background image

 

 

 

 

 

  
 
 

Prijseffecten 

ERE-systematiek 
Verkenning van inzet van hernieuwbare 

energie in vervoer richting 2030

 

 

 

 

background image

 
  

 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Prijseffecten ERE-systematiek

 

Verkenning van inzet van hernieuwbare energie in vervoer 

richting 2030

 

Dit rapport is geschreven door: 
Reinier van der Veen, Anouk van Grinsven, Kris Manna, Arno Schroten, Emiel van den Toorn, Koen van Dam 
 
Delft, CE Delft, maart 2025 
 
Publicatienummer: 25.240338.068 
 
Opdrachtgever: Ministerie van I&W en RVO 
 
Alle openbare publicaties van CE Delft zijn verkrijgbaar via www.ce.nl 
 
Meer informatie over de studie is te verkrijgen bij de projectleider Reinier van der Veen (CE Delft) 
 
© copyright, CE Delft, Delft 

CE Delft 
Committed to the Environment 
 
CE Delft draagt met onafhankelijk onderzoek en advies bij aan een duurzame samenleving. Wij zijn toon–
aangevend op het gebied van energie, transport en grondstoffen. Met onze kennis van techniek, beleid en 
economie helpen we overheden, NGO’s en bedrijven structurele veranderingen te realiseren. Al sinds 1978 
werken betrokken en kundige medewerkers bij CE Delft om dit waar te maken.

 

240338 – Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

link to page 5 link to page 6 link to page 9 link to page 9 link to page 10 link to page 11 link to page 13 link to page 13 link to page 18 link to page 19 link to page 20 link to page 20 link to page 21 link to page 22 link to page 24 link to page 25 link to page 26 link to page 26 link to page 30 link to page 34 link to page 34 link to page 35 link to page 36 link to page 41 link to page 42 link to page 45 link to page 47 link to page 47 link to page 48 link to page 49 link to page 50 link to page 50 link to page 53
background image

 
  

 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Inhoud 

Afkortingen 

4

 

Samenvatting 

5

 

1

 

Inleiding 

8

 

1.1

  Aanleiding 

8

 

1.4

  Algemene aanpak en opzet van dit rapport 

9

 

1.5

  Disclaimer 

10

 

2

 

Beleidscontext 

12

 

2.1

  De Nederlandse systematiek Hernieuwbare Energie voor Vervoer 

12

 

2.2

  Prijsvorming HBE’s/ERE’s 

17

 

2.3

  Overige ontwikkelingen 

18

 

3

 

Modelbeschrijving 

19

 

3.1

  Algemene beschrijving van model 

19

 

3.2

  Vraagmodule 

20

 

3.3

  Aanbodmodule 

21

 

3.4

  Inzetmodule 

23

 

3.5

  Prijsmodule 

24

 

4

 

Scenario’s 

25

 

4.1

  Verhaallijnen 

25

 

4.2

  Scenario’s 

29

 

5

 

Resultaten 

33

 

5.1

  Fysieke inzet hernieuwbare energiedragers 

33

 

5.2

  Meerkosten en kostenefficiëntie CO2-reductie jaarverplichting 

34

 

5.3

  Effect RED III-implementatie op pompprijzen 

35

 

5.4

  Indicatie ERE-prijzen 

40

 

5.5

  Gevoeligheidsanalyse 

41

 

5.6

  Reflectie 

44

 

6

 

Conclusies en aanbevelingen 

46

 

6.1

  Conclusies 

46

 

6.2

  Aanbevelingen voor verder onderzoek 

47

 

Literatuurlijst 

48

 

A

 

Toelichting op modelleerkeuzes 

49

 

A.1

  Conceptueel model 

49

 

A.2

  Invulling scenario’s 

52

 

link to page 53 link to page 55 link to page 56 link to page 56 link to page 57 link to page 59 link to page 60 link to page 61 link to page 62 link to page 63
background image

 
  

 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

A.3

  Aannames invoerwaarden 

52

 

B

 

Dataverzameling 

54

 

C

 

Invoer model 

55

 

C.1

 Fysieke inzet energiedragers 

55

 

C.2

 Beschikbaarheid hernieuwbare energiedragers 

56

 

C.3

 Kost- en marktprijzen energiedragers 

58

 

C.4

 Prijzen aan de pomp 

59

 

C.5

 WTW CO2-eq.-emissiefactoren 

59

 

C.6

 Andere inputparameters 

61

 

D

 

Overige ontwikkelingen 

62

 

 
 

 

background image

 
  

 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Afkortingen 

Afkorting 

Voluit 

Annex IXA 

Geavanceerde biogrondstoffen opgenomen in Annex IXA  van de Richtlijn hernieuwbare 
energie (Renewable Energy Directive) 

Annex IXB 

Biogrondstoffen opgenomen in Annex IXB van de Richtlijn hernieuwbare energie (gebruikte 
oliën en vetten) 

Bio-LNG 

LNG gemaakt van biogrondstoffen 

CO2-eq. 

CO2-equivalent 

ERE 

Emissiereductie-eenheid 

ETS-2 

Nieuw systeem voor emissiehandel gericht op reductie van CO2-emissies van de gebouwde 
omgeving, wegvervoer en overige sectoren. 

EU 

Europese Unie 

EU-ETS 

European Emission Trading System 

FAME 

Fatty Acid Methyl Esther 

FuelEU Maritime 

Europese verordening over de verduurzaming van de zeevaart 

GJ 

Gigajoule 

HBE 

Hernieuwbare brandstofeenheid 

HFO 

Heavy Fuel Oil 

HVO 

Hydrotreated Vegetable Oil 

JV 

Jaarverplichting 

KEV 

Klimaat- en Energieverkenning 

LNG 

Liquefied natural gas (vloeibaar aardgas) 

MAC 

Marginal abatement cost (marginale reductiekosten) 

MGO 

Marine gas oil 

Ministerie van I&W  Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat 
PJ 

Petajoule 

RED 

Renewable Energy Directive (Richtlijn hernieuwbare energie) 

ReFuelEU Aviation  Europese verordening over de verduurzaming van de luchtvaart 
RFNBO 

Renewable Fuel of Non-Biological Origin 

RVO 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland 

SAF 

Sustainable aviation fuel 

UCO 

Used Cooking Oil (gebruikt frituurvet) 

WTW 

Well-to-wheel 

 

link to page 6 link to page 7
background image

 
  

 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Samenvatting 

Introductie 
Als gevolg van de herziene Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED III) verandert de 
Nederlandse overheid de systematiek Hernieuwbare Energie Vervoer, waarbij vanaf 2026 
gestuurd zal gaan worden op broeikasgasemissiereductie (over de gehele keten; ‘well-to-
wheel’) in plaats van op volumes hernieuwbare energie. De huidige verhandelbare 
hernieuwbare brandstofeenheden (HBE’s) worden hiermee vervangen door emissiereductie-
eenheden (ERE’s). Daarnaast worden afzonderlijke CO2-reductieverplichtingen ingesteld 

voor vier sub-sectoren in de transportsector: land, zeevaart, binnenvaart en luchtvaart. 
Momenteel heeft enkel de wegsector een verplichting. Het ministerie van I&W en RVO 
hebben CE Delft de opdracht gegeven om inzicht te geven in de effecten van het gewijzigde 
systeem Hernieuwbare Energie Vervoer (ERE-systematiek) op de inzet van hernieuwbare 
energie en de pompprijzen met behulp van een rekenmodel.  
 
Scenario’s 
Binnen deze studie zijn drie verhaallijnen en bijbehorende scenario’s ontwikkeld die staan 
voor verschillende macro-economische ontwikkelingen richting 2030: ‘regionale handel’, 
‘gematigde markt’ en ‘mondiale handel’ (zie Figuur 1). In de gekwantificeerde scenario’s 
worden de beschikbaarheid en prijzen van hernieuwbare brandstoffen, de inzet van 
elektriciteit en HVO in de sector land, de inzet van biobrandstoftypen in zeevaart en de 
olie- en gasprijs gevarieerd, passend bij de macro-economische ontwikkelingen. 

Figuur 1 - Overzicht van de verhaallijnen 

 

Resultaten en conclusies 
De analyse van de scenario’s met behulp van het model laten zien dat de CO2-reductie-

verplichtingen in de ERE-systematiek neerkomen op een verviervoudiging van de fysieke 
hernieuwbare energie-inzet in de Nederlandse vervoersmarkt in 2030 ten opzichte van 2023 
(zie Figuur 2). De hogere inzet van hernieuwbare energie binnen de ERE-systematiek leidt 
tot hogere meerkosten (het verschil tussen de prijzen van hernieuwbare energiedragers en 
die van de vervangen fossiele brandstoffen) voor brandstofleveranciers. Ten opzichte van 
de huidige meerkosten zijn deze ongeveer 3,7 keer zo hoog in 2030 in het scenario 
‘regionale handel’, en 3,2 keer zo hoog in het scenario ‘mondiale handel’. De lagere 
meerkosten in ‘mondiale handel’ zijn het gevolg van lagere producentenprijzen en een 
hogere beschikbaarheid van hernieuwbare brandstoffen. 

link to page 7
background image

 
  

 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Figuur 2 – Fysieke inzet van hernieuwbare energie in de Nederlandse vervoersmarkt – huidig en in drie 
scenario’s in 2030 

 

 
Het effect van de ERE-systematiek op de pompprijzen is kleiner dan het effect op de 
meerkosten, omdat de meerkosten worden uitgesmeerd over het volledige energievolume 
aan verkochte pompbrandstoffen en deze kosten slechts één van de componenten in de 
pompprijs zijn. Andere belangrijke componenten zijn de olieprijs en de accijns. Uit Figuur 3 
blijkt dat de ontwikkeling van de olieprijs een groter effect heeft op de pompprijzen dan de 
ERE-systematiek: De sterke daling in de olieprijs richting 2030 in het scenario ‘mondiale 
handel’ leidt bijvoorbeeld tot een daling van de pompprijzen van benzine, diesel, gasolie 
(MGO) en diesel (binnenvaart). In het scenario ‘regionale handel’ stijgen de pompprijzen 
juist, als gevolg van zowel een stijgende olieprijs als de invoering van de ERE-systematiek. 
 

Figuur 3 – Hoogte en opbouw van pompprijzen in de Nederlandse vervoersmarkt – huidig en in drie scenario’s 
in 2030 

 

background image

 
  

 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Reflectie 
De ontwikkeling van de brandstoffenmarkt is van zeer veel onzekere factoren afhankelijk: 
marktkeuzes, concurrentie, beleidsdetails in Nederland, beleid in andere landen, 
importmogelijkheden, etc. In dit onderzoek is een eerste rekenmodel opgesteld waarmee 
de effecten van beleids- en marktontwikkelingen op de pompprijzen in Nederland kunnen 
worden ingeschat en verkend. In het onderzoek is het effect van de RED III-implementatie 
op de pompprijzen verkend; andere beleidsinstrumenten zoals ETS2 en FuelEU Maritime zijn 
niet meegenomen. Een hoofdaanname in de studie is dat de meerprijzen (ERE-prijzen) 
gebaseerd zijn op het verschil tussen productiekosten van hernieuwbare brandstoffen en 
fossiele brandstoffen. In werkelijkheid zullen de hernieuwbare brandstofprijzen, en 
daarmee ook de ERE-prijzen, waarschijnlijk hoger liggen als gevolg van schaarste en 
marktimperfecties (intransparantie en marktmacht). 
 
De beperkte omvang van het onderzoek in combinatie met de grote complexiteit van de 
brandstoffenmarkt en beperkte beschikbaarheid van prijsdata en volumeschattingen van 
brandstoffen maken dat de resultaten niet moeten worden beschouwd als een exacte 
voorspelling, maar als eerste inschattingen, behorend bij de set scenario’s die in het 
onderzoek is gecreëerd en toegepast. Met verdiepend marktonderzoek en dataverzameling 
kan het model verder worden ontwikkeld en kan de verkenning van de impact van de ERE-
systematiek worden verbeterd.  
 
De verzamelde data, scenario’s en prijseffecten zijn geïntegreerd in een model dat 
voortbouwt op het bestaande RVO-model, zodat de prijseffecten van beleidskeuzes en een 
veranderende wereldsituatie in de toekomst door RVO kunnen worden doorgerekend. 
 

background image

 
  

 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

1  Inleiding  

1.1 

Aanleiding 
Als gevolg van de herziene Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED III) verandert de 
Nederlandse overheid de systematiek Hernieuwbare Energie Vervoer (de ‘jaarverplichting’), 
waarbij vanaf 2026 gestuurd zal gaan worden op broeikasgasemissiereductie (over de gehele 
keten; ‘well-to-wheel’) in plaats van op volumes hernieuwbare energie. De huidige 
verhandelbare hernieuwbare brandstofeenheden (HBE’s) worden hiermee vervangen door 
emissiereductie-eenheden (ERE’s). 
 
Om de impact van de herziening van de jaarverplichting te onderzoeken hebben het 
ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en RVO in 2023 in samenwerking met Revnext 
een rekenmodel ontwikkeld. Dit ‘dashboard’ berekent voor de periode 2026-2030 de 
verwachte volumes van energiedragers (in PJ) die nodig zijn om te voldoen aan de 
jaarverplichting. Hoewel de focus op de beleidsdoelstellingen ligt, geeft dit model een 
kosteninschatting op basis van historische HBE-waarden.  
 
De verhoogde doelstellingen in de nieuwe jaarverplichting (RED III-implementatie) zouden 
kunnen leiden tot aanzienlijke prijsstijgingen aan de pomp. Ook is niet helemaal duidelijk 
welke factoren invloed hebben op de toekomstige prijs van ERE’s en de marktprijs van 
hernieuwbare brandstoffen in het algemeen en hoe groot die invloed is.  
 
Het ministerie van I&W en RVO hebben CE Delft daarom de opdracht gegeven om een 
rekenmodel op te stellen dat compatibel is met het bestaande Revnext-model en daarmee 
te verkennen wat de impact is van de RED III-implementatie op de hernieuwbare energie-
inzet en de pompprijzen in Nederland. Met dit model en verkenning willen we een beter 
inzicht krijgen in de economische componenten die verband houden met de implementatie 
van de nieuwe jaarverplichting. In dit rapport worden de resultaten van deze opdracht 
gepresenteerd. 
 
In dit onderzoek zijn marktpartijen actief op de Nederlandse brandstoffenmarkt betrokken, 
met name voor de dataverzameling en verzameling van inzichten over marktontwikkelingen 
en marktwerking. Bij de ontwikkeling van het model is Revnext geraadpleegd. Tot slot is 
nauw samengewerkt met RVO en het ministerie van I&W in alle stappen van het project. 

1.2 

Doel 
Het hoofddoel van deze studie is om de marktdynamiek te begrijpen die verwacht kan 
worden als gevolg van de invoering van het ERE-systeem dat onderdeel uitmaakt van de 
herziene jaarverplichting. Hiertoe wordt een kostenmodel opgesteld en opgeleverd dat 
geschikt is om te integreren in het bestaande dashboard. Met dit model kunnen de 
prijseffecten van beleidswijzigingen, veranderingen in externe factoren en andere 
marktkeuzes worden ingeschat. 
 

link to page 22 link to page 12 link to page 13 link to page 13
background image

 
  

 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

In de studie beantwoorden we de volgende onderzoeksvragen:  
—  Hoe zal het nieuwe ERE-systeem de energiedrager- en grondstoffenmix beïnvloeden in 

de vier transportsectoren (sector land, zeevaart, binnenvaart, luchtvaart)? 

—  Welke (inter)nationale factoren beïnvloeden de volumes en prijzen van grondstoffen en 

energiedragers? 

—  Hoe zullen de prijzen van energiedragers veranderen en in hoeverre zijn deze 

veranderingen het gevolg van het ERE-systeem? 

1.3 

Afbakening 
Wij hanteren de volgende afbakening in deze studie: 
1.  Geografische scope: De studie omvat de afzet van brandstoffen op de Nederlandse 

markt voor finaal gebruik in de mobiliteit. De brandstoffen en grondstoffen mogen 
hierbij wel uit het buitenland komen. Andere relevante ontwikkelingen in de EU en 
wereldwijd worden meegenomen als externe factoren. 

2.  Tijdshorizon: 2026-2030. De focus ligt op 2030, maar ook de ingroei van 2026 naar 2030 

wordt bekeken. 

3.  ERE-sectoren: wegvervoer (LRE), zeevaart (ZRE), binnenvaart (BRE), luchtvaart (ARE) 

en raffinageroute. 

4.  Hernieuwbare energiedragers: We nemen de belangrijkste typen hernieuwbare 

energiedragers mee voor de periode 2026-2030 die in aanmerking komen voor ERE's (zie 
Paragraaf 4.2.1).  

5.  Grondstoffen zullen worden gegroepeerd volgens de belangrijkste categorieën (Annex 

IXA, Annex IXB, conventioneel, RFNBO, overige). Vanwege de grote variëteit richten we 
ons op de meest relevante grondstoffen, zoals gebruikt frituurvet (used cooking oil) voor 
de productie van FAME en HVO. Minder aandacht zal worden besteed aan grondstoffen 
met beperkt potentieel waarvoor innovatieve productiefaciliteiten nodig zijn, die 
waarschijnlijk de komende jaren niet gebruikt zullen worden.  

6.  Broeikasgasemissies: Er wordt gekeken naar de hele keten (well-to-wheel). 

1.4 

Algemene aanpak en opzet van dit rapport 
In Figuur 4 staat een schematisch overzicht van de stappen in dit project. Het startpunt van 
deze studie is de gewijzigde systematiek binnen de context van ander duurzaamheidsbeleid 
en ontwikkelingen relevant voor de brandstoffenmarkt (Hoofdstuk 2).  
 
Hoofdstuk 3 beschrijft het model. Voor het model is allereerst een conceptueel ontwerp 
ontwikkeld. Het conceptueel ontwerp stelde het projectteam en de opdrachtgever in staat 
om overeenstemming te bereiken over hoe de brandstoffenmarkt het beste kan worden 
gemodelleerd, voorafgaande aan de modelimplementatie. Daarbij is gekeken welke beleids- 
en marktontwikkelingen, zoals genoemd in Hoofdstuk 2 gemodelleerd zouden kunnen 
worden binnen het project. Ook is beoordeeld of het model goed aansluit op het bestaande 
dashboard. Bij het conceptueel ontwerp is rekening gehouden met de looptijd van het 
project en de hoge mate van onzekerheid. 

 

Beleidsmakers van het ministerie van I&W en adviseurs van RVO, evenals de maker van het 
bestaande dashboard, zijn via werksessies intensief betrokken geweest bij het ontwerp. 
Daarnaast zijn literatuurbronnen en beleidsstukken geraadpleegd. Het begrip van de 
marktmechanismen is getoetst met behulp van interviews met verschillende marktpartijen, 
waarbij modelleerkeuzes zijn gevalideerd. 

 

link to page 20 link to page 26 link to page 34 link to page 50 link to page 55 link to page 56 link to page 63
background image

 
  

 

10 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Vervolgens is het model in Excel gebouwd, inclusief de operationalisering van marginale 
abatement cost curves (MAC-curves) voor de modellering van inzet en prijsvorming van 
hernieuwbare energiedragers (zie Hoofdstuk 3). Tegelijkertijd is gezocht naar databronnen 
voor verschillende kostenindicatoren om het model te vullen. 
 
Hoofdstuk 4 beschrijft de parallelle ontwikkeling van kwalitatieve verhaallijnen en de 
kwantificering daarvan met variabelen. Deze scenario's zijn doorgerekend met het model, 
waarna de resultaten zijn geïnterpreteerd en beschreven in Hoofdstuk 5, uitmondend in 
conclusies en aanbevelingen in Hoofdstuk 6. 
 
De bijlagen bevatten de volgende (achtergrond)informatie: 
—  Toelichting op de modelleerkeuzes (Bijlage A): Hierin worden keuzes met betrekking 

tot het ontwerp van het model, de invulling van de scenario’s en andere invoerwaarden 
in het model nader toegelicht. 

—  Dataverzameling (Bijlage B)Hier wordt uitgelegd hoe de gegevens zijn verzameld. Dit 

omvat de gebruikte methoden, de bronnen van de gegevens en eventuele uitdagingen 
die tijdens het proces zijn ondervonden. 

—  Invoer model (Bijlage C): In deze bijlage staan de belangrijkste inputs van het model. 
—  Overige ontwikkelingen (Bijlage D): Hierin worden (beleids- en markt)ontwikkelingen 

in de brandstoffen- en vervoersmarkt besproken die ook relevant zijn, maar die niet in 
de modelanalyse zijn meegenomen. 

1.5 

Disclaimer 
De ontwikkeling van de Nederlandse brandstoffenmarkt is van zeer veel onzekere factoren 
afhankelijk: beleidsdetails in Nederland, beleid in andere landen, importmogelijkheden, 
marktkeuzes, concurrentie, etc. In dit onderzoek is een eerste rekenmodel opgesteld 
waarmee de effecten van beleids- en marktontwikkelingen op de pompprijzen in Nederland 
kunnen worden ingeschat en verkend. In het onderzoek is het effect van de RED III-
implementatie op de pompprijzen verkend; andere beleidsinstrumenten zoals ETS2 en 
FuelEU Maritime zijn niet meegenomen. De beperkte omvang van het onderzoek in 
combinatie met de grote complexiteit van de brandstoffenmarkt en beperkte beschikbaar-
heid van prijsdata en volumeschattingen van brandstoffen maken dat de resultaten niet 
moeten worden beschouwd als een exacte voorspelling, maar als eerste inschattingen, 
behorend bij de set scenario’s die in het onderzoek is gecreëerd en toegepast. 
 
De RED III-implementatie was ten tijde van de uitvoering van dit onderzoek nog niet 
definitief, maar wel in een vergevorderd stadium. De beleidswijzigingen in de systematiek 
Hernieuwbare Energie Vervoer zoals beschreven in dit rapport betreffen het voorstel van de 
Nederlandse overheid zoals bekend op 31 januari 2025. In de definitieve wetswijzigingen 
kunnen daarom nog verschillen optreden ten opzichte van het beleidsvoorstel zoals 
meegenomen in dit onderzoek. 

background image

 
  

 

11 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Figuur 4 - Schematische weergave van de studie 

 

 
 

 

link to page 13 link to page 18 link to page 63 link to page 63 link to page 13
background image

 
  

 

12 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

2  Beleidscontext 

In dit hoofdstuk gaan we in detail in op de nieuwe systematiek van de jaarverplichting 
(Paragraaf 2.1). De beleidsanalyse is aangevuld met inzichten over prijsvorming uit de 
interviews (Paragraaf 2.2). Dit hoofdstuk, tezamen met Bijlage D, dient als input voor het 
conceptueel ontwerp van het kosten- en prijsmodel en de ontwikkeling van scenario’s, maar 
heeft niet het doel om volledig en uitputtend te zijn.  
 
In Bijlage D gaan we in op andere relevante (beleids-)ontwikkelingen aan de vraag- en 
aanbodkant anders dan de jaarverplichting. Deze ontwikkelingen kunnen van invloed zijn op 
de verschillende sectoren of energiedragers en daarmee spelen ze mogelijk een rol bij de 
prijsvorming van de ERE’s. 

2.1 

De Nederlandse systematiek Hernieuwbare Energie voor Vervoer 

2.1.1  De richtlijn hernieuwbare energie (RED III) 

De herziene richtlijn hernieuwbare energie (revision of the Renewable Energy Directive, 
afgekort met RED III) is het belangrijkste instrument met betrekking tot de inzet van 
hernieuwbare energie in transport in de Europese Unie. Met de RED III kunnen EU-lidstaten 
kiezen welk hoofddoel ze nationaal invoeren: een bindend streefcijfer voor 2030 van 14,5% 
minder broeikasgasintensiteit in de transportsector door middel van gebruik van 
hernieuwbare energie, of een bindend streefcijfer van minstens 29% hernieuwbare energie 
binnen het finale energieverbruik in de mobiliteitssector in 2030 (EU, 2023). Daarnaast 
moet worden voldaan aan targets en limieten met betrekking tot inzet van specifieke 
categorieën hernieuwbare energiedragers. Hierbij hebben lidstaten enige speelruimte in de 
doorvertaling naar nationale wet- en regelgeving.  

