background image

 

 

  

 

 
 

 

 

 

Defensie Industrie Strategie 

 
 
 
 
 
 

10 december 2013 

 

 

 
 
 

 
  

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 2 van 20 

 

 

Inhoud 
 

Inleiding .................................................................................................................. 3 

Omgevingsanalyse .................................................................................................... 5 

Uitgangspunten van het overheidsbeleid ...................................................................... 9 

Prioritaire technologiegebieden / industriële capaciteiten .............................................. 12 

Beleidsinstrumenten ................................................................................................. 14 

Bijlage: Evaluatie DIS ..................................................................................................... 19 
 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 3 van 20 

 

 

1  Inleiding 

Aanleiding 
In 2007 is de eerste Defensie Industrie Strategie (DIS) verschenen. De ministeries van Defensie 
en van Economische Zaken hebben deze in 2012 en 2013 geëvalueerd en vervolgens 
geactualiseerd. In de bijlage is een kort verslag van de evaluatie opgenomen. Het resultaat van 
de actualisering is deze aangepaste DIS. Hiermee wordt een nieuwe stap gezet in de 
intensivering van de dialoog en de samenwerking tussen overheid, de Defensie- en 
Veiligheidsgerelateerde Industrie (DVI) en de kennisinstellingen, alsmede in de positionering van 
de Nederlandse DVI in internationaal perspectief. 
 
Doelstelling 
Nationale veiligheid1 is een verantwoordelijkheid van de overheid. Om deze verantwoordelijkheid 
naar behoren te kunnen dragen heeft de overheid onder andere een kwalitatief hoogstaande 
krijgsmacht nodig. Voortdurend moderniseren en innoveren is een cruciale eigenschap van een 
toekomstbestendige krijgsmacht. Het gaat daarbij niet alleen om het vergroten van de 
slagkracht, maar ook om het zo goed mogelijk aanwenden van de beschikbare middelen. Dit 
wordt onder meer bereikt via samenwerking met de industrie en de kennisinstellingen in 
Nederland binnen de zogenaamde gouden driehoek. Omgekeerd stelt deze samenwerking de 
industrie in staat om innovatieve producten en diensten te ontwikkelen, waarmee zij zich op de 
internationale defensiemarkt optimaal kunnen positioneren. Voor Defensie zijn operationele en 
financiële duurzaamheid belangrijke uitgangspunten, terwijl nationale en internationale 
samenwerking mogelijkheden biedt om tot intelligente keuzes te komen. Om dit te bereiken is 
een actief overheidsbeleid nodig. Dit resulteert in de volgende doelstelling: 
 

De Defensie Industrie Strategie (DIS) is erop gericht om, vanuit de operationele belangen en 
behoeften van Defensie, de Nederlandse Defensie- en Veiligheidsgerelateerde Industrie (DVI) en 
kennisinstellingen zo te positioneren dat zij een hoogwaardige bijdrage aan de Nederlandse 
veiligheid kunnen leveren. Daarmee kunnen zij ook op de Europese en internationale markt en in 
toeleveringsketens competitief opereren. 

 
Gouden driehoek versterkt innovatief vermogen en zelfstandige positie 
Samenwerking tussen overheid, DVI en kennisinstellingen is voor alle partijen van belang. Onder 
overheid wordt in dit kader verstaan de ministeries van Defensie en Economische Zaken. De DVI 
bestaat uit kleine, middelgrote en grote bedrijven die actief zijn op deze markt, met 
eindproducten of als toeleverancier. Nederland heeft een DVI met relatief weinig leveranciers 
van complete wapensystemen, maar veel midden- en kleinbedrijven (MKB) als toeleveranciers 
van (deel)systemen en componenten. Veel bedrijven zijn niche georiënteerd en zijn actief in 
zowel het civiele als het militaire domein. De kennisinstellingen zijn de universiteiten, 
semipublieke instellingen en kennisinstituten, zoals TNO, NLR en MARIN. Samen vormen 
overheid, DVI en kennisinstellingen de gouden driehoek, een dynamisch platform voor 
initiatieven en interactie. Door deze nauwe samenwerking versterken zij het innovatieve 
vermogen van de hele defensie- en veiligheidssector. Dat is voor een organisatie als Defensie 
van levensbelang, om bedreigingen een stap voor te kunnen blijven. Daarnaast is een innovatief 
imago voor Defensie belangrijk voor de werving van personeel en bevordert de samenwerking 
met het bedrijfsleven het maatschappelijk draagvlak voor Defensie. Een goed functionerende 
gouden driehoek raakt daarmee aan de wezenlijke belangen van nationale veiligheid en 

                                                

1 Onder nationale veiligheid wordt verstaan territoriale, economische, ecologische, fysieke of sociaal-politieke veiligheid. 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 4 van 20 

 

 

versterkt de positie die Nederland in internationaal verband inneemt (zowel bij overheid, 
onderzoek als industrie). In de DIS wordt beschreven hoe deze drie partijen gezamenlijk hieraan 
bijdragen. Ook gaat de DIS in op wat nodig is om de DVI en de kennisinstellingen hun bijdrage 
te kunnen laten leveren. Materiedeskundigheid, vertrouwen en duurzaamheid zijn daarbij 
sleutelbegrippen die moeten doordringen tot in elke punt van de gouden driehoek. De gouden 
driehoek is een belangrijk platform en een pijler onder de positie die Nederland wil innemen: in 
staat zelfstandig besluiten te nemen en een sterke en gewaardeerde partner bij internationale 
samenwerking.  
 
Om de gouden driehoek goed te laten functioneren is het noodzakelijk dat partijen duidelijk hun 
rol en verantwoordelijkheden kennen en dat er ruimte is om de samenwerking vorm te geven. 
De DVI neemt (investerings)beslissingen mede op grond van beleidskeuzes van de overheid. 
Ook de programmering van de kennisinstituten wordt op basis daarvan vormgegeven. De DIS 
schept de kaders waarin deze wisselwerking plaatsvindt. In de gouden driehoek komen de 
doelstellingen van de drie partijen samen, zoals schematisch is weergegeven in onderstaande 
figuur. Het is van belang dat de vervulling van deze drie doelstellingen in samenhang wordt 
nagestreefd, zodat er een optimaal resultaat wordt behaald. 
 

 

Figuur 1: Samenwerking in de gouden driehoek 
 
Leeswijzer 
Hoofdstuk twee geeft een analyse van (internationale) ontwikkelingen en omstandigheden 
waarbinnen overheid, DVI en kennisinstellingen opereren. In hoofdstuk drie wordt een aantal 
voor de DIS relevante uitgangspunten van het overheidsbeleid benoemd, waarbij aspecten van 
het defensie en EZ-beleid worden behandeld. Hoofdstuk vier gaat in op prioritaire 
technologiegebieden/ industriële capaciteiten en de verhouding tot wezenlijke belangen van 
nationale veiligheid. In hoofdstuk vijf wordt tot slot de DIS geoperationaliseerd met behulp van 
beleidsinstrumenten. 

Gouden 

Driehoek 

Overheid 

 

Doelstelling: beschikbaarheid 

hoogwaardig 

defensiematerieel 

Defensie & veiligheids-

gerelateerde industrie 

 

Doelstelling: Optimale 

(internationale) positionering 

Kennisinstellingen 

 

Doelstelling: strategische 

kennispositie 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 5 van 20 

 

 

2  Omgevingsanalyse 

Algemeen 
Om inzicht te krijgen in de context waarbinnen de samenwerking in de gouden driehoek vorm 
krijgt, wordt in dit hoofdstuk de omgeving geschetst. De voornaamste omstandigheden 
waaronder de DVI opereert, worden voor een deel bepaald door overheden. 
 
Door krimpende defensiebudgetten in veel Westerse landen is samenwerking noodzakelijk om 
essentiële producten en diensten te kunnen blijven leveren. Die samenwerking vindt op veel 
verschillende fronten plaats; tussen overheden, maar ook met en tussen kennisinstellingen en 
de DVI, zowel nationaal als internationaal. Alleen door deze samenwerking kan 
defensiematerieel op een doelmatige en effectieve wijze worden ontwikkeld, geproduceerd en in 
stand worden gehouden. De overheid heeft daarmee direct baat bij vruchtbare 
samenwerkingsverbanden.  
 
