Defensie Industrie Strategie
10 december 2013
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 2 van 20
Inhoud
1
Inleiding .................................................................................................................. 3
2
Omgevingsanalyse .................................................................................................... 5
3
Uitgangspunten van het overheidsbeleid ...................................................................... 9
4
Prioritaire technologiegebieden / industriële capaciteiten .............................................. 12
5
Beleidsinstrumenten ................................................................................................. 14
Bijlage: Evaluatie DIS ..................................................................................................... 19
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 3 van 20
1 Inleiding
Aanleiding
In 2007 is de eerste Defensie Industrie Strategie (DIS) verschenen. De ministeries van Defensie
en van Economische Zaken hebben deze in 2012 en 2013 geëvalueerd en vervolgens
geactualiseerd. In de bijlage is een kort verslag van de evaluatie opgenomen. Het resultaat van
de actualisering is deze aangepaste DIS. Hiermee wordt een nieuwe stap gezet in de
intensivering van de dialoog en de samenwerking tussen overheid, de Defensie- en
Veiligheidsgerelateerde Industrie (DVI) en de kennisinstellingen, alsmede in de positionering van
de Nederlandse DVI in internationaal perspectief.
Doelstelling
Nationale veiligheid1 is een verantwoordelijkheid van de overheid. Om deze verantwoordelijkheid
naar behoren te kunnen dragen heeft de overheid onder andere een kwalitatief hoogstaande
krijgsmacht nodig. Voortdurend moderniseren en innoveren is een cruciale eigenschap van een
toekomstbestendige krijgsmacht. Het gaat daarbij niet alleen om het vergroten van de
slagkracht, maar ook om het zo goed mogelijk aanwenden van de beschikbare middelen. Dit
wordt onder meer bereikt via samenwerking met de industrie en de kennisinstellingen in
Nederland binnen de zogenaamde gouden driehoek. Omgekeerd stelt deze samenwerking de
industrie in staat om innovatieve producten en diensten te ontwikkelen, waarmee zij zich op de
internationale defensiemarkt optimaal kunnen positioneren. Voor Defensie zijn operationele en
financiële duurzaamheid belangrijke uitgangspunten, terwijl nationale en internationale
samenwerking mogelijkheden biedt om tot intelligente keuzes te komen. Om dit te bereiken is
een actief overheidsbeleid nodig. Dit resulteert in de volgende doelstelling:
De Defensie Industrie Strategie (DIS) is erop gericht om, vanuit de operationele belangen en
behoeften van Defensie, de Nederlandse Defensie- en Veiligheidsgerelateerde Industrie (DVI) en
kennisinstellingen zo te positioneren dat zij een hoogwaardige bijdrage aan de Nederlandse
veiligheid kunnen leveren. Daarmee kunnen zij ook op de Europese en internationale markt en in
toeleveringsketens competitief opereren.
Gouden driehoek versterkt innovatief vermogen en zelfstandige positie
Samenwerking tussen overheid, DVI en kennisinstellingen is voor alle partijen van belang. Onder
overheid wordt in dit kader verstaan de ministeries van Defensie en Economische Zaken. De DVI
bestaat uit kleine, middelgrote en grote bedrijven die actief zijn op deze markt, met
eindproducten of als toeleverancier. Nederland heeft een DVI met relatief weinig leveranciers
van complete wapensystemen, maar veel midden- en kleinbedrijven (MKB) als toeleveranciers
van (deel)systemen en componenten. Veel bedrijven zijn niche georiënteerd en zijn actief in
zowel het civiele als het militaire domein. De kennisinstellingen zijn de universiteiten,
semipublieke instellingen en kennisinstituten, zoals TNO, NLR en MARIN. Samen vormen
overheid, DVI en kennisinstellingen de gouden driehoek, een dynamisch platform voor
initiatieven en interactie. Door deze nauwe samenwerking versterken zij het innovatieve
vermogen van de hele defensie- en veiligheidssector. Dat is voor een organisatie als Defensie
van levensbelang, om bedreigingen een stap voor te kunnen blijven. Daarnaast is een innovatief
imago voor Defensie belangrijk voor de werving van personeel en bevordert de samenwerking
met het bedrijfsleven het maatschappelijk draagvlak voor Defensie. Een goed functionerende
gouden driehoek raakt daarmee aan de wezenlijke belangen van nationale veiligheid en
1 Onder nationale veiligheid wordt verstaan territoriale, economische, ecologische, fysieke of sociaal-politieke veiligheid.
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 4 van 20
versterkt de positie die Nederland in internationaal verband inneemt (zowel bij overheid,
onderzoek als industrie). In de DIS wordt beschreven hoe deze drie partijen gezamenlijk hieraan
bijdragen. Ook gaat de DIS in op wat nodig is om de DVI en de kennisinstellingen hun bijdrage
te kunnen laten leveren. Materiedeskundigheid, vertrouwen en duurzaamheid zijn daarbij
sleutelbegrippen die moeten doordringen tot in elke punt van de gouden driehoek. De gouden
driehoek is een belangrijk platform en een pijler onder de positie die Nederland wil innemen: in
staat zelfstandig besluiten te nemen en een sterke en gewaardeerde partner bij internationale
samenwerking.
Om de gouden driehoek goed te laten functioneren is het noodzakelijk dat partijen duidelijk hun
rol en verantwoordelijkheden kennen en dat er ruimte is om de samenwerking vorm te geven.
De DVI neemt (investerings)beslissingen mede op grond van beleidskeuzes van de overheid.
Ook de programmering van de kennisinstituten wordt op basis daarvan vormgegeven. De DIS
schept de kaders waarin deze wisselwerking plaatsvindt. In de gouden driehoek komen de
doelstellingen van de drie partijen samen, zoals schematisch is weergegeven in onderstaande
figuur. Het is van belang dat de vervulling van deze drie doelstellingen in samenhang wordt
nagestreefd, zodat er een optimaal resultaat wordt behaald.
Figuur 1: Samenwerking in de gouden driehoek
Leeswijzer
Hoofdstuk twee geeft een analyse van (internationale) ontwikkelingen en omstandigheden
waarbinnen overheid, DVI en kennisinstellingen opereren. In hoofdstuk drie wordt een aantal
voor de DIS relevante uitgangspunten van het overheidsbeleid benoemd, waarbij aspecten van
het defensie en EZ-beleid worden behandeld. Hoofdstuk vier gaat in op prioritaire
technologiegebieden/ industriële capaciteiten en de verhouding tot wezenlijke belangen van
nationale veiligheid. In hoofdstuk vijf wordt tot slot de DIS geoperationaliseerd met behulp van
beleidsinstrumenten.
Gouden
Driehoek
Overheid
Doelstelling: beschikbaarheid
hoogwaardig
defensiematerieel
Defensie & veiligheids-
gerelateerde industrie
Doelstelling: Optimale
(internationale) positionering
Kennisinstellingen
Doelstelling: strategische
kennispositie
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 5 van 20
2 Omgevingsanalyse
Algemeen
Om inzicht te krijgen in de context waarbinnen de samenwerking in de gouden driehoek vorm
krijgt, wordt in dit hoofdstuk de omgeving geschetst. De voornaamste omstandigheden
waaronder de DVI opereert, worden voor een deel bepaald door overheden.
Door krimpende defensiebudgetten in veel Westerse landen is samenwerking noodzakelijk om
essentiële producten en diensten te kunnen blijven leveren. Die samenwerking vindt op veel
verschillende fronten plaats; tussen overheden, maar ook met en tussen kennisinstellingen en
de DVI, zowel nationaal als internationaal. Alleen door deze samenwerking kan
defensiematerieel op een doelmatige en effectieve wijze worden ontwikkeld, geproduceerd en in
stand worden gehouden. De overheid heeft daarmee direct baat bij vruchtbare
samenwerkingsverbanden.
