[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]
Datum 2026-02-05. Laatste update: 2026-02-05 20:19
Plenaire zaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

40e vergadering, donderdag 5 februari 2026

Opening

Voorzitter: Michon-Derkzen

Aanwezig zijn 126 leden der Kamer, te weten:

El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, Belhirch, Van den Berg, Van Berkel, Bevers, Biekman, Bikker, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, Martin Bosma, Boswijk, El Boujdaini, Bart van den Brink, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Van der Burg, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Dekker, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Eijk, Ellian, Ergin, Erkens, Faber, Flach, Goudzwaard, Peter de Groot, Hamstra, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, De Hoop, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Chris Jansen, Jumelet, Karremans, Kathmann, Keijzer, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lahlah, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Maeijer, Markuszower, Martens-America, Van Meetelen, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Patijn, Paulusma, Piri, Van der Plas, Podt, Prickaertz, Raijer, Rajkowski, Rooderkerk, De Roon, Russcher, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Teunissen, Tijmstra, Vellinga-Beemsterboer, Vermeer, Vervuurt, Vijlbrief, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, Wendel, Westerveld, Wilders en Zwinkels,

en mevrouw Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, minister voor Asiel en Migratie, viceminister-president, de heer Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en de heer Van Weel, minister van Buitenlandse Zaken, minister van Asiel en Migratie.

De voorzitter:

Goedemorgen allemaal. Ik open hierbij de plenaire vergadering van donderdag 5 februari.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Er zijn geen berichten van verhindering, al begreep ik dat mevrouw Tseggai zich vandaag laat vervangen door mevrouw Kröger, waarvan akte.

Termijn antwoord

De voorzitter:

We hebben gisteren met elkaar de eerste termijn van de begroting van Binnenlandse Zaken besproken. Er zijn een heel aantal vragen gesteld. Het woord is nu aan de minister om daarop te reageren. Daarna vervolgen we dit debat, dus we ronden ook de tweede termijn vandaag af.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Dat gezegd hebbende, nadat ik de minister welkom heb geheten in deze Kamer, geef ik hem ook het woord. Ik zou hem willen vragen even inzichtelijk te maken langs welke blokken of structuur de beantwoording gaat verlopen. De minister.

Minister Rijkaart:

Voorzitter. Dank u wel voor uw welkom. Ik zal zo beginnen met een inleidende tekst, waarna ik de amendementen die binnen zijn gekomen zal appreciëren. Dat zal aan het einde van de termijn zijn. Allereerst wil ik iedereen even de woorden van dank overbrengen van de staatssecretaris voor de steunbetuigingen die hij heeft mogen ontvangen. Het doet hem en zijn naasten erg goed om die van u te krijgen.

Voorzitter. Dank aan de leden voor de inbreng in de eerste termijn. Deze begrotingsbehandeling vindt plaats op een ... We beginnen al.

De voorzitter:

Minister, een interruptie. We zijn nu wel heel benieuwd, meneer Flach.

Minister Rijkaart:

Ik ben ook wel heel benieuwd.

De heer Flach (SGP):

Het kan aan mijn gehoor liggen, maar ik verwachtte een opsomming van wat blokken. Ik hoorde alleen "inleiding" en daarna "appreciaties". Daartussen zit niks, begrijp ik?

De voorzitter:

Goed punt. Goed punt. Minister, graag inzicht in de blokken waarlangs de beantwoording plaatsvindt.

Minister Rijkaart:

Ik heb een inleidende tekst. Daarin zal ik een aantal dingen even woordelijk behandelen, omdat ik daar graag even op terug wil komen naar aanleiding van mijn schriftelijke beantwoording. Dan sluit ik af met een appreciatie van de amendementen. Die werk ik dan een voor een af voor u.

De voorzitter:

Daarmee stel ik vast dat er één blok is, meneer Flach.

Minister Rijkaart:

Er zijn eigenlijk twee blokken, of één groot blok.

De voorzitter:

Er is één blok. Ja. En er zijn de amendementen. Ik geef u het woord, minister. De minister.

Minister Rijkaart:

Het houdt de gang er wel lekker in op die manier, voorzitter.

De voorzitter:

Ja. Maar ik vind het wel prettig dat u pas spreekt nadat ik u het woord geef. Dat gezegd hebbende, aan u het woord.

Minister Rijkaart:

Dank u wel, voorzitter. Deze begrotingsbehandeling vindt plaats op een bijzonder moment. Terwijl we hier met elkaar spreken, staat achter de schermen een nieuw kabinet klaar om eigen keuzes te maken. Daarom is het van belang dat wij deze begroting zorgvuldig afronden, zodat mijn opvolger kan voortbouwen op wat er ligt en zonder vertraging aan de gang kan. Ik zal uw vragen zo goed mogelijk beantwoorden, met de terughoudendheid die past bij deze fase. Mijn periode als minister was kort, maar lang genoeg om te zien waar de prioriteiten liggen op de verschillende beleidsterreinen van BZK. Vooraf wil ik daar drie onderwerpen uitlichten die ons in deze Kamer verbinden, ongeacht de politieke kleur. Ze raken aan het fundament van de samenleving.

Ten eerste is dat de bescherming van onze democratie en dan vooral de mensen die daar hun nek voor uitsteken. Steeds meer lokale bestuurders en volksvertegenwoordigers krijgen te maken met bedreiging en intimidatie, bijvoorbeeld rondom de opvang van asielzoekers. Dat raakt niet alleen henzelf, maar ook hun families en hun directe omgeving. Dat heeft gevolgen voor hoe ons openbaar bestuur en de democratie functioneren. Als voormalig raadslid en gedeputeerde gaat me dit aan het hart. We moeten als overheid vierkant achter onze bestuurders staan. Het is cruciaal dat mensen die een publieke taak uitvoeren, die taak kunnen uitvoeren zonder dreiging of druk van buitenaf. Daarom bevat deze begroting verschillende concrete maatregelen om bestuurders en volksvertegenwoordigers beter te ondersteunen. Zo is 3 miljoen euro beschikbaar gesteld om raadsvergaderingen veilig te laten verlopen, met veiligheidsscans en protocollen die kosteloos beschikbaar zijn voor raadsleden, wethouders en burgemeesters. Waar nodig zullen er ook aanpassingen worden gedaan aan raadszalen, want juist in gemeenten en provincies begint onze democratie. Juist daar moeten mensen die democratisch zijn gekozen, kunnen waarmaken wat ze hebben beloofd aan de burgers.

Dan het tweede onderwerp: de financiële positie van provincies en gemeenten.

De voorzitter:

Minister, voordat u naar het tweede onderwerp gaat is er een interruptie van mevrouw Bikker. Mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Nu de inleiding verschillende blokjes bevat, stap ik toch naar voren. Ik dank de minister voor het benoemen: wij staan vierkant achter onze decentrale bestuurders, de burgemeesters, de wethouders en de raadsleden, juist ook als het pittig is om in de vuurlinie te staan. Wel verwacht ik ook een reflectie van de minister op het volgende. Kijk, een gemeenteraad heeft een eigen verantwoordelijkheid. Die is niet lager dan het Rijk. Dat is gewoon een eigen, zelfstandige verantwoordelijkheid. Het afgelopen jaar hebben we gezien dat een gemeenteraad soms een beslissing nam en dat daartegen vervolgens hier vanuit de Kamer protest werd gemaakt, waardoor gemeenteraadsleden, wethouders of burgemeesters werden bedreigd. Hoe ziet de minister dat? Vindt hij ook dat hij op zo'n moment normerend heeft op te treden?

Minister Rijkaart:

Op het moment dat dit soort praktijken plaatsvindt — die hebben we in het verleden inderdaad gezien — heb ik dat ook afgekeurd en heb ik me daartegen verzet. Ik ben zelf ook regelmatig naar de mensen toe gegaan die dat ten deel viel. Ik heb contact met hen gezocht, wat zeer werd gewaardeerd. Het is, denk ik, van belang dat we in onze democratie onderkennen dat er inderdaad weliswaar verschillende bestuurslagen zijn, maar dat als er vanuit die verschillende bestuurslagen op elkaar gereageerd wordt, die reactie wel eenduidig dient te zijn. Je kan het gemeenten niet kwalijk nemen dat zij vanuit hun eigenstandige positie een beslissing nemen en daarmee bijvoorbeeld aan de wet voldoen. Soms komt er dan vanuit de Kamer of vanuit onze publieke opinie een ander geluid. Dat komt er niet vanuit het kabinet, want als kabinet hebben wij het uitgangspunt: de wet is de wet en die moet gewoon gevolgd worden. Als dat gaat conflicteren op lokaal niveau, maken we het die mensen daar niet makkelijker. Ik heb dat meermaals gezegd en daar blijf ik voor staan.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker met een vervolgvraag.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat is goed om te horen, want ik heb toch te vaak burgemeesters, wethouders en raadsleden gesproken die eigenlijk in hun hemd kwamen te staan omdat er vanuit Den Haag andere signalen werden gegeven. Ik vind het heel belangrijk dat deze mensen, die de wet proberen uit te voeren maar het ook lokaal als democratische vertegenwoordiging eens zijn — ze zijn daar gekozen — niet nog een keer uit Den Haag te horen krijgen dat zij zich anders hadden moeten gedragen. Zij staan voor die publieke zaak. Mijn vervolgvraag is dan wel of de minister de indruk heeft dat al dit gedoe van de afgelopen tijd gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van mensen om deze ambten te vervullen.

Minister Rijkaart:

Ja, dat soort signalen krijg ik wel. Ik heb op dit moment nog niet de indruk dat de beschikbaarheid heel hard terugloopt, maar ik krijg inderdaad wel signalen dat mensen eraan twijfelen of ze zich beschikbaar moeten stellen voor het ambt van burgemeester, wethouder, raadslid of een ambt op provinciaal niveau. Dat vind ik zorgwekkende signalen. Wij allemaal, het kabinet, de Kamer, het provinciaal bestuur en het gemeentebestuur, hebben een rol om daarin een eenduidige lijn te trekken. Ik heb altijd het volgende gezegd en dat is ook het kabinetsstandpunt: de wet is de wet en een afspraak is een afspraak; die voer je uit totdat we een nieuwe afspraak hebben. Daar moet je voor staan. Je moet die mensen dus ook de steun geven om de beslissingen uit te voeren. Gaat het zover dat de bedreigingen, de intimidaties — daar hebben we het natuurlijk over — de beschikbaarheid aantasten? Ik krijg daar signalen van. Die zijn zorgwekkend, maar nog niet zo zorgwekkend dat ik denk dat we straks helemaal zonder zitten.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Bikker. Ook vandaag wil ik graag ruimte geven voor interrupties, maar wel graag wat kortere, want dan hebben we een wat levendiger debat.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

We kunnen hier niet gaan wachten tot er te weinig mensen beschikbaar zijn. Ik zou de minister willen vragen om ervoor te zorgen dat hij in zijn contact met partijvoorzitters en commissarissen van de Koning een heel duidelijk beeld krijgt van de gevolgen daarvan in de afgelopen tijd en dit beeld terug te geven aan deze Kamer. We kunnen ons namelijk niet veroorloven dat er te weinig burgemeesters zijn of dat er nauwelijks meer vrouwen solliciteren naar het ambt van burgemeester, om maar een paar voorbeelden te noemen die ik de afgelopen tijd heb gehoord. Hoe ziet de minister dat concreet voor zich? Wat zou zijn aanbeveling voor zijn opvolger zijn, zeker nu?

Minister Rijkaart:

In die zin zijn mevrouw Bikker en ik het helemaal met elkaar eens. Ik heb goed contact met de diverse partijen en inderdaad de commissarissen van de Koning. Ik zal mijn opvolger dan ook aanbevelen om de goede contacten die ik heb opgebouwd vooral voort te zetten en nog verder te versterken, zeker om dit beeld zo snel mogelijk helder te krijgen en, mocht zich dat ernstiger voordoen dan nu, daar eventueel op in te grijpen.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Struijs had op dit punt een vraag aan de minister.

De heer Struijs (50PLUS):

Mijn vraag ligt een beetje in het verlengde van die van mevrouw Bikker, maar is toch iets specifieker. De VNG, burgemeesters en gemeenteraadsleden geven aan dat ze behoefte hebben aan een intensievere samenwerking met het landelijk stelsel bewaken en beveiligen. Het gaat namelijk verder dan de raadszaal. Soms moeten gemeenteraadsleden helaas zelfs thuis worden beveiligd. Dat geldt ook voor instellingen met religieuze achtergronden. Ik wees gisteren al op de statische en dynamische beveiliging. Is de minister bereid om die verkenning niet al te vrijblijvend in te zetten om het stelsel van bewaken en beveiligen voor een deel ook te laten landen in de gemeentes?

De voorzitter:

Overigens, meneer Struijs, wil ik naar aanleiding van de vraag die u stelt, zeggen dat een aantal vragen die gisteren zijn gesteld, schriftelijk zijn beantwoord. Ik zeg dit ook voor de mensen die dit volgen. Vanochtend hebben we allemaal een brief met schriftelijke antwoorden ontvangen, maar het staat eenieder natuurlijk vrij om daar in het debat op terug te komen.

Minister Rijkaart:

Deze vraag was inderdaad al schriftelijk beantwoord. Dit gaat natuurlijk over de portefeuille van mijn collega van JenV. Ik ken de zorgen en de wensen van de heer Struijs. Ik zal die ook overbrengen aan de minister van JenV. Het stelsel bewaken en beveiligen valt onder de NCTV en dus onder JenV, maar ik ga uw zorg wel overbrengen.

De voorzitter:

Mevrouw Boelsma, ook op dit punt?

Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):

Ja, maar het risico is dat de vraag schriftelijk beantwoord is. Ik sluit me even aan bij mevrouw Bikker. Zij gaf aan dat gemeenten en andere overheden het misschien net iets anders doen dan wij verwachten. Ik wil dit even omdraaien en daar wilde ik graag even een reflectie op van de minister. Het kabinet moet ook staan voor de besluiten die hier zijn genomen. Vindt de minister dat dat de afgelopen periode goed is gegaan? Wat zou er beter kunnen om te voorkomen dat intimidatie en bedreigingen door ons handelen hier komen?

Minister Rijkaart:

Ja, dan reflecteer ik even op mijn eigen handelen. Ik denk dat ik daar in ruime mate invulling aan heb gegeven. Moet dat de komende periode beter? Mogelijk is er nog ruimte voor versterking of verbetering, maar dat is natuurlijk gewoon aan uw Kamer — die is nu netjes geïnstalleerd — en mijn opvolgers, die, als het goed is, vanmiddag allemaal bekend worden gemaakt.

De voorzitter:

Mevrouw Boelsma, een vervolgvraag.

Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):

Dat is een nieuwtje. Nog even voor de minister: complimenten voor uw handelen. Ik heb ook geluisterd naar wat u daarover heeft gezegd. Het gaat mij om de kabinetseenheid. Dit kabinet heeft een aantal punten geleerd en ik hoop dat dit door een volgend kabinet voortgezet kan worden. Ik wilde dat hier toch nog even mededelen.

De voorzitter:

Dank u. Mevrouw Boelsma, wilt u via de voorzitter tegen de minister spreken? Dat lijkt heel omslachtig, maar dat heeft een reden. Minister, heeft u nog een reflectie op deze reflectie?

Minister Rijkaart:

Ik hoorde geen vraag, maar ik neem de opmerking ter harte. Ik wens u vooral een goede voortzetting ermee.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Minister Rijkaart:

Ik vervolg mijn betoog. Even kijken, het tweede onderwerp: de financiële positie van provincies en gemeenten.

In de afgelopen periode heeft u daar terecht aandacht voor gevraagd. Ik ben dan ook blij dat er, zoals de VNG stelt, op dit moment een financieel werkbare situatie is ontstaan. Het is cruciaal dat er een reële balans is tussen de taken en de middelen die gemeenten hebben. Daarnaast moeten ze de benodigde bevoegdheden en uitvoeringskracht hebben. Op diverse terreinen zijn daarover reeds afspraken gemaakt, bijvoorbeeld over jeugdzorg. Bij de Voorjaarsnota 2025 is bijna 3 miljard beschikbaar gesteld voor de jaren 2025 tot en met 2027. Daarmee krijgen gemeenten meer ruimte om de stijgende kosten op te vangen. Daarnaast zetten mijn collega's bij VWS samen met gemeenten stappen om de maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd toekomstbestendiger te maken, want jeugdzorg moet ook op de lange termijn betaalbaar en uitvoerbaar blijven. Het is aan het nieuwe kabinet om ook de komende periode met medeoverheden in gesprek te blijven om de balans tussen taken en middelen te bewaken.

Dan het derde onderwerp: de betrokkenheid van mensen bij onze democratie. Afgelopen november kozen Nederlanders een nieuwe Tweede Kamer. In maart volgen dan de gemeenteraadsverkiezingen. Dat het democratische proces goed verloopt, is iets om te koesteren, want het is niet vanzelfsprekend. Wanneer het debat verhardt of mensen het gevoel krijgen dat hun stem er niet toe doet, bestaat het risico dat ze afhaken. Deze begroting draagt daarom bij aan een toegankelijk democratisch proces en een publiek debat waarin ruimte is voor verschil van mening, zonder dat mensen worden afgeschrikt. Zo steunen we organisaties als ProDemos en Tienskip, die scholieren en jongeren leren hoe onze democratie werkt en hen helpen bij het organiseren van eigen initiatieven.

Voorzitter. Deze onderwerpen laten zien waar deze begroting over gaat. Wat wij hier in Den Haag doen, kan alleen dankzij deze democratische basis. Die moeten we op orde houden. Want democratie draait niet alleen om rechten maar ook om verantwoordelijkheid. De heer Van den Brink zei treffend in zijn maidenspeech: burgerrechten zijn voor niemand een vrijbrief om bedreigingen te uiten of haat te verspreiden. Ook mevrouw Boelsma-Hoekstra, mevrouw Huizenga en de heer Clemminck wil ik bedanken voor het delen van hun drijfveren in hun maidenspeeches.

Dan kan ik het natuurlijk niet nalaten om kort te reflecteren op de vraag van de heer Bosma. Hoe kijk ik als relatieve buitenstaander terug op mijn periode als minister op het moederdepartement? Ik moet heel eerlijk zeggen dat heel eventjes het citaat van een acteur door mijn hoofd ging: "Do you want the truth? You can't handle the truth!" Maar zo erg is het dan ook weer niet. Maar ik overweeg om een boek te schrijven, dat ik dan online beschikbaar stel. Ik heb van iemand geleerd dat dat best succesvol kan zijn. Ja, gratis, hoor ik iemand zeggen.

Voorzitter. Ik kan helder zijn. Vanaf dag één ben ik gesteund door mensen uit alle hoeken van het ministerie. Ik ben onder de indruk van hoe hard en plichtsgetrouw er wordt gewerkt. Naar mijn eigen rol kijk ik eigenlijk vrij nuchter. Ik zeg vaak dat ik samen met alle ambtenaren goed op de winkel heb gepast. Dat bedoel ik niet oneerbiedig. We hebben samen gepast op onze democratie en ons openbaar bestuur, en daarmee op alles wat dit land elke dag draaiende houdt, van raadzalen, provinciehuizen tot aan de ministerraad. In de laatste fase van dit kabinet was het vooral belangrijk om rust te brengen. Daar zijn we dan toch met z'n allen in geslaagd.

Maar mag ik dan toch afsluiten met een kleine kanttekening? Het valt mij op dat wij hier, in het huis van de volksvertegenwoordiging, soms erg met onszelf bezig zijn, met moties, procedures en het politieke spel. Natuurlijk hoort dat bij democratie. Tegelijkertijd vraagt die voortdurende beschikbaarheid voor debatten veel van bewindspersonen en hun departementen. Een kleine aanpassing in de systematiek van uw Kamer en iets meer rust en regelmaat in ons aller vergaderschema zou volgens mij iedereen de broodnodige tijd en ruimte geven, bijvoorbeeld om ons gezicht meer in het land te laten zien. Dat is namelijk ook een wens die binnen uw Kamer leeft. Eerder heb ik al aangegeven dat die wens om daar invulling aan te geven ook heel sterk bij mij leeft. Ik heb hier eerder een constructief gesprek over gehad met uw Voorzitter. Laten we niet vergeten dat het uiteindelijk niet om het debat op zichzelf gaat, maar om wat we samen voor elkaar krijgen om de mensen in Nederland echt te helpen.

Ik zie iemand voorzichtig richting de interruptiemicrofoon lopen, voorzitter.

De voorzitter:

Ik wilde even het einde van uw reflectie … Dit was het einde?

Minister Rijkaart:

Dit was het einde. Ik zou nu overgaan tot de appreciatie van de amendementen, voorzitter.

De voorzitter:

Oké. Dan geef ik het woord aan de heer Bosma.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ik stel vast dat dit debat wel heel snel gaat. Dan zijn we over tien minuten gewoon klaar en staan we buiten. Dat mag, hoor, prima. Ik stelde die vraag, een heel open vraag, vanaf het spreekgestoelte. Ik keek vanuit mijn ooghoeken naar deze minister toen ik hem vroeg: hoe is het nou om als buitenstaander hier te komen aanvliegen? Wat zijn dan je indrukken? Toen zag ik de minister een beetje glunderen en meteen aantekeningen maken. Hij zit natuurlijk in een prachtige positie. De minister staat over een week of misschien twee weken buiten. Hij is waarschijnlijk al bezig met het inpakken van zijn foto's. Wat zijn nou zijn indrukken? Je komt binnen in zo'n ministerie — wow! — je meldt je aan bij de portier, en die zegt: wat kan ik voor u doen? Je zegt: nou, ik word minister. Dan kom je binnen. En dan? Wat maak je dan mee, hoe is dat en wat zie je dan?

De voorzitter:

De vraag is helder.

De heer Martin Bosma (PVV):

Wat zijn je observaties, gewoon uit de losse pols? Vertel eens.

Minister Rijkaart:

Dan kom je hier in een wondere wereld. Ik kwam natuurlijk vanuit de provincie. Als provinciaal bestuurder is het zaaltje kleiner. Hier in de Kamer zag ik dus een hele hoop dingen. Indachtig de gedachte van mevrouw Bikker destijds — hoe gaan we hier nu met elkaar om? — en de 4% verwonderde ik me er weleens over wat er allemaal naar elkaar gezegd en geroepen werd. Toen ik in de wondere wereld van het departement kwam, heb ik eigenlijk alleen maar zeer hardwerkende ambtenaren gezien, die mij hier hebben opgevangen. Die hadden toch in hoge mate tot doel a de samenleving te dienen en b de minister overeind te houden. Er komt namelijk nogal wat op je af als je minister wordt. Ik gun iedereen een keer die ervaring, want het is een fantastische ervaring geweest, maar soms is het echt veel. Dan vragen we heel veel van elkaar en gooien we heel veel over elkaar uit waarvan ik me afvraag: is dat in een intermenselijke verhouding nog binnen de grenzen van redelijkheid?

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Bosma.

De heer Martin Bosma (PVV):

Dan komt de minister aan met hoe het hier in de Tweede Kamer gaat. Ja, dat kunnen wij zelf ook wel zien. Dat weten we wel, maar ik vraag me gewoon af hoe het nou is om minister te zijn. Je zit gewoon lekker thuis, je wordt, misschien door Caroline van der Plas, gebeld of je minister wil worden, je valt van je stoel en je zegt: "Is het 1 april? Word ik in de maling genomen?" En een of twee dagen later rij je zo'n ministerie binnen. Dan maak je allemaal dingen mee. Misschien is het een jongensboek en misschien denk je: wat heb ik nou aan mijn fiets hangen en hoe werkt dit? Hoe gaat het bijvoorbeeld met de lokale democratieën? Hoe interacteert dat allemaal? Wat zijn de observaties van zo'n minister, die even wordt ingevlogen en over een of twee weken weer wordt uitgevlogen?

Minister Rijkaart:

Eigenlijk vat de heer Bosma het heel goed samen. Hij zegt dat ik waarschijnlijk de foto's al heb ingepakt, maar ik heb niet eens tijd gehad om die uit te pakken, meneer Bosma. Dat dus niet. Ik werd inderdaad gebeld door Caroline van der Plas. Ik stond op dat moment op een boerenbijeenkomst. Dan moet je inderdaad even gaan zitten. Dan wordt er gezegd: u mag er nog een nachtje over slapen. Dat nachtje slapen gaat vrij slecht, kan ik u vertellen. Dan ga je gewoon de mallemolen in. Is het inderdaad een jongensboek? Kijk naar mijn carrière. Nog geen vier jaar geleden was ik nog lid van het wonderschone politiekorps Haaglanden. Dan word je gevraagd om gedeputeerde te worden. Dan weet je al niet wat je overkomt. Als je dan eenmaal net lekker bezig bent, twee jaar onderweg en geland, word je gebeld of je minister wil worden. Nou, je pleurt niet van je stoel, dat niet, maar het was wel even twee tellen stil. Ja, dan ga je nadenken over die eervolle vraag en zeg je daar ja op. Dan ga je eigenlijk gewoon in de vaart der volkeren mee, in een totale achtbaan. Als ik er zo op terugkijk, is het een jongensboek.

De voorzitter:

Ik weet niet of de heer Bosma helemaal tevreden is, maar u kunt altijd een kopje koffie met elkaar gaan drinken. U kunt misschien nog samen lunchen vandaag. Dan kan alle inside-information nog gedeeld worden.

De heer Flach (SGP):

Volgens mij gaan we een enorm gat in de plenaire agenda krijgen. Ik had niet verwacht dat het zo kort zou duren. Ik had over twee onderwerpen nog een vraag willen stellen, dus ik zou uw toestemming willen vragen om dat in twee blokjes te doen, voorzitter. Misschien is het niet nodig, maar ik zal er geen misbruik van maken.

De voorzitter:

Oké. Gaat uw gang.

De heer Flach (SGP):

De eerste vraag gaat over het dorp Moerdijk. Daar heb ik een vraag over gesteld. Die ging niet zozeer over het besluit of het verdwijnen van het dorp; daar is al genoeg over gezegd. Ik heb specifiek aandacht gevraagd voor kwetsbare dingen zoals een begraafplaats, waar vaders, moeders en kinderen begraven liggen. Ik heb gevraagd of het voorstelbaar is dat dat soort dingen behouden blijven. De minister heeft in de schriftelijke beantwoording terugverwezen naar het hele formeel antwoord dat de gemeente daarover gaat. Ja, dat snap ik. Formeel is dat zo, maar het Rijk gaat straks voorwaarden bekendmaken waaronder het al dan niet het dorp wil laten verdwijnen. Ik zou een dringende oproep willen doen om juist ook vanuit het Rijk zorgvuldigheid te betrachten wat betreft monumentaal erfgoed en zaken als begraafplaatsen, waarvan er twee zijn in het dorp.

Minister Rijkaart:

Monumentaal erfgoed valt natuurlijk niet direct onder mijn portefeuille, maar ik herken de zorg van de heer Flach. Dat zijn natuurlijk gewoon gebouwen en plekken waar mensen hun geschiedenis hebben liggen en waar ze een enorme emotionele binding mee hebben. Het is inderdaad een heel formele uitspraak om te zeggen dat daar waar het een begraafplaats is, het een begraafplaats blijft zolang daar graven zijn gesitueerd tenzij er een bestemmingswijziging plaatsvindt. Ik kan me indenken dat mensen die vraag stellen. Het ligt natuurlijk primair bij een gemeenteraad, maar ik wijs mijn opvolger en mijn collega's er wel op dat er goed aandacht moet zijn voor juist dit soort plekken, waar mensen echt een binding mee hebben, en voor de zorgvuldige afwikkeling van het proces op het moment dat je een dorp laat verdwijnen.

De voorzitter:

Meneer Flach, heeft u een vervolgvraag op dit punt?

De heer Flach (SGP):

Nee. Dank voor dit antwoord. Dan wil ik door naar het volgende onderwerp. Dat betreft de vraag die ik heb gesteld over het onder druk staan van klassieke vrijheden. In het schriftelijke antwoord wordt vooral ingegaan op demonstraties, terwijl ik juist ook voor een aantal andere klassieke vrijheden aandacht heb gevraagd, bijvoorbeeld de situatie rond meneer De Wal in Tilburg en het optreden van de burgemeester daar. Daar zie je toch dat het recht op vrijheid van vergadering en de godsdienstvrijheid op dat moment onder druk staan. De kwestie is veel breder dan alleen het demonstratierecht en het aangekondigde WODC-onderzoek. Het gaat, breder, om de vraag hoe we in Nederland met elkaar met klassieke vrijheden omgaan. Ik heb een voorbeeld genoemd van een gemeenteraadslid dat opmerkingen maakte die meer in de categorie "verschil van smaak" vallen dan dat het over klassieke vrijheden gaat. Zou de minister nog eens even wat uitgebreider willen reflecteren op de waarde van klassieke vrijheden en hoe hij erin staat als hoeder van die vrijheden?

Minister Rijkaart:

Ik sta nog steeds voor klassieke vrijheden die gewoon onder mijn departement vallen. Dat hebben we met elkaar nu eenmaal zo afgesproken. Sommige zaken worden echter wel elders, op een ander niveau, geregeld; dat is heel formeel. Daar moet je, denk ik, als kabinet en als regering ook niet te veel in willen treden, omdat we dat op die manier hebben geregeld. Natuurlijk staan sommige vrijheden onder druk; dat erken ik ook wel. Daar moeten we aandacht voor hebben en blijven houden, omdat die de basis zijn waarop we onze samenleving hebben georganiseerd. Op het moment dat je daar afstand van neemt, ben je voorzichtig al bezig met een glijdende schaal. Dat moeten we met z'n allen niet willen, denk ik.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Flach.

De heer Flach (SGP):

Dank voor dit antwoord. Tegelijkertijd zie ik dat die vrijheden onder druk staan; ik heb twee voorbeelden genoemd: uit Utrecht en uit Tilburg. Burgemeesters handelen op een bepaalde manier die meer wordt ingegeven door smaak wat betreft de inhoud van datgene wat er plaatsvindt, dan dat ze puur vanuit de rol als hoeder van klassieke vrijheden handelen. Mijn vraag aan de minister, die ik toch een beetje als overkoepelend hoeder daarvan zie, is: heeft hij — of gaat hij ook aan zijn opvolger aanraden om dat te doen — daar regelmatig gesprekken over met burgemeesters? Dan is het punt: let op, beste mensen, we zien in toenemende mate dat smaak dominant wordt in afwegingen. Je mag van dingen griezelen en je mag ze verschrikkelijk vinden, maar we hebben in dit land vrijheden en die zijn juist van belang als er iets aan de hand is waarvan een aantal mensen zeggen dat het niet moet kunnen. Pakt de minister die rol?

Minister Rijkaart:

Op dit moment hebben we daar natuurlijk gesprekken over, ook vaak in de kantlijn van een van de vele bijeenkomsten die ik bezoek. Daar komen dit soort gesprekken wel voor. We voeren die gesprekken niet in formele zin. We wijzen de diverse gremia op hun rol op het moment dat dit soort casussen rond vrijheden zich aandienen, en geven aan dat deze echt op het lokale niveau geduid moeten worden. Soms gaat dat zo ver dat het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld ook een mening geeft over de keuze die er dan gemaakt is. Dan is het aan de lokale besturen om daar verder mee te gaan. Als minister wil ik daar op dit moment nog niet tussen gaan zitten; daar zie ik nog geen aanleiding toe. Ik herken echter wel het onder druk staan van de klassieke vrijheden die we hier kennen.