Er is gebrek aan een open en transparante defensiemarkt, zowel op Europees als mondiaal 
niveau. Van een gelijk speelveld is (nog) geen sprake.  
 
Verder is er sprake van een dynamische omgeving. Zowel aan de vraag- als aanbodzijde volgen 
ontwikkelingen elkaar in hoog tempo op. Dit geldt zowel voor technologische ontwikkelingen, als 
voor veranderingen in wet- en regelgeving waarvan de effecten nu nog onduidelijk zijn. Dit kan 
ertoe leiden dat binnen de gouden driehoek in gezamenlijkheid wordt geconstateerd dat 
bijstelling van rollen en strategie nodig is. 
 
Ook is er sprake van exportbeperkingen. De defensiemarkt is verder een bijzondere markt 
vanwege de relatief grote R&D-inspanningen van de DVI. De kennisontwikkeling kan via 
kennisuitwisseling elders in de Nederlandse economie extra maatschappelijke baten genereren. 
Daarnaast kan de gehele Nederlandse economie profiteren van internationale samenwerking van 
de Nederlandse DVI-bedrijven. Kennis uit andere landen kan dan via deze bedrijven door hun 
absorptievermogen ook leiden tot extra maatschappelijke baten voor Nederland. 
 
Zowel in het Europese als in het mondiale perspectief spelen deze omstandigheden een rol, zoals 
hieronder uiteengezet. 
 
Europees perspectief 
In Europa staan landen voor de uitdaging om met schaarser wordende middelen toch 
slagvaardige en doelmatige defensieorganisaties te behouden en tevens het 
handelingsvermogen te vergroten. Dit leidt tot initiatieven zoals Smart Defence van de Navo en 
Pooling & Sharing van de EU en het Europese Defensie Agentschap (EDA). Beide initiatieven 
leggen de nadruk op de noodzaak van internationale defensiesamenwerking. Samenwerking is 
voor Nederland echter geen doel op zich. Elke samenwerkingsactiviteit moet bijdragen aan de 
benodigde capaciteiten voor de uitvoering van één of meer van de drie hoofdtaken van de 
krijgsmacht, het vergroten van het handelingsvermogen en het terugdringen van de military 
shortfalls
.  
 
De huidige Europese defensiemarkt wordt geconfronteerd met twee ontwikkelingen. Allereerst 
het structurele probleem van de fragmentatie van de Europese defensiemarkt. Ter bescherming 
van wezenlijke belangen van nationale veiligheid overheerst bij lidstaten een voorkeur voor de 
nationale industrie bij de aanschaf van defensiematerieel. Als gevolg hiervan is in de EU sprake 
van duplicatie van industriële capaciteiten. Hierdoor kan niet of onvoldoende worden 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 6 van 20 

 

 

geprofiteerd van schaalvoordelen in ontwikkeling en productie. De concurrentiekracht van de 
Europese defensie-industrie is daarmee niet zo groot als in potentie mogelijk is. De industriële 
overcapaciteit op het gebied van de ontwikkeling en productie van lucht- en landsystemen en in 
de marinescheepsbouw bestaat nog steeds. Dit ondanks het proces van herstructurering van de 
grote defensieondernemingen in Europa in de afgelopen twintig jaar.  
De Europese Commissie heeft in juli 2013 een mededeling uitgebracht over de versterking van 
de concurrentiekracht van de Europese defensie- en veiligheidsindustrie2. De mededeling maakt 
deel uit van het rapport over het Gemeenschappelijk Veiligheid en Defensie Beleid dat de 
voorzitter van de Europese Unie aan de Europese Raad heeft aangeboden. In de mededeling 
stelt de Commissie een groot aantal maatregelen voor. Belangrijke actiepunten zijn het 
monitoren van een juist gebruik van de richtlijnen voor het creëren van een interne markt (EU 
Richtlijn 2009/81 over aanbestedingen op defensie en veiligheidsgebied en EU Richtlijn 2009/43 
over intracommunautair verkeer van strategische goederen), het zo snel mogelijk uitfaseren van 
compensatie en het monitoren van een juist gebruik van artikel 346 van het Verdrag betreffende 
de werking van de Europese Unie (VWEU)3. Dit artikel staat afwijkingen toe van Europese 
regelgeving op het gebied van de interne markt. 
 
Ook streeft de Europese Commissie naar maximale synergie tussen onderzoek op het gebied van 
civiele en militaire toepassingen. Daarnaast wordt voorgesteld te komen tot het opstellen van 
normen, het toepassen van Europese kaders op het gebied van energie en een check op het 
gebruik van zeldzame grondstoffen. Nederland wil vooral dat er meer zicht komt op toegang tot 
de toeleveringsketens die nu vooral nationaal georganiseerd zijn. De beide richtlijnen - zo leert 
de ervaring tot op heden - zorgen wel voor transparantie van de markt op het niveau van 
hoofdleveranciers, maar leiden niet tot het openbreken van toeleveringsketens. Het aantal 
publicaties van lidstaten op grond van Richtlijn 2009/81/EU groeit. Het aantal publicaties waarbij 
de onderaannemingsclausule4  wordt ingeroepen, is tot nog toe zeer beperkt. De Nederlandse 
industrie is vooral een toeleverende industrie die in het verleden met behulp van compensatie 
een positie kreeg in die ketens.  
 
De tweede ontwikkeling is dat mede door de economische crisis de defensiebegrotingen in de 
Navo- en EU-lidstaten steeds verder zijn verlaagd. Internationale militaire samenwerking tussen 
de lidstaten vormt een belangrijke manier om het handelingsvermogen te vergroten en de 
military shortfalls terug te dringen. Nederland loopt daarbij voorop in de Navo en de EU.  
 
Het gevolg van deze ontwikkeling voor de nationale en Europese DVI is dat de vraag naar 
defensiematerieel afneemt en in tempo wordt vertraagd. De onvermijdelijke reactie van de DVI 
hierop ligt in rationalisatie en herstructurering in Europa (nauwere samenwerking tussen 
ondernemingen, bedrijfssluitingen en overnames) en versterkte inspanningen op andere 
markten buiten Europa, zoals in het Midden-Oosten, Azië en Noord en Zuid-Amerika. Ook de 
grootste defensiemarkt, de Verenigde Staten, ontkomt niet aan beperkingen op de 

                                                

2 Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector, d.d. 24 juli 2013, COM (2013) 542. 

3 Artikel 346 VWEU: 
1. De bepalingen van de Verdragen vormen geen beletsel voor de volgende regels: 
a. geen enkele lidstaat is gehouden inlichtingen te verstrekken waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de 
wezenlijke belangen van zijn veiligheid; 
b. elke lidstaat kan de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn 
veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapenen, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen 
mogen de mededingingsverhoudingen op de interne markt niet wijzigen voor producten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire 
doeleinden.  
2. De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie wijzigingen aanbrengen in de lijst van de producten 
waarop de bepalingen van lid 1, onder b), van toepassing zijn, die hij op 15 april 1958 heeft vastgesteld. 

4 Met behulp van de onderaannemingsclausule kan een verwervende instantie de potentiële leveranciers verplichten om tot dertig 
procent van de contractwaarde openbaar aan te besteden. 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 7 van 20 

 

 

defensiebegroting op de langere termijn. Ook kampen de Verenigde Staten met industriële 
overcapaciteit als gevolg van de gefaseerde terugtrekking uit Irak en Afghanistan en grote 
onzekerheden met betrekking tot de gevolgen van de reducties op de defensiebegroting in de 
komende jaren. 
 
Mondiaal en trans-Atlantisch perspectief 
De DVI in Europa, de Verenigde Staten, Rusland en China zullen elkaar in toenemende mate 
tegenkomen bij hun exportinspanningen op de markten in bijvoorbeeld het Midden-Oosten en 
Zuidoost-Azië. Op mondiaal niveau komen, theoretisch beschouwd, de defensiebestedingen voor 
materieel en diensten meer in evenwicht wanneer de groei van de nieuwe markten de krimp op 
de traditionele Atlantische markten compenseert. De Amerikaanse markt is nog steeds de 
grootste, maar het relatieve belang zal in de komende vijf jaar geleidelijk afnemen.  
 