Er is gebrek aan een open en transparante defensiemarkt, zowel op Europees als mondiaal
niveau. Van een gelijk speelveld is (nog) geen sprake.
Verder is er sprake van een dynamische omgeving. Zowel aan de vraag- als aanbodzijde volgen
ontwikkelingen elkaar in hoog tempo op. Dit geldt zowel voor technologische ontwikkelingen, als
voor veranderingen in wet- en regelgeving waarvan de effecten nu nog onduidelijk zijn. Dit kan
ertoe leiden dat binnen de gouden driehoek in gezamenlijkheid wordt geconstateerd dat
bijstelling van rollen en strategie nodig is.
Ook is er sprake van exportbeperkingen. De defensiemarkt is verder een bijzondere markt
vanwege de relatief grote R&D-inspanningen van de DVI. De kennisontwikkeling kan via
kennisuitwisseling elders in de Nederlandse economie extra maatschappelijke baten genereren.
Daarnaast kan de gehele Nederlandse economie profiteren van internationale samenwerking van
de Nederlandse DVI-bedrijven. Kennis uit andere landen kan dan via deze bedrijven door hun
absorptievermogen ook leiden tot extra maatschappelijke baten voor Nederland.
Zowel in het Europese als in het mondiale perspectief spelen deze omstandigheden een rol, zoals
hieronder uiteengezet.
Europees perspectief
In Europa staan landen voor de uitdaging om met schaarser wordende middelen toch
slagvaardige en doelmatige defensieorganisaties te behouden en tevens het
handelingsvermogen te vergroten. Dit leidt tot initiatieven zoals Smart Defence van de Navo en
Pooling & Sharing van de EU en het Europese Defensie Agentschap (EDA). Beide initiatieven
leggen de nadruk op de noodzaak van internationale defensiesamenwerking. Samenwerking is
voor Nederland echter geen doel op zich. Elke samenwerkingsactiviteit moet bijdragen aan de
benodigde capaciteiten voor de uitvoering van één of meer van de drie hoofdtaken van de
krijgsmacht, het vergroten van het handelingsvermogen en het terugdringen van de military
shortfalls.
De huidige Europese defensiemarkt wordt geconfronteerd met twee ontwikkelingen. Allereerst
het structurele probleem van de fragmentatie van de Europese defensiemarkt. Ter bescherming
van wezenlijke belangen van nationale veiligheid overheerst bij lidstaten een voorkeur voor de
nationale industrie bij de aanschaf van defensiematerieel. Als gevolg hiervan is in de EU sprake
van duplicatie van industriële capaciteiten. Hierdoor kan niet of onvoldoende worden
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 6 van 20
geprofiteerd van schaalvoordelen in ontwikkeling en productie. De concurrentiekracht van de
Europese defensie-industrie is daarmee niet zo groot als in potentie mogelijk is. De industriële
overcapaciteit op het gebied van de ontwikkeling en productie van lucht- en landsystemen en in
de marinescheepsbouw bestaat nog steeds. Dit ondanks het proces van herstructurering van de
grote defensieondernemingen in Europa in de afgelopen twintig jaar.
De Europese Commissie heeft in juli 2013 een mededeling uitgebracht over de versterking van
de concurrentiekracht van de Europese defensie- en veiligheidsindustrie2. De mededeling maakt
deel uit van het rapport over het Gemeenschappelijk Veiligheid en Defensie Beleid dat de
voorzitter van de Europese Unie aan de Europese Raad heeft aangeboden. In de mededeling
stelt de Commissie een groot aantal maatregelen voor. Belangrijke actiepunten zijn het
monitoren van een juist gebruik van de richtlijnen voor het creëren van een interne markt (EU
Richtlijn 2009/81 over aanbestedingen op defensie en veiligheidsgebied en EU Richtlijn 2009/43
over intracommunautair verkeer van strategische goederen), het zo snel mogelijk uitfaseren van
compensatie en het monitoren van een juist gebruik van artikel 346 van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie (VWEU)3. Dit artikel staat afwijkingen toe van Europese
regelgeving op het gebied van de interne markt.
Ook streeft de Europese Commissie naar maximale synergie tussen onderzoek op het gebied van
civiele en militaire toepassingen. Daarnaast wordt voorgesteld te komen tot het opstellen van
normen, het toepassen van Europese kaders op het gebied van energie en een check op het
gebruik van zeldzame grondstoffen. Nederland wil vooral dat er meer zicht komt op toegang tot
de toeleveringsketens die nu vooral nationaal georganiseerd zijn. De beide richtlijnen - zo leert
de ervaring tot op heden - zorgen wel voor transparantie van de markt op het niveau van
hoofdleveranciers, maar leiden niet tot het openbreken van toeleveringsketens. Het aantal
publicaties van lidstaten op grond van Richtlijn 2009/81/EU groeit. Het aantal publicaties waarbij
de onderaannemingsclausule4 wordt ingeroepen, is tot nog toe zeer beperkt. De Nederlandse
industrie is vooral een toeleverende industrie die in het verleden met behulp van compensatie
een positie kreeg in die ketens.
De tweede ontwikkeling is dat mede door de economische crisis de defensiebegrotingen in de
Navo- en EU-lidstaten steeds verder zijn verlaagd. Internationale militaire samenwerking tussen
de lidstaten vormt een belangrijke manier om het handelingsvermogen te vergroten en de
military shortfalls terug te dringen. Nederland loopt daarbij voorop in de Navo en de EU.
Het gevolg van deze ontwikkeling voor de nationale en Europese DVI is dat de vraag naar
defensiematerieel afneemt en in tempo wordt vertraagd. De onvermijdelijke reactie van de DVI
hierop ligt in rationalisatie en herstructurering in Europa (nauwere samenwerking tussen
ondernemingen, bedrijfssluitingen en overnames) en versterkte inspanningen op andere
markten buiten Europa, zoals in het Midden-Oosten, Azië en Noord en Zuid-Amerika. Ook de
grootste defensiemarkt, de Verenigde Staten, ontkomt niet aan beperkingen op de
2 Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector, d.d. 24 juli 2013, COM (2013) 542.
3 Artikel 346 VWEU:
1. De bepalingen van de Verdragen vormen geen beletsel voor de volgende regels:
a. geen enkele lidstaat is gehouden inlichtingen te verstrekken waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de
wezenlijke belangen van zijn veiligheid;
b. elke lidstaat kan de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn
veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapenen, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen
mogen de mededingingsverhoudingen op de interne markt niet wijzigen voor producten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire
doeleinden.
2. De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie wijzigingen aanbrengen in de lijst van de producten
waarop de bepalingen van lid 1, onder b), van toepassing zijn, die hij op 15 april 1958 heeft vastgesteld.
4 Met behulp van de onderaannemingsclausule kan een verwervende instantie de potentiële leveranciers verplichten om tot dertig
procent van de contractwaarde openbaar aan te besteden.
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 7 van 20
defensiebegroting op de langere termijn. Ook kampen de Verenigde Staten met industriële
overcapaciteit als gevolg van de gefaseerde terugtrekking uit Irak en Afghanistan en grote
onzekerheden met betrekking tot de gevolgen van de reducties op de defensiebegroting in de
komende jaren.
Mondiaal en trans-Atlantisch perspectief
De DVI in Europa, de Verenigde Staten, Rusland en China zullen elkaar in toenemende mate
tegenkomen bij hun exportinspanningen op de markten in bijvoorbeeld het Midden-Oosten en
Zuidoost-Azië. Op mondiaal niveau komen, theoretisch beschouwd, de defensiebestedingen voor
materieel en diensten meer in evenwicht wanneer de groei van de nieuwe markten de krimp op
de traditionele Atlantische markten compenseert. De Amerikaanse markt is nog steeds de
grootste, maar het relatieve belang zal in de komende vijf jaar geleidelijk afnemen.