De voorzitter:

Meneer Flach, tot slot op dit punt.

De heer Flach (SGP):

Afrondend, voorzitter, toch even het volgende. De minister noemt zichzelf de hoeder van de klassieke vrijheden. Op welke manier vult hij dit dan wél in? Wat moet er dan gebeuren voordat hij hier wel een actieve rol in gaat nemen? Ik snap heel goed dat lokale overheden primair in de lead zijn, maar ik heb een paar serieuze voorbeelden genoemd, die ook behoorlijk wat publiciteit hebben gehad. Wanneer grijpt hij dan wel in?

Minister Rijkaart:

Ik denk dat het moment om in te grijpen echt afhangt van de individuele casus en de afronding daarvan. Als er op lokaal niveau nog debatten plaatsvinden en de casussen nog worden uitgediept, of als er bijvoorbeeld nog zaken onder de rechter zijn, dan is het niet aan deze minister om daar nu al in te treden. Dat moet je echt pas doen op het laatste moment, als alle feiten en omstandigheden helder zijn. Dat is de systematiek die ik aanhang; die heb ik dan meegenomen vanuit, zeg maar, mijn verleden: eerst de feiten en omstandigheden helder en dan pas een eventuele reactie.

Mevrouw Beckerman (SP):

De Rijksoverheid heeft fantastische mensen in dienst. Ik heb speciaal aandacht gevraagd voor mensen in lagere salarisschalen, bijvoorbeeld schoonmakers, gevangenispersoneel, mensen van de Douane, beveiligers en mensen hier in het restaurant. Ik wil vanavond ook heel graag terug naar huis, naar Groningen. Ik heb dus Rijkswaterstaat en de mensen die de weg ijzelvrij maken, heel hard nodig. Die mensen zijn wel op de nullijn gezet, terwijl de kosten voor het levensonderhoud stijgen: de huren, de boodschappen, de energie. Als het aan het nieuwe kabinet ligt, geldt dat ook nog voor het eigen risico. Hoe wenselijk vindt de minister deze nullijn voor deze onmisbare ambtenaren?

Minister Rijkaart:

Laat ik vooropstellen dat ik volledig onderken dat deze ambtenaren volledig onmisbaar zijn. In mijn hele carrière heb ik diverse groepen van deze onmisbare ambtenaren zelf doorlopen. Dat is mijn meerwaarde in deze Kamer. Ik heb mij echter te houden aan de afspraken die we als kabinet met elkaar gemaakt hebben. Een daarvan is inderdaad die nullijn. Wel is er een doorzicht gegeven naar het jaar daarop. Juist met de onderdelen die zitten in FUWA-Rijk, waarvan ik een groot voorstander ben en waarbij we als kabinet een doorzicht hebben gegeven wat betreft welke kant dat op zou moeten gaan, zijn deze bevolkingsgroepen expliciet genoemd. Ik heb, gezien het eindigen van mijn termijn, wel de indruk dat mijn opvolger hiermee verder zal moeten gaan. Daarmee rust dan ook een behoorlijke verantwoordelijkheid op zijn of haar schouders.

De voorzitter:

Er is een vervolgvraag van mevrouw Beckerman.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik vind het mooi dat de minister zelf die meerwaarde ziet. Hij zegt: ik ben eigenlijk een van deze mensen. Dat maakt het juist zo wrang. Daarom vraag ik het de minister nog eens. Hij kan nu wel zeggen dat het aan zijn opvolger is, maar zou hij niet meer ruimte willen creëren om juist voor deze groepen te zorgen dat die onderhandelingen weer kunnen starten? Dat kan nu namelijk gewoon niet.

Minister Rijkaart:

Dan kom ik toch terug op wat ik net al zei: een afspraak geldt totdat we een nieuwe afspraak hebben. Hoe wrang het ook is, die afspraak is de nullijn. Met mijn achtergrond herken ik wel wat deze mensen doormaken. Dat is de meerwaarde die ik meegegeven heb aan mijn huidige collega's. Een aantal van hen gaat ongetwijfeld ook nog mee in de volgende ronde. Ik hoop dat zij goed nota hebben genomen van wat ik uit de eerste hand met hen heb gedeeld over wat het effect kan zijn van een nullijn. Maar die nullijn staat, want dat is nu eenmaal de afspraak die wij hebben. Het is aan een volgend kabinet om daar eventueel nadere afspraken over te maken.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Beckerman.

Mevrouw Beckerman (SP):

"Ik weet wat deze mensen doormaken" klinkt heel empathisch, maar het is iets wat deze minister deze mensen aandoet, letterlijk. Het is letterlijk een afspraak van dit kabinet. Je kunt altijd naar je opvolgers kijken en je kunt altijd naar je voorgangers kijken, maar het is dít kabinet dat tegen deze mensen zegt: jammer dan; u krijgt er niks bij terwijl uw kosten enorm hard stijgen. Als ik de minister dan toch mag uitdagen om nog één keer op te komen voor deze mensen, waarvan hij er zelf zegt één te zijn, wat zou dan zijn oproep zijn, desnoods aan deze Kamer, om te doen? Want we kunnen deze begroting nog wijzigen; dat weet de minister ook. Wat er nu gebeurt is heel pijnlijk voor deze onmisbare ambtenaren.

De voorzitter:

Helder.

Minister Rijkaart:

Dan wordt toch aan mij gevraagd om nu bij wijze van spreken eigenstandig het regeerakkoord open te breken. Ik denk dat de spreker zelf wel weet dat dat niet aan mij is, hoe wrang dat ook is. Wat zou dan de suggestie zijn aan u als Kamer? U zult toch met mijn opvolgers in gesprek moeten gaan om te kijken wat de mogelijkheden dan zijn. Op dit moment zijn we gewoon gebonden aan het regeerakkoord dat er ligt.

De voorzitter:

Ik zag eerst mevrouw Boelsma en dan mevrouw Kröger.

Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):

In de antwoorden op de vragen die ik aan de minister had gesteld, staat: "Onderdeel van de uitvoering van het rapport Elke regio Telt! is ook de doorontwikkeling van de beleids- en investeringslogica waarin we als Rijk gezamenlijk kijken naar passend rijksbeleid met aandacht voor regionale verschillen en brede welvaart." Ik zou de minister willen vragen waar het nu op vastloopt, want het is nog niet geregeld. Wat zouden wij kunnen inbrengen om dit wel te kunnen regelen in de volgende kabinetsperiode?

Minister Rijkaart:

Dit zal ik nader uitwerken. Daar kom ik dan in mijn tweede termijn op terug. Er zit namelijk nog wel een verhaal achter.

De voorzitter:

Oké. Dat hebben we genoteerd. Mevrouw Bikker rent naar de interruptiemicrofoon. Als ik het goed begrijp, minister, wilde u gaan starten met de appreciatie van de amendementen. Klopt dat?

Minister Rijkaart:

Ja, dat is wat ik voorstelde.

De voorzitter:

Oké. Ik kijk iedereen indringend aan. Ja, mevrouw Kröger, ik had gezegd u het woord te geven na mevrouw Boelsma. U komt allemaal langs; we hebben tijd.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Het komt allemaal goed.

De voorzitter:

Het komt allemaal goed.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Ik wil toch nog iets vragen in aanvulling op de interruptie van mevrouw Beckerman over de nullijn. Ik hoor de bevestiging van hoe pijnlijk en wrang het is — het woord "wrang" wordt genoemd — maar het gaat natuurlijk ook om een gigantisch risico, namelijk dat we een hele grote uitstroom van mensen in cruciale sectoren gaan zien. Dan hebben we het over de politie, de marechaussee en de Douane. Die zijn cruciaal. Kunt u schetsen wat dat risico nou eigenlijk gaat betekenen?

Minister Rijkaart:

Op dit moment is de indruk dat wij in de bestaande situatie nog steeds een aantrekkelijke werkgever zijn, althans voor het gedeelte waar wij over gaan. We onderkennen dat deze mensen zomaar een ander vak zouden kunnen kiezen of inderdaad uit zouden kunnen stromen. Op dit moment lijkt de schade nog beperkt, maar in de toekomst, als je dit jaren vol zou houden, zou het inderdaad wel een risico kunnen zijn.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Dan hoor ik de minister eigenlijk zeggen dat dit beleid absoluut niet toekomstbestendig is, aangezien we in de toekomst dus aanlopen tegen een uitstroom van mensen in cruciale beroepen, die ons land draaiende houden. Is de oproep van de minister dan dat de lijn die ingezet is, niet toekomstbestendig is?

Minister Rijkaart:

Nee, dat is niet het geval. Hetgeen wij nu hebben ingezet is weliswaar een nullijn voor het komende jaar, maar we hebben wel een doorkijk gegeven voor het jaar daarop, met inderdaad de invoering van het functiewaarderingssysteem, om juist deze cruciale groepen toch te ondersteunen. Dit beleid kan daarmee dus gewoon voortgaan. Mocht je in de toekomst — dit is puur hypothetisch gesproken — echt structureel, jaar op jaar op jaar een nullijn doorvoeren, dan gaat het risico dat u schetst, zich natuurlijk wel voordoen. Dat kan iedereen aan zijn water voelen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Ik mis hier echt de erkenning van wat de nullijn nu al kan doen qua risico op uitstroom en wat dat betekent voor onze diensten. Dan vraag ik toch de minister waarop hij zich beroept om te zeggen dat dit risico nu niet aanwezig zou zijn.

Minister Rijkaart:

Ik heb niet gezegd dat het risico niet aanwezig is; dat risico kan terdege ontstaan. Alleen, op dit moment hebben wij nog geen indruk dat er echt een massale uitstroom plaatsvindt. Dat is hoe ik ertegen aankijk.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker heeft nog een vraag voor u.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Eigenlijk heb ik een klein puntje van orde. Gaat de minister nog meer zeggen over de regio of gaat het alleen maar over de amendementen, waarin dat nauwelijks aan de orde is?

De voorzitter:

De minister gaat alleen nog maar de amendementen appreciëren. Als de regio daarin niet wordt geadresseerd, is dit het moment om nog een vraag over de regio te stellen, want dan zijn de gestelde vragen schriftelijk beantwoord. Het is aan u of u dat een goede manier vindt. Dus aan u het woord.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

U brengt mij in een enorm ingewikkelde situatie, voorzitter, want ik zou ook nog wat willen zeggen over de lonen bij de rijksdiensten. Mag ik dan ... De inleiding was namelijk zo kort. Zo heb ik ietsje meer tijd. Ik denk dat ik het red in drie, maar misschien niet.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik begin nog even met de lonen. Vorige week, of de week ervoor alweer, is hier de begroting van Justitie behandeld. Het ging daarbij uitgebreid over de arbeidstekorten in het gevangeniswezen. De staatssecretaris gaf daarbij aan dat ook de onderhandelingen daarover stroef lopen. Ik bemoei me nooit met de onderhandelingen, want dat is tussen de bonden en de werkgever. Het is als Kamer altijd uitkijken voor het moment waarop je inspringt, vind ik. Maar wat ik wel belangrijk vind, is het volgende. Als we de leegloop van het gevangenispersoneel extra hard zien gaan, bijvoorbeeld naar het particuliere beveiligingswezen, kan het niet zo zijn dat de grote nullijn eigenlijk betekent dat we zo'n grote dienst als DJI in de kou zetten. Hoe ziet de minister dat?

De voorzitter:

Dat mag.

Minister Rijkaart:

Ik moet heel eerlijk bekennen dat ik niet bekend ben met het doemscenario dat hier geschetst wordt. Daar zal ik mij dus nader over moeten laten informeren. Maar zoals ik al zei: als een nadere uitstroom zich voordoet, zullen we, om die uitstroom te voorkomen, toch moeten bekijken hoe we het personeel binnenhouden. Die diensten zijn namelijk cruciaal en kunnen aan het eind van de rit natuurlijk niet omvallen.

De voorzitter:

Een vervolgvraag op dit punt van mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Afrondend, als het goed is. Dan kan ik daarna nog iets vragen over de regio. Het is goed om te horen dat de minister oog en oor wil hebben voor de nood daar. De staatssecretaris verwees expliciet naar de minister van Binnenlandse Zaken, omdat de cao-onderhandelingen van het overheidspersoneel onder zijn vleugels vallen. Zou de minister willen toezeggen dat hij op dit punt nader schriftelijk reageert, ook over de cijfers en wat die betekenen?

Minister Rijkaart:

Dat zal ik even na moeten vragen bij mijn collega. Ik moet die cijfers even opvragen. Als het mogelijk is, wil ik dat doen. Hij verwijst natuurlijk naar de nullijn en de onderhandelingen, maar de status is momenteel dat de bonden hebben gezegd: wij schorten de onderhandelingen op. Maar wij zijn als overheid gewoon nog steeds bereid om te praten.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Het ging er met name om dat de Kamer zei: misschien moeten we een aparte cao voor het gevangeniswezen ontwikkelen, zodat we deze mensen vast kunnen houden. Ik kan mij voorstellen dat de minister zich er even in wil verdiepen. Ik wil hem echt niet in de problemen brengen, maar ik zou het graag schriftelijk ontvangen.

De voorzitter:

Een aparte cao.

Minister Rijkaart:

Als de vraag hier echt is of de minister bereid is om een aparte cao voor het gevangeniswezen te maken, gaat dat op dit moment echt ver buiten mijn bevoegdheid hier. Dat moet echt nader uitgediept worden, en dat is ook echt aan mijn opvolger, want dat heeft hele forse implicaties. Het gaat om een hele grote groep mensen.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker vraagt of er een schriftelijk antwoord op kan komen.

Minister Rijkaart:

Daar wil ik een schriftelijk antwoord op geven. Dat zal waarschijnlijk in deze lijn zijn.

De voorzitter:

Precies. Ze wil ook weten wat het kader daarvoor is.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik vroeg allermeest om het volgende erbij te betrekken. De minister zei eerst in de beantwoording: als de uitstroom groot en zorgwekkend is, zullen we misschien andere stappen moeten zetten. Ik wil echt niet in de onderhandelingspositie van het Rijk komen, maar ik heb de zorg dat de uitstroom bij het gevangeniswezen te hard gaat en dat we als we dan druk zijn met de hele nullijn, geen oog hebben voor wat daar de gevolgen van zijn. Ik zou dus heel graag een iets explicietere brief hebben.

Dan de regio. Ik had u beloofd dat ik dat zou proberen te comprimeren. Ik maak me er zorgen over dat we de regio keer op keer plannen laten maken en dan zeggen: het geld moeten we later bezien. Hoe reflecteert de minister daar nu op? Ik lees in de schriftelijke beantwoording wel de feitelijke situatie, maar niet de reflectie en gedachten van de minister, die ook gedeputeerde is geweest. Hij weet dus ook heel goed wat het aan de andere kant van de tafel betekent.

Minister Rijkaart:

We hebben natuurlijk een versnelling gegeven aan de regio's met procesgeld. Ik onderken inderdaad dat als die plannen straks komen, daar een financieel plaatje bij zit. Dit wordt een beetje een kip-en-eidiscussie. Gaan we nu eerst geld vrijmaken voor de regio, en zeggen we dan "dit is het"? Misschien maakt men het budget op of gaat men eroverheen. Of laten we die regio nu eerst plannen maken? Ik omarm momenteel het idee dat de regio's eerst plannen maken. Men is er echt druk mee bezig. We weten dat een aantal regio's echt al met de finale concepten bezig zijn. Ik zou toch zeggen: als die plannen dan komen, inclusief de financiële implicaties, is het echt aan uw Kamer en mijn opvolger om daar handen en voeten aan te geven.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van mevrouw Bikker op dit punt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Maar dan heb je toch wel het risico dat mensen nu plannen maken en daar enthousiast voor zijn. Ik kijk naar de financiële bijlage van het komende coalitieakkoord. Daarin staat hiervoor niks gereserveerd. Ik denk dat deze minister vanuit zijn huidige verantwoordelijkheid en wat hij gezien heeft best iets kan zeggen over wat de regio nodig heeft. Ik snap dat dat met terughoudendheid zal zijn, maar een klein signaal over welke erfenis hij graag achterlaat zou ik waarderen.

Minister Rijkaart:

Ik heb met veel enthousiasme de regio's mogen bezoeken in de beperkte tijd die ik buiten deze Haagse kring kom. U heeft mij daar volgens mij al eens over aangesproken, en daar heb ik invulling aan gegeven. Om nu uitspraken te doen over het volgende regeerakkoord, dat gaat echt te ver. Maar ik kan niet anders dan zeggen dat de regio's deze plannen inderdaad hard nodig hebben. Ze hebben mij meermaals op het hart gedrukt hoe belangrijk deze plannen voor de regio zijn om daar de leefbaarheid en welvaart op orde te houden. Dat zal ik ook overbrengen aan mijn opvolger. Het is natuurlijk aan u als Kamer om daar met mijn opvolger, met hetzelfde enthousiasme als u hier tentoonspreidt, het debat over aan te gaan.

De voorzitter:

Mevrouw Vellinga. Sorry, mevrouw Huizenga.

Mevrouw Huizenga (D66):

U bedoelt inderdaad "mevrouw Huizenga".

De voorzitter:

Sorry. Dat is niet netjes van mij. Mevrouw Huizenga; dat ga ik nooit meer vergeten.

Mevrouw Huizenga (D66):

Kan gebeuren. Via de voorzitter: u gaf een reflectie op de drukte en de hoeveelheid werk die er op u afkomt als minister. In aansluiting daarop had ik een vraag gesteld over de doelmatigheid van de begroting van BZK en hoe we die realiseren. In de beantwoording zie ik wel staan dat we regelmatig doelen beschrijven in de begroting, maar de aanvullende vraag is eigenlijk: hoe realiseren we die ook? We kunnen wel heel veel doelen toevoegen en aanpassen, maar het gaat ons meer over de realisatie. Kunt u daar nog iets over zeggen? Hoe realistisch is alles en hoe halen we alles? We kunnen heel veel doelen stellen en allerlei onderwerpen toevoegen, maar hoe gaan we die dan realiseren? Kunt u daar een reflectie op geven?

Minister Rijkaart:

Dat is een heel relevante vraag, die we ons allemaal moeten stellen. Hier in dit gremium stellen wij heel vaak hele mooie plannen op. Over het algemeen hebben we goede ideeën met z'n allen. Dan zeggen we: we gaan het doen. Maar hoe realistisch, haalbaar en betaalbaar is dat allemaal? Inmiddels zitten we al in een construct waarin we in ieder geval altijd zeggen dat er wel of geen dekking voor is. Dat onderschrijft al gauw hoe haalbaar en betaalbaar het allemaal is. Dan heb je daarover een oordeel. Sommige dingen zijn echt aan de buitenwereld. Hoe realistisch is het dat we dit allemaal buiten deze Kamer zouden kunnen realiseren? Daar zouden we soms met z'n allen wat dieper over na mogen denken. De opgaven stapelen zich namelijk heel vaak op terwijl de tijd kort is. Het personeelsbestand mag ook niet oneindig uitdijen; dat is ook vaak een vraag van uw Kamer. Het ambtenarenapparaat wordt groter en groter. Het hebben van meer doelen betekent vaak ook dat er meer mensen aan het werk zijn. Maar je kunt ook de keuze maken dat je iets niet meer gaat doen. Die systematiek zullen we met z'n allen — of u, als ik hier klaar ben — toch eens moeten doorgronden: wat gaan wij niet meer doen? Dat zou ook een keuze kunnen zijn.

De voorzitter:

Er is een vervolgvraag van mevrouw Huizenga op dit punt.

Mevrouw Huizenga (D66):

De vervolgvraag is: geeft u uw advies om echt realistische dingen toe te voegen dan ook aan uw eventuele opvolger mee?

Minister Rijkaart:

Als de vraag is "zou u bijvoorbeeld bij een appreciatie ook een realismeperspectief mee kunnen geven?" dan is het antwoord dat we dat zo veel mogelijk proberen te doen. Ik wil ook zeker aan mijn opvolger meegeven dat die deze werkwijze er vooral in moet houden en waar nodig moet versterken.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik heb gisteren in mijn bijdrage iets gezegd over ondersteuningsverklaringen. Ik heb daar in de schriftelijke antwoorden geen reactie van de minister op gevonden. Ik ben benieuwd hoe hij kijkt naar het idee om dat aantal omhoog te brengen van 580 naar … Noem maar wat.

Minister Rijkaart:

Daar kom ik zo even op terug. Ik herinner me uw vraag inderdaad. Ik zal die even uitzetten en kijken of we daar een goed antwoord op kunnen formuleren. Het lijkt me in eerste aanleg niet al te problematisch.

De voorzitter:

De minister komt daar in tweede termijn op terug.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dan moet ik een motie indienen. Dat ga ik dan waarschijnlijk nog doen. We hadden ook gevraagd hoe de minister kijkt naar het voorstel om nu alvast geld uit de Wet op de politieke partijen te gebruiken om lokale partijen en lokale afdelingen van landelijke partijen te financieren. Ik ben benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt.

Minister Rijkaart:

Volgens mij zit er een aantal amendementen met ongeveer die strekking in het stapeltje …

De voorzitter:

Mooie brug!

Minister Rijkaart:

… dat ik wilde gaan behandelen.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Krijg ik dan de gelegenheid om daarop door te vragen?

De voorzitter:

Zeker, zeker.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Mooi. Dank u.

De voorzitter:

De minister begint met het appreciëren van de amendementen. Het is prettig voor de administratie als u daar ook even de nummers en de indiener bij noemt.

Minister Rijkaart:

De strekking van het amendement-Clemminck op stuk nr. 16 is de subsidiëring van decentrale politieke partijen. In het amendement wordt voorgesteld een bedrag van 8,15 miljoen op de begroting van openbaar bestuur en democratie toe te voegen aan de Gemeentefondsbegroting, zodat lokale politieke partijen kunnen worden gefinancierd. Dit amendement moet ik in deze vorm ontraden. U stelt voor om een subsidie voor lokale politieke partijen beschikbaar te stellen via de decentralisatieuitkering, maar dan zouden we er geen grip meer op hebben. Dan gaat het een algemene pot in en kunnen die gemeenten het eigenlijk vrij besteden, waardoor het misschien nog niet ten goede komt aan het doel dat u zelf voorstelt.

Ik herken wel een brede wens van deze Kamer om iets te doen aan het versterken van die lokale politieke partijen. Daarom wil ik het volgende voorstellen. Ik doe een handreiking naar de Kamer: ik wil zo spoedig mogelijk met een brief komen over een zinnige besteding die echt ten goede komt aan die lokale politieke partijen. Maar ik moet u wel zeggen dat als wij dat gaan doen, als wij uw suggestie omarmen, het amendement zal moeten komen te vervallen. Anders worden we namelijk met dubbele kosten opgezadeld. Het amendement wordt dus ontraden, maar ik stel wel voor om op korte termijn met die brief te komen, zodat u die kunt beoordelen.

De voorzitter:

U krijgt het woord, meneer Clemminck, maar de amendementen op de stukken nrs. 16 en 33 gaan over hetzelfde onderwerp, dus …

Minister Rijkaart:

Beide worden ontraden.

De voorzitter:

Beide worden ontraden. Komt er op het amendement op stuk nr. 33 nog een andere toelichting? O, deze toelichting geldt ook voor het amendement op stuk nr. 33. Oké. Dat is prettig om te weten. Ik kijk dan ook even in de richting van de heer Van den Brink: dit is de toelichting op het punt dat de heer Van den Brink net inbracht. Dan kijk ik even naar de leden die hier een vraag over hebben. Als eerste is het woord aan de heer Clemminck.

De heer Clemminck (JA21):

Ik probeer even goed te begrijpen wat de minister zegt. De doelstelling van mijn amendement — volgens mij is dat ook de doelstelling van een groot deel van deze Kamer — is om ervoor te zorgen dat de middelen die al in de begroting gereserveerd staan, nog dit jaar toegekend kunnen worden aan gemeenten, zodat lokale politieke partijen daar gebruik van kunnen maken. Zorgt die brief die de minister aankondigt er dan effectief voor dat die middelen ook nog dit jaar besteed kunnen worden? Dat is voor mij een cruciale vraag.

Minister Rijkaart:

Ik denk dat zowel het amendement als de brief niet binnen een dusdanig tijdpad gerealiseerd worden om het nog dit jaar ten goede te kunnen laten komen aan die politieke partijen. Daar is eenvoudigweg te weinig tijd voor. De brief wendt wel een beklemmende besteding aan, zodat het gevaar voorkomen wordt dat ik schetste. Daarom ontraadde ik ook de amendementen op de stukken nrs. 16 en 33. Het moet dus niet ins Blaue hinein gaan; het moet echt ten goede komen aan die politieke partijen. Daar zal die brief duiding aan geven.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van meneer Clemminck.

De heer Clemminck (JA21):

Maar wat is dan het verschil tussen de toezegging die de minister doet en wachten tot de Wet op de politieke partijen is aangenomen? Ik zie het verschil niet meer.

Minister Rijkaart:

Nou ja, je hebt hierover mogelijk al eerder een uitspraak dan dat de wet er helemaal doorheen is. Dan kan je nog over deze gelden gaan beschikken.

De heer Vermeer (BBB):

Ik vind dat ingewikkeld, want we moeten stemmen over dat amendement en de brief hebben we nog niet. Geen enkele lokale partij kan geld krijgen door een brief an sich; die brief moet dan ook een besluit bevatten. Mijn vraag aan de minister is of die brief dan ook het besluit bevat dat ervoor zorgt dat lokale partijen gegarandeerd geld krijgen, en op welke termijn dat geld dan komt.

Minister Rijkaart:

Er zal dan nadere duiding komen over dat geld, en over dat dat echt ten goede komt aan die politieke partijen. Want anders heeft dit niet zo veel zin. Dan ben ik met een amendement bezig waarin ik een gevaar zie staan.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van meneer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

Eigenlijk adviseert hij: ga tegen dit amendement stemmen, want dit garandeert niet wat jullie willen. Maar wij weten niet wat het alternatief is. Dan hebben we misschien liever een amendement waarbij de garantie er niet is maar waarbij we wel de druk van die lokale partijen vol op die gemeentecolleges kunnen leggen. Die lokale partijen hebben gemiddeld genomen namelijk zeker 40% van de stemmen. In veel gemeentes hebben ze zelfs de meerderheid en kunnen ze het ook afdwingen. Maar wij moeten een goed gevoel hebben bij wat nou de uitkomst wordt.

Minister Rijkaart:

Ik vat even de vragen samen van de heer Clemminck en de heer Vermeer. Volgens mij is dit de concrete vraag: komen de gelden tijdig dan wel zo snel mogelijk daadwerkelijk bij die lokale politieke partijen terecht als ik met een brief kom met een voorstel voor de besteding van deze gelden? De voorkeur daarbij is dan: voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen. Ik kijk even om te zien of ik het zo goed samenvat.

De heer Vermeer (BBB):

Ik kan niet namens de heer Clemminck spreken, maar ik denk dat voor de komende verkiezingen … Dat geld moet eerst nog overgemaakt worden. Daar gaan die lokale partijen echt geen advertenties meer voor kunnen inkopen en dat soort dingen. Als het lukt, zou ik dat een huzarenstukje vinden en krijgt u van mij hiervoor een bokaal. Maar wij moeten wel weten of dat nog dit jaar geregeld wordt, ja of nee.

Minister Rijkaart:

Een concrete vraag. Daar kan ik wat mee. Daar kom ik in tweede termijn op terug. Ik hoor ook dat ik een bokaal krijg. Dat is misschien nog beter, want ik heb al eerder te horen gekregen dat ik mogelijk een openbaar toilet krijg.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Kan de minister misschien iets meer zeggen over waar hij dan aan denkt als het niet via die subsidie kan? Hoe denkt hij dan die lokale politieke partijen en lokale afdelingen van landelijke partijen financieel tegemoet te kunnen komen?

Minister Rijkaart:

Wij hebben ook andere programma's. Het gaat hierbij om het volgende. Het geld verdwijnt in de algemene pot. Dan bestaat het gevaar dat het gewoon verwatert en verdwijnt. We hebben andere programma's waarbij we die beklemming wel kunnen doen. Dat is volgens mij essentieel om het geld uiteindelijk bij die lokale partijen te krijgen.

De voorzitter:

Meneer Van den Brink, een vervolgvraag.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dan gaat het niet om het versterken van het lokaal bestuur maar echt om het versterken van die lokale afdelingen en die lokale partijen. Dat onderscheid zou ik graag scherp maken.

Minister Rijkaart:

Het programma dat wij hebben betreft wel het lokale bestuur, in de volle breedte. Ik zal even moeten bezien of daar inderdaad een subparagraaf onder zit die zegt dat het echt ten volle daaraan ten goede komt. Maar hoe dan ook is de uitkomst wat betreft het lokale bestuur beter dan wat nu voorligt; daarom wordt het amendement ook ontraden.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van den Brink.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dan ga ik daar straks toch gewoon een motie over indienen. Ik zal daarin vragen om het wel echt bij de lokale partijen en lokale afdelingen terecht te laten komen.

De voorzitter:

Dat mag. Daar kijken we dan naar uit. De minister vervolgt zijn appreciatie van de amendementen.

Minister Rijkaart:

Voorzitter. Even voor de administratie: de amendementen op de stukken nrs. 16 en 33 krijgen dus allebei hetzelfde oordeel, namelijk ontraden.

Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 30 van het lid Kröger. Dat gaat over €100.000 vrijmaken ten bate van diepgaand onderzoek door een onafhankelijke partij naar de beste manier om burgerberaden te betrekken. Dit amendement moet ik ontraden, omdat beschreven staat dat dit moet op basis van artikel 11. Maar ik wil hier toch graag een handreiking doen. Als het amendement aangepast wordt met dekking elders binnen artikel 1, kan ik het oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ik zie mevrouw Kröger knikken. Ik geef haar het woord.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Ja, dat is een suggestie voor een alternatieve dekking waar ik even goed naar ga kijken, maar volgens mij kunnen we dat doen. Ja.

De voorzitter:

De heer Sneller op dit punt.

De heer Sneller (D66):

Ja, het is een mooi amendement van mevrouw Kröger. Ik gun haar van harte de dekking daarvoor. Hoeveel zit er dan onbeklemd in dat artikel waar nu dekking uit wordt geserveerd?

Minister Rijkaart:

Dat durf ik zo uit mijn hoofd niet te zeggen, maar er is mij verzekerd dat er voor dit geval nog genoeg in de pot zit.

De heer Sneller (D66):

En zoals gezegd: dat gun ik haar van harte. We hebben er met die budgetflexibiliteit altijd ingewikkelde discussies over, maar als we hier toch de begroting aan het behandelen zijn, zou ik het toch wel waarderen als de minister iets preciezer is over welke ruimte er is. Dat mag ook in de tweede termijn. Volgens mij stemmen we pas in maart over de amendementen, maar dit is natuurlijk wel de crux van een begrotingsbehandeling.