Verschillende opkomende landen zullen naar verwachting in de toekomst meer investeren in 
defensieprogramma’s dan Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De opkomende markten vragen 
hun leveranciers in toenemende mate om (vormen van) compensatie of industriële participatie 
bij materieelverwerving. Ondanks hun groei hebben de opkomende landen doorgaans geen 
eenvoudig te betreden markten. De DVI in de Verenigde Staten en in Europa anticiperen op hun 
beurt op deze veranderende omstandigheden. Men wordt selectiever in de marktkeuze, 
investeert in lokale vestigingen of overnames op nieuwe markten en men zet zich meer in om 
zowel militaire als civiele omzet te realiseren. Dit alles resulteert in de volgende projectie van de 
wereldwijde defensie-uitgaven in percentages van het totaal, over 2012 afgezet tegen 2017. 
 

 

Figuur 2: Wereldwijde defensie-uitgaven in % van totaal, in 2012 (links) en de 
projectie 2017 (rechts) (bron: HCSS/TNO) 
 
De Original Equipment Manufacturers (OEM’s) van defensiesystemen bevinden zich in Europa in 
het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en Zweden. Verder bestaan er 
transnationale industrieconcerns, terwijl er door Europese ondernemingen in 
defensiematerieelprojecten ook wordt samengewerkt in consortia. Op de Europese markt zijn 
ook de grote Amerikaanse defensiebedrijven actief. De middelgrote en kleinere EU-lidstaten 
(waaronder Nederland) beschikken over een bescheidener DVI die veelal als toeleverancier 
optreedt voor de grote Europese en Amerikaanse OEM’s. De toegang tot die internationale 
toeleveringsketens werd met behulp van het compensatiebeleid bij de OEM’s in die landen 
afgedwongen. De voormalige Oost-Europese staten beschikken over een eigen DVI, die zich 
moderniseert mede met behulp van het compensatiebeleid of vergelijkbare afspraken bij de 
aanschaf van Amerikaans en Europees defensiedefensiematerieel. 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 8 van 20 

 

 

 
Effecten op Nederlandse DVI 
Met richtlijn 2009/81/EC heeft Europa een stap gezet richting een open defensie- en 
veiligheidsmarkt. Doel van de richtlijn is een ondershandse gunning van opdrachten aan de 
nationale industrie of een eis van compensatieorders bij internationale verwerving in Europa 
terug te dringen. Wel blijft het op grond van wezenlijke nationale veiligheidsbelangen in 
specifieke gevallen mogelijk uitzonderingen te maken met een beroep op artikel 346 VWEU. 
Deze DIS vormt de beleidsmatige verankering van de gevallen waarin een beroep hierop kan 
worden voldaan. Dit is ten opzichte van de vorige DIS een van de belangrijkste veranderingen, 
waarbij de - in hoofdstuk vier - genoemde prioritaire technologiegebieden/ industriële 
capaciteiten op hoofdlijnen aangeven waar Nederland in het kader van deze strategie zijn 
wezenlijke belangen van nationale veiligheid koppelt. 
 
Tegelijkertijd is er zelfs met deze Europese richtlijn in Europa nog lang geen open defensie- en 
veiligheidsmarkt, laat staan buiten Europa. De richtlijn draagt, zoals eerder aangegeven, wel bij 
aan de transparantie van de markt op het niveau van hoofdleveranciers, maar leidt niet tot het 
openbreken van toeleveringsketens. De beleidsinstrumenten uit de eerste DIS, die in de 
evaluatie als effectief zijn beoordeeld (zie bijlage), blijven daarom onverkort relevant. Sterker 
nog, door de afnemende defensiebudgetten in de Westerse landen en de daardoor toenemende 
afhankelijkheid van de DVI van orders in de internationale markt buiten Europa, worden de 
instrumenten om de samenwerking in de gouden driehoek te bevorderen alleen maar relevanter. 
In de volgende hoofdstukken worden deze instrumenten uitgewerkt.  
 
Dit neemt niet weg dat het streven naar een open defensie- en veiligheidsmarkt onze volle steun 
verdient, zowel in Europees verband als daarbuiten. Naarmate die open markt zich in de 
toekomst verder ontwikkelt, kunnen de instrumenten in deze DIS worden herzien.     

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 9 van 20 

 

 

3  Uitgangspunten van het overheidsbeleid 

Defensiebeleid 
 
Algemeen 
Defensie beschikt met de nota ‘In het belang van Nederland’ van 17 september 2013 over een 
richtinggevend en toekomstgericht document. De nota staat voor een operationeel en financieel 
duurzame krijgsmacht die in toenemende mate samenwerkt met andere landen, met andere 
delen van de overheid, met het bedrijfsleven en met de kennisinstellingen. Binnen die kaders is 
de inrichting van de krijgsmacht bepaald. Een krachtige en internationaal inpasbare krijgsmacht 
blijft nodig. Dat vereist permanente inspanning en een besef van de waarde van defensie. Het is 
in dat kader van belang dat het ministerie van Defensie zichtbaar en overtuigend de belangen 
van Nederland behartigt. Dit moet tot uitdrukking komen in de uitvoering van missies, operaties 
en overige activiteiten, nationaal en internationaal. Voorts moet Defensie in staat zijn in te 
spelen op veranderingen. De behoefte aan flexibiliteit neemt toe. 
 
Kennis- & innovatiebeleid 
Binnen de contouren van het generieke rijks- en defensiebeleid wordt aan kennis5 en innovatie 
(K&I) specifiek richting gegeven door middel van het K&I-beleid. Onderdelen daarvan zijn de 
Strategie-, Kennis- & Innovatieagenda (SKIA)6 en de Herijking Kennisportfolio Defensie (HKD)7.  
 
Het K&I-beleid van Defensie geeft richting aan de effectieve en doelmatige ontwikkeling van een 
wetenschappelijke en technologische kennisbasis bij de publieke kennisinfrastructuur voor 
toegepast onderzoek. Het betreft de ontwikkeling van defensie-specifieke kennis en technologie 
die zonder gerichte investering van Defensie niet beschikbaar komt of toegankelijk is. De 
kennisportfolio wordt periodiek herijkt om keuzes te kunnen maken over de toekomstige 
zwaartepunten voor kennisontwikkeling bij kennisinstellingen.  
 
Innovatie betreft het introduceren van nieuwe technologieën, materieel, diensten, concepten en 
processen. Het is de laatste stap in een proces dat begint bij de opbouw van wetenschappelijke 
kennis, een vervolg krijgt in technologieontwikkeling en via prototype- en materieelontwikkeling 
resulteert in de gewenste innovatie. Afstemming en samenwerking geschieden binnen de gouden 
driehoek. Door de krimpende budgetten en de toenemende materieelverwerving ‘van de plank’, 
verandert de rol van Defensie in de gouden driehoek. Veel kennis is uit de defensieorganisatie 
weggevloeid. Het bedrijfsleven en de kennisinstellingen beschikken (nog wel) over deze kennis 
en kunde en kunnen door nauwere samenwerking deze lacune opvullen. Hierdoor verandert ook 
de rol van het bedrijfsleven en de kennisinstellingen in de driehoek. Zij zullen meer dan in het 
verleden worden uitgenodigd om al voorafgaande aan de behoeftestelling te participeren. Dit 
wordt onder meer vormgegeven met een innovatietool zoals Concept Development & 
Experimentation (CD&E).  
 
Materieel- en verwervingsbeleid 
Het materieelbeleid van Defensie heeft tot doel de krijgsmacht zo kosteneffectief mogelijk te 
voorzien van het benodigde materieel. Defensie verwerft in de regel materieel ‘van de plank’. 
Het kan daarbij gaan om civiele producten (commercial off the shelf – COTS) of militaire 

                                                

5 Onder ‘kennis’  wordt hier verstaan wetenschappelijke en technologische kennis bij de publieke kennisinfrastructuur. 

6 Kamerstuk 32 733, nr. 3 van 19 mei 2011 

7 Kamerstuk 27 830, nr. 71 van 28 januari 2010 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 10 van 20 

 

 

producten (military off the shelf – MOTS). Het COTS/MOTS-uitgangspunt betekent dat Defensie 
meer (maar vooral ook intelligenter) gebruik zal gaan maken van bestaande ‘van de plank’-
technologie en producten om kosten te reduceren en beter te beheersen. Dit uitgangspunt is in 
toenemende mate van belang om het beste verwervingsresultaat te bereiken. Zoals vastgelegd 
in het toetsingskader materieelverwerving8 wordt alleen in specifieke gevallen van dit 
uitgangspunt afgeweken. Modulariteit, uitbreidbaarheid en open standaarden en architecturen 
gelden als belangrijke voorwaarde bij het ontwerpen, bouwen en samenstellen van systemen en 
capaciteiten. Defensie onderkent het belang van het vroegtijdig beschouwen van de totale 
levenscyclus van materieel om afwegingen tussen (levensduur)kosten, prestaties, flexibiliteit en 
risico’s te kunnen maken.  
 