Verschillende opkomende landen zullen naar verwachting in de toekomst meer investeren in
defensieprogramma’s dan Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De opkomende markten vragen
hun leveranciers in toenemende mate om (vormen van) compensatie of industriële participatie
bij materieelverwerving. Ondanks hun groei hebben de opkomende landen doorgaans geen
eenvoudig te betreden markten. De DVI in de Verenigde Staten en in Europa anticiperen op hun
beurt op deze veranderende omstandigheden. Men wordt selectiever in de marktkeuze,
investeert in lokale vestigingen of overnames op nieuwe markten en men zet zich meer in om
zowel militaire als civiele omzet te realiseren. Dit alles resulteert in de volgende projectie van de
wereldwijde defensie-uitgaven in percentages van het totaal, over 2012 afgezet tegen 2017.
Figuur 2: Wereldwijde defensie-uitgaven in % van totaal, in 2012 (links) en de
projectie 2017 (rechts) (bron: HCSS/TNO)
De Original Equipment Manufacturers (OEM’s) van defensiesystemen bevinden zich in Europa in
het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en Zweden. Verder bestaan er
transnationale industrieconcerns, terwijl er door Europese ondernemingen in
defensiematerieelprojecten ook wordt samengewerkt in consortia. Op de Europese markt zijn
ook de grote Amerikaanse defensiebedrijven actief. De middelgrote en kleinere EU-lidstaten
(waaronder Nederland) beschikken over een bescheidener DVI die veelal als toeleverancier
optreedt voor de grote Europese en Amerikaanse OEM’s. De toegang tot die internationale
toeleveringsketens werd met behulp van het compensatiebeleid bij de OEM’s in die landen
afgedwongen. De voormalige Oost-Europese staten beschikken over een eigen DVI, die zich
moderniseert mede met behulp van het compensatiebeleid of vergelijkbare afspraken bij de
aanschaf van Amerikaans en Europees defensiedefensiematerieel.
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 8 van 20
Effecten op Nederlandse DVI
Met richtlijn 2009/81/EC heeft Europa een stap gezet richting een open defensie- en
veiligheidsmarkt. Doel van de richtlijn is een ondershandse gunning van opdrachten aan de
nationale industrie of een eis van compensatieorders bij internationale verwerving in Europa
terug te dringen. Wel blijft het op grond van wezenlijke nationale veiligheidsbelangen in
specifieke gevallen mogelijk uitzonderingen te maken met een beroep op artikel 346 VWEU.
Deze DIS vormt de beleidsmatige verankering van de gevallen waarin een beroep hierop kan
worden voldaan. Dit is ten opzichte van de vorige DIS een van de belangrijkste veranderingen,
waarbij de - in hoofdstuk vier - genoemde prioritaire technologiegebieden/ industriële
capaciteiten op hoofdlijnen aangeven waar Nederland in het kader van deze strategie zijn
wezenlijke belangen van nationale veiligheid koppelt.
Tegelijkertijd is er zelfs met deze Europese richtlijn in Europa nog lang geen open defensie- en
veiligheidsmarkt, laat staan buiten Europa. De richtlijn draagt, zoals eerder aangegeven, wel bij
aan de transparantie van de markt op het niveau van hoofdleveranciers, maar leidt niet tot het
openbreken van toeleveringsketens. De beleidsinstrumenten uit de eerste DIS, die in de
evaluatie als effectief zijn beoordeeld (zie bijlage), blijven daarom onverkort relevant. Sterker
nog, door de afnemende defensiebudgetten in de Westerse landen en de daardoor toenemende
afhankelijkheid van de DVI van orders in de internationale markt buiten Europa, worden de
instrumenten om de samenwerking in de gouden driehoek te bevorderen alleen maar relevanter.
In de volgende hoofdstukken worden deze instrumenten uitgewerkt.
Dit neemt niet weg dat het streven naar een open defensie- en veiligheidsmarkt onze volle steun
verdient, zowel in Europees verband als daarbuiten. Naarmate die open markt zich in de
toekomst verder ontwikkelt, kunnen de instrumenten in deze DIS worden herzien.
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 9 van 20
3 Uitgangspunten van het overheidsbeleid
Defensiebeleid
Algemeen
Defensie beschikt met de nota ‘In het belang van Nederland’ van 17 september 2013 over een
richtinggevend en toekomstgericht document. De nota staat voor een operationeel en financieel
duurzame krijgsmacht die in toenemende mate samenwerkt met andere landen, met andere
delen van de overheid, met het bedrijfsleven en met de kennisinstellingen. Binnen die kaders is
de inrichting van de krijgsmacht bepaald. Een krachtige en internationaal inpasbare krijgsmacht
blijft nodig. Dat vereist permanente inspanning en een besef van de waarde van defensie. Het is
in dat kader van belang dat het ministerie van Defensie zichtbaar en overtuigend de belangen
van Nederland behartigt. Dit moet tot uitdrukking komen in de uitvoering van missies, operaties
en overige activiteiten, nationaal en internationaal. Voorts moet Defensie in staat zijn in te
spelen op veranderingen. De behoefte aan flexibiliteit neemt toe.
Kennis- & innovatiebeleid
Binnen de contouren van het generieke rijks- en defensiebeleid wordt aan kennis5 en innovatie
(K&I) specifiek richting gegeven door middel van het K&I-beleid. Onderdelen daarvan zijn de
Strategie-, Kennis- & Innovatieagenda (SKIA)6 en de Herijking Kennisportfolio Defensie (HKD)7.
Het K&I-beleid van Defensie geeft richting aan de effectieve en doelmatige ontwikkeling van een
wetenschappelijke en technologische kennisbasis bij de publieke kennisinfrastructuur voor
toegepast onderzoek. Het betreft de ontwikkeling van defensie-specifieke kennis en technologie
die zonder gerichte investering van Defensie niet beschikbaar komt of toegankelijk is. De
kennisportfolio wordt periodiek herijkt om keuzes te kunnen maken over de toekomstige
zwaartepunten voor kennisontwikkeling bij kennisinstellingen.
Innovatie betreft het introduceren van nieuwe technologieën, materieel, diensten, concepten en
processen. Het is de laatste stap in een proces dat begint bij de opbouw van wetenschappelijke
kennis, een vervolg krijgt in technologieontwikkeling en via prototype- en materieelontwikkeling
resulteert in de gewenste innovatie. Afstemming en samenwerking geschieden binnen de gouden
driehoek. Door de krimpende budgetten en de toenemende materieelverwerving ‘van de plank’,
verandert de rol van Defensie in de gouden driehoek. Veel kennis is uit de defensieorganisatie
weggevloeid. Het bedrijfsleven en de kennisinstellingen beschikken (nog wel) over deze kennis
en kunde en kunnen door nauwere samenwerking deze lacune opvullen. Hierdoor verandert ook
de rol van het bedrijfsleven en de kennisinstellingen in de driehoek. Zij zullen meer dan in het
verleden worden uitgenodigd om al voorafgaande aan de behoeftestelling te participeren. Dit
wordt onder meer vormgegeven met een innovatietool zoals Concept Development &
Experimentation (CD&E).
Materieel- en verwervingsbeleid
Het materieelbeleid van Defensie heeft tot doel de krijgsmacht zo kosteneffectief mogelijk te
voorzien van het benodigde materieel. Defensie verwerft in de regel materieel ‘van de plank’.