2.1.2  De ‘jaarverplichting’ 

Nederland werkt met de systematiek Hernieuwbare Energie voor Vervoer aan de 
Nederlandse en RED III-doelstellingen voor een toenemend aandeel hernieuwbare energie in 
transport en daarmee tegelijkertijd aan de reductie van broeikasgasemissies gerelateerd 
aan de transportsector. De systematiek wordt ook aangeduid met de term jaarverplichting 
Energie Vervoer (kortweg ‘jaarverplichting’ of ‘JV’), omdat deze de Nederlandse 
brandstofleveranciers tot nu toe verplichtte om jaarlijks een bepaald aandeel hernieuwbare 
energie te leveren aan de transportsector.1  

2.1.3  Sturing op broeikasgasemissiereductie 

Vanaf 2026 moet de aangepaste jaarverplichting van kracht zijn. Het ministerie van I&W 
heeft in april 2024 een Kamerbrief gestuurd over de voortgang van de implementatie van de 
RED III (Ministerie van I&W, 2024a). Daarin staat het besluit om vanaf 2026 te sturen op 

________________________________ 
1   In de jaarverplichting tellen ‘recycled carbon fuels’, dat wil zeggen brandstoffen gemaakt van fossiele 

afvalstromen, niet mee. In de herziening van de jaarverplichting t.b.v. de RED III-implementatie zal dit ook het 
geval zijn. Deze keuze heeft de Nederlandse overheid gemaakt (de RED III biedt namelijk wel de mogelijkheid 
om recycled carbon fuels te laten meetellen). 

link to page 14 link to page 14 link to page 17
background image

 
  

 

13 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

(well-to-wheel2) broeikasgasemissiereductie in plaats van op energiehoeveelheden en dus 
het streefcijfer van 14,5% broeikasgasreductie (CO2-eq.-reductie) van de RED III over te 

nemen. De broeikasgasreductie moet worden berekend ten opzichte van een referentie-
emissiewaarde (‘fossil fuel comparator’) van 94 g CO2-eq./MJ, zoals volgt uit de RED III.  

2.1.4  Van hernieuwbare brandstofeenheden (HBE’s) naar emissiereductie-

eenheden (ERE’s) 
Het marktmechanisme met hernieuwbare brandstofeenheden (HBE's) speelt een belangrijke 
rol bij de invulling van de jaarverplichting. Binnen de systematiek maakt het inboek- en 
verhandelingssysteem (Register Energie Vervoer) het namelijk mogelijk om verhandelbare 
Hernieuwbare Brandstof Eenheden (HBE's) te genereren voor geleverde hernieuwbare 
energie. Een HBE staat voor 1 GJ aan geleverde hernieuwbare energie. De HBE’s kunnen 
gebruikt worden om aan de eigen verplichting te voldoen of kunnen verkocht worden aan 
leveranciers die onvoldoende HBE's hebben voor het voldoen aan hun verplichting. 
Brandstofleveranciers, die onder de verplichting vallen, moeten om aan de verplichting te 
voldoen tijdig voldoende HBE’s op de rekening in het Register Energie voor Vervoer (REV)3 
hebben staan. Andere partijen, zoals de leveranciers van alle vormen van hernieuwbare 
energie, kunnen vrijwillig meedoen en HBE’s genereren en verhandelen. De marktprijs van 
HBE’s fluctueert op basis van vraag en aanbod en compenseert (geheel of gedeeltelijk) voor 
de meerkosten van hernieuwbare brandstoffen ten opzichte van fossiele brandstoffen. De 
Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) houdt toezicht op de naleving van de verplichting en de 
handel in HBE’s en beheert het REV. 
 
De omschakeling naar een ketenemissiereductiedoel betekent ook de overstap van 
hernieuwbare brandstofeenheden (HBE’s, in €/GJ) naar emissiereductie-eenheden (ERE’s, 
in €/kg CO2-eq.-reductie).  

2.1.5  Uitbreiding van de verplichting naar meer transportmodaliteiten 

In de herziene jaarverplichting (ERE-systematiek) zullen aparte broeikasgasreductiedoelen 
worden ingevoerd voor de brandstofleveranciers voor de volgende vier sectoren: land 
(hieronder vallen wegvoertuigen, mobiele- en landbouwmachines en pleziervaart), 
binnenvaart, zeevaart en luchtvaart. Nieuw is dat brandstofleveranciers aan luchtvaart, 
zeevaart en binnenvaart in het HBE-systeem vrijwillig aan de jaarverplichting mochten 
bijdragen, maar in de ERE-systematiek ook onder de jaarverplichting vallen én een eigen 
sectorverplichting krijgen. Ook is een ‘raffinageroute’ uitgewerkt, waarmee de inzet van 
groene waterstof in raffinaderijen ook ERE’s kan opleveren (zie Paragraaf 2.9).  
De uitbreiding naar deze sectoren betreft bijna een verdrievoudiging van de totale 
energiedragers die onder de (noemer van de) jaarverplichting komen te vallen: de afzet 
naar land is ongeveer 330 PJ in 2030, terwijl het bij lucht- en zeevaart gaat om 
respectievelijk circa 160 PJ en 410 PJ gaat. De binnenvaart is relatief klein met ongeveer 46 
PJ in 2030. Het totaal komt daarmee op bijna 950 PJ, waarvan dus maar 1/3 in de sector 
land wordt afgezet. 
 

________________________________ 
2   ‘Well-to-wheel’-broeikasgasemissies zijn de emissies die over de gehele keten van productie, transport, 

opslag, levering en gebruik van een product (in dit geval energiedragers voor mobiliteit) vrijkomen. 

3   Eén HBE wordt verkregen als 1 gigajoule (GJ) hernieuwbare energie aan de Nederlandse (vervoers)markt is 

geleverd en ingeboekt in het REV. 

background image

 
  

 

14 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Figuur 5 - Verandering van HBE-systematiek naar ERE-systematiek  

 

Bron: Gebaseerd op (Ministerie van I&W, 2024b). 

2.1.6  Sectordoelstellingen en vrije ruimte 

De vier sectoren hebben eigen waarden met betrekking tot verplichtingen, sub-
verplichtingen en limieten. De sector ‘land’ krijgt daarbij een relatief hoog reductiedoel, 
opdat de nationale klimaatdoelen kunnen worden behaald. De reductiedoelen lopen op van 
jaar tot jaar vanaf 2026 tot en met 2030. Dit gaat om: 
—  een CO2-eq.-reductieverplichting (uitgesplitst in ‘sectorspecifiek’ en ‘vrije ruimte’); 

—  een verplichte minimuminzet van Annex-IXA-biobrandstoffen voor de sector ‘land’; 
—  een verplichte minimuminzet van RFNBO’s (renewable fuels of non-biological origin); 
—  een limiet voor biobrandstoffen gemaakt van voedsel- en voedergewassen 

(‘conventioneel’); 

—  een limiet voor de inzet van Annex-IXB-biobrandstoffen (gemaakt van gebruikte oliën en 

vetten). 

 
Bij de sectoren zeevaart, binnenvaart en luchtvaart kan het eigen broeikasgasreductiedoel 
voor een deel worden ingevuld in andere sectoren. Dit deel heet de ‘vrije ruimte’.  
—  Zeevaart heeft in 2026 een totaal reductiedoel van 3,6%, waarvan 1,1% vrije ruimte en 

2,5% ‘sectorspecifiek’. Hierbij moet 2,5% CO2-eq.-reductie worden gerealiseerd binnen 

de zeevaart en kan 1,1% reductie ook in de andere sectoren worden behaald. Deze 
percentages lopen op richting 2030.  

—  Binnenvaart heeft in 2026 een totaal reductiedoel van 3,8%, waarvan 0,8% vrije ruimte 

en 3,0% ‘sectorspecifiek’. Deze percentages lopen op richting 2030.  

—  Land heeft geen vrije ruimte; het volledige reductiedoel moet dus binnen de eigen 

sector worden behaald, door middel van inzet van hernieuwbare energiedragers in de 
sector ‘land’.  

—  Luchtvaart heeft juist alleen maar vrije ruimte en geen sectorspecifiek doel, wat 

betekent dat volledig aan de CO2-eq.-reductieverplichting kan worden voldaan via inzet 

van hernieuwbare energiedragers in andere sectoren. 

 
De sectordoelstellingen en de vrije ruimte zijn allemaal uitgedrukt in percentages WTW 
CO2-eq.-reductie. De reductie als gevolg van de inzet van hernieuwbare energiedragers 

link to page 16 link to page 16
background image

 
  

 

15 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

wordt steeds berekend ten opzichte van de inzet van vloeibare transportbrandstoffen in het 
betreffende jaar, waarbij de referentie-emissiefactor van 94 gCO2-eq./MJ wordt toegepast. 

 
De CO2-reductieverplichtingen en de vrije ruimtes, zoals opgenomen in de internet-

consultatie van de Wijziging Besluit energie vervoer RED III4, zijn weergegeven in Tabel 1. 
Naar verwachting zullen extra ERE’s uit land worden gebruikt om de vrije ruimte van andere 
modaliteiten op te vullen.  
 

Tabel 1 - Overzicht van de CO2-eq.-reductiedoelstellingen per sector 

Sector 

Categorie 

Type 

2026 

2027 

2028 

2029 

2030 

Land 

Sector 

Target 

14,4% 

16,4% 

18,3% 

20,3% 

22,6% 

Vrije ruimte 

Limiet 

0% 

0% 

0% 

0% 

0% 

Conventioneel 

Limiet 

1,2% 

1,2% 

1,2% 

1,2% 

1,2% 

Annex IXA 

Target 

3,07%  

4,49%  

5,92%  

7,34%  

8,76%  

Annex IXB 

Limiet 

4,29%  

4,29%  

4,29%  

4,29%  

4,29%  

RFNBO 

Target 

0,05% 

0,06% 

0,13% 

0,31% 

0,38% 

Binnenvaart 

Sector 

Target 

3,0% 

4,1% 

6,1% 

8,2% 

11,6% 

Vrije ruimte 

Limiet 

0,8% 

1,0% 

1,5% 

2,0% 

2,9% 

Conventioneel 

Limiet 

0%  

0%  

0%  

0%  

0%  

Annex IXB 

Limiet 

11,07%  

11,07%  

11,07%  

11,07%  

11,07%  

RFNBO 

Target 

0,02%  

0,04%  

0,09%  

0,17%  

0,34%  

Zeevaart 

Sector 

Target 

2,5% 

3,3% 

4,1% 

4,9% 

5,7% 

Vrije ruimte 

Limiet 

1,1% 

1,5% 

1,8% 

2,2% 

2,5% 

Conventioneel 

Limiet 

0%  

0%  

0%  

0%  

0%  

Annex IXB 

Limiet 

0%  

0%  

0%  

0%  

0%  

RFNBO 

Target 

0,00% 

0,02% 

0,08% 

0,16% 

0,32% 

Luchtvaart 

Sector 

Target 

0% 

0% 

0% 

0% 

0% 

Vrije ruimte 

Limiet 

2,5% 

3,2% 

3,9% 

4,6% 

5,3% 

Conventioneel 

Limiet 

0% 

0% 

0% 

0% 

0% 

Annex IXB 

Limiet 

4,77%  

4,77%  

4,77%  

4,77%  

4,77%  

RFNBO 

Target 

0,00%  

0,00%  

0,00%  

0,00%  

0,56%  

 
 
Uit bovenstaand overzicht volgen een aantal randvoorwaarden voor de inzet van hernieuw-
bare brandstoffen ten behoeve van de jaarverplichting: 
—  Conventionele biobrandstoffen:  

•  In de sectoren luchtvaart, zeevaart en binnenvaart kunnen geen conventionele 

biobrandstoffen (biobrandstoffen gemaakt van voedsel- en voedergewassen) worden 
ingezet om aan de CO2-eq.-reductieverplichting te voldoen.  

•  In de sector land kan maximaal 1,2% van de verplichting worden ingevuld met 

biobrandstoffen gemaakt van voedsel- en voedergewassen. 

—  Annex IX-A-biobrandstoffen: In de sector ‘land’ moet in 2030 minimaal 8,76% van het 

finaal energiegebruik worden ingevuld met Annex-IX-A-biobrandstoffen, ook wel 
aangeduid als geavanceerde biobrandstoffen. 

—  Annex-IX-B-biobrandstoffen:  

•  Deze biobrandstoffen gemaakt van biogrondstoffen uit Annex IX B van de RED III 

(oliën en vetten), kunnen niet worden ingeboekt wanneer deze brandstoffen worden 

________________________________ 
4   Overheid.nl | Consultatie Wijziging Besluit energie vervoer REDIII. De consultatieperiode liep van 6 november 

2024 tot 6 december 2024. Op het moment van schrijven bevatten de bijbehorende documenten het meest 
recente overzicht van de CO2-reductiedoelstellingen. 

link to page 15 link to page 17 link to page 17
background image

 
  

 

16 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

ingezet ten behoeve van de sector zeevaart. Dit betekent dat ze niet kunnen 
meetellen voor de verplichting in de sector zeevaart, ook niet via de vrije ruimte.  

•  In de sectoren land, binnenvaart en luchtvaart geldt een limiet voor de CO2-eq.-

reductie die binnen de jaarverplichting mag worden behaald met Annex-IXB-
biobrandstoffen: 4,29% voor land, 11,07% voor binnenvaart en 4,77% voor luchtvaart. 

—  RFNBO’s: In elke sector moet een bepaalde CO2-reductie behaald worden door middel 

van de inzet van Renewable Fuels of Non-Biological Origin (RFNBO’s). Dit doel mag 
volledig worden ingevuld via de raffinageroute (zie hieronder). 

2.1.7  Ruimere inboekmogelijkheden hernieuwbare elektriciteit 

In de nieuwe systematiek worden de inboekmogelijkheden voor hernieuwbare elektriciteit 
verruimd. Gezien de inzet op zero-emissievoertuigen is het van belang dat de hernieuwbare 
energie van zero-emissievoertuigen ook daadwerkelijk wordt ingeboekt. Het impliceert ook 
dat een deel van de (Platform Hernieuwbare Brandstoffen) elektriciteit die in het verleden 
niet werd ingeboekt de komende jaren wellicht wel wordt ingeboekt.  

2.1.8  Raffinageroute 

De raffinageroute omvat de optie om inzet van hernieuwbare waterstof gebruikt in het 
raffinageproces te laten meetellen bij de jaarverplichting. Voor Nederland zal de inzet van 
‘raffinage reductie-eenheden’, dat wil zeggen ERE’s die corresponderen met de inzet van 
hernieuwbare waterstof in raffinaderijen (‘RARE’ in Figuur 5), alleen mogen worden ingezet 
om te voldoen aan de subverplichtingen voor RFNBO’s per sector. Ook zal een correctie-
factor worden toegepast, zodat een gelijk speelveld tussen de raffinageroute en directe 
inzet van hernieuwbare waterstof kan ontstaan. Andere RFNBO’s (e-fuels) zullen waar-
schijnlijk niet gebruikt worden of een minimale rol spelen.  
 
De beleidsdiscussie en discussie onder stakeholders richtte zich dan ook vooral op dit gelijke 
speelveld en de hoogte van de correctiefactor. De raffinageroute kan namelijk volgens 
stakeholders een rol spelen bij de stimulering en opschaling van hernieuwbare waterstof-
productie in Nederland. Sectoren als de industrie en mobiliteit kunnen vervolgens 
profiteren van deze productie. Aan de andere kant kan de raffinageroute ook een barrière 
vormen voor de ingroei van waterstofvoertuigen als dit speelveld niet in balans is. Deze 
ingroei is relevant in het kader van zero-emissiebeleid wat zich lokaal vooral richt op 
luchtkwaliteit, maar ook vanuit het oogpunt van klimaat belangrijk is. Het huidige voorstel 
van het ministerie van I&W is om een correctiefactor van 0,4 toe te passen. Dit betekent 
dat 2,5 RARE's evenveel meetellen voor de RFNBO-doelstellingen als 1 ERE voor directe 
inzet van groene waterstof in voer-/vaartuigen. Dit biedt ook meer zekerheid voor 
investeringen in elektrolysecapaciteit dan eerdere voorstellen.5 Op het moment van 
schrijven is de correctiefactor nog niet officieel vastgesteld.6 
 
In de interviews is aangegeven dat deze nieuwe categorie vanwege de nieuwheid 
onzekerheid over de daadwerkelijke uitwerking met zich meebrengt. Ook gaf men aan dat 
er een hoge afhankelijkheid van andere partijen is, omdat brandstofleveranciers voor 
RARE’s afhankelijk zijn van de enkele partijen die de raffinageroute kunnen toepassen en 
zij daar zelf geen invloed op hebben. 

________________________________ 
5   beslisnota_bij_kamerbrief_over_5 
6   Voorstel correctiefactor hernieuwbare waterstof in raffinaderijen bekend | Nationaal Waterstof Programma 

link to page 18
background image

 
  

 

17 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

2.2 

Prijsvorming HBE’s/ERE’s  
De prijsvorming van HBE’s is vrij intransparant voor partijen, die niet actief zijn in de 
handel ervan. Er zijn een aantal bedrijven, die de monitoring van grondstofprijzen en 
handelsprijzen aanbieden als betaalde dienst en er is weinig informatie openbaar over de 
prijsvorming. Veel van de informatie hierover is dan ook via de interviews verkregen.  
 
De grondstofprijzen zijn vaak gelinkt aan verschillende markten, omdat de grondstoffen 
niet alleen op de brandstoffenmarkt worden ingezet, maar ook voor de productie van 
andere eind- of tussenproducten worden ingezet. Hierbij is ook vaak een koppeling te zien 
met de fossiele referentie of in ieder geval met de belangrijkste index van een handels-
platform. Zo kennen (plantaardige) oliehoudende grondstoffen vaak een eigen prijs-
dynamiek ten opzichte van de dynamiek rond suikerhoudende gewassen en bio-ethanol. 
Groengas volgt juist weer meer de fossiele gasprijs. De prijsvorming van biogrondstoffen 
hangt dus sterk af van de verschillende afzetmarkten. 
 
Uit de interviews bleek ook dat de handel een vrij kortetermijnperspectief heeft met 
prijzen, die sterk kunnen fluctueren door het jaar heen. Over het algemeen kijkt men 
maximaal een half jaar vooruit en vaak zelfs nog korter. Deels volgen deze prijsfluctuaties 
de deadlines van het Register Energie Vervoer en tegen het einde van het jaar wordt pas 
duidelijk wat de totale afzet van een brandstofleverancier is. Er zijn dan ook momenten in 
het jaar dat de HBE-prijs en straks de ERE-prijs gemiddeld hoger ligt dan in andere periodes 
van het jaar. 
 
Nu er steeds meer verplichtende instrumenten komen en CO2 ook steeds meer wordt 

beprijsd, kunnen de meerkosten niet alleen aan de jaarverplichting worden toegerekend, 
maar zorgt dezelfde hoeveelheid hernieuwbare energie waarschijnlijk ook voor het voldoen 
aan andere beleidsdoelstellingen. Het is dan ook aan brandstofleveranciers om een 
optimum te vinden in brandstofmix om tegen zo laag mogelijke kosten aan de verschillende 
verplichtingen te voldoen. In deze studie kijken we alleen naar de meerkosten in relatie tot 
de jaarverplichting. 
 
Uit de interviews bleek ook dat de HBE-prijs van de afgelopen jaren niet de meerkosten van 
hernieuwbare brandstoffen dekte. Zo zorgde de dubbeltellingsregeling niet per definitie 
voor een twee keer zo hoge prijs. De huidige markt wordt gekenmerkt door onbenutte 
brandstofproductiecapaciteit, vooral bij FAME en HVO. Producenten kunnen de productie-
kosten en het verschil met fossiele brandstoffen nog niet volledig in rekening brengen. Dit 
betekent dat producenten genoodzaakt zijn om de capaciteit stil te leggen of verlies te 
draaien. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Europese FAME- en HVO-producenten, die moeilijk 
kunnen concurreren met de import vanuit de Aziatische markt. Om de Europese markt te 
beschermen tegen oneerlijke concurrentie en de lokale productie te steunen, heeft de 
Europese Commissie in juli 2024 antidumpingmaatregelen genomen door extra invoer-
rechten in te stellen op FAME en HVO uit China, met tarieven variërend van 12,8% tot 
36,4%.7  
De huidige markt wordt beschreven als een ‘diesel + premium’ markt, waarbij de vraagkant 
sterke invloed heeft op de hoogte van dit premium. Wanneer de vraag zal toenemen in de 
komende jaren en bepaalde grondstoffen schaarser zullen worden, zullen de producenten 
een sterkere marktpositie krijgen en zal de ERE-prijs in hogere mate overeenkomen met de 
meerkosten. De ERE-prijs kan ook toenemen als gevolg van het aantal spelers in bepaalde 
ketens. Voor sommige brandstofketens geldt een sterke afhankelijkheid van een klein 
aantal spelers, waardoor deze partijen door hun positie een hogere prijs kunnen vragen. 

________________________________ 
7   Europese HVO wint een ronde tegen Chinese HVO - Transportmedia 

link to page 63
background image

 
  

 

18 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

2.3 

Overige ontwikkelingen 
Overige (beleids- en markt)ontwikkelingen in de brandstoffen- en vervoersmarkt die ook 
relevant zijn voor de impact van de ERE-systematiek op de Nederlandse pompprijzen, maar 
die niet in de modelanalyse zijn meegenomen, zijn beschreven in Bijlage D. 
 
 

link to page 50 link to page 21 link to page 56 link to page 21 link to page 21 link to page 26
background image

 
  

 

19 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

3  Modelbeschrijving 

Dit hoofdstuk beschrijft het ontwerp van het kosten- en prijsmodel dat binnen deze studie 
is ontwikkeld en toegepast. We doen dat door middel van schematische diagrammen die de 
modelstappen illustreren. Het hoofddoel van dit kosten- en prijsmodel is om de verande-
ringen in marktdynamiek te begrijpen als gevolg van de invoering van de ERE-systematiek 
(de nieuwe jaarverplichting). Met dit model kunnen de prijseffecten van beleidswijzigingen 
of veranderingen in externe factoren worden ingeschat en kan er worden gecontroleerd of 
aan de CO2-reductiedoelstellingen uit de jaarverplichting wordt voldaan. In deze tekst 

gebruiken we CO2 als afkorting voor CO2-equivalenten (CO2-eq.), tenzij anders vermeld. Een 

toelichting op de keuzes met betrekking tot de structuur van het model, de invulling van 
scenario’s en andere invoerwaarden is opgenomen in Bijlage A. 

3.1 

Algemene beschrijving van model 
Figuur 6 toont dat het kosten- en prijsmodel, ontwikkeld in Excel, uit de volgende vier 
submodules bestaat:  
1.  Een vraagmodule.  
2.  Een aanbodmodule. 
3.  Een inzetmodule.  
4.  Een prijsmodule.  
 
De inputwaarden van het model (te vinden in Bijlage C) bestaan uit de energie- en 
grondstoffenmix, kostprijzen en volumes van energiedragers en economische (externe) 
factoren. De inputwaarden volgen gedeeltelijk uit de specifieke scenario’s zoals 
gevisualiseerd in Figuur 6. In de scenario’s worden kwalitatieve verhaallijnen beschreven, 
die ontwikkelrichtingen weergeven voor de Nederlandse vervoersmarkt in 2030. Deze 
ontwikkelrichtingen worden vervolgens kwantitatief geconcretiseerd. Op basis van het 
gekozen scenario wordt ook bekeken of aan de CO2-reductieverplichtingen van de jaar-

verplichting wordt voldaan. Als dat niet het geval is dan wordt de energiemix (inzet van 
hernieuwbare energiedragers) in de scenario’s aangepast en worden de scenario’s 
vervolgens opnieuw getoetst aan de reductieverplichtingen (zie de feedbackloop in  
Figuur 6). Hoofdstuk 6 geeft een verdiepende beschrijving van de scenario’s en verhaal-
lijnen.  

link to page 21 link to page 56
background image

 
  

 

20 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Figuur 6 – Schematisch overzicht van inputs en outputs van kosten- en prijsmodel 

 

3.2 

Vraagmodule 
Het model maakt onderscheid tussen vraag en aanbod van hernieuwbare brandstoffen, zie 
Figuur 7. De totale energievraag volgt uit het gekozen scenario (zie ook Bijlage C). Het 
model controleert vervolgens of de hernieuwbare brandstofmix uit het gekozen scenario aan 
de beleidsdoelen uit de jaarverplichting voldoet. 

Figuur 7 – Vraag- en aanbodmodule 

 

link to page 22 link to page 13 link to page 26 link to page 21 link to page 22 link to page 50
background image

 
  

 

21 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

De gevraagde volumes in PJ per brandstof per sector (land, zeevaart, binnenvaart, 
luchtvaart) tellen op tot een totaalvraag per sector en per brandstof. Deze totaalvraag 
wordt bepaald voor de jaren in de periode 2026-2030. Het model gebruikt de energievraag 
vervolgens bij de selectie van goedkoopste hernieuwbare brandstoffen uit de MAC-curves, 
waarmee ook de grondstofvraag wordt gekwantificeerd. De aanbodmodule wordt verder 
beschreven in Paragraaf 4.4. 

3.2.1  Beleidscheck  

Aan de hand van de vraagmodule voert het model ook beleidschecks uit. Er wordt daarbij 
gecheckt of de (Platform Hernieuwbare Brandstoffen) brandstofmix voldoet aan alle targets 
en limieten zoals die onder de jaarverplichting gelden. De (Platform Hernieuwbare 
Brandstoffen) brandstofmix is zo ingesteld dat aan de targets en limieten van de jaar-
verplichting (zie Hoofdstuk 2) wordt voldaan en deze mix aansluit bij de scenario’s uit 
Hoofdstuk 6.  