Aanschafstrategieën zijn erop gericht om het beste verwervingsresultaat te bereiken binnen de 
randvoorwaarden product, tijd en geld. Deze DIS beoogt hiertoe een intensivering van dialoog 
en samenwerking tussen overheid, DVI en kennisinstellingen. In de aanschafstrategie is sprake 
van de volgende opties. Als eerste wordt een keus gemaakt tussen ontwikkelen (samen met 
(inter)nationale partners) en kopen van (sub)systemen of platforms ‘van de plank’. Als er sprake 
is van internationale materieelsamenwerking, worden ook afspraken gemaakt over industriële 
participatie en werkverdeling. In het geval van verwerving ‘van de plank’, gebeurt dat onder 
internationale concurrentiestelling. Er zijn dan verschillende opties van verwerving: de Algemene 
Aanbestedingswet (AW), de Aanbestedingswet op het gebied van Defensie en Veiligheid (ADV) 
voor militaire goederen en diensten, voor civiele goederen en diensten en de nationale 
regelgeving indien aan de voorwaarden van artikel 346 VWEU wordt voldaan. Tot slot kan met 
een beroep op artikel 346 VWEU, vanwege wezenlijke nationale veiligheidsbelangen, in 
Nederland worden ingekocht. Deze opties zijn zowel aan de orde wanneer het de aanschaf van 
nieuw materieel betreft, als wanneer het gaat om instandhouding (dan wel combinaties hiervan).  
 
De vragen “Zelf doen? Samen doen? Laten doen?” (sourcing) maken deel uit van het 
verwervingsproces. Niet-strategische onderhoudsactiviteiten worden zoveel mogelijk uitbesteed 
(laten doen). Bij strategische onderhoudsactiviteiten die rechtstreeks samenhangen met de inzet 
van de krijgsmacht zal meer worden samengewerkt met de (Nederlandse) DVI.  
Gezien de relatief geringe omvang van de Nederlandse defensiemarkt is internationale 
samenwerking zowel voor de overheid als het bedrijfsleven noodzakelijk. In het geval dat wordt 
gekozen voor internationale samenwerking levert dit op het gebied van ontwikkeling, productie 
en instandhouding voordelen op. Defensie kan dan een kwalitatief hoogwaardig product 
verwerven met een goede prijs-kwaliteitverhouding en het vergroot de interoperabiliteit met 
partners. Door kennisverwerving wordt Defensie een klant met een sterke positie bij de aankoop 
en het gebruik (smart specifierbuyeruser en maintainer). Ook de industrie kan zich door 
deelname aan de ontwikkelingsfase beter positioneren voor opdrachten in de productiefase. Door 
kennisopbouw kan de industrie zich een betere positie verwerven in de internationale 
productienetwerken en toeleveringsketens. Deze voordelen laten onverlet dat er ook risico’s zijn 
verbonden aan internationale materieelsamenwerking. 
 
EZ-beleid 
 
Bedrijvenbeleid 
De overheid werkt met het bedrijvenbeleid aan het behoud en de verdere verbetering van de 
uitgangspositie van de Nederlandse economie. Het bedrijvenbeleid is gericht op het versterken 
van de concurrentiekracht en het stimuleren van het innovatieve vermogen van de Nederlandse 
economie. Bedrijven en kennisinstellingen hebben ook hun eigen verantwoordelijkheid, zoals het 

                                                

8 Kamerstuk 32 733, nr. 77 van 1 juli 2012 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 11 van 20 

 

 

(meer) investeren in R&D. Hierbij wordt opgemerkt dat de Nederlandse DVI een hoog 
percentage (32 procent) investeert in R&D9.  
 
Generiek en topsectorenbeleid 
Ook de overheid heeft een eigen rol vanuit haar publieke verantwoordelijkheid, onder andere 
vanwege de zorg voor werkgelegenheid en het bevorderen van economische groei. Concreet 
bestaat dit uit twee sporen: een generiek spoor dat ruimte biedt voor álle ondernemers en een 
specifiek spoor gericht op topsectoren.  
 
Met de inzet van het generieke instrumentarium worden alle ondernemers ondersteund, en 
krijgen ook uitdagers een kans. Voorbeelden van belangrijke thema’s zijn de aanpak van de 
regeldruk, financiering, onderwijs, infrastructuur en een laagdrempelig innovatie- 
instrumentarium (fiscaal). Hiervan kan ook de Nederlandse DVI profiteren. 
Met het tweede spoor - het topsectorenbeleid - levert de overheid maatwerk voor negen 
topsectoren: Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, Agri & Food, Water, Life Sciences & Health
Chemie, High tech, Energie, Logistiek en Creatieve Industrie. Uitgangspunt van dit beleid is dat 
knelpunten en kansen effectiever kunnen worden opgepakt wanneer een goede wisselwerking 
bestaat in de gouden driehoek. Kernbegrippen zijn: vraaggestuurd, integraal en publiek private-
samenwerking.  
 
De topsectoren zijn gezamenlijk van groot belang voor de Nederlandse economie en het 
toekomstige groeivermogen door hun grote toegevoegde waarde, belangrijke kennis en 
spillover-effecten en als fundamentele schakel voor het absorberen van buitenlandse kennis. 
Verder hebben ze onder meer met elkaar gemeen dat het om zeer innovatieve sectoren gaat (in 
totaal nemen de topsectoren meer dan 95 procent van de private R&D in Nederland voor hun 
rekening), dat ze exportintensief zijn en een bijdrage leveren aan de oplossing van 
maatschappelijke vraagstukken (inclusief nationale veiligheid). Hoewel Defensie & Veiligheid niet 
als separate topsector is benoemd, maken bedrijven in de Nederlandse DVI deel uit van ten 
minste zeven van de negen topsectoren. Zoals hierboven al is opgemerkt, is de gouden driehoek 
binnen het defensiedomein een cruciaal onderdeel om de DIS inhoud te geven. In dit opzicht 
sluit de DIS aan op de Topsectorenaanpak. 
 
Beleid voor defensie- en veiligheidsgerelateerde industrie 
Omdat er geen open en transparante defensiemarkt is, hanteert de overheid verschillende 
corrigerende instrumenten. Daarnaast zet de overheid zich in om de open en transparante markt 
te bereiken. Dit doet zij onder andere door op Europees niveau te pleiten voor monitoring van de 
openheid van de toeleveringsketens en aan te dringen op aanvullende instrumenten die dit tot 
doel hebben. De overheid ondersteunt de DVI en de kennisinstellingen om een goede 
exportpositie te verwerven. 

                                                

9 Bron: Onderzoeksrapport Nederlandse defensie- en veiligheidsgerelateerde industrie, Triarii, 2012 (zie Kamerstuk 31 125, nr. 11 
van 4 juni 2012) 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 12 van 20 

 

 

4  Prioritaire technologiegebieden / industriële capaciteiten 

Zoals in hoofdstuk 1 gesteld is de DIS erop gericht om vanuit de operationele belangen en 
behoeften van Defensie de Nederlandse DVI en kennisinstellingen te positioneren. Hierbij is het 
uitgangspunt kwalitatief hoogwaardige producten, waarbij ongewenste prijsopdrijving en 
nadelen van concurrentiebeperking niet aanvaardbaar zijn. 
 

Voor de wezenlijke belangen van nationale veiligheid is onder meer kennis en kunde op de 
hieronder beschreven gebieden essentieel. Deze kennis en kunde zijn verdeeld over de partners 
in de gouden driehoek. Doordat Nederland op bepaalde gebieden excelleert, kan zij bijdragen 
leveren aan de European Defence Technological and Industrial Base (EDTIB). 