Het kan daarbij gaan om civiele producten (commercial off the shelf – COTS) of militaire
5 Onder ‘kennis’ wordt hier verstaan wetenschappelijke en technologische kennis bij de publieke kennisinfrastructuur.
6 Kamerstuk 32 733, nr. 3 van 19 mei 2011
7 Kamerstuk 27 830, nr. 71 van 28 januari 2010
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 10 van 20
producten (military off the shelf – MOTS). Het COTS/MOTS-uitgangspunt betekent dat Defensie
meer (maar vooral ook intelligenter) gebruik zal gaan maken van bestaande ‘van de plank’-
technologie en producten om kosten te reduceren en beter te beheersen. Dit uitgangspunt is in
toenemende mate van belang om het beste verwervingsresultaat te bereiken. Zoals vastgelegd
in het toetsingskader materieelverwerving8 wordt alleen in specifieke gevallen van dit
uitgangspunt afgeweken. Modulariteit, uitbreidbaarheid en open standaarden en architecturen
gelden als belangrijke voorwaarde bij het ontwerpen, bouwen en samenstellen van systemen en
capaciteiten. Defensie onderkent het belang van het vroegtijdig beschouwen van de totale
levenscyclus van materieel om afwegingen tussen (levensduur)kosten, prestaties, flexibiliteit en
risico’s te kunnen maken.
Aanschafstrategieën zijn erop gericht om het beste verwervingsresultaat te bereiken binnen de
randvoorwaarden product, tijd en geld. Deze DIS beoogt hiertoe een intensivering van dialoog
en samenwerking tussen overheid, DVI en kennisinstellingen. In de aanschafstrategie is sprake
van de volgende opties. Als eerste wordt een keus gemaakt tussen ontwikkelen (samen met
(inter)nationale partners) en kopen van (sub)systemen of platforms ‘van de plank’. Als er sprake
is van internationale materieelsamenwerking, worden ook afspraken gemaakt over industriële
participatie en werkverdeling. In het geval van verwerving ‘van de plank’, gebeurt dat onder
internationale concurrentiestelling. Er zijn dan verschillende opties van verwerving: de Algemene
Aanbestedingswet (AW), de Aanbestedingswet op het gebied van Defensie en Veiligheid (ADV)
voor militaire goederen en diensten, voor civiele goederen en diensten en de nationale
regelgeving indien aan de voorwaarden van artikel 346 VWEU wordt voldaan. Tot slot kan met
een beroep op artikel 346 VWEU, vanwege wezenlijke nationale veiligheidsbelangen, in
Nederland worden ingekocht. Deze opties zijn zowel aan de orde wanneer het de aanschaf van
nieuw materieel betreft, als wanneer het gaat om instandhouding (dan wel combinaties hiervan).
De vragen “Zelf doen? Samen doen? Laten doen?” (sourcing) maken deel uit van het
verwervingsproces. Niet-strategische onderhoudsactiviteiten worden zoveel mogelijk uitbesteed
(laten doen). Bij strategische onderhoudsactiviteiten die rechtstreeks samenhangen met de inzet
van de krijgsmacht zal meer worden samengewerkt met de (Nederlandse) DVI.
Gezien de relatief geringe omvang van de Nederlandse defensiemarkt is internationale
samenwerking zowel voor de overheid als het bedrijfsleven noodzakelijk. In het geval dat wordt
gekozen voor internationale samenwerking levert dit op het gebied van ontwikkeling, productie
en instandhouding voordelen op. Defensie kan dan een kwalitatief hoogwaardig product
verwerven met een goede prijs-kwaliteitverhouding en het vergroot de interoperabiliteit met
partners. Door kennisverwerving wordt Defensie een klant met een sterke positie bij de aankoop
en het gebruik (smart specifier, buyer, user en maintainer). Ook de industrie kan zich door
deelname aan de ontwikkelingsfase beter positioneren voor opdrachten in de productiefase. Door
kennisopbouw kan de industrie zich een betere positie verwerven in de internationale
productienetwerken en toeleveringsketens. Deze voordelen laten onverlet dat er ook risico’s zijn
verbonden aan internationale materieelsamenwerking.
EZ-beleid
Bedrijvenbeleid
De overheid werkt met het bedrijvenbeleid aan het behoud en de verdere verbetering van de
uitgangspositie van de Nederlandse economie. Het bedrijvenbeleid is gericht op het versterken
van de concurrentiekracht en het stimuleren van het innovatieve vermogen van de Nederlandse
economie. Bedrijven en kennisinstellingen hebben ook hun eigen verantwoordelijkheid, zoals het
8 Kamerstuk 32 733, nr. 77 van 1 juli 2012
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 11 van 20
(meer) investeren in R&D. Hierbij wordt opgemerkt dat de Nederlandse DVI een hoog
percentage (32 procent) investeert in R&D9.
Generiek en topsectorenbeleid
Ook de overheid heeft een eigen rol vanuit haar publieke verantwoordelijkheid, onder andere
vanwege de zorg voor werkgelegenheid en het bevorderen van economische groei. Concreet
bestaat dit uit twee sporen: een generiek spoor dat ruimte biedt voor álle ondernemers en een
specifiek spoor gericht op topsectoren.
Met de inzet van het generieke instrumentarium worden alle ondernemers ondersteund, en
krijgen ook uitdagers een kans. Voorbeelden van belangrijke thema’s zijn de aanpak van de
regeldruk, financiering, onderwijs, infrastructuur en een laagdrempelig innovatie-
instrumentarium (fiscaal). Hiervan kan ook de Nederlandse DVI profiteren.
Met het tweede spoor - het topsectorenbeleid - levert de overheid maatwerk voor negen
topsectoren: Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, Agri & Food, Water, Life Sciences & Health,
Chemie, High tech, Energie, Logistiek en Creatieve Industrie. Uitgangspunt van dit beleid is dat
knelpunten en kansen effectiever kunnen worden opgepakt wanneer een goede wisselwerking
bestaat in de gouden driehoek. Kernbegrippen zijn: vraaggestuurd, integraal en publiek private-
samenwerking.
De topsectoren zijn gezamenlijk van groot belang voor de Nederlandse economie en het
toekomstige groeivermogen door hun grote toegevoegde waarde, belangrijke kennis en
spillover-effecten en als fundamentele schakel voor het absorberen van buitenlandse kennis.
Verder hebben ze onder meer met elkaar gemeen dat het om zeer innovatieve sectoren gaat (in
totaal nemen de topsectoren meer dan 95 procent van de private R&D in Nederland voor hun
rekening), dat ze exportintensief zijn en een bijdrage leveren aan de oplossing van
maatschappelijke vraagstukken (inclusief nationale veiligheid). Hoewel Defensie & Veiligheid niet
als separate topsector is benoemd, maken bedrijven in de Nederlandse DVI deel uit van ten
minste zeven van de negen topsectoren. Zoals hierboven al is opgemerkt, is de gouden driehoek
binnen het defensiedomein een cruciaal onderdeel om de DIS inhoud te geven. In dit opzicht
sluit de DIS aan op de Topsectorenaanpak.
Beleid voor defensie- en veiligheidsgerelateerde industrie
Omdat er geen open en transparante defensiemarkt is, hanteert de overheid verschillende
corrigerende instrumenten. Daarnaast zet de overheid zich in om de open en transparante markt
te bereiken. Dit doet zij onder andere door op Europees niveau te pleiten voor monitoring van de
openheid van de toeleveringsketens en aan te dringen op aanvullende instrumenten die dit tot
doel hebben. De overheid ondersteunt de DVI en de kennisinstellingen om een goede
exportpositie te verwerven.
9 Bron: Onderzoeksrapport Nederlandse defensie- en veiligheidsgerelateerde industrie, Triarii, 2012 (zie Kamerstuk 31 125, nr. 11
van 4 juni 2012)
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 12 van 20
4 Prioritaire technologiegebieden / industriële capaciteiten
Zoals in hoofdstuk 1 gesteld is de DIS erop gericht om vanuit de operationele belangen en
behoeften van Defensie de Nederlandse DVI en kennisinstellingen te positioneren. Hierbij is het
uitgangspunt kwalitatief hoogwaardige producten, waarbij ongewenste prijsopdrijving en
nadelen van concurrentiebeperking niet aanvaardbaar zijn.
Voor de wezenlijke belangen van nationale veiligheid is onder meer kennis en kunde op de
hieronder beschreven gebieden essentieel. Deze kennis en kunde zijn verdeeld over de partners
in de gouden driehoek. Doordat Nederland op bepaalde gebieden excelleert, kan zij bijdragen
leveren aan de European Defence Technological and Industrial Base (EDTIB).
