uitgevoerde
maatregelen
Energie-
besparing
per
maatregel
Verwachte
energie-
besparing 2020
(in % van totaal
energieverbruik)
60%
x 40%
x
Waterzijdig inregelen
=
0,23%
40%
x 80%
x 3%
Veranderingen radiatoren
0,10%
20%
x 40%
x 5%
Thermostaat vervangen
0,14%
40%
x 50%
x 3%
Ketel versneld vervangen
0,29%
20%
x 50%
x 12%
Door deze alternatieve oplossing zal in 2020 circa 24% van de gebouwen vrijwillig geanalyseerd zijn op
systeemrendement. Deze analyses zullen in ca. 70% van de gevallen aanleiding geven tot het uitvoeren van
systeemverbeteringsmaatregelen.
Scenario 2: Verplichte keuringen zoals beschreven in REPG Art. 14
In dit scenario wordt, naast het bestaand beleid, de verplichting tot keuring van CV-ketels uit de Wet
Milieubeheer / Activiteitenbesluit uitgebreid tot gasgestookte ketels met een vermogen vanaf 20 kW (i.p.v.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
22/32
de huidige ondergrens van 100 kW). Deze keuring wordt ook opgenomen in de SCIOS-methodiek.
Daarnaast wordt deze verplichting ook opgenomen in het Bouwbesluit.
Kernpunten in scenario 2 (verplichte keuringen) zijn:
-
Alle bestaand beleid uit het basisscenario blijft ongewijzigd.
-
Voor het vermogensbereik van 20 kW tot 60 kW (voornamelijk ketels voor woningen) worden
keuringen verplicht gesteld met een frequentie van eens per 8 jaar.
-
Voor het vermogensbereik van 60 kW tot 100 kW (voornamelijk klein- en middelgroot-zakelijke
gebouwen) worden keuringen verplicht gesteld met een frequentie van eens per 6 jaar.
-
Keuringen worden waar mogelijk gecombineerd met regulier onderhoud.
-
In het zakelijk segment worden keuringen gemonitord en gehandhaafd via de systematiek van de
Wet Milieubeheer.
-
In het huishoudelijk segment is dit instrument niet toepasbaar (de Wet Milieubeheer is niet van
toepassing op huishoudens). Hiervoor wordt een verplichting opgenomen in het Besluit
energieprestatie gebouwen. Verwacht wordt dat het aantal gebouweigenaren dat keuringen laat
uitvoeren vergelijkbaar is met het aantal dat nu regelmatig onderhoud laat uitvoeren (ca. 90%).
-
Aangenomen wordt dat in het klein- en middelgroot zakelijk segment alle ketels regelmatig
onderhouden worden.
-
Ketels worden vervangen als deze defect zijn; vervanging uitsluitend ter verbetering van de
energieprestatie komt nu (vrijwel) niet voor, en wordt ook in de komende jaren niet verwacht.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
23/32
5. Verwachte impact alternatieve oplossing,
vrijwillige analyse van systeemrendement
De verwachte impact van verplichte keuringen op de efficiency van de Nederlandse voorraad
verwarmingssystemen is als volgt, in aanvulling op het basisscenario:
-
Tenminste 60% van alle installatie- en onderhoudsbedrijven bieden vrijwillige analyses van het
systeemrendement van verwarmingsketels aan, bij regulier onderhoud, voor een gemiddelde prijs
van €30.
-
Analyses worden aangeboden met een interval van 4 tot 8 jaar, ofwel elke derde onderhoudsbeurt.
-
Circa 40% van de gebouweigenaren die een analyse aangeboden krijgt laat deze ook uitvoeren:
o ca. 10% vanwege klachten over het functioneren van de installatie;
o ca. 20% omdat er een verwarmingsketel ouder dan 12 jaar aanwezig is;
o ca. 10% omdat de installateur vermoedt dat het verwarmingssysteem niet optimaal
functioneert.