 
HCSS en TNO hebben in opdracht van Defensie en EZ de prioritaire technologiegebieden in de 
DIS uit 2007 geactualiseerd. Enerzijds zijn gebieden geïdentificeerd waarop de belangrijkste 
(toekomstige) behoeften van Defensie aan capaciteiten - en daarmee aan 
technologieontwikkeling - worden voorzien (vraagzijde). Anderzijds zijn de gebieden bepaald 
waarop de (technologische) sterkten van de DVI op de defensiemarkt liggen (aanbodzijde). De 
overlap tussen vraag- en aanbodzijde leidt tot een deelverzameling van prioritaire 
technologiegebieden en industriële capaciteiten. Deze deelverzameling is richtinggevend voor de 
bescherming van wezenlijke belangen van nationale veiligheid, omdat: 
(1)  hiermee het benodigde kennisniveau in stand wordt gehouden om als smart 

buyer/user/maintainer te kunnen acteren, en 

(2)  deze instandhouding van het kennisniveau ook nodig is voor de ontwikkeling en 

instandhouding van basis- en nichecapaciteiten waarover Defensie wil beschikken. 

 
Deze deelverzameling is kansrijk om de hierop actieve DVI te positioneren, in overeenstemming 
met de doelstelling van de DIS. 
 

 

Figuur 3: Match van vraag- en aanbodzijde, leidend tot prioritaire 
technologiegebieden / industriële capaciteiten10 . 
 
Het instrumentarium van de DIS richt zich op de volgende gebieden: 
 
1.  Geïntegreerd (sub)systeemontwerp en –ontwikkeling: Dit betreft het ontwerp, de 

ontwikkeling, de productie en de inzet van geïntegreerde militaire systemen. De 
(sub)systemen worden gekenmerkt door flexibiliteit en aanpassingsvermogen, minimale 
bemanningen, onbemand en autonoom, lage levensduurkosten, energiezuinig, duurzaam en 
hoge inzetbaarheid.  

                                                

10 Deze worden ook wel met het koepelbegrip ‘ kennis en kunde’ samengevat. 

 

Vraagzijde: 

Behoefte Defensie 

aan (operationele) 

capaciteiten 

 

Aanbodzijde: 

Sterkten DVI in 

internationaal 

perspectief 

Kansen DVI: 

Prioritaire 

technologie-

gebieden / 

industriële 

capaciteiten 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 13 van 20 

 

 

 
2.  Sensoren, C4I en automatisering: Dit betreft sensorsystemen (radar, elektro-optisch, 

akoestisch, biometrisch) voor het waarnemen en in kaart brengen van de omgeving, de 
gerelateerde informatieverwerkingscapaciteit en het (geautomatiseerd) aansturen van 
tegenmaatregelen. De systemen worden gekenmerkt door sensorfusie, patroonherkenning, 
integratie in netwerken, interoperabiliteit en autonome informatieverwerking en aansturing. 

 
3.  Geavanceerde materialen en componenten: Dit betreft de ontwikkeling, de productie, 

de verwerking en het gebruik van geavanceerde (nieuwe) materialen en componenten met 
generieke toepassingsmogelijkheden in het militaire domein. Nieuwe materialen en 
componenten maken systemen lichter, kleiner, sneller, sterker, goedkoper en slimmer, 
bieden een hogere bescherming en maken kosteneffectiever onderhoud mogelijk.  

 
4.  Simulatie en simulatoren ten behoeve van opleiding & training: Dit betreft 

ontwikkeling en productie van simulatoren om militaire situaties, omgevingen en activiteiten 
na te bootsen ten behoeve van opleiding, training en missievoorbereiding. 

 
5.  Elektronische en informatiebescherming / bewapening: Dit betreft defensieve 

(cyber)capaciteiten voor informatiebescherming en integriteitsbewaking en capaciteiten voor 
offensieve (cyber)activiteiten inclusief psyops en strategisch informatiegebruik, als 
tegenaanval of als onderdeel van een actieve verdediging. 

 
De genoemde technologiegebieden met daaraan gekoppeld industriële capaciteiten geven op 
hoofdlijnen weer waaraan Nederland in het kader van deze strategie zijn wezenlijke belangen 
van nationale veiligheid koppelt. Op case-by-case basis wordt beoordeeld welke maatregelen  
kunnen worden ingezet of noodzakelijk zijn om dit belang te beschermen. Wat innovaties betreft 
beperkt de behoefte van Defensie zich niet tot de hierboven genoemde prioritaire technologieën. 
Een voorbeeld is de behoefte aan innovatie op energiesystemen. Vergroening en verduurzaming 
van deze systemen zijn belangrijk voor het verminderen van operationele afhankelijkheden en 
kwetsbaarheden maar ook vanwege milieuregelgeving.  
 
Samenwerking - zowel nationaal als internationaal - is noodzakelijk om defensiematerieel in de 
toekomst op een effectieve en doelmatige wijze te ontwikkelen, te produceren en in stand te 
houden. In dit kader is een vitale nationale DVI van belang om Defensie als gedegen partner te 
kunnen ondersteunen. Het is daarmee van wezenlijk belang voor de nationale veiligheid dat de 
Nederlandse DVI volwaardig kan participeren op Europees en mondiaal niveau. Dit rechtvaardigt 
de toepassing (technologie-)instrumentarium dat Defensie ter beschikking staat, om de 
Nederlandse DVI hiervoor te positioneren. Bij de inzet van dit instrumentarium zijn de 
operationele belangen en behoeften van Defensie leidend. Naast het feit dat Defensie kwalitatief 
hoogwaardige producten wenst af te nemen, kan zij het zich niet veroorloven dat een beperking 
van marktwerking leidt tot ongewenste prijsopdrijving of tot andere nadelen van 
concurrentiebeperkingen. De uitvoering geschiedt bij voorkeur in de driehoek Defensie, 
kennisinstellingen en DVI. Defensie levert met de inzet van het technologie-instrumentarium 
tevens een actieve bijdrage aan het bedrijfslevenbeleid van de regering. 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 14 van 20 

 

 

5  Beleidsinstrumenten 

Overheid en Nederlandse DVI 
Net zoals voor andere bedrijven geldt dat de Nederlandse DVI-bedrijven in eerste instantie zelf 
de verantwoordelijkheid hebben om zich goed te positioneren door innovatief te zijn en 
opdrachten te verwerven op de nationale en de internationale defensie- en veiligheidsmarkt. De 
DVI kan daarbij om te beginnen gebruik maken van het reguliere instrumentarium dat voor 
bedrijven beschikbaar is, zoals Internationaal Ondernemen. Dit instrumentarium bevat onder 
andere verzekering (Exportkredietverzekering) en financiering (Fonds Opkomende Markten, 
Private Sector Investeringsprogramma en Finance for International Business). Er is ook een 
subsidieregeling voor Kennisverwerving, Haalbaarheidsstudie en Demonstratieprojecten die 
mogelijk interessant is voor bedrijven die actief exportmogelijkheden zoeken. Ondernemers die 
de grens over willen, kunnen ook voor hulp, informatie en advies terecht bij AgentschapNL11 
Internationaal, bijvoorbeeld voor informatie of hulp bij het zoeken naar partners door middel 
van: 
• 

Enterprise Europe Network 

• 

Zakenpartnerscans 

• 

Meldpunt handelsbelemmeringen 

• 

Starters International Business 

• 

Economische missies 

• 

Economische diplomatie, incl. Innovatie Attachés 

• 

Partners for International Business – direct gekoppeld aan de topsectoren. 

 
Om het level playing field te bevorderen, respectievelijk de Nederlandse DVI internationaal te 
positioneren, zijn er ook de volgende instrumenten: 
• 

Het exportoverleg tussen Nederlandse exporterende bedrijven, Defensie, EZ en BZ. 

• 

Ondersteuning bij vakgerichte beurzen door Defensie en EZ in samenwerking met de NIDV. 

• 

Handelsmissies, eventueel onder leiding van de speciaal voor export aangestelde 
defensiefunctionaris. 