De voorzitter:

Wie weet wat er nog voor andere appreciaties komen, meneer Sneller, met suggesties, dus we gaan door. Voor de administratie: het amendement op stuk nr. 30 is ontraden. Er is een alternatieve dekking gesuggereerd en daar beraadt mevrouw Kröger zich op.

Dan heb ik het amendement op stuk nr. 31 op mijn lijst.

Minister Rijkaart:

Ja, voorzitter, dat heb ik ook op mijn lijst. Dat is het amendement van de heer Van Baarle over extra middelen voor de aanpak van discriminatie. Dat ontraden wij. Natuurlijk ben ik het met de heer Van Baarle eens dat er een aanpak van discriminatie moet komen. Dat is ook heel erg belangrijk, maar in de huidige begroting staan daar al voldoende middelen voor. We doen al diverse dingen in de aanpak van discriminatie. Het amendement op stuk nr. 31 wordt derhalve ontraden.

Het amendement op stuk nr. 32, ook van het lid Van Baarle, over de versterking van de NCDR, ga ik ook ontraden. De NCDR heeft een budget dat is opgestart met 2 miljoen en dat later is opgehoogd met 2,5 miljoen. Er is op dit moment geen signaal dat de middelen voor de NCDR ontoereikend zijn. Derhalve wordt het amendement op stuk nr. 32 ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 32: ontraden. Dan komen we bij het amendement op stuk nr. 34.

Minister Rijkaart:

Het amendement op stuk nr. 34 van het lid Erkens over een pilot om AI toe te passen bij de afhandeling van Woo-verzoeken wil ik op dit moment ontraden. Er wordt dekking gezocht vanuit de Wet op de politieke partijen. Het gaat om de gereserveerde middelen aanwenden voor het achterliggende beleidsdoel, namelijk het versterken van de lokale democratie. De Woo voorziet niet in het versterken van de lokale democratie. Daarnaast doen wij al het een en ander rondom de Woo en AI-inzet. Ik denk dat het goed is om die zaken eerst af te wachten en te laten lopen, zodat het daarmee niet direct conflicteert.

De voorzitter:

Dat leidt tot een vraag van de heer Erkens.

De heer Erkens (VVD):

De discussie over de dekking kun je altijd voeren met elkaar. De Woo gaat wel degelijk ook over lokale democratie. De minister geeft eigenlijk aan dat er al best veel loopt op dit moment en dat hij dat wil afwachten. Dat is mij niet duidelijk geworden, ook niet uit de schriftelijke beantwoording. Kan er voorafgaand aan de stemmingen van dinsdag een brief gestuurd worden met wat er allemaal gaande is? Dan kan onze fractie ook beraadslagen over de vraag of we het amendement inderdaad in stemming brengen of niet.

Minister Rijkaart:

Nou, voorzitter …

De voorzitter:

Minister, ik wijs de heer Erkens er eerst even op dat we in maart over de amendementen stemmen. Dus we stemmen dinsdag alleen over de moties. U heeft dus nog iets tijd, meneer Erkens, maar voor de minister is dat niet het geval.

De heer Erkens (VVD):

Dan graag voorafgaand aan de stemmingen graag een brief over de amendementen, voorzitter.

Minister Rijkaart:

Ik kan toezeggen dat er een brief komt over dit specifieke item. Dat is dus het oordeel over het amendement op stuk nr. 34.

Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 36 van de leden Sneller en Erkens over 2 miljoen aan extra gelden voor ProDemos. Dat amendement ga ik toch ontraden, hoe erg ik ze ook een warm hart toedraag. Ik ben er namelijk zelf ook weleens actief en met erg veel plezier; dat heb ik u al eens meer gezegd. Burgerschap is een belangrijk thema. Wij stellen daarvoor ook al structureel gelden beschikbaar door middel van een subsidieregeling specifiek voor ProDemos. We voeren gesprekken met ProDemos over een nieuwe subsidieregeling. De huidige regeling komt immers dit jaar ten einde. Daarvoor zijn al structurele middelen gereserveerd op de begroting. Het is echt aan een nieuw kabinet om daar eventueel nog extra middelen aan toe te kennen. Derhalve krijgt dit amendement het oordeel ontraden.

De voorzitter:

Meneer Vermeer, zullen we de heer Sneller, als indiener, hierop als eerste laten reageren? Dat is wel zo netjes.

De heer Vermeer (BBB):

Ja.

De heer Sneller (D66):

Dit ligt natuurlijk in het verlengde van amendementen die de Kamer in voorgaande jaren heeft aangenomen om een miljoen extra uit te trekken voor ProDemos, zodat ze juist actief kunnen zijn in de regio's waar de doelgroepen minder goed worden bereikt. De minister heeft ervoor gekozen om dat niet in zijn begroting te zetten, dus als ik het goed begrijp, is daar dit jaar geen geld voor.

Minister Rijkaart:

Op dit moment is daar geen geld voor, maar er is wel een budget toegekend aan ProDemos. Als de Kamer wil dat daar extra gelden naartoe gaan, dan is dat echt aan mijn opvolger. ProDemos zal het moeten doen met het budget dat op dit moment is toegekend.

De voorzitter:

Behalve dat we vandaag de begroting bespreken en je dan wijzigingen kunt doorvoeren.

Minister Rijkaart:

Uiteraard.

De voorzitter:

Dat is dan een fait accompli voor uw opvolger.

De heer Sneller (D66):

Volgens mij is het amendement dat de minister in handen heeft juist een uiting van de wens van in ieder geval een klein deel van de Kamer om dat door te trekken. De minister heeft ervoor gekozen om het niet op te nemen in zijn begroting. Als hij zegt dat de dekking uit de Wet op de politieke partijen niet adequaat is, dan is de logische vervolgvraag natuurlijk of artikel 1, waarnaar net verwezen werd, voldoende middelen bevat om het wél te dekken. Of hanteert de minister een hele andere argumentatie?

Minister Rijkaart:

Op dit moment is mijn indruk dat de dekking voor ProDemos voldoende is. We hebben het nog over de subsidieregeling.

De heer Sneller (D66):

Dat miljoen was bedoeld om actief te kunnen zijn in die regio's, wat niet kon voor het oorspronkelijke budget. Daarom is er extra budget ter beschikking gesteld. De minister kiest ervoor om het extra budget voor die extra taken weg te halen of niet te continueren. Dan kan hij niet zeggen "zonder dat miljoen moeten ze het ook gewoon kunnen doen", want dat kon eerst ook al niet. Dit is geen zuivere argumentatie van de minister. Ik hoor graag een inhoudelijke appreciatie, in de zin van: ik garandeer dat ze die taken in de regio's waar ze normaal niet konden komen, toch kunnen voortzetten, ook al heb ik ze dat miljoen niet gegeven.

Minister Rijkaart:

Het is niet zo dat dat geld niet is gegeven of is weggehaald. Althans, dat is mijn opvatting. Dat geld hebben we toegekend, maar dat is uiteindelijk niet gebruikt of aangewend. Als ze dat in de toekomst alsnog willen om het verder te versterken, dan denk ik dat dat via de nieuwe subsidieregeling zal gaan.

De voorzitter:

Ja, dit is het, meneer Sneller. De heer Vermeer heeft nog een vraag hierover.

De heer Vermeer (BBB):

Ik probeer te begrijpen hoe die subsidie, de subsidieovereenkomst en de wensen van de Kamer zich verhouden tot de afspraken die de minister heeft met ProDemos. Tussen de regels door hoor ik dat er twee opties zijn: óf het geld wordt niet beschikbaar gesteld voor taken die afgesproken zijn, wat niet kan omdat knaken taken moeten volgen, óf de minister bedoelt eigenlijk te zeggen dat ProDemos zelf andere prioriteiten stelt dan de Kamer en dat hij geen invloed heeft op de prioriteitstelling van ProDemos. Dat laatste kan ook waar zijn, maar misschien is beide wel waar. Ik denk dat dat uitgezocht moet worden voor de tweede termijn. Ik wil heel graag weten of ProDemos zegt "we zouden wel wat extra's willen, maar we willen iets anders niet doen" en ze dus hun eigen beleidskeuzes maken of dat ze via de subsidieregeling gestuurd worden. Dat laatste betekent dat als ze dat geld krijgen, ze dit ook moeten doen omdat ze anders verzaken en het geld niet krijgen. Hoe werkt het?

Minister Rijkaart:

Het lijkt me goed om hier in de tweede termijn op terug te komen, want dit is een dusdanig specifieke vraag dat dit even uitgezocht moet worden.

De voorzitter:

Dat begrijp ik goed. Op mijn lijst komen we bij het amendement op stuk nr. 37.

Minister Rijkaart:

Ja, ook op mijn lijst. Dat is het amendement van het lid Huizenga over eenmalig een bedrag vrijmaken om onderzoek te doen naar daderprofielen van online haat en bedreigingen van lokale politici. Daar geldt eigenlijk een beetje hetzelfde voor. Dit amendement moet ik op dit moment ontraden, maar als de dekking aangepast kan worden naar een dekking elders binnen artikel 1, dan kan ik het oordeel Kamer geven.

Mevrouw Huizenga (D66):

De logische vervolgvraag is of u kunt aangeven of er voldoende geld in dat artikel zit om dit mogelijk te maken. Zo ja, dan ga ik het gewoon aanpassen.

Minister Rijkaart:

Ik heb een algemene vraag gesteld over de dekking van de diverse amendementen, tegen de achtergrond van: ga ik niet over het totaalbudget heen? Daarop was het antwoord: ja. Dan zal hiervoor dus voldoende geld moeten zijn.

De voorzitter:

Ik zie dat dat akkoord is.

Minister Rijkaart:

Voorzitter, dan ben ik door de amendementen heen.

De voorzitter:

Die indruk heb ik ook. Dan gaan we gelijk over naar de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Is iedereen daar al klaar voor? Dat is het geval.

De eerste spreker in tweede termijn is mevrouw Huizenga van D66. Aan u het woord.

Termijn inbreng

Mevrouw Huizenga (D66):

Voorzitter, bedankt. Ik ben wel een beetje in verwarring — volgens mij geldt dat voor meerdere mensen hier in de Kamer — over hoe we nu omgaan met de begroting, want dit is wat mij betreft juist het moment dat we wijzigingen kunnen doorvoeren. Dus misschien kan de minister daar toch nog op reflecteren. Daarnaast lijkt het erop dat dit misschien wel uw laatste debat is. Ik wil u dus toch bedanken voor uw bijdrage. Dat was het eigenlijk. Ik hou het verder kort. Mijn vraag is vooral hoe we hier in de toekomst mee omgaan. Dat is niet een vraag aan u maar aan uw opvolger. De Kamer moet serieus worden genomen als wij dingen willen wijzigen, zodat wij op het moment dat het er is, er ook mee aan de slag kunnen gaan.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Sneller ziet af van zijn tweede termijn. De heer Erkens ziet ook af van zijn tweede termijn. Dan is het woord aan Mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. In de eerste plaats wil ik graag de minister bedanken, aangezien het waarschijnlijk zijn laatste debat is in de plenaire zaal. Wij blijven zeer bezorgd over de financiële situatie van gemeenten en ook over de nullijn voor ambtenaren. Met name in de lagere schalen is er echt een heel zorgelijk beeld te zien. Wij gaan ervan uit, of hopen in ieder geval, dat een nieuw kabinet dit snel en adequaat oppakt, want dit gaat tot grote problemen leiden.

Wat het amendement over burgerberaden betreft: ik denk dat het in deze tijd waarin de democratie stevig onder druk staat, ongelofelijk belangrijk is om ook nieuwe innovatieve vormen van democratische versterking te steunen. Ik ben dus blij dat dat amendement oordeel Kamer krijgt.

Tot slot één motie, mede namens mevrouw Tseggai, die ik vandaag vervang.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het huidige kabinet ervan afziet om in een nationaal programma tegen discriminatie en racisme te voorzien;

van mening dat ononderbroken voortzetting van een gecoördineerde aanpak van discriminatie en racisme in de vorm van een nationaal programma niet alleen voor de discriminatiebestrijding zélf, maar ook als expliciet normstellend signaal vanuit het kabinet van het grootste belang is;

verzoekt de regering om op korte termijn en aan de hand van de met de Kamer gedeelde denkrichtingen een aanzet voor een nationaal programma tegen discriminatie en racisme naar de Kamer te zenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Tseggai.

Zij krijgt nr. 38 (36800-VII).

Dank u wel.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Even voor de precisie, nauwkeurigheid. Het amendement over burgerberaden, zoals dat is ingediend, is ontraden. De minister deed een suggestie: pas als dat gewijzigd wordt, kan het oordeel Kamer krijgen.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Ik denk dat ik hiermee heb aangegeven dat ik van plan ben die wijziging door te voeren en daarom blij ben met "oordeel Kamer".

De voorzitter:

Zeker. Ook heel goed dat u dat zegt; dan is het maar duidelijk.

Meneer Vermeer, aan u het woord.

De heer Vermeer (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het rapport Elke regio telt! vaststelt dat structurele achterstelling van regio's vraagt om een langjarige en samenhangende aanpak;

constaterende dat via het Nationaal Programma Vitale Regio's uitvoering zal worden gegeven aan de conclusies van dat rapport;

overwegende dat plannen alleen effectief zijn wanneer zij ook daadwerkelijk van voldoende middelen worden voorzien;

verzoekt de regering om, na inzichtelijk te hebben gemaakt wat de uitvoeringskosten van het Nationaal Programma Vitale Regio's zijn, de benodigde middelen zo ruimhartig als nodig beschikbaar te stellen om dit programma volledig en voortvarend tot uitvoering te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.

Zij krijgt nr. 39 (36800-VII).

De heer Vermeer (BBB):

Dan een motie over de gekozen burgemeester.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de rol van de burgemeester in de afgelopen decennia is uitgegroeid tot een zwaar bestuurlijk ambt met grote verantwoordelijkheden op het gebied van openbare orde, veiligheid en maatschappelijke verbinding;

overwegende dat bij zulke verantwoordelijkheden ook een stevig democratisch mandaat past;

overwegende dat directe verkiezing van de burgemeester kan bijdragen aan democratische legitimiteit, betrokkenheid van inwoners en vertrouwen in het lokaal bestuur;

verzoekt de regering om een wetsvoorstel voor te bereiden dat de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester mogelijk maakt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Vermeer en Lammers.

Zij krijgt nr. 40 (36800-VII).

De heer Vermeer (BBB):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker in de tweede termijn is de heer Bosma. Pardon, er is een vraag van de heer Flach voor u, meneer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

Voorzitter, had er twee seconden eerder op de knop gedrukt kunnen worden? Dat had mij een minuut gescheeld.

De voorzitter:

Goed zo, meneer Vermeer, u zit erbovenop! Dat is belangrijk.

De heer Flach (SGP):

Na deze handel in seconden heb ik een vraag over de gekozen burgemeester voor de heer Vermeer. Ik heb de motie gehoord. We hebben het er in het debat verder niet over gehad, in ieder geval niet met u. Wat zegt het de heer Vermeer dat eigenlijk alle burgemeesters zeggen: doe dit niet; gezien de aard en invulling van het ambt op dit moment, gebeuren er gewoon ongelukken als we naar een gekozen burgemeester gaan?

De heer Vermeer (BBB):

Daar past een spreekwoord bij: je moet niet aan de kikkers vragen om de sloot te dempen. Het is natuurlijk heel apart om dat te zeggen tegen ... Ik snap wel dat mensen die nu benoemd zijn en op een positie zitten, het ingewikkeld vinden als het hele proces verandert. Zij zijn daar natuurlijk vanuit een hele andere insteek gekomen. Misschien krijg je dan ook een ander type burgemeester, dat hier juist wel voor openstaat. Kijk, als er geen enkele kandidaat komt, dan weten we dat dit niet de oplossing is, maar ik verwacht dat die er wel komen.

De heer Flach (SGP):

Ik heb weleens betere antwoorden gehoord van de heer Vermeer. Je zou ook kunnen zeggen: deze mensen weten hoe het ambt in elkaar zit en waarschuwen van binnenuit voor de effecten. Het ambt zit steeds meer op de as van openbare orde en veiligheid. Daar past een populariteitswedstrijd, wat een verkiezing toch is, niet bij. Bovendien krijg je botsende programma's tussen de burgemeester aan de ene kant en wethouders met een politieke agenda. Ik ga die motie in ieder geval niet steunen; dat mag helder zijn. Ik zou toch in overweging nemen om er nog eens over na te denken.

De heer Vermeer (BBB):

Er zijn ook andere constructies mogelijk. In België is het bijvoorbeeld meestal zo dat de lijsttrekker van de grootste partij in de gemeenteraadsverkiezingen ook automatisch de burgemeesterskandidaat is. Dan weet men waar men voor stemt, wie men kiest en met welk mandaat dat is. Dat kan dus ook nog een optie zijn. Er zijn meerdere varianten mogelijk. Het is wat ons betreft het toppunt van democratie.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Bosma is de volgende spreker. Sorry, mevrouw Boelsma heeft nog een interruptie.

Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):

Via u, voorzitter. In de motie over Elke regio telt! stelt meneer Vermeer dat de elf regio's de uitvoering zijn van Elke regio telt! Mijn vraag is of hij het met mij eens is dat het breder is, dat het meer thuishoort in het algemene afwegingskader en dat het niet alleen geprojecteerd moet worden op de regio's die in de motie benoemd zijn?

De heer Vermeer (BBB):

Ik constateer dat, zoals hier is afgesproken of in ieder geval wordt voorgesteld door het kabinet, het Nationaal Programma Vitale Regio's een uitvoering is van de conclusies van het rapport. Het is verder aan ons om, als de uitgewerkte plannen er zijn, te beoordelen of die voldoende dekking geven over het totale programma van Elke regio telt! of dat we er nog dingen in missen.

De voorzitter:

Leidt dat tot een vervolgvraag, mevrouw Boelsma?

Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):

Ja, voorzitter. Mijn vervolgvraag is: wat is de mening van de heer Vermeer? Is dit de uitvoering van het programma Elke regio telt!?

De heer Vermeer (BBB):

Volgens mijn informatie wordt er nog volop gewerkt aan die plannen. Pas als dat allemaal beschikbaar is, kan ik mijn eindoordeel hierover geven. Weet dat wij daar als partij, als stem van en voor het platteland en de regio, bovenop zullen zitten.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Bosma.

De heer Martin Bosma (PVV):

Voorzitter, dank u wel. Het was gisteren toch een debat met een zeker historisch belang. Dan heb ik het over de korte interruptie die ik mocht hebben met heer Sneller, want ik vroeg de heer Sneller of zijn partij nog steeds voorstander is van de gekozen burgemeester. Een gekozen burgemeester is niet zomaar iets voor D66. Het is een van de zogenaamde kroonjuwelen. Ik heb nog even het prachtige boekje "Daarom D66" van Hans Gruijters erbij gepakt. Daarin worden de gekozen burgemeester maar ook de gekozen minister-president als "cruciaal" beschreven in de ideeënrijkdom van de toen startende partij. De heer Sneller gaf aan dat de gekozen burgemeester geen onderdeel meer uitmaakt van het verkiezingsprogramma van D66, omdat de leden hebben besloten dat het anders moet. Ik heb dat nog even opgezocht. In de krant staat argumentatie van de mensen die op het D66-congres aanwezig waren. Zij zeiden: "Als je een gekozen burgemeester hebt, kun je iemand krijgen als Trump." Aha, men is dus tegen de gekozen burgemeester omdat de verkiezingen een verkeerde uitslag hebben en niet de juiste mensen opleveren. Verkiezingen vindt men bij D66 blijkbaar dus alleen leuk als de juiste partijen winnen. Anders is D66 blijkbaar tegen verkiezingen.

Historisch gezien is dit van groot belang. Het verbaast ons niet, want de "kroonjuwelen" van D66 waren nooit de kroonjuwelen. D66 is opgericht in de kelder van een reclamebureau, het reclamebureau FHV, en D66 is bedacht door Martin Veltman, de man die ook "Heerlijk helder Heineken" heeft bedacht. Hij adviseerde Hans van Mierlo toen: "Weet je wat je moet doen? Je moet focussen op die staatsrechtelijke dingen. Je moet niet een hele waaier aan programmapunten hebben. Fixeer je op dat staatsrecht." Dat is gebeurd. Vele mensen wisten dat het een reclamestunt was en dat is nu gewoon duidelijk geworden, maar de korte interruptie die ik gisteren mocht hebben, is vooral pikant in verband met de vraag waarom de heer Sneller hier in de Kamer nu niet meer het standpunt te berde zal brengen dat er een gekozen burgemeester moet komen. Dat is niet omdat de heer Sneller over het strand liep en dacht: hé, dat is misschien toch niet een goed idee; ik heb een andere mening. Nee, het zijn de leden die de heer Sneller dwingen tot een ander standpunt. Dat is raar; dat is vreemd.

Ik ben gisteren even teruggegaan in de geschiedenis, mevrouw de voorzitter, met uw welnemen. Ik heb nog eens gememoreerd dat Thorbecke een tegenstander was van politieke partijen. Daarom staan de politieke partijen niet in de Grondwet van 1848, want Thorbecke zei: als we politieke partijen gaan hebben, hebben we geen volksvertegenwoordigers meer maar partijvertegenwoordigers. Dat is dus exact wat er gebeurd is. De Kamerleden die we hier hadden, kwamen bij elkaar in kiesverenigingen. Die kiesverenigingen waren losse verbanden van mensen die gewoon contact met elkaar hadden. Mijn favoriete kiesvereniging heette "Redding door bezuiniging" uit Zutphen. Vervolgens werden dat ledenpartijen. Het kwaad is geschied in 1879, want toen heeft Kuyper de ARP opgericht. Die ARP zei tegen de mensen in de Tweede Kamer die ARP-lid waren: je moet op die en die manier stemmen. Toen kregen we dus eigenlijk het begin van de particratie. De partijbobo's werden dus dominant.

Later is het districtenstelsel afgeschaft en in 1917 kregen we de evenredige kiesvertegenwoordiging. Dat betekent dat de partijbaasjes nog veel machtiger werden, want die waren de controle kwijt op die lokale kiesverenigingen, die gewoon zelf met kandidaten kwamen. Toen kwam ook nog het amendement-Alberda erdoorheen, waardoor voorkeurstemmen eigenlijk geen zin meer hadden. Daarmee was de particratie compleet. Het werden de partijbaasjes die uitmaakten wie er op de lijst kwamen. De kiezers hadden daar niets over te zeggen. Het waren de partijbaasjes die bepaalden wat er in verkiezingsprogramma's geschreven werd. Dat moesten Kamerleden dus maar uitvoeren.

Dit staat natuurlijk haaks op de Grondwet. In de Grondwet staat artikel 69, lid 3. Er stond altijd heel mooi: zonder last en ruggenspraak. Wij hebben een zelfstandig mandaat; zo zou het moeten zijn, maar dat hebben we dus niet meer. We hebben een dubbelmandaat: we moeten ons buigen richting de kiezers, maar sommigen in dit huis moeten ook buigen richting hun ledenpartij. Dat staat natuurlijk haaks op dat grondwetsartikel. Dat betekent ook dat er beloften zijn gedaan.

Dat was 1917, de vestiging van de particratie. Is er ooit verzet geweest tegen die particratie? Jazeker, want op 30 april 1966 kwamen in Hotel Krasnapolsky te Amsterdam 25 jonge mannen bij elkaar, licht kakkineus, meestal lid van de VPRO. Zij zeiden: "Dit is helemaal verkeerd." Ze waren te beschaafd voor Provo en niet socialistisch genoeg voor Nieuw Links. Ze verzonnen een politieke partij; dat werd D66. D66 ontstond op grond van de strijd tegen de particratie. Toen ik gisteren de heer Sneller hoorde, moest ik meteen denken aan een citaat uit het Appèl, het geschrift dat ten grondslag ligt aan D66. Daarin staat het citaat: "De parlementariër heeft slechts een band met zijn partij, want die heeft hem op een verkiesbare plaats gesteld. En als zijn partij moet schipperen met verkiezingsbeloften, dan schippert hij mee." Ik stel vast dat de cirkel rond is. D66 is nu zelf een particratische partij geworden. De leden zijn oppermachtig. De band met de kiezers is er niet meer. De band is er met de ledenpartij.

De voorzitter:

Denkt u aan uw tijd.

De heer Martin Bosma (PVV):

Dat staat haaks op de Grondwet en op hoe we de parlementaire democratie zouden moeten financieren.

Voorzitter. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Thorbecke een fel tegenstander was van de ledenpartij;

overwegende dat hij vreesde dat volksvertegenwoordigers gereduceerd zouden worden tot partijvertegenwoordigers;

constaterende dat hij gelijk heeft gekregen;

constaterende dat parlementariërs het staatsrechtelijke principe dienen te eerbiedigen dat zij moeten handelen zonder last of ruggespraak;

constaterende dat ledenpartijen een aantasting betekenen van het mandaat van gekozen parlementariërs en dus schadelijk zijn voor de parlementaire democratie;

verzoekt de regering een einde te maken aan de subsidie voor politieke partijen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Martin Bosma.

Zij krijgt nr. 41 (36800-VII).

De heer Martin Bosma (PVV):

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan luisteren naar de bijdrage van mevrouw Boelsma in tweede termijn. Zij ziet daarvan af. De heer Van den Brink in tweede termijn. Aan u het woord.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik dank de minister voor de antwoorden in de eerste termijn. Ik wil graag twee moties indienen. Dit is de eerste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voor deelname van een politieke partij aan de Tweede Kamerverkiezingen 580 ondersteuningsverklaringen vereist zijn en 10 per kieskring in Caribisch Nederland;

constaterende dat deze zeer lage drempel deelname aan verkiezingen heel gemakkelijk maakt, wat bijdraagt aan de verdere versnippering van het politieke landschap;

overwegende dat een weerbare en goed functionerende democratie niet alleen open en toegankelijk moet zijn, maar ook vraagt om politieke partijen met voldoende maatschappelijk draagvlak;

overwegende dat het verhogen van het aantal ondersteuningsverklaringen een eenvoudig en proportioneel instrument is om de toetredingsdrempel tot verkiezingen meer in balans te brengen, zonder de kern van het passief kiesrecht aan te tasten;

verzoekt de regering om te verkennen of en hoe het aantal vereiste ondersteuningsverklaringen voor deelname aan verkiezingen kan worden verhoogd, en de Kamer te informeren over de effecten hiervan op versnippering, representativiteit en uitvoerbaarheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Tijs van den Brink.

Zij krijgt nr. 42 (36800-VII).

De heer Vermeer (BBB):

Ik wil heel graag de heer Van den Brink vragen of hij zelf ooit een politieke partij opgericht heeft, of dat hij alleen maar meegelift heeft op een partij die al bestond.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik heb nog nooit een politieke partij opgericht.

De heer Vermeer (BBB):

Hoe kan de heer Van den Brink dan weten dat dat een hele lage drempel is en daar conclusies aan verbinden? Vindt de heer Van den Brink niet ook dat die drempel er automatisch al is op het moment dat er gekozen wordt? Vindt hij dat er dus een drempel opgeworpen moet worden voor het oprichten van nieuwe partijen die willen doen wat andere, bestaande partijen blijkbaar nalaten?

De voorzitter:

Ik hoor dat hij daar een motie over indient.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik wil graag van de minister horen wat het effect daarvan zouden zijn en of dat zou leiden tot bijvoorbeeld minder partijen. Dat weet ik niet. Ik heb nooit een partij opgericht; dat zeg ik u eerlijk. Ik denk dat het een hele lage drempel is, dat we heel veel partijen hebben in dit land en dat dat de bestuurbaarheid van het land niet altijd ten goede komt. Ik zoek dus naar middelen om misschien tot iets minder partijen te komen, maar wel op een manier waarbij iedereen de mogelijkheid heeft om zich uit te spreken en om te kiezen zoals hij wil.

De voorzitter:

De heer Vermeer, tot slot.

De heer Vermeer (BBB):

Ik heb nog wel een vraag. De heer Van den Brink zegt dat dit de bestuurbaarheid van Nederland ten goede zou komen, maar op welk onderzoek en op welke feiten baseert hij zich als hij zegt dat kleine partijen zorgen voor slechte bestuurbaarheid terwijl de grote partijen hier steeds aan het besturen zijn en crisissen veroorzaken?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik denk dat ik dat niet eens ga bestrijden. Maar stel dat alle partijen hier in de Kamer vier zetels hadden. Hoe zouden we dan een regering moeten maken?

De heer Vermeer (BBB):

Dat is een eenvoudige rekensom. Dan moet je 76 door 4 delen. Zoveel partijen heb je dan nodig.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ja, maar zou dat bestuurbaarheid opleveren?

De voorzitter:

Meneer Van den Brink, het is niet echt de bedoeling om een vraag terug te stellen. Als u een antwoord op een vraag moet geven, dan gaan we zo over en weer met elkaar in gesprek. Dit komt de orde niet ten goede. De heer Bosma heeft nog een vraag voor u.

De heer Martin Bosma (PVV):

De heer Van den Brink wil het aantal ondersteuningsverklaringen verhogen. Nou, dat is een standpunt. Hij is lid van een ledenpartij. Stel nou eens dat de ledenpartij waar de heer Van den Brink lid van is, zegt dat het aantal ondersteuningsverklaringen naar nul moet, of — het maakt niet uit — naar een heel klein aantal. Gehoorzaamt hij dan die ledenpartij?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Die ledenpartij spreek ik niet elke dag. Dus dan komt er een moment dat er een verkiezingsprogramma wordt vastgesteld en dat wij daarover met elkaar in gesprek gaan. Dan ga ik met mijn leden in gesprek en leg ik uit waarom ik het wél een goed idee vind. Als dan in het verkiezingsprogramma zou komen te staan, wat mij zou verrassen, dat het geen goed idee is, dan gaan we daar eens goed over praten met elkaar.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nou ja, je kan altijd goed met elkaar praten; dat is het punt niet. De vraag is als volgt. Stel dat zijn ledenpartij bij elkaar komt — er is een congres of wat dan ook, of het is het bestuur — en er wordt gezegd: wij delen het standpunt van de heer Van den Brink niet; hij moet zijn standpunt wijzigen. Wijzigt hij dan zijn standpunt?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Congressen kopen geen straaljagers, heb ik altijd geleerd. Uiteindelijk maak ik dan zelf opnieuw een afweging over welk standpunt ik, met mijn fractie, hierover inneem.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Bosma.

De heer Martin Bosma (PVV):

O, dus de leden van het CDA betalen contributie; dan mogen ze meepraten. Dan wordt er een motie aangenomen waarin staat "de heer Van den Brink heeft zich vergist met dat aantal ondersteuningsverklaringen", en dan gaat de heer Van den Brink daar helemaal niets mee doen. Is dat niet een soort van oplichting of zo?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Nee, dat lijkt me niet. En ik zeg ook niet dat ik daar niets mee ga doen. Ik heb gezegd dat wij dan met elkaar het gesprek aangaan, dat daar een uitkomst uit komt en dat uiteindelijk de fractie hier een volledig eigen mandaat heeft om te doen wat ze wil doen. Daar heeft u gelijk in. Wij stemmen hier zonder last.