3.3 

Aanbodmodule 
De outputwaarden van de aanbodmodule bestaan uit een overzicht van producentenprijzen 
van brandstoffen uitgedrukt in kosten per vermeden kg CO2 met de bijbehorende aanbod-

volumes, zie Figuur 8. De aanbodvolumes (‘staven’) tellen op tot een totale beschikbaar-
heid van hernieuwbare brandstoffen voor de Nederlandse vervoersmarkt. De brandstoffen 
die het model in deze studie meeneemt alsook de selectie van brandstof- en grondstof-
combinaties die in de energievraag (uit de vraagmodule) voorzien worden hieronder 
toegelicht.  

3.3.1  Brandstoffenlijst 

De brandstoffen die in modellering en analyse worden meegenomen staan in Tabel 2.  
De keuze voor meegenomen brandstoffen wordt toegelicht in Bijlage A. 
 

Tabel 2 – Brandstoffen die in de studie zijn meegenomen 

Energiedrager 

Opmerking 

Fossiele benzine 

Fossiele brandstof die wordt gebruikt in de sector land. 

Bio-ethanol 

Wordt bijgemengd bij fossiele benzine. De ‘blend wall’ is 10 volumeprocent. 

Fossiele diesel 

Fossiele brandstof die wordt gebruikt in de sector land. 

HVO 

Biobrandstof, geproduceerd met behulp van hydrotreating, kan in principe 
tot 100% worden bijgemengd bij fossiele diesel. 

FAME 

Biobrandstof, geproduceerd uit oliën en vetten met betrekking tot 
transesterificatie, kan tot 7 volumeprocent worden bijgemengd bij fossiele 
diesel. 

e-diesel 

E-fuel die wordt meegenomen als optie voor de sector land. Telt mee voor 
RFNBO-doel. 

Hernieuwbare waterstof - 
directe inzet (gasvormig) 

E-fuel die wordt meegenomen als optie voor de sector land. Dit gaat om 
gecomprimeerd waterstofgas. Telt mee voor RFNBO-doel. 

Hernieuwbare waterstof - 
raffinage 

Inzet van hernieuwbare waterstof in plaats van grijze waterstof in 
raffinaderijen bij het kraakproces. Dit telt mee voor RFNBO-doel, maar er 
wordt een correctiefactor toegepast (het huidige voorstel is 0,4).  

Vloeibare hernieuwbare 
waterstof 

E-fuel die wordt meegenomen als optie voor de sector binnenvaart. Telt mee 
voor RFNBO-doel. 

Fossiele kerosine 

Fossiele brandstof die wodt gebruikt in de luchtvaart. 

link to page 24
background image

 
  

 

22 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Energiedrager 

Opmerking 

Bio-kerosine 

Biobrandstof met dezelfde chemische samenstelling als fossiele kerosine. 

e-kerosine 

E-fuel met dezelfde chemische samenstelling als fossiele kerosine. 

LNG  

Fossiele brandstof (aardgas) die wordt gebruikt in de zeescheepvaart. LNG 
staat voor liquefied natural gas. 

Bio-LNG 

Biobrandstof met dezelfde chemische samenstelling als fossiele LNG. Wordt 
gemaakt door middel van liquefactie van groengas (biomethaan). 

Elektriciteit (grid mix) 

Er wordt naar de CO2-eq.-emissiefactor van de grid mix gekeken voor 
bepaling van de hoeveelheid ERE’s 

Stookolie (HFO) 

Fossiele brandstof die wordt gebruikt in de zeescheepvaart. HFO staat voor 
heavy fuel oil. 

Gasolie (MGO) 

Fossiele brandstof die wordt gebruikt in de zeescheepvaart. MGO staat voor 
marine gas oil. 

Biobrandstof zeevaart 

De biobrandstof die wordt bijgemengd bij HFO en MGO in de zeevaart is 
soortgelijk aan FAME en HVO, maar heeft andere specificaties. 

Diesel (binnenvaart) 

Diesel voor de binnenvaart 

 

3.3.2  MAC-curves 

Brandstofleveranciers hebben verschillende opties om te voldoen aan hun jaarlijkse 
verplichting. Het model gaat ervan uit dat brandstofleveranciers economisch rationeel 
handelen en de inzet van bepaalde hernieuwbare brandstoffen zullen vergroten naarmate 
deze goedkoper worden (en beschikbaar zijn) om aan hun jaarlijkse verplichting te voldoen. 
Voor de modellering van inzetkeuzes stellen we Marginal Abatement Cost (MAC)-curves op. 
De (Platform Hernieuwbare Brandstoffen) brandstoffenmix wordt al in de scenario’s 
vastgelegd. De MAC-curves worden vervolgens gebruikt om de exacte inzet van volumes van 
specifieke brandstoffen te bepalen (en daarmee ook de grondstoffenmix). In de MAC-curves 
van specifieke brandstoffen staan namelijk aanbodvolumes behorende bij specifieke 
combinaties van productietechnieken, grondstoffen (inclusief grondstofcategorie), landen 
van herkomst en gehanteerde emissiefactoren. Deze staan gesorteerd van meest goedkope 
‘staaf’ naar duurste ‘staaf’, zie Figuur 8 voor een illustratie van de MAC-curve voor bio-
ethanol. De brandstofvraag uit de scenario’s bepaalt welke staven worden geselecteerd om 
in de vraag te voorzien.  
 
De staven staan uitgedrukt in euro per kg CO2-eq.-reductie (op basis van WTW-emissie-

factoren). Dit geeft de producentenprijs weer van de hernieuwbare brandstofvolumes in 
relatie tot de CO2-reductie die behaald kan worden ten opzichte van de referentie-

emissiefactor van fossiel. Op de x-as kan ofwel PJ’s of CO2-reductie komen te staan; we 

hebben voor de modellering gekozen voor PJ’s zodat dan makkelijk kan worden afgelezen 
welke brandstof- en grondstofcombinaties (‘staven’) in een specifieke energievraag kunnen 
voorzien.  

link to page 24
background image

 
  

 

23 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Figuur 8 – Impressie MAC-curve voor bio-ethanol 

 
De gevraagde volumes in PJ per brandstof per sector (land, zeevaart, binnenvaart, 
luchtvaart) tellen op tot een totaalvraag per sector en per brandstof. Deze totaalvraag 
wordt bepaald voor de jaren in de periode 2026-2030. Het model gebruikt de energievraag 
vervolgens bij de selectie van goedkoopste hernieuwbare brandstoffen uit de MAC-curves, 
waarmee ook de grondstofvraag wordt gekwantificeerd. De outputwaarden van de aanbod-
module bestaan uit een overzicht van producentenprijzen van brandstoffen uitgedrukt in 
kosten per vermeden kg CO2 met de bijbehorende aanbodvolumes. De aanbodvolumes 

(‘staven’) tellen op tot een totale beschikbaarheid van hernieuwbare brandstoffen voor de 
Nederlandse vervoersmarkt.  

3.4 

Inzetmodule 
Het model berekent de gewogen gemiddelden (van o.a. kostprijs) aan de hand van de 
ingezette ‘staven’, zie Figuur 9. Het model bepaalt daarmee ook meteen de meerprijzen en 
meerkosten per hernieuwbare brandstof en per sector. 

Figuur 9 – Schematisch overzicht van de inzetmodule 

 

0,0

0,1

0,2

0,3

0,4

0,5

0,6

0

5

10

15

20

25

30

35

40

45

50

55

60

65

70

€/

kg

CO

2,

ve

rm

.

PJ Beschikbaar

MAC Curve Bio-ethanol

(ter illustratie)

Bio-ethanol (conventioneel) - Sugar cane

Bio-ethanol (conventioneel) - Sugar beet

Bio-ethanol (conventioneel) - Corn

Bio-ethanol (conventioneel) - Other cereals

link to page 25 link to page 25
background image

 
  

 

24 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

3.5 

Prijsmodule 

3.5.1  Bepaling meerprijzen en meerkosten 

Aan de hand van de definitieve energie- en grondstoffenmix kunnen de totale meerkosten 
van de inzet van hernieuwbare brandstoffen worden berekend, zie Figuur 10. De meer-
kosten worden bepaald door een tweetal factoren: 
—  Meerprijs van hernieuwbare brandstoffen: De meerprijs van een hernieuwbare 

brandstof is het verschil tussen de berekende gewogen gemiddelde kostprijs van deze 
brandstof (die volgt uit de vorige stap) en de producentenprijs van de vervangen 
fossiele brandstof. 

—  Inzet van hernieuwbare PJ’s voor de jaarverplichting (JV): Dit betreft enkel de inzet 

van hernieuwbare brandstoffen om aan de JV te voldoen. Het model houdt daarbij ook 
rekening met de invulling van vrije ruimtes in de sectoren. 

 
Met deze twee factoren kunnen de totale meerkosten per sector en per hernieuwbare 
brandstof worden berekend. 

3.5.2  Bepaling pompprijzen 

Het model bepaalt de literprijs door vanuit een prijs per energie-eenheid om te rekenen 
met behulp van de energiedichtheid van specifieke brandstoffen. De meerkosten van de 
inzet van hernieuwbare brandstoffen worden doorberekend in de pompprijzen. Het model 
hanteert een bepaalde allocatiestrategie (doorberekenmethode). Andere componenten in 
de pompprijzen zijn ook gemodelleerd, zoals brandstofaccijnzen, btw en winstmarges.  
De meerkosten en prijscomponenten komen bovenop de reguliere producentenprijs van de 
fossiele brandstof. Door de resulterende pomprijzen in 2026 t/m 2030 te vergelijken met de 
huidige pompprijzen kunnen prijseffecten van de nieuwe jaarverplichting worden 
gekwantificeerd. 
 
Het effect op de pompprijs vormt daarmee ook de belangrijkste output van het kosten- en 
prijsmodel, zie Figuur 10.  

Figuur 10 – Schematisch overzicht om effect op de pompprijs te bepalen 

 

link to page 26 link to page 30 link to page 20 link to page 34 link to page 26 link to page 27
background image

 
  

 

25 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

4  Scenario’s  

Omdat veel ontwikkelingen in de Nederlandse brandstoffenmarkt onzeker zijn, maken we in 
deze studie gebruik van verhaallijnen en scenario. In dit hoofdstuk presenteren we 
allereerst drie kwalitatieve verhaallijnen in Paragraaf 5.1. Deze verhaallijnen vormen de 
basis voor drie corresponderende kwantitatieve scenario’s in Paragraaf 5.2. De scenario’s 
zijn alternatieve ontwikkelrichtingen voor de Nederlandse brandstoffenmarkt in 2030. Deze 
scenario’s vormen een belangrijke input voor de verkenning van de impact van de RED III-
implementatie op de pompprijzen, zoals getoond in Hoofdstuk 4. De resultaten van de 
verkenning (met onderscheid tussen de scenario’s) staan in Hoofdstuk 6. 

4.1 

Verhaallijnen 
In dit hoofdstuk worden drie kwalitatieve verhaallijnen beschreven, die ontwikkelrichtingen 
weergeven voor de Nederlandse brandstoffenmarkt in 2030. Deze ontwikkelrichtingen 
worden vervolgens kwantitatief geconcretiseerd in scenario’s.  
 
De verhaallijnen zijn geïnspireerd op de studie ‘Visie op een duurzame bio-economie in 
2030’8 die de Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa (Commissie Corbey) 
publiceerde op 18 december 2014. Deze visie is gebaseerd op de roadmap die destijds door 
CE Delft ontwikkeld is en hierin worden vier mogelijke scenario’s schetst. Binnen deze 
scenario’s varieerden de mate van globalisering en de rol van overheden en bedrijfsleven. 
Hoewel de wereldhandel sinds 2014 sterk veranderd is, is de opzet van deze scenario's nog 
wel geschikt om toe te passen op de huidige situatie. De mate van globalisering en inzet op 
verduurzaming door overheden en bedrijfsleven hebben we als uitgangspunt genomen voor 
het opstellen van verhaallijnen, die passen bij de huidige geopolitieke verhoudingen. Op 
basis van de scenario’s uit deze studie hebben we twee uitersten scenario’s samengesteld 
en daar vervolgens een middenscenario aan toegevoegd. 
Nederland voldoet momenteel voor een groot deel aan de huidige jaarverplichting middels 
import van biobrandstoffen en de import van biogrondstoffen voor biobrandstofproductie in 
Nederland. Ook in 2030 speelt import naar verwachting een grote rol. De situatie in de 
wereldhandel van hernieuwbare brandstoffen, dat wil zeggen de mate waarin hernieuwbare 
brandstoffen beschikbaar en betaalbaar zijn op de wereldmarkt voor import door 
Nederland, is dus van grote invloed. De situatie op wereldmarkt wordt beïnvloed door 
geopolitieke aspecten zoals handelsbarrières gemotiveerd door protectionisme, maar ook 
door concurrentie om biogrondstoffen en hernieuwbare brandstoffen vanuit andere landen 
als gevolg van het stimuleringsbeleid in die landen.  
 
Beschikbare volumes en prijzen van hernieuwbare brandstoffen zijn in hoge mate onzeker, 
terwijl ze wel een grote invloed hebben op de pompprijzen. Daarom variëren we de 
beschikbaarheid en prijzen tussen de verhaallijnen en scenario’s. De brandstofmix en 
invulling van de vrije ruimte is juist minder onzeker en zal minder variëren (dit komt terug 
bij de uitwerking van de scenario’s hieronder).  
 
Zoals weergegeven in Figuur 11, nemen we de volgende drie verhaallijnen mee, waarin de 
beschikbaarheid van hernieuwbare brandstoffen voor Nederland en de marktprijzen van 
grondstoffen/brandstoffen sterk verschilt: 

________________________________ 
8   Roadmap naar een duurzame bio-economie in 2030 - CE Delft 

background image

 
  

 

26 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

—  Regionale handel: Handelsbeperkingen en sterke concurrentie leiden tot een lage 

beschikbaarheid en hoge marktprijzen. 

—  Gematigde markt: De beschikbaarheid en marktprijzen van hernieuwbare brandstoffen 

bevinden zich in het midden van de bandbreedte van de waardes uit de andere twee 
scenario’s. 

—  Mondiale handel: Vrije handel en lage concurrentie leiden tot een hoge beschikbaar-

heid en lage prijzen. 

 

 

Figuur 11 – Verhaallijnen

 

 

Factoren 
Onderstaande tabel schetst hoe verschillende factoren eruit zien in de twee uiterste 
verhaallijnen. Deze factoren gaan over de algemene concurrentiepositie van Nederland, de 
vraagkant van hernieuwbare brandstoffen en de aanbodkant. Dit is een beschrijving op 
hoofdlijnen. De verhaallijn behorende bij ‘gematigde markt’ is niet uitgewerkt in de tabel, 
omdat deze tussen beide andere ligt. Deze verhaallijn kan worden beschouwd als een 
middenscenario dat samenhangt met het referentiescenario uit de KEV. 
 

Tabel 3 – Factoren binnen de verschillende verhaallijnen 

Factor 

Regionale handel 

Mondiale handel  
 

(Geo)politiek klimaat 

Veel geopolitieke spanningen resulteren 
in een ‘ieder voor zich’-mentaliteit.  
De EU is op zichzelf aangewezen, maar 
wankelt door polarisatie en verschil van 
inzicht tussen lidstaten ook.  
De spanningen rond Rusland/Oekraïne, 
ontwikkelingen in het Midden-Oosten en 
de keuzes die Trump maakt, zorgen voor 
verdere escalatie.  

Wereldleiders vinden een manier om tot 
elkaar te komen en lopende conflicten te 
de-escaleren, waardoor de buitenlandse 
politiek weer in rustiger vaarwater 
terechtkomt.  
 

Internationaal 
klimaatbeleid 

Andere landen blijven achter met eigen 
nationale klimaatambities en commit-
ment op internationale verdragen ten 
opzichte van de EU en Nederland in het 
bijzonder 

Verduurzaming in andere (non-EU) 
landen verloopt op vergelijkbare voet. 
Als gevolg hiervan wordt de NLse markt 
en EU-markt niet onderuit gehaald en is 
bijvoorbeeld de CO2-prijs geen 
belemmering voor de buitenlandse 
handel. 

background image

 
  

 

27 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Factor 

Regionale handel 

Mondiale handel  
 

Nationaal politieke 
prioriteiten 

Klimaatverandering en verduurzaming 
verliezen het van andere thema’s, zoals 
defensie, energie- en leveringszekerheid 
en migratie, die op korte termijn om 
oplossingen vragen. 
 
Protectionisme van eigen markten 
resulterend in handelsbelemmeringen, 
zoals hogere importtarieven. 
 
Ad hoc beleid – bepaald door korte-
termijnontwikkelingen. 

Klimaatverandering, verduurzaming en 
groene groei staan hoog op de politieke 
agenda. 
 
De handel met andere landen wordt niet 
belemmerd door handelsbelemmeringen, 
maar er wordt juist actief ingezet op 
Memoranda of Understanding (MoU’s) 
met andere landen. 
 
De politieke agenda wordt niet geregeerd 
door ‘crisismaatregelen’ en is daarmee 
proactief in plaats van reactief. 

Import- en 
exportmogelijkheden 

Er is minder vraag voor export vanuit 
Nederland en door protectionisme van 
eigen markten, zijn de 
importmogelijkheden van halffabricaten 
en feedstocks beperkt. Hierdoor leunt 
Nederland en de EU op eigen productie 
en beschikbaarheid van grondstoffen. 
Import wordt als het wel mogelijk is ook 
gezien als geopolitiek risico. 

De vrije handel is minder beperkt en los 
van wat strategische contracten tussen 
een aantal landen (denk aan de positie 
van China in Afrika), kan Nederland een 
substantieel deel van de vraag naar 
materialen en feedstocks invullen met 
import uit non-EU landen. 

Investeringszekerheid 

Partijen zijn terughoudend met 
investeringen in de huidige locaties en 
meerdere plannen voor uitbreiding of 
nieuwe productielocaties worden in de 
ijskast gezet.  

Nieuwe en bestaande partijen hebben 
vertrouwen in de toekomst en krijgen 
langetermijnzekerheid van de overheid 
en bouwen nieuwe productielocaties. 
Omdat partijen niet twijfelen over de 
toekomst, worden plannen voor nieuwe 
productielocaties en uitbreiding van 
huidige locaties doorgezet.  

Vlootvernieuwing  

Elektrificatie of de marktaandelen van 
nieuwe aandrijflijnen stijgen maar op 
een laag tempo vanwege een langzame 
vlootvernieuwing. 

Er is voldoende vertrouwen in de markt 
en partijen kunnen voldoende 
concurreren, waardoor ze de ruimte 
hebben versneld te investeren in 
vlootvernieuwing. 

Olieprijs 

De olieprijs stijgt licht tussen 2026 en 
2030. (Dit is een belangrijke kosten-
component in de marktprijs van fossiele 
brandstoffen. De KEV 2024 is als basis 
genomen voor de verhaallijnen.) 

De olieprijs daalt sterk tussen 2026 en 
2030. Dit is gebaseerd op de 
onderwaarde van de bandbreedte voor 
2030 uit de KEV 2024 (PBL, 2024). Een 
dergelijke daling is in lijn met het 
vooruitzicht van de IEA uit 2024 voor de 
oliemarkt, waarin een groot overaanbod 
in 2030 wordt verwacht (IEA, 2024a). 

Betalen meerkosten en 
verwaarding CO2-
reductie 

Transportpartijen kunnen moeilijk de 
meerkosten betalen van duurzame 
alternatieven. De meerkosten betalen 
zich niet uit in voordelen op de markt. 
Kosten kunnen dus niet doorgeschoven 
worden. 

Transportpartijen staan relatief sterk, 
waardoor de meerkosten van hernieuw-
bare energiedragers makkelijker 
gedragen kunnen worden, deels doordat 
ze ook tot voordeel leiden op de markt.  

background image

 
  

 

28 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Factor 

Regionale handel 

Mondiale handel  
 

Vraagkant andere 
sectoren / andere 
landen 

Hier zien we twee opties binnen een 
regionale focus: 
− 

Andere vraagsectoren dan de 
mobiliteit komen nauwelijks aan 
verduurzaming toe, waardoor de 
concurrentie tussen vraagsectoren 
beperkt blijft.  

− 

De verduurzaming van andere 
vraagsectoren neemt een vlucht en 
zorgt voor stevige concurrentie met 
de transportsector. 

 
Beperkte vraag vanuit andere sectoren 
(optie 1) heeft een dempende werking op 
de prijzen en is positief voor de 
beschikbaarheid (al zorgt de regionale 
focus voor beperkte beschikbaarheid uit 
import). Voor een hoge mate van 
verduurzaming geldt dit andersom. 

Hier zien we twee opties binnen een 
mondiale focus: 
− 

Andere landen stellen hun klimaat-
ambities naar beneden bij of lopen 
achter met de invulling, waardoor 
er minder concurrentie is en relatief 
lagere prijzen en hogere beschik-
baarheid.  

− 

De concurrentie tussen landen om 
dezelfde hernieuwbare materialen 
en energiedragers neemt toe. Dit 
zorgt voor hogere prijzen en 
beperktere beschikbaarheid, maar 
biedt aan de andere kant ook 
voordelen voor schaalgrootte/ 
innovatie. 

Concurrentiepositie 
(bio)raffinagecluster, 
Nederlandse 
industrieclusters 

De (bio)raffinagesector en Nederlandse 
industrie in het algemeen hebben het 
zwaar en Nederland kent een minder 
aantrekkelijk vestigingsklimaat. Veel 
bedrijven overwegen hun productie te 
verplaatsen. 

De positie van de Nederlandse 
raffinagesector blijft behouden en de 
sector is in staat de concurrentiepositie 
verder te verstevigen door 
toekomstbestendige maatregelen te 
nemen, o.a. op het vlak van 
verduurzaming.  

Meerkosten/businesscase  Er is weinig ruimte voor innovatie en 

opschaling van technieken, waardoor de 
markt moeilijk de overstap naar Annex IX 
A en RFNBO’s kan maken en sterk blijft 
hangen op de Annex IXB-routes. 

Door de sterke positie van de 
Nederlandse economie en wereldwijde 
handel en stabiliteit is er ruimte voor 
innovatie en schaalgroottevoordelen. 
Hierdoor kunnen de meerkosten 
langzaam dalen en komen er meer Annex 
IX A en RFNBO’s beschikbaar. 

 
 
Constante factoren 
De kwalitatieve verhaallijnen vormen de basis voor de variatie van invloedrijke factoren in 
de kwantitatieve scenario’s. Er is tevens een aantal factoren dat niet varieert tussen de 
verhaallijnen. Deze constante factoren worden hieronder toegelicht.  

Beleidsdoelstellingen en bijmenglimieten 
Binnen elke verhaallijn gaan we ervan uit dat de CO2-reductieverplichtingen van de nieuwe 

jaarverplichting gehaald worden (inclusief subtargets en -limieten per sector) en dat ook de 
fysieke bijmenglimieten niet worden overschreden. Deze verplichtingen en limieten kunnen 
ervoor zorgen dat een brandstof wel beschikbaar en goedkoop is, maar niet kan worden 
ingezet. Annex-IXB- en conventionele biobrandstof blijven in elke verhaallijn het goed-
koopst en de limieten voor deze brandstofcategorieën worden in elk scenario volledig 
benut. 
 

link to page 32 link to page 30
background image

 
  

 

29 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Vervoersvraag  
Hoewel de economische omstandigheden wel invloed hebben op de totale vervoersvraag, is 
aangenomen dat dit voor 2030 binnen elk scenario gelijk blijft. Hier sluiten we aan bij de 
Klimaat– en Energieverkenning (KEV). Er is dus vanuit gegaan dat men gewoon blijft reizen 
en dat er door wordt gegaan met het vervoer van goederen zoals op dit moment het geval 
is. Alleen de energiemix die daarvoor gebruikt wordt varieert dus per scenario. Om ervoor 
te zorgen dat de totale vervoersvraag gelijk blijft, is gecorrigeerd voor de hogere energie-
efficiëntie van batterij-elektrische voertuigen en waterstofvoertuigen ten opzichte van 
voertuigen met een verbrandingsmotor. 

4.2 

Scenario’s 
In deze paragraaf werken we de verhaallijnen uit tot scenario’s: welke variabelen (die in 
het Excel-model als inputs worden gebruikt) verschillen tussen de scenario’s? Dit is 
weergegeven in Tabel 4. 
 
Voor alle drie de scenario’s worden de volgende principes gehanteerd met betrekking tot de 
bepaling van de brandstofmix in Nederland in 2030. Deze principes zijn gebaseerd op het 
leidende principe van kosteneffectieve naleving van de beleidsdoelen van de herziene 
jaarverplichting. 
 
Principes: 
—  Brandstofleveranciers gaan in het algemeen voor de goedkoopste opties om te voldoen 

aan de jaarverplichting. 

—  Er is een beperkte groei van alternatieve aandrijflijnen (waterstof, elektrificatie, (bio-

)LNG), want vervanging van vervoermiddelen brengt hoge investeringskosten met zich 
mee en de vervangingssnelheid is beperkt. 

—  Met de totale inzet van hernieuwbare energiedragers in de Nederlandse vervoersmarkt 

wordt voldaan aan de CO2-reductieverplichtingen in de jaarverplichting (targets), maar 

de inzet zal niet veel hoger zijn dan wat nodig is om te voldoen aan deze verplich-
tingen. 

