Wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de verhoging van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden (Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden)
Opening
Verslag van een wetgevingsoverleg
De vaste commissie voor Koninkrijksrelaties heeft op 1 juni 2026 overleg gevoerd met de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, over Wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de verhoging van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden (Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden).
De voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,
Biekman
De griffier van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,
Hessing-Puts
Voorzitter: Biekman
Griffier: Manten
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Biekman, Tijs van den Brink, Ceder, Heera Dijk, Den Hollander, Tseggai en Vlottes,
en de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid.
Aanvang 14.01 uur.
Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden
Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de verhoging van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden (Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden) (36867).
De voorzitter:
Goedemiddag, bon tardi en good afternoon. Hierbij open ik deze vergadering van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties. Wij voeren vandaag een wetgevingsoverleg met de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden. Van harte welkom aan de staatssecretaris. Ook van harte welkom aan mijn collega-Tweede Kamerleden en aan de mensen die online meekijken. Mijn naam is Anouschka Biekman en ik ben de voorzitter van deze mooie commissie. Ik zal ook nog even de Kamerleden voorstellen: de heer Ceder namens de ChristenUnie, de heer Tijs van den Brink namens het CDA, mevrouw Tseggai namens GroenLinks-PvdA, mevrouw Heera Dijk namens D66, mevrouw Den Hollander namens de VVD en de heer Vlottes namens de PVV. Welkom.
Voor de eerste termijn hebben de Kamerleden al een spreektijd doorgegeven. Ik stel voor om voor de eerste termijn vijf interrupties toe te laten. Ik geef nu graag het woord aan het lid Ceder voor zijn inbreng. U heeft tien minuten.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel. Good day, goedendag en bon dia.
Voorzitter. Onze Nederlandse democratie is gebouwd op het huis van Thorbecke. Iedere overheidslaag heeft zijn eigen taak en verantwoordelijkheid. Gemeenten staan daarbij als bestuurslaag het dichtst op de inwoners. Vaak zijn zij ook de meest zichtbare bestuurslaag, met gekozen raadsleden en wethouders die hun inwoners vertegenwoordigen en besluiten nemen. Dat is een systeem om te koesteren, maar ook een systeem om te verbeteren als dat noodzakelijk is. In het geval van de samenstelling van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden op Bonaire, Statia en Saba is verandering zeer noodzakelijk. Ik ben blij dat het wetsvoorstel er ligt en dat we het snel behandelen, ook met het oog op de verkiezingen van volgend jaar.
Voorzitter. Ik moet zeggen dat ik aanvankelijk zeer kritisch was, juist omdat de eilandsraadsleden, in ieder geval een aantal van hen, te kennen hadden gegeven dat ze de huidige opzet onvoldoende vonden. Ik heb begrepen dat de eilandsraden, mede dankzij de inzet van de bewindspersoon en de ambtenaren over en weer de afgelopen weken, zich nu in groten getale achter het huidige voorstel kunnen scharen. Ik denk dat dat een compliment waard is.
Voorzitter. Het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden op de BES-eilanden staat al lange tijd niet in verhouding tot het aantal inwoners en de aantallen in Europees Nederland. De gemeente Bunschoten heeft bijvoorbeeld 22.000 inwoners en 19 raadsleden. Bonaire heeft 26.000 inwoners en maar 9 eilandsraadsleden, terwijl Bonaire een eiland met andere en ook meer verantwoordelijkheden is; het heeft bijvoorbeeld een eigen vliegveld. Kortom, dat het aantal eilandsraadsleden moet worden verhoogd, is in mijn ogen een no-brainer, ook met het oog op de versterking van de democratische legitimiteit. Dit voorstel was oorspronkelijk onderdeel van de totale herziening van de Wet openbare lichamen BES. Dit deel is nu losgetrokken. Gezien de snelheid van de behandeling begrijp ik dat, maar dat betekent niet dat de totale herziening van de Wet openbare lichamen BES en de Wet financiën openbare lichamen BES op een zijpad moet worden geschoven.
Voorzitter. Met dit wetsvoorstel wordt het aantal eilandsraadsleden op een gelijkwaardig niveau met Europees Nederland gebracht. Voor meer gelijkwaardigheid en versterking van de democratie is het ook noodzakelijk om de andere aanpassingen door te voeren, zoals een andere benoemingsprocedure van de gezaghebber.
Voorzitter. Dan de vraag. De herziening van de Wet openbare lichamen BES duurt in mijn ogen te lang. Die is in 2023 geconsulteerd en daarna is er tijdens de werkconferentie over gesproken met eilandsraadsleden. Ik vraag de staatssecretaris naar de stand van zaken. Kan hij toezeggen dat het wetsvoorstel voor het einde van het jaar in behandeling genomen wordt? Kan hij dat concreet toezeggen, of in ieder geval in een brief aangeven wanneer de behandeling kan plaatsvinden?
Voorzitter. Bovendien wordt de functie van Rijksvertegenwoordiger in het voorstel toch behouden. Daar was discussie over. Mijn vraag is ook: waarom? Wat is de nut en noodzaak van die Rijksvertegenwoordiger? Hoe ziet de staatssecretaris dit in het kader van het "comply or explain"-principe? Gemeenten hebben immers ook geen Rijksvertegenwoordiger. In hoeverre heeft dit besluit het wetgevingstraject vertraagd? Graag een reflectie van de staatssecretaris, ook op het handelen van zijn voorganger.
Voorzitter. Het wetsvoorstel zelf is vrij helder en duidelijk. Toch heb ik, ook gezien de amendementen die ik heb ingediend, een aantal vragen, allereerst rond de verhogingen van het aantal eilandsraadsleden. Die verhogingen vinden stapsgewijs plaats. Er is afgesproken dat er tussen de verhogingen een evaluatie plaatsvindt. Deze evaluatie is echter niet wettelijk vastgelegd. Waarom is hier niet voor gekozen, vraag ik de staatssecretaris. Bovendien werd er in de afspraken een uitzondering gemaakt voor Sint-Eustatius? Daar zou geen evaluatie voor nodig zijn. Waarom, vraag ik.
Ik heb de wet op dit punt dan ook geamendeerd en stel voor de evaluatie wel wettelijk te verankeren, ook voor Statia. Dat is niet omdat ik de verhogingen wil bemoeilijken of niet zou steunen, allesbehalve, maar juist om gebruikt te kunnen maken van de kansen die deze evaluatie biedt qua verbeteringen. Ik denk bijvoorbeeld dat het ook slim is om te kijken naar de opvolging van de gemaakte afspraken tussen het Rijk en de eilandsbesturen. Ik heb verschillende mensen op de eilanden gesproken. Zij maken zich toch zorgen of Nederland de afspraken die zijn gemaakt tijdens de werkconferentie daadwerkelijk gaat waarmaken. Daar ligt een evidente zorg. Ik vraag aan de staatssecretaris of die terecht is. Voor de vormgeving van de evaluatie heb ik dus aangesloten bij de afspraken die gemaakt zijn tijdens de werkconferentie. Ik ben benieuwd naar de appreciatie van de staatssecretaris.
Voorzitter. Ook over de bezoldiging van de eilandsraadsleden zijn bij de werkconferentie belangrijke afspraken gemaakt. De bezoldigingen voor eilandsraadsleden in Caribisch Nederland liggen namelijk een stuk lager dan die voor gemeenteraadsleden in Europees Nederland, terwijl we weten dat de levenskosten op de eilanden hoger zijn dan hier in Europees Nederland. Dat is wat mij betreft niet uit te leggen. In de wet wordt in de financiële paragraaf uitgegaan van de huidige bezoldigingsafspraken. Waarom?
Ik vind de afspraken rond bezoldiging dusdanig belangrijk dat ik een amendement heb ingediend om de inwerkingtreding afhankelijk te maken van het nieuwe rechtspositiebesluit. Ik begrijp dat dit een nogal zwaar instrument is, maar wat mij betreft kan het verhogen van het aantal eilandsraadsleden, een oprechte poging om de democratische legitimiteit te versterken, niet zonder ook een passende bezoldiging en concrete afspraken daarover. Ik wil dan ook vragen wanneer de staatssecretaris dit gaat regelen en of er voldoende middelen zijn vrijgemaakt door dit kabinet. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren en daarmee ook misschien de zorgen wegnemen van de mensen die momenteel meekijken?
Voorzitter. Ook rond ondersteuning en huisvesting van de eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden zijn afspraken gemaakt en dat is goed. Bij de gemaakte afspraken lees ik dat de minister jaarlijks in ieder geval €350.000 beschikbaar stelt voor de ondersteuning van de eilandsraadsleden. Mijn vraag is of deze financiële middelen ook direct beschikbaar zijn zodra de wet ingaat, of dat de minister daarmee wacht tot de inwerkingtreding van de Herzieningswet WolBES en FinBES. Is de minister het met mij eens dat het logisch zou zijn om dit geld per direct beschikbaar te stellen bij het ingaan van de wet en niet te wachten op de herzieningswet, ook omdat de nodige fysieke en materiële zaken aangepast zullen moeten worden om de verkiezingen en de uitbreiding na de uitslag mogelijk te maken? Ook rond huisvesting, heel praktisch bijvoorbeeld de plek waar vergaderd wordt en een mogelijke uitbreiding daarvan, ben ik benieuwd naar de stand van zaken van de gemaakte afspraken.
Voorzitter. Het uiteindelijke doel van deze wet is het versterken van de democratie en de democratische legitimiteit van het bestuur van de openbare lichamen. Het verhogen van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden is daarom ook een stap in de goede richting. Dat is, voor zover ik heb begrepen, inmiddels ook het standpunt van alle eilandsraden. Dat betekent echter niet dat we het nu voor gezien kunnen houden en achterover kunnen leunen. Daarom ben ik blij om te zien dat er een samenwerking op touw gezet wordt tussen de eilanden en de VNG en de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden. Mijn vraag is of de staatssecretaris een beeld kan geven bij de initiatieven die er nu lopen tussen de VNG, de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden en de eilandsraadsleden en hoe deze versterkt zouden kunnen worden.
Voorzitter, tot slot. Ik hoop dat de resultaten van dit wetsvoorstel en de herzieningswetten die eraan komen, bijdragen aan een gelijkwaardiger bestuur, met als uiteindelijk resultaat de bloei van de eilanden en hun inwoners, zowel economisch als op sociaal gebied.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. U heeft nog ruim drie minuten over, dus u had ook in een minder rap tempo kunnen praten.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel. Ik hoop dat de andere collega's dit voorbeeld zullen volgen.
De voorzitter:
Die hebben minder tijd. Ik zie een interruptie van mevrouw Dijk.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Ik wilde het betoog afluisteren; vandaar dat ik even heb gewacht met mijn interrupties. Ik heb twee vragen. U had het over de Rijksvertegenwoordiger; ik ben benieuwd hoe de ChristenUnie daar zelf tegenover staat. Ik hoorde u ook over de evaluatie, maar volgens mij staat er in de stukken dat ze zelf hebben aangegeven dat ze geen evaluatie willen. Ik ben dus ook benieuwd hoe de ChristenUnie daartegenover staat.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ten aanzien van het eerste punt: ik volg daarin de eilandsraden die hebben aangegeven — dat was volgens mij ook de afspraak — dat er geen Rijksvertegenwoordiger meer zou komen en dat dat in de wet die eraan komt, ook geregeld zou moeten worden. Het vorige kabinet, het kabinet-Schoof, heeft in tegenstelling tot de gemaakte afspraken toch het besluit genomen om die nog wel te behouden. Dat vind ik ongelukkig, omdat er in gemeenteland geen vertegenwoordiger zit tussen de eilandsraden, de gezaghebber en misschien ook de minister. Dat doen we hier nu wel. Ik denk dat de groei in verantwoordelijkheden van de eilandsraden dusdanig stagneert dat het een betere ontwikkeling zou zijn om die afspraken na te komen. Ik overweeg dan ook een motie. Dit wetsvoorstel komt eraan, maar ik weet niet wat het kabinet-Jetten van plan is met de afspraken die het kabinet-Schoof gemaakt heeft. Daarom ben ik benieuwd of dit er alsnog uit gehaald wordt. Ik ben er dus voorstander van om die afspraken na te komen en de Rijksvertegenwoordiger eruit te halen. Ik ben benieuwd of het kabinet-Jetten dat standpunt deelt.
Ten aanzien van het tweede punt … Kunt u me even helpen door te herhalen waar dat ook alweer over ging?
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dat ging over de evaluatie. Ze hebben zelf aangegeven dat ze die niet willen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Bij zo'n stevige wijziging — ik denk dat de uitbreiding van het aantal raadsleden een stevige wijziging is — is het vrij gebruikelijk dat je daar een evaluatie aan koppelt. Ik denk dat dat ook noodzakelijk is, omdat de stap die we nu zetten, eigenlijk onontgonnen gebied is. We gaan die stap zetten en ik denk ook dat dat noodzakelijk is, gezien het aantal inwoners, maar als er kinderziektes ontstaan, is het belangrijk dat niet alleen de eilandsraadsleden, maar ook wij als Kamerleden, die er ook de verantwoordelijkheid voor hebben dat het daar goed gaat met het bestuur, daar kennis van kunnen nemen.
Ik hoop dat de uitbreidingen doorgaan zoals voorzien is in het tijdpad, maar mochten er uit de evaluatie indicaties naar voren komen dat we het misschien niet moeten doen, ook in overleg met de eilandsraadsleden uiteraard, dan kunnen we voor een land misschien een pas op de plaats maken. Het lijkt me echter niet wenselijk om de optie om geen evaluatie te doen, op tafel te laten. Uiteindelijk zijn namelijk niet alleen de eilandsraadsleden, maar ook wij als Kamerleden er medeverantwoordelijk voor dat het huis van Thorbecke staat. Vanwege die gedeelde verantwoordelijkheid vind ik het wel belangrijk om die in de wet te plaatsen.