De voorzitter:

U heeft nog een tweede motie.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dat klopt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat decentrale politieke partijen een belangrijk onderdeel zijn van onze democratie, maar in tegenstelling tot landelijke lokale politieke partijen geen financiering ontvangen;

constaterende dat met de Wet op de politieke partijen er voorzien zal worden in deze financiering en dat het geld hiervoor daarom al gereserveerd is;

overwegende dat het conform het voorstel van de VNG uitvoerbaar is om dit geld via een tijdelijke, eenmalige, subsidieregeling aan lokale politieke partijen uit te keren;

verzoekt de regering subsidiëring voor decentrale politieke partijen mogelijk te maken, vooruitlopend op de Wet op de politieke partijen, aangezien de middelen hiervoor reeds beschikbaar zijn;

verzoekt de regering de Kamer daarbij eveneens te informeren over welke verplichtingen decentrale politieke partijen daarbij moeten aangaan rondom transparantie van financiën en kandidaatstellingsprocedures gedurende deze overbruggingsperiode,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Tijs van den Brink en Boelsma-Hoekstra.

Zij krijgt nr. 43 (36800-VII).

Dank u wel. Ook dit leidt tot een vraag, van de heer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

Als ook lid van een lokale partij en jarenlang raadslid voor een lokale partij werd ik geconfronteerd met onderzoeken die suggereerden dat bij een lokale partij de giften beter gecontroleerd zouden moeten worden dan bij een afdeling van een landelijke partij. Wat is de mening van de heer Van den Brink hierover? Maakt hijzelf de inschatting dat de risico's op ongewenste beïnvloeding bij lokale partijen groter zijn dan bij afdelingen van landelijke partijen? Ja of nee?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik heb geen reden om dat te vermoeden. Ik weet dat in de nieuwe Wet op de politieke partijen dezelfde eisen worden gesteld aan lokale afdelingen van landelijke partijen als aan lokale partijen. Dat lijkt mij heel verstandig.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee bent u aan het einde van uw tweede termijn gekomen. Dan gaan we luisteren naar de heer Clemminck voor zijn bijdrage in de tweede termijn. Aan u het woord.

De heer Clemminck (JA21):

Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen. Ik ga alleen even in op het amendement, en de interrupties die ik al even had op de minister, om ondersteunende middelen voor lokale politieke partijen mogelijk te maken. Ik constateer dat de politieke wil er in ieder geval is bij de minister. Volgens mij geldt dat ook voor een groot deel van deze Kamer, maar in ieder geval geldt dat voor de Verenging van Nederlandse Gemeenten en voor honderden lokale partijen, waarvan wij ook een brief hebben ontvangen. Mijn amendement regelt dat dat zo snel mogelijk gebeurt. Dat gaat sneller dan wat staat in de brief van de minister. Ik begrijp van de VNG dat ze een modelverordening klaar hebben staan, waarvan gemeenten gebruik kunnen maken, zodat alles wat betreft voorwaardes en de verantwoording over het bedrag goed geregeld is. Ik hoor dus graag een nadere reflectie van de minister op het amendement en mijn inbreng op dit moment. Ik zal het amendement zeker in stemming laten brengen in maart.

De voorzitter:

Dat staat u vrij. Dank u wel. De heer Van Baarle voor zijn tweede termijn. Gaat uw gang.

De heer Van Baarle (DENK):

Ik dank de minister voor de beantwoording. Ik heb een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat slechts 37% van de gemeenten actief lokaal antidiscriminatiebeleid voert en dat met name kleinere gemeenten achterblijven;

verzoekt de regering om te verkennen op welke wijze het voeren van antidiscriminatiebeleid voor gemeenten kan worden verplicht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 44 (36800-VII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat meerdere moskeeën en islamitische instellingen de afgelopen periode te maken hebben gehad met intimidatie, haatincidenten, vernielingen en bedreigingen;

verzoekt de regering om een landelijk actieplan tegen moslimhaat te ontwikkelen, in samenwerking met gemeenten en maatschappelijke organisaties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 45 (36800-VII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties werkt aan een model voor de aanpak van racisme en discriminatie binnen de rijksoverheid, inclusief departementale beleids- en effectrapportages;

overwegende dat de minister op grond van het Coördinatiebesluit kaders kan stellen ter bevordering van eenheid, kwaliteit en efficiëntie van de bedrijfsvoering door ministeries;

verzoekt de regering om, binnen de bestaande wettelijke kaders, dit model rijksbreed te implementeren en departementen te verplichten de rapportage volgens dit model aan te leveren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 46 (36800-VII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de rijksinkoopstrategie op dit moment wordt geactualiseerd;

van mening dat de rijksoverheid niet samen zou moeten werken met bedrijven die onherroepelijk veroordeeld zijn voor discriminatie;

verzoekt de regering in de actualisatie van de rijksinkoopstrategie te streven naar het maximaal benutten van de (juridische) ruimte om de antidiscriminatiebepaling op te nemen in de rijksinkoopstrategie en hierbij ook maatregelen te treffen zodat deze structureel en rijksbreed wordt toegepast,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 47 (36800-VII).

De heer Van Baarle (DENK):

Tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het conceptwetsvoorstel voor een landelijke antidiscriminatievoorziening reeds is voorbereid en het kabinet aangeeft dat het aan het nieuwe kabinet is om het conceptwetsvoorstel verder te brengen en open te stellen voor internetconsultatie;

verzoekt de regering om na de beëdiging van het nieuwe kabinet de behandeling van het wetsvoorstel voor een landelijke antidiscriminatievoorziening met prioriteit op te pakken zodat het wetsvoorstel nog dit jaar ingediend kan worden bij de Tweede Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 48 (36800-VII).

Dank u wel. We gaan luisteren naar de bijdrage van de heer Flach in de tweede termijn. Meneer Flach.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter. Dank voor de beantwoording en het debat dat we deze week hebben gevoerd. Ik wil nog twee dingen opmerken. Eén opmerking gaat over regio's. Het Rijk gaat de woningnood niet oplossen, net zoals het Rijk jeugdzorg niet uitvoert en niet zorgt voor leefbaarheid. Daar hebben we toch echt gemeenten voor nodig, die dat dicht bij en met hun inwoners doen, net als regio's. Als ik in regio's kom, valt het mij op dat nog steeds een veelgehoorde klacht is dat de toegang tot ministeries moeilijk is. Als je al binnenkomt, is het per departement, en juist een van de winstpunten van de regiodeal was dat het integraal zou zijn. Vandaar deze motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat voorkomen dient te worden dat een kansenkloof ontstaat tussen regio's doordat sommige regio's buiten alle landelijke gebiedsgerichte programma's vallen;

constaterende dat het kabinet ook voor regio's die buiten de landelijke gebiedsgerichte programma's voor regio's vallen een aanspreekpunt wil bieden;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat het aanspreekpunt voor regio's ook een bestuurlijke dialoog tussen departementen en regio kan faciliteren over de doorontwikkeling van een langjarige agenda voor een gebiedsgerichte aanpak,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.

Zij krijgt nr. 49 (36800-VII).

De heer Flach (SGP):

De tweede motie gaat over Moerdijk.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet en de regio in de komende maanden een voorkeur willen ontwikkelen voor de toekomst van het dorp Moerdijk en het omliggende gebied;

overwegende dat het bezoeken van begraafplaatsen een diep emotioneel belang is dat de overheid dient te respecteren;

verzoekt de regering bij de ontwikkeling van een voorkeur hoe dan ook te waarborgen dat de begraafplaatsen van het dorp Moerdijk toegankelijk blijven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.

Zij krijgt nr. 50 (36800-VII).

Dank u wel. Daarmee komen we bij de bijdrage in de tweede termijn van mevrouw Bikker. Ik kijk naar mevrouw Bikker en geef haar het woord.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Ik begin meteen met drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de coalitie van D66, VVD en CDA in het coalitieakkoord een onderzoek naar verhoging van de kiesdrempel voorstelt;

overwegende dat de staatscommissie-Remkes in het eindrapport Lage drempels, hoge dijken concludeerde dat een hogere kiesdrempel geen oplossing is voor gemakkelijkere kabinetsformaties en een hogere kiesdrempel niet past bij de representatieve democratie in Nederland;

overwegende dat er bezuinigd moet worden en een nieuw onderzoek naar verhoging van de kiesdrempel niet nodig is;

verzoekt de regering geen geld te steken in een onderzoek waarvan de uitkomsten al bekend zijn en dus niet opnieuw onderzoek te gaan doen naar verhoging van de kiesdrempel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Flach, Vermeer, Lammers, Clemminck, Van Baarle, Struijs, Beckerman, Kröger en Kostić.

Zij krijgt nr. 52 (36800-VII).

Er is een interruptie op dit punt van de heer Van den Brink.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ja, ik heb wel de behoefte om hier iets over te vragen aan mevrouw Bikker, en er ook iets over te zeggen. Gisteren heb ik namelijk ook de woorden van meneer Struijs, meneer Flach en meneer Vermeer gehoord. Ik hoorde ook de emotie daarin, en ik snap die ook. Dat is het eerste wat ik daarover wil zeggen. Ik kan me voorstellen dat het voor u voelt alsof wij, de grote partijen, jullie, de kleine partijen, weg willen hebben. Dat is absoluut niet het geval. De informateur sprak hier afgelopen dinsdag, geloof ik, haar waardering uit voor hoe hard er hier gewerkt wordt. Ik ben hier nu een paar maanden en mij valt op dat hier inderdaad ontzettend hard gewerkt wordt, zeker ook door uw partij en de andere kleine partijen. Onze waardering daarvoor is groot. Ik vind het super-de-luxe dat u er bent en dat de andere kleine partijen er zijn, en dat we samen een goede vertegenwoordiging zijn van de Nederlandse bevolking. De vraag is voor ons of we ons die luxe nog kunnen permitteren. Kan er een moment komen waarop het het hier zo versnipperd is dat het land niet meer geregeerd kan worden? Stel dat er 50 partijen zijn van 3 zetels. Hoe doen we dat dan?

De voorzitter:

Uw vraag is helder. Mevrouw Bikker.

De heer Vermeer (BBB):

Voorzitter, een punt van orde.

De voorzitter:

De heer Vermeer, voor een punt van orde.

De heer Vermeer (BBB):

Ik vind het gewoon heel aanmatigend hoe hier gepraat wordt en hoe partijen ingedeeld worden in groot en klein, terwijl de heer Van den Brink, als zijn geheugen goed is, precies kan uittellen hoeveel Kamerleden het CDA in de afgelopen periode had. Iedere partij begint klein, en kan alleen maar groot worden als zij klein begonnen is.

De voorzitter:

Oké, uw punt is duidelijk.

De heer Vermeer (BBB):

Ik vind dat we partijen hier niet op deze manier moeten indelen terwijl de kiezer elke keer weer de keuze heeft om iedereen net zo groot te maken als hij belieft.

De voorzitter:

Uw standpunt is duidelijk. Over smaak valt te twisten. Ik kijk nu mevrouw Bikker aan voor het antwoord op de vraag van de heer Van den Brink.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Allereerst ontvang ik natuurlijk graag de complimenten van collega Van den Brink voor het goede werk dat wordt verzet door heel veel fracties hier, en zeker ook door de ChristenUniefractie. Inderdaad waren het in de afgelopen periode de collega's Grinwis en Ceder die het meest voor elkaar kregen. Dat zegt ook iets over elke Kamerzetel hier. Daar wil ik mee beginnen. Elke Kamerzetel van de 150 heeft een waarde in zichzelf en een volksvertegenwoordigende waarde. Collega Bosma heeft heel mooi de geschiedenis daarvan uitgelegd, ook aan de hand van de Grondwet. Onze Grondwet kent geen partijen.

Terug naar het voorstel dat hier nu voorligt! Ik dank voor de waardering. Als je waardering krijgt en de uitkomst vervolgens is dat men aan de slag gaat met alle aanbevelingen van de commissie-Remkes, de staatscommissie nota bene, maar het laatste punt van die alinea juist contrair aan de aanbeveling is, dan wekt dat wel bevreemding. Het gaat dan over de constructieve partijen waar deze coalitie zeer van afhankelijk is. Ik heb eerder in mijn interruptie op collega Erkens uitgelegd dat ik van harte mee wil denken over de bestuurbaarheid van dit land en dat daar allerlei vragen over te stellen zijn. Neem bijvoorbeeld over het verdwijnen van de oude politieke tradities, de bestaande geworteldheid en de debatten die we hier voeren. Daar ga ik graag het gesprek over aan. Doe dat echter niet door opnieuw iets te onderzoeken wat al onderzocht is en geen effect heeft, terwijl je vervolgens wel de bijl legt bij de wortels van partijen die zich, in het geval van de SGP, al meer dan honderd jaar constructief laten zien.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Van den Brink.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Mijn vraag zou zijn: zou u mij willen geloven als ik zeg dat het niet de arrogantie van de macht is dat we dit voorstellen, maar dat we het juist vanuit onmacht doen? We gaan nu met een minderheidskabinet aan de slag. Dat is niet uit luxe. We gaan onze uiterste best doen. We gaan er het beste van maken, maar de grootste partij in 2018 had 41 zetels, terwijl de grootste partij nu nog maar 26 zetels heeft. Toen Remkes zijn advies schreef, was de situatie dus minder gefragmenteerd dan nu. Dat zit erachter. Het is niet de arrogantie van de macht, wat mij betreft. Alstublieft, neemt u dat van mij aan. Het is de onmacht om dit land goed te besturen.

De voorzitter:

Ja, maar we geloven op een andere ... Het gaat om standpunten.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

We geloven allebei; dat is mooi. Daar ben ik ook heel blij om. Het is fijn om te horen dat dit niet arrogant bedoeld is, maar het voelt eerlijk gezegd erg ongemakkelijk. Ik ben in de vorige ronde heel goed met het CDA opgetrokken toen het vijf zetels had. Ik weet dat er daarvoor, onder Buma, altijd het voornemen bestond om de kiesdrempel te verhogen. Zodra het CDA teruggeveerd is, zijn we ook daar weer bij terug. Dat verrast me, eerlijk gezegd. Ik wil heel graag het gesprek voeren over hoe we de bestuurbaarheid van dit land verbeteren. Sterker nog, ik heb zelf een initiatiefnota aangekondigd om daar ook op andere manieren over na te denken. Als je deze oplossing kiest, wetend in welk getij dit kabinet zit, wetend ook dat niet de ChristenUnie, de SGP of de SP het debat hier onmogelijk maakt of ervoor zorgt dat het land onbestuurbaar raakt, dan vind ik eigenlijk dat je een vals akkoord maakt, terwijl je een mooi muziekstuk wilt maken. Begin niet met een vals akkoord. Een dissonant zou nog kunnen, maar dit is een vals akkoord.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik ben persoonlijk nog niet overtuigd van het nut van een kiesdrempel. Mijn partij, de leden, hebben me gevraagd om te onderzoeken of die een rol kan spelen. Dat onderzoek gaan we graag aan, maar ik weet niet wat de uitkomst is. Nogmaals, het is niet bedoeld om u te desavoueren. Het is bedoeld om met elkaar na te denken over hoe we dit land bestuurbaar houden. Dat is de kern van ons onderzoek.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Als je iets niet bedoelt, dan moet je soms ook bedenken welke daden je daaraan koppelt. Ik ben blij om te horen dat collega Van den Brink zegt dat het zo niet bedoeld is. Dat is goed om te horen. Eerlijk gezegd kennen we allemaal situaties in ons leven waarin we iets niet zo bedoelen, maar dan moeten we dat ook laten zien in onze daden. Dan had ik een veel breder onderzoek verwacht dan een heel specifiek onderzoek naar de kiesdrempel.

De voorzitter:

U vervolgt. U heeft nog twee moties.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ja, ik ga als de brandweer, voorzitter. Daar gaan we!

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat burgemeesters en wethouders in toenemende mate te maken hebben met agressie, intimidatie en bedreigingen;

overwegende dat het uitblijven van duidelijke keuzes rondom de Spreidingswet en het tegelijkertijd laten voortbestaan van de wettelijke verplichtingen, lokale bestuurders in een kwetsbare positie brengt en bijdraagt aan maatschappelijke onrust en bedreigingen;

verzoekt de regering expliciet en publiekelijk burgemeesters en andere lokale bestuurders actief en zichtbaar te steunen bij de uitoefening van wettelijke taken;

verzoekt de regering de gevolgen van de toename van agressie, intimidatie en bedreiging voor de bereidheid en beschikbaarheid voor ambten van burgemeesters, lokale en provinciale vertegenwoordiging in beeld te brengen en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bikker.

Zij krijgt nr. 53 (36600-VII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet-Schoof en het aanstaande kabinet goede woorden schrijven over investeringen buiten de Randstad, zoals in de programma's Elke regio telt! en het Nationaal Programma Vitale Regio's;

overwegende dat het cynisme groeit als er wel mooie woorden gesproken worden, maar geen daden volgen;

verzoekt de regering de plannen voor de regio te voorzien van een financiële onderbouwing,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bikker.

Zij krijgt nr. 54 (36800-VII).

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank u voor uw geweldige begeleiding van dit debat. Ik wil ook de bewindspersoon bedanken voor zijn beantwoording en voor alles wat hij in dit ambt heeft gedaan om goed te zorgen voor ons land. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank voor uw aardige woorden. Wij gaan luisteren naar de bijdrage van mevrouw Beckerman in tweede termijn.

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de nullijn, met name voor medewerkers in de uitvoering, de overheid tot een minder aantrekkelijke werkgever maakt en kan leiden tot verhoogde uitstroom en personeelstekorten, wat ten koste gaat van de kwaliteit van de uitvoering;

overwegende dat het hanteren van een nullijn als openingsbod in de cao-onderhandelingen de waarde van het harde werk van deze medewerkers onvoldoende erkent, kan leiden tot financiële problemen voor de lagere loonschalen en heeft geleid tot vastgelopen gesprekken;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat een nullijn niet langer wordt gehanteerd en niet langer als uitgangspunt dient voor gesprekken met de vakbonden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 55 (36800-VII).

Mevrouw Beckerman (SP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Beckerman. Ik kijk naar de heer Struijs. Ja, hij komt hiernaartoe. Ik geef hem het woord voor zijn bijdrage in de tweede termijn.

De heer Struijs (50PLUS):

Voorzitter. Minister, dank. Ook wij hebben zo onze dilemma's, zeker als het gaat om publieke toiletten. Wij hebben intensief contact gezocht met de gemeenten en ervaren leden. Wij hebben toch besloten, mede omdat dit een publieke voorziening is die gestimuleerd wordt door de gemeenten, om dit bij BZK in te dienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende het feit dat veel ouderen en mensen met een aandoening of handicap minder vaak of minder lang de deur uit durven omdat zij afhankelijk zijn van een toilet in de buurt;

overwegende het feit dat dit kan bijdragen aan vereenzaming of een nodeloze inperking van de bewegingsvrijheid;

overwegende het feit dat het ook door Nederland ondertekende VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap gelijke rechten, zelfstandigheid en inclusie voor mensen met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking garandeert, en de overheid verplicht om toegankelijkheid in al haar facetten te bevorderen;

overwegende dat openbare toiletten vanuit gemeenten geregeld kunnen worden;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe het aantal goede openbare toiletten op logische plekken substantieel kan worden uitgebreid, en de Tweede Kamer daarvoor een plan te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Struijs, Van Brenk, Tseggai en Beckerman.

Zij krijgt nr. 56 (36800-VII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat gemeenten om privacyredenen niet aan elkaar mogen doorgeven wanneer zij te maken hebben (gehad) met een frauderende zorgorganisatie, waardoor deze in andere gemeenten weer aan de slag kan;

overwegende dat dit nodeloos gemeenschapsgeld kost, dat veel beter gebruikt kan worden;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe het mogelijk gemaakt kan worden dat gemeenten dit soort informatie wel aan elkaar mogen doorgeven, om verspilling van gemeenschapsgeld te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Struijs.

Zij krijgt nr. 57 (36800-VII).

Dank u wel. Meneer Struijs, u heeft nog een vraag van mevrouw Beckerman, naar aanleiding van uw moties.

Mevrouw Beckerman (SP):

Alleen de vraag of ik mee mag doen aan de eerste motie.

De heer Struijs (50PLUS):

Altijd.

De voorzitter:

Nou, kijk eens aan. De laatste spreker in de tweede termijn is mevrouw Lammers.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):

Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Extinction Rebellion en de daaraan gelieerde organisaties zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten, zoals het blokkeren van wegen, het platleggen van infrastructuur en het dreigen met boterzuuraanvallen, en hiermee bewust de wet overtreden;

constaterende dat burgemeesters verantwoordelijk zijn voor het handhaven van de openbare orde;

verzoekt de regering de door haar aangestelde burgemeester op te dragen de openbare orde te handhaven tegen Extinction Rebellion en de daaraan gelieerde organisaties en, indien hij dit weigert, een burgemeester aan te stellen die wél de orde handhaaft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.

Zij krijgt nr. 58 (36800-VII).

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):

De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gemeentelijke fusies of het opheffen van gemeenten ingrijpende en onomkeerbare gevolgen hebben voor de bevolking en de lokale democratie;

overwegende dat inspraakprocedures geen volwaardig alternatief zijn voor directe democratische instemming van inwoners;

overwegende dat dergelijke besluiten over het fuseren of opheffen van gemeenten gelegitimeerd moeten worden door aantoonbaar draagvlak onder de lokale bevolking;

verzoekt de regering wetgeving voor te bereiden waarmee een verplicht referendum onder de lokale bevolking wordt ingevoerd als voorwaarde voor gemeentelijke fusies of het opheffen van gemeenten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.

Zij krijgt nr. 59 (36800-VII).

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de Kamer.

De voorzitter:

Ik wil een voorstel van orde doen. We schorsen nu voor de voorbereiding van de minister en tevens voor de lunch. Dan gaan we om 12.45 uur luisteren naar de beantwoording in tweede termijn van de zijde van het kabinet. Er is een nieuw schema rondgegaan. Om 13.30 uur start de voortzetting van de begroting AenM.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering.

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Dan hebben we een heel korte regeling van werkzaamheden.

Ik stel voor dinsdag 10 februari aanstaande ook te stemmen over:

  • een brief van het Presidium (36673, nr. 7);
  • een brief van de vaste commissie voor Europese Zaken (22112, nr. 4255).

Op verzoek van de aanvrager stel ik voor het dertigledendebat over de geopenbaarde stukken betreffende contact tussen de goksector en het ministerie van Justitie en Veiligheid inzake de legalisering van online gokken van de agenda af te voeren.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer:

  • het tweeminutendebat Verkeersveiligheid (CD d.d. 04/02), met als eerste spreker het lid Stoffer van de SGP;
  • het tweeminutendebat Onderzoek naar de opvattingen van jongeren over lhbtiq+-personen (30420, nr. 438), met als eerste spreker het lid Van der Plas van BBB.

Ik deel aan de Kamer mee dat bij de stemmingen op 4 februari jongstleden de fractie van de Partij voor de Dieren geacht wenst te worden tegen de motie-Klos c.s. (36800-V, nr. 48) te hebben gestemd en de fractie van de SP geacht wenst te worden tegen de motie-El Abassi (36800-VI, nr. 108) te hebben gestemd.

Ik stel aan de Kamer voor de Eerste Kamer te laten weten dat mevrouw Dobbe de plaats zal innemen van de heer Van Nispen bij de verdediging van het Voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het strafbaar stellen van handelingen gericht op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid, genderidentiteit of genderexpressie (Wet strafbaarstelling conversiehandelingen) (36178).

Op verzoek van het lid Van der Plas stel ik voor haar motie op stuk nr. 5 (36848) opnieuw aan te houden.

Ik stel voor de volgende stukken van de stand van werkzaamheden af te voeren: 36800-IX-42; 22112-4229; 36812-118; 28676-557; 21501-02-3317; 31409-489; 31409-494; 22112-4222; 33450-136; 31409-493; 31409-488; 31409-485; 32813-1517; 31409-486; 22112-4100; 21501-20-2361; 25295-2169; 33118-306; 33118-305; 36800-VI-18; 29279-1000; 36800-VI-21; 36800-VI-5; 36600-VI-162; 29362-380; 24587-1054; 25268-237; 32849-292; 36861-16; 32849-289; 32849-291; 32849-290; 33529-1326; 33529-1341; 32849-288; 31239-427; 32849-287; 33529-1318; 32849-273; 33529-1301; 31239-420; 33529-1293; 33529-1290; 23432-618; 33450-138; 33450-137; 35334-422; 35334-423; 27625-729; 31839-1145; 32793-855; 36800-J-5; 27625-721; 32698-93; 36800-J-3; 33450-135; 36800-VI-29; 36800-VI-13; 36800-V-38; 27925-1016; 27625-735; 27625-733; 33037-638; 36800-J-7; 32698-94; 27625-734; 31839-1113; 33836-127; 35165-102; 29665-586; 36800-A-15; 36800-VI-30; 36800-VI-25; 29398-1199; 29398-1196; 29398-1197; 29398-1198; 31305-529; 29398-1188; 29398-1195; 29398-1194; 29398-1193; 29398-1192; 32861-89; 32861-88; 29398-1190; 29398-1187; 29398-1189; 22112-4191; 36712-9; 22112-4213; 21501-02-3296; 2026Z01010; 36569-12; 36800-XXIII-9; 29659-162; 36748-28; 32140-289; 21501-07-2083; 36602-44; 26234-301; 36602-5; 2026Z00811; 2026Z00797; 2026Z01018; 32317-979; 21501-32-1753.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:

Tot zover de regeling.

Termijn antwoord

De voorzitter:

Dan komen we bij de tweede termijn van het debat over de begroting van Binnenlandse Zaken. Ik zie dat er nog weinig sprekers in de zaal zijn, maar het tijdstip waarop we hadden afgesproken weer te gaan starten, is reeds verstreken. We gaan dus van start.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik geef de minister van Binnenlandse Zaken het woord om nog te reageren op een aantal openstaande punten. Ik meen dat er ook een amendement is aangepast en opnieuw ingediend. Het verzoek is om dat ook weer te appreciëren. Kortom, we ronden het gewoon even netjes af. Minister, aan u het woord.

Minister Rijkaart:

Voorzitter, dank u wel. Dank u wel voor de inbreng van deze Kamer. Het moge duidelijk zijn dat het lokaal bestuur deze Kamer, en natuurlijk ook mij, na aan het hart gaat. We moeten de lokale democratie dan ook zeker versterken. Daarin hebben we belangrijke maatschappelijke opgaven te realiseren. Ik heb in mijn eerste termijn dan ook aangegeven dat ik bereid ben om dit jaar een maatregelenpakket toe te zeggen dat gericht is op het versterken van de lokale democratie. Daarvoor hebben we ook een denkrichting, over hoe dat dan besteed kan worden. Dat kan nog besteed worden in 2026. Het kan echter niet rechtstreeks verstrekt worden aan lokale politieke partijen; ik heb dat ook uitgelegd. Voorbeelden van maatregelen waar we wél op kunnen inzetten, zijn: veilig vergaderen door gemeenteraden, opleiding en trainingen voor volksvertegenwoordigers en lokale bestuurders, het uitbreiden van de inzet van ProDemos in de regio en de ondersteuning van kleine gemeenten op het punt van weerbaarheid. Dat is waar we nu op dit moment aan denken, maar dit vergt nog wel nadere uitwerking.

Nogmaals, tegelijkertijd zie ik dat er diverse amendementen zijn ingediend met als dekking de 8,15 miljoen die dit jaar beschikbaar is doordat de Wpp een jaar later wordt ingevoerd. Die heb ik dus ontraden omdat ik die middelen bestemd wil houden voor de versterking van de lokale democratie. Als een of meerdere amendementen worden aangenomen met dezelfde dekkingsbron, dan heeft dat wel tot gevolg dat ik geen of minder middelen beschikbaar heb voor het maatregelenpakket, want het geld kan natuurlijk maar één keer uitgegeven worden. Dat moge duidelijk zijn.

Voorzitter. Ik stel voor dat ik dan even de vragen afwerk en dat ik straks begin met het gewijzigde amendement. Hoe werkt nu de subsidie voor ProDemos? Jaarlijks krijgt ProDemos 8,9 miljoen aan subsidie van BZK. Die subsidieregeling loopt dit jaar af. Zoals ik al zei wordt nu gewerkt aan een nieuwe subsidieregeling voor januari 2027. Daarnaast wordt in 2026, dus nog dit jaar, met een aanvullende subsidie van 1 miljoen euro de inzet van ProDemos in de regio verlengd. Dit is de continuering van het amendement-Sneller uit 2025. Het wordt gefinancierd uit de envelop goed bestuur en democratische rechtsstaat. Voor als er nog twijfel bestond over die 1 miljoen: die wordt dus gecontinueerd.

De beschikbare ruimte binnen artikel 1, Openbaar bestuur en democratie. In de begroting is aangegeven dat er voor artikel 1 geen vrij te besteden middelen meer zijn. Ik heb in de eerste termijn wel aangegeven dat ik de amendementen van de leden Kröger en Huizenga ga dekken binnen artikel 1. Ik zie zelf ook de toegevoegde waarde ervan. Hoe gaan we dat doen? We gaan binnen artikel 1 herprioriteren om te bekijken hoe het dan toch tot stand kan komen.

Het lid Huizenga vroeg ook om een reflectie op de vraag hoe we het gaan doen met de begrotingsbehandeling: mogen er wijzigingen gedaan worden wanneer dat kan? De begrotingsbehandeling is natuurlijk een cruciaal debat; daar zijn we het met z'n allen over eens. Ik heb ervoor gekozen om een aantal zaken al schriftelijk aan u toe te zenden en deze mondeling toe te lichten, net zoals de hele systematiek is bij andere begrotingsbehandelingen. Dat doe ik juist om de focus in het debat aan te brengen en in te kunnen gaan op de punten waarop uw Kamer wijzigingen aan wil brengen. Dit alles gebeurt natuurlijk wel — dat is een beetje vervelend — tegen de achtergrond van de spoedige komst van een nieuw kabinet. We zitten hier gewoon een beetje in een spagaat. Daar zijn we momenteel met z'n allen een beetje slachtoffer van, denk ik.

Er was nog een vraag, over de uitvoering van het rapport Elke regio telt!: waar loopt het nu op vast in de doorontwikkeling, waarbij we als Rijk gezamenlijk kijken naar regionale verschillen en brede welvaart en zouden we versnelling aan kunnen brengen in de volgende kabinetsperiode? Het loopt momenteel niet echt ergens op vast. Op meerdere beleidsterreinen zijn we wel die gesprekken aan het voeren. Wat zou u dan kunnen doen? Ik zou met klem adviseren om als Tweede Kamer toch het gesprek te blijven voeren in de commissies die de komende tijd over onder andere dit item gaan.