—  Conventionele biobrandstof en Annex-IXB-biobrandstof worden tot aan de sectorale 

limieten van de jaarverplichting ingezet.  

—  FAME wordt bijgemengd tot 7 vol-% in diesel in de sectoren land en binnenvaart. Dit is 

het maximum volgens de afgesproken norm (EN590, de Europese Norm voor diesel-
brandstof). Bio-ethanol wordt bijgemengd tot 10 vol-% in benzine (het maximum volgens 
de Europese norm EN 228)9.  

—  De minimaal vereiste hoeveelheid RFNBO’s wordt ingezet zodat wordt voldaan aan de 

RFNBO-subdoelen, maar niet meer dan dat. De directe inzet van hernieuwbare water-
stof wordt begrensd door de ontwikkeling van de hoeveelheid waterstofvoertuigen (wat 
wordt beïnvloed door de verwachte kosten en beschikbaarheid van groene waterstof).  
•  Land, binnenvaart en zeevaart: We nemen een vaste, beperkte stijging aan, leidend 

tot een beperkte directe inzet van RFNBO’s in de sectoren land, binnenvaart en 
zeevaart van in totaal 0,5 PJ in 2030.  

•  Luchtvaart: Er wordt aan de minimale e-SAF-doelstelling vanuit ReFuelEU Aviation 

voldaan van 0,7 vol-% e-SAF, wat neerkomt op 1,1 PJ e-SAF-inzet in 2030.  

•  Raffinageroute: De rest van de RFNBO-doelstelling wordt ingevuld via de 

raffinageroute, omdat deze route de gemakkelijkste is om aan de jaarverplichting te 
voldoen en mogelijk ook de goedkoopste, omdat geen aanschaf van 

________________________________ 
9   Sinds 1 oktober 2019 verplicht de Nederlandse overheid tankstations in Nederland met meer dan één 

benzinepomp om E10-benzine te verkopen. 

link to page 31
background image

 
  

 

30 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

waterstofvoertuigen nodig is. Het volume dat via de raffinageroute wordt ingezet is 
2,5 keer groter dan nodig zou zijn via directe inzet vanwege de voorgestelde 
correctiefactor van 0,4.  

•  In 2030 moet ten minste 6 vol-% van alle geleverde kerosine SAF zijn volgens de 

ReFuelEU Aviation.10 We gaan ervan uit dat hieraan voldaan wordt, met 0,7 vol-% e-
SAF (1,1 PJ) en 5,3 vol-% bio-SAF (8,4 PJ). (Hiermee wordt al grotendeels voldaan 
aan de CO2-reductiedoelstelling van luchtvaart uit de jaarverplichting.) 

 
We variëren de scenario’s op het gebied van: 
—  Beschikbaarheid van hernieuwbare brandstoffenIn het scenario ‘regionale handel’ is 

de beschikbaarheid van hernieuwbare brandstoffen voor de Nederlandse mobiliteit 
relatief laag vanwege handelsbeperkingen op de mondiale markt (zie de verhaallijnen). 

—  Marktprijzen van hernieuwbare brandstoffenIn het scenario ‘regionale handel’ zijn 

de marktprijzen van hernieuwbare brandstoffen relatief hoog, onder andere door 
beperkte importmogelijkheden (zie de verhaallijnen). 

—  De mate van elektrificatie: Een situatie met beperkte importmogelijkheden en hogere 

biobrandstofprijzen (‘regionale handel’) kan ertoe leiden dat meer op elektrificatie van 
mobiliteit wordt ingezet. Ook zal meer moeite worden gestoken in creatie en handel 
van ERE’s gerelateerd aan thuisladen. Daarom heeft ‘regionale handel’ een hogere 
fysieke inzet van elektriciteit: 50 PJ in 2030, tegenover 40 PJ in ‘gematigde markt’ en 
30 PJ in ‘mondiale handel’. Deze waardes zijn gebaseerd op de bandbreedte uit de KEV 
2024 (PBL, 2024). 

—  De mate van HVO-inzet: Dit betreft de hoeveelheid HVO die wordt bijgemengd bij 

diesel in wegvervoer (sector land). Brandstofleveranciers kunnen de ‘rest’ van hun 
verplichting (na toepassing van de goedkoopste opties zoals bio-ethanol) invullen met 
meer elektriciteit en/of meer HVO op land. In het scenario ‘regionale handel’ is HVO 
relatief duur en zal meer op elektrificatie en inboeking thuis- en bedrijfsladen worden 
ingezet. De HVO-inzet is dus lager in dit scenario (35 PJ in 2030, tegenover 54 PJ in 
‘gematigde markt’ en 74 PJ in ‘mondiale handel’). 

—  Biobrandstoftypen in zeevaartWe nemen aan dat de inzet van bio-LNG in de 

zeevaart varieert tussen de scenario’s. Bio-LNG wordt ingezet door vervanging van LNG 
(waarvan in 2024 15 PJ werd gebunkerd in de Rotterdamse haven) door bio-LNG. Bio-
LNG gemaakt van groengas op basis van mestvergisting kan tot een grote CO2-eq.-

emissiereductie leiden, mogelijk zelfs boven de 100% als gevolg van vermeden 
methaanemissies. Dit is in potentie een goedkope manier voor de markt om aan de 
reductiedoelstelling te voldoen, maar dan moet er wel voldoende groengas uit mest 
worden gemaakt en de zeevaart moet de concurrentieslag om dit groengas kunnen 
winnen met de ETS-2-sectoren, waar een bijmengverplichting groengas gaat gelden 
vanaf 2026 en waarin ook op CO2-reductie gaat worden gestuurd. Hier zit veel 

onzekerheid in. We nemen aan dat in het scenario 'regionale handel' de vervoersmarkt 
sterk trekt aan lokale groengasproductie, waardoor 12 PJ bio-LNG wordt ingezet in de 
zeevaart in 2030. Dit is in lijn met de inzichten uit onze verkenning van de ontwikkeling 
van groengasinvoeding in Nederland tussen nu en 2030 (CE Delft, 2024). Met deze 12 PJ 
kan het merendeel van de huidige LNG-bunkering in de Rotterdamse haven worden 
vervangen door de bunkering van bio-LNG. In het scenario 'mondiale handel' wordt 
vooral biobrandstof bijgemengd bij stookolie en gasolie, omdat bio-LNG in dit scenario 
een minder kosteneffectieve optie is om aan de jaarverplichting te voldoen.  

________________________________ 
10   Voor zeescheepvaart en binnenvaart is er geen soortgelijke brandstofspecifieke-doelstelling als de SAF-

verplichting uit ReFuelEU Aviation heeft voor de luchtvaart. Het is niet duidelijk hoe de CO2-reductie-
doelstelling van FuelEU Maritime gaat worden ingevuld en of dit de invulling van de jaarverplichting 
beïnvloedt. We nemen aan dat dit laatste niet het geval is. 

link to page 32
background image

 
  

 

31 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

—  Olieprijs: In het scenario ‘regionale handel’ stijgt de olieprijs naar een relatief hoog 

niveau (zie de verhaallijnen). 

—  Aardgasprijs: In het scenario ‘regionale handel’ daalt de aardgasprijs licht tussen nu en 

2030; in het scenario ‘mondiale handel’ daalt deze zeer sterk. 

 

De verschillen tussen de scenario’s in inputwaarden voor de modellering zijn samengevat in 
Tabel 4. 
 

Tabel 4 – Variatie van inputvariabelen tussen de drie scenario’s in de studie 

Variabele 

Regionale handel 

Gematigde markt 

Mondiale handel 

Beschikbaarheid van 
hernieuwbare 
brandstoffen 

Laag. Toepassing van 
onderwaarde van band-
breedtes van brandstof-
volumes. 

Gemiddeld. Toepassing van 
middenwaarde van 
bandbreedtes. 

Hoog. Toepassing van 
bovenwaarde van 
bandbreedtes. 

Marktprijzen van 
hernieuwbare 
brandstoffen 

Hoog. Toepassing van 
bovenwaarde van 
bandbreedtes van 
producentenprijzen 
brandstoffen. 

Gemiddeld. Toepassing van 
middenwaarde van 
bandbreedtes van 
producentenprijzen. 

Laag. Toepassing van 
onderwaarde van 
bandbreedtes van 
producentenprijzen. 

Mate van elektrificatie 
in sector land 

Relatief hoog aandeel 
elektrificatie in sector land 
voor naleving ‘resterende’ 
jaarverplichting van 50 PJ 
in 2030, gebaseerd op de 
bovenwaarde van de 
bandbreedte uit de KEV 
2024 (PBL, 2024). 

Gemiddeld aandeel 
elektrificatie (40 PJ in 
2030). 

Relatief laag aandeel 
elektrificatie (30 PJ in 
2030, gebaseerd op de 
onderwaarde van de 
bandbreedte uit de KEV 
2024). 

Mate van HVO-inzet in 
sector land 

Relatief laag aandeel HVO 
voor naleving ‘resterende’ 
jaarverplichting in sector 
land (35 PJ in 2030). 

Gemiddeld aandeel HVO 
(54 PJ in 2030). 

Relatief hoog aandeel HVO 
(74 PJ in 2030). 

Biobrandstoftypen in 
zeevaart 

Hoge groei bio-LNG ter 
vervanging van LNG-
bunkering (12 PJ in 2030) 

Gematigde groei van bio-
LNG ter vervanging van 
LNG-bunkering (6 PJ in 
2030). 

Geen bio-LNG in de 
zeevaart (3 PJ in 2030); 
bijmenging van 
biobrandstof in stookolie 
en gasolie vormt de 
hoofdmoot. 

Olieprijs 

De olieprijs stijgt licht van 
80 euro per vat in 2026 
naar 85 euro/vat in 2030. 
(De KEV 2024 geeft een 
bandbreedte voor 2030 van 
42 tot 85 EUR/vat ruwe 
olie (PBL, 2024)). 

De olieprijs daalt 
geleidelijk naar 63,5 euro 
per vat in 2030 (het 
gemiddelde van de uiterste 
waarden uit de KEV). 

De olieprijs daalt 
geleidelijk van 80 euro per 
vat in 2026 naar 42 euro 
per vat in 2030. 

Aardgasprijs 

De aardgasprijs daalt licht 
van 0,52 euro/m3 in 2023 
naar 0,44 euro/m3 in 2030. 
(De KEV 2024 geeft een 
bandbreedte voor 2030 van 
0,14 tot 0,44 €/m3 (PBL, 
2024)). 

De aardgasprijs daalt sterk 
naar 0,23 euro/m3 in 2030 
(de waarde voor het 
middenscenario uit de 
KEV). 

De aardgasprijs daalt zeer 
sterk naar 0,14 euro/m3 in 
2030. 

 

link to page 33 link to page 34
background image

 
  

 

32 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Kwantificering scenario’s 
Voor de kwantificering van de drie scenario’s hebben we de CO2-reductieverplichtingen van 

de voorgestelde RED III-implementatieregels gemodelleerd. Vervolgens hebben we de 
eerder genoemde principes en variaties tussen de scenario’s toegepast. Dit heeft geresul-
teerd in drie scenario’s die alle voldoen aan de CO2-reductieverplichtingen (zonder grote en 

dure ‘overshoots’), maar met variatie in de brandstofmixen.  
 
De totale mobiliteitsvraag is constant gehouden. We hebben de totale mobiliteitsvraag uit 
het middenscenario van de KEV, zoals uitgewerkt in het Revnext-dashboard, als uitgangs-
punt genomen. Hierbij hebben we rekening gehouden met het hogere energierendement 
van elektrische voertuigen en waterstofvoertuigen ten opzichte van conventionele 
voertuigen. Voor elektrisch vervoer hebben we een ‘krimpfactor’ van 2,7 toegepast (80% 
energierendement van batterij-elektrisch 30% energierendement van fossiel) en voor 
brandstofcelvoertuigen een krimpfactor van 1,4 (gebaseerd op eerder werk11). 
 
De hernieuwbare energie-inzet die het resultaat is van de kwantificering van de scenario’s 
wordt gepresenteerd bij de analyseresultaten in Hoofdstuk 7. 

________________________________ 
11   STREAM Goederenvervoer 2020. Emissies van modaliteiten in het goederenvervoer - CE Delft 

link to page 50 link to page 34 link to page 56 link to page 26
background image

 
  

 

33 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

5  Resultaten 

In deze studie is het effect van de RED III-implementatie op de hernieuwbare energie-inzet 
en de pompprijzen in Nederland richting 2030 verkend met behulp van drie scenario’s 
(regionale handel, gematigde markt en mondiale handel). In dit hoofdstuk presenteren en 
bespreken we de resultaten. Een toelichting op belangrijke modelaannames is te vinden in 
Bijlage A. 

5.1 

Fysieke inzet hernieuwbare energiedragers 
De fysieke inzet van hernieuwbare energie in de Nederlandse vervoersmarkt in 2023 en in 
2030 in elk van de drie scenario’s is weergegeven in Figuur 12. De bijbehorende getallen 
staan in Bijlage C.1.  
 

Figuur 12 – Fysieke inzet hernieuwbare energiedragers in de Nederlandse vervoersmarkt in 2023 en voor drie 
scenario’s in 2030 

 

 
 
Met de fysieke inzet van hernieuwbare energie zoals opgenomen in de scenario’s wordt 
voldaan aan alle CO2-reductietargets en -limieten van de nieuwe jaarverplichting (RED III-

implementatie, ofwel ERE-systematiek). De resultaten van de drie scenario’s staan voor 
alternatieve manieren waarop de nieuwe jaarverplichting kan worden nageleefd, onder 
verschillende economische omstandigheden (zie Hoofdstuk 6). 
 
In 2023 bestaat het merendeel van de hernieuwbare energie-inzet uit de bijmenging van 
bio-ethanol bij benzine en de bijmenging van FAME en HVO bij diesel (72%). Door de hogere 
CO2-reductiedoelstellingen in 2030 neemt deze inzet toe in absolute zin (van 26 PJ in 2023 

naar 79 tot 101 PJ in 2030). Echter, relatief gezien zakt deze naar 46% (in het scenario 
‘regionale handel’) tot 57% (in het scenario ‘mondiale handel’). Een belangrijke oorzaak 
hiervan is de transformatie van de jaarverplichting: waar momenteel binnenvaart, zeevaart 
en luchtvaart niet onder de jaarverplichting vallen, hebben deze sectoren in de nieuwe 

link to page 35
background image

 
  

 

34 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

jaarverplichting te maken met sectorspecifieke CO2-reductieverplichtingen en RFNBO-

subtargets. Dit betekent dat ook in deze sectoren biobrandstoffen, RFNBO’s en elektriciteit 
zullen moeten worden ingezet. Weliswaar heeft luchtvaart 100% ‘vrije ruimte’ en kan het 
dus hernieuwbare brandstoffen die in andere sectoren zijn ingezet laten meetellen via 
aanschaf van ERE’s, maar in de scenario’s is aangenomen dat de bio-SAF- en e-SAF-targets 
uit ReFuelEU Aviation worden nageleefd (waarmee de CO2-reductieverplichting en de 

RFNBO-target van de sector luchtvaart in 2030 al bijna worden behaald). 
 
De grootste verschillen in de fysieke inzet van hernieuwbare energie tussen de drie 
scenario’s zijn het gevolg van scenariokeuzes. In het scenario ‘regionale handel’ wordt het 
‘restant’ van de jaarverplichting (na bijmenging van bio-ethanol en FAME tot de blend 
walls) ingevuld met relatief veel elektriciteit in de sector land en bio-LNG in zeevaart. In 
het scenario ‘mondiale handel’ wordt juist veel HVO ingezet om het ‘restant’ te vullen en 
wordt in de zeevaart hoofdzakelijk biobrandstof bijgemengd bij stookolie en gasolie. De 
hogere fysieke inzet van elektriciteit in ‘regionale handel’ leidt tot een lagere totale inzet 
van hernieuwbare energie, omdat de ‘brandstofplas’ (het vloeibare brandstofgebruik ten 
opzichte waarvan de CO2-reductieverplichtingen worden berekend) kleiner is en omdat 

elektrische voertuigen een hoger energierendement hebben dan voertuigen met een 
verbrandingsmotor. Ook de hogere inzet van bio-LNG in ‘mondiale handel’ draagt bij aan de 
lagere totale inzet, omdat de gemiddelde emissiefactor van ingezet bio-LNG lager is dan die 
van biobrandstof die wordt ingezet in de zeevaart en dus minder energievolume nodig is om 
dezelfde CO2-reductie te bereiken. 

5.2 

Meerkosten en kostenefficiëntie CO2-reductie jaarverplichting 
De fysieke inzet van hernieuwbare energie in de Nederlandse vervoersmarkt ten behoeve 
van de jaarverplichting leidt tot een jaarlijks totaal aan meerkosten en een jaarlijks totaal 
aan behaalde CO2-reductie (ten opzichte van fossiele brandstofinzet). Door de meerkosten 

te delen door de CO2-reductie kan de kostenefficiëntie van CO2-reductie binnen de 

jaarverplichting worden berekend. De fysieke inzet van hernieuwbare energie, de 
meerkosten, CO2-reductie en kostenefficiëntie voor de huidige jaarverplichting (HBE-

systematiek) en de nieuwe jaarverplichting (ERE-systematiek) voor de verschillende 
scenario’s in 2030 staan opgesomd in Tabel 5.  
 

Tabel 5 – Meerkosten en kostenefficiëntie CO2-reductie jaarverplichting, huidig en voor de drie scenario’s in 
2030 

  

Huidig  

Regionale 
handel 

Gematigde 
markt 

Mondiale 
handel 

Fysieke inzet hernieuwbare energie  

 44  

 166  

 171  

 175  

Meerkosten jaarverplichting (M€) 

 790  

 2.926  

 2.777  

 2.499  

WTW CO2-reductie  

 2,8  

 11  

 12  

 12  

Kostenefficiëntie WTW CO2-reductie 
(€/ton vermeden CO2-eq.) 

€ 287 

€ 266 

€ 240 

€ 206 

Groeifactor ten opzichte van huidig  
Fysieke inzet hernieuwbare energie 

 

3,8 

3,9 

4,0 

Meerkosten jaarverplichting 

 

3,7 

3,5 

3,2 

WTW CO2-reductie 

 

4,0 

4,2 

4,4 

Kostenefficiëntie WTW CO2-reductie  

 

0,9 

0,8 

0,7 

 

link to page 45 link to page 36 link to page 41 link to page 42
background image

 
  

 

35 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

De analyseresultaten laten grofweg een verviervoudiging zien van de fysieke inzet van 
hernieuwbare energie en van de CO2-reductie tussen de huidige jaarverplichting en de 

nieuwe jaarverplichting in 2030. Dit is een logische uitkomst: De CO2-reductieverplichtingen 

voor 2030 in de nieuwe jaarverplichting vragen om een verviervoudiging van de CO2-

reductie in de vervoersmarkt, wat wordt bereikt met een vier maal zo hoge inzet van 
hernieuwbare energie.  
 
De meerkosten stijgen met een lagere factor, namelijk 3,2 tot 3,7. In de analyse dalen de 
meerkosten dus relatief gezien (per GJ inzet hernieuwbare energie) ten opzichte van de 
huidige situatie, ondanks het feit dat voor de meeste biobrandstoffen een stijging van de 
producentenprijs van 15% is aangenomen tussen nu en 2030. Hierbij moet wel worden 
opgemerkt dat de prijsstijgingen mogelijk nog worden onderschat (zie ‘Reflectie’ in 
Paragraaf 7.6). Bovendien zijn de meerkosten voor de huidige situatie ingeschat rekenend 
met een gemiddelde HBE-prijs van 10 euro/GJ, gebaseerd op historische marktdata12. De 
huidige HBE-prijzen liggen naar verwachting hoger dan de meerprijzen van hernieuwbare 
brandstoffen, terwijl in de analyse met meerprijzen is gerekend. In het model worden 
daarom waarschijnlijk de meerkosten onderschat. Dit kan ook verklaren waarom de 
meerkosten relatief gezien dalen in de resultaten. In Paragraaf 7.4 gaan we in op 
prijsvorming van ERE’s in de nieuwe jaarverplichting en geven we een indicatie van ERE-
prijzen op basis van onze analyse.  
 
De kostenefficiëntie van de CO2-reductie (in euro per ton vermeden CO2-equivalent) daalt 

van 287 €/ton in 2023 naar 206 tot 266 €/ton in 2030. Dit laat zien dat de sturing op CO2-

reductie in de nieuwe jaarverplichting leidt tot een verschuiving in de hernieuwbare 
energiemix naar energiedragers met een lage meerprijs per kilogram CO2-eq.-reductie.  

 
De totale meerkosten in het scenario ‘mondiale handel' zijn circa 15% lager dan in het 
scenario ‘regionale handel’. Dit is het gevolg van de lagere producentenprijzen en het 
hogere aanbod van hernieuwbare brandstoffen in het scenario ‘mondiale handel’. De hogere 
mate van elektrificatie in ‘regionale handel’ heeft een dempend effect op de meerkosten in 
dit scenario, omdat de meerprijs van elektriciteit lager is dan die van biobrandstoffen. In 
de gevoeligheidsanalyse gaan we in op het effect van de elektrificatiegraad (zie Paragraaf 
7.5). 

5.3 

Effect RED III-implementatie op pompprijzen 
De hoofduitkomst van deze studie omvat het effect van de RED III-implementatie op de 
pompprijzen in Nederland. Dit effect kan worden bestudeerd aan de hand van de 
vergelijking van drie indicatoren tussen de huidige situatie en 2030 (voor de verschillende 
scenario’s): de pompprijs, het prijseffect van de RED III-implementatie op de pompprijs 
(jaarverplichting (JV)-component) en het prijseffect van de olieprijs op de pompprijs.  
 
De RED III-implementatie zal hoe dan ook leiden tot een stijging van de meerkosten van 
hernieuwbare energie-inzet, omdat grofweg vier maal zo veel inzet nodig is binnen de 
nieuwe jaarverplichting in 2030 ten opzichte van 2023 (zoals hierboven beschreven). De 
scenario’s ‘regionale handel’ en ‘gematigde markt’ geven gezamenlijk een goed beeld van 
het effect van de RED III-implementatie bij een (ongeveer) gelijkblijvende olieprijs. Hier is 
te zien dat het prijscomponent in de pompprijs behorende bij de jaarverplichting (dat wil 
zeggen de doorberekening van de meerkosten van hernieuwbare energie-inzet) bij stookolie 
en kerosine een groot aandeel aanneemt in de pompprijs in 2030, van resp. ~30% en ~45%. 

________________________________ 
12   Gebaseerd op data ontvangen via de opdrachtgever. Geen publieke informatie. 

link to page 37 link to page 38 link to page 37
background image

 
  

 

36 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Bij diesel voor wegvervoer stijgt de JV-prijscomponent met ongeveer 6%. Bij benzine daalt 
deze licht met circa 1% tussen nu en 2030 (zie Tabel 6). Dit komt doordat de huidige JV-
kosten geheel in het wegvervoer terechtkomen, terwijl in de nieuwe jaarverplichting alle 
sectoren onder de verplichting zullen vallen. Ook is aangenomen dat geen biobrandstof kan 
worden bijgemengd bij benzine boven de blend wall van 10 volumeprocent bio-ethanol13, en 
dat de meerkosten van bijmenging in de prijs van de eigen pompbrandstof terechtkomen 
(zie Paragraaf 5.3).  
 
Het relatieve effect van stijging van de jaarverplichting-component (als gevolg van de  
RED III-implementatie) op de pompprijs is kleiner dan de relatieve stijging van deze 
component, omdat de pompprijs uit meerdere componenten bestaat. Het aandeel van de 
kosten gerelateerd aan de jaarverplichting in de pompprijzen verschillen sterk: van 2,1-
2,5% bij benzine tot 45-49% bij kerosine (beide in 2030). Dit is weergegeven in Figuur 13. Bij 
zeevaart en luchtvaart zijn relatief hoge pompprijsstijgingen14 waarneembaar als gevolg van 
de RED III-implementatie, terwijl de pompprijzen van benzine juist dalen in twee van de 
drie scenario’s. Dit heeft twee hoofdoorzaken. Ten eerste zijn de huidige pompprijzen in 
zeevaart en luchtvaart relatief laag in de huidige situatie, omdat geen accijns en btw wordt 
geheven, waardoor de prijsstijging ten gevolge van de RED III-implementatie relatief groter 
is. Ten tweede vallen deze sectoren momenteel nog niet onder de jaarverplichting. De HBE-
kosten komen binnen de huidige jaarverplichting bij het wegvervoer terecht, waardoor de 
duurzame brandstoffen die momenteel in zeevaart en luchtvaart worden ingezet niet in de 
pompprijzen van deze sectoren terechtkomen.  
De RED III-implementatie heeft dus een relatief groot effect op de pompprijzen van 
zeevaart en luchtvaart. Bij luchtvaart is het effect duidelijk het grootst. Dit heeft ook te 
maken met ReFuelEU Aviation: In de analyse is aangenomen dat aan de doelen uit deze EU-
regeling van 0,7 vol-% e-SAF (1,1 PJ) en 5,3 vol-% bio-SAF (8,4 PJ) in 2030 wordt voldaan, 
wat leidt tot een hoge inzet van (relatief dure) hernieuwbare brandstoffen binnen de eigen 
sector. 
 