HCSS en TNO hebben in opdracht van Defensie en EZ de prioritaire technologiegebieden in de
DIS uit 2007 geactualiseerd. Enerzijds zijn gebieden geïdentificeerd waarop de belangrijkste
(toekomstige) behoeften van Defensie aan capaciteiten - en daarmee aan
technologieontwikkeling - worden voorzien (vraagzijde). Anderzijds zijn de gebieden bepaald
waarop de (technologische) sterkten van de DVI op de defensiemarkt liggen (aanbodzijde). De
overlap tussen vraag- en aanbodzijde leidt tot een deelverzameling van prioritaire
technologiegebieden en industriële capaciteiten. Deze deelverzameling is richtinggevend voor de
bescherming van wezenlijke belangen van nationale veiligheid, omdat:
(1) hiermee het benodigde kennisniveau in stand wordt gehouden om als smart
buyer/user/maintainer te kunnen acteren, en
(2) deze instandhouding van het kennisniveau ook nodig is voor de ontwikkeling en
instandhouding van basis- en nichecapaciteiten waarover Defensie wil beschikken.
Deze deelverzameling is kansrijk om de hierop actieve DVI te positioneren, in overeenstemming
met de doelstelling van de DIS.
Figuur 3: Match van vraag- en aanbodzijde, leidend tot prioritaire
technologiegebieden / industriële capaciteiten10 .
Het instrumentarium van de DIS richt zich op de volgende gebieden:
1. Geïntegreerd (sub)systeemontwerp en –ontwikkeling: Dit betreft het ontwerp, de
ontwikkeling, de productie en de inzet van geïntegreerde militaire systemen. De
(sub)systemen worden gekenmerkt door flexibiliteit en aanpassingsvermogen, minimale
bemanningen, onbemand en autonoom, lage levensduurkosten, energiezuinig, duurzaam en
hoge inzetbaarheid.
10 Deze worden ook wel met het koepelbegrip ‘ kennis en kunde’ samengevat.
Vraagzijde:
Behoefte Defensie
aan (operationele)
capaciteiten
Aanbodzijde:
Sterkten DVI in
internationaal
perspectief
Kansen DVI:
Prioritaire
technologie-
gebieden /
industriële
capaciteiten
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 13 van 20
2. Sensoren, C4I en automatisering: Dit betreft sensorsystemen (radar, elektro-optisch,
akoestisch, biometrisch) voor het waarnemen en in kaart brengen van de omgeving, de
gerelateerde informatieverwerkingscapaciteit en het (geautomatiseerd) aansturen van
tegenmaatregelen. De systemen worden gekenmerkt door sensorfusie, patroonherkenning,
integratie in netwerken, interoperabiliteit en autonome informatieverwerking en aansturing.
3. Geavanceerde materialen en componenten: Dit betreft de ontwikkeling, de productie,
de verwerking en het gebruik van geavanceerde (nieuwe) materialen en componenten met
generieke toepassingsmogelijkheden in het militaire domein. Nieuwe materialen en
componenten maken systemen lichter, kleiner, sneller, sterker, goedkoper en slimmer,
bieden een hogere bescherming en maken kosteneffectiever onderhoud mogelijk.
4. Simulatie en simulatoren ten behoeve van opleiding & training: Dit betreft
ontwikkeling en productie van simulatoren om militaire situaties, omgevingen en activiteiten
na te bootsen ten behoeve van opleiding, training en missievoorbereiding.
5. Elektronische en informatiebescherming / bewapening: Dit betreft defensieve
(cyber)capaciteiten voor informatiebescherming en integriteitsbewaking en capaciteiten voor
offensieve (cyber)activiteiten inclusief psyops en strategisch informatiegebruik, als
tegenaanval of als onderdeel van een actieve verdediging.
De genoemde technologiegebieden met daaraan gekoppeld industriële capaciteiten geven op
hoofdlijnen weer waaraan Nederland in het kader van deze strategie zijn wezenlijke belangen
van nationale veiligheid koppelt. Op case-by-case basis wordt beoordeeld welke maatregelen
kunnen worden ingezet of noodzakelijk zijn om dit belang te beschermen. Wat innovaties betreft
beperkt de behoefte van Defensie zich niet tot de hierboven genoemde prioritaire technologieën.
Een voorbeeld is de behoefte aan innovatie op energiesystemen. Vergroening en verduurzaming
van deze systemen zijn belangrijk voor het verminderen van operationele afhankelijkheden en
kwetsbaarheden maar ook vanwege milieuregelgeving.
Samenwerking - zowel nationaal als internationaal - is noodzakelijk om defensiematerieel in de
toekomst op een effectieve en doelmatige wijze te ontwikkelen, te produceren en in stand te
houden. In dit kader is een vitale nationale DVI van belang om Defensie als gedegen partner te
kunnen ondersteunen. Het is daarmee van wezenlijk belang voor de nationale veiligheid dat de
Nederlandse DVI volwaardig kan participeren op Europees en mondiaal niveau. Dit rechtvaardigt
de toepassing (technologie-)instrumentarium dat Defensie ter beschikking staat, om de
Nederlandse DVI hiervoor te positioneren. Bij de inzet van dit instrumentarium zijn de
operationele belangen en behoeften van Defensie leidend. Naast het feit dat Defensie kwalitatief
hoogwaardige producten wenst af te nemen, kan zij het zich niet veroorloven dat een beperking
van marktwerking leidt tot ongewenste prijsopdrijving of tot andere nadelen van
concurrentiebeperkingen. De uitvoering geschiedt bij voorkeur in de driehoek Defensie,
kennisinstellingen en DVI. Defensie levert met de inzet van het technologie-instrumentarium
tevens een actieve bijdrage aan het bedrijfslevenbeleid van de regering.
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 14 van 20
5 Beleidsinstrumenten
Overheid en Nederlandse DVI
Net zoals voor andere bedrijven geldt dat de Nederlandse DVI-bedrijven in eerste instantie zelf
de verantwoordelijkheid hebben om zich goed te positioneren door innovatief te zijn en
opdrachten te verwerven op de nationale en de internationale defensie- en veiligheidsmarkt. De
DVI kan daarbij om te beginnen gebruik maken van het reguliere instrumentarium dat voor
bedrijven beschikbaar is, zoals Internationaal Ondernemen. Dit instrumentarium bevat onder
andere verzekering (Exportkredietverzekering) en financiering (Fonds Opkomende Markten,
Private Sector Investeringsprogramma en Finance for International Business). Er is ook een
subsidieregeling voor Kennisverwerving, Haalbaarheidsstudie en Demonstratieprojecten die
mogelijk interessant is voor bedrijven die actief exportmogelijkheden zoeken. Ondernemers die
de grens over willen, kunnen ook voor hulp, informatie en advies terecht bij AgentschapNL11
Internationaal, bijvoorbeeld voor informatie of hulp bij het zoeken naar partners door middel
van:
•
Enterprise Europe Network
•
Zakenpartnerscans
•
Meldpunt handelsbelemmeringen
•
Starters International Business
•
Economische missies
•
Economische diplomatie, incl. Innovatie Attachés
•
Partners for International Business – direct gekoppeld aan de topsectoren.
Om het level playing field te bevorderen, respectievelijk de Nederlandse DVI internationaal te
positioneren, zijn er ook de volgende instrumenten:
•
Het exportoverleg tussen Nederlandse exporterende bedrijven, Defensie, EZ en BZ.
•
Ondersteuning bij vakgerichte beurzen door Defensie en EZ in samenwerking met de NIDV.
•
Handelsmissies, eventueel onder leiding van de speciaal voor export aangestelde
defensiefunctionaris.