-
Een analyse zal naar verwachting in de meeste gevallen wijzen op mogelijke kosteneffectieve
systeemverbeteringen:
o Ca. 40% van de uitgevoerde analyses zal naar verwachting wijzen op een niet-optimaal
ingeregeld water-distributiesysteem en verbeterd functioneren van het verwarmingssysteem
door “waterzijdig inregelen”;
o Ca. 20% van de uitgevoerde analyses zal naar verwachting wijzen op niet-optimale plaatsing
en/of grootte van radiatoren, en verbeterd functioneren van het systeem door vervangen,
veranderen of bijplaatsen van radiatoren;
o Ca. 40% van de uitgevoerde analyses zal naar verwachting wijzen op een niet-optimale
thermostatische regeling, en verbeterd functioneren van het verwarmingssysteem door
vervanging van de thermostaat (door een moderne, modulerende thermostaat);
o Ca. 20% van de uitgevoerde analyses zal wijzen op (kosteneffectief) versneld vervanging van
een oude (CR of VR) verwarmingsketel door een moderne HR107-ketel.
o NB Verschillende aanbevelingen kunnen onafhankelijk van elkaar voorkomen, waardoor het
totaal op meer dan 100% kan uitkomen.
-
De verwachte respons van gebouweigenaren op aanbevolen systeemverbeteringen is als volgt:
o Van het aanbevolen “waterzijdig inregelen” wordt 80% uitgevoerd;
o Van het aanbevolen veranderen van radiatoren wordt 40% uitgevoerd;
o Van het aanbevolen vervangen van thermostaten wordt 50% uitgevoerd;
o Van het aanbevolen vervangen van verwarmingsketels wordt 50% uitgevoerd.
-
Gelet op de eisen van het bouwbesluit (om bij verandering van verwarmingssystemen een minimaal
ketelrendement te behalen) worden veranderingen van radiatoren en thermostaten alleen uitgevoerd
als er al een HR-ketel aanwezig is of als deze tegelijkertijd geplaatst wordt. Inregelen van het
distributiesysteem wordt niet gezien als systeemverandering en wordt daarom niet beïnvloed door
de eisen van het Bouwbesluit.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
24/32
-
Alle maatregelen in vervolg op vrijwillige systeemanalyses met verwachte frequentie en
energiebesparingspercentage zijn weergegeven in onderstaande tabel:
Installateurs
die
vrijwillige
analyses
aanbieden
Consumenten
die
aangeboden
analyses laten
uitvoeren
Aanbevolen
maatregelen
Uitgevoerde
maatregelen
Energie-
besparing
per
maatregel
Verwachte
energie-
besparing 2020
(in % van totaal
energieverbruik)
60%
x 40%
x
Waterzijdig inregelen
=
0,23%
40%
x 80%
x 3%
Veranderingen radiatoren
0,10%
20%
x 40%
x 5%
Thermostaat vervangen
0,14%
40%
x 50%
x 3%
Ketel versneld vervangen
0,29%
20%
x 50%
x 12%
Door deze alternatieve oplossing zal in 2020 circa 24% van de gebouwen vrijwillig geanalyseerd zijn op
systeemrendement. Deze analyses zullen in ca. 70% van de gevallen aanleiding geven tot het uitvoeren van
systeemverbeteringsmaatregelen.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
25/32
6. Verwachte impact verplichte keuringen
zoals beschreven in REPG Art. 14
De verwachte impact van scenario 2 (verplichte keuringen) op de efficiency van de Nederlandse voorraad
verwarmingssystemen is als volgt, in aanvulling op het basisscenario:
-
Er is een beperkte impact op vervanging van oude (CR en VR) ketels door nieuwe HR107 of HR107+
ketels in het segment 60 kW tot 100 kW vermogen. Als gevolg van keuringen na 12 jaar wordt een
deel van de resterende ketels van deze ouderdom (ca. 3% van de voorraad) versneld vervangen. Dit
deel wordt geschat op 20%. Er wordt geen effect op versnelde vervanging van ketels verwacht bij de
keuring na 6 jaar. Gelet op de gemiddelde levensduur van ketels komen keuringen na 18 jaar zo
onregelmatig voor dat de verwachte impact daarvan nihil is.
-
Er is ook geen impact op ketelonderhoud; dit was al nagenoeg 100%
-
Bij ketelvervanging gelden al eisen met betrekking tot systeemrendement. Daardoor zal de efficiëntie
van nieuwe en gewijzigde installaties ligt verbeteren (door betere dimensionering en betere
thermostaten / temperatuur-regelingen). Verplichte keuringen verbeteren dit niet verder.
-
Er is een beperkte impact op vervanging van oude (CR en VR) ketels door nieuwe HR107 of HR107+
ketels in het segment 20 kW tot 60 kW vermogen. Als gevolg van keuringen na 16 jaar wordt een
deel van de resterende ketels van deze ouderdom (ca. 3% van de voorraad) versneld vervangen. Dit
deel wordt geschat op 50%. Er wordt geen effect op versnelde vervanging van ketels verwacht bij de
keuring na 8 jaar.