 
 
 

 

________________________________ 
13   Bij diesel wordt onder de nieuwe jaarverplichting meer HVO bijgemengd. De mogelijkheid tot bijmenging van 

biobrandstof bij benzine boven de blend wall is beperkter. In de analyse is daarom aangenomen dat alleen bij 
diesel boven de blend wall kan worden bijgemengd. 

14   In binnenvaart, zeevaart en luchtvaart wordt vaak gesproken van ‘bunkeren’ en ‘bunkerbrandstoffen’. In deze 

studie gebruiken we de term ‘pompprijs’. 

background image

 
  

 

37 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Figuur 13 – Aandelen jaarverplichtingskosten in pompprijzen in huidige situatie en in scenario's in 2030 

 

 

 
 

Tabel 6 – Ontwikkeling pompprijzen en prijseffecten in de drie scenario’s tussen nu en 2030 

 

Pompprijs (€/liter) 

Prijseffect olieprijs 

Prijseffect RED III-

implementatie 

Huidig 

2030  Ontwik 

keling 

Absoluut 

(€/L) 

Relatief 

Absoluut 

(€/L) 

Relatief 

Regionale handel  
Benzine 

 €      1,95  

 €    1,99  

2,1%   €    0,05  

2,5%   €   -0,01  

-0,7% 

Diesel 

 €      1,72  

 €    1,91  

11,3%   €    0,06  

3,7%   €    0,10  

5,7% 

Stookolie (HFO) 

 €      0,45  

 €    0,67  

48,0%   €    0,05  

10,1%   €    0,17  

37,9% 

Gasolie (MGO) 

 €      0,53  

 €    0,65  

23,9%   €    0,05  

10,1%   €    0,07  

13,9% 

Diesel (binnenvaart)   € 0,57  

 € 0,69  

21,5%   € 0,05  

8,3%   € 0,05  

9,5% 

Kerosine 

 €      0,52  

 €    1,04  

100,6%   €    0,05  

10,1%   €    0,47  

90,5% 

Gematigde markt  
Benzine 

 €      1,95  

 €    1,84  

-5,5%   €   -0,07  

-3,5%   €   -0,02  

-1,1% 

Diesel 

 €      1,72  

 €    1,74  

1,3%   €   -0,09  

-5,1%   €    0,11  

6,2% 

Stookolie (HFO) 

 €      0,45  

 €    0,57  

25,8%   €   -0,06  

-14,0%   €    0,18  

39,8% 

Gasolie (MGO) 

 €      0,53  

 €    0,53  

0,8%   €   -0,07  

-14,0%   €    0,08  

14,7% 

Diesel (binnenvaart)   € 0,57  

 € 0,56  

-2,7%   € -0,07  

-11,5%   € 0,05  

9,3% 

Kerosine 

 €      0,52  

 €    0,84  

62,1%   €   -0,07  

-14,0%   €    0,40  

76,0% 

Mondiale handel  
Benzine 

 €      1,95  

 €    1,70  

-13,0%   €   -0,18  

-9,4%   €   -0,03  

-1,3% 

Diesel 

 €      1,72  

 €    1,52  

-11,7%   €   -0,24  

-13,9%   €    0,07  

4,2% 

Stookolie (HFO) 

 €      0,45  

 €    0,47  

2,9%   €   -0,17  

-38,0%   €    0,19  

40,9% 

Gasolie (MGO) 

 €      0,53  

 €    0,41  

-23,1%   €   -0,20  

-38,0%   €    0,08  

14,9% 

Diesel (binnenvaart)   € 0,57  

 € 0,40  

-29,7%   € -0,18  

-31,3%   € 0,04  

6,8% 

Kerosine 

 €      0,52  

 €    0,64  

22,5%   €   -0,20  

-38,0%   €    0,32  

60,6% 

 
 

link to page 39 link to page 45 link to page 40 link to page 41 link to page 50
background image

 
  

 

38 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

In Figuur 14 is de ontwikkeling van de pompprijzen gevisualiseerd inclusief de verschillende 
prijscomponenten, waaronder de kosten gerelateerd aan de jaarverplichting. Hier komt 
duidelijk naar voren dat hogere jaarverplichtingkosten niet altijd leiden tot een stijging van 
de pompprijs. Dit heeft te maken met andere factoren die ook van invloed zijn op de 
pompprijs. In de modellering is de onzekerheid met betrekking tot de olieprijs expliciet 
meegenomen: In het scenario ‘mondiale handel’ is uitgegaan van een twee keer zo lage 
olieprijs als in ‘regionale handel’ (7 €/GJ in plaats van 14 €/GJ, in lijn met de bandbreedte 
uit de KEV). In het scenario ‘mondiale handel’ heeft de olieprijsdaling een veel groter 
effect op de pompprijzen dan de meerkostenstijging ten gevolge van de RED III-implemen-
tatie, en leidt zelfs tot een daling van de pompprijzen van benzine, diesel, gasolie (MGO) 
en diesel (binnenvaart). De olieprijs is immers een belangrijke kostencomponent in de 
totstandkoming van de grondstofprijs van de pompbrandstoffen. Het scenario ‘regionale 
handel’ geeft een tegenovergesteld beeld: Hier heeft de RED III-implementatie een groter 
effect op pompprijzen dan de olieprijs. Bij het scenario ‘gematigde markt’ varieert de 
relatieve verhouding van beide prijseffecten per pompbrandstof. 
 
In de analyse is aangenomen dat het accijnsbedrag en het btw-tarief per pompbrandstof 
gelijk blijft tussen de huidige situatie en 2030. Ook zijn het effect van andere beleids-
instrumenten zoals de ETS-2 en de Energy Taxation Directive (ETD) niet meegenomen in de 
analyse. In de reflectie op de analyse in Paragraaf 6.6 beschouwen we kort het mogelijke 
effect van deze instrumenten op de pompprijzen. 
 

Figuur 14 – Pompprijzen in de huidige situatie en in de drie scenario’s in 2030  

 

 

Noot: De binnenvaart kan de btw op de dieselprijs weer terugvorderen bij de belastingdienst. 
 
De ontwikkeling van de pompprijzen over de jaren 2026 tot en met 2030 is geïllustreerd in 
Figuur 15 tot en met Figuur 17. De jaren 2026 tot en met 2030 zijn gemodelleerd door de 
ingeschatte stijgen en dalingen van brandstofprijzen en beschikbare volumes te interpo-
leren onder de aanname van lineaire groei of afname (zie Bijlage A). De waarneembare 
verschillen tussen pompbrandstoffen en scenario’s zijn hierboven al besproken. 
 

background image

 
  

 

39 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

 

Figuur 15 – Ontwikkeling van de pompprijzen in het scenario ‘regionale handel’ 

 

 

 
 

Figuur 16 - Ontwikkeling van de pompprijzen in het scenario ‘gematigde markt’ 

 

 

 
 
 

 

link to page 42
background image

 
  

 

40 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Figuur 17 - Ontwikkeling van de pompprijzen in het scenario ‘mondiale handel’ 

 

 

 

5.4 

Indicatie ERE-prijzen 
In het model zijn de meerprijzen van hernieuwbare energiedragers ingeschat en op basis 
daarvan zijn de meerkosten berekend. In de praktijk zullen ERE-certificaten worden 
verhandeld en komen de ERE-prijzen niet per se overeen met specifieke meerprijzen, 
bijvoorbeeld als gevolg van concurrentie om schaarse specifieke ERE-certificaten die nodig 
zijn om een specifieke CO2-reductiedoelstelling te behalen. Uit de gevoerde markt-

gesprekken kwam naar voren dat het echter ook goed mogelijk is dat niet zozeer ERE-
prijzen op sectorniveau of ERE-categorieniveau ontstaan, maar dat ERE-certificaten meer 
met (transactie)specifieke prijzen zullen worden verhandeld (dat wil zeggen, prijzen die 
gebaseerd zijn op de specifieke ingezette hernieuwbare brandstofvolumes). In de model-
analyse is uitgegaan van dit laatste. De bandbreedte van meerprijzen per sector per ERE-
categorie geeft een indicatie van de hoogte van ERE-prijzen per sector per ERE-categorie. 
Dit is weergegeven in Figuur 18.  
 
 

 

background image

 
  

 

41 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Figuur 18 – Indicatie van ERE-prijzen uit modelanalyse voor 2030 (gemiddelden per ERE-categorie per sector) 

 

 
 
We benadrukken dat deze indicatie gebaseerd is op een modelstudie met versimpelende 
aannames, onder onzekerheid en met beperkt beschikbare data. Een hoofdaanname in de 
studie is dat ERE-prijzen gebaseerd zijn op het verschil tussen productiekosten van 
hernieuwbare brandstoffen en fossiele brandstoffen. Echter, als er sprake is van 
marktmacht of intransparantie in de ERE-markt, dan kunnen de ERE-prijzen ook hoger 
komen te liggen dan de meerprijzen. Het is nog onbekend hoe de ERE-markt zich zal 
ontwikkelen en welke marktstrategieën zullen worden gehanteerd. 
ERE-prijzen worden uitgedrukt in euro per kilogram vermeden CO2-equivalent. De resultaten 

laten een variatie zien voor 2030 van 0,03 €/kg voor de ERE-categorie ‘conventioneel’ in de 
sector land tot 1,03 €/kg voor ‘Annex IXB’ in de sector luchtvaart. Het verschil in ERE-
prijzen tussen scenario’s is kleiner dan die tussen ERE-categorieën. De grote verschillen 
tussen ERE-categorieën maakt het aannemelijk dat aparte markten zullen ontstaan voor 
verschillende ERE-categorieën met een eigen prijsontwikkeling. 
  
De ERE-prijsindicaties voor ‘conventioneel’ zijn relatief laag, maar omdat de inzet van 
biobrandstoffen op basis van conventionele grondstoffen (voedsel- en voedergewassen) 
gelimiteerd is kan hier maar beperkt gebruik van worden gemaakt. Andersom liggen de ERE-
prijsindicaties voor RFNBO’s juist hoog, maar is een bepaalde minimuminzet vereist. 
Een belangrijke opmerking bij de analyseresultaten is dat de producentenprijzen van 
Annex-IXA-biobrandstoffen laag zijn ingeschat ten opzichte Annex-IXB-biobrandstoffen, op 
basis van de verzamelde kostprijsdata. Een stijging van de Annex-IXA-biobrandstofprijzen 
zal tot hogere ERE-prijzen en meerkosten leiden.

 

5.5 

Gevoeligheidsanalyse 
Om te onderzoeken hoe gevoelig de uitkomsten van de analyse zijn voor andere aannames 
hebben we drie varianten doorgerekend met het rekenmodel. Deze varianten geven inzicht 
in de mogelijke stijging van de meerkosten en de pompprijzen in het geval van een lagere 

link to page 44
background image

 
  

 

42 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

elektrificatiegraad, hogere biobrandstofprijzen of een lagere olieprijs. De varianten, welke 
alle vier zijn gebaseerd op het scenario ‘regionale handel’, zijn: 
—  A. Lage EV-graad: In dit scenario is uitgegaan van het scenario ‘regionale handel’, maar 

is de fysieke inzet van elektriciteit in de sector land verlaagd van 50 PJ in 2030 naar 30 
PJ in 2030. Als gevolg hiervan is de inzet van HVO in de sector land in deze variant een 
stuk hoger: 72 PJ in plaats van 53 PJ in 2030. 

—  B. Hoge UCO-prijs: In deze variant zijn de producentenprijzen van biobrandstoffen 

gemaakt van gebruikt frituurvet (UCO) opgehoogd met 25 €/GJ. Bij FAME komt dit neer 
op een prijsstijging van circa 50% ten opzichte van het scenario ‘regionale handel’ en bij 
HVO en bij biokerosine op een stijging van ongeveer 30%. 

—  C. Lage olieprijs: Hier is uitgegaan van dezelfde hernieuwbare brandstofprijzen als in 

het scenario ‘regionale handel’, maar dit is gecombineerd met een lage olie- en 
gasprijs. Dit leidt tot hogere meerkosten, omdat meerprijzen van hernieuwbare 
brandstoffen gelijk zijn aan het verschil tussen de producentenprijzen van de 
hernieuwbare brandstoffen en die van fossiele brandstoffen. De toegepaste olie- en 
gasprijs zijn dezelfde als in het scenario ‘mondiale handel’ (dat wil zeggen, de olieprijs 
daalt met 45% ten opzichte van 2023 en de aardgasprijs met 73%). 

—  D. Hogere biobrandstofprijzen: In deze variant is - evenals in het scenario ‘regionale 

handel’ - de bovenwaarde van de bandbreedte genomen van de producentenprijzen van 
hernieuwbare brandstoffen, maar de producentenprijzen voor bio-ethanol en HVO 
gemaakt van Annex-IX-A-biogrondstoffen zijn verhoogd met 20 €/GJ. Bij bio-ethanol 
komt dit neer op een prijsstijging van 48% ten opzichte van het scenario ‘regionale 
handel’ en bij HVO op ongeveer 80%. 

De fysieke inzet van hernieuwbare energiedragers is in de laatste drie varianten hetzelfde 
als in het scenario ‘regionale handel’. 
 
Het resultaat van de vier varianten op de totale meerkosten van de jaarverplichting in 2030 
is vergeleken met die van de huidige situatie en met de resultaten van de hoofdanalyse voor 
het scenario ‘regionale handel’ in 2030. Zie Figuur 19. Ten opzichte van ‘regionale handel’ 
leidt variant A tot een stijging van de totale meerkosten van 6%. Voor de varianten B, C en 
D is de stijging respectievelijk 24%, 39% en 79%. Hiermee zijn de meerkosten in 2030 in de 
varianten 3,9 tot 6,6 keer zo hoog als in 2023, tegenover 3,7 keer zo hoog in het scenario 
‘regionale handel’. 
 
Uit gevoeligheidsanalyse komt naar voren dat een flink lagere elektrificatiegraad (en hogere 
inzet van HVO) (variant A) een kleiner effect heeft op de meerkosten dan hogere bio-
brandstofprijzen of een lagere olieprijs. De stijging van de UCO-prijs (variant B) heeft een 
kleiner effect dan verhoging van de prijzen van bio-ethanol en HVO gemaakt van Annex-IX-
biogrondstoffen. Een lagere olieprijs (variant C) leidt tot 40% hogere meerkosten ten 
opzichte van scenario ‘regionale handel’, omdat de meerprijzen hoger worden.  
De resultaten laten zien dat dit een groter effect kan hebben dan hogere inzet of prijzen 
van hernieuwbare energiedragers. Echter, hogere producentenprijzen van bio-ethanol en 
HVO gemaakt van Annex-IXA-biogrondstoffen (variant D) leiden tot de hoogste meerkosten. 
In de verzamelde data zijn deze Annex-IXA-biogrondstoffen relatief goedkope reststromen, 
maar in een toekomst met hogere vraag naar biogrondstoffen kunnen de marktprijzen 
substantieel hoger komen te liggen.  
 
 

 

link to page 45
background image

 
  

 

43 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Figuur 19 - Meerkosten jaarverplichting - huidig, scenario 'regionale handel' en vier varianten (2030) 

 

 
 
De pompprijzen stijgen een stuk minder dan de meerkosten ten opzichte van het scenario 
‘regionale handel’, omdat de meerkosten worden uitgesmeerd over het totale geleverde 
volume aan pompbrandstoffen. Dit is gevisualiseerd in Figuur 20. Variant B (hoge UCO-prijs) 
leidt tot een 4% stijging van de dieselprijs voor wegvervoer ten opzichte van het scenario 
‘regionale handel’ en een 14% stijging van de kerosineprijs. In variant D is de dieselprijs 
voor wegvervoer in 2030 15% hoger dan in ‘regionale handel’, terwijl de benzineprijs stijgt 
met 4% en de kerosineprijs met 17%. Echter, in variant C leidt de lagere olieprijs tot een 
verlaging van de pompprijzen ten opzichte van ‘regionale handel’, van -12% bij benzine tot 
-38% bij diesel in de binnenvaart. Dit laat zien dat het effect van de ontwikkeling van de 
olieprijs op de pompprijzen groter kan zijn dan die van de invoering van de ERE-systema-
tiek, zoals ook naar voren komt bij de hoofdresultaten. 
 

background image

 
  

 

44 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Figuur 20 – Pompprijzen – huidig, scenario 'regionale handel' en vier varianten (2030) 

 

 

5.6 

Reflectie 
Veel ontwikkelingen in de brandstoffenmarkt zijn onzeker, en data over beschikbaarheid en 
marktprijzen van brandstoffen zijn bedrijfsgevoelige informatie en vaak niet openbaar. 
Daarnaast maakt de modellering van een complex adaptief systeem zoals de Nederlandse 
vervoersmarkt het noodzakelijk om simplificeringen toe te passen in de conceptualisering 
en implementatie van het model. Een belangrijke simplificering is dat de aangenomen 
hernieuwbare brandstofprijzen zijn gebaseerd op productiekosten en een prijsstijging 
tussen de huidige situatie en 2030 van 15%, terwijl in werkelijkheid schaarste en betalings-
bereidheid een belangrijke rol zullen spelen in de prijsvorming. In de modelresultaten 
geven de schattingen van de voor de Nederlandse mobiliteit beschikbare biobrandstof-
volumes aan dat met name bij HVO, bio-LNG en biobrandstof voor de zeevaart schaarste 
kan ontstaan. Hierdoor kunnen de brandstofprijzen in werkelijkheid hoger uitvallen. 
 
De resultaten moeten daarom worden gezien als een indicatie van het effect van de nieuwe 
jaarverplichting op de pompprijzen in Nederland. Het model zien we als een eerste versie 
van een model waarmee prijseffecten van de nieuwe jaarverplichting en andere 
instrumenten en factoren kunnen worden verkend. Voor een nauwkeurigere verkenning is 
verdere detaillering van de modellering van marktmechanismen en nadere dataverzameling 
en validatie bij marktexperts een nuttige vervolgstap. Hier komen we op terug bij de 
aanbevelingen in het volgende hoofdstuk. 
 
Een belangrijke kanttekening op de modelstudie is dat het effect van andere beleids-
instrumenten met invloed op de inzet en prijzen van hernieuwbare energie en pompprijzen 
niet is meegenomen. De invloed van deze instrumenten op het effect van de ERE-systema-
tiek is daarmee ook buiten beschouwing gelaten. Zo kan de inzet van hernieuwbare energie 
in mobiliteit ook bijdragen aan andere beleidsdoelstellingen, waarmee de meerkosten van 
de hernieuwbare energie gerelateerd aan de ERE-systematiek lager uit zouden vallen. 

link to page 46 link to page 46
background image

 
  

 

45 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Een tweede voorbeeld is de invloed van ETS-2, een nieuw handelssysteem voor emissie-
handel gericht op reductie van CO2-emissies van de gebouwde omgeving, wegvervoer en 

overige sectoren. Ook de binnenvaartsector gaat hier in Nederland onder vallen. Dit maakt 
de inzet van fossiele brandstoffen duurder, en verlaagt daarmee de meerkosten van 
hernieuwbare brandstoffen. Gedurende de eerste drie jaren dat ETS-2 operationeel zal zijn 
(2027 t/m 2029) zal de ETS2-prijs onder de 45 euro per ton tank-to-wheel CO2-uitstoot 

worden gehouden. Omdat brandstofleveranciers de ETS2-kosten naar verwachting zullen 
doorzetten aan de consument, zullen deze kosten in de pompprijs terechtkomen (Ministerie 
van EZK, 2023). Een prijs van 45 euro/ton in 2030 komt neer op 15 eurocent per liter 
diesel.15 Dit is hoger dan de meerkosten per liter diesel berekend in deze studie, wat 
suggereert dat ETS-2 het prijsverhogende effect van de ERE-systematiek op de dieselprijs 
teniet doet. 
Een derde voorbeeld is de Europese Energy Taxation Directive (ETD). Deze EU-richtlijn is 
nog niet aangenomen. De richtlijn stelt eisen aan de verhouding in belastingtarieven tussen 
hernieuwbare en fossiele energie en kan daarom de belastingtarieven aan de pomp 
beïnvloeden.16 Bij implementatie van de ETD zou het relatieve effect van de ERE-systema-
tiek op de pompprijzen dus veranderen. 
 

________________________________ 
15   Antwoord van Minister Hermans (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen 5 november 2024) op vragen van het lid 

Bontenbal (CDA) over ETS-2 (ingezonden 28 oktober 2024).  

16   De ETS is een unanimiteitsdossier in de Raad van de Europese Unie. Het is een kleine kans dat deze wordt 

aangenomen en het effect op pompprijzen is waarschijnlijk ook beperkt, omdat het voorstel dat voorligt is 
afgezwakt en Nederland ook al relatief hoge belastingen op pompprijzen heeft (raadpleging expert ETD bij  
CE Delft, 25 februari 2025). 

background image

 
  

 

46 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

6  Conclusies en aanbevelingen 

6.1 

Conclusies 
In dit onderzoek is een verkenning uitgevoerd van de impact van de invoering van de nieuwe 
jaarverplichting (ERE-systematiek) in Nederland richting 2030. Hiervoor zijn drie scenario’s 
opgesteld die elk staan voor een set van verschillende macro-economische ontwikkelingen, 
die zijn onderzocht met een, binnen dit project ontwikkeld, rekenmodel. Deze analyse 
biedt inzicht in de effecten van de nieuwe jaarverplichting op de hernieuwbare energie-
inzet in de vier sectoren in de vervoersmarkt (land, zeevaart, binnenvaart en luchtvaart) en 
op de pompprijzen. Uit deze analyse trekken we de volgende conclusies: 
—  De CO2-reductieverplichtingen in de ERE-systematiek komen neer op een vervier-

voudiging van de fysieke hernieuwbare energie-inzet in de Nederlandse vervoersmarkt in 
2030 ten opzichte van 2023. 

—  De hogere inzet van hernieuwbare energie binnen de ERE-systematiek leidt tot hogere 

meerkosten (het verschil tussen de prijzen van hernieuwbare energiedragers en de 
prijzen van de vervangen fossiele brandstoffen) voor de brandstofleveranciers. Deze 
meerkosten zijn ca. 3,7 keer zo hoog in 2030 in het scenario ‘regionale handel’, en ca. 
3,2 keer zo hoog in het scenario ‘mondiale handel’ (in vergelijking tot een business-as-
usual-scenario). De lagere meerkosten in ‘mondiale handel’ zijn het gevolg van lagere 
producentenprijzen en een hogere beschikbaarheid van hernieuwbare brandstoffen. 

—  Het effect van de ERE-systematiek op de pompprijzen is kleiner dan het effect op de 

meerkosten, omdat de meerkosten worden uitgesmeerd over het volledige energie-
volume aan verkochte pompbrandstoffen en deze kosten slechts één van de componen-
ten in de pompprijs zijn. Andere belangrijke componenten zijn de olieprijs en de 
accijns.  

—  Het effect van de ERE-systematiek op de pompprijzen is een stuk hoger bij kerosine (de 

‘ERE-kosten’ bedragen bedragen 45-50% van de pompprijs in 2030), stookolie (25-40% 
van de pompprijs) en gasolie (10-20%) dan bij diesel voor wegvervoer (8-10%), diesel 
voor binnenvaart (8-10%), en benzine (2-2,5%). Een hoofdreden hiervoor is dat er geen 
accijns en btw wordt geheven op kerosine en brandstoffen voor de zeevaart, zodat de 
absolute meerkosten bij deze brandstoffen een relatief groter effect op de pompprijzen 
hebben. 

—  De ontwikkeling in de olieprijs kan een groter effect op de pompprijzen hebben dan de 

ERE-systematiek: In het scenario ‘mondiale handel’ heeft de aangenomen olieprijsdaling 
bijvoorbeeld een groter effect op de pompprijzen dan de meerkostenstijging ten 
gevolge van de nieuwe jaarverplichting, en leidt zelfs tot een daling van de pompprijzen 
van benzine, diesel, gasolie en diesel voor de binnenvaart. 

—  Een indicatie van de ERE-prijzen in 2030 die volgt uit de modelresultaten is een prijs 

van 0,03 euro per kilogram vermeden CO2-eq. voor de ERE-categorie ‘conventioneel’ in 

de sector land tot 1,03 €/kg voor Annex-IXB-biobrandstoffen in de sector luchtvaart. 

—  Uit de gevoeligheidsanalyses komt naar voren dat een lagere elektrificatiegraad van het 

wagenpark (en hogere inzet van HVO) een kleiner effect heeft op de meerkosten dan 
hogere biobrandstofprijzen of een lagere olieprijs. 