 
De DVI kan ook gebruik maken van het instrumentarium van het generieke bedrijvenbeleid, 
zoals de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk, Research and Development Aftrek en de 
toeslag voor Topconsortia voor Kennis & Innovatie (TKI-toeslag). Ook diverse instrumenten die 
financiële ondersteuning bieden, zoals het Besluit Borgstelling MKB-kredieten en de Garantie 
Ondernemingsfinanciering12, zijn open voor de DVI. 
 
Aan de hand van de levensduurcyclus van defensiematerieel wordt hierna het instrumentarium 
beschreven dat gedurende die levenscyclus kan worden ingezet. Dit instrumentarium is zowel 
van Defensie als van Economische Zaken. Deze cyclus bestaat uit de volgende fasen: 
1.  (pre-)behoeftestellingsfase 
2.  ‘voorzien in’-fase 
3.  operationele en instandhoudingsfase 
4.  afstotingsfase. 
 

                                                

11 Voor uitgebreide informatie zie www.agentschap.nl/onderwerpen/internationaal-ondernemen 

12 Voor uitgebreide informatie zie www.agentschap.nl/onderwerpen/innovatief-ondernemen 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 15 van 20 

 

 

In alle fasen van de levensduurcylus is informatie-uitwisseling over de (toekomstige) behoeften 
van Defensie enerzijds en het incorporeren van de sterkten van de Nederlandse industrie in de 
analyses en besluitvorming van Defensie anderzijds van essentieel belang. 

 
1. Instrumenten (pre-)behoeftestellingsfase 
 
Programmafinanciering van kennisinstituten 
Met de programmafinanciering investeert Defensie in toegepast onderzoek bij de 
kennisinstituten op defensiespecifieke kennisgebieden. In de beleidsnota Herijking 
Kennisportfolio Defensie (HKD) in 2010 zijn deze kennis- en expertisegebieden vastgesteld. De 
brug met het fundamentele onderzoek bij universiteiten wordt onder meer gelegd door de inzet 
van AIO’s in het toegepaste onderzoek. Met dit instrument wordt een kennisbasis opgebouwd 
waarmee Defensie zich kan laten adviseren bij onder andere de verwerving van materieel. 
 
Met de programmafinanciering (SamenwerkingsMiddelen Onderzoek, SMO) investeert EZ in 
toegepast onderzoek bij de kennisinstituten in het kader van het generieke Topsectorenbeleid. 
Ook de defensie- en veiligheidsgerelateerde industrie kan via het Topsectorenbeleid meesturen 
op de inzet van deze middelen. 
 
Technologieontwikkelingsprojecten  
Met het instrument voor technologieontwikkeling wordt vooral op de onderkende prioritaire 
technologiegebieden door Defensie geïnvesteerd. De DVI wordt hierbij uitdrukkelijk ook de 
mogelijkheid geboden om zich op de nationale en internationale markt te positioneren. Bij de 
beoordeling van de voorstellen vormen aansluiting bij de defensiebehoeften het belangrijkste 
criterium. Als voortvloeisel van de ambitie meer internationaal samen te werken zullen ook veel 
technologieontwikkelingsprojecten in internationaal samenwerkingsverband worden uitgevoerd. 
De kracht van deze technologieontwikkelingsprojecten is gelegen in de directe verbinding en 
nauwe samenwerking tussen ontwikkelaar en gebruiker. Dit resulteert in hoogwaardige, op de 
gebruiker toegesneden oplossingen.  
 
Commissie Defensie Materieel Ontwikkeling (CODEMO) 
De CODEMO is een prominent instrument van de DIS. Via de CODEMO kunnen Nederlandse 
bedrijven, vooral het MKB, bij Defensie voorstellen voor innovatieve productontwikkeling 
indienen. Na honorering neemt Defensie de helft van de kosten voor de productontwikkeling 
voor haar rekening. Als de bedrijven hun producten ook elders kunnen verkopen, ontvangt 
Defensie royalty’s, die vervolgens weer in het CODEMO-fonds worden gestort.  
 
Defensie Innovatie Competitie 
Met een instrument zoals de Defensie Innovatie Competitie, bevordert Defensie het innoverend 
vermogen van het Nederlandse DVI. Defensie schetst een militair probleem en daagt daarmee 
de DVI uit om met innovatieve oplossingen voor het geschetste probleem te komen. De winnaar 
ontvangt een contract met Defensie om het idee verder door te ontwikkelingen. In het kielzog 
van de winnaar komen andere deelnemers frequent in aanmerking om met Defensie een 
technologieontwikkelingsproject te beginnen. Daar waar een dual use thema wordt 
uitgeschreven streeft Defensie ernaar dit instrument samen met het ministerie van Veiligheid en 
Justitie (V&J) in te zetten.  
 
Defensie Innovation Game 
Met het instrument van de Innovation Game stimuleert Defensie het innoverend vermogen van 
de Nederlandse DVI en de kennisinstellingen. In gezamenlijke intensieve brainstormsessies met 
operationele mensen (toekomstige leidinggevenden), DVI en kennisinstellingen kunnen zeer 
premature ideeën gezamenlijk getoetst en ontwikkeld worden. De winnaar krijgt een financiële 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 16 van 20 

 

 

bijdrage van Defensie om zijn product door te ontwikkelen. De waarde ligt primair op het 
conceptuele vlak: het MKB krijgt een unieke kans om met operationele mensen te sparren over 
ideeën. Daarnaast is het een investering in de toekomst, want de toekomstige leidinggevenden 
van Defensie worden geconfronteerd met de mogelijkheden van de DVI en van 
kennisinstellingen en werken zelf aan een innovatieve mindset.  
 
Small Business Innovation Research (SBIR) 
Small Business Innovation Research (SBIR) is een rijksbreed instrument waarmee  de overheid 
het innoverend vermogen van het Nederlands bedrijfsleven wil vergroten. SBIR houdt in dat de 
overheid het Nederlandse bedrijfsleven in competitie opdracht geeft om oplossingen te 
ontwikkelen voor maatschappelijke problemen. Een SBIR-project om een product te ontwikkelen 
bestaat uit drie fasen: een haalbaarheidsfase, een R&D-fase en een fase van commercialisatie en 
marktintroductie. De overheid geeft, na beoordeling van de offertes, opdracht voor de eerste 
twee fasen en financiert die ook volledig. De laatste fase wordt door het bedrijf zelf gefinancierd. 
Het initiatief voor een SBIR-oproep ligt bij de overheid. 
 
Informatie-uitwisseling, functionele specificaties en marktpositie 
Het verkennen van de mogelijkheden begint met de vroegtijdige informatie-uitwisseling tussen 
Defensie, EZ en de Nederlandse DVI over zowel toekomstige behoeften en plannen van Defensie 
als belangrijke ontwikkelingen bij de industrie. Door de wisselwerking kunnen vervulling van 
behoeften bij Defensie en prioriteitstelling bij de industrie elkaar aanvullen. Daarnaast is 
dergelijke informatie-uitwisseling mogelijk in een pre-behoeftestellingsconsultatie. De aandacht 
voor potentiële kosteneffectieve oplossingen voor operationele uitdagingen wordt vergroot, en 
het ontwerp van producten kan worden beïnvloed. Deze uitwisseling krijgt vorm door het  
organiseren van interactieve themadagen rondom bepaalde behoeften,  technologieën of andere 
thema’s. Een themadag kan zich richten op een cluster van Nederlandse bedrijven dat actief is of 
kan worden op een van de prioritaire gebieden.  
 
Voor een productieve dialoog zijn enkele randvoorwaarden van groot belang. Defensie dient zo 
lang mogelijk haar behoeften functioneel te specificeren om ruimte te laten voor de beste 
oplossing. Verder moet Defensie wet- en regelgeving in acht nemen en het evenwicht bewaren 
tussen aan de ene kant aanvaardbare veiligheidsrisico’s, het behoud van autonomie en een 
goede marktpositie als klant, en aan de andere kant de noodzakelijke openheid om het 
innovatieve vermogen van de Nederlandse DVI te mobiliseren. De industrie moet het evenwicht 
bewaren tussen openheid (de omgang met vertrouwelijke informatie zowel naar Defensie als 
naar mogelijke samenwerkingspartners), bereidheid tot samenwerken (met het oog op een 
betere positie voor alle partners op langere termijn) en betrouwbaarheid (in de prioriteitstelling 
bij het nemen van investeringsbeslissingen).  
 