De voorzitter:
Ik zie nog een vervolginterruptie van mevrouw Dijk. Daarna ga ik over naar het lid Den Hollander; zij had ook een interruptie.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank voor de toelichting en de heldere uitleg. Voor mij blijft alleen het punt van de Rijksvertegenwoordiger over, want volgens mij heeft de Rijksvertegenwoordiger een belangrijke rol vervuld in het Selibondossier. Dus als de Rijksvertegenwoordiger er nu uit wordt gehaald, heb je die rol niet meer. Hoe staat de ChristenUnie daar dan tegenover?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik wil zeggen dat de Rijksvertegenwoordiger, zoals we die kennen, fantastisch werk geleverd heeft, ook zoals ik hem de afgelopen maanden heb zien optreden. Dus complimenten daarvoor. Dit is dus ook niets persoonlijks. Dit gaat over de vraag of we het in het kader van comply or explain kunnen verantwoorden om een extra tussenlaag te plaatsen tussen eilandbestuurders, zeg maar het college van B en W en de gemeenteraden, en de minister, want die laag hebben we niet in andere gemeentes, zoals Amsterdam of Boxtel of welke gemeente dan ook. Ik heb er lang over nagedacht. Los van de persoonlijke waardering denk ik wel dat we naar de andere rol toe moeten gaan, juist ook omdat de eilandsraadsleden daarmee ook de ruimte krijgen om die verantwoordelijkheid wat meer naar zich toe te trekken. Ik ben er niet per se over uit hoe dat eruitziet. In de gemeenten hier zouden de Provinciale Staten of zou de commissaris van de Koning nog in een andere rol kunnen functioneren, maar die gaat veel minder ver dan zoals we het nu geborgd hebben door middel van de Rijksvertegenwoordiger. Daarmee ga je voorbij aan de afspraken die eigenlijk al gemaakt waren maar die teruggedraaid zijn tijdens het kabinet-Schoof.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Wat ik wilde zeggen in mijn interruptie is eigenlijk al grotendeels in de interruptie van mevrouw Dijk aan de orde gekomen; die ging over de Rijksvertegenwoordiger en de relatie met Selibon. Ik zou aan de heer Ceder willen vragen of hij denkt dat de inwoners van Bonaire misschien wél het belang inzien van de Rijksvertegenwoordiger, maar misschien de bestuurders van Bonaire minder. Zou hij zich daar iets bij kunnen voorstellen?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat kan. Ik ben dienstbaar aan wat werkt. De eilandsraadsleden hebben als getrapte vertegenwoordiger die afspraken gemaakt. Als ik het signaal krijg dat de mensen op Bonaire eigenlijk heel graag nog een Rijksvertegenwoordiger willen, ben ik daar natuurlijk niet ongevoelig voor, alleen heb ik die signalen niet in die concrete mate om af te wijken van de afspraken die eerder gemaakt zijn. Daarnaast heb ik al eerder uitgelegd dat ik denk dat de uitbreiding van de eilandsraadsleden en het neerleggen van een zwaardere verantwoordelijkheid bij de eilandsraadsleden ook goed kan zijn voor de groei en het gevoel van verantwoordelijkheid bij zowel eilandsraadsleden als bij degenen die bijvoorbeeld verantwoordelijk zijn voor het dossier over Selibon en andere dossiers. Dat zorgt, denk ik, ook voor een directere lijn tussen enerzijds de staatssecretaris en de dynamiek die speelt, waarbij ook, in dit geval, het ministerie van IenW betrokken is en waarbij ze soms ook te maken hebben met het ministerie van SZW. Ik denk dat een directere lijn misschien tot een sneller resultaat kan leiden op het moment dat dit soort dossiers spelen. Dat is wel een wezenlijk verschil ten opzichte van Europese gemeenten. Maar als ik signalen krijg dat men op Bonaire heel graag in meerderheid een Rijksvertegenwoordiger wil hebben, ga ik mijn wil, om het zo te zeggen, niet doordrukken, maar volgens mij is de indicatie die ik tot nu toe heb teruggekregen dat men die verantwoordelijkheid wel bij de eilandsraadsleden wil beleggen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Tijs van den Brink voor zijn inbreng. Meneer Van den Brink, u heeft daarvoor vijf minuten.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Goeiemiddag, good afternoon en bon dia. Het is goed dat het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden wordt uitgebreid. Bonaire, Statia en Saba zijn Nederlandse openbare lichamen, zeg maar bijzondere gemeenten, met een groter takenpakket dan andere gemeenten. Het CDA vindt het belangrijk dat het bestuur van de eilanden goed is uitgerust en zijn werk goed kan doen. Uitbreiding van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden past daarbij. Er is nu een grote hoeveelheid werk die niet past bij het lage aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden. Ook in de in het wetsvoorstel gekozen stapsgewijze opbouw van de uitbreiding kan mijn fractie zich vinden. Er is een zorgvuldig proces ingericht, waarbij ook rekening is gehouden met de zorgen van de eilanden.
Voorzitter. Dit wetsvoorstel maakt onderdeel uit van een groter pakket aan wijzigingen, dat overeengekomen is in De Bilt. Het onderdeel dat wij vandaag bespreken is daaruit gehaald en met het oog op de eilandverkiezingen van volgend jaar ingediend. Ik begrijp dat daar wat onvrede over is ontstaan, vooral over het uitstel van de herzieningswet, maar ik kan het besluit van de regering om dit onderdeel alvast naar voren te halen wel volgen. Dat laat natuurlijk onverlet dat het wel belangrijk is dat de herzieningswet doorgang vindt. Ligt de staatssecretaris op schema om die wet voor de zomer in te dienen bij de Raad van State? Is het streven nog steeds om de herzieningswet per 1 januari 2029 in werking te laten treden, of kan dat ook per 1 januari '28?
Dan kom ik bij mijn volgende punt. Dat is het flankerend beleid, de extra maatregelen die de regering treft om deze wet goed te laten uitpakken. Het CDA vond het goed om in de beantwoording van onze vragen te lezen dat deze maand het initiatief van start is gegaan om de interesse in het lidmaatschap van de eilandsraden te bevorderen. Ook lazen we dat de bezoldiging, de vergoeding van de eilandsraadsleden en de eilandgedeputeerden, inmiddels is verhoogd. Ik heb een aantal vragen over andere maatregelen. In het wetsvoorstel lees ik dat er extra geld beschikbaar gesteld wordt het versterken van de ondersteuning van de eilandsraad c.q. het bureau van de griffier. Hoe wordt dit geregeld, is onze vraag. Ook komt er een ondersteuningsprogramma, met trainingen, opleidingen, intervisies en coaching. Wat is de stand van zaken op dit moment?
Voorzitter, ik sluit af. Dit wetsvoorstel is wat het CDA betreft een goede en noodzakelijke stap bij het versterken van het lokaal bestuur op Bonaire, Statia en Saba. Het CDA steunt het wetsvoorstel en roept de regering op om voortvarend aan de slag te gaan met de beloofde herzieningswet.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen interrupties. Ik kan de heer Ceder melden dat u ook zijn voorbeeld heeft gevolgd, want u zat ruim binnen de tijd. Dan geef ik het woord aan mevrouw Tseggai voor haar inbreng.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank. Ik zal mijn best doen om het goede voorbeeld van mijn collega's te volgen. Allereerst: goedemiddag, good afternoon en bon dia aan iedereen die meekijkt. We behandelen vandaag de wetswijziging die beoogt het aantal eilandsraadsleden van de openbare lichamen te verhogen, alsmede het aantal eilandgedeputeerden. Ook wordt de mogelijkheid van deeltijdeilandgedeputeerden, dat een leuk Scrabblewoord is, geïntroduceerd. Voor mijn fractie zijn dit op zichzelf allemaal voorstellen waarvan wij denken dat ze goed kunnen bijdragen aan het versterken van het bestuur op Bonaire, Statia en Saba. Dat is, mede gelet op de toegenomen omvang van de taken van de eilandsbesturen, van groot belang. Ook wordt met deze wetswijziging het stelsel op de eilanden meer gelijkgetrokken met hoe we hier, in Europees Nederland, het lokale bestuur hebben georganiseerd. Dat past weer goed bij het toepassen van het "comply or explain"-principe waarover het net ook al even ging.
Toch heeft mijn fractie een aantal belangrijke vragen waarover we graag een goede uitleg willen van de staatssecretaris. Toen eerder over deze voorstellen werd gesproken met de BES-eilanden, was het de bedoeling dat deze wetswijziging onderdeel zou zijn van een breder pakket aan afspraken, dat van 2024 in De Bilt. De regering en de eilanden kwamen gezamenlijk overeen dat die afspraken gemaakt zijn. Daarna heeft het vorige kabinet ervoor gekozen om de afspraken eenzijdig open te breken en alleen datgene wat wij vandaag bespreken aan de Kamer voor te leggen. Wij hebben moeite met dit proces, omdat we het belangrijk vinden dat we als landelijke overheid de afspraken die we maken met lokale overheden ook nakomen, of dat nou in Caribisch Nederland is of in Europees Nederland. Daarnaast kregen we de afgelopen tijd veel verschillende signalen van de eilanden. Niet alle eilandsraden gaven op dit moment aan positief te staan tegenover het uitbreiden van het aantal zetels, met name vanwege de haalbaarheid en de financiën. Graag hoor ik van de staatssecretaris hoe hij dit nu ziet. Wat is op dit moment het standpunt van de drie eilandsraden over de uitbreiding van het aantal zetels?
Voorzitter. Daarnaast kwam tijdens de begrotingsbehandeling dit wetsvoorstel al uitgebreid aan bod. De staatssecretaris zat er toen ook bij, in zijn voorgaande rol, en was wat kritisch. Maar vandaag verdedigt hij hier natuurlijk het wetsvoorstel van zijn voorganger. Ik ben dan ook benieuwd wat hem heeft doen overtuigen waarom het toch verstandig is om eenzijdig deze afspraken aan te passen en een deel van de afspraken nu in een wet op te nemen. Zoals gezegd vindt mijn fractie het van groot belang dat het Rijk goede verhoudingen heeft met de BES-eilanden. Dat gaat natuurlijk veel breder dan alleen de zaken die in dit wetsvoorstel zitten, maar het is belangrijk dat juist ook op dit vlak de gemaakte afspraken worden nagekomen. Daarom is de vraag aan de staatssecretaris wanneer we het volgende wetsvoorstel kunnen verwachten, waarin de overige afspraken voorliggen die met de eilanden zijn gemaakt. Dat is eigenlijk wat de heer Van den Brink net ook vroeg. Wat komt daar concreet in? Is hij van plan dit zo spoedig mogelijk naar de Kamer te sturen, zodat alsnog uitvoering gegeven kan worden aan alle afspraken die in maart 2024 tussen het Rijk en de BES-eilanden gemaakt zijn?
Voorzitter. Ik wil graag aandacht vragen voor de financiële gevolgen van dit wetsvoorstel. Dat is eigenlijk misschien wel het belangrijkste punt voor mijn fractie. Wanneer het aantal eilandsraadsleden wordt uitgebreid, betekent dit namelijk logischerwijze ook dat er meer vergoedingen worden uitgekeerd. Daar zijn wij helemaal niet op tegen, want lokale volksvertegenwoordigers moeten gewoon een adequate vergoeding ontvangen. Collega Ceder heeft op dit punt ook een amendement ingediend. Daar staan wij zeer sympathiek tegenover, maar het is wel van belang dat de eilanden ook voldoende middelen krijgen om die uitbreiding goed te kunnen financieren en dat het niet ten koste gaat van andere belangrijke zaken op de BES-eilanden. De maatschappelijke opgaven op de eilanden zijn immers heel groot en er is eerder meer dan minder geld nodig voor het goed organiseren van belangrijke voorzieningen en infrastructuur op Bonaire, Statia en Saba. Daarom hoor ik graag van de staatssecretaris of de extra middelen die voor dit wetsvoorstel nodig zijn, niet ten koste gaan van de noodzakelijke investeringen op de eilanden.
Vanuit de eilanden horen we namelijk dat de middelen die nu voor dit wetsvoorstel voor de eilanden gezamenlijk worden ingeschat, te weinig zijn als we ook de ondersteuning van de eilandsraden en de bestuurscolleges goed willen regelen. Herkent de staatssecretaris dit? Is hij het met ons eens dat we niet mogen vergeten dat de ondersteuning goed op orde moet zijn omdat de uitbreiding anders haar doel voorbijschiet? Voor mijn fractie is het van cruciaal belang dat er voldoende middelen zijn en dat deze uitbreiding niet ten koste gaat van andere belangrijke zaken. Op de totale rijksbegroting gaat het om heel weinig geld als we het over een paar ton hebben, maar voor de eilanden is het wel heel veel geld. Ik zou daarom de toezegging willen krijgen van de staatssecretaris dat hij samen met de eilanden gaat kijken of de nu gereserveerde middelen toereikend zijn en dat hij de Kamer daar ook snel over informeert.
Tot slot heb ik op dit punt nog een vraag over de gevolgen van het advies van het Adviescollege Rechtspositie Politieke Ambtsdragers over de vergoedingen van volksvertegenwoordigers en bestuurders. Wanneer komt het kabinet met een reactie hierop? Wat betekent dit voor eventuele toekomstige verhogingen van vergoedingen voor ambtsdragers op de BES-eilanden in relatie tot dit wetsvoorstel, en wat zijn de financiële consequenties daarvan? Ik zie uit naar de beantwoording.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie twee interrupties. Ik begin met mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Een gloedvol betoog van de fractie van GroenLinks-PvdA. Het was natuurlijk te verwachten dat deze vraag over de financiële bijdrage zou komen. Wat ik me wel afvraag, is het volgende. Ik hoor dat best veel gemeenten in Europees Nederland claimen te weinig financiële middelen te hebben om alle uitdagingen het hoofd te bieden. Vindt de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid dan ook dat we die gemeenten allemaal tegemoet moeten komen met extra bijdragen en, zo ja, waarvan gaan we dat dan betalen?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat vindt GroenLinks-PvdA zeker. In ons verkiezingsprogramma kunt u ook zien dat wij wel een oplossing hebben voorgesteld voor bijvoorbeeld het ravijnjaar en de herziening van de gemeentefondsen en de provinciale fondsen. Wij hebben daarbij andere keuzes gemaakt dan deze coalitie. Maar ik zou niet een soort tegenstelling willen creëren tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland. Ik denk namelijk dat als deze uitbreiding van raadsleden in Europees Nederland had plaatsgevonden en er dan een paar extra ton nodig waren geweest, we deze discussie waarschijnlijk niet eens gehad hadden.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik denk dat het "comply or explain"-principe altijd twee richtingen op moet werken. Ik ben zelf wethouder geweest in de gemeente Westerveld, waar ook extra raadsleden bij zouden komen. Daar moest de raadzaal ook aangepast worden. Die kosten waren gewoon allemaal voor de gemeente, dus waarom geldt het "comply or explain"-principe dan niet in die situatie? Er komt ook geen extra bijdrage vanuit het Rijk voor de extra raadsleden in de gemeente Westerveld.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik ben niet bekend met de situatie in Westerveld, maar ik kan wel in algemene zin zeggen dat wij het als GroenLinks-PvdA belangrijk vinden om, zowel in Europees Nederland als in Caribisch Nederland, gemeenten voldoende middelen te geven: zonder taken geen knaken. Nee, andersom: zonder knaken geen taken, zou ik willen zeggen. Dat geldt wat GroenLinks-PvdA betreft zowel in Europees Nederland alsook in Caribisch Nederland. Wij hebben dat in ons verkiezingsprogramma allemaal netjes uiteengezet.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Een van de onderwerpen waar in ieder geval de afgelopen maanden veel om te doen was, is de Rijksvertegenwoordiger. Complimenten voor die rol in de afgelopen maanden. Tegelijkertijd roept de vernieuwing van het bestel ook de vraag op of het een passende rol is. Of zou je de eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden moeten oproepen tot meer verantwoordelijkheid en directe verhoudingen met de verantwoordelijke ministers? Ik neig naar dat tweede, ook op grond van de afspraken die eerder tussen het kabinet en de eilandsraadsleden zijn gemaakt, maar ik ben ook benieuwd hoe u dat weegt.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik deel de vergelijking die de heer Ceder net maakte met Europees Nederland, al heb je daar natuurlijk wel de provincie als toezichthouder van gemeenten, zeker in financiële zin. Ik vind wat de eilandsraden hier zelf van vinden eigenlijk vooral heel belangrijk. Ik vind het daarom ook jammer dat dit pakket met afspraken zo wordt behandeld. Ik vind dat dat de onderlinge relaties tussen Den Haag en de BES-eilanden ook geen goed doet. Ik heb dus mijn bedenkingen bij die Rijksvertegenwoordiger, maar ik vind het eigenlijk belangrijker wat het bestuur op de eilanden zelf ervan vindt en hoe die wordt ervaren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Er zijn geen overige interrupties, dus dan geef ik het woord aan mevrouw Dijk voor haar inbreng. U heeft daarvoor vijf minuten.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Voorzitter, dank u wel. Bon dia en good morning voor de mensen op de eilanden en goedemiddag voor de mensen hier en de kijkers thuis. Tot vorig jaar was ik zelf raadslid en onderdeel van de lokale politiek. Dat was een eervolle taak, want dan ben je bezig met de dingen die ertoe doen voor je stad. Het is heel erg belangrijk dat je, als je lokaal bezig bent, goede ondersteuning hebt om die belangrijke taak uit te voeren. Daarom ben ik blij dat we vandaag de herziening van FinBES bespreken. Er is al een aantal goede dingen gezegd, maar ik zal braaf mijn eigen spreektekst delen. Ik vind het namelijk wel leuk om mijn standpunten te delen.