-
In dit segment worden ca. 90% van de ketels al regelmatig onderhouden. Verbetering van dit
aandeel zal alleen mogelijk zijn door de invoering van een disproportioneel handhavingssysteem
wat, gelet op kosten en baten daarvan, niet wenselijk is, mede gelet op de minimale verbetering van
de energie-efficiëntie door onderhoud. Er wordt dan ook geen verbetering van de
onderhoudsfrequentie verwacht.
-
Bij ketelvervanging gelden al eisen met betrekking tot systeemrendement. Daardoor zal de efficiëntie
van nieuwe en gewijzigde installaties ligt verbeteren (door betere dimensionering en betere
thermostaten / temperatuurregelingen). In theorie zouden verplichte keuringen na ca. 8 jaar
levensduur van een ketel dit tijdelijk kunnen verbeteren, immers, er ontstaat in deze aanpak een
segment ketels waarvoor bij installatie nog geen systeemrendements-analyse gemaakt is en die in de
komende 8 jaar gekeurd zouden worden. Ingeschat wordt echter dat in deze situaties, waarbij er
tenminste een HR107 ketel geplaats is, die op dat moment nog prima functioneert, nagenoeg geen
gebouweigenaar over zal gaan tot ketelvervanging alleen omdat een marginaal kleinere ketel tot een
marginaal beter energie-rendement zal eisen, vooral omdat deze marginaal kleinere ketel tot een
verslechtering van de warm tapwater-levering zal leiden.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
26/32
-
Alle maatregelen in vervolg op vrijwillige systeemanalyses met verwachte frequentie en
energiebesparingspercentage zijn weergegeven in onderstaande tabel:
Installateurs
die
verplichte
keuringen
aanbieden
Consumenten
die verplichte
keuringen
laten
uitvoeren
Aanbevolen
maatregelen
Uitgevoerde
maatregelen
Energie-
besparing
per
maatregel
Verwachte
energie-
besparing 2020
(in % van totaal
energieverbruik)
100%
x 90%
Ketel versneld vervangen
0,16%
3%
x 50%
x 12%
Door deze alternatieve oplossing zal in 2020 circa 90% van de gebouwen vrijwillig geanalyseerd zijn op
systeemrendement. Deze analyses zullen in ca. 1.5% van de gevallen aanleiding geven tot het uitvoeren van
versnelde ketelvervanging.
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
27/32
7. Vergelijking van opties en conclusies
Aan artikel 14 van de REPG- herschikking geeft de Nederlands overheid invulling door een combinatie van
maatregelen:
•
BEMS (keuring van ketels met een vermogen >100 kW en voor niet-gasgestookte ketels vanaf 20 kW).
•
Installatie Performance Scan, als aanvulling op E&GO, MJA, DEN en BEMS/Activiteitenbesluit
•
Ondersteunende campagnes om het aandeel HR-ketels in woningen verder te stimuleren.
Daarnaast kiest de Nederlandse overheid voor een alternatieve aanpak voor de verplichte keuringen van
verwarmingstoestellen zoals aangegeven in REPG-herschikking, Art. 14.
Deze alternatieve oplossing bestaat, naast het bovenstaand beleid, uit een vrijwillige analyse van het
systeemrendement van verwarmingssystemen ontwikkeld en aangeboden door marktpartijen in
samenwerking met de overheid. Deze vrijwillige keuring wordt aangeboden bij regulier onderhoud en
omvat een analyse van de energie-efficiëntie van het gehele verwarmingssysteem, dus van de
verwarmingsketel, thermostaat of temperatuurregeling, distributie en afgiftesysteem.
Door deze alternatieve oplossing zal in 2020 circa 24% van de gebouwen vrijwillig geanalyseerd zijn op
systeemrendement. Deze analyses zullen in ca. 70% van de gevallen aanleiding geven tot het uitvoeren van
systeemverbeteringsmaatregelen.