Een ander aspect vormt de uiteindelijke exploitatie. Zo zijn de totale levensduurkosten 
richtinggevend in alle levensduurfasen. De grootste invloed daarop bestaat in de pré-
behoeftestellingsfase. De Nederlandse DVI kan hier zelf kansen creëren door 
exploitatieoverwegingen een nadrukkelijke rol te laten spelen bij productontwikkeling en 
-ontwerp (best value for money). 
 
Met het clusteren van bedrijven en kennisinstellingen en het overleg daarover met de overheid is 
tijdens de eerste DIS-periode veel ervaring opgedaan. Het NIFARP-platform deed dit bij de 
aankoop van de F-35 en het Nederlands Marinebouw Cluster deed dit bij de vervanging van 
fregatten en bevoorradingsschepen. Er zijn nieuwe platforms opgericht op het gebied van 
‘Operationele Energie’ en ‘Veilig Samenwerken’. Bij komende vervangingsprogramma’s kan een 
dergelijke aanpak opnieuw zijn vruchten afwerpen. 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 17 van 20 

 

 

Defensie maakt op verschillende kennisgebieden waarop de behoefte zich duidelijk manifesteert, 
gebruik van zogenaamde informele kennisnetwerken13. In beginsel zijn die kennisnetwerken een 
uniek platform om DVI, kennisinstellingen en Defensie bijeen te brengen. Door het uitwisselen 
van informatie kan een gezamenlijk toekomstbeeld worden gegenereerd en kunnen 
ontwikkelingen in het vakgebied worden gesynchroniseerd.  
 
2. Instrumenten ‘voorzien in’-fase 
 
Informatie-uitwisseling 
Ook in deze fase is een goede en tijdige informatie-uitwisseling cruciaal voor het benutten van 
de sterke kanten van de Nederlandse DVI. In situaties waarin de informatie-uitwisseling en 
samenwerking in de voorgaande fase goed van de grond zijn gekomen, is er in deze fase een 
goede uitgangspositie. Het is echter in deze fase van belang dat de resultaten in de voorgaande 
fase werkelijk een rol spelen in de volgende fasen van de DMP-procedure. Verder is het bij 
projecten waarvoor ook industriële participatie wordt gevraagd op basis van een beroep op 
artikel 346 VWEU, belangrijk om in een zo vroeg mogelijk stadium de mogelijkheden van de 
Nederlandse industrie onder de aandacht van de potentiële leveranciers te brengen. Aan het 
begin van de voorstudiefase van het DMP heeft overleg plaats tussen de Nederlandse DVI, 
Defensie en EZ om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn van de Nederlandse DVI om deel 
te nemen aan het project en om vast te stellen hoe deze het best kunnen worden benut. Het 
betreft in ieder geval projecten waarvan de waarde boven de € 25 miljoen ligt.  
 
In 2010 is bij Defensie een Navo-expert benoemd, die zorg moet dragen voor een goede relatie 
tussen Nederland en de Navo, inclusief de Nederlandse industriële belangen daarin. Deze expert 
draagt bij aan de informatie-uitwisseling en wijst Nederlandse bedrijven op mogelijkheden in 
Navo-verband. 
 
Verwervingsstrategie 
Bij de verwerving is de eerste vraag of het materieel (al dan niet in een internationaal 
samenwerkingsverband) van ‘de plank’ wordt gekocht dan wel dat er (al dan niet in een 
internationaal samenwerkingsverband) gekozen wordt voor ontwikkeling. Als gekozen wordt 
voor de optie zelfstandig kopen, dient te worden bezien of er een beroep kan worden gedaan op 
de uitzonderingsgronden van artikel 346 VWEU. De kernvraag daarbij is: 
 

Zijn er wezenlijke belangen van nationale veiligheid in het geding? 
 
Zo ja, dan zijn er de volgende opties: 

•  Met een beroep op artikel 346 VWEU in Nederland inkopen. 

•  Als de behoefte niet in Nederland kan worden vervuld, dan wordt beoordeeld of artikel 346 

VWEU wordt ingeroepen of dat alsnog gekozen wordt om de ADV toe te passen.  

Naast deze vraag wordt beoordeeld of industriële participatie wordt geëist. Industriële 
participatie wordt met een beroep op artikel 346 VWEU gelegitimeerd. 
 
Zo nee, dan zijn er twee opties: 

•  De Aanbestedingswet op het gebied van Defensie en Veiligheid (ADV) voor militaire 

goederen en diensten. Bij deze mogelijkheid wordt ook beoordeeld of het inroepen van de 
onderaannemingsclausule gewenst is.  

•  De Algemene Aanbestedingswet (AW) voor civiele goederen en diensten. 
 

                                                

13 Momenteel bestaan er binnen Defensie achttien geregistreerde kennisnetwerken. In veel kennisnetwerken participeren industrie 
en/of kennisinstellingen. 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 18 van 20 

 

 

Industriële participatie 
Omdat voor de instandhouding van de prioritaire technologiegebieden en industriële capaciteiten 
de Nederlandse behoefte veelal niet toereikend is én Nederlandse bedrijven niet of moeilijk 
toegang krijgen tot markten in andere landen (inclusief de toeleveringsketens van OEM’s in 
Europa en de Verenigde Staten), kan industriële participatie (IP) worden ingezet om de 
instandhouding te bevorderen. Dit wordt gelegitimeerd met een beroep op artikel 346 VWEU. 
Tijdens de ‘voorzien in’-fase wordt IP als instrument alleen ingezet wanneer het een 
proportionele maatregel is. 

 

Bij opdrachten vanaf € 5 miljoen wordt van geval tot geval beoordeeld of er industriële 
participatie kan worden geëist, waarbij de aard en inhoud van de industriële participatie 
betrekking moet hebben op activiteiten in het kader van de in deze strategie genoemde 
prioritaire technologiegebieden, of daaraan gerelateerde industriële activiteiten.  
 
Bij IP zijn de volgende overwegingen van belang: 
• 

IP heeft betrekking op het aan te schaffen systeem; 

• 

IP vindt plaats op de prioritaire technologiegebieden; 

• 

IP heeft betrekking op defensie- en veiligheidsgerelateerde producten en diensten; 

• 

IP kan relevant zijn bij de instandhouding van het systeem gedurende de levensduur. 

 
Launching customer 
Defensie kan besluiten als launching customer op te treden, onder meer op grond van de 
resultaten uit technologieontwikkeling en CODEMO-projecten. Wanneer Defensie optreedt als 
launching customer, speelt zij een stimulerende rol bij de toepassing van nieuwe technieken. Dit 
vergroot het vertrouwen in Nederlandse producten omdat aangetoond is dat de Nederlandse 
overheid het product operationeel toepast. Voor exportdoeleinden, zeker in de defensie- en 
veiligheidsmarkt, is een dergelijk vertrouwen van groot belang. 
 
3. Instrumenten instandhoudingsfase 
 
Defensie besteedt in toenemende mate onderhouds- en andere (materieel)logistieke taken uit. 
De rol van het bedrijfsleven in de exploitatie neemt daarom toe. Steeds vaker worden nieuwe 
uitbestedingsvormen gebruikt waarbij overheid en civiele partijen samenwerken. Die 
samenwerking strekt zich vaak uit over de ‘voorzien in’-fase én de instandhoudingfase. 
Voorbeelden zijn Publiek-Private Samenwerking, operational leasejoint ventures, etc. Veel van 
deze vormen behelzen een langdurige rol van het bedrijfsleven bij de instandhouding. Deze 
benadering biedt de Nederlandse DVI kansen omdat men kan inspelen op specifieke behoeften 
van Defensie en omdat de nabijheid van de DVI een groot voordeel is voor de instandhouding. 
Hiermee kan voor Defensie de instandhouding beter worden gegarandeerd en kan de DVI 
concurrerend zijn in haar prijsstelling. 
 