Ik heb het al gehoord bij de andere collega's: het aantal zetels is niet evenredig aan Europees Nederland en de bordjes van de eilandsraadsleden liggen overvol. Daarom is het goed dat met de voorliggende wet het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden stapsgewijs wordt verhoogd. Wat D66 betreft is dit comply or explain zoals het hoort. Mensen op Bonaire, Statia en Saba hebben net zo veel recht om vertegenwoordigd te worden in de lokale politiek als bijvoorbeeld de mensen in mijn woonplaats Delft. Het biedt meer ruimte aan de vertegenwoordiging van minderheden en meer uitvoeringskracht. Wij hebben het in de commissie vaker gehad over de uitvoeringskracht. Daarom is dit een goed onderdeel.
Voorzitter. Zelf heb ik ook mogen ervaren dat het goed kunnen uitvoeren van je werk als volksvertegenwoordiger niet alleen gaat om de grootte van de raad of je fractie, maar voor een groot deel ook om de juiste ondersteuning. Wat doe je als je nieuw bent? Bij wie kun je terecht met al je vragen? Dat is ook een voorbehoud dat Bonaire noemt in zijn reactie. Hier gaat het kabinet ook concreet op in door in te zetten op aanvullende maatregelen zoals trainingen, versterking van het kantoor van de griffier en het bevorderen van het burgerschapsonderwijs. Collega's hebben het ook al gevraagd, maar ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris dit concreet gaat invullen. Eigenlijk ben ik ook benieuwd of de middelen en het budget daarvoor toereikend genoeg zijn. Kunnen er combinaties worden gemaakt met Europees Nederland, bijvoorbeeld met trainingen?
Dan wil ik nog vragen stellen over de volmacht. Waar het verkiezingsseizoen in Nederland gelukkig weer is gaan liggen, gaan de mensen op Bonaire, Saba en Statia op 17 maart 2027 naar de stembus om nieuwe eilandsraadsleden te kiezen. Terugkijkend naar de vorige verkiezingen, maak ik me zorgen over het mogelijk ronselen van volmachten. In 2023 werd op Statia 36,7% van de stemmen uitgebracht per volmacht. Ter vergelijking: in Nederland ligt dat meestal tussen de 8% en 12%. Dit ging bovendien gepaard met meerdere meldingen van fraude, wat destijds reden genoeg was voor de regeringscommissaris om aan de bel te trekken.
Ook een waarnemersdelegatie van de Organisatie van Amerikaanse Staten, de OAS, adviseerde na de verkiezingen om het stemmen per volmacht in Caribisch Nederland verder aan banden te leggen. Die wees expliciet op het hogere percentage volmachten en de risico's op misbruik, en adviseerde om maximaal één volmacht per persoon toe te staan. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris daartegenover staat en of we naar één volmacht per persoon gaan. Daarnaast ben ik benieuwd of hij de signalen herkent van de OAS-delegatie.
Tot zover. Dat was mijn inbreng. Dank u wel.
De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Den Hollander. U heeft eveneens vijf minuten.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik neem aan dat ik al die extra minuten ook kan gebruiken, of niet?
De voorzitter:
Ik denk dat u het wel binnen de vijf minuten houdt.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dan ga ik gauw beginnen.
Voorzitter. De bijzondere gemeenten Bonaire, Sint-Eustatius en Saba kennen grote uitdagingen op het gebied van infrastructuur, volkshuisvesting, connectiviteit, klimaatbescherming en een gezonde leefomgeving. Deze woorden heb ik van de week ook al uitgesproken bij het BES-debat, maar het is goed om daar nog een keer aandacht voor te vragen. Tegelijkertijd is er geconstateerd dat het financieel beheer van Bonaire nog steeds te wensen overlaat en dat op alle eilanden in het Caribisch gebied nog veel te winnen is qua integriteit van bestuur en bestuurlijke verhoudingen. Om al deze uitdagingen het hoofd te bieden is een daadkrachtig en slagvaardig bestuur nodig op de eilanden. Het is in onze ogen dan ook goed dat er wordt gewerkt aan herziening van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en de Wet financiën openbare lichamen. Onderdeel van deze wet was het verhogen van het aantal eilandsraadsleden en het aantal eilandgedeputeerden. Gezien het urgente karakter van die specifieke vraag en het feit dat de behandeling van de WolBES en de FinBES langer op zich laat wachten, is de VVD van mening dat het verstandig is om, vooruitlopend op de genoemde wetgeving, de omvang van de eilandsbesturen te vergroten met de Verhogingswet, zodat per 2027 een eerste stap naar uitbreiding van het aantal eilandsraadsleden kan worden gezet.
In het kader van comply or explain is niet uit te leggen dat de verhouding totaal zoek is. Dat punt laat ik even zitten, want dat is net al voorgerekend door een aantal voorgangers van mij, die zeiden dat het echt enorm uit de pas loopt met Europees Nederland. Het is wel goed dat dit stapsgewijs plaatsvindt, om te voorkomen dat je hier ineens een enorm grote vernieuwingsslag krijgt. Daarmee zou je namelijk heel veel onrust kunnen veroorzaken.
Ik wil wel kort aandacht vragen voor het aantal eilandgedeputeerden. In de gemeenten van Europees Nederland is er via de Gemeentewet een directe relatie tussen het aantal wethouders en het aantal raadsleden. Volgens de Gemeentewet mag het aantal wethouders in de gemeenten maximaal 20% van het aantal raadsleden bedragen, met een absoluut minimum van twee. In dit voorstel wordt een afwijking van de Gemeentewet opgenomen wat betreft het aantal eilandgedeputeerden dat er maximaal mag zijn bij een bepaald aantal eilandsraadsleden. Dat is omdat het beter aansluit bij de erkenning van de zwaardere bestuurslast die leidt tot een afwijking van dit stelsel. Maar er zijn ook een heleboel kleine gemeenten in Nederland die een pittige bestuurslast hebben. Kan de staatssecretaris aangeven hoe dit zich verhoudt tot het motto "comply or explain"? Hoe kan deze vergelijking mank gaan bij met name kleinere gemeenten in Europees Nederland, die in sommige gevallen ook te maken hebben met een zware bestuurslast?
Voorzitter. Naast de verhoging van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden worden ook enkele andere belangrijke zaken geregeld met het voorliggende wetsvoorstel. Zo wordt het onder andere mogelijk om deeltijdgedeputeerden aan te stellen, zoals collega Tseggai ook al zei. De verlof- en vervangingsregeling bij zwangerschap, bevalling en ziekte van gedeputeerden wordt ingevoerd. Dat lijkt ons heel passend in de moderne democratie, zoals we ook in de rest van Nederland hebben.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik merk dat ik me toch een beetje stoor aan de eenzijdige uitleg van de VVD van het "comply or explain"-principe. Dat lijkt toch een beetje neer te komen op: de BES-eilanden mogen nooit meer krijgen dan gemeenten in Europees Nederland. Maar ik ken niet zo heel veel gemeenten in Europees Nederland, als ik ze überhaupt al ken — ik ben eigenlijk even aan het nadenken — die eigen vliegvelden hebben en een vuilstort hebben die in de fik staat, om maar even een paar voorbeelden te noemen. Het is dan toch niet zo heel gek dat je zegt: zij mogen iets meer bestuurders dan gemeenten in Europees Nederland, juist om dat daadkrachtige bestuur vorm te geven?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Het was natuurlijk nooit mijn bedoeling om een gevoel van storing te veroorzaken bij mevrouw Tseggai, dus excuses als dat het gevolg was van mijn betoog. Ik zeg ook niet dat het helemaal niet mag, maar ik vind wel dat comply or explain twee kanten opgaat. Je moet het over en weer kunnen uitleggen. Ik hoor juist in deze commissie heel vaak dat er meer geld naar de eilanden moet, dat er van alles meer moet, terwijl ik denk: we moeten ook eerlijk zijn. Het zijn ook gewoon gemeenten van Nederland, die een gelijke behandeling verdienen; daar pleiten wij als VVD voor. Maar "gelijk" betekent ook "over en weer". Anders is het niet meer gelijk.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Hoe ziet dat "over en weer" er dan uit bij de VVD? Tot nu toe hoor ik de VVD in ieder debat alleen maar over financiële daadkracht, onafhankelijkheid van de eilanden en bestuurlijke integriteit. Maar ik heb ze nog niet zo heel veel horen zeggen over de achterstand die de Nederlandse overheid creëert op de eilanden, zoals recent benoemd in het rapport van de NCDR. Ik vraag mij dan toch een beetje af hoe die relatie er van twee kanten dan uitziet volgens de VVD.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik denk dat het heel belangrijk is dat je niet meer niet-integere en kwalitatief mindere bestuurders krijgt, maar dat je betere en integere bestuurders krijgt. Als u goed heeft geluisterd in het vorige debat, kon u horen dat juist het gebrek aan integriteit heel erg leidt tot economische malaise en allerlei andere kwetsbaarheden voor de eilanden. Ik denk dat we dus vooral moeten inzetten op een verbetering van het bestuur. Daarbij ben ik best positief over deze verhogingswet; ik zie best veel goede kanten eraan. Maar u mag mij niet kwalijk nemen dat er ook enkele kritische punten van onze kant komen.
De voorzitter:
Dit is uw derde interruptie, mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja, voorzitter. Ik betwijfel ook helemaal niet dat er bestuurlijke problemen zouden kunnen zijn op de BES-eilanden. Ik vind het alleen zo fascinerend dat de VVD in ieder debat in deze commissie altijd alleen maar begint over die financiële onafhankelijkheid en die bestuurlijke integriteit, en dan terloops ook nog even komt met een initiatiefwetsvoorstel, waarin dan staat dat als landen dat willen, zij ook uit het Koninkrijk kunnen stappen. Ik vind het gewoon zo'n fascinerende blik op Koninkrijksrelaties, waarin ik niet echt de tweezijdigheid van het "comply or explain"-principe terugzie. Ik zou de VVD dus willen uitdagen om er wat meer wederkerigheid in terug te laten komen.
De voorzitter:
In principe hoorde ik geen vraag.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik ook niet.
De voorzitter:
Het was een uitdaging, hoor ik mevrouw Tseggai nu zeggen.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Volgens mij proberen wij juist de wederkerigheid beide kanten op goed in te vullen. Maar ik hoorde ook geen vraag, dus ik denk dat ik maar gewoon doorga met het betoog.
De voorzitter:
Ja, gaat u door.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Voorzitter. De huisvesting van de grotere eilandsraden is primair de verantwoordelijkheid van de eilanden zelf. Er worden echter wel middelen vrijgemaakt om de BES-eilanden hierin te ondersteunen. Volgens de BES-eilanden zouden die middelen onvoldoende zijn. Deelt de staatssecretaris met de VVD dat zorgen voor de huisvesting van het bestuur en de raad primair een verantwoordelijkheid is van de eilanden zelf, net als dat het geval is bij de gemeenten in Europees Nederland?
De uitbreiding van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden kost dan uiteraard ook geld. Voor de eilandsraadsleden gaat het om €230.000. Daarnaast acht de regering het redelijk om de BES-eilanden te compenseren voor de verhoging met één eilandgedeputeerde per eiland. Het gaat daarbij nog eens om ongeveer €220.000. Het voorstel om dit via één verhoging te doen, past volgens ons bij de situatie zoals wij die hier kennen. Het is daarmee voor ons een goed voorstel.
Voorzitter. Tot slot hebben we nog enkele algemene vragen aan de staatssecretaris. Rond de zomer van 2026 wordt besloten of de eerste verhoging per maart 2027 haalbaar is. Kan de staatssecretaris aangeven hoe hij in de wedstrijd zit? Is dat inmiddels al wat helderder?
Dan de tweede vraag. Er is al enige tijd sprake van weerstand uit Caribisch Nederland tegen de verhogingswet. Kan de staatssecretaris toelichten hoe een en ander op dit moment wordt ervaren? Hij is daar immers zelf geweest. Wat zijn de laatste geluiden van de eilanden?
Met het voorliggende amendement van het lid Ceder wordt de evaluatie wettelijk verankerd. We zijn benieuwd of de staatssecretaris dit een verbetering van het wetsvoorstel vindt en hoe de eilanden daar dan weer tegen aankijken.
Voorzitter, tot slot. Er zijn met de eilanden afspraken gemaakt over de ondersteuning bij de implementatie, zoals mevrouw Dijk net al zei. Kan de staatssecretaris kort toelichten waaruit die ondersteuning exact bestaat? Hoe verhoudt die zich tot de ondersteuning die geboden wordt bij de verhoging van het aantal raadsleden in Europees Nederland of bij bijvoorbeeld de vierjaarlijkse gemeenteraadsverkiezingen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. U was ook binnen de tijd. Tot slot geef ik het woord aan de heer Vlottes voor zijn inbreng.
De heer Vlottes (PVV):
Veel dank, voorzitter. Ik maak graag gebruik van de marge die voorgaande sprekers mogelijk hebben overgelaten.
Voorzitter. Het uitbreiden van het aantal eilandsraadsleden en -gedeputeerden was onderdeel van een groter pakket; voorgaande sprekers hadden het er al over. De nu aankomende wijzigingen zien vooral op de FinBES en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Met het oog op de verkiezingen heeft de staatssecretaris haast en heeft hij besloten om dit wetsvoorstel apart te behandelen en de uitbreiding niet pas in te laten gaan bij de verkiezingen van 2031, maar al bij de verkiezingen van 2027.
Voorzitter. Dit leidt gelijk tot de eerste vraag: waarom? Waarom deze haast? Het is niet alsof de bestuurlijke en financiële chaos zoals die op de eilanden heerst met dit wetsvoorstel van vandaag op morgen is opgelost. Die speelt immers al jaren. Maar volgens dit kabinet moet het voorstel nu worden behandeld vanwege de grote opgave en de grotere behoefte aan bestuurskracht, zo kunnen we lezen in de memorie van toelichting.
Nou ja, dan toch even een blik op die omstandigheden. Het probleem zit 'm namelijk niet in het gebrek aan hippe Haagse termen zoals "bestuurskracht", maar in de manier en de mate van besturen. De eilanden van Caribisch Nederland hebben hun begroting of hun financiën namelijk nog niet eens op orde. In het geval van Bonaire heeft de commissie financieel toezicht meermalen aangegeven dat de begroting nog altijd verre van realistisch is. Op Statia is pas vorig jaar een goedkeurende accountantsverklaring verstrekt en op Saba wordt nog altijd gezocht naar de begrotingsstukken, maar zijn die sinds vorig jaar toch eindelijk eens een keertje aangeleverd.
Voorzitter. Neem ook Selibon. Selibon is een verantwoordelijkheid van het bestuurscollege op Bonaire zelf, maar er gebeurt gewoon niets en dat al vele jaren lang. Ergens eind vorig jaar heeft het bestuurscollege op Bonaire gemeend om 3 miljoen dollar te moeten investeren om de problemen op Selibon op te lossen door middel van trucks, shovels, afvalverwerkers; in ieder geval moet er van alles komen. Deze investering zou dan leiden tot een structureel voordeel van 1,4 miljoen dollar. Ook als woordvoerder Financiën vind ik dat een hele wonderlijke berekening, maar ik zou graag een nadere toelichting van de staatssecretaris horen over hoe dat in elkaar zit. Los daarvan zijn de omstandigheden bij de vuilstortplaats alleen maar erger geworden. En nu is Nederland gevraagd om die verantwoordelijkheid op zich te nemen voor — daar zijn ze weer — de trucks en de shovels. Dat is inmiddels ook toegezegd. Dit wordt dan dus wel de tweede keer in twee jaar tijd dat Nederland ingrijpt. De vorige keer was op grond van taakverwaarlozing, en nu dan om de regie van de vuilstortplaats Selibon dan maar helemaal over te nemen. Oftewel: Nederland staat twee keer voor hetzelfde probleem.