De DVI kan ook gebruik maken van het instrumentarium van het generieke bedrijvenbeleid,
zoals de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk, Research and Development Aftrek en de
toeslag voor Topconsortia voor Kennis & Innovatie (TKI-toeslag). Ook diverse instrumenten die
financiële ondersteuning bieden, zoals het Besluit Borgstelling MKB-kredieten en de Garantie
Ondernemingsfinanciering12, zijn open voor de DVI.
Aan de hand van de levensduurcyclus van defensiematerieel wordt hierna het instrumentarium
beschreven dat gedurende die levenscyclus kan worden ingezet. Dit instrumentarium is zowel
van Defensie als van Economische Zaken. Deze cyclus bestaat uit de volgende fasen:
1. (pre-)behoeftestellingsfase
2. ‘voorzien in’-fase
3. operationele en instandhoudingsfase
4. afstotingsfase.
11 Voor uitgebreide informatie zie www.agentschap.nl/onderwerpen/internationaal-ondernemen
12 Voor uitgebreide informatie zie www.agentschap.nl/onderwerpen/innovatief-ondernemen
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 15 van 20
In alle fasen van de levensduurcylus is informatie-uitwisseling over de (toekomstige) behoeften
van Defensie enerzijds en het incorporeren van de sterkten van de Nederlandse industrie in de
analyses en besluitvorming van Defensie anderzijds van essentieel belang.
1. Instrumenten (pre-)behoeftestellingsfase
Programmafinanciering van kennisinstituten
Met de programmafinanciering investeert Defensie in toegepast onderzoek bij de
kennisinstituten op defensiespecifieke kennisgebieden. In de beleidsnota Herijking
Kennisportfolio Defensie (HKD) in 2010 zijn deze kennis- en expertisegebieden vastgesteld. De
brug met het fundamentele onderzoek bij universiteiten wordt onder meer gelegd door de inzet
van AIO’s in het toegepaste onderzoek. Met dit instrument wordt een kennisbasis opgebouwd
waarmee Defensie zich kan laten adviseren bij onder andere de verwerving van materieel.
Met de programmafinanciering (SamenwerkingsMiddelen Onderzoek, SMO) investeert EZ in
toegepast onderzoek bij de kennisinstituten in het kader van het generieke Topsectorenbeleid.
Ook de defensie- en veiligheidsgerelateerde industrie kan via het Topsectorenbeleid meesturen
op de inzet van deze middelen.
Technologieontwikkelingsprojecten
Met het instrument voor technologieontwikkeling wordt vooral op de onderkende prioritaire
technologiegebieden door Defensie geïnvesteerd. De DVI wordt hierbij uitdrukkelijk ook de
mogelijkheid geboden om zich op de nationale en internationale markt te positioneren. Bij de
beoordeling van de voorstellen vormen aansluiting bij de defensiebehoeften het belangrijkste
criterium. Als voortvloeisel van de ambitie meer internationaal samen te werken zullen ook veel
technologieontwikkelingsprojecten in internationaal samenwerkingsverband worden uitgevoerd.
De kracht van deze technologieontwikkelingsprojecten is gelegen in de directe verbinding en
nauwe samenwerking tussen ontwikkelaar en gebruiker. Dit resulteert in hoogwaardige, op de
gebruiker toegesneden oplossingen.
Commissie Defensie Materieel Ontwikkeling (CODEMO)
De CODEMO is een prominent instrument van de DIS. Via de CODEMO kunnen Nederlandse
bedrijven, vooral het MKB, bij Defensie voorstellen voor innovatieve productontwikkeling
indienen. Na honorering neemt Defensie de helft van de kosten voor de productontwikkeling
voor haar rekening. Als de bedrijven hun producten ook elders kunnen verkopen, ontvangt
Defensie royalty’s, die vervolgens weer in het CODEMO-fonds worden gestort.
Defensie Innovatie Competitie
Met een instrument zoals de Defensie Innovatie Competitie, bevordert Defensie het innoverend
vermogen van het Nederlandse DVI. Defensie schetst een militair probleem en daagt daarmee
de DVI uit om met innovatieve oplossingen voor het geschetste probleem te komen. De winnaar
ontvangt een contract met Defensie om het idee verder door te ontwikkelingen. In het kielzog
van de winnaar komen andere deelnemers frequent in aanmerking om met Defensie een
technologieontwikkelingsproject te beginnen. Daar waar een dual use thema wordt
uitgeschreven streeft Defensie ernaar dit instrument samen met het ministerie van Veiligheid en
Justitie (V&J) in te zetten.
Defensie Innovation Game
Met het instrument van de Innovation Game stimuleert Defensie het innoverend vermogen van
de Nederlandse DVI en de kennisinstellingen. In gezamenlijke intensieve brainstormsessies met
operationele mensen (toekomstige leidinggevenden), DVI en kennisinstellingen kunnen zeer
premature ideeën gezamenlijk getoetst en ontwikkeld worden. De winnaar krijgt een financiële
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 16 van 20
bijdrage van Defensie om zijn product door te ontwikkelen. De waarde ligt primair op het
conceptuele vlak: het MKB krijgt een unieke kans om met operationele mensen te sparren over
ideeën. Daarnaast is het een investering in de toekomst, want de toekomstige leidinggevenden
van Defensie worden geconfronteerd met de mogelijkheden van de DVI en van
kennisinstellingen en werken zelf aan een innovatieve mindset.
Small Business Innovation Research (SBIR)
Small Business Innovation Research (SBIR) is een rijksbreed instrument waarmee de overheid
het innoverend vermogen van het Nederlands bedrijfsleven wil vergroten. SBIR houdt in dat de
overheid het Nederlandse bedrijfsleven in competitie opdracht geeft om oplossingen te
ontwikkelen voor maatschappelijke problemen. Een SBIR-project om een product te ontwikkelen
bestaat uit drie fasen: een haalbaarheidsfase, een R&D-fase en een fase van commercialisatie en
marktintroductie. De overheid geeft, na beoordeling van de offertes, opdracht voor de eerste
twee fasen en financiert die ook volledig. De laatste fase wordt door het bedrijf zelf gefinancierd.
Het initiatief voor een SBIR-oproep ligt bij de overheid.
Informatie-uitwisseling, functionele specificaties en marktpositie
Het verkennen van de mogelijkheden begint met de vroegtijdige informatie-uitwisseling tussen
Defensie, EZ en de Nederlandse DVI over zowel toekomstige behoeften en plannen van Defensie
als belangrijke ontwikkelingen bij de industrie. Door de wisselwerking kunnen vervulling van
behoeften bij Defensie en prioriteitstelling bij de industrie elkaar aanvullen. Daarnaast is
dergelijke informatie-uitwisseling mogelijk in een pre-behoeftestellingsconsultatie. De aandacht
voor potentiële kosteneffectieve oplossingen voor operationele uitdagingen wordt vergroot, en
het ontwerp van producten kan worden beïnvloed. Deze uitwisseling krijgt vorm door het
organiseren van interactieve themadagen rondom bepaalde behoeften, technologieën of andere
thema’s. Een themadag kan zich richten op een cluster van Nederlandse bedrijven dat actief is of
kan worden op een van de prioritaire gebieden.
Voor een productieve dialoog zijn enkele randvoorwaarden van groot belang. Defensie dient zo
lang mogelijk haar behoeften functioneel te specificeren om ruimte te laten voor de beste
oplossing. Verder moet Defensie wet- en regelgeving in acht nemen en het evenwicht bewaren
tussen aan de ene kant aanvaardbare veiligheidsrisico’s, het behoud van autonomie en een
goede marktpositie als klant, en aan de andere kant de noodzakelijke openheid om het
innovatieve vermogen van de Nederlandse DVI te mobiliseren. De industrie moet het evenwicht
bewaren tussen openheid (de omgang met vertrouwelijke informatie zowel naar Defensie als
naar mogelijke samenwerkingspartners), bereidheid tot samenwerken (met het oog op een
betere positie voor alle partners op langere termijn) en betrouwbaarheid (in de prioriteitstelling
bij het nemen van investeringsbeslissingen).