De totale energievraag voor de verwarming van gebouwen in dit scenario zal in 2020 circa 0,76%-punt (2,5
PJ) lager liggen dan zonder deze beleidsinzet. De gerelateerde CO2-emissie reductie is daarmee, naar
verwachting, 141 kton CO2
Ter vergelijking zijn ook de verwachte effecten van verplichte keuringen in beeld gebracht. Dit zou bestaan
uit, naast bestaand beleid, een uitbreiding van de verplichting tot keuring van CV-ketels uit de Wet
Milieubeheer / Activiteitenbesluit tot gasgestookte ketels met een vermogen vanaf 20 kW (i.p.v. de huidige
ondergrens van 100 kW). Deze keuring wordt ook opgenomen in de SCIOS-methodiek. Daarnaast wordt
deze verplichting ook opgenomen in het Bouwbesluit.
De totale energievraag voor de verwarming van gebouwen in dit scenario zal in 2020 daardoor circa 0,16%-
punt (0,7 PJ) lager liggen dan zonder deze beleidsinzet. De gerelateerde CO2-emissie reductie is daarmee,
naar verwachting, 37 kton CO2.
Impact van de scenario’s: Vrijwillige analyses en Verplichte keuringen
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
28/32
Uitgevoerde maatregelen in de scenario’s
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Vrijwillige analyses
Waterzijdig
inregelen
1,1%
2,3%
3,4%
4,6%
5,7%
6,9%
8,0%
Radiatoren
veranderen
0,3%
0,6%
0,9%
1,1%
1,4%
1,7%
2,0%
Thermostaat
vervangen
0,7%
1,4%
2,1%
2,9%
3,6%
4,3%
5,0%
Ketel versneld
vervangen
0,4%
0,7%
1,1%
1,4%
1,8%
2,1%
2,5%
Verplichte keuringen
Ketel versneld
vervangen
0,2%
0,4%
0,7%
0,9%
1,1%
1,3%
1,6%
Uit deze analyse volgt duidelijk dat de alternatieve oplossing, zoals Nederland die invoert, tot substantieel
grotere energiebesparingseffecten zal leiden dan de verplichte ketelkeuringen, tegen duidelijk lagere kosten.
De betere integratie van keuringen met regulier onderhoud, de focus op verbeteringen van ketel en
afgiftesysteem die daarmee beter mogelijk wordt en de aansluiting bij natuurlijke momenten voor
verbeteringen van verwarmingssystemen zijn de belangrijkste verklarende factoren voor deze grotere
impact.
Gelet op deze analyse voldoet de Nederlandse alternatieve oplossing dan ook ruimschoots aan de eis zoals
geformuleerd in de REPG-herschikking, Art. 14, lid 4, dat een alternatieve oplossing een impact moet hebben
tenminste gelijk aan die van de verplichte keuringen zoals omschreven in Art. 14, lid 1 t/m 3.
Verwachte impact van de scenario’s
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Vrijwillige analyses
Energiebesparing
(PJ)
0,3
0,7
1,1
1,5
1,8
2,2
2,5
Emissiereductie
(kton CO2)
18
41
62
83
104
123
141
Verplichte keuringen
Energiebesparing
(PJ)
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
Emissiereductie
(kton CO2)
6
12
17
23
28
33
37
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
29/32
Bijlage:
Gehanteerde methodiek en uitgangspunten
De methodiek waarmee de impacts gerapporteerd in dit rapport is gebaseerd op een voorraadmodel van de
Nederlandse gebouwmarkt (woningen en utiliteitsbouw). Het model is toegesneden op de vraagstelling van
dit rapport, gericht op het vaststellen van besparingseffecten van aanvullend beleid. Het model bevat geen
zelfstandige berekening van autonome ontwikkelingen in de energievraag van gebouwen; hiervoor sluit het
model aan bij gerapporteerde gegevens van ECN (Referentieraming energie en emissies 2010-2020
Gebouwde Omgeving, achtergrondrapportage, ECN-E—10-108, November 2010). Doordat het rapport
gebaseerd is op deze robuuste basis word ook een goede integratie bereikt met andere gerapporteerde
gegevens over de gebouwvoorraad in Nederland.
Het basisscenario volgt de autonome ontwikkeling van de energievraag zoals beschreven door ECN en de
ontwikkeling van de voorraad verwarmingstoestellen zoals beschreven in dit rapport. Overige scenario’s
zijn gebaseerd op dit basisscenario, met modificatie van de energie-efficiëntie van warmteopwekking naar
gelang aanvullende besparingsmaatregelen toegepast worden. Omdat het model geen zelfstandige
berekening van de autonome ontwikkeling van de energievraag hoeft te bevatten is het mogelijk geweest het
model eenvoudig en toegankelijk te houden. Gegevens zijn voor alle invoer variabelen beschikbaar voor de
jaren 2010 en 2020 en voor sommige variabelen ook voor tussenliggende jaren; voor overige variabelen zijn
gegevens geïnterpoleerd.