Voorzitter. Dan zijn we er nog niet. Want kennelijk lijkt de overname door Nederland een opmaat naar de resterende verantwoordelijkheden, zoals die nu nog belegd zijn bij de openbare lichamen, de eilanden. Want tijdens het uitje van premier Jetten naar de Cariben heeft de eilandsraad op Bonaire Nederland gevraagd om regie te nemen op in totaal vijf dossiers, waardoor het op dit moment zoeken is met een vergrootglas naar wat er dan nog zoal overblijft voor de eilanden. Op zichzelf kan dat een interessant idee zijn, maar hoe kijkt de staatssecretaris naar deze oproep? En hoe verhoudt zich dit dan tot die zogenaamde enorme opgave en het gebrek aan bestuurskracht, die de aanleiding en de motivatie voor dit wetsvoorstel zouden zijn? Graag een reactie.
Voorzitter. Een ander argument dat wordt aangedragen voor dit wetsvoorstel om het aantal eilandsraadsleden uit te breiden, is een betere weerspiegeling van de politieke overtuigingen van de bevolking. Maar terugblikkend op de afgelopen jaren, zien we toch vooral twee dingen: chaos en veel van hetzelfde. Ik geef even een kleine samenvatting: op Saba is er al jaren een absolute meerderheid van één partij ongeacht de zeer hoge opkomstcijfers van zo'n 90%. Op Statia werd de partij die deel uitmaakte van de coalitie, die er ook al jarenlang zat, door Nederland in 2018 naar huis gestuurd vanwege grove taakverwaarlozing. Met als gevolg: bij de daaropvolgende verkiezingen werd diezelfde partij tot twee keer toe met absolute meerderheid verkozen. Op Bonaire wordt het dan helemaal bont: daar heeft de coalitie de afgelopen twaalf jaar maar één keer de termijn volgemaakt, en die kwam ook steeds weer in dezelfde samenstelling terug. Sinds eind 2023 zou er dan een nieuwe coalitie zijn, van één partij met twee afsplitsers, maar ook deze coalitie is per 1 april 2026 vervangen door diezelfde partijen die er al jarenlang zitten. Kortom, ook hiervan komt voor nieuwe partijen niets terecht. In de praktijk komen dan ook vooral dezelfde partijen weer terug.
Voorzitter. Dan nog een puntje over de gedeputeerden en de deeltijdgedeputeerden. De PVV-fractie heeft gelezen dat het uitbreiden van het aantal eilandgedeputeerden oorspronkelijk vooral een verzoek was van de bestuurscolleges zelf. Kan de staatssecretaris hierop reageren? Oftewel: ook op de eilanden staat de deur altijd open voor een mooi baantje. Alsof dat nog niet genoeg is, wordt met dit wetsvoorstel ook nog eens toegestaan om deeltijdgedeputeerden mogelijk te maken. Wat de PVV-fractie betreft, voeren de gedeputeerden al bar weinig uit en zijn het vooral hangmatgedeputeerden. Het enige wat je materieel gaat wijzigen met de deeltijdgedeputeerden is dat je een soort deeltijdhangmatgedeputeerden gaat krijgen. Dat is niet wat we moeten willen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik wil een punt van orde maken. Ik vind het eigenlijk niet zo netjes om lokale bestuurders als "hangmatgedeputeerden" weg te zetten.
De voorzitter:
Dank u wel voor dit punt. Het is zo dat wij in deze Kamer niet over de woorden van andere Kamerleden gaan, helaas. U heeft er een notitie van gemaakt. Ik nodig de heer Vlottes uit om zijn inbreng te vervolgen. U zit al een beetje op uw eindtijd, dus ik vraag me af hoelang ...
De heer Vlottes (PVV):
Ik heb nog drie zinnen en dan ben ik er. We zijn er bijna.
De voorzitter:
Oké, prima.
De heer Vlottes (PVV):
Nogmaals, ik ga over mijn eigen woorden; u zei dat heel terecht, voorzitter. Als ik meen de bestuurders daar "hangmatgedeputeerden" te moeten noemen, dan noem ik ze nog altijd "hangmatgedeputeerden".
Voorzitter, afrondend; daar zijn we al! Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het uitbreiden van de eilandsraden, zoals eerder besproken, de problemen op de eilanden ook maar op enige manier zal gaan verbeteren. Er verandert immers al jaren niks op de eilanden. Als het moeilijk wordt, wordt er nog altijd naar Nederland gewezen, en naar de daaropvolgende zak geld.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Ik zie een aantal interrupties. Ik begin met de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Begin dit jaar zijn we met een Kamerdelegatie op reis geweest. De heer Vlottes was daarbij. Ik weet niet of dat een zakenreis was of een tripje; ik weet niet hoe hij dat zelf inschat. Toen zijn we in gesprek geweest, in ieder geval in het Caribische deel. Daar zagen we dat Nederland, of het nou om de CAS-landen gaat of om de BES, wel degelijk iets van verantwoordelijkheid heeft, alleen al omdat we als Tweede Kamer ook verantwoordelijk zijn voor wat daar gebeurt. Ik vroeg mij het volgende af. Ik ga ervan uit dat de heer Vlottes gaat proberen om dit wetsvoorstel weg te stemmen. Maar welke alternatieven of welk plan ziet hij dan wél? We weten dat de heer Wilders voorheen heeft aangeboden om de eilanden voor €1 op Marktplaats te zetten. Ik denk dat we die fase inmiddels voorbij zijn. Tenminste, ik zie de heer Vlottes kijken alsof ik te snel een conclusie trek. Maar wat stelt u dan wel voor voor de verkiezingen van volgend jaar? Ik ben benieuwd wat volgens de PVV de oplossing is van de situatie die u schetst.
De heer Vlottes (PVV):
Een heel verhaal. Om te beginnen: ik was er inderdaad bij en de heer Ceder was er ook bij. Dat was in de CAS-landen, zoals de heer Ceder ook zei. Dat is ook het eerste dat mij is geleerd: die moet je zeker niet op één hoop gooien met de eilanden, zoals die nu zijn. Die fungeren in ons Koninkrijk namelijk als openbaar lichaam. Dan zijn de landen toch echt wel van een hele andere orde. Die moeten dat vooral echt zelf uitzoeken. Ze moeten wel nog even de leningen terugbetalen die wij nog steeds voor hen financieren en ook blijven financieren.
De heer Ceder verwees naar het Marktplaatsverhaal. Ja, ja, €1 ... Dat is nog best een hoge opbrengst, denk ik. Maar los daarvan: ik ben hier niet om de oplossing aan te dragen. Dat is vooral aan het kabinet. Ik constateer dat er bar weinig van terechtkomt. De CAS-landen schuif ik even terzijde, maar bij de openbare lichamen zie ik dat er gewoon bar weinig van terecht komt. Dat is al jarenlang zo. We draaien met z'n allen in een rondje, met name in deze commissie. We kunnen met z'n allen wel in de kumbayamodus zitten en hopen dat we het allemaal wel gaan oplossen met een zak geld, maar daar lijkt het in ieder geval niet op. Ik meen ook dat Bonaire heeft aangegeven op nog een vijftal dossiers toch heel graag hulp te willen; ik heb daar ook aan gerefereerd in mijn spreektekst. Dan heb ik het echt over grote thema's, zoals huisvesting en voedselzekerheid. Dat betreft de rijksverantwoordelijkheid van Nederland. Ik zie een interessante gedachte, maar ik zou wel graag van de staatssecretaris willen weten hoe dat eruit zou moeten gaan zien.
De voorzitter:
Heeft u nog een vervolginterruptie, meneer Ceder?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, eigenlijk wel. Ik ben na de reactie van de heer Vlottes benieuwd naar het PVV-standpunt ten aanzien van de openbare lichamen. We hebben hiervoor een kabinet gehad, het kabinet-Schoof, met een PVV-minister die verantwoordelijk was voor de BES en die volgens mij ook een wat constructievere houding had aangenomen; tenminste, dat dacht ik. Maar goed, we bevinden ons nu in een nieuwe periode. Toen ik verwees naar de opmerking van de heer Wilders over de eilanden voor een euro op Marktplaats zetten, maakte u de opmerking — ik parafraseer misschien — dat een euro misschien zelfs te veel verwacht is qua opbrengst. Begrijp ik het goed dat de PVV dus wil dat Bonaire, Statia en Saba geen onderdeel meer zijn van dit Koninkrijk? Ik ben gewoon even benieuwd naar uw standpunt, want dat lijkt verschoven te zijn ten opzichte van het afgelopen jaar.
De heer Vlottes (PVV):
Nee, niet eens zozeer. Nee, helemaal niet. Nogmaals — ik herhaal weer — ik heb in mijn tekst duidelijk aangegeven dat ook de BES-eilanden zélf nu aangeven dat er behoefte is aan rijksverantwoordelijkheid op een aantal hele grote thema's, waarvan je toch inmiddels zou verwachten … Ik noem toch maar weer eventjes Selibon. Dat was primair de verantwoordelijkheid van Bonaire zelf. Daar is niks van terechtgekomen. Woningmarkt, onderwijshuisvesting, voedselzekerheid: dat zijn verantwoordelijkheden van Bonaire zelf. Er komt niks van terecht. Dan komen ze wel terug met: nou, misschien moet er rijksverantwoordelijkheid worden genomen; misschien moet het Rijk dat allemaal maar van ons overnemen. Nou, dat kan best een hele interessante gedachte zijn, maar dan hebben ze natuurlijk ook niks meer te zeggen; dat is natuurlijk evident.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga het toch proberen, want de PVV is een grote partij en heeft volgens mij ook wat stemmen op de eilanden gehaald. Ik ben gewoon benieuwd naar uw standpunt. Aan de ene kant zegt u dat u geen afstand neemt van het voorstel van de heer Wilders om de eilanden voor een euro op Marktplaats te zetten, dus er eigenlijk afstand van te doen. Aan de andere kant pleit u ervoor om alle regie van de eilanden zelf terug over te hevelen naar Nederland, waardoor ze direct onder de Tweede Kamer zouden vallen. Ik weet niet precies wat u bedoelt. Zou u eens kunnen toelichten wat het standpunt van de PVV is ten aanzien van Bonaire, Statia en Saba de komende jaren? Volgens mij lijken die twee dingen namelijk tegenstrijdig, maar misschien begrijp ik u verkeerd.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder. Ik wil u erop wijzen dat u nog één interruptie heeft.
De heer Vlottes (PVV):
Nogmaals, ik ga mezelf niet herhalen. De BES-eilanden hebben, los van de CAS-landen, zelf aangegeven dat ze meer rijksverantwoordelijkheid willen op een aantal hele grote thema's. Nou, dat kan. Vooralsnog zitten ze in het Koninkrijk. Dat kan, maar ja, dan hebben ze natuurlijk ook helemaal niets meer te vertellen. Maar nogmaals, ik wil ook graag van de staatssecretaris horen hoe hij dat voor zich ziet, want het kan natuurlijk niet zo zijn dat we een zak geld naar voren schuiven en dan denken dat het zich vanzelf wel op gaat lossen, zoals we de afgelopen jaren constant hebben gedaan, want dat gaat dus niet gebeuren.
De voorzitter:
Meneer Ceder, uw laatste interruptie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Even een vraagje: gelden de interrupties ook richting de staatssecretaris of alleen voor de eerste termijn?
De voorzitter:
Voor de eerste termijn.
De heer Ceder (ChristenUnie):
En de heer Vlottes is toch de laatste spreker?
De voorzitter:
Ja.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan gebruik ik mijn laatste interruptie graag voor de laatste spreker! Ik dacht: ik dubbelcheck het even. Ik ga nog een poging doen. Dat doe ik omdat veel mensen kijken en veel mensen erover schrijven. De PVV heeft in het kabinet-Schoof met de heer Szabó een PVV-staatssecretaris gehad, die ook op bezoek is geweest. De heer Vlottes lijkt een standpunt in te nemen dat daar volgens mij in ieder geval van afwijkt. Ik probeer het te begrijpen. Stelt u nou voor dat de eilandsraadsleden en de eilandgedeputeerden buitenspel worden gezet dan wel opgeheven en dat die direct onder toezicht komen van de verantwoordelijke staatssecretaris? Zo nee, waar pleit u dan voor? Ik kan namelijk geen touw vastknopen aan wat uw voorstel is, behalve dan dat u een klaagzang houdt. Ik ben gewoon benieuwd naar de bestuurlijke oplossingen die u heeft. Dus even concreet: u stelt voor de eilandsraden en -gedeputeerden buitenspel te zetten. Vindt u dan dat de eilanden alle drie onder de directe verantwoordelijkheid van staatssecretaris Van der Burg zouden moeten vallen? Of heeft u een ander voorstel?
De heer Vlottes (PVV):
Ik ga nog een keer een bandrecorder meenemen; dan kan ik die hier neerzetten. Nogmaals, de CAS-landen laat ik even voor wat ze zijn. Voor wat betreft de BES-eilanden: de openbare lichamen hebben aangegeven dat ze meer rijksverantwoordelijkheid willen op een aantal hele grote thema's. Dat is een interessante gedachte. Daar heb ik ook naar verwezen in mijn tekst. Ik wil graag weten hoe de staatssecretaris daarover denkt. En ja, het zou kunnen. Maar ja, dan hebben ze natuurlijk ook helemaal niets meer te vertellen. Dat is natuurlijk logisch. Op het moment dat een ander dan Nederland zegt "wij bepalen", dan heb je natuurlijk als openbaar lichaam ook helemaal niets meer te vertellen; dat is logisch. Maar ik herhaal mijzelf.
De voorzitter:
Ik zag een interruptie van mevrouw Tseggai en volgens mij ook van mevrouw Dijk. Ik geef eerst het woord aan mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Als de heer Vlottes hier een bandrecorder zou neerzetten, zou dat al meer inbreng van de PVV zijn dan de afgelopen tijd in deze commissie. Maar leuk dat hij er vandaag wel is. De heer Vlottes heeft het erover dat als de eilanden onder de verantwoordelijkheid van Nederland zouden vallen, ze dan ook niks meer te vertellen hebben. Pleit hij er dan voor dat de inwoners van de eilanden ook geen stemrecht meer hebben?
De heer Vlottes (PVV):
Nogmaals, ik hoor heel graag hoe de staatssecretaris dat precies vorm zou willen geven. En nogmaals, dit is ook een verzoek dat vanuit, in dit geval, Bonaire komt. Bonaire heeft daartoe opgeroepen en heeft gezegd: wij willen meer rijksverantwoordelijkheid op de grote thema's die er spelen. Overigens is dit ook de basis van dit wetsvoorstel. Op basis van al die verantwoordelijkheden moet het aantal eilandsraadsleden en gedeputeerden uitgebreid worden. Ik wacht dus graag de staatssecretaris af.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het een beetje vervelend, want mijn interruptie vervalt nu terwijl ik op mijn vraag aan de PVV geen antwoord heb gekregen.
De voorzitter:
Zo gaat het soms in de commissie. U heeft nog één interruptie. Ik weet niet of u hier een vervolginterruptie aan wil plakken?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag is eigenlijk gewoon: pleit de PVV hier nu voor een soort terugkeer van het kolonialisme, waarbij de BES-eilanden weer onder de verantwoordelijkheid van Nederland vallen en ze vervolgens niks meer te zeggen hebben? Dat werd hier namelijk net gezegd. Daarom vraag ik aan de PVV: wat bedoelt u nu eigenlijk, wat stelt u nu voor? Het is een beetje jammer dat — de heer Vlottes kijkt nu verontwaardigd — ik geen antwoord krijg op mijn vraag. Ik vraag me gewoon af wat de PVV nu eigenlijk precies voorstelt.