Een ander aspect vormt de uiteindelijke exploitatie. Zo zijn de totale levensduurkosten
richtinggevend in alle levensduurfasen. De grootste invloed daarop bestaat in de pré-
behoeftestellingsfase. De Nederlandse DVI kan hier zelf kansen creëren door
exploitatieoverwegingen een nadrukkelijke rol te laten spelen bij productontwikkeling en
-ontwerp (best value for money).
Met het clusteren van bedrijven en kennisinstellingen en het overleg daarover met de overheid is
tijdens de eerste DIS-periode veel ervaring opgedaan. Het NIFARP-platform deed dit bij de
aankoop van de F-35 en het Nederlands Marinebouw Cluster deed dit bij de vervanging van
fregatten en bevoorradingsschepen. Er zijn nieuwe platforms opgericht op het gebied van
‘Operationele Energie’ en ‘Veilig Samenwerken’. Bij komende vervangingsprogramma’s kan een
dergelijke aanpak opnieuw zijn vruchten afwerpen.
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 17 van 20
Defensie maakt op verschillende kennisgebieden waarop de behoefte zich duidelijk manifesteert,
gebruik van zogenaamde informele kennisnetwerken13. In beginsel zijn die kennisnetwerken een
uniek platform om DVI, kennisinstellingen en Defensie bijeen te brengen. Door het uitwisselen
van informatie kan een gezamenlijk toekomstbeeld worden gegenereerd en kunnen
ontwikkelingen in het vakgebied worden gesynchroniseerd.
2. Instrumenten ‘voorzien in’-fase
Informatie-uitwisseling
Ook in deze fase is een goede en tijdige informatie-uitwisseling cruciaal voor het benutten van
de sterke kanten van de Nederlandse DVI. In situaties waarin de informatie-uitwisseling en
samenwerking in de voorgaande fase goed van de grond zijn gekomen, is er in deze fase een
goede uitgangspositie. Het is echter in deze fase van belang dat de resultaten in de voorgaande
fase werkelijk een rol spelen in de volgende fasen van de DMP-procedure. Verder is het bij
projecten waarvoor ook industriële participatie wordt gevraagd op basis van een beroep op
artikel 346 VWEU, belangrijk om in een zo vroeg mogelijk stadium de mogelijkheden van de
Nederlandse industrie onder de aandacht van de potentiële leveranciers te brengen. Aan het
begin van de voorstudiefase van het DMP heeft overleg plaats tussen de Nederlandse DVI,
Defensie en EZ om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn van de Nederlandse DVI om deel
te nemen aan het project en om vast te stellen hoe deze het best kunnen worden benut. Het
betreft in ieder geval projecten waarvan de waarde boven de € 25 miljoen ligt.
In 2010 is bij Defensie een Navo-expert benoemd, die zorg moet dragen voor een goede relatie
tussen Nederland en de Navo, inclusief de Nederlandse industriële belangen daarin. Deze expert
draagt bij aan de informatie-uitwisseling en wijst Nederlandse bedrijven op mogelijkheden in
Navo-verband.
Verwervingsstrategie
Bij de verwerving is de eerste vraag of het materieel (al dan niet in een internationaal
samenwerkingsverband) van ‘de plank’ wordt gekocht dan wel dat er (al dan niet in een
internationaal samenwerkingsverband) gekozen wordt voor ontwikkeling. Als gekozen wordt
voor de optie zelfstandig kopen, dient te worden bezien of er een beroep kan worden gedaan op
de uitzonderingsgronden van artikel 346 VWEU. De kernvraag daarbij is:
Zijn er wezenlijke belangen van nationale veiligheid in het geding?
Zo ja, dan zijn er de volgende opties:
• Met een beroep op artikel 346 VWEU in Nederland inkopen.
• Als de behoefte niet in Nederland kan worden vervuld, dan wordt beoordeeld of artikel 346
VWEU wordt ingeroepen of dat alsnog gekozen wordt om de ADV toe te passen.
Naast deze vraag wordt beoordeeld of industriële participatie wordt geëist. Industriële
participatie wordt met een beroep op artikel 346 VWEU gelegitimeerd.
Zo nee, dan zijn er twee opties:
• De Aanbestedingswet op het gebied van Defensie en Veiligheid (ADV) voor militaire
goederen en diensten. Bij deze mogelijkheid wordt ook beoordeeld of het inroepen van de
onderaannemingsclausule gewenst is.
• De Algemene Aanbestedingswet (AW) voor civiele goederen en diensten.
13 Momenteel bestaan er binnen Defensie achttien geregistreerde kennisnetwerken. In veel kennisnetwerken participeren industrie
en/of kennisinstellingen.
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 18 van 20
Industriële participatie
Omdat voor de instandhouding van de prioritaire technologiegebieden en industriële capaciteiten
de Nederlandse behoefte veelal niet toereikend is én Nederlandse bedrijven niet of moeilijk
toegang krijgen tot markten in andere landen (inclusief de toeleveringsketens van OEM’s in
Europa en de Verenigde Staten), kan industriële participatie (IP) worden ingezet om de
instandhouding te bevorderen. Dit wordt gelegitimeerd met een beroep op artikel 346 VWEU.
Tijdens de ‘voorzien in’-fase wordt IP als instrument alleen ingezet wanneer het een
proportionele maatregel is.
Bij opdrachten vanaf € 5 miljoen wordt van geval tot geval beoordeeld of er industriële
participatie kan worden geëist, waarbij de aard en inhoud van de industriële participatie
betrekking moet hebben op activiteiten in het kader van de in deze strategie genoemde
prioritaire technologiegebieden, of daaraan gerelateerde industriële activiteiten.
Bij IP zijn de volgende overwegingen van belang:
•
IP heeft betrekking op het aan te schaffen systeem;
•
IP vindt plaats op de prioritaire technologiegebieden;
•
IP heeft betrekking op defensie- en veiligheidsgerelateerde producten en diensten;
•
IP kan relevant zijn bij de instandhouding van het systeem gedurende de levensduur.
Launching customer
Defensie kan besluiten als launching customer op te treden, onder meer op grond van de
resultaten uit technologieontwikkeling en CODEMO-projecten. Wanneer Defensie optreedt als
launching customer, speelt zij een stimulerende rol bij de toepassing van nieuwe technieken. Dit
vergroot het vertrouwen in Nederlandse producten omdat aangetoond is dat de Nederlandse
overheid het product operationeel toepast. Voor exportdoeleinden, zeker in de defensie- en
veiligheidsmarkt, is een dergelijk vertrouwen van groot belang.
3. Instrumenten instandhoudingsfase
Defensie besteedt in toenemende mate onderhouds- en andere (materieel)logistieke taken uit.
De rol van het bedrijfsleven in de exploitatie neemt daarom toe. Steeds vaker worden nieuwe
uitbestedingsvormen gebruikt waarbij overheid en civiele partijen samenwerken. Die
samenwerking strekt zich vaak uit over de ‘voorzien in’-fase én de instandhoudingfase.
Voorbeelden zijn Publiek-Private Samenwerking, operational lease, joint ventures, etc. Veel van
deze vormen behelzen een langdurige rol van het bedrijfsleven bij de instandhouding. Deze
benadering biedt de Nederlandse DVI kansen omdat men kan inspelen op specifieke behoeften
van Defensie en omdat de nabijheid van de DVI een groot voordeel is voor de instandhouding.
Hiermee kan voor Defensie de instandhouding beter worden gegarandeerd en kan de DVI
concurrerend zijn in haar prijsstelling.
4. Instrumenten afstotingsfase
Als Defensie materieel aan andere landen verkoopt, zijn er kansen voor de Nederlandse DVI om
langlopende opdrachten binnen te halen voor onderhoud, modificaties en andere aanpassingen
aan het materieel. Defensie kan, in samenwerking met EZ, bij de verkoop van materieel
Nederlandse bedrijven ondersteunen die geïnteresseerd zijn in dergelijke opdrachten. In de
praktijk krijgt dit vorm door bij verkoopmissies de planning en strategie in overleg te bepalen.