De belangrijkste aannames in het model zijn:
Factor
Gebruikte waarden
Verantwoording
Aantallen gebouwen
Als in [ECN, 2010]
Aangesloten bij algemeen geaccepteerde projecties van
toekomstige gebouwvoorraad
Warmtevraag
gebouwen
Als in [ECN, 2010]
Aangesloten bij algemeen geaccepteerde projecties van
toekomstig energiegebruik
Type en aantal
verwarmingstoestellen
Als in [Sijbring en
Overman, 2012]
Aangesloten bij best beschikbare gegevens uit
marktrapportages
Energie en CO2 inhoud
brandstof
1 m3 aardgas =
31.65MJ
1 GJ aardgas = 56.1
kg CO2
Bron: Nederlandse lijst van energiedragers en standaard
CO2-emissiefactoren, SenterNovem, december 2004
Energiebesparing
waterzijdig inregelen
Besparing van 3%
t.o.v.
uitgangssituatie
Bronnen (aangehaald in dit rapport) rapporteren
uiteenlopende besparingspercentages voor “waterzijdig
inregelen”, van 0% tot meer dan 10% besparing. Daarbij
wordt aangegeven dat besparingen gemiddeld hoger liggen
in geval van klachten of storingen in de
verwarmingsinstallatie, zoals in situaties gehanteerd in het
scenario “alternatieve oplossing”. Gelet op de onzekerheid
m.b.t. het besparingspercentage is gekozen voor een
conservatieve inschatting van besparingen, ruim onder de
mediaan van gerapporteerde besparingen.
Energiebesparing
verandering radiatoren
Besparing van 5%
t.o.v.
uitgangssituatie
Voor deze maatregel zijn geen praktijkgegevens
beschikbaar. Aangenomen is dat de maatregel, zoals
ingezet in het scenario “alternatieve oplossing”, gebruikt
wordt om een verwarmingssysteem beter en op lagere
watertemperatuur te laten functioneren. Daarmee wordt
onder meer bereikt dat een verwarmingsketel optimaal
warmte kan afgeven en dat, met een condenserende
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
30/32
verwarmingsketel, deze ketel ook de meeste tijd in
condenserende modus kan werken. De maximale
energiebesparing ligt dan boven 10%. Gelet op de
onzekerheid m.b.t. het besparingspercentage is gekozen
voor een conservatieve inschatting van besparingen.
Energiebesparing
thermostaat vervangen
Besparing van 3%
t.o.v.
uitgangssituatie
De Europese Ecodesign studie voor boilers (aangehaald in
dit rapport) rapporteert een maximaal
besparingspercentage van 6% bij vervanging van een
conventionele door een modulerende thermostaat. Gelet op
beperkte praktijkervaring met deze maatregel en het te
behalen besparingspercentage is gekozen voor een
conservatieve inschatting van besparingen.
Energiebesparing
versnelde vervanging
verwarmingsketel
Besparing van 15%
t.o.v.
uitgangssituatie
Verwachte energiebesparingen bij vervanging van een VR-
ketel door een HR107-ketel bedragen ca. 10%; bij
vervanging van een CR-ketel door een HR107-ketel ca, 20%.
Gelet op de mix van (niet-condenserende ketels) in de
Nederlandse gebouwvoorraad en de verwachting dat de
oudste (CR) ketels het meest voor versnelde vervanging in
aanmerking zullen komen is gekozen voor een gemiddeld
besparingspercentage van 12%. Ook hier is een
conservatieve inschatting gemaakt vanwege ontbrekende
gegevens over de leeftijd van CR- en VR- ketels in de
voorraad.
Mate waarin
maatregelen toegepast
worden
Zoals aangegeven
in de diverse
scenario’s
Verantwoording van de toepassingspercentages is
opgenomen in de scenario’s.