De heer Vlottes (PVV):
Dan zou ik tegen mevrouw Tseggai willen zeggen: in plaats van een verwijzing te maken naar mijn al dan niet aanwezigheid, pak dan toch maar die bandrecorder. Dat lijkt mij beter, want dan kan ze het nog eens herluisteren en kan ze het nog tien keer nog een keer beluisteren. Misschien helpt haar dat in haar begrip.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Ik heb geluisterd naar het betoog van meneer Vlottes. Ik was gewoon benieuwd naar het volgende. Het gaat veel over wat er niet goed gaat, maar ik ben benieuwd of er volgens de PVV dingen wél goed gaan. Kan daar een reactie op komen?
De heer Vlottes (PVV):
Poeh, dat is een hele algemene vraag. Ik zou zeggen: met het aantreden van dit kabinet-Jetten eigenlijk helemaal niets. Het gaat alleen maar slechter. Om het dan maar op de ABC-eilanden te betrekken: het is er mooi weer.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Volgens mij hebben we het over de BES-eilanden. Maar ik denk dat ik het hierbij laat. Laten we de sfeer gewoon plezierig houden.
De voorzitter:
O, de heer Tijs van den Brink heeft ook nog een interruptie.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Een van de argumenten van meneer Vlottes om tegen de uitbreiding van het aantal eilandsraadsleden te zijn is dat de samenstelling van de eilandsraden niet veranderd is. Wilt u democratie afhankelijk maken van de uitkomst?
De heer Vlottes (PVV):
Nee, in het geheel niet. Het is meer om aan te tonen — dat is eigenlijk ook de argumentatie in de memorie van toelichting; ik ben ervan overtuigd dat het CDA die ook heeft gelezen — dat de bestuurskracht versterkt moet worden. Maar je ziet gewoon een bepaalde continuïteit, ook in relatie tot de opkomstcijfers en het aantal kiesgerechtigden. Daarin zie je een bepaalde continuïteit in de coalitievorming. Ook al mocht er een andere coalitie zijn, dan zie je daar ook weer een verschuiving in komen of zie je dat bestaande coalities, zoals die er al tien jaar zijn, weer terugkomen. Dit was meer gewoon een feitelijke constatering over hoe het de afgelopen jaren is gegaan. En inderdaad, maar dat is meer a contrario met wat de heer Van den Brink zegt, staat deze uitbreiding ook niet gelijk aan meer of minder democratie. Dat was meer de redenering van mijn betoog.
De voorzitter:
Ik zie geen vervolginterruptie. Dan dank ik de Kamerleden voor hun inbreng in deze eerste termijn. Ik schors de vergadering voor twintig minuten, dus dat is tot 15.20 uur. We kijken uit naar de antwoorden van de bewindspersoon straks.
De voorzitter:
Hierbij hervat ik de vergadering. Welkom terug. We gaan verder met dit wetgevingsoverleg. In de eerste termijn van de beantwoording door het kabinet sta ik vijf interrupties toe. Ik kijk ook even hoe het gaat, want we zitten wel ruim in de tijd, zeg ik met enige kans op gevaar. Ik geef nu eerst het woord aan de staatssecretaris Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Staatssecretaris Van der Burg:
Voorzitter, dank. Ik doe eerst de wet, dan de implementatie en dan overig. Dat is de leidraad voor hoe ik mijn verhaal opbouw.
Het was mevrouw Tseggai die er al op wees: het kan verkeren. Drieënhalve maand geleden waren mevrouw Tseggai en ik behoorlijk kritisch richting de toenmalige bewindspersoon. Dat had onder andere te maken met het feit dat de vraag op tafel lag: hoe denken de eilandsraden en de eilandbestuurders hier zelf over? Ik heb in eerdere commissievergaderingen tegen u gezegd dat ik daarom dus ook met de drie eilandsraden en de drie eilandbesturen zou gaan praten om hun mening daarover te horen. Dat heb ik zowel digitaal gedaan alsook toen ik op de eilanden was, in de informele settings die ik toen met een aantal mensen heb gehad. Het was onder andere de heer Ceder die daarnaar verwees: de eilandsraden geven nu ook aan dat zij willen dat we dit verhaal doorzetten op deze manier. De vorige keer zei ik nog tegen u: "Wilt u alstublieft doorgaan met de schriftelijke voorbereiding? Dan kan ik het eventueel nog intrekken als ik een ander geluid krijg van de eilanden. Zo niet, dan zijn we in ieder geval op tijd." Ik ben in ieder geval blij dat u heeft meegewerkt door hier een WGO van te maken, waardoor wij ervoor kunnen zorgen dat dit op tijd door de Tweede en de Eerste Kamer kan en deze wet volgend jaar kan ingaan. In tegenstelling tot in Europees Nederland, waar de verkiezingen dit jaar waren, zijn de verkiezingen op Bonaire, Statia en Saba namelijk volgend jaar.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende, zijn er twee belangrijke redenen om deze wet hier nu op tafel te hebben liggen. De ene is door een aantal van u al genoemd: comply or explain oftewel, in normaal Nederlands, voer uit of leg uit. We proberen ervoor te zorgen dat we de 3 zo veel mogelijk laten lijken op de 342 en dat we een goede reden hebben als we dat niet doen, de ene kant op of de andere kant op, zoals mevrouw Den Hollander terecht zegt. We zien in ieder geval dat deze eilanden een substantieel kleinere vertegenwoordiging hebben. De getallen zijn natuurlijk al genoemd door onder andere de heer Ceder. Kijk naar Schiermonnikoog, het kleinste eiland dat we hier hebben, als gemeente. Als je dat vergelijkt met Saba of Statia, dan zie je echt aanmerkelijke verschillen. Dat is één.
De tweede reden raakt een beetje aan wat anderen ook hebben gezegd: de opgaven op die eilanden zijn eerder groter dan kleiner als je ze vergelijkt, voor zover ze bestaan, met die in vergelijkbare gemeentes in Nederland. Dat is niet alleen omdat er geen waterschappen zijn en er geen provinciaal bestuur is, maar ook omdat er omstandigheden zijn die je daar wel hebt en hier niet of omgekeerd. Als hier een kleine gemeente te maken heeft met problematiek, kunnen we behalve gebruikmaken van de kennis van waterschap of provincie ook gebruikmaken van de buren. De buren van Bonaire zijn echter geen gemeentes, maar twee andere landen, en de dichtstbijzijnde buurgemeente ligt gewoon op 900 kilometer afstand. Ook wat betreft allerlei andere voorzieningen woon je hier in de ene gemeente, maar kom je vervolgens te werken in een andere gemeente. Ook dat werkt niet bij deze eilanden. Denk bijvoorbeeld ook aan de ambtelijke capaciteit die op een eiland aanwezig is. Van heel veel gemeentes in Nederland zit de helft of meer van de medewerkers in gemeentes omliggend aan die gemeente. Dat kan daar allemaal niet, want daarvoor zijn de afstanden veel te groot.
Daarnaast heb je de kustlijn; die is al genoemd, ik meen door mevrouw Tseggai. Dat geldt natuurlijk in Nederland voor de zes Waddeneilanden en uiteraard gedeeltelijk voor de kustgemeentes, maar het is toch anders. Er zijn maar weinig gemeentes met een vliegveld, iets wat deze drie gemeentes alle drie kennen, waarbij Bonaire zelfs een vliegveld kent dat nadrukkelijk ook nog groter is. Dat zijn allerlei redenen om te zeggen: we gaan dit op een vergelijkbare manier uitvoeren met elkaar. Daarom ligt dit voorstel hier nu.
Voorzitter. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. We weten hoe de PVV gebekt is, maar ik heb me toch buitengewoon gestoord aan de bijdrage van de PVV. Ik kan me niet voorstellen dat als diezelfde bijdrage was geleverd over bijvoorbeeld drie eilanden in Europees Nederland, dan niet de pleuris in het land was uitgebroken over wat daarin was weergegeven. Er wordt gesproken over "hangmatgedeputeerden" of mensen die de kantjes er maar vanaf lopen en op zoek zijn naar "baantjes". Ik zou u graag wijzen op de periode 2023-2025 en het aantal PVV-Kamerleden met meerdere baantjes in de politiek, of op het aantal Provinciale Statenleden dat tevens gemeenteraadslid is. Wees dus terughoudend als je een balk in je eigen oog hebt, om het te hebben over mogelijke splinters bij een ander.
Voorzitter. U zult zien dat ik in mijn bijdrage verder niet al te veel inhoudelijk inga op de bijdrage van de PVV, niet omdat ik niet wil ingaan op bijdragen — ik ga op iedereen in, ongeacht het standpunt dat wordt ingenomen — maar omdat het onderwerp van vandaag de uitbreidingswet is. Een aantal andere zaken die door de PVV aan de orde zijn gesteld, zijn de afgelopen tijd aan de orde geweest in de debatten waarin we daar met elkaar over hebben gesproken, maar toen kon of wilde de heer Vlottes daar niet bij zijn. Verder begreep ik uit zijn bijdrage dat de heer Vlottes bij de IPKO-bijeenkomst op Aruba was, dus ik neem aan dat hij komende zaterdag ook bij de IPKO-bijeenkomst in de Eerste Kamer is. Daar kunnen we verder stilstaan bij een aantal zaken op het moment dat ik daar in gesprek ga met de IPKO-mensen.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende …
De heer Vlottes (PVV):
Ik twijfel even; ik denk dat het een punt van orde is, maar ik ga ervan uit dat de vragen die ik heb gesteld, natuurlijk gewoon beantwoord worden. Dat de staatssecretaris meent dat ergens anders te moeten doen of al dan niet ergens anders te hebben moeten gedaan, dat mag de staatssecretaris vinden; waarvan akte. Ik ga ervan uit dat de concrete vragen die ik heb gesteld, worden beantwoord. Maar daarvoor kijk ik de voorzitter ook even aan, of die daar wel op let. Ik heb namelijk hele concrete vragen gesteld. Misschien heeft de staatssecretaris dat niet begrepen, maar ik ben ervan overtuigd dat zijn ambtelijke ondersteuning heeft meegeschreven.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Vlottes. We houden het in de gaten; dat kan ik hierop antwoorden.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik houd het toch bij het onderwerp van dit debat. Dit debat gaat over de uitbreidingswet. Bovendien wil ik ook niet in herhaling treden, want dan steel ik tijd van al die mensen die wel de moeite hebben genomen om de afgelopen keren bij de debatten aanwezig te zijn.
Dat gezegd hebbende, begin ik met de vraag van onder anderen mevrouw Den Hollander en mevrouw Tseggai over hoe de eilanden tegen de verhogingswet aankijken. Ik heb al aangegeven dat verschillende eilanden nu hebben aangegeven door te willen gaan. Ik kom hier zo nog op terug, want er zijn wel vragen gesteld en opmerkingen gemaakt over de ondersteuning.
Mevrouw Den Hollander vroeg ook hoe het aantal gedeputeerden zich tot de comply or explain verhoudt. We kiezen hier namelijk voor een andere systematiek. Doordat we voor die andere systematiek kiezen, zo zei mevrouw Den Hollander terecht, kan het zijn dat het aantal iets hoger uitkomt dan bij het aantal wethouders. Dat klopt, alleen zit daarin de uniciteit van het feit dat we hier te maken hebben met bestuurders die geen waterschappen of provinciale bestuurders hebben op wie zij kunnen terugvallen en die meer verantwoordelijkheid hebben aangaande zaken die in een andere gemeente vaak bij andere organen belegd zijn.
"De verhoging van het aantal eilandgedeputeerden was oorspronkelijk het verzoek van het College zelf." Is dat zo, vroeg de heer Vlottes. Ja. Alle Bestuurscolleges en eilandsraadsleden hebben herhaaldelijk aangegeven dat die behoefte er is.
Is de eerste verhoging per de verkiezingen van 2027 haalbaar, vroeg mevrouw Den Hollander. Ja, u werkt daar buitengewoon goed aan mee middels dit WGO. Uiteraard hangt dit wel af van de Eerste Kamer. Ik heb geen reden om aan te nemen dat het bij de Eerste Kamer niet zou lukken, maar u weet: de Tweede Kamer gaat niet over de agendering in de Eerste Kamer en het tempo dat men daarbij hanteert.
De heer Vlottes vroeg ook: waarom haast maken met dit wetsvoorstel? Dit voorstel is inderdaad gelicht uit de afspraken die in 2024 door mijn voor-voor-voorganger zijn gemaakt, om ervoor te zorgen dat het in 2027 kan worden gerealiseerd; dat is ook al gezegd door de heer Ceder. Je ziet bijvoorbeeld bij de WolBES en de FinBES dat we het kunnen laten doen en dat het vervolgens kan worden ingevoerd wanneer het kan worden ingevoerd. Maar als het gaat om de verkiezingen, dan is het 2027 of 2031 en kun je niet tussendoor nog wat doen.
Ik zie uw hand bij de microfoon, voorzitter, en daarom ben ik geneigd nu te zwijgen.
De voorzitter:
Dank u wel daarvoor, want ik zag dat meneer Ceder een interruptie heeft.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Die gaat over het volgende punt. Fijn dat we dit nu doen met elkaar. De staatssecretaris heeft gelijk dat de Eerste Kamer er ook nog een ei over moet leggen. Kan de staatssecretaris aangeven wat de uiterlijke datum zou zijn om volgend jaar nog een ordentelijke verkiezing te kunnen organiseren? Kan hij toezeggen dat hij, in ieder geval binnen zijn macht, probeert om bijvoorbeeld via een briefje naar de Tweede of Eerste Kamer aan te geven aan de verantwoordelijke commissies wat de uiterlijke datum zou moeten zijn, willen we in 2027 nog een verkiezing op die eilanden organiseren? Volgens mij is dat in ieder geval de wens van de mensen daar.
De voorzitter:
Ik kijk naar de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van der Burg:
Eind oktober. Doordat u het nu bespreekt en aangezien de amendementen waarschijnlijk volgende week in stemming komen, wordt er over twee weken in de Tweede Kamer over de wet gestemd. Wij kunnen die dan voor het reces naar de Eerste Kamer sturen. Dat zou dan voor eind oktober moeten lukken, met de kanttekening dat ik niet over de agenda van de Eerste Kamer ga. Uiteraard zal ik daar wel hetzelfde proberen te doen als wat ik met u heb gedaan. Waarom zou men daar niet doen wat u hier heeft gedaan?
Dan het wettelijk verankeren van die evaluatie. Ik vind het niet nodig, maar het kan natuurlijk wel. Ik maak daarbij wel de kanttekening dat tijdens die bijeenkomst in 2024 nadrukkelijk door twee van de drie is gevraagd om die evaluatie, niet door de derde. Op het moment dat u het in de wet opneemt, dan gaat het ook voor Sint-Eustatius gelden. Het geldt namelijk voor alle drie, of het geldt voor niemand. Daarom denk ik dat je het niet zou moeten doen, maar het is uiteraard aan de Kamer om te bepalen of u die wettelijke verankering wel wilt opnemen. Dat geldt dan alleen ook voor Statia. We hebben dus eigenlijk niet iets niet gedaan bij Statia, maar iets extra's gedaan voor Bonaire en Saba. Dat is ook meteen een antwoord op de vragen van de heren Van den Brink en Ceder op dit punt.
Als we dan kijken naar het amendement van de heer Ceder, zeg ik: het kan wat de heer Ceder doet, maar het geldt dan wel voor alle drie. Dat gezegd hebbende, laat ik het oordeel aan de Kamer als het gaat om het amendement-Ceder op stuk nr. 11 over evaluatie en stapsgewijze inwerkingtreding.
Uiteraard kom ik later in mijn verhaal natuurlijk nog terug op het andere amendement, zeg ik tegen de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank in ieder geval dat u het oordeel aan de Kamer overlaat. Dit heeft volgens mij wel een technisch gevolg, namelijk dat als er in het geval van Statia geen evaluatie komt, wij als Kamer onvoldoende inzicht hebben in de gevolgen van die eerste verhoging, zowel positief als negatief. Kan de staatssecretaris schetsen wat de gevolgen zijn als we wel doorgaan met die stapsgewijze verhogingen zonder evaluatie? Is het inderdaad mogelijk dat daar onwenselijkheden in zitten waar de Kamer en ook de eilandsraadsleden dan pas later van op de hoogte worden gesteld? Je kunt hier juist op bijsturen. Een evaluatie is geen inperking van de soevereiniteit van de eilandsraden, maar geeft ons als Kamerleden wel de mogelijkheid om al dan niet gewenst bij te sturen, mocht uit de evaluatie blijken dat er onwenselijkheden zijn.