—  De modeluitkomsten zijn het resultaat van een analyse met versimpelende aannames en 

beperkt beschikbare data. Een hoofdaanname in de studie is dat de meerprijzen (ERE-
prijzen) gebaseerd zijn op het verschil tussen productiekosten van hernieuwbare 
brandstoffen en fossiele brandstoffen. In werkelijkheid zullen de ERE-prijzen waar-
schijnlijk hoger liggen als gevolg van schaarste en marktimperfecties (intransparantie en 
marktmacht). 

background image

 
  

 

47 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

6.2 

Aanbevelingen voor verder onderzoek 
Het ontwikkelde model beschouwen we als een eerste versie van een model waarmee 
prijseffecten van de nieuwe jaarverplichting en andere instrumenten en factoren kunnen 
worden verkend. Voor een nauwkeurigere verkenning is verdere detaillering van de 
modellering van marktmechanismen en nadere dataverzameling en validatie bij markt-
experts een nuttige vervolgstap. 
 
De meerkosten van de nieuwe jaarverplichting worden mogelijk onderschat in de huidige 
versie van het model. Biobrandstofprijzen zijn hierin gebaseerd op productiekosten (plus 
15% stijging tussen nu en 2030). Verder marktonderzoek naar de mogelijke ontwikkeling van 
schaarste in biobrandstofmarkten en het effect daarvan op marktprijzen is belangrijk om de 
aannames in het model met betrekking tot de marktprijzen van biobrandstoffen en de 
beschikbaarheid van biobrandstoffen voor de Nederlandse vervoersmarkt te verbeteren. 
Ook kan marktonderzoek bijdragen aan de verzameling van meer en accuratere data met 
betrekking tot productiekosten, marktprijzen en beschikbaarheid van verschillende 
brandstof-grondstofcombinaties, zoals toekomstige prijzen van Annex-IXA-biobrandstoffen 
en de beschikbaarheid van Annex-IXB-biobrandstoffen uit Azië voor de Nederlandse markt. 
 
Een tweede onderdeel waarop het model kan worden verbeterd is de kwantificering van 
andere factoren (naast de olieprijs) die van invloed zijn op de marktprijzen van hernieuw-
bare brandstoffen en/of pompprijzen in de Nederlandse vervoersmarkt. Hierbij denken we 
onder andere aan verschillende huidige, verwachte en alternatieve beleidsinstrumenten, 
zoals de bijmengverplichting groengas, ETS2, FuelEU Maritime en de nationale maatregelen 
ter bevordering van de verduurzaming van de luchtvaaart. In het model is alleen het effect 
van de RED III-implementatie op de pompprijzen verkend en zijn deze (andere) beleids-
instrumenten niet meegenomen. 
 
Verder zijn twee belangrijke onderdelen van de modellering, de prijsvorming van ERE’s en 
de allocatiestrategie voor de doorberekening van meerkosten in de pompprijzen, 
gemodelleerd volgens relatief simpele principes. In verder onderzoek zouden andere 
methodes van prijsvorming en allocatie kunnen worden geanalyseerd en gecomplementeerd 
met raadpleging van marktexperts om meer zicht te krijgen op opties en de doorwerking 
hiervan. 
 
Tot slot zijn er veel gedetailleerde aannames en marktinteracties die zouden kunnen 
worden uitgediept met verder onderzoek en kunnen leiden tot verrijking van het model en 
kwantitatieve analyses. Voorbeelden hiervan zijn de opbouw van huidige pompprijzen en de 
mogelijke ontwikkeling hiervan, invloed van de voorgestelde correctiefactor voor de 
raffinageroute op marktkeuzes met betrekking tot de naleving van de RFNBO-subdoelen, de 
mogelijke groei van inzet van elektriciteit en mogelijke prijsstelling van ERE’s gerelateerd 
aan elektriciteit. 
 
 

 

background image

 
  

 

48 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Literatuurlijst 

ABS, CE Delft, & Arcsilea. (2022). Potential of ammonia as fuel in shipping [updated].  
CBS. (2024). Statline: Pompprijzen motorbrandstoffen; brandstofsoort, per kwartaal

Centraal Bureau voor de Statistiek. https://www.cbs.nl/nl-
nl/cijfers/detail/84991NED 

CE Delft. (2024). Scenariostudie groengasproductie rond 2030.  
EC. (2021). Study supporting the impact assessment of the refueleu aviation initiative.  
EU. (2023). Directive (EU) 2023/2413 of the european parliament and of the council of 18 

october 2023 amending directive (EU) 2018/2001, regulation (EU) 2018/1999 and 
directive 98/70/EC as regards the promotion of energy from renewable sources, 
and repealing council directive (EU) 2015/652
.  

IEA. (2020). Advanced biofuels - potential for cost reduction.  
IEA. (2024a). Oil 2024: Analysis and forecast to 2030.  
IEA. (2024b). The role of e-fuels in decarbonising transport.  
Jet-A1-Fuel. (2025). Jet a1 price netherlands. In: Jet-A1-Fuel.com,. 
Ministerie van EZK. (2023). Wijziging van de wet milieubeheer en de wet op de 

economische delicten ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 
2023/959, richtlijn nr. 2023/958 en verordening nr. 2023/957 van het europees 
parlement en de raad van de europese unie van 10 mei 2023 (pbeu 2023, l130) met 
het oog op aanpassingen van het emissiehandelssysteem op het terrein van 
broeikasgasinstallaties en luchtvaart en een uitbreiding naar scheepvaart en 
brandstofleveranciers
.  

Ministerie van I&W. (2024a). Voortgang implementatie red-iii vervoer (kamerbrief).  
Ministerie van I&W. (2024b). Wijziging besluit energie vervoer rediii.  
NEa. (2023). Rapportage energie voor vervoer in nederland 2022.  
PBL. (2024). Klimaat- en energieverkenning 2024.  
Platform Hernieuwbare Brandstoffen. (2022). Kaart productielocaties

https://www.hernieuwbarebrandstoffen.nl/post/een-kaart-van-
productiecapaciteit-biobrandstoffen-en-e-fuels-in-nederland 

Ship & Bunker. (2025). Rotterdam bunker prices

https://shipandbunker.com/prices/emea/nwe/nl-rtm-rotterdam 

Slurink. (2025). Hoofdpagina website slurink. https://www.slurink.nl/ 
 

 

link to page 20 link to page 30
background image

 
  

 

49 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

A  Toelichting op modelleerkeuzes 

A.1 

Conceptueel model 

Inzet hernieuwbare energiedragers en naleving CO2-reductiedoelen 
De ingezette energievolumes van hernieuwbare energiedragers is gemodelleerd als een 
input die in de scenario’s zijn vastgelegd. Hiervoor is gekozen, omdat we de effecten van 
alternatieve combinaties van typen hernieuwbare energiedragers wilden verkennen. Een 
andere opzet was een automatische invulling van de hernieuwbare energie-inzet op basis 
van kostenminimalisatie geweest. Brandstofleveranciers hebben echter geen perfecte 
informatie over prijzen en keuzes van andere partijen, dus in de praktijk zullen suboptimale 
beslissingen worden genomen.  
 
De inzet van hernieuwbare energiedragers moet voldoen aan de CO2-reductieverplichtingen 

van de ERE-systematiek en de technische bijmenglimieten van bio-ethanol in benzine en 
FAME in diesel. Deze beperkingen zijn meegenomen in de vorm van handmatige checks in 
het model. Deze modelopzet is de consequentie van de keuze voor het opnemen van 
hernieuwbare energie inzet als modelinput. De modelgebruiker moet controleren of aan alle 
verplichtingen en technische limieten wordt voldaan. Dat kost wat moeite, maar levert ook 
inzicht op in alternatieve wijzen van inzet (hernieuwbare brandstofmix). 
 
Omdat bij biobrandstoffen de productietechniek en het type biogrondstof een groot effect 
kan hebben op zowel de productiekosten als de behaalde CO2-emissiereductie (vanwege 

verschil in emissiefactoren), is in het model per biobrandstof een marginal abatement cost 
(MAC)-curve opgesteld, waarbij de biobrandstofvolumes (‘staafjes’ in het model, zie 
Hoofdstuk 4) met de laagste producentenprijs in euro per kilogram vermeden well-to-wheel 
CO2-equivalent worden geselecteerd. Hier vindt dus een kostenminimalisatie plaats. Deze 

aanpak is niet toegepast op elektriciteit en RFNBO’s, omdat hier in veel mindere mate 
sprake is van verschillende productietechnieken, productiekosten en emissiefactoren.  

Modaliteiten  
In het model is onderscheid gemaakt tussen de vier sectoren waarvoor aparte CO2-

reductiedoelstellingen gelden, maar niet tussen modaliteiten binnen de sector land, zoals 
personenauto’s en vrachtwagens. Voor deze simplificering is gekozen omdat geen aparte 
CO2-reductieverplichtingen gelden voor deze modaliteiten. Wel is rekening gehouden met 

de energievraag van deze modaliteiten; deze is opgenomen in de totale energievraag van de 
mobiliteitssector (zie Paragraaf 5.2). 

Beschikbaarheid biobrandstoffen 
Het mondiale aanbod van duurzame biomassa is beperkt en richting 2030 zal de vraag 
hierna toenemen in verschillende vraagsectoren en landen. De beschikbaarheid van 
biobrandstoffen voor de Nederlandse vervoersmarkt daarom beperkt zijn. In de modellering 
is hiermee omgegaan door de goedkopere biobrandstofvolumes (‘staafjes’ van specifieke 
brandstof-grondstofcombinaties, zoals FAME gemaakt van gebruikt frituurvet) beperkt 
beschikbaar te maken. Hiervoor is uitgegaan een verwachte ontwikkeling van de mondiale 

background image

 
  

 

50 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

biobrandstofproductie, omdat de biobrandstofmarkt een mondiale markt is (ter illustratie: 
Nederland importeert momenteel het merendeel van de biogrondstoffen die worden ingezet 
in de Nederlandse mobiliteitssector). De mondiale biobrandstofproductie in 2022 was 4,3 EJ 
en deze stijgt naar verwachting naar 5,3 EJ in 2030, een stijging van 23% (IEA, 2024b). 
Vervolgens is bij elk type biobrandstof aangenomen wat de verhouding is van enkele 
biogrondstoftypen waarmee deze biobrandstof wordt gemaakt.  
 
Verder is in de analyse aangenomen dat 2% van het mondiale biobrandstofaanbod beschik-
baar zou kunnen zijn voor de Nederlandse vervoersmarkt. Dit percentage is toegepast op 
alle biobrandstof-grondstofcombinaties en leidt tot beschikbare ‘staafjes’ per biobrandstof. 
Deze ‘staafjes’ worden in de MAC-curves voor de verschillende biobrandstoffen gezet. De 
goedkopere staafjes in de MAC-curve zijn beperkt beschikbaar, maar als het duurste staafje 
niet voldoende is om de in de resterende vraag naar een biobrandstof te voorzien (zoals 
volgt uit het scenario), dan is aangenomen dat de rest van de vraag wordt ingevuld tegen de 
producentenprijs van het duurste staafje. Deze aanpak is gehanteerd, omdat het beschik-
bare aanbod in werkelijk niet scherp is begrensd en niet aannemelijk is dat niet in de vraag 
van de Nederlandse vervoersmarkt kan worden voorzien. De toepassing van het duurste 
staafje voor een het tekort aan biobrandstofvolume in de MAC-curve is toegepast, omdat 
schaarste zal leiden tot prijsstijgingen. 
 
Voor RFNBO’s is geen beperkte beschikbaarheid aangenomen, omdat in het scenario 
toegepaste volumes relatief klein zijn. In het geval van elektriciteit is ook de verwachting 
dat er ruim voldoende aanbod is om de laadvraag in de mobiliteit in te vullen. 

Hernieuwbare brandstofprijzen 
In dit onderzoek zijn de marktprijzen voor hernieuwbare brandstoffen gebaseerd op de 
productiekosten. Dit terwijl deze prijzen in de huidige situatie vaak zijn gerelateerd aan de 
fossiele varianten, zoals we hebben vernomen uit marktgesprekken. Deze aanname is 
gedaan omdat bij verdere ontwikkeling van de biobrandstofmarkt naar verwachting de 
connectie met fossiele referentieprijzen zwakker zal worden. Verplichtingen zoals de 
nieuwe jaarverplichting zullen leiden tot een meer liquide markt en een gelijker speelveld, 
waardoor de daadwerkelijke meerkosten in hogere mate zullen worden doorberekend in de 
marktprijzen.  
 
Verder is de verwachting dat er richting 2030 meer vraag gaat ontstaan naar biogrond-
stoffen en biobrandstoffen vanuit verscheidene sectoren, zowel in Nederland als in andere 
landen. Dit kan leiden tot schaarste in de biobrandstofmarkt, wat de prijs kan opdrijven in 
de richting van de hoogste betalingsbereidheid vanuit de afnemerskant. De modellering van 
concurrentie om biobrandstoffen en betalingsbereidheid is erg complex en was niet haal-
baar binnen dit project. Om deze reden zijn de marktprijzen van zowel biobrandstoffen als 
andere hernieuwbare energiedragers in het model gebaseerd op de productiekosten. 

Meerkosten en ERE-prijzen 
Uit de marktgesprekken kwam naar voren dat het voor de analyse van het effect van de  
RED III-implementatie op de pompprijzen belangrijker is om naar de kostprijzen van 
specifieke ingezette brandstofvolumes (‘staafjes’) te kijken dan naar de duurst ingezette 
brandstoffen. Daarom is per biobrandstof bekeken welke staafjes nodig zijn om in de vraag 
te voorzien en is de gewogen gemiddelde kostprijs per biobrandstof berekend. Deze 
gewogen gemiddeldes zijn vervolgens gebruikt om de meerkosten te berekenen per 
biobrandstof en per sector. Er is dus een soort ‘average pricing’ toegepast. Hiervoor is 

link to page 52 link to page 53
background image

 
  

 

51 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

gekozen, omdat het preciezere ‘pay-as-bid-pricing’ het nodig had gemaakt om biedingen 
toe te wijzen aan sectoren (omdat sommige biobrandstoffen in meerdere sectoren kunnen 
worden ingezet).  
 
In het model zijn ERE-prijzen niet expliciet gemodelleerd; in plaats daarvan zijn gewogen 
gemiddelde meerprijzen van hernieuwbare energiedragers (dat wil zeggen de prijzen ten 
opzichte van vervangen fossiele brandstoffen) bepaald en gebruikt om de totale meerkosten 
per sector te berekenen. Dit is gemotiveerd door het opgehaalde marktinzicht dat veel 
biobrandstoftypen met een eigen prijs worden verhandeld, maar ook door het feit dat nog 
zeer onduidelijk is hoe de ERE-prijsvorming eruit komt te zien.  

Pompprijzen 
Er zijn meerdere manieren waarop brandstofleveranciers de meerkosten van de inzet van 
hernieuwbare energiedragers kunnen doorberekenen in de pompprijzen 
(‘allocatiestrategieën). In de analyse is aangenomen dat: 
—  de meerkosten volledig worden doorberekend in pompprijzen; 
—  de meerkosten van hernieuwbare brandstoffen die zijn bijgemengd in een pomp-

brandstof die onder de jaarverplichting valt17 worden doorberekend in de prijs van deze 
pompbrandstof; 

—  de meerkosten van andere hernieuwbare energiedragers per sector worden door-

berekend aan de pompbrandstoffen binnen die sector die vallen onder de jaar-
verplichting. In de sector land worden deze meerkosten verdeeld over benzine en diesel 
in verhouding met het gebruik van beide; in de sector zeevaart geldt hetzelfde voor 
stookolie en gasolie; 

—  de meerkosten per pompbrandstof worden uitgesmeerd over de hoeveelheid geleverde 

pompbrandstof, wat leidt tot een vaste ‘jaarverplichting-component’ (in euro/liter) per 
pompbrandstof. 

Hiervoor is gekozen, omdat gesproken marktpartijen aangaven dat een zo direct mogelijke 
doorberekening van de meerkosten een waarschijnlijke allocatiestrategie is. Daarnaast leidt 
deze keuze tot gemakkelijker te interpreteren analyseresultaten. 

Modellering van verschillende jaren 
In de modelimplementatie is ervoor gekozen om verschillende jaren niet te modelleren met 
meerdere kolommen, maar met schaalfactoren per jaar: De modelgebruiker selecteert een 
jaar, waarna de corresponderende schaalfactoren worden toegepast om inputs voor 2030 
automatisch om te rekenen naar waarden voor het gekozen jaar. Deze implementatiekeuze 
is gemaakt, omdat het model hiermee overzichtelijk blijft. Aan het model is een macro 
toegevoegd waarmee de gebruiker automatisch verschillende jaren kan laten doorrekenen 
voor een specifiek scenario. In Bijlage A.3 gaan we in op de keuze van schaalfactoren.  

Externe factoren en beleid 
Er zijn vele externe factoren van invloed op het effect van de ERE-systematiek op de 
pompprijzen, maar omdat de modelleeropgave binnen dit project al zeer uitdagend was en 
veel van deze factoren niet gemakkelijk zijn te kwantificeren zijn uiteindelijk alleen de 
olieprijs en de gasprijs meegenomen in de modellering. De olieprijs heeft een grote invloed 

________________________________ 
17   Dit zijn de vloeibare brandstoffen (fossiel, biogeen en synthetisch). Gasvormige brandstoffen en elektriciteit 

vallen niet onder de jaarverplichting. 

link to page 45 link to page 30 link to page 53
background image

 
  

 

52 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

op de pompprijzen, en heeft daarnaast ook effect op de meerprijzen, omdat deze worden 
berekend ten opzichte van de fossiele brandstofprijzen. Hoewel er meerdere beleids-
instrumenten zijn geïdentificeerd die ook effect hebben op de doorwerking van de ERE-
systematiek, zijn deze niet meegenomen in de modelstudie. De impact van ETS-2 en FuelEU 
Maritime bleken te onzeker en ingewikkeld om in kort tijdsbestek toe te voegen.  
In Paragraaf 5.6 is wel een kwalitatieve reflectie op de impact van ETS-2 opgenomen. 
RefuelEU Aviation is wel meegenomen: In de scenario’s is aangenomen dat de luchtvaart-
sector de bio-SAF- en e-SAF-targets voor 2030 naleeft (zie Paragraaf 4.2). 

A.2 

Invulling scenario’s 
In de scenario’s is aangenomen dat aan alle CO2-reductieverplichtingen (targets en 

limieten) wordt voldaan (en daarnaast ook aan de technische bijmenglimieten voor bio-
ethanol en FAME), maar dat er niet veel meer hernieuwbare energie wordt ingezet dan 
nodig is om de verplichtingen na te leven. Dit sluit aan bij de verwachting dat de 
brandstofleveranciers zich aan de jaarverplichting zullen houden en bij het streven van 
deze partijen om de meerkosten zo beperkt mogelijk te houden. 
 
Om het aantal hernieuwbare energiedragers in de modelstudie niet onnodig groot te maken 
is bij elk van de sectoren een keuze gemaakt voor een enkele RFNBO (e-fuel) die is 
meegenomen in de analyse (naast de inzet van hernieuwbare waterstof via de 
raffinageroute): 
—  Land: Hernieuwbare waterstof (directe inzet in de vorm van gecomprimeerd 

waterstofgas). 

—  Zeevaart: e-methanol. 
—  Binnenvaart: vloeibare waterstof. 
—  Luchtvaart: e-kerosine. 
Deze keuze is gemaakt na raadpleging van mobiliteitsexperts bij CE Delft en na overleg met 
de experts bij de opdrachtgever. Hernieuwbare waterstof in land wordt momenteel al 
toegepast; er zijn momenteel 14 waterstoftankstations in Nederland18. E-diesel wordt nog 
nauwelijks geproduceerd wereldwijd en zal op kortere termijn een te dure optie zijn voor 
de vervoersmarkt. Bij zeevaart is e-methanol waarschijnlijk een goedkopere optie dan e-
diesel (met minder productiestappen), terwijl vloeibare waterstof voor zeeschepen tot hoge 
kosten van opslag aan boord leidt. In de binnenvaart is vloeibare waterstof haalbaarder 
vanwege de kortere vaarafstanden. Tot slot is e-kerosine de logische RFNBO-variant, omdat 
deze gebruik kan maken van dezelfde brandstofinfrastructuur en kan worden bijgemengd 
bij fossiele kerosine.  

A.3 

Aannames invoerwaarden 
Voor wat betreft de berekening van de waarden van producentenprijzen en beschikbare 
volumes van hernieuwbare energiedragers en de olie- en gasprijs in de jaren 2026 tot en 
met 2029 zijn de historische waarden voor 2023 en de verzamelde waarden voor 2030 
gepakt en gelineariseerd. Dat wil zeggen, er is een lineaire groei (of daling) van prijzen en 
beschikbare energievolumes aangenomen. De reden hiervoor is dat de productiecapaciteit 
naar verwachting geleidelijk zal groeien, en dat de ontwikkeling van prijzen zeer onzeker is 
en hier een simpele aanname onontkoombaar is. 
 

________________________________ 
18   https://waterstofguide.nl/waterstof-tanken 

link to page 54
background image

 
  

 

53 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

Voor de ontwikkeling van de biobrandstofprijzen tussen de huidige situatie en 2030 is 
aangenomen dat deze prijzen met 15% stijgen, vanwege hogere biogrondstofkosten. Dit is 
een eigen inschatting, die in onze optiek conservatief is. De algemene verwachting is dat 
stijgende biogrondstofvraag en -schaarste richting 2030 waarschijnlijk tot hogere 
marktprijzen gaat leiden, maar we hebben geen algemene prijsprojecties gevonden om toe 
te passen. Zulke projecties zijn ook heel moeilijk te maken, omdat deze prijzen het 
resultaat zijn van vraag- en aanbodontwikkelingen wereldwijd.  
 
Bij de pompprijzen is aangenomen de huidige waarden van accijns en btw bij de 
verschillende pompbrandstoffen ongewijzigd blijven tussen nu en 2030. Deze keuze is 
gemaakt, omdat we het effect van de ERE-systematiek op de pompprijzen bestuderen en 
het effect van fiscale instrumenten buiten de afbakening van de studie valt. 
 
Tot slot was een aanname nodig over de meerprijs van elektriciteit in land en binnenvaart, 
omdat voor elektrische voer- en vaartuigen geen sprake is van meerprijzen ten opzichte van 
een vervangen fossiele brandstof.19 We hebben aangenomen dat de meerprijs van elektrici-
teit in land en binnenvaart gelijk is aan de meerprijs van de goedkoopste ingezette 
hernieuwbare brandstof binnen elk van beide sectoren. Deze keuze is gemaakt, omdat de 
elektriciteit-ERE’s wel marktwaarde hebben, maar geen sprake is van ‘marginal pricing’ 
binnen de sector en de kopers van deze ERE’s op de hoogte zijn van de afwezigheid van 
meerkosten. 
 
 
 

________________________________ 
19   De meerprijs van elektriciteit is ook niet het verschil tussen de prijs van grijze en groene elektriciteit, omdat 

de bij levering van elektriciteit binnen de jaarverplichting uit wordt gegaan van de ‘grid mix’. 

link to page 56
background image

 
  

 

54 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

B  Dataverzameling 

In deze bijlage wordt uitgelegd hoe de gegevens zijn verzameld. Dit omvat de gebruikte 
methoden, de bronnen van de gegevens en eventuele uitdagingen die tijdens het proces zijn 
ondervonden: 
 
—  Vragenlijst: We hebben een conceptvragenlijst opgesteld, met vragen over vier hoofd-

onderwerpen (beschikbaarheid, kost- en marktprijzen hernieuwbare energiedragers, 
HBE/ERE-prijzen, prijzen aan de pomp. 

—  Interviews: We hebben een gesprekken met STX gevoerd. Verder hebben we 1-op-1 

gesprekken gevoerd met MVO, SkyNRG, Finco en OG Clean Fuels, en hebben we gerichte 
vragen aan andere experts om missende data voor de modellering te kunnen aanvullen. 

—  WTW-emissiefactoren: De data voor de emissiefactoren uit zijn voornamelijk afkomstig 

vanuit de RED III (Annex V, Part D). Voor brandstoffen waar de RED geen concrete 
factoren geeft, is een emissiefactor gebruikt op basis van literatuur. 

—  Producentenprijzen: Prijs- en volumeschattingen (voor Nederland in 2030) zijn beperkt 

beschikbaar. Internationale handel en concurrentie met andere landen en vraagsectoren 
maken beschikbaarheid van hernieuwbare energiedragers voor de Nederlandse 
mobiliteitsmarkt zeer onzeker. De producentenprijzen voor de brandstoffen in deze 
studie zijn voornamelijk afkomstig vanuit bronnen waaronder de EC, IEA en studies 
uitgevoerd door CE Delft zelf (ABS et al., 2022; EC, 2021; IEA, 2020). De prijzen hebben 
betrekking op jaren 2023 en 2030. De producentenprijzen voor de jaren 2026 t/m 2029 
worden in het model bepaald door middel van linearisatie ten opzichte van 2030.  

—  Beschikbaarheid van brandstoffen: Het model gaat ervan uit dat Nederland aanspraak 

kan maken op bepaalde volumes aan brandstoffen. De beschikbaarheid voor Nederland 
wordt ingeschat op 2% van het totaalvolume van een brandstof. De belangrijkste bron is 
de IEA aangevuld met data uit literatuur (IEA, 2024b). 

