Water
Opening
Verslag van een wetgevingsoverleg
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft op 2 februari 2026 overleg gevoerd met de heer Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat, over Water.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat,
Peter de Groot
De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat,
Schukkink
Voorzitter: Bromet
Griffier: Meedendorp
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Boelsma-Hoekstra, Bromet, Grinwis, Heutink, Kostić, Van der Plas, Schutz en Vellinga-Beemsterboer,
en de heer Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Aanvang 10.00 uur.
Water
Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Deltafonds voor het jaar 2026 (36800-J);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 19 september 2025 inzake noordzeeoverleg Voortgangsrapportage 9 (33450, nr. 135);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 16 september 2025 inzake kabinetsreactie op Deltaprogramma 2026 (36800-J, nr. 3);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 30 oktober 2025 inzake wateroverlast door grootschalige extreme regen (27625, nr. 721);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 13 oktober 2025 inzake 28e Voortgangsrapportage Tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma (32698, nr. 93);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 13 november 2025 inzake heruitgave Ruimte voor Zeespiegelstijging (36800-J, nr. 5);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 10 december 2025 inzake rapport drinkwaterkwaliteit 2024 en beoordeling bedrijfsverslagen drinkwaterbedrijven 2024 (27625, nr. 729);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 8 januari 2026 inzake zesde voortgangsrapportage PFAS Zeeland (35334, nr. 423);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 22 december 2025 inzake uitkomsten van het traject naar aanleiding van de motie van het lid Hagen over juridische mogelijkheden om pfas-schade in de Westerschelde te verhalen op 3M (Kamerstuk 30175-402) (35334, nr. 422);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 19 december 2025 inzake mariene Strategie Deel 1: Beoordeling Noordzee, Goede Milieutoestand en milieudoelen (33450, nr. 137);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 8 januari 2026 inzake noordzeeoverleg Voortgangsrapportage 10 (33450, nr. 138);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 23 januari 2026 inzake rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) over 'Onveiligheid door extreme regen' (27625, nr. 734);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 23 januari 2026 inzake beantwoording vragen commissie over de Kabinetsreactie op Deltaprogramma 2026 (Kamerstuk 36800-J-3) (36800-J, nr. 7);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 23 januari 2026 inzake toezegging gedaan tijdens het commissiedebat Water van 24 september 2025, over officiële zwemwaterlocaties (27625, nr. 733);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 27 januari 2026 inzake stand van zaken op verschillende onderwerpen binnen het waterveiligheidsdomein (32698, nr. 94);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 26 januari 2026 inzake reactie op verzoek commissie over ambtelijke adviezen en stukken die gebruikt zijn in de voorbereiding van en besluitvorming over het 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (33037, nr. 638);
- de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 27 januari 2026 inzake verzamelbrief t.b.v. Wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026.
De voorzitter:
Dames en heren. Het is 10.00 uur, dus we gaan stipt op tijd beginnen. Dit is het wetgevingsoverleg Water van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat. Ik heet de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de heer Tieman, en zijn ondersteuning van harte welkom in dit debat, evenals de woordvoerders. Misschien komen er zo meteen nog een paar binnendruppelen. We hebben tot 17.00 uur in de planning staan voor dit wetgevingsoverleg, maar wellicht kan het wat sneller. Dat gaan we zien. Ik ben zelf ook woordvoerder en zal helemaal aan het eind namens GroenLinks-PvdA het woord voeren, want er was geen andere voorzitter beschikbaar.
Ik wil voorstellen om de interrupties als volgt te doen: vier losse interrupties. Als een interruptie langer duurt dan 30 seconden, wil ik 'm graag rekenen voor twee, maar duurt die korter dan 30 seconden, dan is die gratis. Dat verlevendigt het debat en ging in de andere commissies waar ik de afgelopen weken voorgezeten heb, hartstikke goed. Het dwingt de Kamerleden om korte vragen te stellen, maar dan kun je ook wel een heleboel vragen.
We houden de sprekersvolgorde van de begroting aan, dus dat gaat op grootte, omdat we op dit moment geen oppositie en coalitie hebben. De heer Grinwis zit vooraan en de ChristenUnie is helemaal niet de grootste partij ...
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nog niet!
De voorzitter:
... maar hij heeft een bruiloft vanmiddag en dat is natuurlijk ook hartstikke belangrijk. Hij heeft het verzoek gedaan, en dat wil ik even aan de commissie voorleggen, om als eerste te mogen spreken, zodat hij daarna kan afreizen naar het feest.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik wens de heer Grinwis heel erg veel plezier en natuurlijk mag hij als eerste.
De voorzitter:
Namens ons allemaal. Maar nu eerst het belangrijke: water en ons land. De heer Grinwis heeft het woord.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank, en ook dank aan mijn collega's. Ik denk dat ik 'm rond elf uur peer. Ik beluister dus nog wel een paar bijdrages, maar niet allemaal.
Water: dat gaat over een existentiële materie. Het is mooi om daar vandaag bij stil te staan, zeker de dag na gisteren, de herdenking van de Watersnoodramp. "Van na de ramp blijven" staat eigenlijk centraal op zo'n dag, en dat is geen vanzelfsprekendheid. Gisteren stond men in tal van plaatsen in het zuidwesten van ons land, bijvoorbeeld in Ouwerkerk en Oude-Tonge, stil bij de Watersnoodramp van 1953. "Van na de ramp blijven" is de missie waarmee we in 2010 het Deltaprogramma hebben opgestart: een volgende watersnoodramp voor blijven, anders gezegd.