Staatssecretaris Van der Burg:
We hebben het hier natuurlijk wel over een wet die Bonaire — laat ik daarmee beginnen — gelijktrekt met Bunschoten, om bij het voorbeeld van de heer Ceder te blijven en zijn vergelijking door te trekken. Ik zou niet kunnen bedenken waarom wij nu zeggen: op Bonaire kan men het niet met net zo veel vertegenwoordigers af als in Bunschoten; in Bunschoten kan dat wel. We doen het alleen stapsgewijs, zodat het niet in één keer een heel groot aantal is met de verkiezingen, die al volgend jaar zijn. Ik zei net al dat de wet, als het goed is, in oktober rond is. Dan gaat die een halfjaar later dus al in. Dat is een best korte tijd. Ik kom zo meteen nog op de implementatie terug. Maar dat is dus de reden dat we het stapsgewijs doen. Idealiter zou je zeggen: waarom zou je niet in 2027 al Bonaire gelijktrekken met Bunschoten? Dat doen we niet, omdat de stappen daarvoor te groot zijn. Dat is waar de spanning zit. Dan hebben we het bovendien sec over de uitbreiding. Alle andere zaken, bijvoorbeeld of er genoeg training en van alles en nog wat is gegeven, of er andere dingen zijn geregeld, kunnen we namelijk in de WolBES en de FinBES aan de orde stellen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De staatssecretaris schetst de wet zoals ik 'm ook graag zou willen zien, namelijk dat het aantal stapsgewijs verhoogd wordt. Maar volgens mij maakt de systematiek zoals die is opgeschreven in de wet het ook mogelijk dat de verhoging niet doorgaat. Tenminste, die optie wordt geboden in de wet. Dat zou ik er liever niet in willen hebben, maar zo wordt het wel geformuleerd. Dan is het toch logisch om, alvorens men tot dergelijke rigoureuze stappen komt, met elkaar te kijken — dat hoeft geen gigantische evaluatie te zijn — waar we staan in relatie tot niet alleen de verhoging, maar ook de randzaken. U heeft gelijk dat dat ook op andere manieren geregeld kan worden, maar dit is een goed toetsingsmoment. Kunt u aangeven waarom het wel mogelijk zou zijn om die verhoging niet voort te zetten? Volgens mij biedt de wet namelijk de mogelijkheid om die te blokkeren.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja, dat klopt. Alleen is het eindbeeld wat mij betreft wel het eindbeeld, want ook als je kritisch kijkt naar het functioneren van een raad, of dat nou op Bonaire, Statia of Saba is, of in een van de 342 gemeentes in Europees Nederland, is de conclusie niet dat we dan het aantal raadsleden verminderen of op een bepaald niveau houden. Dat is indirect ook meteen een antwoord aan de heer Vlottes. Het gaat er heel nadrukkelijk om hoe we ervoor zorgen dat het democratisch proces goed kan functioneren. Als dat niet goed gaat, moet je kijken hoe je dat kunt verbeteren, maar wel binnen de context dat iedere burger van Nederland zich op dezelfde wijze gerepresenteerd moet zien en altijd binnen de context van het minimale en maximale aantal raadsleden dat in de wet staat genoemd.
De voorzitter:
Sorry, staatssecretaris, ik zie ook een interruptie van de heer Van den Brink.
Staatssecretaris Van der Burg:
Daar hoeft u geen sorry voor te zeggen, voorzitter; hoe meer interrupties, hoe beter.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Even voor mijn begrip: is de enige reden dat die evaluatie niet in de wet verankerd wordt, dat u Statia de gelegenheid wilt geven om de evaluatie niet uit te voeren?
Staatssecretaris Van der Burg:
Er is in 2024 door die andere twee om gevraagd, vandaar dat die door mijn voorganger in de wet is opgenomen. Er is door Statia niet om gevraagd; dat is de reden dat het niet gebeurd is. Nogmaals, daarom zeg ik ook: u kunt dit doen, maar omdat u het dan in de wet opneemt, geldt het wel voor alle drie en niet voor twee van de drie. Besef dat u dat dan ook voor Statia doet en niet alleen voor Bonaire en Saba. Ik heb net ook op die manier gereageerd op de woorden van de heer Ceder, maar ook op die van een aantal anderen.
Voorzitter, ik ga door met de implementatie. Daar zijn door verschillende mensen vragen over gesteld, onder anderen door mevrouw Den Hollander. Er komt een ondersteuningsprogramma voor politieke gezagsdragers, er komt een oriëntatieprogramma voor aspirant-politici, er komt een impuls aan burgerschapsonderwijs op scholen, er komen uiteraard financiële middelen voor de ondersteuning en een adviesaanvraag bij het ARPA. Daar kom ik zo nog even op terug in het kader van het amendement van de heer Ceder. We kijken ook naar de huisvestingsgevolgen.
Mevrouw Den Hollander vroeg ook hoe zich dat verhoudt tot wat er in Nederland gebeurt. Ik noem dit even als voorbeeld: ik ben oud genoeg om als raadslid te hebben meegemaakt dat we in 2002 overstapten van het monistisch stelsel naar het dualistisch stelsel, waarmee gemeenteraden fors werden uitgebreid. Dat had allerlei gevolgen voor die gemeenteraden. Toen is er dus ook — we spraken toen nog in guldens — 33 miljoen gulden toegevoegd aan de uitkeringen aan de gemeentes, om de kosten voor gemeentes te vergoeden die het gevolg waren van uitbreidingsbesluiten door ons, omdat bijvoorbeeld raadszalen moesten worden uitgebreid, de bankjes voor de wethouders moesten worden uitgebreid, et cetera et cetera. Dat is in die zin dus vergelijkbaar met wat hier gebeurt. Het is anders dan bij gemeentelijke fusies, waardoor je ook grotere aantallen kunt krijgen.
De heer Van den Brink stelde nog een specifieke vraag over de ondersteuning met training et cetera. We zijn daarmee gestart. Ik zeg "we", maar als ik spreek over 2025, dan begrijpt u dat dat "we" weinig persoonlijk "we" en veel staatsrechtelijk "we" was. De uitvoering is gestart via de beroepsverenigingen die er zijn om gezagsdragers, eilandsecretarissen en eilandgriffiers verder te professionaliseren. Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters, de Wethoudersvereniging, de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, de Vereniging van Gemeentesecretarissen en de Vereniging van Griffiers hebben daar een rol in gespeeld. Al die programma's lopen in het najaar af. Wat mij betreft gaan we die meerjarig verlengen, want straks moet je ook werken in de nieuwe situatie, dus dan heb je ze ook nog in de periode 2027-2031, zodat je die eerste vier jaar, ten behoeve van een evaluatie in twee van de drie of drie van de drie — dat is aan u — kunt meenemen.
Verder zijn we nu ook bezig, samen met ProDemos en het Nederlands Instituut voor Meerpartijendemocratie, om te kijken naar de aanwas. Daarin zien we hele mooie resultaten. Meer dan honderd mensen hebben zich daarvoor aangemeld. Op Bonaire werd zelfs de sluitingsdatum van de inschrijving iets vervroegd, omdat het helemaal vol zat. Het is buitengewoon mooi dat dat heeft kunnen gebeuren.
De heer Ceder vroeg nog nadrukkelijk: is er een beeld van initiatieven rond de VNG? Ja, dat is er zeker. Ik noemde het net al, meneer Ceder. Dat doen we samen met de verschillende beroepsverenigingen, met de onderdelen die je daarvoor binnen de VNG hebt. De samenwerking met de VNG loopt ook nog eens via de Caribendesk van de VNG.
Mevrouw Den Hollander en de heer Ceder vroegen nog specifiek naar de huisvesting: is dat een primaire taak van de eilanden? Ja, net als van de 342 gemeentes hier. Als de gemeenteraad besluit — dat is toevallig net in mijn eigen gemeente Amsterdam gebeurd — om het gemeentehuis weer eens te vertimmeren, dan zeg ik: dat mag, gemeenteraad; daar heeft u een eigen budget voor. Je gaat er zelf over of je een nieuw gemeentehuis wilt bouwen et cetera. Daar ga je zelf over. Daar ben je zelf voor verantwoordelijk. Dat zijn echt de autonome keuzes die horen bij de gemeentes en dus ook bij de drie eilandsraden. Die keuzes maken ze zelf. Maar als het gaat om iets specifieks wat vanuit ons in wetgeving wordt neergelegd, dan spelen wij daar dus een bijzondere rol in.
De heer Ceder en ook anderen vroegen hoe het nu staat met die huisvesting. We zijn nog steeds in gesprek, dus er is nog geen eenduidig idee over hoe nu wat te gaan doen. Duidelijk is het volgende. We hadden daar drie ton voor uitgetrokken. Dat was ook wel enigszins krap begroot aan onze kant, dus daar moet ook wel ruimte aan mijn kant in zitten, maar we zijn nog met de verschillende besturen in gesprek om te kijken hoe dat op een goede manier kan worden gerealiseerd.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dit is een van de grote zorgen onder de eilandsraadsleden en dat snap ik ook wel: als je opeens heel veel extra raadsleden hebt maar nog hetzelfde gebouw hebt, dan wordt dat krap. Ik ben ook in de raadshuizen geweest. Ik wil gewoon dat het goed loopt voordat er verkiezingen zijn geweest, dus ik snap dat de staatssecretaris in overleg is. Mijn vraag is of de staatssecretaris in ieder geval kan toezeggen om duidelijk te maken wanneer daar knopen over worden doorgehakt, misschien ook bij beslissingen over de extra middelen die misschien nodig zouden zijn, en kan toezeggen de Kamer daarover te informeren. Ik heb wel behoefte aan die toezegging. Een verkiezing is namelijk leuk, maar als er vervolgens gedoe ontstaat over de vraag vanuit welke plek ze hun democratische taak kunnen vervullen, is die duidelijkheid, denk ik, het halve werk.
Staatssecretaris Van der Burg:
Dit ben ik uiteraard met de heer Ceder eens. Ik zei net: als dit eind oktober door de Eerste Kamer zou komen, moet men daar ook meteen aan de slag en dan heeft men op dat moment ook duidelijkheid nodig over de gelden et cetera. Ik zal u daar dus uiteraard over informeren en ik zal dit ook actief meenemen in mijn eventuele debat met de Eerste Kamer op dit specifieke punt, maar voor die tijd hoort de heer Ceder het natuurlijk samen met de Eerste Kamer. Dit is een toezegging, dus vóór het Eerste Kamerdebat.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een verhelderende vraag: voor het Eerste Kamerdebat komt de staatssecretaris dus terug op de financiën en de financiële impact van dit wetsvoorstel en op de vraag hoe hij dat gaat oplossen?
De voorzitter:
Ik kijk naar de staatssecretaris. Volgens mij is dat correct.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja.
Wanneer komt de in De Bilt overeengekomen substantiële verhoging van de bezoldiging voor de politie in de BES-eilanden? Dat was een vraag van de heer Ceder. Daar ligt natuurlijk meteen een link met zijn tweede amendement, een amendement dat ik zeer ernstig ontraad. Ik zei het met een glimlach, meneer Ceder, maar ik meen het wel serieus. Ik hoop echt dat dit amendement überhaupt niet in stemming wordt gebracht, maar als dat wel zo mocht zijn, dan hoop ik echt dat het amendement niet aan een meerderheid wordt geholpen door de rest van de Kamer. Eén: het past fundamenteel niet bij een wet als deze dat je die koppelt aan inkomen. Dat zijn echt twee verschillende zaken. Twee: als u dat doet, dan ontstaat ook meteen een buitengewoon groot risico, van bijna 100%, dat daarmee de wet ook niet in werking kan treden bij de aankomende verkiezingen. Dat zou ik in ieder geval toch niet willen. Bovendien is het niet voor niets dat wij niet hebben gezegd dat wij die inkomens op die eilanden gelijktrekken aan inkomens in Nederland, maar dat wij daarvoor een onderzoek hebben gevraagd. Wij hebben dat onderzoek gevraagd omdat er grote verschillen zijn. Ik noem maar even wat zaken waar je naar moet kijken. Je moet kijken naar de dollarkoers versus de euro, want wij spreken hier veelal ook over andere munteenheden. Je moet het hebben over de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden, want die zijn feitelijk anders, bijvoorbeeld omdat er geen waterschap is en omdat er geen provincie is. Het gaat over het feit dat je dus veel minder hulpstructuren hebt. Het gaat over het gemiddeld inkomen daar versus het gemiddeld inkomen hier. Dus het lijkt mij zeer goed dat wij een onafhankelijk onderzoek hebben gevraagd dat juist specifiek hiernaar kijkt. Voor de helderheid hebben we aan het Adviescollege Rechtspositie Politieke Ambtsdrager gevraagd om daar advies over te geven. Zij zijn onafhankelijk. Ik kan ze dus ook niet zeggen: hup, hup, boys and girls, morgenochtend wil ik het hebben. Vandaar dat ik zeg: doe dit niet middels een amendement, want daarmee loop je de kans dat je het proces frustreert en dat is zeker niet de bedoeling van de heer Ceder. Zodra ik het advies heb, neem ik zo snel mogelijk een besluit. Dan is niet zozeer de heer Ceder als wel de griffier van deze commissie de eerste die het hoort, maar u, meneer Ceder, vrij vlak daarna.
De voorzitter:
Voor een interruptie geef ik eerst het woord aan de heer Ceder, en daarna aan mevrouw Tseggai.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het is natuurlijk geenszins mijn bedoeling om de impact van dit wetsvoorstel te vertragen; integendeel zelfs: ik hoop juist dat de staatssecretaris hierdoor gedwongen wordt om dat zo snel mogelijk te gaan regelen op het moment dat dat advies er ligt. Daarom heb ik die ook met elkaar verknoopt. Wat ik níét zou willen, en dat is een zorg die in ieder geval eerder door de eilandsraden of een deel daarvan is uitgesproken, is dat we wél dit gaan doen, maar dat het kabinet gewoon niet over de brug komt met de afspraken waarvan het logisch is dat je die gelijktijdig of in de buurt van elkaar doorvoert. Ik ben bereid om deze wetswijziging niet in stemming te laten brengen, want voor mij is het doel belangrijker dan dat het in de wet komt. Maar ik vraag mij wel het volgende af. Ik vind het iets te vrijblijvend dat de minister aangeeft dat er een onderzoek plaatsvindt en hij geen idee heeft wanneer dat eraan komt. Tenminste, wij hebben altijd wel een idee in welk kwartaal zoiets komt. Ik vraag mij af of de minister daar iets meer over zou kunnen vertellen. En als hij dat niet weet, kan hij, de staatssecretaris, dan misschien toezeggen daar zo snel mogelijk op terug te komen?
De voorzitter:
U zei twee keer "minister".
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb de heer Van der Burg zeer hoog zitten.
Staatssecretaris Van der Burg:
"What's in a name? That which we call a rose by any other name would smell as sweet." Dus het maakt niet uit hoe je me noemt, ik weet dat het over mij gaat. Dat gezegd hebbende: ik weet het nu niet, omdat het ARPA dat zelf kan beslissen en niet van mij een opdracht kan krijgen. Ik zal ernaar informeren; dan laat ik het weten. Maar laat er geen misverstand over zijn, meneer Ceder: zodra het advies er is, ga ik ermee aan de gang. Daarbij is het grote voordeel van zoiets als dit dat je het altijd kunt aanpassen en niet gebonden bent aan de cycli die je wel hebt bij de raadsverkiezingen. Dat is het grote verschil.