Soms speelt Defensie een rol bij het verkrijgen van licenties voor onderhoud en verbetering van
de verkochte systemen bij de originele leveranciers. Ook hier is een vroegtijdige informatie-
uitwisseling van belang.
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 19 van 20
Bijlage: Evaluatie DIS
In deze bijlage wordt de evaluatie van de eerste DIS uiteengezet. Geëvalueerd is in hoeverre de
instrumenten voldeden aan de doelstelling en in hoeverre deze instrumenten bekendheid
genoten bij de Nederlandse DVI. De evaluatie van de eerste DIS bestond uit de volgende
onderdelen:
•
Evaluatieonderzoek van de prioritaire technologiegebieden;
•
Enquête onder de deelnemers van de stichting Nederlandse Industrie voor Defensie &
Veiligheid (NIDV);
•
Enkele afzonderlijke beleidsevaluaties van Defensie en EZ-instrumenten.
Evaluatieonderzoek naar de prioritaire technologiegebieden
Aan een samenwerkingsverband bestaande uit HCSS en TNO is gevraagd vast te stellen of de in
de eerste DIS geïdentificeerde prioritaire technologiegebieden nog actueel zijn. Prioritaire
technologiegebieden zijn die gebieden waar de verwezenlijking van de defensiebehoeftes sterk
van afhangt. In deze evaluatie moesten tevens de geleerde lessen uit de voorgaande vijf jaar
worden meegenomen. Ook is gevraagd om tien jaar vooruit te kijken bij de vraag welke,
eventueel nieuwe, gebieden het meeste toekomstperspectief geven (aan zowel de vraag- als de
aanbod-zijde), gegeven de veranderende vraag naar defensiecapaciteiten en de ontwikkelingen
in de internationale samenwerking? Gegeven deze doelstelling is de belangrijkste output van het
evaluatieonderzoek een geactualiseerde verzameling prioritaire technologiegebieden.
Conclusie is dat de set prioritaire technologiegebieden in essentie nog juist en actueel is. Wel
zijn enkele accentverschuivingen geconstateerd en zijn enkele nieuwe componenten aan de
gebieden toegevoegd. Een voorbeeld van een dergelijk nieuw component is Cyber.
NIDV-enquête
De NIDV heeft onder haar 180 deelnemers een enquête gedaan. Doelstelling van de enquête is
het toetsen van de bekendheid met de DIS en het beoordelen van het instrumentarium. Deze
enquête is door 53 respondenten ingevuld en representeert daarmee 29 procent van de
deelnemers. De respondenten werd gevraagd het DIS-instrumentarium met een cijfer te
beoordelen. 65 procent van de respondenten bleek niet bekend te zijn met de eerste DIS. Zestig
procent van de respondenten behoort tot MKB-bedrijven. Deze MKB-bedrijven hebben over het
algemeen een lage bekendheid met de eerste DIS. Veertig procent van de respondenten behoort
tot grote Nederlandse of internationale ondernemingen. Onder deze groep is de bekendheid met
de eerste DIS het grootst. De respondenten beoordelen het DIS-instrumentarium (zowel van
Defensie als van EZ) als goed, of nagenoeg goed. De NIDV heeft in het verlengde van de
enquête en in aanloop naar deze DIS een workshop georganiseerd waarin deelnemers werden
geïnformeerd over de DIS. Ook vertegenwoordigers vanuit Defensie en Economische Zaken
waren hierbij aanwezig, zodat vragen konden worden beantwoord en er een constructieve
dialoog tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen ontstond. De inzichten die uit
voorgaande jaren zijn opgedaan, zijn verwerkt in deze DIS.
Instrumenten die de industrie als goed beoordeelt, zijn:
•
Defensie Innovatie Game,
•
Defensie Innovatie Competitie,
•
De informatie-uitwisseling tussen Defensie en de industrie,
•
Technische Wetenschappelijke Attachés van EZ (inmiddels aangeduid als Innovatie
Attachés),
Defensie Industrie Strategie | 10 december 2013
Pagina 20 van 20
•
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekering onderdeel speuren
ontwikkelingswerk (WBSO),
•
Nationaal Technologie Project (NTP),
•
Small Business Innovation Research (SBIR),
•
Commissie Defensie Materieel Ontwikkeling (CODEMO),
•
Exportkredietverzekering,
•
Kansen voor de Nederlandse Defensie- en Veiligheidsindustrie op onderhouds- en
modificatiecontracten bij afstoting door Defensie en nieuwe uitbestedingsvormen op basis
van levensduurkosten.
Als grootste tekort van de eerste DIS is steeds naar voren gebracht dat er een grote discrepantie
is tussen beleid en praktijk. Daarom is een integrale benadering cruciaal, waarbij een duidelijke
koppeling wordt gelegd tussen het instrumentarium en de aankoopprocedures.
Commissie Defensie Materieelontwikkeling (CODEMO)
Het CODEMO-instrument (Commissie Defensie Materieelontwikkeling) is een belangrijk en
gewaardeerd instrument van de DIS gebleken. Initieel was voor het fonds in de jaren 2010 tot
en met 2012 € 5 miljoen beschikbaar. Bij de begrotingsbehandeling van 2013 is hier echter op
verzoek van de Tweede Kamer € 5 miljoen aan toegevoegd, waarmee het totale fonds € 10
miljoen bedraagt. Van dit totaalbedrag is een aanzienlijk deel reeds toegekend.
Maatschappelijke Innovatie Agenda Veiligheid (MIA-V 2008-2012)
In de eerste DIS is aangekondigd dat onderzocht wordt hoe een innovatieprogramma security
zou kunnen worden opgezet. Dit heeft in 2008 geresulteerd in een Maatschappelijke Innovatie
Agenda Veiligheid onder de Innovatieplatforms (pijler 2). In de MIA-V hebben (toen) drie
ministeries (Defensie, Justitie en BZK) met EZ samengewerkt om ten behoeve van
maatschappelijke veiligheid innovatie op drie terreinen te bevorderen. Deze drie gebieden
waren:
1. Network enabled capabilities, innovatieve technologie die de informatievoorziening tijdens
het veiligheidsoptreden verbetert.
2. Fysieke bescherming van nieuwe materialen en technologieën om mens, materieel en
infrastructuur te beschermen.
3. Training en opleiding met behulp van simulatie.
In 2008 is de MIA-V van start gegaan met een bescheiden budget. In eerste instantie hebben
projecten zoals I-Bridge en Edison-TD een impuls gekregen. In 2009 was er een bescheiden
tender (€ 1,5 miljoen) waarin partijen projecten konden indienen op de drie bovengenoemde
gebieden. Nadat er na de tussenevaluatie in 2010 een veel groter budget beschikbaar is gesteld,
is er nog een call van € 23 miljoen onder de Innovatieregeling Maatschappelijke Veiligheid (IMV)
geweest. Omdat Fysieke Bescherming en Training en opleiding met behulp van simulatie
onderbelicht waren in deze call, zijn er voor die gebieden twee SBIR’s uitgeschreven.
In totaal zijn er 36 projecten onder de IMV-regeling gesteund. De twee SBIR’s hebben in de
tweede fase dertien projecten opgeleverd. Inmiddels zijn alle projecten voltooid en is er een
grote slotbijeenkomst gehouden waar bedrijven (consortia) aan mogelijke eindgebruikers uit de
first responders-hoek hebben kunnen presenteren wat zij met behulp van de middelen hebben
ontwikkeld.
Eind 2012 werd het resterende budget van € 2 miljoen voor de MIA-V ingezet voor het
programma experimenteeromgeving, bewaken & beveiligen, samenwerking tussen Koninlijke
Marechaussee, V&J en TNO.