Dan kom ik bij het gewijzigde amendement. Dat ging volgens mij over de wijzigingen van het lid Huizenga, als ik het helemaal goed heb. Voor uw administratie, voorzitter: dat wordt dan het amendement op stuk nr. 51. Het lid Huizenga heeft volgens mij de wijziging gedaan in het artikel zoals wij geadviseerd hebben. Dat klopt, dus wij kunnen dat dan oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ja. Het amendement op stuk nr. 51, ter vervanging van het amendement op stuk nr. 37, krijgt nu oordeel Kamer. U vervolgt.

Minister Rijkaart:

Dan kom ik bij de moties.

De voorzitter:

Maar niet voordat ik mevrouw Boelsma in staat heb gesteld om een vraag te stellen.

Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):

Ik heb een vraag over Elke regio telt!. Het gesprek gaan wij voeren en dat blijven we ook doen. Ik zocht eigenlijk naar een haakje waarom het nog niet is gelukt, want dan weten we ook hoe we het gesprek kunnen voeren. Dat is eigenlijk de echte vraag.

Minister Rijkaart:

Concreet: het proces loopt nog. Het gaat waarschijnlijk niet zo snel als u zou willen. Dat onderken ik ook. Ik denk dat iedereen zegt: het mag wel wat vlotter allemaal. Het loopt niet echt vast op een aanmerkelijk knelpunt dat we nu kunnen beetpakken en kunnen tackelen.

De voorzitter:

Dan komen we bij de moties.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 38, van de leden Kröger en Tseggai, over een nationaal programma tegen discriminatie, is momenteel ontijdig. Op 11 december heb ik uw Kamer geïnformeerd over denkrichtingen met betrekking tot een meerjarenplan. De meerjarenagenda zou samenvallen met de beoogde looptijd van het aankomende kabinet. Ik heb de stellige verwachting dat het kabinet de handschoen op zal pakken en hiermee aan de slag zal gaan. Dan kunt u het debat vervolgen met het nieuwe kabinet.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 38 krijgt het oordeel "ontijdig". We kunnen de indieners nu niet vragen om de motie aan te houden, dus die komt ter stemming, tenzij zij haar aanhouden. Dan de motie op stuk nr. 39.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 39, van het lid Vermeer, over middelen voor de uitvoering van het Nationaal Programma Vitale Regio's, is ontijdig. Er zijn nu geen middelen in de begroting van BZK opgenomen. Het is aan een volgend kabinet om hier al dan niet keuzes in te maken. Derhalve is de motie voor nu ontijdig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 39: ontijdig. Ik kijk even naar de heer Vermeer. Is dit voor u een reden om deze motie aan te houden?

De heer Vermeer (BBB):

Ik vind het ingewikkeld, omdat ik al zeg: verzoekt de regering om, na inzichtelijk te hebben gemaakt wat de uitvoeringskosten zijn, de benodigde middelen beschikbaar te stellen. Als het niet de bedoeling is dat het uitgevoerd wordt, dan hoeven we toch ook geen plannen te maken?

Minister Rijkaart:

Ik kan me levendig indenken dat je de wens hebt dat een plan uitgevoerd wordt. Het zit 'm er in dit geval in dat het een voorschot neemt op een beslissing van de minister om ruimhartig — wat is ruimhartig? — middelen vrij te maken. Omdat er nog helemaal geen middelen zijn opgenomen in de begroting, is het echt aan een nieuw kabinet om daar een allocatie voor te vinden, in welke vorm en ordegrootte dan ook. Derhalve zeg ik: op dit moment is de motie nog even ontijdig. Wacht even de plannen af. Dan hebben een concreter financieel voorstel vanuit de regio.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

Stel dat ik "zo ruimhartig als nodig" eruit haal en gewoon zeg: de benodigde middelen beschikbaar te stellen. Krijgt de motie dan oordeel Kamer? Begrijp ik dat hieruit?

De voorzitter:

Er ontstaat een hele onderhandeling.

Minister Rijkaart:

Nee, sterker nog, dan wordt uw motie juist veel sterker. Feitelijk gezien committeer ik me dan nu al aan alles wat de regio's gaan vragen. Dan zou ik 'm zelfs ontraden.

De voorzitter:

Precies.

De heer Vermeer (BBB):

Het was te proberen. Maar we stemmen hier, ongeacht de appreciatie, toch zoals we zelf willen. Ik maak me dus niet ongerust; ik dien 'm gewoon in.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 39 komt in stemming met het oordeel ontijdig. De motie op stuk nr. 40.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 40 over de gekozen burgemeester, ook van het lid Vermeer, gaan we ontraden. Gezien de huidige demissionaire status van het kabinet, past het niet om over dit onderwerp verstrekkende uitspraken te doen. In het hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet is afgesproken de huidige aanstellingswijze van de burgemeester dan ook te handhaven.

De voorzitter:

Ja. De motie op stuk nr. 40 is ontraden. De motie op stuk nr. 41.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 41 over een einde aan de subsidie voor politieke partijen gaan wij ontraden. Wij zien namelijk dat politieke partijen een spreekbuis zijn voor opvattingen uit de samenleving. Ze brengen het publiek samen vanuit hun standpunten en in hun programmering. Daarnaast hebben ze ook nog te maken met de rekrutering en selectie van bestuurders en volksvertegenwoordigers, communicatie en mobilisatie. Daarom is het belangrijk om ze te blijven subsidiëren. De motie op stuk nr. 41 is derhalve ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 41 is ontraden.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 42 van de heer Van den Brink gaat over het aantal vereiste ondersteuningsverklaringen voor deelname aan de Tweede Kamerverkiezingen. Dat wordt oordeel Kamer. Een wetsvoorstel gaat voor de zomer in consultatie. Oordeel Kamer dus.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 42 krijgt oordeel Kamer.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 43 van mevrouw Boelsma-Hoekstra over de subsidiëring van decentrale politieke partijen moet ik ontraden. Het is namelijk niet mogelijk om in een subsidieregeling nadere verantwoordings- en transparantieregels op te stellen. Dit staat haaks op het wetsvoorstel Wet op de politieke partijen, waarbij een subsidiëring van politieke partijen hand in hand gaat met de verantwoording en transparantie over de financiën en de interne organisatie. De motie op stuk nr. 43 is derhalve ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 43 is ontraden.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 44 van het lid Van Baarle over gemeentelijk antidiscriminatiebeleid verplichten is ontijdig. Het huidige kabinet heeft niet de keuze gemaakt om een en ander te laten vallen. Ik heb dat ook schriftelijk in de beantwoording gemeld. Of het volgende kabinet beslist of er nader onderzoek nodig is, laat ik dan ook aan hen. Voorlopig hebben we daar overigens ook geen middelen voor.

De voorzitter:

Ik kijk even naar meneer Van Baarle. De motie op stuk nr. 44 is ontijdig. Leidt dat ertoe dat u deze motie aanhoudt? Dat is niet het geval. De motie op stuk nr. 44 zal in stemming gebracht worden met het oordeel ontijdig. De motie op stuk nr. 45.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 45 van het lid Van Baarle over een landelijk actieplan tegen moslimhaat is overbodig. Op 12 december heeft het kabinet gereageerd op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie. Daar zit ook de versterkte aanpak in. Dat is de inzet van dit kabinet. Wat het volgend kabinet wil, is dan ook aan het volgend kabinet.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 45 is overbodig.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 46 van het lid Van Baarle gaat over een modelaanpak voor departementaal rapporteren over de aanpak van discriminatie. Deze is overbodig. Er is reeds een raamwerkrapportagemodel vastgesteld door de departementen. Dat wordt verder vormgegeven. Alle departementen hebben al toegezegd een rapportage aan te leveren, dus verplichten is verder niet nodig. De motie op stuk nr. 46 is dus overbodig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 46 is overbodig.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 47 van het lid Van Baarle over de rijksinkoopstrategie. Deze krijgt oordeel Kamer. Dit sluit aan op een brief die ik vanochtend heb gestuurd, waarin ik dezelfde ambitie aangeef.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 47 krijgt oordeel Kamer.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 48, ook van het lid Van Baarle, gaat over een wetsvoorstel voor landelijke antidiscriminatievoorzieningen. Deze is ontijdig. Het dictum van de motie zegt het al: na beëdiging van het nieuwe kabinet. Alleen daarom al is de motie eigenlijk ontijdig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 48 is ontijdig. De heer Van Baarle houdt ook deze niet aan, dus zij komt in stemming.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 49 van het lid Flach over een aanspreekpunt voor de regio is ontijdig. Naar aanleiding van een eerdere motie heeft het kabinet aangegeven met de regio's in gesprek te gaan over de opgaven en deze te koppelen aan de meest betrokken departementen. De regio mag dan ook verwachten dat het Rijk intern zoekt naar een goede verbinding. Ook zal besproken worden op welke wijze de samenwerking kan plaatsvinden. Of dan altijd en overal een langjarige gebiedsgerichte aanpak plaatsvindt, is wel aan een volgend kabinet. Derhalve is de motie op stuk nr. 49 ontijdig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 49 is ontijdig. Ik kijk naar de heer Flach. Is hij bereid deze motie aan te houden? Dat is niet het geval. Zij komt in stemming.

Minister Rijkaart:

Dan de motie op stuk nr. 50 van het lid Flach over de begraafplaats van Moerdijk. Ik begrijp de wens en heb daar volgens mij ook invulling aan gegeven in mijn eerste termijn. Het proces vraagt om een brede, zorgvuldige afwerking, juist om op een zorgvuldige manier met dit soort gevoeligheden om te kunnen gaan. Het lokale bestuur beslist in eerste aanleg. Laten we dat afwachten en pas daarna als Rijk instappen.

De voorzitter:

En daarmee wordt de motie …

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 50 wordt daarmee ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 50 wordt ontraden.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 52 is een brede motie, waarin wordt gevraagd om een onderzoek naar de kiesdrempel niet door te laten gaan. Zoals wij de motie hebben gelezen, betreft het een voornemen in het akkoord van het nieuwe kabinet. Derhalve is deze ontijdig.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker wenst deze motie in stemming te laten brengen. De motie op stuk nr. 52 heeft het oordeel "ontijdig" gekregen, maar wordt niet aangehouden; we gaan erover stemmen.

Dan de motie op stuk nr. 53.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 53 van mevrouw Bikker over weerbaar bestuur is overbodig. We doen dit al. We investeren al in programma's en steunen het lokale bestuur. Ik zie 'm wel als een aanmoediging om hiermee door te gaan. Dan was er ook nog een vraag over de Monitor Integriteit en Veiligheid. Daar wordt dit in vormgegeven. De cijfers waar u naar vraagt over agressie, intimidatie et cetera komen eind 2026.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker, ik zie u staan. De motie op stuk nr. 53 krijgt het oordeel overbodig, maar we gaan er toch over stemmen.

De motie op stuk nr. 54.

Minister Rijkaart:

Dan de motie op stuk nr. 54 van mevrouw Bikker over financiële onderbouwing van de plannen van de regio's. De regering wordt hierin verzocht om de plannen in de regio's te voorzien van financiële onderbouwing. Zoals eerder gezegd, geef ik deze het oordeel "ontijdig". Eerst moeten de plannen worden uitgewerkt en dan moet er inzicht komen in de uitvoeringskosten. De vraag komt nu nog te vroeg. De motie op stuk nr. 54 is ontijdig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 54 is ontijdig. Wenst mevrouw Bikker deze aan te houden? Dat is niet het geval. Dan gaan we erover stemmen.

De motie op stuk nr. 55.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 55 van mevrouw Beckerman over de nullijn moet ik ontraden. Die is niet conform het kabinetsbeleid, zoals ik vandaag eigenlijk al heb toegelicht.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 55: ontraden.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 56 over openbare toiletten is ontijdig. Ik ga 'm wel bespreken met mijn collega van VWS en ik bericht u over de uitkomst daarvan. Het is even aan de heer Struijs of hij in afwachting van mijn bericht de motie wil aanhouden. Anders krijgt de motie het oordeel "ontijdig".

De voorzitter:

Wanneer kunt u een terugkoppeling geven over het overleg met VWS? Misschien kan dat wel vóór dinsdag.

Minister Rijkaart:

Dat zou het mooiste zijn.

De voorzitter:

Ja, dat zou natuurlijk het mooiste zijn.

Minister Rijkaart:

Als dat lukt. Ik ga een poging wagen om dat te doen.

De voorzitter:

U komt elkaar allemaal weer tegen. Het oordeel is dus ontijdig, maar de minister doet zijn best om voor de stemming op dinsdag tot een oordeel te komen samen met VWS.

Minister Rijkaart:

We gaan in deze nadagen een poging wagen.

De voorzitter:

Meneer Struijs zegt buiten de microfoon dat hij sowieso dinsdag stemming hierover wenst. Het zou goed zijn als we dan een oordeel hebben.

De motie op stuk nr. 57.

Minister Rijkaart:

We gaan over naar de motie op stuk nr. 57 van het lid Struijs over informatie die gemeenten aan elkaar kunnen doorgeven. Die motie ging over zorgfraude. Deze casuïstiek kan onderzocht worden binnen het programma Interbestuurlijke Datastrategie. De motie krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 57 krijgt oordeel Kamer.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 58 van het lid Lammers vraagt mij om de burgemeester de opdracht te geven te handhaven tegen Extinction Rebellion. De inzet rond openbare orde en veiligheid en vooral rond de Wet openbare manifestaties is echt aan de burgemeester zelf; die kan de lokale omstandigheden het beste beoordelen. Ik ga deze motie dan ook ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 58 is ontraden.

Minister Rijkaart:

De motie op stuk nr. 59, ook van het lid Lammers, gaat over het verplicht referendum. Dat is echt aan het lokale bestuur; dat kan dit het beste beoordelen. Ik ken ook voorbeelden waarbij er ook zonder verplicht referendum het een en ander binnen gemeenten wordt gedestilleerd. Ik wil dit ook echt bij het lokale bestuur laten en derhalve de motie op stuk nr. 59 ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 59 is ontraden.

Minister Rijkaart:

Volgens mij ben ik er dan doorheen, voorzitter.

De voorzitter:

Ja. Ik kijk even naar de leden. Missen we nog iets? Ik zie meneer Van den Brink naar de interruptiemicrofoon lopen.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik had nog één vraag over de subsidiëring van lokale partijen. U heeft daar aan het begin van deze termijn iets over gezegd. Heb ik goed begrepen dat u daarover zegt: "Dat kan gewoon niet dit jaar. Ik kan wel andere dingen doen voor het lokale bestuur, maar ik kan geen geld terecht laten komen bij lokale partijen"?

Minister Rijkaart:

Dat is inderdaad de systematiek vanuit het programma dat we hebben. Die 8,15 miljoen gaat dit jaar nog uitgegeven worden. Zelfs als het kan, gaan we het in de uitvoering niet redden voor de gemeenteraadsverkiezingen. Als je het dan wel al doet en je een heel individueel subsidietraject opstelt, dan belast je de gemeenten met een enorm subsidietraject, terwijl de wet waarin alles geregeld wordt op 1 januari 2027 in zou moeten gaan. Dat is de meest vloeiende manier om dit te doen.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het debat over de begroting van Binnenlandse Zaken.

De voorzitter:

We stemmen aanstaande dinsdag over de ingediende moties. We stemmen later, nadat alle begrotingsbehandelingen zijn afgerond, over de wet en de amendementen. We stemmen dan dus ook over die van Binnenlandse Zaken.

Om 13.30 uur gaan we verder met het debat over de begroting van Asiel en Migratie. We schorsen dus tot 13.30 uur. Daarna gaan we door met Asiel en Migratie.

Termijn antwoord

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de begroting Asiel en Migratie. Ik heet de beide ministers van harte welkom in ons midden.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Asiel en Migratie en de minister voor Asiel en Migratie, viceminister-president op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik geef gelijk een van de ministers het woord voor het eerste deel van de beantwoording in deze eerste termijn van de zijde van het kabinet. Als u zover bent, heeft u het woord, minister.

Minister Van Weel:

Dank u wel, voorzitter. Allereerst heel veel dank aan de Kamerleden voor hun soepelheid, voor het tolereren van mijn afwezigheid bij uw inbreng in eerste termijn. Ik heb er uiteraard kennis van genomen en zal de beantwoording met plezier ter hand nemen. Ik heb één lopende tekst, maar ik zal wel aangeven welke onderwerpen ik langsloop op mijn terrein. Dan weet u ongeveer wat u kunt verwachten in die tekst. Ik begin met een korte intro. Daarna heb ik het over de nationale maatregelen die wij als kabinet hebben afgekondigd. Ik zal stilstaan bij Syrië, bij de vragen over Spanje en de aankondigingen, internationale samenwerking en EU-samenwerking. Daarna sta ik stil bij de implementatie van de asielwetten en het Migratiepact en de samenloop daarvan. Ten slotte ga ik in op de staat van de IND.

Voorzitter. Ik begin aan mijn tekst en beantwoording. We behandelen vandaag de begroting van het ministerie van Asiel en Migratie. Nogmaals excuses voor mijn afwezigheid bij de eerste termijn en dank voor uw begrip. Dit debat, zoals de heer Paternotte zo mooi heeft gezegd, speelt zich af in de blessuretijd van mijn ministerschap. Maar zoals iedereen weet, moet je in voetbal altijd doorspelen tot het eindsignaal. Dat ben ik dan ook van plan om te doen. Met de Asielnoodmaatregelenwet, het Migratiepact en de tweestatuswet van collega Keijzer ligt er een solide basis om op verder te bouwen. Uiteraard hoop ik op een succesvolle behandeling van deze wetten in de Eerste Kamer. En ja, zeg ik alvast tegen de mensen die zich hierover zorgen maken, ik was optimistisch en dat ben ik nog steeds. We verliezen, denk ik, echt momentum als we na het ene been nu ook niet het andere been bijtrekken.

In mijn bijdrage wil ik kort ingaan op de achtergronden van het huidige asiel- en migratiebeleid. Daarna wil ik ingaan op de samenwerking internationaal en de concrete maatregelen die voor ons liggen, met bijzondere aandacht voor de twee wetten. Daarna ga ik in op de staat van de uitvoering.

Voorzitter. We zijn inmiddels aangekomen op het punt dat een structurele verandering van ons asiel- en migratiebeleid noodzakelijk is, want we lopen vast in de opvang, in de huisvesting, bij de IND en in het absorptievermogen van de samenleving. Ik denk dat we het daar allemaal over eens zijn. Immigratie is, anders dan het soms lijkt, geen vanzelfsprekend natuurverschijnsel. Natuurlijk zeg ik, met mevrouw Westerveld, dat wij niet of nauwelijks invloed hebben op oorlogen en rampen, maar voor andere migratiegroepen hebben wij wel degelijk knoppen om aan te draaien om de instroom te reguleren, de terugkeer te stimuleren en de opvang hier beter behapbaar te maken. Dat is in een notendop wat we in ons asiel- en migratiebeleid aan het doen zijn: grip krijgen op de instroom, de doorstroom en de uitstroom, en het niet langer aannemen als een onvermijdelijk proces waar we ons hoe dan ook maar naar te voegen hebben.

Voorzitter. Die grip zit eraan te komen, want we zijn deze inzichten niet alleen in nieuwe wetten aan het verankeren, maar we zijn ook een eind op weg met de uitvoering stevig in de steigers zetten. We werken hard aan het beperken van instroom met de Asielnoodmaatregelenwet. We werken hard aan de opvang, met meer dan 70 plekken per jaar bij het COA. Daar zal mevrouw Keijzer straks op doorgaan. We werken intensief samen in Europees verband en we bevorderen de terugkeer met specifieke aandacht voor Syrië en Oekraïne. In 2025 hebben we een aanvullende vertrekregeling gerealiseerd voor Syriërs die weer terug wilden keren naar het land van herkomst na de val van het regime. We volgen uiteraard de situatie in Syrië op de voet. Recent is een nieuw ambtsbericht gepubliceerd en binnenkort volgt op basis daarvan een nieuw landenbeleid waarin we aangeven voor welke bevolkingsgroepen het land wel en niet veilig is. We blijven in Europa ook voor een gecoördineerde aanpak richting Syrië. Daarbij is wederopbouw van belang, maar ook het inzetten op terugkeer.

De voorzitter:

Ik zou de minister willen vragen of de blokjes kort genoeg zijn om die steeds af te ronden en daarna de interrupties te doen. Of zijn het echt lange blokjes?

Minister Van Weel:

Dit was eigenlijk het blokje Syrië, dus ik kan me voorstellen dat er daarover al vragen zijn vanuit de Kamer.

De voorzitter:

We doen de interrupties in drieën, kort en niet gemaximeerd.

De heer Boomsma (JA21):

Wanneer komt dat landenbeleid?

Minister Van Weel:

Het ambtsbericht is in januari verschenen. Ik denk dat we februari nodig hebben om het landenbeleid daarop af te stemmen. Zoals u weet volgt het ambtsbericht vanuit BZ. Dat heeft de minister aan de minister van AenM gestuurd. Dat heb ik als minister van AenM ontvangen. Daar wordt nu gewerkt aan het landenbeleid. Ik verwacht dat dat eind februari of maart een feit is.

De heer Boomsma (JA21):

Is er een mogelijkheid om dat te versnellen? In het ambtsbericht staat in principe toch gewoon wat de situatie is? Ik heb het nog niet helemaal gelezen, maar ik ga eigenlijk van uit dat het voor bepaalde groepen gewoon veilig is, omdat nu ook allerlei mensen vrijwillig terugkeren. Dan is het dus zaak om zo snel mogelijk beleid te maken om die terugkeer te bespoedigen.

Minister Van Weel:

Wij hebben op dit moment beleid dat leidt tot het weer behandelen van de aanvragen van Syriërs. Dat leidt ook tot afwijzingen van asielaanvragen van Syriërs. De vraag is of het beleid wezenlijk gaat veranderen met het nieuwe ambtsbericht. Dat door mijn oogharen bekijkend, zeg ik: ik denk het niet, want er is grote gelijkheid. Ik verwacht geen drastische wijzigingen. In die zin heeft versnellen maar beperkt nut, want ik verwacht een continuering van het beleid zoals we dat nu zo ongeveer hebben. Het is wel een proces dat we moeten doorlopen. Net zoals een ambtsbericht zich niet laat dwingen, zitten in het opstellen van het landenbeleid ook een aantal stappen die gewoon doorlopen moeten worden.

De heer Boomsma (JA21):

Dat is wel erg zorgelijk, want de bedoeling is natuurlijk dat we die terugkeer nu kunnen bespoedigen. Dat geldt sowieso voor de vrijwillige; daar zijn we al mee bezig. Maar het gaat om de herbeoordeling van tijdelijke vergunningen. Daar moeten we nu zo snel mogelijk mee aan de slag. Ik wil de minister nu toch oproepen om daar vaart achter te zetten en alle stappen te zetten die nodig zijn om dat mogelijk te maken.

Minister Van Weel:

Een maand voor het opstellen van landenbeleid op basis van het ambtsbericht, dat uiteindelijk ook moet houden in alle rechtszaken die eruit voortkomen, is niet lang. Dat is echt een gebruikelijke en een snelle periode. Ik ben het met u eens dat we ons moeten instellen op zo snel mogelijk herbeoordelen. Daarvoor is bestendig beleid nodig en dus een bestendiging van het landenbeleid zoals we dat vorig jaar hebben vastgesteld. Maar in de tussentijd zitten we niet stil. Ik wil er wel bij zeggen dat we op dit moment nog te maken hebben met 17.000 eerste aanvragen van Syriërs, die ook nog in de pijplijn zitten. Er wordt op dit moment dus heel hard gewerkt door de IND om in de beschikbare tijd vooral die eerste aanvragen te beantwoorden, omdat daar ook nareisaanvragen op zitten. Die herbeoordelingsmogelijkheid wil niet zeggen dat IND dan ook qua capaciteit in staat is om dat even snel weg te werken.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik wil even doorgaan op Syrië. Ik heb gisteren vragen gesteld over de EU Country Guidance, die ook ziet op het landenbeleid en Syrië. Daarin las ik — ik zeg het even in mijn eigen woorden - dat christenen in Syrië op dit moment niet heel veel te duchten hebben. Wat ik evenzeer schokkend vond om te lezen, was dat van mensen die gerelateerd zijn aan IS verondersteld moet worden dat zij vervolging te duchten hebben en dat zij dus extra in het oog moeten worden gehouden, ook als het gaat over asiel. Beide punten vind ik inhoudelijk volstrekt onbegrijpelijk. Hoe is zo'n richtlijn tot stand gekomen en wat doet Nederland om dit van tafel te halen?

Minister Van Weel:

Wij zijn niet gebonden aan die richtlijn en wij voelen ons daar ook niet aan gebonden. We hebben ons eigen proces. We hebben een ambtsbericht en landenbeleid. Dat leidt in een hele andere richting. Daarbij is ook oog voor minderheden en voor het risico dat ze lopen op vervolging. Wat betreft IS-strijders hebben wij ook ons eigen beleid. Dat valt primair onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie en Veiligheid, maar zoals u weet, maken wij in elke individuele casus een afweging: willen wij iemand terughalen of niet? Tot nu toe is die afweging elke keer uitgevallen in het belang van de nationale veiligheid. We halen deze mensen niet terug; we zorgen ervoor dat ze in dat gebied blijven. Daar zal niks aan veranderen, ook niet door deze Guidance.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik ben op zich heel blij met het heldere antwoord dat Nederland een eigen koers vaart, maar ik maak mij hier toch ontzettend veel zorgen over. Zo'n Guidance is voor heel wat landen absoluut een belangrijke richtlijn. Er staat doorgaans ook geen nonsens in. De positie van christenen wordt gebagatelliseerd. Er wordt gezegd dat IS-gerelateerden bij uitstek moeten worden gezien als een kwetsbare groep, maar dat is toch de wereld op zijn kop? Is Nederland er niet heel veel aan gelegen om hierover een discussie los te maken, om te voorkomen dat dit soort richtlijnen worden losgelaten op alle lidstaten?

Minister Van Weel:

Zoals gezegd, ken ik geen lidstaten die dit soort richtlijnen als heilige teksten overnemen. Wij hebben intensief contact met andere landen die nog IS-strijders met hun eigen nationaliteit hebben zitten in kampen in Syrië. We zitten allemaal op hetzelfde spoor, namelijk dat we op dit moment niet bereid zijn om deze mensen terug te halen. We volgen allemaal hetzelfde spoor. Dat geldt ook voor de terugkeer van Syriërs en voor de omgang met kwetsbare groepen. Ook daarbij zitten we op één lijn. Ik ben niet gelukkig met deze teksten. Ik voel me er niet aan gehouden en ik heb ook niet het idee dat andere landen dat wel voelen. Ik zal mijn opvolger zeker aansporen om daarover het gesprek aan te gaan met de andere landen en met de commissie.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Nogmaals, ik ben heel blij met wat de minister zegt. Blijf vooral een eigen koers varen. Maar dit lijkt ons wel de moeite waard. Dit is heel apart, omdat andere landen hier ook niet mee rekenen. Waar zijn we nou helemaal mee bezig en wie stuurt zo'n commissie aan, die met dit soort teksten komt?

Minister Van Weel:

Nogmaals, daar zullen we het gesprek over aangaan. In onze werkelijkheid verandert er in ieder geval niks.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Van Weel:

Voorzitter. Grip krijgen op asiel begint in het buitenland. Migratie is grensoverschrijdend en vergt per definitie internationale samenwerking, in Europa, maar ook daarbuiten. Anders is het dweilen met de kraan open. We werken met landen van herkomst en transit in migratiepartnerschappen. Die migratiepartnerschappen zijn hét vehikel om terugkeer te bevorderen, om migratiestromen beter te beheersen dicht bij de bron en om de aankomsten in de EU en Nederland te verminderen. Hiervoor trekken verschillende ministeries nauw op, onder meer in een interdepartementale taskforce. We aarzelen daarbij niet om streng te zijn, bijvoorbeeld met nieuwe visummaatregelen op EU-niveau. In Europa zijn mede door de Nederlandse inzet flinke resultaten geboekt. In juni treedt het Europees Migratie- en Asielpact in werking. Er wordt op dit moment keihard gewerkt aan de implementatie van deze regels, niet alleen in Nederland, maar ook in andere lidstaten. De buitengrenzen worden met het Migratiepact verstevigd. Dat betekent uiteindelijk ook minder aankomsten in Nederland. We herstellen het Dublinstelsel en maken betere afspraken, zoals ik vorige maand concreet heb gedaan met Griekenland, over de herstart van deze samenwerking.

Mevrouw Vondeling vroeg: waarom wordt het Dublinverdrag nu niet nageleefd? Het Dublinverdrag wordt wel nageleefd, maar het systeem werkt om verschillende redenen niet altijd naar behoren. Met betrekking tot Griekenland hebben we in het verleden te maken gehad met ondermaatse opvang. Griekenland was zelf niet bereid om Dublinclaimanten weer op te nemen. Dat zijn zaken die we moeten proberen te herstellen in de aanloop naar de inwerkingtreding van het Migratiepact. Zowel met Griekenland als met Italië, de twee landen waarmee Dublin moeilijk liep, hebben we nu afspraken gemaakt. Er is commitment om het asiel- en opvangsysteem op orde te brengen en om de Dublinregels weer volledig toe te passen bij de inwerkingtreding van het pact op 12 juni.

Dan nog even kort over Spanje, naar aanleiding van de vragen van mevrouw Rajkowski en de heer Boomsma. In beginsel staat het EU-lidstaten vrij om zelf verblijfsvergunningen te verstrekken. Dat is een nationale competentie. Doorreizen naar een andere lidstaat op basis van zo'n verblijfsvergunning kan, maar voor maximaal 90 dagen binnen de 180 dagen. In een andere lidstaat werken mag dan niet, en legaal vestigen kan ook niet. Daar zijn uiteindelijk voorwaarden aan verbonden. Maar ik deel uw zorgen over deze stap die genomen is door de regering van premier Sánchez. Ik ga graag, in overleg met de andere Europese landen in de Europese gremia, met de Spaanse regering in gesprek om deze zorgen te adresseren en hopelijk ook te kijken hoe we hierin in de toekomst meer één lijn kunnen trekken.

De voorzitter:

Bent u daarmee aan het einde gekomen van dit onderdeel van uw beantwoording?

Minister Van Weel:

Ja, over Spanje.

Mevrouw Rajkowski (VVD):

Dank voor de toezegging om dit te gaan doen, want dit kan natuurlijk, zoals ik gisteren al zei, leiden tot een afbrokkelend draagvlak voor het asielbeleid, al is het een nationale competentie van Spanje. Maar dan heb ik toch nog de volgende vraag over het aantal dagen vrij reizen. Hoe controleren wij dan dat mensen die werkvergunning, als ze hier vrij de grens over mogen, niet gebruiken om zich hier op een andere manie te gaan vestigen? Welke controlemechanismen hebben we als Nederland dan nog?