De voorzitter:
Meneer Ceder, u bent door uw interrupties heen. Maar ik ben soepel, want we hebben nog wat tijd. Daarna is er ook nog een interruptie van mevrouw Tseggai.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Fijn, voorzitter. Dit wil ik niet als interruptie rekenen, maar gezien het antwoord van de staatssecretaris ga ik ervan uit dat het een toezegging is dat hij ons informeert over wanneer het ARPA denkt met het advies te komen. Ik snap dat de staatssecretaris geen opdracht kan geven. Ik wil het wel noteren, zodat ook voor de eilanden duidelijk is aan welk tijdskader we zitten te denken. Ik zou het amendement dan willen intrekken, omdat dit volgens mij een doel is dat ik hoopte te bewerkstelligen.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van der Burg:
Zeker mag u dat noteren als een toezegging, want het was een toezegging.
De voorzitter:
Prima. Dan staat die zo genoteerd.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Hoewel ik het waardeer dat de staatssecretaris hier twee toezeggingen doet over de financiële implicaties van het wetvoorstel, maar ook van het uitbreiden van het aantal eilandsraadsledenvergoedingen, merk ik wel dat ik het lastig vind dat we deze informatie nog niet hebben als we dit wetsvoorstel in stemming brengen. Voor mijn fractie is het wel vrij voorwaardelijk dat de financiële implicaties van dit wetsvoorstel duidelijk zijn, in ieder geval als het gaat over de drie ton die eigenlijk te krap begroot was. Ik zou niet willen dat we hier een wet door de Kamer laten gaan waarvan de gevolgen eigenlijk niet kunnen worden betaald door de eilanden. Daarbovenop vind ik het jammer dat de heer Ceder zijn amendement intrekt, maar daarvan snap ik nog dat het misschien iets later zou kunnen. Langzaamaan worden het voor mij wel veel financiële haken en ogen, merk ik.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik herken niet wat mevrouw Tseggai zegt. Ten eerste, als het gaat om het laatste punt, dus het amendement: de beloning van Kamerleden is echt volstrekt onafhankelijk van de vraag of het er 150 zijn of 145 of 155. Datzelfde geldt voor de beloning van gemeenteraadsleden, eilandsraadsleden et cetera. Dat zijn twee volstrekt gescheiden trajecten. In die zin is het in mijn ogen — maar dat zal u niet verbazen — volstrekt terecht dat de heer Ceder zegt: oké, ik doe die even apart. Even voor de helderheid: ik heb daarvan al gezegd dat zodra ik van het ARPA het advies heb gekregen, ik dat snel omzet in mijn besluitvorming en ik er daarmee dus bij u op terugkom. Als het gaat om de huisvesting, is die drie ton sowieso geregeld. Dan hebben we het overigens al over dit jaar. Dat is sowieso geen punt van discussie, want dit jaar moeten er al zaken in gang worden gezet. Dat geld is er dus gewoon. Dat kwam vanuit de vrije uitkering BES, die gewoon beschikbaar is. Als dat meer moet worden, ga ik dat ook gewoon regelen. Daarvoor kom ik ook niet bij u met begrotingswijzigingen; dat is niet nodig. Dat gaan we dus gewoon oplossen met elkaar.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Mag ik dat dan als de volgende toezegging zien? Als de drie ton die begroot is, niet genoeg is, lost de staatssecretaris dat hoe dan ook op zonder begrotingswijziging et cetera. Hij staat er dus voor dat de eilanden genoeg geld hebben om de uitbreiding van de eilandsraadsleden goed te faciliteren en uit te voeren.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja, met één kleine kanttekening: er kan altijd discussie zijn over wat ik genoeg vind en wat een eilandsraadslid vindt dat genoeg is, zoals u en ik ook weleens van mening kunnen verschillen over de vraag of iets genoeg is of omhoog of omlaag moet. Maar op basis van de gesprekken die hebben plaatsgevonden, zal ik duidelijk maken — ik kan u alvast zeggen dat het meer wordt dan die drie ton — wat we gaan doen per eiland. Daarvan kunnen ze het ook doen.
De voorzitter:
Dank u. U kunt door met de beantwoording.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja, voorzitter. Dan ga ik naar mevrouw Dijk. Herken ik de signalen van de OAS-delegatie over het stemmen bij volmacht? Ja, ik herken die signalen, want er wordt door sommige organen zeer kritisch gekeken naar het volmachtsysteem zoals we dat in Nederland kennen. Tegelijkertijd beperkt zich dat niet tot alleen Bonaire, Statia en Saba. We hebben zelfs nog een herstemming gehad in een gemeente in Nederland. Als je al zou willen komen tot aanpassing van de wet, zou je dus moeten zeggen: bij 341 gemeenten is het 2, en in 3 eilandraden en 1 gemeente in Nederland is het 1, als je het al zou willen. Het is veel beter om te kijken naar waar de minister mee bezig is. De onderwerpen volmacht en stemmen vallen niet onder mij. Die vallen onder de minister van Binnenlandse Zaken. Die is aan het kijken hoe wij om moeten gaan met de eventuele aanpassing van de Kieswet. Hier geldt dat we hier hetzelfde doen als bij die andere 342; hier geldt comply or explain. Als de minister van BZK dan vervolgens op grond van evaluaties tot veranderingen in de Kieswet aangaande het volmachtverhaal komt — of hij nu van twee naar zeven gaat of van twee naar één — dan volgen wij daarin ook gewoon de lijn van de minister van BZK. Althans, dat zou dan mijn gedachte zijn. Uiteindelijk beslist u over wetswijzigingen. Wij volgen daarin de minister en zijn voorstellen, want dan hebben we comply or explain ook gehanteerd. Ik zie niet in waarom we Bonaire, Statia en Saba op dit punt anders zouden moeten behandelen dan gemeenten in Nederland. Ik kan u ook in Nederland voorbeelden noemen waarbij mensen zeiden: klopt het wel hoe daar is omgegaan met volmachten? Er is nog een verschil tussen vragen hebben over volmachten en dusdanig zware bedenkingen hebben dat je verkiezingen over moet doen zoals in Gorinchem is gebeurd, of, nog verdergaand, bewezen fraude, wat bij deze eilanden niet aan de orde was.
De stand van zaken van de Herzieningswet; ik zou bijna zeggen: wie heeft er niet naar gevraagd? De heer Van den Brink was wel het meest duidelijk: is 2029 nog steeds het streven of kan het zelfs 2028 worden? Het is mijn planning om rond de zomer naar de Raad van State te gaan. Ik lig daarvoor ook op schema. Daarna duurt het advies van de Raad van State ongeveer drie maanden. Ook daarvoor geldt, misschien nog wel sterker dan bij het antwoord van zojuist over het ARPA, dat ik daar natuurlijk niet over ga, maar dat de Raad van State daarin volstrekt onafhankelijk is. Daarna hangt het er natuurlijk van af wat we terugkrijgen. Wordt het een dictum a of b of wordt het een dictum c of d? Dat beïnvloedt natuurlijk ook heel erg het proces daarna. Vervolgens stuur ik het naar u. Het ligt voor de hand dat dat het eerste kwartaal van 2027 is. Ook dan hangt het er weer van af wat u ermee gaat doen. Theoretisch gesproken is 1 januari 2028 dus mogelijk: als de Raad van State applaudisseert, u de wave inzet en de Eerste Kamer die afmaakt. Maar het kan zijn dat 1 januari 2028 daardoor niet wordt gehaald en dan wordt het 1 januari 2029.
De heer Vlottes stelde nog een vraag over type IV en de andere onderwerpen van het bestuursakkoord van Bonaire. Dat zijn grotendeels vragen die niets te maken hebben met het onderwerp dat vandaag aan de orde is. Daar kun je nog een hoop discussie over hebben met elkaar, maar de vraag over het overstappen naar type IV is ook echt gesteld aan de verkeerde staatssecretaris. Dat is namelijk geen besluit geweest van mij, maar van de staatssecretaris van IenW. Die vraag hoort dus echt thuis bij een andere staatssecretaris, net zo goed als u mij van alles en nog wat kan vragen over heel veel andere onderwerpen waar ik niet over ga.
Dan tot slot nog twee dingen, voorzitter, die aan elkaar gekoppeld zijn. Verschillende mensen, waaronder Ceder en Tseggai, hebben gevraagd hoe het staat met de uitvoering van de afsprakenlijst uit De Bilt. Veel afspraken zijn natuurlijk al uitgevoerd. We komen nog terug op een aantal zaken in het kader van de WolBES en de FinBES. Die gaan natuurlijk richting u komen. Uiteraard is deze wet ook een uitvoering van de afspraken die zijn gemaakt in De Bilt.
Er springt wel één ding uit. Dat is de Rijksvertegenwoordiger, want in 2024 is afgesproken om te stoppen met de Rijksvertegenwoordiger. Even los van het feit dat de huidige wet nog uitgaat van een Rijksvertegenwoordiger en dat ik vind dat zolang de huidige wet geldt, er sowieso sprake moet zijn van een Rijksvertegenwoordiger — dat is tenslotte de huidige wet zoals die er ligt, dus daar heb je je aan te houden — is dit een punt van twijfel; zo noem ik het nog maar eventjes, al was het maar om de simpele reden dat ik daarover nog de discussie binnen het kabinet moet aangaan. Als ik al moet kiezen welke kant die twijfel op valt, ben ik op dit moment eerder geneigd de Dijkdoctrine te volgen dan te zeggen: we stoppen ermee. Dat heeft enerzijds heel nadrukkelijk te maken met het feit dat we hebben gezien dat de Rijksvertegenwoordiger echt een rol kan spelen bij moeilijke dossiers, zoals Selibon. Dat werd genoemd door onder anderen de heer Vlottes en mevrouw Dijk zelf. Anderzijds missen we hier natuurlijk gewoon een aantal organen die we wel hebben in Europees Nederland. Denk even aan een dijkgraaf en aan een commissaris van de Koning. Die kunnen wel degelijk ook een rol spelen.
Tot slot, voorzitter. Hoe je het wendt of keert: de drie eilanden liggen toch — ik rond even af — 8.000 kilometer verderop. Dat brengt natuurlijk geen mentale en digitale afstand met zich mee, want afspraken zijn vanavond nog gewoon in mijn agenda te zetten, maar het feit dat de afstand groot is, bemoeilijkt wel een aantal processen. Ik doe hier dus nog geen ultieme uitspraken, want die komen gewoon terug zodra ik de wet naar de Kamer stuur, maar dit is er wel eentje waar de twijfel neigt naar kijken of we dingen toch anders moeten doen dan tot nu toe gezegd.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik moest even achter mijn oren krabben, zo van: wat is nou de Dijkdoctrine? Maar als we hiermee bedoelen dat mevrouw Heera Dijk in de historie bekend zal staan als degene die de Rijksvertegenwoordiger behouden heeft, dan is dat in ieder geval genoteerd voor de notulen.
Het is eerlijk van de staatssecretaris dat hij twijfelt en zegt dat dit in het kabinet besproken moet worden. Kijk, ik probeer eraan te refereren dat er al afspraken zijn gemaakt. U kent de broze relatie tussen de eilanden en het kabinet wat betreft de afspraken die de afgelopen zestien jaar zijn gemaakt. U heeft ook gelijk — dat heb ik ook genoemd — dat de lagen die wij kennen, zoals de dijkgraaf et cetera die u noemde, daar bekend worden. Ik vraag mij toch wel af of de staatssecretaris, voordat hij definitief een besluit neemt bij de behandeling van de WolBES en FinBES, kan toezeggen opnieuw dat gesprek aan te gaan met de eilandsraden, waarvan een aantal ook in samenstelling veranderd is. Wil hij kijken of modernisering of juist een afbakening van taken wenselijk is als die vorm behouden zou worden, of dat zij juist vinden dat het niet zo zou moeten? Mijn vraag is of de staatssecretaris kan toezeggen dat gesprek aan te gaan alvorens we de behandeling hier doen. Ik zou het namelijk ingewikkeld vinden om, lijnrecht tegen die afspraken in, hier dat voorstel te moeten behandelen.
De voorzitter:
Er is nog een interruptie van mevrouw Den Hollander, maar ik geef eerst het woord aan de staatssecretaris, zodat hij de vraag van de heer Ceder kan beantwoorden.
Staatssecretaris Van der Burg:
Formeel is de consultatie al geweest, maar het lijkt me goed dat ik voor deze wet hetzelfde doe als ik voor de wet die we vandaag bespreken heb gedaan. Dat heb ik toen ook gedaan. Ik kan me ook heel goed voorstellen dat we daarmee — de opmerking over de Dijkdoctrine was natuurlijk een grapje richting mevrouw Dijk — de Dijkdoctrine in ieder geval amenderen, zou ik zeggen, middels het verbale amendement van de heer Ceder, want dan kunnen we het ook over modernisering hebben. Nou, nu blijf ik weer even weg bij de grapjes. Het lijkt mij goed dat we dit specifieke punt gewoon ook even op dezelfde manier doen als we met deze wet hebben gedaan. Ik doe dus een rondje langs de velden. Dat mag u noteren als toezegging, voorzitter.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Fijn, maar voor mij is de tijdlijn wel belangrijk. Wanneer komt de uitkomst daarvan naar de Kamer?
De voorzitter:
Ik was nog even met de griffier in gesprek over de toezegging, want in principe noteert de griffier alleen de toegezegde brieven. U kunt namelijk altijd terugvallen op het verslag van deze commissie. Staatssecretaris, de heer Ceder vraagt dus bij dezen om een brief. Kunt u die toezeggen?
Staatssecretaris Van der Burg:
Dat wilde ik al gaan toezeggen, want ik dacht: dan los ik uw probleem ook op.
De voorzitter:
Mooi. En een tijdlijn.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik ga kort na de zomer dit gesprek met die drie aan en dan koppel ik het daarna middels een brief terug aan de heer Ceder. Daarmee is het een officiële toezegging geworden volgens de voorzittersdoctrine.
De voorzitter:
Dank u wel. Er was eerst een interruptie van mevrouw Den Hollander, mevrouw Tseggai. O, u heeft een punt van orde.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Als we het dan nu toch over brieven hebben, dan zou ik het ook wel fijn vinden als de staatssecretaris per brief terug zou kunnen komen op die drie ton, hoe het daarmee loopt en of dat goed is afgelopen, ter geruststelling van mij. De staatssecretaris lacht, maar ik vind dat wel echt heel belangrijk. Ik zou dat dus prettig vinden.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik snap deze vraag. We moeten ervoor oppassen dat bij alles wat ik zeg, wordt gezegd: schrijf het nog even op in een brief. We gaan het binnenkort in een andere commissie hebben over slagvaardige overheid en hoe we met minder ambtenaren hetzelfde werk moeten gaan doen. Dat gezegd hebbende, zeg ik op deze vraag van mevrouw Tseggai graag ja.
De voorzitter:
Oké, dat staat dus ook genoteerd als terugkoppeling vanuit de staatssecretaris door middel van een brief. Dan had mevrouw Den Hollander ook nog een interruptie.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik ga nog heel even terug naar de wet zelf. Ik wil het even hebben over het aantal eilandgedeputeerden. Ik heb in de tussentijd artikel 38 van de wet erbij gezocht om te zien hoe het ook alweer bedacht is. Het is zo onlogisch. Het aantal raadsleden bepaalt het aantal eilandgedeputeerden; dat is logisch. Ik begrijp ook dat het iets meer moet zijn dan hier. Maar als we naar de deeltijdgedeputeerden kijken, zien we dat er een andere verhouding en een ander aantal raadsleden wordt aangehouden. Voor fulltime geldt: 15 tot 21 raadsleden geeft 3 tot 5 gedeputeerden. Voor deeltijdgedeputeerden is er een onderscheid. Daar gaat het over 19 tot 21 eilandsraadsleden en dan is 23 weer een andere categorie. Waarom wordt het zo complex gemaakt? Waarom wordt er niet gewoon een bepaalde factor aan opgehangen, net zoals in Nederland? Dan kan je met deeltijd met meer mensen hetzelfde werk invullen. Hier wordt daadwerkelijk ruimte geschapen om 10% extra kosten te maken bij deeltijdgedeputeerden. Waarom maken we het zo complex en wordt er niet gewoon een vaste verhouding aangehouden?