—  Fysieke inzet/Inzet jaarverplichting: Fysieke inzet energiedragers in 

brandstofequivalenten is een indicator voor de mobilteitsvraag. Deze vraag wordt 
constant aangenomen (er wordt gecorrigeerd op energierendement van EV's en FCEV's). 
De huidige fysieke inzet wordt bepaald met behulp van gegevens van de NEa. Het 
Revnext-dashboard is gebruikt om de inzet voor het jaar 2030 te bepalen. Dergelijke 
data hebben de KEV als voornaamste bron. Vanuit het Revnext-dashboard hanteren we 
het midden-scenario. Voor de overige jaren 2026 t/m 2029 wordt de inzet berekend 
door deze te lineariseren.  

—  Pompprijzen: De huidige literprijzen voor pompbrandstoffen zijn bepaald met behulp 

van CBS Statline data en Rotterdamse bunkerprijzen (CBS, 2024; Ship & Bunker, 2025). 
Zie ook Bijlage C.  

—  Olie- en gasprijs: De prijzen voor olie en gas voor zowel 2023 als 2030 komen uit de KEV 

(PBL, 2024). 

 
 

link to page 56 link to page 26
background image

 
  

 

55 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

C  Invoer model 

C.1 

Fysieke inzet energiedragers 
Tabel 7 toont de fysieke inzet van energiedragers per sector voor de drie scenario’s. De 
principes waarop de samenstelling van de scenario’s zijn gebaseerd staan in Hoofdstuk 6. 
 

Tabel 7 – Fysieke inzet van energiedragers per sector in 2030 voor de drie scenario’s 

  
Brandstof 

  

Fysieke inzet in 2030  

Aandeel 

Grondstof- 
categorie 

Regionale 

handel 

Gematigd

e markt 

Mondiale 

handel 

Regionale 

handel 

Gematigde 

markt 

Mondiale 

handel 

Land 

Fossiele benzine 

118 

127 

135 

33,6% 

34,2% 

34,9% 

Bio-ethanol (conventioneel)  Conventioneel 

5,1 

5,6 

6,0 

1,5% 

1,5% 

1,6% 

Bio-ethanol (Annex 9A) 

Annex IXA 

3,5 

3,6 

3,8 

1,0% 

1,0% 

1,0% 

Fossiele diesel 

108 

117 

124 

30,7% 

31,5% 

32,0% 

FAME (conventioneel) 

Conventioneel 

0,0 

0,0 

0,0 

0,0% 

0,0% 

0,0% 

FAME (Annex 9B) 

Annex IXB 

11,1 

12,4 

13,5 

3,2% 

3,3% 

3,5% 

HVO (Annex 9A) 

Annex IXA 

49,0 

58,0 

67,0 

13,9% 

15,6% 

17,3% 

HVO (Annex 9B) 

Annex IXB 

4,1 

4,4 

4,6 

1,2% 

1,2% 

1,2% 

e-diesel 

RFNBO 

0,0 

0,0 

0,0 

0,0% 

0,0% 

0,0% 

Hernieuwbare waterstof - 
directe inzet 

RFNBO 

0,3 

0,3 

0,3 

0,1% 

0,1% 

0,1% 

Hernieuwbare waterstof - 
raffinage 

RFNBO 

2,4 

2,6 

2,8 

0,7% 

0,7% 

0,7% 

Elektriciteit 

Overig 

50,0 

40,0 

30,0 

14,2% 

10,8% 

7,8% 

Fysieke inzet hernieuwbare energie 

126 

127 

128 

 

  

  

Brandstofplas (noemer JV) 

299 

328 

354 

 

  

  

Fysieke inzet energiedragers 

352 

371 

387 

100% 

100% 

100% 

Zeevaart 

HFO 

322 

314 

310 

74,2% 

72,4% 

71,7% 

MGO 

75 

74 

67 

17,3% 

17,1% 

15,5% 

Biobrandstof zeevaart 

Annex IXA 

12,3 

21,6 

31,0 

2,8% 

5,0% 

7,2% 

LNG  

9,0 

15 

21 

2,1% 

3,5% 

4,9% 

Bio-LNG 

Annex IXA 

12 

6,0 

0,0 

2,8% 

1,4% 

0,0% 

e-methanol 

RFNBO 

0,1 

0,1 

0,1 

0,0% 

0,0% 

0,0% 

Hernieuwbare waterstof - 
raffinage 

RFNBO 

3,3 

3,2 

3,2 

0,8% 

0,7% 

0,7% 

Fysieke inzet hernieuwbare energie 

28 

31 

34 

 

  

  

Brandstofplas (noemer JV) 

409 

410 

408 

 

  

  

Fysieke inzet energiedragers 

434 

434 

432 

100% 

100% 

100% 

Binnenvaart 

Diesel (binnenvaart) 

40,0 

40,0 

40,2 

85,3% 

85,0% 

85,2% 

FAME (Annex 9B) 

Annex IXB 

2,9 

2,9 

3,0 

6,2% 

6,2% 

6,4% 

HVO (Annex 9A) 

Annex IXA 

0,0 

0,0 

0,0 

0,0% 

0,0% 

0,0% 

HVO (Annex 9B) 

Annex IXB 

3,0 

3,2 

3,2 

6,4% 

6,8% 

6,8% 

LNG  

0,3 

0,3 

0,3 

0,6% 

0,6% 

0,6% 

Bio-LNG 

Annex IXA 

0,2 

0,2 

0,1 

0,4% 

0,4% 

0,2% 

background image

 
  

 

56 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

  
Brandstof 

  

Fysieke inzet in 2030  

Aandeel 

Grondstof- 
categorie 

Regionale 

handel 

Gematigd

e markt 

Mondiale 

handel 

Regionale 

handel 

Gematigde 

markt 

Mondiale 

handel 

Vloeibare hernieuwbare 
waterstof 

RFNBO 

0,1 

0,1 

0,1 

0,2% 

0,2% 

0,2% 

Hernieuwbare waterstof - 
raffinage 

RFNBO 

0,2 

0,2 

0,2 

0,4% 

0,4% 

0,4% 

Elektriciteit 

Overig 

0,2 

0,2 

0,1 

0,4% 

0,4% 

0,2% 

Fysieke inzet hernieuwbare energie 

3,6 

3,6 

3,5 

 

  

  

Brandstofplas (noemer JV) 

46 

46 

46 

 

  

  

Fysieke inzet energiedragers 

47 

47 

47 

100% 

100% 

100% 

Luchtvaart 

Fossiele kerosine 

149 

149 

149 

94,0% 

94,0% 

94,0% 

Biokerosine (Annex 9A) 

Annex IXA 

0,0 

0,0 

0,0 

0,0% 

0,0% 

0,0% 

Biokerosine (Annex 9B) 

Annex IXB 

8,4 

8,4 

8,4 

5,3% 

5,3% 

5,3% 

e-kerosine 

RFNBO 

1,1 

1,1 

1,1 

0,7% 

0,7% 

0,7% 

Hernieuwbare waterstof - 
raffinage 

RFNBO 

0,0 

0,0 

0,0 

0,0% 

0,0% 

0,0% 

Fysieke inzet hernieuwbare energie 

9,5 

9,5 

9,5 

 

  

  

Brandstofplas (noemer JV) 

159 

159 

159 

 

  

  

Fysieke inzet energiedragers 

159 

159 

159 

100% 

100% 

100% 

C.2 

Beschikbaarheid hernieuwbare energiedragers 
De beschikbaarheid van hernieuwbare energiedragers voor mobiliteit in Nederland is 
gebaseerd op een schatting van de ontwikkeling van het brandstofaanbod in 2030 en van de 
mogelijke import naar Nederland voor inzet in de mobiliteitssector.  
 

Tabel 8 – Beschikbaarheid (Platform Hernieuwbare Brandstoffen) energiedragers uitgedrukt in PJ 

 

Huidig 

2030 

 

 

 

Regionale 
handel 

Gematig-
de markt 

Mondiale 
handel 

Brandstof 

Grondstof 

Aanname 

aandeel 

grondstof per 

brandstof 

Laag  Midden 

Hoog 

Laag 

Midden 

Hoog 

Bio-ethanol 
(conventioneel) 

Other cereals 

10% 

4,0 

5,0 

6,0 

4,9 

6,1 

7,4 

Bio-ethanol 
(conventioneel) 

Sugar beet 

30% 

12,0 

15,0 

17,9 

14,7 

18,4 

22,1 

Bio-ethanol 
(conventioneel) 

Sugar cane 

30% 

12,0 

15,0 

17,9 

14,7 

18,4 

22,1 

Bio-ethanol 
(conventioneel) 

Corn 

30% 

12,0 

15,0 

17,9 

14,7 

18,4 

22,1 

Bio-ethanol  
(Annex 9A) 

Lignocellulosic 
materials 

5% 

0,2 

0,3 

0,3 

0,3 

0,3 

0,4 

Bio-ethanol 
(Annex 9A) 

Organic waste 

5% 

0,2 

0,3 

0,3 

0,3 

0,3 

0,4 

Bio-ethanol 
(Annex 9A) 

Wheat straw 

90% 

4,0 

5,0 

6,0 

4,9 

6,1 

7,4 

background image

 
  

 

57 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

 

Huidig 

2030 

 

 

 

Regionale 
handel 

Gematig-
de markt 

Mondiale 
handel 

FAME 
(conventioneel) 

Oil palm 

30% 

5,1 

6,4 

7,7 

6,3 

7,9 

9,4 

FAME 
(conventioneel) 

Sunflower 

20% 

3,4 

4,3 

5,1 

4,2 

5,2 

6,3 

FAME 
(conventioneel) 

Soy bean 

20% 

3,4 

4,3 

5,1 

4,2 

5,2 

6,3 

FAME 
(conventioneel) 

Rape seed 

30% 

5,1 

6,4 

7,7 

6,3 

7,9 

9,4 

FAME (Annex 9B)  UCO (China) 

7,5 

8,9 

10,0 

8,8 

10,0 

11,8 

FAME (Annex 9B)  UCO (Indonesië) 

7,5 

8,9 

10,0 

8,8 

10,0 

11,8 

FAME (Annex 9B)  Animal fats 

30% 

0,6 

0,7 

0,9 

0,7 

0,9 

1,0 

HVO (Annex 9A) 

Waste 
feedstocks 

45% 

1,0 

1,3 

1,5 

1,2 

1,5 

1,9 

HVO (Annex 9A) 

Palm oil mill 
effluent 

50% 

1,1 

1,4 

1,7 

1,4 

1,7 

2,1 

HVO (Annex 9A) 

Waste wood 

5% 

0,1 

0,1 

0,2 

0,1 

0,2 

0,2 

HVO (Annex 9B) 

UCO (China) 

35% 

0,4 

0,5 

0,6 

0,5 

0,6 

0,7 

HVO (Annex 9B) 

Animal fats 

30% 

0,3 

0,4 

0,5 

0,4 

0,5 

0,6 

HVO (Annex 9B) 

UCO (Indonesië) 

35% 

0,4 

0,5 

0,6 

0,5 

0,6 

0,7 

Bio-LNG 

Manure 

25% 

0,2 

0,3 

0,3 

0,2 

0,3 

0,4 

Bio-LNG 

Biowaste 

50% 

0,4 

0,5 

0,6 

0,5 

0,6 

0,7 

Bio-LNG 

Sewage sludge 

25% 

0,2 

0,3 

0,3 

0,2 

0,3 

0,4 

Biobrandstof 
zeevaart 

Cereal straw 

45% 

1,0 

1,3 

1,5 

1,2 

1,5 

1,9 

Biobrandstof 
zeevaart 

Maize stover 

45% 

1,0 

1,3 

1,5 

1,2 

1,5 

1,9 

Biobrandstof 
zeevaart 

Forest residues 
(USA) 

5% 

0,1 

0,1 

0,2 

0,1 

0,2 

0,2 

Biokerosine 
(Annex 9A) 

Jatropha 

30% 

0,0 

0,00 

0,0 

1,6 

2,0 

2,4 

Biokerosine 
(Annex 9A) 

Forestry residues 

20% 

0,0 

0,00 

0,0 

1,1 

1,3 

1,6 

Biokerosine 
(Annex 9A) 

Corn stover 

50% 

0,0 

0,00 

0,0 

2,7 

3,3 

4,0 

Biokerosine 
(Annex 9B) 

UCO (China) 

45% 

0,3 

0,4 

0,5 

2,4 

3,0 

3,6 

Biokerosine 
(Annex 9B) 

Camelina 

5% 

0,0 

0,0 

0,1 

0,3 

0,3 

0,4 

Biokerosine 
(Annex 9B) 

UCO (Indonesië) 

45% 

0,3 

0,4 

0,5 

2,4 

3,0 

3,6 

 

 

 

84 

104 

123 

112 

138 

165 

 

background image

 
  

 

58 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

C.3 

Kost- en marktprijzen energiedragers 

Tabel 9 – Producentenprijzen uitgedrukt in €/GJ 

 

Huidig 

 

2030 

Brandstof 

Grondstof 

Grondstof-
categorie 

Laag  Midden 

Hoog 

Laag  Midden 

Hoog 

Bio-ethanol 
(conventioneel) 

Other cereals 

Conventioneel 

19,30 

22,53 

25,75 

22,20 

25,90 

29,61 

Bio-ethanol 
(conventioneel) 

Sugar beet 

Conventioneel 

10,90 

13,90 

16,90 

12,54 

15,99 

19,44 

Bio-ethanol 
(conventioneel) 

Sugar cane 

Conventioneel 

9,40 

11,43 

12,20 

10,81 

13,14 

14,03 

Bio-ethanol 
(conventioneel) 

Corn 

Conventioneel 

19,30 

22,53 

25,75 

22,20 

25,90 

29,61 

Bio-ethanol (Annex 9A)  Lignocellulosic 

materials 

Annex 9A 

37,35 

46,69 

56,02 

42,95 

53,69 

64,43 

Bio-ethanol (Annex 9A)  Organic waste 

Annex 9A 

19,00 

21,50 

24,00 

21,85 

24,73 

27,60 

Bio-ethanol (Annex 9A)  Wheat straw 

Annex 9A 

23,61 

28,61 

43,89 

27,15 

32,90 

50,47 

FAME (conventioneel) 

Oil palm 

Conventioneel 

19,04 

22,50 

25,96 

22,45 

32,39 

42,32 

FAME (conventioneel) 

Sunflower 

Conventioneel 

20,00 

25,23 

28,00 

23,00 

29,01 

32,20 

FAME (conventioneel) 

Soy bean 

Conventioneel 

21,38 

39,21 

57,03 

24,59 

45,09 

65,58 

FAME (conventioneel) 

Rape seed 

Conventioneel 

30,00 

33,80 

35,00 

34,50 

38,87 

40,25 

FAME (Annex 9B) 

UCO (China) 

Annex 9B 

28,39 

35,89 

40,00 

32,65 

41,27 

46,00 

FAME (Annex 9B) 

Animal fats 

Annex 9B 

28,39 

35,89 

40,00 

32,65 

41,27 

46,00 

FAME (Annex 9B) 

UCO (Indonesië) 

Annex 9B 

28,39 

35,89 

40,00 

32,65 

41,27 

46,00 

HVO (Annex 9A) 

Waste feedstocks 

Annex 9A 

14,00 

19,50 

25,00 

16,10 

22,43 

28,75 

HVO (Annex 9A) 

Palm oil mill 
effluent 

Annex 9A 

7,00 

10,50 

14,00 

8,05 

12,08 

16,10 

HVO (Annex 9A) 

Waste wood 

Annex 9A 

20,83 

30,43 

40,01 

20,06 

32,44 

44,78 

HVO (Annex 9B) 

UCO (China) 

Annex 9B 

39,72 

52,79 

65,86 

45,68 

60,71 

75,74 

HVO (Annex 9B) 

Animal fats 

Annex 9B 

39,72 

52,79 

65,86 

45,68 

60,71 

75,74 

HVO (Annex 9B) 

UCO (Indonesië) 

Annex 9B 

39,72 

52,79 

65,86 

45,68 

60,71 

75,74 

Bio-LNG 

Manure 

Annex 9A 

27,81 

44,11 

60,75 

27,81 

44,11 

60,75 

Bio-LNG 

Biowaste 

Annex 9A 

 20,00 

22,00 

28,00  

22,00 

24,31 

30,00 

Bio-LNG 

Sewage sludge 

Annex 9A 

 33,00 

40,00 

43,00  

35,00 

46,00 

45,00 

Biobrandstof zeevaart 

Cereal straw 

Annex 9A 

 32,00 

36,00 

40,00 

35,90 

40,26 

44,62 

Biobrandstof zeevaart 

Maize stover 

Annex 9A 

 24,00 

32,00  

39,00  

27,95 

35,51 

43,08 

Biobrandstof zeevaart 

Forest residues 
(USA) 

Annex 9A 

 20,00 

 28,00 

36,00  

24,53 

32,14 

39,74 

Biokerosine (Annex 9A)  Jatropha 

Annex 9A 

25,68 

28,24 

30,81 

29,53 

32,48 

35,43 

Biokerosine (Annex 9A)  Forestry residues 

Annex 9A 

37,50 

47,16 

56,82 

43,13 

54,23 

65,34 

Biokerosine (Annex 9A)  Corn stover 

Annex 9A 

52,78 

80,56  108,33 

52,06 

57,94 

70,00 

Biokerosine (Annex 9B)  UCO (China) 

Annex 9B 

44,69 

59,39 

74,10 

51,39 

68,30 

85,21 

Biokerosine (Annex 9B)  Camelina 

Annex 9B 

25,68 

28,24 

30,81 

29,53 

32,48 

35,43 

Biokerosine (Annex 9B)  UCO (Indonesië) 

Annex 9B 

44,69 

59,39 

74,10 

51,39 

68,30 

85,21 

Groene waterstof - 
directe inzet 

RFNBO 

 70,00 

78,00 

96,00 

35,26 

45,84 

56,42 

Groene waterstof - 
raffinage 

RFNBO 

 70,00 

78,00  

96,00  

35,26 

45,84 

56,42 

Vloeibare waterstof 

RFNBO 

71,00 

79,00 

97,00 

41,39 

50,56 

62,22 

e-diesel 

RFNBO 

72,50 

92,77  134,16 

45,29 

63,60 

90,00 

link to page 60 link to page 60 link to page 60
background image

 
  

 

59 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

 

Huidig 

 

2030 

Brandstof 

Grondstof 

Grondstof-
categorie 

Laag  Midden 

Hoog 

Laag  Midden 

Hoog 

e-methanol 

RFNBO 

75,00 

83,00  101,00 

40,00 

50,00 

60,00 

e-kerosine 

RFNBO 

76,00 

84,00  102,00 

34,72 

56,91 

79,09 

Elektriciteit 

Overig 

16,94 

22,50 

26,67 

12,78 

18,89 

28,06 

Grijze waterstof20 

Fossiel 

 - 

2,7 

 - 

 - 

 - 

 - 

LNG 

Fossiel 

 - 

17,00 

 - 

 - 

 - 

 - 

C.4 

Prijzen aan de pomp 

Tabel 10 – Huidige pompprijzen  

Pompbrandstof 

Pompprijs  Eenheid 

Bron of toelichting 

Benzine 

€ 1,95 

€/liter  (CBS, 2024). In 2024. 

Diesel 

€ 1,72 

€/liter  (CBS, 2024). In 2024. 

Stookolie (HFO) 

€ 0,45 

€/liter  (Ship & Bunker, 2025). Bunkerprijs van 523,50 $/ton in de 

periode 2 aug 2024 t/m 31 januari 2025. Wisselkoers van 1,11 
USD/EUR toegepast. 

Gasolie (MGO) 

€ 0,53 

€/liter  (Ship & Bunker, 2025). Bunkerprijs van 670 $/ton in de periode 

2 aug 2024 t/m 31 januari 2025. Wisselkoers van 1,11 USD/EUR 
toegepast. 

Diesel 
(binnenvaart) 

€ 0,57 

€/liter  (Slurink, 2025). Bruto depotprijs gasolie, prijs op 18 maart 

2025 

Kerosine 

€ 0,52 

€/liter  (Jet-A1-Fuel, 2025). Prijs jet A1 geldend op 2 februari 2025 in 

Nederland. Wisselkoers van 1,04 USD/EUR toegepast. 

 
 
De prijs van (fossiele) brandstoffen is opgebouwd uit: 
—  Grondstofprijs (olieprijs per MJ): Voor de grondstofprijs wordt een procentueel aandeel 

van de huidige pompprijs genomen. De pompbrandstofprijzen zijn weergegeven in Tabel 
10.
 Voor benzine en diesel is de 'grondstofprijs' de ruwe olieprijs.  

—  Accijns: Accijns omvatten een vast bedrag per type brandstof.  
—  Conversiekosten (2%): De conversiekosten gaan over het raffinageproces en maken 2% 

uit van de huidige totale pompprijs. 

—  Transport en opslag (3%): De kosten voor transport en opslag zijn inclusief voorraad-

heffing en maken 3% uit van de huidige totale pompprijs. 

—  Exploitatiekosten, incl. winst (7-10%): De exploitatiekosten worden berekend als 

restpost en kunnen daardoor variëren tussen 7% en 10% van de huidige totale pompprijs.  

—  HBE/ERE-kosten: De HBE-kosten zijn ingeschat op basis van inzet hernieuwbare energie 

uit de NEa-rapportage 2023 en een HBE-prijs van 10 €/GJ (NEa, 2023). De HBE-kosten 
zijn uitgesmeerd over benzine en diesel in land. De ERE-kosten zijn berekend op basis 
van de totale meerkosten per pompbrandstof en de fysieke inzet in een specifiek jaar.   

—  Btw over het totaal: 21% of 0%. 
 

 

________________________________ 
20   Uitgedrukt in €/kg grijze waterstof. 

background image

 
  

 

60 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

C.5 

WTW CO2-eq.-emissiefactoren 

Tabel 11 – WTW CO2-eq.-emissiefactoren voor brandstof-grondstofcombinaties. 

Brandstof 

Grondstof 

Grondstofcategorie 

Emissiefactor  Eenheid 

Bio-ethanol (conventioneel) 

Other cereals 

Conventioneel 

50,3 

gCO2/MJ 

Bio-ethanol (conventioneel) 

Sugar beet 

Conventioneel 

30,4 

gCO2/MJ 

Bio-ethanol (conventioneel) 

Sugar cane 

Conventioneel 

28,6 

gCO2/MJ 

Bio-ethanol (conventioneel) 

Corn 

Conventioneel 

48,5 

gCO2/MJ 

Bio-ethanol (Annex 9A) 

Lignocellulosic materials  Annex 9A 

55,0 

gCO2/MJ 

Bio-ethanol (Annex 9A) 

Organic waste 

Annex 9A 

6,1 

gCO2/MJ 

Bio-ethanol (Annex 9A) 

Wheat straw 

Annex 9A 

15,7 

gCO2/MJ 

FAME (conventioneel) 

Oil palm 

Conventioneel 

51,4 

gCO2/MJ 

FAME (conventioneel) 

Sunflower 

Conventioneel 

44,7 

gCO2/MJ 

FAME (conventioneel) 

Soy bean 

Conventioneel 

47,0 

gCO2/MJ 

FAME (conventioneel) 

Rape seed 

Conventioneel 

50,1 

gCO2/MJ 

FAME (Annex 9B) 

UCO (China) 

Annex 9B 

14,9 

gCO2/MJ 

FAME (Annex 9B) 

Animal fats 

Annex 9B 

20,7 

gCO2/MJ 

FAME (Annex 9B) 

UCO (Indonesië) 

Annex 9B 

14,9 

gCO2/MJ 

HVO (Annex 9A) 

Waste feedstocks 

Annex 9A 

12,0 

gCO2/MJ 

HVO (Annex 9A) 

Palm oil mill effluent 

Annex 9A 

10,8 

gCO2/MJ 

HVO (Annex 9A) 

Waste wood 

Annex 9A 

12,0 

gCO2/MJ 

HVO (Annex 9B) 

UCO (China) 

Annex 9B 

16,0 

gCO2/MJ 

HVO (Annex 9B) 

Animal fats 

Annex 9B 

21,8 

gCO2/MJ 

HVO (Annex 9B) 

UCO (Indonesië) 

Annex 9B 

16,0 

gCO2/MJ 

Bio-LNG 

Manure 

Annex 9A 

-42,9 

gCO2/MJ 

Bio-LNG 

Biowaste 

Annex 9A 

0,1 

gCO2/MJ 

Bio-LNG 

Sewage sludge 

Annex 9A 

0,1 

gCO2/MJ 

Biobrandstof zeevaart 

Cereal straw 

Annex 9A 

27,0 

gCO2/MJ 

Biobrandstof zeevaart 

Maize stover 

Annex 9A 

27,0 

gCO2/MJ 

Biobrandstof zeevaart 

Forest residues (USA) 

Annex 9A 

16,5 

gCO2/MJ 

Biokerosine (Annex 9A) 

Jatropha 

Annex 9A 

55,0 

gCO2/MJ 

Biokerosine (Annex 9A) 

Forestry residues 

Annex 9A 

6,0 

gCO2/MJ 

Biokerosine (Annex 9A) 

Corn stover 

Annex 9A 

35,0 

gCO2/MJ 

Biokerosine (Annex 9B) 

UCO (China) 

Annex 9B 

27,0 

gCO2/MJ 

Biokerosine (Annex 9B) 

Camelina 

Annex 9B 

47,0 

gCO2/MJ 

Biokerosine (Annex 9B) 

UCO (Indonesië) 

Annex 9B 

27,0 

gCO2/MJ 

Groene waterstof - directe inzet  - 

RFNBO 

3,0 

gCO2/MJ 

Groene waterstof - raffinage 

RFNBO 

3,0 

gCO2/MJ 

Vloeibare waterstof 

RFNBO 

3,6 

gCO2/MJ 

e-diesel 

RFNBO 

6,0 

gCO2/MJ 

e-methanol 

RFNBO 

7,0 

gCO2/MJ 

e-kerosine 

RFNBO 

10,0 

gCO2/MJ 

Elektriciteit 

Overig 

27,8 

gCO2/MJ 

 

Tabel 12 – Emissiefactor fossiele referentie 

Grootheid 

Emissiefactor 

Eenheid 

Fossiele referentie 

94 

gCO2/MJ 

 
 

 

background image

 
  

 

61 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

C.6 

Andere inputparameters 

Tabel 13 – Gas- en olieprijzen per scenario 

Grootheid 

Regionale 

handel 

Gematigde 

markt 

Mondiale 

handel 

Eenheid 

Bron of 
toelichting 

Aandeel elektriciteitsgebruik in 
mobiliteit dat is ingeboekt t.b.v. de JV 

50% 

50% 

50% 

 

 

Correctiefactor raffinageroute 

0,4 

 

Olieprijs in 2023 

76 

76 

76 

€/vat 

(PBL, 2024) 

12,5 

12,5 

12,5 

€/GJ 

 

Olieprijs in 2030 

85 

63,5 

42 

€/vat 

(PBL, 2024) 

14 

10 

6,9 

€/GJ 

 

Gasprijs in 2023 

0,52 

0,52 

0,52 

€/m3 

(PBL, 2024) 

15 

15 

15 

€/GJ 

 

Gasprijs in 2030 

0,44 

0,23 

0,14 

€/m3 

(PBL, 2024) 

12,5 

6,5 

€/GJ 

 

 
 

Tabel 14 – Vervoersvraag Nederland in 2030 

Sector 

Energievraag 

Eenheid 

Land 

434,5 

PJ brandstofeq. 