Minister Van Weel:

Deze mensen moeten natuurlijk papieren laten zien op het moment dat ze hier gecontroleerd worden of op het moment dat ze zich hier willen vestigen of wat dan ook. Dat papier dat ze hebben, is dan die tijdelijke verblijfsvergunning uit Spanje. Dat houdt automatisch in dat ze zich hier dus niet mogen vestigen, maar dat ze hier maximaal 90 dagen mogen verblijven. Dus als ze daar na 90 dagen nog een keer worden aangetroffen, zonder het land uitgereisd te zijn, worden ze de grens weer overgezet. Ze mogen hier ook niet legaal werken. Dus er zitten wel degelijk beperkingen aan, maar het is niet zo dat dit betekent dat die mensen alleen maar in Spanje blijven. Die mensen kunnen wel degelijk hier opduiken en hier illegaal aan het werk gaan of andere overlast veroorzaken. Dat is waarom ik het gesprek wil aangaan met Spanje, omdat deze nationale maatregel wel degelijk ook effect heeft op de rest van Europa. Bovendien kan het een onwenselijk precedent scheppen, in de zin van: als u zich maar illegaal ophoudt in de EU, in dit geval in Spanje, dan krijgt u uiteindelijk een verblijfsvergunning. Dat zijn nou juist de signalen die we met de inwerkingtreding van het Migratiepact niet willen afgeven, zeker niet op nationale basis.

Mevrouw Rajkowski (VVD):

Eens, dank. Kan de minister ook toezeggen dat, naast dat hij in gesprek gaat met de Europese collega's om te kijken hoe we dit soort dingen kunnen voorkomen, de Kamer ook geïnformeerd wordt op het moment dat er toch signalen komen dat deze onwenselijke route naar Nederland ontstaat, zodat we als Kamer toch kunnen kijken of wij geen aanvullende maatregelen willen gaan nemen?

Minister Van Weel:

Gaarne daartoe bereid. Ik wil wel één verzachtende omstandigheid voor Spanje noemen. Een heel groot deel van de illegaal verblijvenden in Spanje zijn Spaanstaligen, afkomstig uit Latijns-Amerika, die uiteindelijk binnen de Spaanse economie wel degelijk een positieve rol vervullen, en ook helemaal geen intentie hebben om zich buiten Spanje of een Spaanstalig land te verplaatsen door Europa. Dus bij een aanzienlijk deel van die half miljoen, waarover gesproken wordt, treedt dat risico niet op. Dat neemt niet weg dat we daar waar dat wel het geval is, gaan doen wat u vraagt.

Daarnaast trekt Nederland bovendien de kar bij de ontwikkeling van innovatieve oplossingen, zoals de terugkeerhub, zowel in Europa als bilateraal.

Voorzitter. Het doet me deugd dat de opvattingen over migratie en asiel in Europa breed worden gedeeld. Lidstaten en samenlevingen zijn het erover eens dat er iets moet veranderen. Internationaal, zoals net benoemd, maar ook nationaal is er overeenstemming over hoe we dit vraagstuk moeten benaderen. Dat wordt feitelijk ondersteund door het Migratiepact en het aannemen door uw Kamer van de Asielnoodmaatregelenwet.

Ik wil die hele wet niet hier nog een keer in detail herhalen, maar de uitgangspunten zijn helder. We zetten niet alleen in op effectieve samenwerking in Europa, maar we gaan ook ons nationale stelsel meer en beter laten aansluiten bij Europa en bij de strengere wetgeving indien die van toepassing is in de landen om ons heen. We stappen in die nieuwe wet ook af van de vanzelfsprekendheid van lange verblijfsvergunningen en van de ruime criteria op gezinshereniging. We maken een einde aan een aantal verlammende procedures. Deze zijn enorm belastend voor het systeem. Ze kosten behoorlijk veel geld. Deze week kwam ook weer een bedrag naar buiten in de media. Dat gaat ten koste van mankracht die ook aan werkelijke vluchtelingen kan worden besteed.

Worden na het aannemen van de noodmaatregelenwet de dwangsommen dan meteen afgeschaft, wilde de heer Van den Brink weten. Ja, de maatregel ter afschaffing van de dwangsommen is een maatregel die verder geen andere capaciteit vraagt. Die kan gewoon meteen worden geïmplementeerd. Dus zodra de wet in werking treedt, zal de dwangsom tot het verleden behoren. Ook daarom is het van belang dat deze wet zo spoedig mogelijk in werking kan treden.

Voorzitter. Wij vragen veel van onze partners in de keten. Deze maatregelen verdienen dan ook een toereikende financiële en organisatorische onderbouwing. Voor de implementatie van het Migratiepact en de wetsvoorstellen is budget beschikbaar, namelijk 115 miljoen per jaar. Organisaties werken hiermee aan de invoering, en straks ook aan de uitvoering, van dat pact.

De heren Paternotte en Van den Brink vroegen zich af hoe de capaciteit van IND zich verhoudt tot de voorbereidingen op het Migratiepact. Daar kan ik wel wat over zeggen. De Europese Commissie monitort nauwkeurig of de EU-lidstaten individueel allemaal op schema liggen voor een tijdige implementatie van het pact, waaronder het beschikbaar hebben van de voor hen vastgestelde capaciteit in de asielprocedure. De Commissie rapporteert hier periodiek over. Het eerstvolgende rapport wordt in maart of april van dit jaar verwacht. Uw Kamer zal hierover, net als over de voorgaande rapporten, worden geïnformeerd. Ten slotte verwijs ik, wat betreft de gereedheid hier in Nederland, ook naar de brief aan uw Kamer van 22 januari. Daarin werd informatie over de voortgang van de nationale implementatie gegeven.

Tegen mevrouw Westerveld zeg ik: ja, het Migratiepact en de nieuwe nationale asielwetten overlappen deels. Gelukkig. Dat betekent namelijk dat de IND uiteindelijk het hele pakket in samenhang kan bezien en implementeren. Daarom is het ook van belang voor de IND dat ze daar zo snel mogelijk helderheid hebben over de doorgang van deze wetten en dat die behandeld en aangenomen worden door de Eerste Kamer.

We hebben ook kritisch gekeken naar de uitgaven binnen de migratieketen, waaronder die voor VluchtelingenWerk Nederland. Dit budget, ingezet door mijn voorganger, kon fors omlaag. De IND is in staat om bepaalde werkzaamheden van VluchtelingenWerk Nederland over te nemen.

Voorzitter. Ten overvloede: waar we het hier over hebben, is geen klein bier. Dit is echt een grote stelselwijziging. Het zijn stuk voor stuk ingrijpende en noodzakelijke maatregelen. Bij elkaar en in samenhang kunnen die voor een drastische beperking van de instroom zorgen, de druk op de keten verlichten, de kosten verlagen en het draagvlak vergroten.

Toen ik gevraagd werd om minister voor Asiel en Migratie te worden, zei ik niet alleen ja om democratisch vastgesteld beleid uit te voeren. Ik wilde, in alle bescheidenheid, ook wat doen aan de hitte in het maatschappelijke debat, omdat die in mijn optiek goede besluitvorming en juist de zorg en het draagvlak voor vluchtelingen in de weg staat. Het asiel- en vluchtelingenbeleid gaat met heel veel emotie gepaard. Dat is ook terecht. Het gaat hier immers om mensen, kwetsbare mensen ook nog eens. Maar het gaat ook om de medewerkers van de diensten, die het water op dit moment aan de lippen staat. Zij kijken naar ons voor wat verlichting. De betrokkenheid van uw Kamer, zowel in het midden als op de flanken, waardeer ik dan ook zeer.

In mijn korte tijd als minister voor Asiel en Migratie heb ik gestaan voor realiteitszin en voor een blik naar de toekomst. We moeten doen wat in onze mogelijkheden ligt en wat volgens de wet kan om illegale ongecontroleerde migratiestromen te beheersen. We moeten ons asiel- en migratiebeleid hervormen om het streng, efficiënt, maar ook rechtvaardig te houden. Alleen dan blijft ons systeem houdbaar en kunnen vluchtelingen die ons echt nodig hebben, ook op ons, en op draagvlak in de samenleving, rekenen.

Voorzitter, dat was het einde van mijn beantwoording.

De heer Bart van den Brink (CDA):

Dank u wel, minister, ook voor de laatste woorden die u sprak. We hebben gister vanuit verschillende woordvoerders aan u beiden de complimenten overgebracht over hoe u het de afgelopen maanden heeft gedaan. Het is mooi om dat nu ook even in persoon tegen u te kunnen zeggen. Ik heb nog een vraag over de hele pactdiscussie, met name over de legal counseling. Er blijft namelijk discussie bestaan over de vraag wat Europees verplichtend en wat nationaal in te vullen is. Dat debat gaan we hier natuurlijk nog helemaal voeren, maar het raakt ook aan de positie van VluchtelingenWerk. Ik was benieuwd: heeft u, voordat we die discussie gaan starten, nog iets meer info over hoe we dat moeten bezien?

Minister Van Weel:

Ik heb daar in de aanloop gesprekken over gevoerd, met zowel de IND als de internationale partners als de asieladvocatuur als VluchtelingenWerk Nederland. Op basis daarvan ben ik met een voorstel gekomen. Daarin zeggen we dat we ons in de eerste fase meer voegen naar hoe landen om ons heen het doen. Dat doen we met een lichtere vorm van ondersteuning over de procedure, geen volledige persoonlijke legal counseling bij de opbouw van het dossier. Daar zitten voor- en nadelen aan, zeg ik u meteen. Als u praat met de asieladvocatuur of met VluchtelingenWerk Nederland, dan zult u het verhaal horen dat dit ertoe zal leiden dat dossiers onvolledig worden, dat het leidt tot meer beroepsprocedures en dat zij juist in de eerste fase mensen afvangen die eigenlijk toch geen kansrijke zaak hebben. Daar staat tegenover dat het omgekeerde ook waar is. Hiermee wordt mensen namelijk al in een vroeg stadium verteld hoe ze een dossier moeten opbouwen om juist wél een kansrijke zaak te hebben. Daarmee wordt het inwilligingspercentage dus mogelijk hoger.

Ik denk dat dit uiteindelijk een politieke keuze en een beleidskeuze is. Op dit moment ben ik van mening dat de ingeslagen weg, namelijk een lichtere vorm van legal counseling in de eerste fase, aansluitend bij Duitsland en andere landen en gedaan door de IND, legaal voldoet. Ik denk dat we daarmee in ieder geval het systeem ontlasten, dat de kosten voor VluchtelingenWerk omlaag kunnen en dat we toch adequaat invulling geven aan onze plicht. Maar ik heb ook eerlijk tegen de asieladvocatuur gezegd dat we in de praktijk moeten gaan zien welke van de narratieven hier leidend is. Dan moeten we ook niet aarzelen om een andere weg in te slaan als het niet werkt.

De heer Bart van den Brink (CDA):

Oké, helder. Er is dus echt een daadwerkelijk onderscheid met wat vanuit Europa verplicht is als een nieuwe definitie van legal counseling. Er is immers natuurlijk ook verwarring over de betekenis van "legal counseling". De advocatuur gaat natuurlijk echt over de beroepsprocedure nadat een besluit is genomen. De vraag is natuurlijk of zij ook al een rol heeft te spelen bij het eerste gehoor en alle aanmeldpunten of dat dat de legal counseling is zoals in Europa wordt bedoeld; daar moeten we volgens mij het debat over voeren. Ik heb het gevoel dat daar soms een soort spraakverwarring over bestaat in het debat daarover.

Minister Van Weel:

Juridisch gezien niet: juridisch is het klip-en-klaar en hoeft er in die eerste fase geen advocatuur aan te pas te komen. Die komt pas in de fase van beroep en de besluitvorming op de beschikking. Het enige wat je vaak hoort, zeker van deze beroepsgroep, is: wij helpen juist om het dossier met een betere kwaliteit voorgelegd te krijgen, waardoor we uiteindelijk voorkomen dat er onnodige beroepszaken komen omdat mensen niet wisten dat ze bepaalde zaken moesten opnemen of hoe ze dat moesten verwoorden. Maar dat is een kwestie van een opvatting over wat het systeem het beste ontlast. Ik sta achter de keuze om te gaan voor de minimale variant, aansluitend bij landen om ons heen, waarbij in die eerste fase wel degelijk voorlichting wordt gegeven en beschikbaar is over de procedure en wat er moet gebeuren, maar waarbij dan nog geen volledige begeleiding nodig is door de advocatuur.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik heb gisteren vragen gesteld over het intrekken van het Nederlanderschap bij ernstige misdrijven en heb gevraagd om daarbij ook te kijken naar de stappen die België heeft gezet. In de schriftelijke beantwoording verwijst de minister naar een brief uit 2024, waarin het kabinet aankondigde te gaan onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor het uitbreiden van het intrekken van het Nederlanderschap. Nu begrijp ik verder uit de beantwoording dat we nog tot eind 2026 moeten wachten voordat het onderzoek afgerond is. Waarom duurt het in vredesnaam zo lang?

Minister Van Weel:

Ja, dat duurt lang. Het is ook geen eenvoudige materie, zal ik u vertellen. We zijn niet voor niks met een kopgroep van landen bezig om te kijken hoe we de glijdende schaal die langzaam is ontstaan door jurisprudentie van het Europese Hof, waarbij we de ernst moeten meewegen tegen de periode waarin iemand zich hier al bevindt voordat je hiertoe mag overgaan, kunnen versoepelen. Op dit moment ligt die lat natuurlijk vrij hoog. Het afnemen van het Nederlanderschap kan alleen bij dubbele nationaliteit en bij terroristische misdrijven. We zullen gaan kijken wat het nieuwe kabinet hiermee doet. Deze onderzoeken lopen in ieder geval. Ik ga ervan uit dat de volgende minister van Justitie en Veiligheid dit dossier ook onder zijn hoede zal nemen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

We zullen daarover inderdaad verder gaan debatteren met de volgende minister, maar zou er in de opvatting van de minister toch ruimte zijn voor versnelling? Ziet hij daar mogelijkheden voor?

Minister Van Weel:

Ik zie de gedachte hierachter; die ondersteun ik. Ik zie ook de afschrikwekkende werking die daarvan kan uitgaan; die is natuurlijk ook heel veel waard. Ik ondersteun dus de insteek. Of het mogelijk is om dit te versnellen … Dat zal buiten mijn ambtstermijn vallen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Wij hadden best wel wat kritiek op de begroting, net als de SGP trouwens. Ik vraag me af bij welke minister de beantwoording daarvan zit.

Minister Van Weel:

Ik denk dat het grootste deel van uw kritiek de duurzaamheid van de opvang betreft.

Minister Keijzer:

Lekker man!

Minister Van Weel:

Daarom zou ik het, zonder dit nu …

De voorzitter:

Over de schutting te willen gooien. Toch wel!

Minister Van Weel:

Ik zou dit logischerwijs zien bij mevrouw Keijzer.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik zie hoe de verhoudingen zijn in het demissionaire kabinet.

Minister Van Weel:

Die zijn goed; die zijn goed.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

De minister had het net over het landenbeleid. De heer Ceder heeft vragen gesteld over de jezidi's in Irak. Ik heb daar ook vragen over gesteld. Ik zag dat daar een schriftelijke beantwoording op is gekomen: de minister ziet geen aanleiding om het landenbeleid aan te pakken. In alle eerlijkheid vind ik dat best wel heftig voor deze groep, maar ook te kort door de bocht. We erkennen toch dat daar een genocide is geweest? We horen toch ook de verhalen van de mensen die aangeven dat ze ook in Nederland niet veilig zijn en dat ze denken aan hun familie in Irak? Mijn vraag aan deze minister is of hij toe kan lichten waarom hij geen reden ziet om dat aan te passen.

Minister Van Weel:

Ik vind dat dit soort processen zo apolitiek als mogelijk moeten zijn. Daarom heb ik ook echt wel last gehad van de discussie die woedde rondom Afghaanse vrouwen en het recht op asiel. Dat is niet omdat ik daar persoonlijk als mens een mening over heb, maar omdat ik vind dat we moeten kunnen uitleggen en verdedigen dat we hier deugdelijke processen hebben waar mensen op kunnen rekenen en op kunnen bouwen en waar rechters op kunnen varen. Dat loopt via de systematiek van ambtsberichten, die door experts worden opgesteld en waar ministers geen komma of punt aan veranderen. Dat loopt vervolgens via het landenbeleid, dat op basis van dat ambtsbericht op een inhoudelijk concrete manier poogt te onderbouwen waarom dat leidt tot bepaalde uitzonderingen voor groepen personen of niet.

Los van dat landenbeleid blijft het natuurlijk altijd een individuele weging. Als er sprake is van een risico op vervolging, dan kan de rechter of de IND dat bij individuele casussen altijd meewegen in een beschikking. Dat leidt er ook toe dat we op het moment dat een landenbeleid staat en is vastgesteld, niet blind zijn voor signalen die komen maar ook niet politiek gaan sturen op aanpassingen van dat landenbeleid. Het landenbeleid is nu wat het is. Het wordt periodiek herzien. Het wordt sneller herzien op het moment dat we meer signalen krijgen dat dat nodig zou zijn voor bepaalde beroepsgroepen. In de tussentijd heeft iedereen individueel recht op een weging van zijn of haar situatie. De situatie waarin de jezidi's hebben verkeerd en de genocide die op de jezidi's heeft plaatsgevonden ten tijde van de hoogtijdagen van ISIS ontken ik helemaal niet, maar de situatie nu is zoals in de schriftelijke beantwoording is aangegeven op basis van het landenbeleid.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Laat ook maar even duidelijk zijn dat ik er niet voor pleit dat wij hier vanuit de Kamer gaan bepalen wie wel en niet mag blijven, om het maar even helemaal plat te slaan. Want dan krijg je inderdaad dat groepen die ons het beste weten te vinden de meeste kans maken. Dat moeten we niet hebben. Daar hebben we inderdaad processen voor, maar de kaders zijn natuurlijk wel politiek. Die kunnen politiek gestuurd worden. Er kunnen situaties ontstaan waardoor je kaders moet aanpassen. Daarom begrijp ik niet zo goed waarom de minister erbij blijft dat we dit punt niet gaan aanpassen. Dat heeft er ook mee te maken dat we soms ook tegenstrijdige bewegingen zien. Volgens mij speelde ook bij de Afghaanse vrouwen dat we tegenstrijdige bewegingen zagen. We hoorden hier een kabinet zeggen: er worden rechten van vrouwen geschonden, maar we sturen wel vrouwen terug. Dat zijn zaken die niet goed uit te leggen zijn. Ik zou de minister willen vragen om daarop in te gaan.

Minister Van Weel:

Op dat eerste: als ik nu die kaders zou veranderen, dan ga ik wel politiek sturen op deze zaak. Ik sta achter het landenbeleid voor Irak zoals dat staat, inclusief de positie van jezidi's: kwetsbaar, maar zoals omschreven geen algemene uitzonderingsgrond voor het verkrijgen van asiel hier. De situatie rondom de Afghaanse vrouwen heb ik meerdere malen gepoogd uit te leggen. In algemene zin is het verschrikkelijk wat de taliban doen met vrouwenrechten. Natuurlijk wordt dat ook meegewogen. Aanstonds zullen we een nieuw landenbeleid krijgen voor Afghanistan. Dat neemt niet weg dat in een individuele casus de IND natuurlijk wel altijd meeweegt wat de argumentaties zijn om iemand asiel te verlenen of niet. Als iemand in zijn asielaanvraag zelf de onverenigbaarheid met leven onder het talibanregime niet noemt, dan hoeft de IND die zaak ook zelf niet te maken. In die zin is elke individuele zaak ook weer anders en kun je die niet vanuit de politiek wegen. Daarom ben ik daarvan weggebleven. De IND heeft een van de zaken die ze hadden lopen uitgelopen bij de rechter en heeft besloten de laatste twee zaken terug te trekken op basis van de intrekking. Dat is ook hoe het systeem werkt. De rechter trekt dan op een gegeven moment een lijn, die we dan ook volgen. Ik voel me het meest comfortabel bij juist wegblijven uit de casuïstiek, waar nodig wel een trigger geven voor herziening, maar die herziening op zo droog mogelijke manier laten doen door de experts, die daar het meest van afweten. Dat zou ik ook mijn opvolger aanraden.

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Ik hoorde de minister net iets zeggen over denaturaliseren en dat dat alleen kan op het moment dat je een terroristisch misdrijf hebt gepleegd. Nu weten we dat België, dat het Europees Verdrag inzake nationaliteit niet heeft ondertekend, die grootte van het misdrijf gaat verlagen, waardoor men eerder gedenaturaliseerd kan worden. Mijn vraag aan de minister is als volgt. Ziet de minister ruimte binnen het Europees Verdrag inzake nationaliteit om eerlijk te denaturaliseren? Of ziet de minister mogelijkheden om uit dat verdrag te stappen? Ik weet dat dat misschien een stap is die heel ver gaat, maar ik zou de minister wel willen vragen om te kijken hoe we dezelfde kant op kunnen bewegen als de Belgen. Want het is wel een goed idee.

Minister Van Weel:

Ik vind het interessant. Ik heb daar ook kennis van genomen. Ik zei ook tegen de heer Diederik van Dijk dat ik er zeker voor ben om daarnaar te kijken. Eerlijkheidshalve moet ik wel bekennen dat dit echt binnen het domein van Justitie en Veiligheid valt. Ik heb als minister van AenM geen jurisdictie over het Nederlanderschap as such. Maar ik geleid het graag door naar dat ministerie.

De voorzitter:

Ik dank de minister. Het woord is aan de minister vóór Asiel en Migratie voor haar beantwoording van de gestelde vragen.

Minister Keijzer:

Dank u, voorzitter. Mijn collega, de minister ván Asiel en Migratie, David van Weel, heeft net ook al gezegd wat hier bij mij in de voorbereiding staat, namelijk dat het best een bijzonder gesternte is waaronder we deze begrotingsbehandeling doen. Richting mevrouw Westerveld zeg ik: maakt u zich helemaal geen zorgen. Zeven maanden geleden zijn wij samen deze portefeuille gaan doen. Dat is eigenlijk vanaf dag één een bijzonder fijne samenwerking geweest, zo fijn dat je zo'n grap kunt maken op het spreekgestoelte. Zeven maanden geleden zijn we dit met z'n drieën gaan doen. Op een gegeven moment zijn we met z'n tweeën overgebleven, en dat is altijd een bijzonder prettige samenwerking geweest. Het feit dat collega Van Weel ook Buitenlandse Zaken deed, maakte het eigenlijk een nog mooier geheel, omdat de portefeuille Asiel en Migratie natuurlijk buitengewoon veel te maken heeft met wat er in het buitenland speelt. Aangezien ik ook de portefeuille VRO deed en verantwoordelijk werd voor vooral het onderdeel huisvesting, waren er prachtig mooie dwarsverbanden met elkaar te maken.

Voorzitter. De behandeling van de begroting van Asiel en Migratie gaat al jaren over grip krijgen op migratie. Dat is eigenlijk heel jammer, want Asiel en Migratie gaat uiteindelijk over mensen. Mijn mensbeeld is dat een mens tot zijn recht komt in relatie tot een ander. Een mens is van nature geneigd om een ander mens die in nood verkeert, te helpen. Maar door de grote aantallen waarmee vluchtelingen naar Nederland komen, de grote cultuurverschillen tussen de mensen die hiernaartoe komen en de mensen die hier al zijn, de afhankelijkheid van uitkeringen en daarmee het beslag op de verzorgingsstaat en de druk op de woningvoorraad, die gigantisch groot is in dit land, is het geen debat meer over mensen in nood helpen, maar is het een debat geworden over hoe we het zo goed mogelijk kunnen beperken en het zo streng mogelijk maken. Daar sta ik overigens achter, want op deze manier kunnen we het in Nederland niet langer bolwerken.

Laat ik kort de actuele stand van zaken schetsen. We vangen ruim 130.000 Oekraïners op. Elke week komen er gemiddeld nog 300 Oekraïners naar Nederland. Elke week 300. Alleen al van de Syriërs — mijn collega heeft daar net het een en ander over gezegd — hebben er 17.000 een eerste asielaanvraag liggen. En er staan zo'n 53.000 verzoeken tot nareis in de wacht. Elke week landen er ongeveer 400 op Schiphol, die direct weer instromen in de overvolle asielzoekerscentra. In die asielzoekerscentra zitten ruim 12.000 statushouders langer dan veertien weken. Zij hebben langer dan veertien weken geleden een verblijfsvergunning gekregen. Daarmee zijn het statushouders geworden. Die zijn een verantwoordelijkheid voor gemeenten, maar deze kunnen die verantwoordelijkheid niet oppakken of nemen die verantwoordelijkheid niet. En dat terwijl die verantwoordelijkheid in ieder geval wel mogelijk wordt gemaakt door beleid en financiële middelen.

Voorzitter. Ons land kan dit gewoon niet langer aan. Het systeem is kapot. We staan dus met z'n allen voor een enorme opgave. Met "we" bedoel ik natuurlijk allereerst de duizenden mensen die betrokken zijn bij de uitvoeringsorganisatie en die dag in, dag uit alles doen om de situatie toch beheersbaar te houden. Met "we" bedoel ik ook onszelf in het dubbeldemissionaire kabinet en uiteraard ook de opvolgers in het nieuwe kabinet. Maar de sleutel tot reparatie van een kapot asielsysteem, ligt natuurlijk ook bij de uitvoerenden en de vrijwilligers in het land. En last, but certainly not least, in mooi Nederlands, bedoel ik met "we" politici in de Tweede Kamer, maar zeker ook in de Eerste Kamer, waar er twee wetten liggen die echt, echt, echt wachten op besluitvorming en instemming. We zijn samen verantwoordelijk en we kunnen en moeten met elkaar het verschil maken.

Ik ga schetsen wat ik al gedaan heb en hoe het volgens mij met alle maatregelen, al het beleid en al het geld dat er staat verder moet. Ik ben blij om te lezen in het nieuwe coalitieakkoord dat op die ingeslagen weg wordt voortgegaan. Dat is gewoon goed nieuws. Nu alleen nog de daad die erbij hoort, vooreerst in de Eerste Kamer. Ik heb een aantal blokken. Ik zie de heer Heutink al staan. Ik begin met grip op de instroom, inclusief het wetsvoorstel over het tweestatusstelsel, en kom dan direct bij de Spreidingswet en het stabiliseren van de opvang. Dan de uitstroom van de statushouders, een blokje overlast en dan ben ik aan het einde.

De voorzitter:

Ik stel voor de interrupties na ieder blokje toe te staan om enige structurering in het debat te houden. Meneer Heutink.

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Horend hoe de minister de problematiek schetst en aangeeft waar we als Nederland mee te maken hebben, heb ik toch even het nieuwe coalitieakkoord erbij gepakt. Daarin staat: wanneer het aantal mensen dat een asielaanvraag doet in korte tijd fors stijgt, daarop niet kon worden geanticipeerd en de asielketen bezwijkt onder de instroom, nemen we nationaal aanvullende instroombeperkende maatregelen. Mijn vraag aan de minister is: bezwijkt de asielketen onder de instroom?

Minister Keijzer:

Dit is een vraag over het nieuwe coalitieakkoord, als ik het goed verstaan heb. Tenminste, dat hoorde ik. Of hoorde ik iets anders?

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Mijn vraag aan de minister was: bezwijkt de asielketen op dit moment onder de asielinstroom?

Minister Keijzer:

Ja, dat heb ik gehoord. Daarvan heb ik gezegd dat het ons over de schoenen loopt. Dus ja, het is zeer, zeer zorgelijk. Ik doel op elke week 300 Oekraïners, elke week 400 nareizigers die landen op Schiphol en elke week zo'n 400 of 500 nieuwe aanvragen. Het is gewoon niet vol te houden op deze manier.

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Dan een vervolgvraag. Moeten er volgens deze minister aanvullende, nieuwe nationale maatregelen komen om de asielinstroom te beperken?

Minister Keijzer:

Ja, maar dat is niet meer aan mij. Mijn collega en ik hebben de twee wetsvoorstellen door de Tweede Kamer gehaald. Collega Van Weel heeft de novelle nog weten te behandelen en aangenomen weten te krijgen. Nu ligt het bij de Eerste Kamer. Ik vind het ook teleurstellend om dan te lezen — ik weet niet of het klopt — dat de fractie van D66 in de Eerste Kamer aangegeven heeft daartegen te gaan stemmen. We hebben die wetten namelijk echt ontzettend hard nodig.

Ik ga direct iets vertellen over Ter Apel. Er is bijna geen dag voorbijgegaan dat ik niet bezig ben geweest met Ter Apel de afgelopen maanden. De reden waarom het daar over de schoenen loopt en tot mijn grote verdriet en spijt geregeld over de afgesproken 2.000 mensen heen gaat, is omdat de instroom door blijft gaan en omdat de nareizigers blijven landen op Schiphol. Over de nareizigers wordt gesproken in het wetsvoorstel over het tweestatusstelsel, met directe werking. Vanaf het moment dat die wet aangenomen wordt, gaat de IND conform werken. Wij hadden met z'n tweeën echt gehoopt dat in de procedurevergadering vorige week, nee, afgelopen dinsdag, besloten zou zijn dat wij dat nog hadden kunnen behandelen met z'n tweeën, maar daar is helaas besloten om het toch weer wat langer te laten duren. De enige manier om hier iets aan te doen, is door die wetten aan te nemen. Anders moeten we weer wachten tot juni, wanneer het Migratiepact in werking treedt. Daar moet nog een wetsbehandeling op komen en ook daarin zit gewoon weer dezelfde keuze ten aanzien van nareis. De nareis zit namelijk niet in het Migratiepact. De nareisvoorwaarde is een nationale competentie en dat besluit zul je moeten nemen, anders heb je te maken met, volgens de huidige stand van zaken, 53.000 aanvragen tot nareis. Elke statushouder die een vergunning krijgt, mag zijn familie hiernaartoe halen. Ook daarbij draait de IND gewoon productie. Elke maand worden er dus nieuwe statussen verleend.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Volgens mij gaat het Migratiepact in op, uit mijn hoofd, 26 juni 2026. Dat betekent dat de implementatiewet daarvoor niet alleen behandeld moet zijn in deze Kamer, maar ook de Eerste en de Tweede Kamer door moet zijn. Ik vermoed dus dat we in april, mei die wetten erdoorheen krijgen. Nou vraag ik me even af of de minister kan schetsen wat het verschil zou zijn als die asielwetten niet aangenomen worden. Dat vraag ik me af omdat de minister zonet de opmerking maakte dat het broodnodig is dat die erdoorheen komen. U weet hoe wij naar een aantal onderdelen van die wetten gekeken hebben. Een aantal steunen we er, en een aantal vinden wij juist averechts werken. Maar stel je voor dat ze niet worden aangenomen, maar we wel weten dat we een of twee maanden later hier de behandelingen hebben van de implementatiewetten van het Migratiepact, waarin de keuzes zoals u die schetst ook gewoon voorliggen en daarover ook knopen doorgehakt moeten worden. Het moet namelijk volgens Europees recht ingevoerd worden voor 26 juni 2026. Kunt u voor de Kamerleden en voor de kijkers naar dit debat schetsen welk groot verschil er dan ontstaat? Kunt u de noodzaak hiervan toelichten?

Minister Keijzer:

Het is niet aan mij om een wedervraag te stellen, maar waarom doe je het dan niet nu?

De voorzitter:

Een retorische vraag, maar daar mag de heer Ceder op antwoorden.