De belangrijkste gegevens in het rekenmodel zijn:
Tabel B.1. Aantal woningen
(x 1000)
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Nieuwe
woningen (max 5
jaar oud)
387
379
371
364
356
348
340
332
325
317
309
Bestaande
woningen
6.781
6.839
6.897
6.955
7.013
7.071
7.128
7.186
7.244
7.302
7.360
Utiliteits-
gebouwen
222
222
222
222
222
222
222
222
222
222
222
Tabel B.2. Gasverbruik verwarming
(m3 aardgas p.a.)
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Nieuwe
woningen (max 5
jaar oud)
384
381
378
375
372
370
367
364
361
358
355
Bestaande
woningen
1.053
1.038
1.022
1.007
991
976
961
945
930
914
899
Utiliteits-
gebouwen
28.497
27.713
26.929
26.146
25,362
24.578
23.795
23.011
22.227
21.444
20.660
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
31/32
Tabel B.3. Voorraad verwarmingstoestellen in woningen (basisscenario)
(x 1000)
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Nieuwe woningen (max 5 jaar oud)
CR & VR
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
HR100
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
HR107
387
379
371
364
356
348
340
332
325
317
309
Bestaande woningen
CR & VR
1.120
940
770
620
510
420
350
280
230
230
230
HR100
2.080
1.920
1.730
1.500
1.230
950
640
320
-
-
-
HR107
2.733
3.191
3.649
4.126
4.604
5.052
5.520
5.988
6.455
6.463
6.471
De belangrijkste uitkomsten van het rekenmodel zijn:
Tabel B.4a. Energievraag verwarming gebouwen in basisscenario
(PJ)
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Nieuwe
woningen (max 5
jaar oud)
4,7
4,6
4,4
4,3
4,2
4,1
3,9
3,8
3,7
3,6
3,5
Bestaande
woningen
226
225
223
222
220
218
217
215
213
211
209
Utiliteits-
gebouwen
200
195
189
184
178
173
167
162
156
151
145
Tabel B.4b. Emissies verwarming gebouwen in basisscenario
(Mton CO2)
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Nieuwe
woningen (max 5
jaar oud)
0,26
0,26
0,25
0,24
0,24
0,23
0,22
0,21
0,21
0,20
0,19
Bestaande
woningen
12,7
12,6
12,5
12,4
12,3
12,3
12,2
12,1
12,0
11,9
11,7
Utiliteits-
gebouwen
11,2
10,9
10,6
10,3
10,0
9,7
9,4
9,1
8,8
8,4
8,1
Tabel B.5a. Energievraag verwarming gebouwen in scenario “alternatieve oplossing”
(PJ)
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Nieuwe
woningen (max 5
jaar oud)
4,7
4,6
4,5
4,4
4,3
4,2
4,1
4,0
3,9
3,9
3,8
Bestaande
woningen
226
225
223
222
220
218
216
214
212
210
208
Utiliteits-
gebouwen
200
195
189
184
178
172
166
161
155
149
144
Tabel B.5b. Emissies verwarming gebouwen in scenario “alternatieve oplossing”
(Mton CO2)
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Nieuwe
woningen (max 5
jaar oud)
0,26
0,26
0,25
0,25
0,24
0,24
0,23
0,23
0,22
0,22
0,21
Bestaande
woningen
12,7
12,6
12,5
12,4
12,3
12,2
12,1
12,0
11,9
11,8
11,7
Gelijkwaardigheid van alternatieve oplossing Art 14 REPG
32/32
Utiliteits-
gebouwen
11,2
10,9
10,6
10,3
10,0
9,7
9,3
9,0
8,7
8,4
8,1
Tabel B.6a Energievraag verwarming gebouwen in scenario “verplichte keuringen”
(PJ)
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Nieuwe
woningen (max 5
jaar oud)
4,7
4,6
4,4
4,3
4,2
4,1
3,9
3,8
3,7
3,6
3,5
Bestaande
woningen
226
225
223
222
220
218
217
215
213
211
209
Utiliteits-
gebouwen
200
195
189
184
178
172
167
161
156
150
145
Tabel B.6b Emissies verwarming gebouwen in scenario “verplichte keuringen”
(Mton CO2)
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Nieuwe
woningen (max 5
jaar oud)
0,26
0,26
0,25
0,24
0,24
0,23
0,22
0,21
0,21
0,20
0,19
Bestaande
woningen
12,7
12,6
12,5
12,4
12,3
12,2
12,1
12,0
11,9
11,8
11,7
Utiliteits-
gebouwen
11,2
10,9
10,6
10,3
10,0
9,7
9,4
9,1
8,7
8,4
8,1