De voorzitter:
De staatssecretaris. Er is ook nog een tweede termijn.
Staatssecretaris Van der Burg:
Dat heeft er natuurlijk mee te maken dat de besturen op de drie eilanden, zowel vanwege de letterlijke ligging … Er zijn namelijk geen buren in de buurt op wie je kunt terugvallen. Wij bevinden ons 8.000 kilometer verderop. Ik noem ook het feit dat je geen provinciebestuur en geen waterschapsbestuur hebt. Dat maakt dat we dit hebben gezegd. Daarmee geven we iets meer ruimte aan het aantal bestuurders. Dat is de gedachte hierachter.
Op het deeltijdverhaal zal ik even in de tweede termijn terugkomen. Dan wil ik het onderscheid tussen de optelsom "geheel" en de optelsom "gedeeltelijk" goed op een rij hebben.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Het gaat me niet om het totaal aantal fte, want zo doen we dat natuurlijk in Nederland, maar om de systematiek waarmee gerekend wordt en om de onverklaarbare verschillen tussen de berekening met deeltijd en de berekening met voltijd. Het gaat om de berekening, niet eens om de uitkomst.
Staatssecretaris Van der Burg:
Dat doe ik even in de tweede termijn.
De voorzitter:
U bent door uw beantwoording heen. Dat is mooi. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van het kabinet.
Dan gaan we nu naar de tweede termijn van de Kamer. Als iedereen er klaar voor is, geef ik allereerst het woord aan het lid Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Fijn dat we dit debat vlot hebben kunnen voeren. Het is, denk ik, belangrijk dat de verkiezingen gewoon doorgaan. Het is belangrijk dat we ervoor zorgen dat het aantal eilandsraadsleden op niveau is en dat we daar een belangrijke stap in maken. Nogmaals dank voor het werk dat de staatssecretaris daarin heeft verzet.
Ten aanzien van de financiën merkte u wat twijfel bij mij, maar ik heb er vertrouwen in dat de staatssecretaris het gesprek aangaat en dat hij doet wat nodig is. Om die reden — dat heb ik net al aangegeven, maar dat doe ik nu officieel — trek ik mijn amendement ten aanzien van de bezoldiging in. Ik weet even niet het stuknummer uit mijn hoofd. Het amendement op stuk nr. 7, hoor ik.
De voorzitter :
Het amendement-Ceder (stuk nr. 7) is ingetrokken.
Ik stel vast dat daarmee wordt ingestemd.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het amendement op stuk nr. 11, over de evaluatie, laat ik staan. De situatie dat alleen Statia niet zou evalueren maar de andere eilanden wel, vind ik onlogisch. Ik denk dat het belangrijk is dat we dat openbaar met elkaar kunnen bespreken en dat we kunnen tweaken wanneer dat nodig is. Ik handhaaf dat amendement dus. Ik ben blij met de appreciatie "oordeel Kamer". Ik hoop dat de Kamerleden het belangrijk vinden om transparantie en duidelijkheid te krijgen, zodat we kunnen bijsturen indien nodig. Het uiteindelijke doel is uiteraard dat de trapsgewijze verhoging gewoon doorgaat, zoals de staatssecretaris ook graag wil.
Ik ben ook blij met de toezeggingen.
Ik heb nog twee moties om als Kamer het een en ander richting te geven.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor een goed functionerend bestuur van de openbare lichamen adequate en voldoende ondersteuning en goede huisvesting randvoorwaardelijk zijn;
overwegende dat hierover afspraken zijn gemaakt tijdens de werkconferentie, maar dat onduidelijk is hoe invulling gegeven wordt aan deze afspraken;
verzoekt de regering concrete afspraken over ondersteuning en huisvesting te maken, en de Kamer over de uitkomsten en resultaten hiervan te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Tseggai.
Zij krijgt nr. 12 (36867) (#1).
De heer Ceder (ChristenUnie):
De motie is medeondertekend door mevrouw Tseggai. Als er nog anderen zijn, hoor ik dat graag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er met de Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden nog niet voldaan is aan de tijdens de werkconferentie gemaakte afspraken over verhoging van de bezoldiging van eilandsraadsleden en -gedeputeerden;
verzoekt de regering het advies van het ARPA inzake het bezoldigingsniveau van politieke gezagsdragers van de BES spoedig en met een positieve grondhouding in behandeling te nemen en daarbij rekening te houden met de gemaakte afspraken tijdens de werkconferentie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Tseggai.
Zij krijgt nr. 13 (36867) (#2).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik mag uw naam toch ook onder deze motie zetten, mevrouw Tseggai?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja, hoor.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel. Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. We hebben genoteerd dat het amendement op stuk nr. 7 in ieder geval is ingetrokken. Ik geef het woord aan de heer Tijs van den Brink voor zijn inbreng in de tweede termijn.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik kan het kort houden, want mijn vragen zijn naar tevredenheid beantwoord. Dank daarvoor, zeg ik tegen de staatssecretaris.
Ik heb de neiging om mee te gaan met het amendement van de heer Ceder over evaluatie als het enige argument van de staatssecretaris om het niet te doen, is dat dit nou eenmaal zo is afgesproken met Statia. Het lijkt mij goed om dit soort dingen te evalueren en daarna tot een vervolg te komen.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor zijn beantwoording. De gedane toezeggingen, zeker die over de financiën, stellen mijn fractie echt gerust, dus ook dank daarvoor. Maar ik heb niet voor niets de moties van de heer Ceder — ik zou willen zeggen "ter plekke", maar eigenlijk was het digitaal — meeondertekend: het lijkt me wel goed om nog wat richting te geven en ook om door te gaan met dat proces over de andere afspraken die gemaakt zijn.
Ik hoop ook echt dat we dit in de toekomst niet meer op deze manier doen. Ik hoop dat als we dan een pakket aan afspraken maken, we niet eenzijdig een bepaalde wet versnellen of eruit lichten. Ik hoop dat de staatssecretaris hier eens op kan reflecteren. Dat hoeft niet per se nu, maar kan misschien in zijn vrije tijd. Het mag ook wél nu, maar ik hoop dat de staatssecretaris er nog eens goed over nadenkt.
Als laatste wil ik zeggen dat ook wij het amendement van de heer Ceder wat betreft de wetsevaluatie zullen steunen, want het lijkt mij raar om op een van de eilanden niet te evalueren.
Daar houd ik het bij, voorzitter. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Dijk.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Voorzitter, dank. Dank voor de beantwoording, ook die over de volmacht. Ik zie het graag tegemoet.
Verder heb ik niet zoveel. Misschien ga ik ook wel mee met het amendement, als "Dijkdoctrine". Maar dank voor de toezegging.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Voorzitter. Geen aanvullende vragen meer naast de vraag die nog openstaat over de complexe berekening van het aantal gedeputeerden.
Ik hoor de heer Ceder nu vragen of wij meegaan met zijn amendement. Dat gaan we eerst even bekijken, meneer Ceder.
De voorzitter:
Dank u wel. Tot slot de heer Vlottes.
De heer Vlottes (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Dank ook voor de beantwoording tot zover.
Ik heb nog twee puntjes. De staatssecretaris refereerde eraan dat het type IV-besluit ook aan de staatssecretaris van IenW is. Dit ziet op de situatie met Selibon, maar ik stelde mijn vraag ook in relatie met de brief en het verzoek van Bonaire voor die andere beleidsterreinen. Ik snap dat de staatssecretaris van VRO en die van LVVN en dergelijke er ook wat van vinden, maar ik vraag mij af of de staatssecretaris, die zelf verklaarde een pain in the ass te zullen zijn voor het Koninkrijk en de eilanden op andere beleidsterreinen, er nog wat over kan vinden.
Mijn tweede puntje ziet op de deeltijdgedeputeerde. De staatssecretaris gaf in zijn beantwoording aan dat vooral belangenverenigingen zoals de VNG en de Wethoudersvereniging er uitvoerig bij zijn betrokken. Maar dat vind ik juist zo opmerkelijk, want de Wethoudersvereniging zelf heeft aangegeven, zoals we vorige week hebben kunnen lezen in in ieder geval het AD, dat wethouder in deeltijd zijn eigenlijk haast ondoenlijk is, vanwege de complexiteit en moeilijkheid van het wethouderschap. Met dit wetsvoorstel zou de staatssecretaris dan ingaan tegen die trend. Juist gezien de bestuurskracht die nodig is, vraag ik mij af waarom dan toch die beweging wordt gemaakt naar een deeltijdgedeputeerde. Je zou toch zeggen dat we dan juist alleen maar moeten inzetten op voltijdgedeputeerden.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank aan de Kamerleden voor de inbreng in de tweede termijn. We zijn ook aan het einde gekomen van de tweede termijn van de Kamerleden en gaan over tot de beantwoording door de staatssecretaris. Ik kijk even of hij meteen door wil gaan of misschien even vijf minuten wil schorsen.
Staatssecretaris Van der Burg:
Op zich kan ik meteen door, voorzitter. Ik heb alleen de teksten nog niet voor me.
De voorzitter:
Oké. Dan wachten we daar gewoon op.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik kan wel alvast beginnen met de beantwoording van de dingen die ik al heb gehad.
Over het amendement-Ceder zei ik al wat in de eerste termijn. Dank overigens dat het andere amendement is ingetrokken. Het eerste amendement van de heer Ceder krijgt dus oordeel Kamer.
Dan ga ik even naar de heer Vlottes en zijn twee vragen. De eerste ging over de andere beleidsterreinen. In beginsel is het heel simpel: de verantwoordelijkheden liggen daar waar ze moeten liggen. Dat doen we zo bij gemeentes en dat doen we, in dit geval, ook op deze manier bij openbare lichamen. Wat we niet moeten doen, is een onderscheid maken door te zeggen: voor Bonaire leggen we het meer daar neer en voor Saba en Statia leggen we het op een andere plek neer. Eigenlijk ben ik terughoudend met die vraag vanuit Bonaire. Dat is één.
Twee. De heer Vlottes had een zeer terechte vraag met betrekking tot de deeltijdwethouders dan wel de deeltijdgedeputeerden. Daar gaat de eilandsraad dan wel de gemeenteraad alleen zelf over. Ik heb ook wel een mening, als privépersoon, over of je parttime politicus kunt zijn of niet. Maar de mogelijkheid bestaat voor de 342, en dus ook voor de 3. Dan is het verder aan de raad zelf of ze dat doen, ja of nee. De raad bepaalt zelf maar of ze inderdaad vanaf donderdagmiddag tot zondagochtend mensen niet aanspreken omdat ze parttimer zijn, of hoe ze dat ook regelen. Dat is niet aan mij.
Voorzitter, ik heb nu een antwoord gekregen op de vraag van mevrouw Den Hollander, maar die is zodanig dat ik het nog niet helemaal helder heb. Wat ik wil afspreken, is dat u voor de besluitvorming in de Tweede Kamer daarvoor op schrift — toezegging! — een reactie krijgt, waarin ik het nogmaals op een rijtje zet.
Dat gezegd hebbende, voorzitter, heb ik inmiddels de teksten voor mij. We gaan naar de eerste motie. Nou ja, zal ik het makkelijk maken, voorzitter?
De voorzitter:
Dat is heel fijn, hoor.
Staatssecretaris Van der Burg:
Twee keer oordeel Kamer, voorzitter.
De voorzitter:
Dat is mooi. Dat staat genoteerd. De moties op de stukken nrs. 12 en 13 krijgen allebei oordeel Kamer. Volgens mij stond er nog één vraag open van mevrouw Den Hollander, of heb ik die gemist?
Staatssecretaris Van der Burg:
Daarover heb ik gezegd dat ik die schriftelijk beantwoord vóór de stemmingen.
De voorzitter:
Ja, dat had ik even gemist. Ik zie ook nog een interruptie van de heer Tijs van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb nog één vraag, die waarschijnlijk buiten de orde is. Waarom is het "eilandsraadsleden" en "eilandgedeputeerden"? Weet u dat?
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik heb geen flauw idee.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zou een amendement indienen.
De voorzitter:
Dat is een interessante vraag, meneer Van den Brink.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik hoop niet dat dit de mening van het CDA zodanig verandert dat er een tegenstem volgt.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik sluit het niet uit.
De voorzitter:
Misschien moeten we dat een keer uitzoeken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb een ordevoorstel. Normaal wordt er eerst over de amendementen gestemd en dan over de wet, maar ik denk dat dit amendement heel weinig verandert aan de essentie van de wet en er zit ook spoed op. Ik zou dus eigenlijk willen verzoeken om volgende week dinsdag gewoon over het amendement en dan gelijk over de wet te stemmen.
De voorzitter:
De stemmingen zijn op 9 juni. Ik weet niet of dat kan. Dat moet ik even door de griffier laten uitzoeken. Of kan dat als de commissie het wil? Ik weet niet wat de spelregels zijn. Dat zoeken we dus even uit. Het staat genoteerd.
Staatssecretaris Van der Burg:
Mochten daar mensen over gaan die meeluisteren: het zou het kabinet in ieder geval erg helpen, omdat daarmee de snelheid richting de Eerste Kamer met een week vergroot kan worden.
De voorzitter:
De commissiegriffier gaat het overleggen met de plenaire griffier. U hoort dat dus nog.
Dan zijn we echt aan het einde gekomen van de tweede termijn van dit wetgevingsoverleg. Op 9 juni wordt er gestemd over het wetsvoorstel en de moties.
Ik lees nog even de toezeggingen van de bewindspersoon op. Er ontbreken nog twee toezeggingen, die van mevrouw Tseggai en die van mevrouw Den Hollander. Ik begin met het oplezen van de eerste drie toezeggingen. Wellicht heeft de staatssecretaris de laatste twee ook nog scherp in beeld.
- De staatssecretaris zegt toe om voor het debat in de Eerste Kamer de Kamer nader te informeren over de financiële randvoorwaarden en randafspraken van het wetsvoorstel.
- De staatssecretaris zegt toe de Kamer te informeren over wanneer het ARPA verwacht het advies aan te bieden en de Kamer over dat advies te informeren.
- De staatssecretaris zegt toe het gesprek met de eilanden aan te gaan over de modernisering van de Rijksvertegenwoordiger en de Kamer hierover na de zomer te informeren.
Dan was er nog een toezegging over de gelden, €300.000. Daar hebben we de exacte toezegging nog even voor nodig van de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van der Burg:
Eventjes voor het beeld: zo heb ik het ook gezegd. Ik ga het dus met de eilandsraden op dezelfde manier doen als ik het heb gedaan voor deze wet. Ik ga dat op dezelfde manier vormgeven. Ik zie de heer Ceder nadrukkelijk knikken.
De voorzitter:
Die staat dan nu genoteerd.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij worden er nu twee toezeggingen opgelezen over hetzelfde. Het gaat erom dat we voor de stemming in de Eerste Kamer weten of het goed gaat komen met dat geld.
De voorzitter:
Precies. Dan zit die er wel in.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
U kunt ook één toezegging noteren, wilde ik maar zeggen.
De voorzitter:
Dan zit die er volgens mij wel in, namelijk "nader te informeren over de financiële randafspraken bij het wetsvoorstel". Dan staat die genoteerd.
Ik wil de staatssecretaris, de Kamerleden en de belangstellenden die dit debat online hebben gevolgd van harte bedanken. Het was een interessant debat. Ik wens u een fijne dag toe. Hierbij sluit ik de vergadering. Dank u wel.