Minister Keijzer:

Ja, nou, waarom …

De voorzitter:

De heer Ceder. U liet een stilte vallen, minister. Meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik wil het wetsvoorstel niet overdoen. We hebben bij een aantal behandelingen beide ministers gevraagd of ze één organisatie kunnen noemen die de volledige omvang van die wet steunt en niet slechts één onderdeel, maar er is geen een die zegt dat de wet het effect zal hebben dat de minister beoogd had. Ik denk dat dat een relevant punt is. Het was onvoldoende voor de meerderheid van de Kamer om alsnog hiertegen te zijn. Dat is oké. Dat is een gepasseerd station. Maar dan stel ik toch even serieus mijn feitelijke vraag. Wat is het verschil tussen het niet aannemen van de asielwetten en het wel aannemen van de implementatiewetten van het Migratiepact? Kan de minister dat aangeven, ook voor de kijkers? Wat is het verschil? Wat is de impact daarvan op de samenleving? Volgens mij is die namelijk niet heel groot.

Minister Keijzer:

De heer Ceder zegt: er is geen enkele organisatie die zegt dat dit een goed idee is. We moeten ook eerlijk met elkaar zijn en vaststellen dat al die organisaties werken in de asielketen en daar hun geld verdienen. Zij hebben dus een bepaalde kijk op de vraagstukken en vinden dat dit niet de weg is. Feit is dat we dit niet volhouden met elkaar. Als je het hebt over de nareis — dat is mijn onderdeel in deze wetten — dan liggen er 53.000 aanvragen op de plank. De IND heeft gepubliceerd dat die dienst in 2025 op 28.000 verzoeken tot nareis heeft beslist. Als deze wetten gewoon heel snel waren aangenomen en je het in tweeën knipt, een halfjaar, omdat het Migratiepact even afgerond per 1 juli in werking treedt, dan heb je het over 20.000 mvv-nareizen met een inwilligingspercentage van 87%. Dat zijn in een jaar 17.000 toestemmingen om naar Nederland te komen in het kader van nareis. Je weet precies wat de helft is: 17.000 gedeeld door twee. Dat zijn de aantallen waar je het over hebt als dat besluit meteen in januari was genomen. Het is echt een misvatting om te denken dat wanneer op 12 juni het Migratiepact in werking treedt, meteen de volgende dag alles klaarstaat om de uitvoering volgens de nieuwe regels te doen. Er is tijd nodig om dat allemaal te organiseren. De heer Ceder zegt hier: nou ja, joh, wat maakt het uit als het twee maanden later is? Ik zou tegen de heer Ceder willen zeggen: wat maken twee maanden eerder uit, als we de problemen in de keten zien en we zo langzamerhand niet meer in staat zijn om mensen op een beschaafde manier op te vangen en met een beetje tempo een besluit te nemen op de aanvraag die ze doen?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik heb alle begrip voor de retorische trucjes van de minister, maar mijn vraag is gewoon niet beantwoord. Mijn vraag wordt al een jaar niet beantwoord. Wat is de impact? De minister kan dat niet aangeven. De minister gebruikt een retorisch trucje: als de wet in januari zou zijn aangenomen, zou het zoveel schelen. Maar de wet is niet in januari aangenomen, dus wat een onzin! Mijn vraag is wat de impact is op het moment dat die wet aangenomen wordt ten opzichte van als die aangenomen wordt in juni. Ik constateer dat de minister na een jaar vragen — want ik vraag dit niet voor de eerste keer — nog steeds geen antwoord kan geven op die vraag. De minister zegt dat elke organisatie die hiertegen is, een financieel perverse prikkel heeft waardoor ze hiertegen is, maar volgens mij is dat ook onzin. De Raad van State heeft geen perverse prikkel om het plan van minister Keijzer in de wielen te rijden. De Raad voor de rechtspraak heeft geen perverse financiële prikkel om het plan van mevrouw Keijzer in de wielen te rijden.

Ik ben het met mevrouw Keijzer eens dat er wat moet gebeuren. Daar ben ik het helemaal mee eens. Mijn punt is alleen dat er zo veel in die maatregelen is gepropt dat organisaties waarschuwen dat die een averechts effect hebben. Ik probeer de minister daar op een normale manier over te bevragen. Ik vraag: kunt u aangeven wat het verschil is, want er is veel onrust in de keten? Ik constateer dat de minister die onrust niet wil wegnemen. In plaats van antwoorden geven komt zij met hypothetische situaties die gewoon niet van toepassing zijn, want de wet is niet in januari aangenomen.

Minister Keijzer:

Cijfers zijn niet hypothetisch. Dat de heer Ceder het niet wil horen, dat mag. Ik heb net aangegeven dat er in 2025 20.000 mvv-nareizen waren. 20.000! Het inwilligingspercentage is 87%, dus dat zijn 17.500 toestemmingen in 2025 om via nareis naar Nederland te komen. Die mensen landen op Schiphol en stromen een-op-een binnen in overvolle azc's, waardoor je bijvoorbeeld — ik ben er zelf geweest — op een kamer komt van 20 m2, 25 m2, waar een man en een vrouw met drie kinderen slapen. Daar heb je het over. Dus elke maand dat je die wetten aanneemt, is een maand waarin je tegen nareisaanvragen kunt zeggen: nee, u mag uw familie hier pas naartoe halen als u een huis heeft en als u inkomen heeft. Ik vind het niet meer dan logisch, voorzitter, niet meer dan logisch. Die mensen komen hier nu binnen, zitten dus met z'n vijven op een kamer van 25 m2 en moeten daar wachten op doorstroom naar een zelfstandige woning, die er ook niet is. Als je dit weet — en ik weet dat de heer Ceder dit weet — begrijp ik niet dat je niet zegt: oké mensen, deze wetten moeten erdoor; het moet.

De voorzitter:

De heer Ceder werd uitgelokt, dus ik geef nog één korte gelegenheid voor een reactie. Maar kort, kort, kort, meneer Ceder. Gaat uw gang.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik voel me inderdaad uitgelokt. Mevrouw Keijzer doet iets lijken wat niet het geval is. Over die nareizigers, als de wetten worden aangenomen, zegt mevrouw Keijzer zelf …

De voorzitter:

"De minister."

De heer Ceder (ChristenUnie):

De minister zegt zelf tegen de vorige spreker: stel dit niet uit, want bij het Migratiepact zal alsnog een keuze worden gemaakt over nareis. Met andere woorden: deze keuze gaan we maken, of de asielwetten nu worden aangenomen of niet. In het Migratiepact gaan we die keuze moeten maken. Dat heeft u net gezegd en volgens mij is het ook zo. Daarnaast is het niet zo dat als die wetten worden aangenomen, de nareizigers verdwijnen. Er vindt gewoon uitstel plaats, wat ook weer problemen met zich meebrengt, zoals integratievraagstukken en veiligheidsvraagstukken. Die mensen komen dus gewoon. U heeft het over cijfers. Het is niet alsof die mensen verdwijnen. Die mensen komen alsnog naar Nederland, alleen verlaat, vertraagd en extra getraumatiseerd. Ze hebben extra zorg nodig. Dat zegt mevrouw Keijzer niet.

De voorzitter:

"De minister."

De heer Ceder (ChristenUnie):

De minister. Ik wil mijn punt dus handhaven. Na een jaarlang vragen wat de impact is ten opzichte van het Migratiepact, kan de minister daar gewoon geen antwoord op geven en blijft zij hangen in retorische vraagstukken. Voorts wil ik benadrukken dat ik het punt onderschrijf dat we moeten hervormen. Juist daarom zijn we voor een snelle implementatie van het EU-Migratiepact.

Minister Keijzer:

Toch klopt dit niet. Het klopt niet. In het Migratiepact is niet opgenomen dat je deze eisen stelt aan nareis, dus dat moet je alsnog besluiten. Het is dus uitstel wat je doet, terwijl er elke week 400 mensen landen op Schiphol die instromen in overvolle asielzoekerscentra. Ik heb de cijfers net gegeven. Het is dus geen retorisch trucje; het zijn harde cijfers. In de wetten die nu in de Eerste Kamer liggen, zitten eisen aan nareis. Die treden dan per direct in werking, zodat de IND per direct, bij wijze van spreken vanaf de dag erna, op basis van het nieuwe beleid die verzoeken tot nareis kan beoordelen. Als je na twee jaar wachttijd vervolgens gaat kijken of iemand huisvesting heeft geregeld, zou ik het verstandig vinden om dat ook gewoon te verlangen van iemand die legaal in Nederland verblijft. Als ik een man en kinderen in het buitenland heb en ik haal ze hiernaartoe, krijg ik ook geen huisvesting van de overheid. Dus waarom doen wij dat voor statushouders dan wel?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Deze manier van debatteren is erg vervelend. De heer Ceder stelt gewoon een vraag aan de minister, die daar zit en die verantwoordelijk is voor het beleid, beleid waarvan we allemaal vinden dat het niet op orde is. Hij vraagt naar onderbouwing van maatregelen die worden genomen, een onderbouwing die we ook in het vorige debat al hebben gevraagd. In plaats van dat er gewoon een antwoord komt, zoals een onderbouwing met een rapport — ik denk niet dat het er is, maar los daarvan kan dat dan ook gezegd worden — komt er een soort college over iets waarvan we allemaal vinden dat het een probleem is. Niemand zegt hier dat de asielketen op orde is. Niemand zegt hier dat er geen enkele maatregel moet worden genomen. Maar als er maatregelen zijn, moeten die wel onderbouwd kunnen worden. Ik hoop dus dat er gewoon een antwoord kan komen op de vrij duidelijke vraag die de heer Ceder net stelde, in plaats van opnieuw een uitleg van waarom allemaal dingen niet kloppen. Ja, dat weten we. Dat vinden we allemaal.

Minister Keijzer:

De IND heeft onlangs gepubliceerd dat die in 2025 in totaal over 28.000 verzoeken tot nareis heeft beslist. Dat neemt de IND gewoon in zijn jaarverslagen op. Dat is dus niet iets wat ik bedenk; het is gewoon een feit. Het is gewoon een feit dat er elke week 400 mensen landen op Schiphol en dat die zich vervolgens eerst melden in Zevenaar en dan voor een groot gedeelte instromen in asielzoekerscentra. Ja, het is wat het is.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat is het punt allemaal niet. Niemand betwijfelt die feiten. Er wordt alleen naar een onderbouwing gevraagd van wat de minister net zei. Die geeft ze niet. Ik kan natuurlijk ook een rijtje opnoemen met feiten die niets met de vraag te maken hebben, maar dat is het punt niet. Maar ik laat het hierbij.

De voorzitter:

De minister vervolgt.

Minister Keijzer:

Ik weet niet wat voor onderbouwing je nog nodig hebt als je een klein beetje weet hoe overvol de azc's zijn. Daar is de bezetting bijna 100%. Elke week komen er bijna — het aantal Oekraïners moet ik er dan van aftrekken — 800 à 900 mensen bij. Ik zou niet weten wat voor onderbouwing je nodig hebt om te kunnen vaststellen dat de keten dat niet aankan.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Keijzer:

Goed, voorzitter. Even zien. Grip op de instroom. Het tweestatusstelsel hebben we nu net in de interrupties met elkaar behandeld. In het wetsvoorstel dat in de Eerste Kamer ligt, zit opgenomen dat die regels dan per direct in werking treden, zodat je die instroom per direct kunt stoppen. Daar hoef ik dus niet veel meer aan toe te voegen, volgens mij. Als dat anders is, dan komt er vanzelf iemand naar de interruptiemicrofoon.

Dan het tweede blokje, over het stabiliseren van de opvang.

Nu kom ik bij de Spreidingswet. Zoals al vaker gezegd, schommelt de bezettingsgraad van het COA nu rond de 100%. Het is overvol. Die druk moet omlaag. Ik kan melden dat het COA inmiddels ongeveer 70.000 plekken heeft gerealiseerd. Dat komt overeen met het getal dat in het nieuwe coalitieakkoord staat. Naar schatting 40.000 van deze plekken zijn beschikbaar voor langere tijd, dus langer dan vijf jaar. Dat gaat lucht geven, in combinatie met de instroombeperkende maatregelen waarover we het net gehad hebben. Voor de opvang van Oekraïners zijn nu 95.000 plekken geregeld. Elke week melden zich gemiddeld 300 Oekraïners in Nederland. Gemeenten zitten echt knel bij het organiseren van de opvang. De inzet is gericht op uiteindelijke terugkeer naar Oekraïne. Laten we met z'n allen bidden en hopen dat er snel afspraken over vrede komen in Oekraïne, om allerlei redenen, maar ook zodat de Oekraïners uiteindelijk terug kunnen vanuit Nederland. Tot dat moment zijn ze hier. Het is goed om vast te stellen dat heel veel Oekraïners werken en meedoen in Nederland. Het doel hier is uiteindelijk — dat heeft ook gestaan in het langetermijnbeleid voor opvang van Oekraïners — om rechten en plichten te normaliseren en om de tijdelijke regeling, waaronder de opvang door gemeenten, zo snel mogelijk af te bouwen. Er wordt intensief met de Oekraïense ambassadeur samengewerkt om al die plannen uit te werken, zodat mensen weer teruggaan naar Oekraïne.

Voorzitter. Er is in de regeling van werkzaamheden van gisteren nog aan mij gevraagd om de Kamer te informeren over wat ik doe met de Spreidingswet. Daar heb ik u een brief over gestuurd. De bedoeling is natuurlijk om uiteindelijk voldoende plekken te realiseren. Er staan grote wijzigingen op de drempel; dat hoop ik echt. Verschillende regelingen en geld zijn beschikbaar gesteld om de 12.000 statushouders die al langer dan veertien weken in de opvang zijn, zo snel mogelijk uit te laten stromen uit de asielzoekersopvang. Die horen daar namelijk ook gewoon niet thuis. Dat maakt dat ik uiteindelijk besloten heb om dat over te laten aan mijn opvolger.

Voorzitter. Dan die uitstroom van statushouders. U heeft in mijn brief ook de verschillende regelingen die daarvoor bestaan aangetroffen: de flexwoningen, de doorstroomlocaties, en de doelgroep-flexibele regeling waardoor het mogelijk wordt om verschillende geldstromen samen te voegen en om statushouders zo snel als mogelijk uit het azc te laten vertrekken. De inwerkingtreding van die regeling is onder voorbehoud van de definitieve financiële besluitvorming over de regeling bij de Voorjaarsnota 2026. Dat is dus een mooie opgave voor mijn opvolger. Dan kan worden bekeken of je bestaand vastgoed, zoals nu bijvoorbeeld gebruikt voor Oekraïners, om kunt klappen naar gewone huisvesting, een dak boven het hoofd. Daar is wel voor nodig dat we een aantal definities in de huisvestingswetgeving wijzigen. Dat vinden sommige mensen spannend, maar volgens mij is het nu zaak om alle wetten en praktische bezwaren die wij in dit land georganiseerd hebben, echt te slechten, om gewoon praktisch om te gaan met dit vraagstuk en om ervoor te zorgen dat situaties in de gemeenten waar die statushouders uiteindelijk naartoe moeten, zo snel als mogelijk normaliseren. Dat is ook goed voor het meedoen in de samenleving, voor het aan het werk gaan en voor de integratie.

Voorzitter. De HAR- en de HAR+-regeling zijn ook verlengd. Op dat punt ben ik aan het kijken om de Regeling verstrekkingen asielzoekers te gaan wijzigen, zodat ook hiervoor geldt dat een statushouder of een nareiziger zo snel als mogelijk geplaatst wordt in de gemeente waar hij aan verbonden wordt en daar ook verantwoordelijk wordt voor zijn eigen toekomst. Ik ben echt van mening dat we in dit land te lang bezig geweest zijn om mensen alleen maar te zien als kwetsbaar en ze niet te zien als de krachtige mensen die het uiteindelijk voor elkaar gekregen hebben om naar Nederland te komen en hier iets te maken van hun toekomst. Alle regelingen waar ik de afgelopen tijd aan heb gewerkt en waar ik in de dagen die mij nog resten aan mag doorwerken, zijn erop gericht om die situatie te normaliseren. Dat is niet om deze mensen dingen af te nemen, maar om het zo te organiseren dat de kracht die ze gewoon in zich hebben, tot zijn recht komt.

Voorzitter. Ik rond af met een blokje overlast. Veel gemeenten ervaren overlast door asielzoekers. De Syrische amv'ers, alleenstaande minderjarige vreemdelingen, spreken inmiddels tot de verbeelding. Hierbij speelt dat er sprake is van — ik kan het niet anders zeggen — een rondreizende groep die er, zachtjes uitgedrukt, een zooitje van maakt. Daarom is er ook met gemeenten een landelijke persoonsgerichte aanpak uitgewerkt. Die richt zich op snelle informatiedeling, de inzet van passende interventies en een strakke casusregie. Dit is prachtige ambtelijke taal, die gewoon betekent: erbovenop zitten. Die betekent ook dat we zorgen dat persoonsgegevens gewoon gedeeld worden met Nidos, met het COA en met voogden om de boodschap duidelijk te maken: wij zien jullie, wij zien wat jullie doen en het is onacceptabel. Deze uitwerking gebeurt samen met gemeenten, maar zeker ook samen met de politie.

Voorzitter. De gedachte, het rationale, daarachter is eigenlijk gewoon simpel: je vlucht voor oorlog en geweld, je komt hiernaartoe en dan heb je je gewoon te gedragen. Dan geeft het geen pas om te slopen, overlast te veroorzaken en geweld toe te passen. Daar wordt ook echt tegen opgetreden, ook met straf, als daar noodzaak voor is.

De voorzitter:

Bent u daarmee aan het einde gekomen?

Minister Keijzer:

Ik heb nog een paar afrondende woorden, voorzitter.

De voorzitter:

Dan sta ik nu interrupties toe voor dit onderwerp.

Mevrouw Vondeling (PVV):

Ik ben het er natuurlijk helemaal met de minister over eens dat overlast onacceptabel is en dat die moet worden aangepakt. Alleen, nu verscheen er volgens mij eind december een bericht waarin stond dat asielzoekers die gebruikmaakten van de bus van Emmen naar het azc in Ter Apel, gratis met de bus konden omdat zij overlast veroorzaakten. Kan de minister daar iets meer over zeggen? Ik heb daar namelijk vragen over gesteld. De minister gaf aan dat dat besluit inmiddels is teruggedraaid, maar klopt dat? Er verschijnen daarover namelijk wisselende berichten. Ik wil daar graag wat meer duidelijkheid over krijgen van de minister.

Minister Keijzer:

Ik ging volgens mij op 15 december vorig jaar naar Ter Apel; dat is iets meer dan een maand geleden. Ik had er samen met gemeentelijke ambtenaren, COA-medewerkers en medewerkers op het ministerie echt voor gezorgd dat we ten aanzien van een aantal zaken die daar al langer speelden, iets te leveren hadden, iets te brengen hadden. We zijn daarnaartoe gegaan met de beslissingen over de schadevergoedingen, die al een hele tijd liepen, met de afspraak dat de vreemdelingenpolitie weer actief zou worden in Ter Apel en met de afspraak dat het COA ervoor zou zorgen dat de overlastgevende Dublinners of veiligelanders — laat ik ze zo maar even samenvatten — niet allemaal daar zouden zitten, maar dat ze gewoon in plukjes verdeeld worden over Nederland. De ervaring leert namelijk dat het overlast veroorzaakt als je ze allemaal bij elkaar stopt.

Ik kwam in Ter Apel en werd daar eigenlijk — laat ik het maar gewoon zeggen zoals het is — wat overvallen door het lokale besluit om die bus gratis te maken. Ik heb toen meteen gevraagd of dat de bedoeling is. Dat lijkt mij niet, want er is een aanbesteding geweest en de afspraak is al een hele tijd dat er gewoon betaald wordt voor die speciale buslijn. Ik werd daar dus wat door overvallen. Ik ben toen meteen het gesprek aangegaan en heb gezegd: dit is niet de afspraak; dit is niet de bedoeling. Dat staat nog los van het feit dat hier een prijskaartje van €250.000 aan hangt, dat ik in ieder geval niet betaal. Maar hierachter zit ook dat je mensen die zich misdragen, niet een bonus geeft door een gratis busritje te organiseren. Het is buitengewoon wrang in dat deel van Nederland, waar sowieso al geklaagd wordt over het verdwijnen van busvervoer. Zo is het gegaan. Vervolgens is heel snel besloten: nee, dit is niet de bedoeling; er moet ter plekke opgetreden worden tegen mensen die zich misdragen.

Mevrouw Vondeling (PVV):

Oké, dat is duidelijk. Dan wil ik de minister wel vragen of zij kan garanderen dat het niet meer voor gaat komen. Ik bedoel dat asielzoekers die zich misdragen en overlast veroorzaken, gewoon opgepakt worden, vastgezet worden en het land uit worden gezet. Zij moeten niet beloond worden met gratis busvervoer.

Minister Keijzer:

Nederland heeft ooit een minister-president gehad die de wijze woorden sprak: op stofzuigers zitten garanties. Serieus, ik kan geen garanties geven. Een lokale bestuurder heeft altijd de ruimte om een besluit te nemen. Hier zijn we gelukkig snel met elkaar tot de conclusie gekomen dat dit weliswaar begrijpelijk was vanuit frustratie, maar dat het niet de weg was om om te gaan met vluchtelingen die zich misdragen. Je treedt op tegen vluchtelingen die zich misdragen. Die geef je zeker geen gratis busvervoer.

De voorzitter:

Uw slotwoorden.

Minister Keijzer:

Mijn slot, voorzitter; ik rond af. Dit kabinet, dat kort gezeten heeft, heeft naar mijn mening wel heel veel werk verzet. Ik denk dat het netjes is om onze vorige minister, Marjolein Faber, een bijzonder mens — volgens mij zijn we het daar allemaal over eens — te noemen. Zij heeft wel de wetten uiteindelijk door het kabinet gekregen en hier in deze Kamer neergelegd. Wij hebben eerst met z'n drieën, later met z'n tweeën, samen met alle ambtenaren die daarachter zitten, heel hard gewerkt om deze wetten door de Tweede Kamer te krijgen. We hebben beleid gemaakt dat de opvang normaliseert. Daarmee ligt er eigenlijk voor het volgende kabinet best een mooi overzicht om op verder te bouwen. Het is echt de bedoeling dat het asielsysteem stabiel gekregen wordt.

Ik hoop dan ook zeer — ik zeg het hier nog maar eens een keer — dat de wetten in de Eerste Kamer worden aangenomen. Als dat niet gebeurt, stel je eigenlijk een oplossing voor de ellende in de keten uit. Het is echt van het grootste belang dat dit wel gebeurt.

Daarmee ben ik tot een einde gekomen van deze termijn. Ik herhaal het nog maar een keertje: het is mij een voorrecht geweest om in dit dossier, wat echt een van de grote problemen van Nederland is, samen met mijn collega Van Weel stappen te hebben kunnen gezet om de problemen te verminderen. Ik wens onze opvolgers daarbij heel veel succes.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik begrijp dat de minister aan het eind van haar eerste termijn gekomen is. Ik had nog gerekend op een appreciatie van een amendement over gastgezinnen, tenzij dit "wie zwijgt, stemt toe" betekent, maar anders hoor ik die nog graag.

Minister Keijzer:

Dat doen we volgens mij altijd in de tweede termijn, bij de moties.

De voorzitter:

Wat u wilt. De minister stelt voor dit in de tweede termijn te doen. Als u daarmee akkoord bent, zou ik dat willen volgen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik kondigde net al even aan dat wij, en de SGP dus ook, kritische vragen hadden gesteld over de kwaliteit van deze begroting. Er zitten een aantal aannames in deze begroting waarvan ook de Rekenkamer zegt dat ze niet realistisch zijn. Ik hoor graag hoe het kabinet daarop terugkijkt.

Minister Keijzer:

Mevrouw Westerveld heeft die vragen gesteld. Dat zijn, om precies te zijn, de vragen 11, 22, 23 en 24. Die hebben wij schriftelijk beantwoord. Ik heb daar nu eigenlijk niet zo heel veel aan toe te voegen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb uiteraard de antwoorden gelezen. Dat waren antwoorden, maar niet per se antwoorden op onze vragen. Ik heb zomaar de indruk dat we daar vandaag niet uit gaan komen. Ik wil daarbij wel even de opmerking maken dat ik het best wel kwalijk en schadelijk vind voor het draagvlak dat er de afgelopen jaren zo veel geld is uitgegeven aan bijvoorbeeld noodopvang, waarvan de Rekenkamer en andere organisaties zeggen dat het gewoon geld over de balk smijten is. Ik begrijp heel goed dat de minister hier misschien niet op wil ingaan, maar ik wilde het hier toch even genoemd hebben.

Minister Keijzer:

Dat is toegestaan. Laten we met z'n allen hopen en bidden dat er niet ergens weer een gigantisch conflict uitbreekt waardoor allerlei mensen naar Nederland komen, boven op de vaste plekken die ook de nieuwe regering wil gaan realiseren. Als je dan mensen niet onder de brug wil laten belanden, zul je noodopvang moeten realiseren.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van het kabinet.

We zijn aangekomen bij de tweede termijn van de zijde van de Kamer. De heer Sneller geeft aan af te zien van zijn tweede termijn. Mevrouw Rajkowski krijgt het woord voor haar tweede termijn namens de VVD.

Termijn inbreng

Mevrouw Rajkowski (VVD):

Dank, voorzitter. Ik begin met het indienen van twee moties. Eentje gaat over biometrische gegevens.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat op dit moment een wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 aanhangig is die de nationale bevoegdheid om biometrische gegevens te gebruiken in de vreemdelingenketen verlengt;

constaterende dat deze bevoegdheid op 1 maart 2026 afloopt, waardoor gezichtsopnamen en vingerafdrukken op grond van deze bevoegdheid niet kunnen worden afgenomen en verwerkt en deze gegevens dreigen te worden vernietigd;

overwegende dat het vernietigen van deze biometrische gegevens ertoe kan leiden dat het voor de vreemdelingenketen lastiger wordt om de identiteit van migranten vast te stellen, waardoor het risico op onjuiste beslissingen bij onder andere asielaanvragen toeneemt;

verzoekt de minister om, zolang het wetsvoorstel nog aanhangig is in een van beide Kamers, geen onomkeerbare stappen te zetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Rajkowski.

Zij krijgt nr. 14 (36800-XX).

Mevrouw Rajkowski (VVD):

Met "geen onomkeerbare stappen" wordt trouwens het niet vernietigen van de gegevens bedoeld, voor het geval daar nog een vraag over komt.

De tweede motie gaat over wooncomplex Stek Oost. Daar heb ik net volgens mij niks over gehoord. Ik had de motie ook al klaarliggen, dus dan doe ik het op deze manier.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het wooncomplex Stek Oost in Amsterdam meerdere onaanvaardbare veiligheidsincidenten hebben plaatsgevonden met statushouders richting andere bewoners, waaronder aanranding, bedreiging en intimidatie;

van mening dat het volstrekt onacceptabel is dat statushouders die naar Nederland zijn gevlucht op deze manier misbruik maken van onze gastvrijheid;

verzoekt de minister dan ook om in gesprek te gaan met de VNG om tot een gezamenlijk kader te komen waarin veiligheids- en beheersafspraken staan om ervoor te zorgen dat gemengde woonvormen veilig zijn, en om in dit kader de aanbevelingen van het Verwey-Jonker Instituut naar aanleiding van de Stekprojecten in Amsterdam mee te nemen;

verzoekt de minister om hierin in ieder geval op te nemen dat statushouders die betrokken zijn bij veiligheidsincidenten in gemengde woonvormen uit die woonvorm worden gezet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Rajkowski.

Zij krijgt nr. 15 (36800-XX).

Mevrouw Rajkowski (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Dan heb ik nog één vraag aan de minister openstaan, over het innen van boetes als het gaat om overlastgevend gedrag of zwartrijden in het ov. Daar hoor ik graag nog antwoord op in de tweede termijn.

Dat was 'm.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Westerveld voor haar inbreng in de tweede termijn. Het gaat snel, hè, mevrouw Westerveld? Als u zover bent … Doet u rustig aan, hoor! Gaat uw gang.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik had nog even wat tijd nodig, voordat ik straks een motie zou voorlezen en de heer Ceder helemaal zou schrikken op het moment dat ik zijn naam noem als medeondertekenaar. Maar hij was helemaal akkoord!

Voorzitter. Ik heb twee moties, allebei ook ondertekend door de heer Ceder. Dit is de eerste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Wet invoering tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet, met daarin de strafbaarstelling van hier onrechtmatig verblijvende mensen, zijn opgenomen in het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten;

overwegende dat alle uitvoeringsorganisaties kritisch zijn op deze strafbaarstelling, omdat de angst voor arrestatie ertoe kan leiden dat mensen in een kwetsbare positie, waaronder kinderen die hier zijn geboren, slachtoffers van (seksuele) uitbuiting en zwangere vrouwen, geen medische zorg, onderwijs of hulp van maatschappelijke organisaties durven te zoeken;

overwegende dat uitvoeringsorganisaties ook aangeven dat deze maatregel averechts werkt en kan leiden tot minder toezicht en minder terugkeer, omdat mensen nog meer van de radar verdwijnen;

spreekt uit dat de strafbaarstelling van ongedocumenteerden ongewenst is en niet zou moeten worden uitgevoerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Ceder.

Zij krijgt nr. 16 (36800-XX).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dan mijn tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat asielzoekers langer dan ooit wachten op een besluit van de IND;

constaterende dat de werkdruk van de IND de aankomende tijd fors zal toenemen, onder meer door de intreding van het Asiel- en Migratiepact in juni 2026;

overwegende dat de IND daarnaast mogelijk wordt belast met de uitvoering van de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel;

overwegende dat een snelle besluitvorming bij de IND beter is voor de integratie van vluchtelingen die hier mogen blijven, maar ook voor asielzoekers die hier niet mogen blijven;

verzoekt de regering om voor de invoering van het Asiel- en Migratiepact te komen met een realistisch plan van aanpak voor het wegwerken van de achterstanden en het verkorten van de doorlooptijden bij de IND,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Ceder.

Zij krijgt nr. 17 (36800-XX).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ik wil beide bewindspersonen bedanken. We hebben niet zo'n hele lange periode debatten met elkaar gehad. Het waren ook niet altijd debatten waarin we het even goed met elkaar konden vinden; laat ik me maar zo uitdrukken. Ik wil jullie alle twee wel heel erg bedanken voor de inzet.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Van der Plas voor haar inbreng in tweede termijn namens de BBB. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel. Ik begin met een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het Al-Hol-kamp duizenden (ex-)ISIS-leden en hun kinderen verblijven, onder wie ook personen met de Nederlandse nationaliteit;

overwegende dat de toelating van deze groep een onaanvaardbaar veiligheidsrisico vormt voor Nederland;

overwegende dat betrokkenheid bij ISIS zowel uitsluiting van bescherming op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag als intrekking van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap rechtvaardigt in het belang van de nationale veiligheid;

verzoekt de regering personen uit het Al-Hol-kamp die Nederland willen binnenkomen om asiel aan te vragen geen toegang tot Nederland te verlenen op basis van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en van deze personen met de Nederlandse nationaliteit het Nederlanderschap in te trekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 18 (36800-XX).