Zeevaart 

430,7 

PJ brandstofeq. 

Binnenvaart 

47,2 

PJ brandstofeq. 

Luchtvaart 

159,0 

PJ brandstofeq. 

 
 

 

background image

 
  

 

62 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

D  Overige ontwikkelingen 

In deze bijlage worden (beleids- en markt)ontwikkelingen in de brandstoffen- en vervoers-
markt besproken die ook relevant zijn voor de impact van de ERE-systematiek op de 
Nederlandse pompprijzen, maar die niet in de modelanalyse zijn meegenomen. 
 

Tabel 15 - Overig beleid aan de vraagkant 

 

Hoe wordt dit verder 
meegenomen? 

Land 
Zero-emissie beleid  
Op lokaal niveau wordt gestuurd op zero-emissie transport. Met name vanwege 
luchtkwaliteitsdoelstellingen en de vermindering van geluidshinder.  
Meerdere Nederlandse steden voeren vanaf 2025 zero-emissiezones in, waar 
dieselvoertuigen niet zijn toegestaan. 
 
Ook de Europese CO2-normen zorgen voor ingroei van zero-emissie voertuigen, 
hoewel de klimaatimpact (WTW) wel afhankelijk is van de hoe de elektriciteit 
geproduceerd is. Deels zorgt de transitie naar zero-emissie ook voor een daling van 
het energiegebruik als gevolg van de hogere efficiëntie. Bij hogere 
elektrificatiegraden daalt het finaal energieverbruik. 
 
De overstap naar zero emissie is een ontwikkeling die we zien in alle segmenten 
van wegvervoer en dit beperkt de plas aan vloeibare brandstoffen waarin 
biobrandstoffen kunnen worden bijgemengd. 
 

Verschillende 
elektrificatiegraden zijn 
meegenomen in de 
scenario’s. 

Dalende trend dieselgebruik 
Als gevolg van het wegvallen van vrijstellingen en hogere CO2-belasting daalt het 
dieselgebruik. Dit beperkt de plas aan vloeibare diesel waarin bv HVO kan worden 
bijgemengd, terwijl er meer benzinevervangers kunnen worden afgezet en mogelijk 
invloed hebben op de gebruikte feedstocks, die anders zijn voor benzinevervangers 
dan voor dieselvervangers.

 De verschuiving van diesel naar benzineauto’s lijkt voor 

de doelstellingen en meerkosten niet problematisch te zijn, gezien de mogelijkheid 
tot HVO100. 

Wordt automatisch 
meegenomen in de 
referentie (KEV).  

ETS2: uitbreiding van het huidige emissiehandelssysteem  
De uitbreiding naar het wegtransport (en vrijwillig de binnenvaart) zal een 
prijsverhogend effect hebben op fossiele brandstoffen en hernieuwbare 
brandstoffen niet beprijzen. Naar verwachting zal het verschil tussen fossiel en 
hernieuwbaar gecompenseerd worden door de ETS-prijs plus de ERE-waarde.  
Met de uitbreiding vallen alle sectoren onder ETS1 of ETS2. 

Meegenomen in reflectie. 

Zeevaart 
Opt-in regeling 
In de interviews is vaak verwezen naar de ervaringen met de opt-in regeling voor 
de zeevaart uit de huidige systematiek. Deze opt-in regeling, waarbij hernieuwbare 
energie in de zeevaart mocht meetellen voor de doelstellingen van de 
jaarverplichting, heeft aan de ene kant een positief effect gehad op het aandeel 
hernieuwbare energie in de zeevaart. Aan de andere kant, zorgde deze opt-in 
regeling voor een disbalans ten opzichte van de inzet in de sectoren vallend onder 
de verplichting. Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat met ingang van jaar 

Ter context. In de nieuwe 
systematiek, die ingaat 
vanaf 1 januari 2026, 
komt deze opt-in 
mogelijkheid te vervallen, 
omdat alle sectoren met 
de implementatie van de 
RED III een eigen 

link to page 64 link to page 64 link to page 64
background image

 
  

 

63 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

 

Hoe wordt dit verder 
meegenomen? 

2021 biobrandstoffen uit Annex IX-B grondstoffen niet meer konden worden ingezet 
onder de opt-in.21 Daarnaast is met invoering van een vermenigvuldigingsfactor <1 
in jaar 2022 het prijs- en marktverstorende effect gedempt.22 Hierdoor bleef de 
stimulans voor inzet van hernieuwbare brandstoffen in zeevaart bestaan, maar 
bleef de ingezette hoeveelheid meer binnen de perken. 

 

verplichting opgelegd 
krijgen en wordt de 
uitwisseling tussen 
sectoren beperkt door de 
beperkte vrije ruimte. 

Fuel EU Maritime 
Vanaf 1 januari 2025 is de EU-verordening FuelEU Maritime in werking, gericht op 
een hogere inzet van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen in de zeevaart 
(EU+EER). De broeikasgasreductiedoelstellingen ten opzichte van het gemiddelde 
van de vloot in 2020 (91,16 g CO2-eq./MJ well-to-wake) lopen van 2% reductie in 
2025 naar 6% reductie in 2030 en 80% reductie in 2050.  
 
Een exploitant kan de emissiereductie laten plaatsvinden bij schepen die de 
Nederlandse bunkerlocaties niet aandoen. Dit geeft onzekerheid bij de  
 
In de beginperiode van FuelEU Maritime zal LNG nog voldoende zijn om te voldoen 
aan de doelstelling, maar tegen 2030 is dit niet meer het geval. LNG schepen zullen 
dan moeten overschakelen op hernieuwbare varianten van LNG. Naast (bio)LNG zijn 
FAME en bioHFO een aantrekkelijke optie voor de zeevaart. De andere opties als 
bio- en e-methanol en ammoniak zullen waarschijnlijk pas na 2030 een grotere rol 
gaan spelen. 
 
Een exploitant kan de emissiereductie laten plaatsvinden bij schepen die de 
Nederlandse bunkerlocaties niet aandoen en vormt daarmee een extra onzekerheid 
voor brandstofleveranciers, die onder de jaarverplichting vallen, en aan de 
zeevaart leveren. Daarnaast werd het poolingmechanisme genoemd in de 
interviews als onzekere factor voor de uitwerking in de praktijk.  
 

 
 
 
 
 
 
 
Gezien de brede range 
aan FAME en bio-HFO 
varianten, is deze groep 
geclusterd als 
‘biobrandstoffen 
zeevaart’. 
 
 
 
Niet mee kunnen nemen 
in de modellering. 

Binnenvaart 
ETS2 
Nederland heeft er voor gekozen om de binnenvaart vrijwillig onder te brengen 
onder ETS2. Zie ook ETS2 onder land.23 

Idem als bij land. 
Beschreven bij de 
reflectie.  

Uit de interviews bleek dat de inzet van FAME en HVO nog beperkt is en dat de 
sector zelf terughoudend is, terwijl het technisch wel mogelijk is. Door middel van 
een praktijkproef zet het ministerie van I&W in op opbouw van ervaring binnen de 
sector. Andere benoemde belemmeringen, zoals betaalbaarheid gelden ook voor 
andere sectoren. 

Ter context. 

In de interviews werd ook verwezen naar projecten op het vlak van batterijgebruik 
en varen op waterstof (beiden in containervorm bijvoorbeeld), maar de 
verwachting is dat de inzet tegen 2030 nog zo beperkt zal zijn dat de inzet hiervan 
ten behoeve van de jaarverplichting minimaal is. 

Niet meegenomen. 

Luchtvaart 
ReFuel Aviation
 
In de luchtvaart bleek, evenals bij zeevaart, de RED II op Europees niveau niet 
voldoende om de inzet van hernieuwbare brandstoffen te stimuleren (in Nederland 
was de opt-in voor zeevaart wel een grote stimulans, zie eerdere paragraaf in deze 

De nieuwe voorgestelde 
ERE-systematiek is zo 
vormgegeven dat aan de 

________________________________ 
21   Nederlandse Emissieautoriteit, Rapportage Energie voor Vervoer in Nederland 2021. 
22   Nederlandse Emissieautoriteit, Rapportage Energie voor Vervoer in Nederland 2024. 
23   Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2024, Energietransitie binnenvaart via 

https://open.overheid.nl/documenten/dpc-1e7da7991cba78861400c02ca77bb59bd9766e69/pdf  

link to page 65 link to page 65 link to page 65
background image

 
  

 

64 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

 

Hoe wordt dit verder 
meegenomen? 

tabel). Daarom introduceerde de Europese Commissie de ReFuelEU Aviation-
verordening. Deze verordening trad op 1 januari 2025 in werking en speelt een 
belangrijke rol bij de verduurzaming van de Europese luchtvaart en vermindering 
van CO2-emissies.24 De belangrijkste componenten van de verordening betreffen: 
− 

Bijmengverplichting voor brandstofleveranciers: Brandstofleveranciers zijn 
verplicht om vanaf 2025 een minimumpercentage duurzame 
luchtvaartbrandstoffen (SAF) te mengen met conventionele kerosine. Dit 
percentage begint bij 2% in 2025 en loopt op tot 70% in 2050. Binnen deze 
verplichting is er speciale aandacht voor synthetische luchtvaartbrandstoffen 
gemaakt met hernieuwbare elektriciteit (e-SAF), met een subdoelstelling die 
start bij ten minste 0,7% in 2030 en toeneemt tot 35% in 2050.25 

− 

Tankverplichting voor luchtvaartmaatschappijen: Om de praktijk van fuel 
tankering (het meenemen van extra brandstof om tanken op duurdere 
locaties te vermijden) tegen te gaan, moeten luchtvaartmaatschappijen ten 
minste 90% van de benodigde brandstof voor vluchten die vertrekken vanaf 
een EU-luchthaven op diezelfde luchthaven tanken. Dit bevordert eerlijke 
concurrentie en vermindert onnodige CO₂-uitstoot door het extra gewicht van 
overtollige brandstof. 26 

−  Rapportage- en monitoringsverplichtingen

ReFuel Aviation 
verordening wordt 
voldaan. Daar gaan we in 
deze studie dan ook 
vanuit. 
 

Nationaal luchtvaartbeleid 
Naast bijmengverplichtingen zet Nederland in op andere maatregelen om de 
luchtvaart te verduurzamen, zoals: 
− 

Capaciteitsbeperkingen: Het beperken van het aantal vliegbewegingen op 
luchthavens om de uitstoot te verminderen. 

− 

Sterkere prijsprikkels: Het verhogen van belastingen op vliegen om de vraag 
te verminderen en zo de uitstoot te beperken. 

− 

Absolute uitstootbeperkingen: Het instellen van een CO₂-plafond voor de 
luchtvaart. 

−  Verhogen van het gebruik van SAF: Het Akkoord Duurzame Luchtvaart is een 

initiatief van de Nederlandse luchtvaartsector, het ministerie van 
Infrastructuur en Waterstaat en kennisinstellingen, gericht op het 
verduurzamen van de luchtvaart in Nederland. Een belangrijke pijler binnen 
dit akkoord is het verhogen van het gebruik van Sustainable Aviation Fuel 
(SAF). In 2030 moet 14% van alle in Nederland getankte vliegtuigbrandstof 
duurzaam zijn en in 2050 alle gebruikte vliegtuigbrandstof.  De Europese 
Commissie heeft Nederland verzocht zijn nationale plannen voor verplichte 
bijmenging van SAF aan te passen om in lijn te zijn met de EU-regelgeving.  
Uit de interviews blijkt dat sector zelf vrijwillig wil vast blijven houden aan 
de 14%.

 

De eerste drie punten 
komen naar voren in de 
inschattingen van de KEV 
en zijn dus meegenomen 
in de referentie.  
 
In deze studie gaan we 
gezien de status van 
vastgesteld beleid voor 
het aandeel SAF uit van de 
naleving van ReFuel EU 
Aviation doelen. 

Internationale ontwikkelingen 

 

Waar veel Europees vraagbeleid ooit ontstaan is uit nationale verplichtingen, valt 
te zien dat ook de Europese verplichtingen vertaald worden naar mondiale 
afspraken. Zo werkt de EU aan de implementatie van een mondiale marktgerichte 
maatregel voor de luchtvaart, bekend als CORSIA (Carbon Offsetting and Reduction 
Scheme for International Aviation), ontwikkeld door de Internationale 
Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO). CORSIA heeft tot doel de groei van CO₂-uitstoot 
in de internationale luchtvaart vanaf 2020 te compenseren door middel van CO₂-

 

________________________________ 
24   emissieautoriteit.nl 
25   eur-lex.europa.eu 
26   eur-lex.europa.eu 

link to page 66 link to page 66 link to page 66 link to page 66 link to page 66
background image

 
  

 

65 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

 

Hoe wordt dit verder 
meegenomen? 

compensatieprojecten. De EU streeft naar een coherente integratie van CORSIA in 
het bestaande EU-ETS-kader. Zowel onder het EU ETS als onder CORSIA is de inzet 
van duurzame luchtvaartbrandstoffen ook voordelig, omdat biobrandstoffen als nul 
tellen en daardoor geen emissierechten vereisen. Wel zijn er momenteel nog 
verschillen in definities, duurzaamheidseisen en vluchten, waardoor 
luchtvaartpartijen soms tussen de verschillende schema’s moeten kiezen om zo tot 
een optimale inzet te komen en aan de verschillende beleidsdoelstellingen te 
voldoen.27 Voor zeevaart wordt binnen de IMO ook gesproken over internationale 
afspraken op het vlak van de inzet van hernieuwbare brandstoffen.

 

Duurzaamheidsrapportages 

 

In de afgelopen jaren is er ook meer Europees beleid gekomen op het vlak van 
rapportageverplichtingen voor bedrijven. Zo verplicht de Corporate Sustainability 
Reporting Directive (CSRD) bedrijven te rapporteren over hun duurzaamheidsbeleid 
en welke CO2-reductie ze bereiken. Dit zal ook vanuit de ondernemers zorgen naar 
meer vraag naar hernieuwbare energiebronnen. 

Ter context. 

 

Tabel 16 - Relevante ontwikkelingen aan de aanbodkant 

 

Hoe wordt dit verder 
meegenomen? 

Bijmengverplichting voor groengas 
Naast de inzet van groengas onder de jaarverplichting komt daar vanaf 2026 de 
bijmengverplichting voor groengas bij als verplichtend instrument. Deze 
verplichting richt zich alleen wel op invoeding van groengas en niet specifiek op de 
inzet van vervoer: vanaf 2026 verplicht deze maatregel energieleveranciers een 
bepaald percentage groengas toe te voegen aan het reguliere aardgas dat zij 
leveren. Het doel is om de productie en het gebruik van hernieuwbare energie te 
stimuleren en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen.28 De 
verplichting gaat in per 1 januari 2026. Het streefcijfer is om tegen 2030 ongeveer 
20% van het geleverde gas groen te laten zijn, wat neerkomt op een toename van 
de huidige productie van ongeveer 0,25 miljard m³ naar 1,1 miljard m³ groengas.29 
Leveranciers moeten aantonen dat zij voldoen aan de bijmengverplichting door 
middel van speciale certificaten, de Groengaseenheden (GGE’s). Indien zij niet aan 
de verplichting kunnen voldoen, is er een mogelijkheid om een zogenaamde 'buy-
out' te betalen, die momenteel is vastgesteld op € 450 per ton. Hoewel de invoering 
van de bijmengverplichting gepland staat voor 2026, is er nog Europese goedkeuring 
nodig en zijn er nog zorgen over de haalbaarheid van de productie van 2 miljard m³ 
groengas tegen 2030. Momenteel is de productie aanzienlijk lager, en er zijn 
twijfels of de benodigde opschaling tijdig gerealiseerd kan worden.30 Ook is er nog 
niet voor alle sectoren een akkoord bereikt, zoals de glastuinbouw.31  
De bijmengverplichting groengas zorgt voor een grotere vraag naar groengas en de 
markt zal moeten kiezen tussen het verkrijgen van GGE’s of ERE’s. De GGE zorgt 
waarschijnlijk dus voor concurrentie met de ERE. Daarmee kan de bijmeng-
verplichting het een prijsopdrijvend effect hebben op de inzet van groengas onder 
de jaarverplichting. In welke mate is nu nog onzeker. 

Ter context. Niet 
meegenomen in de 
modellering. 

________________________________ 
27   rijksoverheid.nl 
28   rijksoverheid.nl 
29   nieuweoogst.nl 
30   newenergycoalition.org 
31   newenergycoalition.org 

link to page 67
background image

 
  

 

66 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

 

Hoe wordt dit verder 
meegenomen? 

Uit de interviews blijkt verder dat veel groengas uit mest nu naar Duitsland gaat om 
daar mee te tellen onder de Duitse jaarverplichting. Omdat dit systeem al vanaf 
2015 op CO2-reductie stuurt is groengas uit mest daar meer waard, vanwege de 
negatieve emissies in verband met de vermeden methaanemissies. Met de nieuwe 
ERE-systematiek wordt het aantrekkelijker om groengas uit mestvergisting in 
Nederland mee te laten tellen voor de jaarverplichting. De negatieve emissiefactor 
vergroot het voordeel ten opzichte van voorheen andere dubbeltellende 
biobrandstoffen.  
Waterstofverplichting industrie 
De RED III-doelstelling stelt dat tegen 2030 minimaal 42% van het waterstofgebruik 
in de industrie uit hernieuwbare waterstof moet bestaan. Nederland is één van de 
grootste waterstofgebruikers in Europa en de inzet van hernieuwbare waterstof is 
uitdagend vanwege de beperkte beschikbaarheid, de hogere prijzen ten opzichte 
van fossiele waterstof en de benodigde investeringen voor de technische 
aanpassingen. Zonder aanvullend beleid zal de industrie moeite hebben de extra 
kosten te dragen en kan dit de concurrentiepositie van Nederland negatief 
beïnvloeden door bijv. verplaatsing van productie. De geschatte onrendabele top 
voor het behalen van de 42%-doelstelling in 2030 bedraagt ongeveer 1,4 miljard 
euro per jaar.  Een combinatie van slimme ondersteuning, normering en 
prijsstelling is daarom noodzakelijk om de transitie naar groene waterstof succesvol 
te maken en de klimaatdoelstellingen te behalen. Deze industrieverplichting zorgt 
dus net als de jaarverplichting voor vraag naar hernieuwbare waterstof. Wegens de 
beperkte beschikbaarheid kan er dus concurrentie optreden tussen de industrie en 
de transportsector. 

Ter context. Niet 
meegenomen in de 
modellering. 

Inzet voor materialen, recycling en de koolstofmarkt 
Over het algemeen raakt de inzet van biogrondstoffen ook aan het Nederlandse en 
Europese afvalbeleid. Zo bevat het Circulair Materialen Plan als vervanging van het 
Landelijk Afval Beheerplan duidelijkere definities voor hoogwaardige recycling. Dit 
raakt aan de afvalstromen die gebruikt worden voor de productie van hernieuwbare 
brandstoffen. Volgens het afvalbeleid mogen namelijk niet alle stromen ingezet 
worden voor laagwaardige recycling, waar brandstofproductie vaak onder valt. 
 
Ook wordt er gewerkt aan doelstellingen voor een verplicht aandeel biobased in 
materialen. Zo is de Industrial Sustainable Carbon Regulation (ISCR) een voorstel 
van de Nederlandse overheid dat tot doel heeft het gebruik van duurzame 
koolstofbronnen in de chemische industrie te bevorderen. Het voorstel verplicht tot 
een minimaal aandeel van duurzame koolstof in de productieprocessen door inzet 
van gerecyclede materialen, duurzame biomassa of CO₂. Om flexibiliteit te bieden 
zal ook de ISCR inzetten op een administratief marktmechanisme waarmee 
bedrijven onderling rechten kunnen verhandelen om aan de verplichting te 
voldoen, net als bij de jaarverplichting.32 
In januari 2025 heeft de Europese Commissie de ISCR opgenomen in de bredere 
strategie om de industriële concurrentiekracht van de EU te versterken en de 
overgang naar duurzame productie te versnellen. Dit initiatief past binnen de 
inspanningen om de EU-industrie concurrerender te maken ten opzichte van de VS 
en China. Momenteel bevindt de ISCR zich in de fase van implementatie en verdere 
uitwerking in specifieke EU-regelgeving en richtlijnen om de toepassing van de ISCR 
in de hele Europese Unie te waarborgen. Dit bevat onder andere bindende 

Ter context. Niet 
meegenomen in de 
modellering. 

________________________________ 
32   tweedekamer.nl 

link to page 68
background image

 
  

 

67 

240338 - Prijseffecten ERE-systematiek – Maart 2025 

 

 

Hoe wordt dit verder 
meegenomen? 

doelstellingen voor het gebruik van duurzame koolstof in de chemische industrie en 
het creëren van monitorings- en handhavingsmechanismen.33 
Beleid in andere landen en geopolitieke factoren met betrekking tot import en 
handel 
Het aanbod van brandstoffen en feedstocks in Nederland wordt ook sterk beïnvloed 
door het vraagbeleid in andere landen. De trend is dat steeds meer landen buiten 
de EU ook verplichtende instrumenten introduceren en de feedstocks willen 
behouden voor de eigen markten, zoals UCO in Azië. 
 
Uit de interviews bleek dat Importheffingen en andere handelsbelemmerende 
maatregelen vanuit marktprotectionisme vaak van invloed zijn op zowel de fossiele 
als biogrondstofmarkten. Deze geopolitieke context is van grote invloed op aanbod 
van en vraag naar hernieuwbare brandstoffen wereldwijd, en op de mogelijkheden 
voor import. 
 
Beleid in andere lidstaten wordt sterk bepaald door de historische context en, 
specifiek voor biobrandstoffen, de positie van de eigen landbouw. Dit verklaart 
waarom bijvoorbeeld de ethanolmarkt groot is in Frankrijk. Vroege keuzes voor 
subsidiëring van productie, voertuigen of systemen, zoals de jaarverplichting spelen 
nog altijd een rol bij de huidige keuzes. Zo domineren een aantal landen de 
ethanolproductie in Europa 
 
Daarnaast laat het EU-beleid ook nadrukkelijk ruimte voor nationale keuzes, zoals 
de raffinageroute. Uit de interviews blijkt dat brandstofleveranciers vaak actief 
zijn in meerdere landen en met deze verschillen rekening houden.  
 
Er heerst veel onzekerheid over de implementatie van beleid, zowel op nationaal 
als Europees niveau. Veel processen, zoals de Union Database, die op EU-niveau 
voor harmonisatie moeten zorgen, zijn vertraagd.  

Duurzaamheidsbeleid en 
duurzaamheidsambities 
van andere landen zijn 
meegenomen in de 
scenario's, net als dat ook 
handelsbelemmeringen en 
rol import zijn 
meegenomen in de 
scenario’s. 

 
 
 
 
 

________________________________ 
33   www.reuters.com/business/eu-points-way-competitive-future-catch-us-china-rivals-2025-01-29/