4. Instrumenten afstotingsfase 
 
Als Defensie materieel aan andere landen verkoopt, zijn er kansen voor de Nederlandse DVI om 
langlopende opdrachten binnen te halen voor onderhoud, modificaties en andere aanpassingen 
aan het materieel. Defensie kan, in samenwerking met EZ, bij de verkoop van materieel 
Nederlandse bedrijven ondersteunen die geïnteresseerd zijn in dergelijke opdrachten. In de 
praktijk krijgt dit vorm door bij verkoopmissies de planning en strategie in overleg te bepalen. 
Soms speelt Defensie een rol bij het verkrijgen van licenties voor onderhoud en verbetering van 
de verkochte systemen bij de originele leveranciers. Ook hier is een vroegtijdige informatie-
uitwisseling van belang.  

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 19 van 20 

 

 

Bijlage: Evaluatie DIS 

In deze bijlage wordt de evaluatie van de eerste DIS uiteengezet. Geëvalueerd is in hoeverre de 
instrumenten voldeden aan de doelstelling en in hoeverre deze instrumenten bekendheid 
genoten bij de Nederlandse DVI. De evaluatie van de eerste DIS bestond uit de volgende 
onderdelen: 
• 

Evaluatieonderzoek van de prioritaire technologiegebieden; 

• 

Enquête onder de deelnemers van de stichting Nederlandse Industrie voor Defensie & 
Veiligheid (NIDV); 

• 

Enkele afzonderlijke beleidsevaluaties van Defensie en EZ-instrumenten. 

 
Evaluatieonderzoek naar de prioritaire technologiegebieden 
Aan een samenwerkingsverband bestaande uit HCSS en TNO is gevraagd vast te stellen of de in 
de eerste DIS geïdentificeerde prioritaire technologiegebieden nog actueel zijn. Prioritaire 
technologiegebieden zijn die gebieden waar de verwezenlijking van de defensiebehoeftes sterk 
van afhangt. In deze evaluatie moesten tevens de geleerde lessen uit de voorgaande vijf jaar 
worden meegenomen. Ook is gevraagd om tien jaar vooruit te kijken bij de vraag welke, 
eventueel nieuwe, gebieden het meeste toekomstperspectief geven (aan zowel de vraag- als de 
aanbod-zijde), gegeven de veranderende vraag naar defensiecapaciteiten en de ontwikkelingen 
in de internationale samenwerking? Gegeven deze doelstelling is de belangrijkste output van het 
evaluatieonderzoek een geactualiseerde verzameling prioritaire technologiegebieden.  
 
Conclusie is dat de set prioritaire technologiegebieden in essentie nog juist en actueel is. Wel 
zijn enkele accentverschuivingen geconstateerd en zijn enkele nieuwe componenten aan de 
gebieden toegevoegd. Een voorbeeld van een dergelijk nieuw component is Cyber.  
 
NIDV-enquête 
De NIDV heeft onder haar 180 deelnemers een enquête gedaan. Doelstelling van de enquête is 
het toetsen van de bekendheid met de DIS en het beoordelen van het instrumentarium. Deze 
enquête is door 53 respondenten ingevuld en representeert daarmee 29 procent van de 
deelnemers. De respondenten werd gevraagd het DIS-instrumentarium met een cijfer te 
beoordelen. 65 procent van de respondenten bleek niet bekend te zijn met de eerste DIS. Zestig 
procent van de respondenten behoort tot MKB-bedrijven. Deze MKB-bedrijven hebben over het 
algemeen een lage bekendheid met de eerste DIS. Veertig procent van de respondenten behoort 
tot grote Nederlandse of internationale ondernemingen. Onder deze groep is de bekendheid met 
de eerste DIS het grootst. De respondenten beoordelen het DIS-instrumentarium (zowel van 
Defensie als van EZ) als goed, of nagenoeg goed. De NIDV heeft in het verlengde van de 
enquête en in aanloop naar deze DIS een workshop georganiseerd waarin deelnemers werden 
geïnformeerd over de DIS. Ook vertegenwoordigers vanuit Defensie en Economische Zaken 
waren hierbij aanwezig, zodat vragen konden worden beantwoord en er een constructieve 
dialoog tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen ontstond. De inzichten die uit 
voorgaande jaren zijn opgedaan, zijn verwerkt in deze DIS. 
 
Instrumenten die de industrie als goed beoordeelt, zijn: 
• 

Defensie Innovatie Game, 

• 

Defensie Innovatie Competitie, 

• 

De informatie-uitwisseling tussen Defensie en de industrie, 

• 

Technische Wetenschappelijke Attachés van EZ (inmiddels aangeduid als Innovatie 
Attachés), 

background image

Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013 

Pagina 20 van 20 

 

 

• 

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekering onderdeel speuren 
ontwikkelingswerk (WBSO), 

• 

Nationaal Technologie Project (NTP), 

• 

Small Business Innovation Research (SBIR), 

• 

Commissie Defensie Materieel Ontwikkeling (CODEMO), 

• 

Exportkredietverzekering, 

• 

Kansen voor de Nederlandse Defensie- en Veiligheidsindustrie op onderhouds- en 
modificatiecontracten bij afstoting door Defensie en nieuwe uitbestedingsvormen op basis 
van levensduurkosten. 

 
Als grootste tekort van de eerste DIS is steeds naar voren gebracht dat er een grote discrepantie 
is tussen beleid en praktijk. Daarom is een integrale benadering cruciaal, waarbij een duidelijke 
koppeling wordt gelegd tussen het instrumentarium en de aankoopprocedures. 
 
Commissie Defensie Materieelontwikkeling (CODEMO) 
Het CODEMO-instrument (Commissie Defensie Materieelontwikkeling) is een belangrijk en 
gewaardeerd instrument van de DIS gebleken. Initieel was voor het fonds in de jaren 2010 tot 
en met 2012 € 5 miljoen beschikbaar. Bij de begrotingsbehandeling van 2013 is hier echter op 
verzoek van de Tweede Kamer € 5 miljoen aan toegevoegd, waarmee het totale fonds € 10 
miljoen bedraagt. Van dit totaalbedrag is een aanzienlijk deel reeds toegekend. 
 
Maatschappelijke Innovatie Agenda Veiligheid (MIA-V 2008-2012)  
In de eerste DIS is aangekondigd dat onderzocht wordt hoe een innovatieprogramma security 
zou kunnen worden opgezet. Dit heeft in 2008 geresulteerd in een Maatschappelijke Innovatie 
Agenda Veiligheid onder de Innovatieplatforms (pijler 2). In de MIA-V hebben (toen) drie 
ministeries (Defensie, Justitie en BZK) met EZ samengewerkt om ten behoeve van 
maatschappelijke veiligheid innovatie op drie terreinen te bevorderen. Deze drie gebieden 
waren: 
1.  Network enabled capabilities, innovatieve technologie die de informatievoorziening tijdens 

het veiligheidsoptreden verbetert. 

2.  Fysieke bescherming van nieuwe materialen en technologieën om mens, materieel en 

infrastructuur te beschermen. 

3.  Training en opleiding met behulp van simulatie. 
 
In 2008 is de MIA-V van start gegaan met een bescheiden budget. In eerste instantie hebben 
projecten zoals I-Bridge en Edison-TD een impuls gekregen. In 2009 was er een bescheiden 
tender (€ 1,5 miljoen) waarin partijen projecten konden indienen op de drie bovengenoemde 
gebieden. Nadat er na de tussenevaluatie in 2010 een veel groter budget beschikbaar is gesteld, 
is er nog een call van € 23 miljoen onder de Innovatieregeling Maatschappelijke Veiligheid (IMV) 
geweest. Omdat Fysieke Bescherming en Training en opleiding met behulp van simulatie 
onderbelicht waren in deze call, zijn er voor die gebieden twee SBIR’s uitgeschreven. 
 
In totaal zijn er 36 projecten onder de IMV-regeling gesteund. De twee SBIR’s hebben in de 
tweede fase dertien projecten opgeleverd. Inmiddels zijn alle projecten voltooid en is er een 
grote slotbijeenkomst gehouden waar bedrijven (consortia) aan mogelijke eindgebruikers uit de 
first responders-hoek hebben kunnen presenteren wat zij met behulp van de middelen hebben 
ontwikkeld.  
 
Eind 2012 werd het resterende budget van € 2 miljoen voor de MIA-V ingezet voor het 
programma experimenteeromgeving, bewaken & beveiligen, samenwerking tussen Koninlijke 
Marechaussee, V&J en TNO.