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dan wil ik ook de ministers bedanken voor hun inzet in de afgelopen maanden. Vanaf 3 juni, toen de PVV het kabinet verliet en later ook NSC het kabinet verliet, kwam het aan op twee partijen. Die bleven hun werk doen, bleven op hun posten zitten en probeerden nog de beste dingen voor Nederland te bereiken, met twee fracties. Ik ben er trots op dat wij een van die fracties waren. Althans, we waren een van de partijen die ook nog bewindspersonen in het kabinet hebben gehad en die daar hun werk zijn blijven doen. Daar is echt heel veel waardering en respect voor. Ik weet ook dat heel veel mensen in het land daar heel veel respect voor hebben, of ze het nou met ons of de andere partijen eens waren of niet. Heel veel respect daarvoor en heel veel waardering. Veel succes met wat u verder gaat doen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Dan is het woord aan mevrouw Vondeling voor haar inbreng in tweede termijn namens de Partij voor de Vrijheid.

Mevrouw Vondeling (PVV):

Ik heb een aantal moties. Die ga ik oplezen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering per direct een totale asielstop in te voeren alsook een volledige stop op gezinshereniging,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.

Zij krijgt nr. 19 (36800-XX).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering alle tijdelijke asielvergunningen van Syriërs in te trekken en in te zetten op terugkeer naar Syrië,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.

Zij krijgt nr. 20 (36800-XX).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering over te gaan tot de gedwongen uitzetting van criminele Syriërs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.

Zij krijgt nr. 21 (36800-XX).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering het wetsvoorstel om de Spreidingswet in te trekken nog voor de beëdiging van het kabinet-Jetten naar de Raad van State te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.

Zij krijgt nr. 22 (36800-XX).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederlandse jongeren en medewerkers jarenlang zijn geterroriseerd, bedreigd, aangerand en verkracht door jonge mannelijke statushouders in het wooncomplex Stek Oost;

constaterende dat dit gedrag geen incident is maar een structureel probleem binnen meerdere gemengde wooncomplexen van statushouders en Nederlandse jongeren;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat alle linkse sociale experimenten waarbij jonge mannelijke statushouders worden gehuisvest met Nederlandse jongeren per direct worden stopgezet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.

Zij krijgt nr. 23 (36800-XX).

Mevrouw Vondeling (PVV):

De laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat recent een pendelbus tussen station Emmen en het asielzoekerscentrum in Ter Apel gratis is gemaakt voor asielzoekers als reactie op overlast en incidenten door asielzoekers;

verzoekt de regering overlastgevende asielzoekers niet te belonen met gratis openbaar vervoer maar het land uit te zetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.

Zij krijgt nr. 24 (36800-XX).

Mevrouw Vondeling (PVV):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Van den Brink. Nee, hij ziet af van zijn spreektijd. Dan is het woord aan de heer Boomsma voor zijn inbreng in tweede termijn namens JA21.

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de ministers voor het beantwoorden van onze vragen. Ik had nog een vraag over het terugsturen van criminele Afghanen. De ministers schrijven: Nederland wil geen banden aanknopen met de taliban. Ik snap dat je daar niet mee wil praten, maar de vraag ging juist om het volgende. Er zijn landen die ook geen banden hebben met de taliban en die ook niet willen, maar die doen het via andere landen, bijvoorbeeld Oezbekistan of Qatar. Duitsland doet dat ook zo. Ik zou er daarom toe willen oproepen om niet alleen te wachten tot de EU stappen zet, maar ook gewoon actief te kijken naar andere mogelijkheden, met landen als Duitsland of zelfs alleen.

Dan over de Syriërs. De minister gaf aan dat het nog een maand duurt voordat het landenbeleid is opgesteld. JA21 vindt dat echt topprioriteit zou moeten zijn, ook omdat je dan kunt beginnen met die herbeoordelingen. Ik heb daar nog een aantal moties voor.

Eerst een motie over de Belgische Dublinclaimanten. Die moeten natuurlijk ook gewoon terug naar België.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een belangrijk fundament van het Europese asielbeleid is dat asielzoekers die in andere EU-landen asiel hebben aangevraagd daar die procedure doorlopen en anders als Dublinclaimanten worden teruggestuurd;

overwegende dat de Raad van State heeft geoordeeld dat Nederland de alleenstaande mannelijke asielzoekers die via België hier komen niet meer mag terugsturen naar België, omdat dit in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM (het folterverbod);

overwegende dat dit leidt tot een forse toename van het aantal asielzoekers naar Nederland en er al bijvoorbeeld 170 "niet-kwetsbare mannen" aan Belgische Dublinclaimanten zijn gekomen en vele anderen direct doorreizen;

overwegende dat dit Nederland miljoenen euro's kost en extra druk legt op de al overvolle opvang;

overwegende dat Nederland in overleg is met België maar er nog geen resultaten zijn behaald;

verzoekt de regering Dublinoverdrachten naar België zo snel mogelijk te hervatten en er bij de Belgische regering op aan te dringen om maatregelen te treffen om de bestaande Dublinclaimanten, en eventuele nieuwe gevallen, zo veel mogelijk alsnog over te kunnen dragen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 25 (36800-XX).

De heer Boomsma (JA21):

Dan een motie over gezinshereniging, zoals ik in mijn eerste termijn had aangekondigd.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv's) vaak door ouders vanuit opvangplekken in bijvoorbeeld Turkije vooruit worden gestuurd om asiel aan te vragen in Nederland in de hoop dat de rest van het gezin later kan nareizen met een beroep op het recht op gezinshereniging via artikel 8 EVRM;

overwegende dat het onwenselijk is dat het beleid zo een prikkel bevat om minderjarigen alleen vooruit te sturen langs vaak gevaarlijke routes en hen te scheiden van hun ouders;

overwegende dat de komst van amv's de afgelopen jaren snel is gestegen en de Tweede Kamer onlangs wetgeving heeft aangenomen die een wachttijd van twee jaar introduceert voor gezinshereniging;

overwegende dat bijvoorbeeld Noorwegen goede ervaringen heeft opgedaan met gezinshereniging in derde landen door een aanvullende toets van waar het gezin zich bevindt en of het daar veilig is;

verzoekt de regering in kaart te brengen welke mogelijkheden er zijn om bij aanvragen voor gezinshereniging door amv's die te laten plaatsvinden in het land waar de rest van het gezin zich bevindt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma, Ceulemans en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 26 (36800-XX).

De heer Boomsma (JA21):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in de nieuwe Europese wetgeving per juni het bandencriterium wordt aangepast, waarmee het juridisch mogelijk wordt asielzoekers voor hun asiel terug te sturen naar veilige derde landen waar ze bijvoorbeeld doorheen zijn gereisd;

overwegende dat dit het mogelijk maakt om de instroom te beperken en asielzoekers niet in Nederland of de EU op te vangen maar daarbuiten;

overwegende dat dit tevens de perverse prikkel om illegaal naar de EU te reizen wegneemt en daarmee het verdienmodel van de mensensmokkelaars;

overwegende dat daartoe afspraken moeten worden gemaakt met derde landen zodat die die asielzoekers terug kunnen en zullen nemen en effectieve bescherming kunnen bieden;

verzoekt het kabinet om actief in overleg te treden met veilige derde landen op de belangrijkste migratieroutes over het organiseren van terugkeer en eventueel opvang van asielzoekers in verband met de voorgenomen aanpassing van het bandencriterium, tegelijkertijd voorbereidingen te treffen om het concept "veilige derde landen" veel vaker toe te passen op individueel niveau, daarbij waar mogelijk samen te werken met gelijkgestemde EU-landen, en voor de zomer hiertoe een plan van aanpak voor te leggen aan de Tweede Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 27 (36800-XX).

De heer Boomsma (JA21):

Tot slot, voorzitter, over de taskforce terugkeer Syriërs.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland de afgelopen jaren een groot aantal tijdelijke verblijfsvergunningen aan Syriërs heeft verleend in het kader van internationale bescherming;

overwegende dat een gerichte inzet op terugkeer, waar de veiligheidssituatie in Syrië dit toelaat, noodzakelijk is om de druk op het asielstelsel en de opvangcapaciteit te verlichten;

verzoekt de regering met een voorstel te komen voor de oprichting van een taskforce terugkeer Syriërs, gericht op het versnellen en intensiveren van de terugkeer van Syriërs, onder andere door het versneld afdoen van openstaande asielverzoeken en het herbeoordelen van de verblijfsvergunningen, waar en zodra dat mogelijk is, en de Kamer zo snel mogelijk te informeren over de voorgestelde inrichting, opdracht en benodigde middelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Ceulemans.

Zij krijgt nr. 28 (36800-XX).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Russcher voor zijn inbreng namens FVD. Gaat uw gang.

De heer Russcher (FVD):

Dank, voorzitter. Ik heb één motie, die als volgt luidt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Spanje 500.000 illegale migranten een verblijfsvergunning wil geven;

overwegende dat dit beleid illegaal verblijf beloont, een aanzuigende werking heeft en de rechtsorde ondermijnt;

spreekt uit dat dergelijk beleid nooit in Nederland ingevoerd mag worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Russcher.

Zij krijgt nr. 29 (36800-XX).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk voor zijn inbreng in tweede termijn namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor alles wat ze de afgelopen periode gedaan hadden op dit toch wel heel ingewikkelde dossier, een dossier waarbij we altijd oog moeten houden voor de mens achter de getallen maar het juist ook de opdracht is aan politici om ook aandacht te houden voor de aantallen achter de mensen. Dat betekent dus spanning tussen hoofd en hart. Ik denk dat het misgaat bij het asielbeleid als we die spanning verliezen.

Voorzitter. Ik heb twee moties. De eerste dien ik in samen met collega Ceder.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de EU Country Guidance over Syrië stelt dat lidstaten de asielaanvraag van Syrische christenen enkel "in uitzonderlijke gevallen" moeten toekennen, omdat vervolging van christenen nauwelijks zou voorkomen;

overwegende dat na de val van het Assadregime en de machtsovername door de islamitische rebellengroep HTS de situatie voor christenen in Syrië dramatisch verslechterd is, zoals blijkt uit de Open Doors-ranglijst;

verzoekt de regering de EU-handreiking op dit onderdeel niet bepalend te laten zijn bij de asielprocedure, maar in het Nederlandse beleid expliciet rekening te houden met de kwetsbare positie van Syrische christenen en deze voortdurend te monitoren, teneinde het beleid daarop aan te passen indien noodzakelijk;

verzoekt de regering in EU-verband aan te dringen op aanpassing van de richtlijn zodat de positie van Syrische christenen in lijn wordt gebracht met de daadwerkelijke vervolging die er plaatsvindt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en Ceder.

Zij krijgt nr. 30 (36800-XX).

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Mijn tweede motie dien ik in samen met collega Boomsma.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de EU Country Guidance voor Syrië bij individuen met vermeende ISIS-banden en hun familieleden "gegronde angst voor vervolging in het algemeen" bevestigt;

verzoekt de regering de EU-handreiking op dit onderdeel niet bepalend te laten zijn bij de asielprocedure;

verzoekt de regering in EU-verband aan te dringen op het schrappen van dit onderdeel en te borgen dat vervolging als gevolg van banden met ISIS geen grond kan zijn voor asiel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en Boomsma.

Zij krijgt nr. 31 (36800-XX).

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u, voorzitter.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb een wat overkoepelende vraag, omdat ik de heer Diederik van Dijk een aantal keer een opmerking heb horen maken over de positie van christenen. Ik weet waar hij vandaan komt en voor welke partij hij in de Kamer zit, dus dat is allemaal hartstikke logisch. Maar het zou toch niet uit moeten maken of iemand wel of niet christelijk is of een ander geloof aanhangt, of geen geloof aanhangt? Juist met de Bijbel in het achterhoofd, zouden we toch moeten kijken naar wat iemand nodig heeft? En op basis daarvan zou iemand toch hulp moeten krijgen?

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Op de manier waarop mevrouw Westerveld het zegt: van harte mee eens. Inderdaad, we kijken niet naar achtergrond, ras, religie, noem allemaal maar op. Als mensen in nood zijn, vervolging te duchten hebben et cetera, dan willen wij hen welkom heten. Ik neem aan dat u op mijn motie reageert. In die EU-handreiking lees ik de constatering dat christenen op dit moment niet veel te duchten hebben in Syrië. Dat staat haaks op alle informatie die wij krijgen. Ik wijs ook naar de recente Open Doors-ranglijst. Dus mijn motie zegt: denk erom dat deze richtlijn niet bepalend is voor ons asielbeleid.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat zat ook in uw betoog gisteren. Maar dan is mijn conclusie uit uw antwoord dat het dus ook voor anderen die in een soortgelijke situatie verkeren, niet uit zou moeten maken en dat daar dus hetzelfde beleid voor gehanteerd moet worden, namelijk dat open, ruimhartige beleid?

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Daar ben ik het op zichzelf volstrekt mee eens. Waarom leggen wij op een aantal plekken expliciet de vinger bij christenen? Omdat het wereldwijd de grootste groep is en wij soms toch vinden dat die proportioneel wat te weinig aandacht krijgt. Ook speelt hierbij mee dat christenen in een regio die vooral islamitisch georiënteerd is, vaak meer nog te duchten hebben dan andere groepen, en dat daarom opvang in de regio vaak moeilijker is. Dat verklaart enigszins waarom wij soms ook expliciet bij deze in onze ogen heel kwetsbare en grote groep wel de vinger leggen.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Ceder voor zijn tweede termijn namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel ontvoerde jezidivrouwen en -meisjes, tegen wie gruwelijke misdaden zijn gepleegd door IS, al jarenlang in onveilige en overvolle vluchtelingenkampen in Noord-Irak wonen;

overwegende dat meerdere landen reeds jezidiontheemden via UNHCR uit Irak hebben hervestigd, ondanks het formele criterium dat hervestiging alleen mogelijk is wanneer vluchtelingen niet in hun thuisland verkeren;

overwegende dat de Kamer de motie op stuk nr. 3143 (19637) heeft aangenomen en het kabinet in de Kamerbrief van 4 april 2025 aangaf geen uitvoering te geven aan de motie;

verzoekt het kabinet alsnog, net als andere landen, een dergelijke uitzondering toe te passen en over te gaan tot hervestiging van een aantal kwetsbare jezidiontheemden vanuit Irak met hulp van UNHCR,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Westerveld.

Zij krijgt nr. 32 (36800-XX).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bekeerlingen in asielzoekerscentra in toenemende mate melding maken van bedreigingen van andere asielzoekers;

overwegende dat er een beleidskader levensbeschouwing en een werkinstructie voor het COA zijn die richting geven voor hoe om te gaan met uitingen van levensbeschouwingen en hoe te handelen in het geval van spanningen en bedreigingen tussen asielzoekers met geloofsovertuiging als reden;

overwegende dat niet op alle COA-locaties adequaat wordt omgegaan met onveilige situaties voor bekeerlingen;

verzoekt de regering de signalen en inzet ten aanzien van onveiligheid van bekeerde asielzoekers met het COA en partners zoals Stichting Gave te bespreken, bijvoorbeeld door op elke locatie ervoor te zorgen dat er medewerkers zijn die handelingsbekwaam zijn in dit soort situaties;

verzoekt de regering no-tolerancebeleid toe te passen op asielzoekers die religieus gemotiveerd geweld plegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 33 (36800-XX).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ceder. Dan is het woord aan de heer Heutink voor zijn inbreng. Die doet hij namens de Groep Markuszower. Hij is de laatste spreker van de Kamer in de tweede termijn.

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Voorzitter. Ik wil eerst beide bewindspersonen bedanken voor hun inzet. Ik begrijp dat we minister Van Weel nog terug gaan zien in het kabinet. Ik kijk ernaar uit om met minister Keijzer en straks ook Kamerlid Keijzer nauw samen te werken om iets te bereiken voor Nederland.

Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de gemiddelde asielinstroom in de eerste vier weken van 2026 800 bedraagt;

constaterende dat een groot deel van deze instroom gezinsmigranten betreft;

constaterende dat Nederland dit niet aankan, gezien de capaciteitsproblemen in het onderwijs, de huisvesting, de gezondheidszorg en de verzorgingsstaat;

constaterende dat Oostenrijk in juli 2025 binnen het Europees recht en geldende internationale verdragen succesvol een tijdelijke stop op gezinshereniging heeft ingevoerd;

verzoekt de regering om in navolging van Oostenrijk met een onmiddellijke stop op gezinshereniging van asielzoekers te komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Heutink en Lammers.

Zij krijgt nr. 34 (36800-XX).

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Dan de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het voor de nationale veiligheid en de openbare orde essentieel is dat veiligheidsdiensten en justitie een goed beeld hebben van wie ons land binnenkomt;

constaterende dat de IND een cruciale informatiepositie heeft;

constaterende dat IND-dossiers in beperkte mate gedeeld worden met justitie en de veiligheidsdiensten;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat deze IND-dossiers structureel en onvoorwaardelijk worden gedeeld met justitie en veiligheidsdiensten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Heutink en Lammers.

Zij krijgt nr. 35 (36800-XX).

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik schors tot 15.15 uur voor de appreciaties en de beantwoording.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister van Asiel en Migratie voor de appreciaties van de ingediende moties.

Termijn antwoord

Minister Van Weel:

Dank, voorzitter. U zult mij de getallen horen noemen. De getallen die ik niet noem maar volgordelijk wel had moeten noemen, zal minister Keijzer voor haar rekening nemen.

De voorzitter:

Heel goed.

Minister Van Weel:

De heer Boomsma stelde een vraag over Afghanistan en over hoe daarmee om te gaan. Ik zal mijn opvolger doorgeven om ook met andere landen in overleg te gaan. Duitsland is niet het beste voorbeeld, omdat Duitsland er wél voor heeft gekozen om weer banden met de taliban aan te gaan om dit soort constructies mogelijk te maken. Dat is wat wij niet willen, maar natuurlijk kijken we naar andere mogelijkheden en andere landen. Ik geef dat dus graag door.

De motie op stuk nr. 14 van mevrouw Rajkowski kan ik oordeel Kamer geven onder de voorwaarde dat dit een oproep is aan de Kamer om het wetsvoorstel snel te behandelen en dat ik ga doen wat binnen mijn macht ligt om daaraan bij te dragen. Als ik 'm zo mag lezen, kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Mevrouw Rajkowski. Het mag ook non-verbaal. Ik heb het geprobeerd.

Mevrouw Rajkowski (VVD):

Ik kom non-verbaal niet verder dan een vraagteken, voorzitter. Ja, het is zeker een oproep aan de Kamer. Het is ook heel fijn dat de minister doet wat in zijn macht ligt, maar de minister heeft natuurlijk niet in zijn macht wat de Kamer gaat doen. Zo bedoelde hij het toch niet? Dat gaat toch meer over wat de rest van de motie vraagt?

Minister Van Weel:

Ja. En ik interpreteer het zo dat u uw eigen Kamer ook oproept om hier zo snel mogelijk aan bij te dragen.

Mevrouw Rajkowski (VVD):

Ja, ik doe mijn best. Oké.

Minister Van Weel:

Uiteindelijk ligt daar de sleutel, want ik heb me wel te houden aan de wet. Op het moment dat de wet mij geen mogelijkheden meer biedt om deze gegevens te bewaren, moet er iets anders gebeuren. Dat kan alleen maar via uw Kamer, omdat ik niet buiten de wet kan handelen. Vandaar die interpretatie.

De voorzitter:

Mevrouw Rajkowski stemt in met die interpretatie. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 14 oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 16 is een spreekt-uitmotie.

De motie op stuk nr. 17 geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 18 van mevrouw Van der Plas moet ik ontraden omdat 1F geen generieke uitsluitingsgrond is. Ik ben het met mevrouw Van der Plas eens dat degenen die daar nu vastzitten, zeker geacht worden onder dit regime te gaan vallen, maar daarvoor moet wel elke keer een individuele toetsing worden gedaan. Je kunt niet op voorhand zeggen dat iedereen die vanaf een bepaalde plek komt, per definitie onder 1F valt. Dat vereist gewoon een onderzoek. Vandaar dat deze motie wordt ontraden.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

De IND doet op basis van signalen onderzoek en geeft ook zelf aan dat als er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat zij een gevaar vormen, dit artikel kan worden ingezet. Ik wil de minister vragen om bij terugkeer in Nederland heel goed te kijken naar deze groep mensen die daar nu zit, dus om dan heel goed naar die specifieke groep te kijken, en om te kijken of er een grond is waarop ze op basis van artikel 1F niet in Nederland kunnen komen en waarop we ze het Nederlanderschap kunnen afnemen. Natuurlijk heb je dan wel twee paspoorten of twee nationaliteiten nodig, maar is de minister bereid om dat te doen bij deze specifieke groep en om dit artikel goed te kunnen gebruiken om te kijken of er een grond is om ze de toegang inderdaad te ontzeggen?

Minister Van Weel:

Dat gaan we zeker doen. Uiteraard zal deze mensen zeer waarschijnlijk allemaal, met verwijzing naar artikel 1F, de toegang tot ons land worden geweigerd, maar daarvoor moeten ze wel eerst komen. We kunnen dat niet conform wat de motie vraagt op voorhand generiek voor al deze mensen doen. De oproep van mevrouw Van der Plas is om bij deze mensen nadrukkelijk te kijken hoe we artikel 1F kunnen inzetten om ze de toegang te ontzeggen. Het antwoord daarop is duidelijk.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Oké. Mag ik dit dan opvatten als een interpretatie van de motie waardoor die oordeel Kamer kan krijgen?

De voorzitter:

Heel creatief.

Minister Van Weel:

Nee, daarvoor zou die echt omgeschreven moeten worden, omdat het dictum heel hard zegt personen die binnenkomen geen toegang te verlenen. Als ik 'm zo mag lezen dat bij personen die uit Al-Hol komen scherp zal worden gekeken naar de mogelijkheden die artikel 1F biedt om de toegang te ontzeggen, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dan ga ik akkoord met die interpretatie. Ik laat de motie dan ook zo. Met deze interpretatie krijgt die dan oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

Ja.

De voorzitter:

Akkoord. Met de interpretatie van de minister zoals gegeven door mevrouw Van der Plas krijgt de motie op stuk nr. 18 oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 19 over de asielstop: ontraden. Dat is geen verrassing. Bovendien is de motie strijdig met het EU-recht.

De motie op stuk nr. 20 van mevrouw Vondeling: ontraden op dezelfde gronden als waarop ik de motie van mevrouw Van der Plas ontraadde. Er moet altijd een individuele beoordeling zijn.

De motie op stuk nr. 21 van mevrouw Vondeling: ook hier moet individuele toetsing plaatsvinden. Vandaar: ontraden.

Mevrouw Vondeling (PVV):

Ik heb nog één vraag aan de minister over deze motie. Ik heb begrepen dat Duitsland en uit mijn hoofd volgens mij ook Oostenrijk inmiddels wel criminele Syriërs gedwongen hebben uitgezet. Klopt dat? Waarom is Nederland hier nog niet toe overgegaan?

Minister Van Weel:

Dat klopt. Het staat ook hoog op ons verlanglijstje. Op dit moment kijken we hoe we gedwongen terugkeer, want daar gaat het dan vaak over, mogelijk kunnen maken. In die zin snap ik de gedachte achter de motie dus, maar de motie als zodanig vraagt om iets generieks. Dat kan nu eenmaal niet.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 25: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 26: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 27: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 28 van de heer Boomsma, over herbeoordeling. Ik heb al gezegd dat dat in de volgende fase is. We moeten daarvoor die bestendiging van beleid afwachten. Als ik de motie zo mag lezen dat we daartoe overgaan wanneer het aan de orde is, dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

De heer Boomsma stemt knikkend in. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 28 oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 29 is een spreekt-uitmotie.

De motie op stuk nr. 30 geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 31 geef ik oordeel Kamer.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 32. Hier wordt om iets anders gevraagd dan hervestiging. Ik vind dit een dusdanige wijziging van het migratiebeleid dat ik dat te ver vind gaan voor mij als dubbeldemissionair minister in het laatste debat dat ik met u zal voeren. Vandaar dat ik de appreciatie "ontijdig" maak.

De voorzitter:

Dan is formeel het verzoek aan de heer Ceder of hij bereid is om de motie aan te houden. Dat is niet het geval. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 32 de appreciatie "ontijdig".

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 34 moet ik ontraden. Oostenrijk heeft noodwetgeving ingeroepen. Daar zien wij op dit moment niet de juridische onderbouwing voor.

Dan de motie op stuk nr. 35. Ik snap de geste achter de motie, maar de motie is dusdanig breed geformuleerd dat het disproportioneel zou zijn wat betreft het delen van gegevens en de AVG. Daarom moet ik 'm ontraden.

Dat waren mijn moties.

De voorzitter:

Dank u wel, minister. Dan is het woord aan de minister voor Asiel en Migratie.

Minister Keijzer:

Dank u wel, voorzitter. Ik heb een paar moties, één amendement en nog een vraag.

De motie op stuk nr. 15 van mevrouw Rajkowski: ontijdig. Het is echt aan de nieuwe minister van VRO om hier stappen in te zetten.

De voorzitter:

Is mevrouw Rajkowski bereid om de motie aan te houden?

Minister Keijzer:

Ja? Dat is mooi.

De voorzitter:

Dat is het geval.

Minister Keijzer:

De motie op stuk nr. 22 is echt ook aan een nieuw kabinet. Ik sta hier nog op basis van een oud regeerakkoord waar dit in stond. De nieuwe ministers worden vandaag aangekondigd. Daarmee is deze motie ontijdig. Dit is niet iets wat ik nog kan doen.

De voorzitter:

Is mevrouw Vondeling bereid om de motie aan te houden? Dat is niet het geval. Daarmee krijgt die de appreciatie "ontijdig".

Minister Keijzer:

Dan heb ik de motie op stuk nr. 23, over Stek Oost. Ik ben, net als iedereen, geschrokken van de berichtgeving. Het gedrag is natuurlijk voorbij alle grenzen. Maar je kunt niet in zijn algemeenheid zeggen dat er nooit meer een jonge mannelijke statushouder mag worden gehuisvest in een wooncomplex waar ook iemand anders woont. Dat kan gewoon niet. Daarom: ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 23: ontraden.

Minister Keijzer:

Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 24 van mevrouw Vondeling. Deze moet ik gewoon ook ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 24: ontraden.

Minister Keijzer:

De motie op stuk nr. 33 van de heren Ceder en Diederik van Dijk. Ze vragen mij hierin het volgende. Het klinkt een beetje raar wat ik nu ga zeggen, maar eigenlijk staat hier: laat het beleid dat geldt voor lhbti'ers, nu ook gelden voor mensen die zich bekeren en daardoor onder vuur kunnen komen te liggen in de azc's. Zo lees ik deze motie. Ik vind het buitengewoon belangrijk dat iedereen veilig moet zijn. Daar wordt ook echt op gehandeld door het COA. Maar doen alsof er bij het COA geen mensen zijn die deskundig zijn … Dat is ook weer niet zo. Daarom moet ik deze motie ontraden. Ik vind het wel zorgelijk. We halen heel veel mensen naar dit land toe die de vanzelfsprekende vrijheid die wij in dit land kennen voor mensen met een ander geloof of met een andere seksuele voorkeur, niet met ons delen. We hebben dus echt nog wel een weg met elkaar te gaan.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik ben het eens met de minister dat we niet moeten doen alsof COA-medewerkers niet weten waar ze het over hebben. Volgens mij is dat ook niet wat ik probeer te zeggen. Ik heb aangegeven dat we niet op alle COA-locaties zien dat dergelijke uitwassen momenteel tegengehouden worden, ook doordat het handelingskader nog niet overal wordt toegepast. Dat is geen diskwalificatie, maar volgens mij gewoon een constatering. Om die reden vraag ik allereerst om het gesprek aan te gaan, maar ten tweede ook om als er een incident plaatsvindt dat ook religieus gemotiveerd is, keihard op te treden. Ik deel dus de opvatting van de minister over diskwalificatie van COA-medewerkers, maar dat is niet de bedoeling. Voor mij zit er een feitelijke constatering in, namelijk dat die werkinstructie niet overal wordt toegepast. Het verzoek zou natuurlijk zijn om te kijken of we die breder kunnen toepassen.

Minister Keijzer:

Dat gebeurt, dus dat is hieraan een beetje het ingewikkelde. In de praktijk wordt aan mensen uitgelegd: je bent in Nederland, en in Nederland ben je vrij om te houden van wie je wil houden en om te geloven wat je wil geloven, ook als je een atheïst bent. En: in Nederland blijf je met je vingers van andere mensen af. Als het desalniettemin misgaat, wordt er opgetreden. Er wordt aangifte gedaan als de persoon, het slachtoffer in kwestie, dat zelf niet wil of dat niet durft. Mensen worden uit de groep gehaald. Dit gebeurt allemaal. Daarom, en omdat er een beetje onder zit "de COA-medewerkers kunnen dit niet voldoende", moet ik de motie ontraden.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik zal kijken of ik een andere formulering kan vinden. Volgens mij vinden mevrouw Keijzer en ik elkaar. Voor mij is het een feitelijke constatering dat de werkinstructie niet overal wordt toegepast. Wij vinden het wenselijk dat dat wel gebeurt. Ik zal dus kijken of ik een gepastere formulering kan vinden.

De voorzitter:

Een amendement en een vraag.

Minister Keijzer:

Ja, een amendement van de heer Van Dijk. Hij stelt voor om een vrijwilligersvergoeding te geven aan gastgezinnen die statushouders opvangen. Ik kan dat heel goed volgen. Wij waren ook al bezig met de uitwerking van een toezegging aan de SGP. Dat heeft hem blijkbaar te lang geduurd, en nu zet hij een stap met een amendement. Dat is daaraan ondersteunend. Daarom kan ik het oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 13: oordeel Kamer.

Minister Keijzer:

Dan had ik nog één vraag, van mevrouw Rajkowski. Die gaat, als ik het goed heb, over boetes die uitgedeeld worden aan vluchtelingen die in azc's verblijven, maar zij krijgen die boetes terwijl ze buiten het azc zijn. Daar is mijn collega, de staatssecretaris van IenW, natuurlijk al een tijd mee bezig, met de minister van Justitie. Ik heb net het nieuws gelezen over een collega van mij die dat gaat oppakken. Ik zal hem straks vanuit de Kamer hinderlijk volgen. Maar het is in ieder geval niet zo dat je de Rov, de regelgeving die hiervoor geldt, kunt aanpassen om de boetes die buiten het azc worden opgelegd te verrekenen met de vergoedingen binnen het azc. Ik had vandaag volgens mij plenair nog niet gezegd dat dit land kapotgeregeld is. Hè, gelukkig. Bij dezen. Er moet hier wel wat gebeuren, maar dat moet je op een andere manier doen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van de begroting van Asiel en Migratie. Ik dank de beide bewindspersonen voor hun aanwezigheid in de Kamer.

De voorzitter:

Daarmee zijn we ook aan het einde gekomen van de vergadering van donderdag 5 februari 2026. Ik sluit de vergadering.

Sluiting