2026 is een belangrijk jaar in deze missie, want dit jaar herijken we, heractualiseren en concretiseren we in het Deltaprogramma de deltabeslissingen uit 2014. Ik hoop op beslissingen met visie en lef, bijvoorbeeld als het gaat om Rijnmond-Drechtsteden, in samenhang met de komst van de Derde Maasvlakte en Delta21. Op welke wijze wordt de Kamer daarin meegenomen, is mijn vraag. Is het niet een idee om dit voorjaar met de deltacommissaris en de nieuwe bewindspersoon op werkbezoek te gaan als commissie, om ons goed te prepareren op deze beslissingen? Dat is eigenlijk meer een procedurevoorstel dan een vraag.
Deze herijking zal leiden tot ruimtelijke keuzes en nieuwe noodzakelijke investeringen, terwijl er nu al in het Deltafonds te weinig middelen zijn voor de uitvoering van het Deltaprogramma tot en met 2039 en dus ook geëxtrapoleerd tot 2050. In dit kader biedt de budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord ook weinig hoop. Sowieso is er veel te weinig uitgetrokken voor infrastructuur om geloofwaardig de bestaande opgaven op te kunnen pakken, maar ook binnen de wel uitgetrokken middelen heb ik geen euro kunnen ontdekken voor urgente projecten zoals de vervanging van het gemaal IJmuiden à 1,2 miljard en de spuimiddelen in de Afsluitduik.
Hoort het gemaal IJmuiden bij de prioritaire infrastructuurprojecten waar geld voor is uitgetrokken? Maar waarom wordt Zuidasdok dan wel genoemd en IJmuiden niet? Of gaat het deel van de structurele plak voor beheer en onderhoud, bijvoorbeeld 100 à 200 miljoen per jaar, naar het Deltafonds? Wat is, gelezen de budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord, volgens de minister een verstandige verdeling? Gegeven de daarin aangegeven budgettaire kaders lijkt die verdeling namelijk nog open te liggen.
Voorzitter. Soms ben ik bang dat we op het gebied van waterveiligheid te zelfgenoegzaam zijn geworden. Zo duurt de uitvoering van projecten uit het Hoogwaterbeschermingsprogramma, HWBP, te lang. Vorig jaar diende ik daarover een motie in, Kamerstuk 27625, nr. 711. Ik lees in de brief van vorige week dat er met de herijking invulling is gegeven aan deze motie, maar is dat echt zo? Ik las niets over de in de motie gevraagde verkenning om de doorlooptijd van projecten te verkorten. Op welke wijze zijn bijvoorbeeld de waterbouwers betrokken bij de beschreven herijking? Is het niet te veel een intern proces geweest? Is in de herijking inhoudelijk het principe "scherp beoordelen, robuust versterken" voldoende verankerd? Deskundigen hebben er terecht op gewezen dat er op dit moment niet scherp beoordeeld wordt en dat daarvoor wijzigingen nodig zijn in de manier van werken bij het HWBP. Wil de minister hierop ingaan?
Voorzitter. Ruimte voor de Rivier 2.0 gaat erg veel over de rivier, maar weinig over ruimte. Zo komt het in ieder geval op mij over. Is er al zicht op concrete ruimtelijke projecten met dijkverleggingen? Zo ja, welke? En over hoeveel kilometer dijkverlegging hebben we het dan? Welke bypasses, zoals het Reevediep bij Kampen, kunnen we tegemoetzien? Welke plekken langs onze grote rivieren lenen zich daar goed voor volgens deze minister?
Voorzitter. Zoetwater en woningbouw. Hoe staat het eigenlijk met de uitvoering van de motie-Grinwis/Peter de Groot (36600-J, nr. 23)? In vervolg op deze motie is het project Waterfront bij Lelystad weer losgetrokken, maar geldt dat inmiddels ook voor Nieuw Monnickendam? De ambtsvoorganger van deze minister zou daarmee aan de slag gaan, ook al hadden zijn ambtelijke adviseurs daar niet zo heel veel zin in. Hoe het ook zij, de Kamer staat erop. De vaak ingebrachte zoetwatertegenargumenten zijn zo marginaal dat ze nauwelijks serieus te nemen zijn. Waar de zoetwaterzorgen wél veel serieuzer genomen moeten worden dan nu gebeurt, is in het zuidwesten des lands. Hoe staat het met het overleg met de provincies Zeeland en Zuid-Holland en met de gemeenten Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee over de toekomst van het Grevelingenmeer? Liggen beide opties op tafel bij de minister, namelijk zowel een tweede doorlaatmiddel in de Brouwersdam als een verzoeting van het Grevelingenmeer? Hoe en met wie wil IenW de afweging gaan maken? Vooralsnog zie ik overigens nog geen geld in het Deltafonds, voor welke optie dan ook. Deelt de minister die constatering?
Dan kom ik bij drinkwater. Ik constateer dat de minister in reactie op de KRW-inbreukprocedure overweegt om onttrekkingsvergunningen periodiek te gaan herzien, terwijl er in de komende paar jaar juist 100 miljoen kubieke meter extra te vergunnen capaciteit nodig is voor drinkwaterbedrijven. Is dat nou wel zo verstandig zolang we een achterstand hebben in de beschikbaarheid van drinkwaterbronnen? Als de minister dit voornemen zou doorzetten, kwalificeren onttrekkingsvergunningen zich dan als zaak c.q. als dwingende reden van groot openbaar belang? Wat kan de minister op dit punt toezeggen om onze zorgen weg te nemen? Drinkwaterbedrijven moeten kunnen blijven investeren. Daartoe wordt de WACC — dat is een financiële term — enigszins verruimd. Deze verruiming tot en met 2027 is echter nog geen structurele oplossing. Welke structurele oplossing stelt de minister voor?
Naast zorgen voor meer drinkwaterbronnen, hebben we ook gewoon zuiniger om te gaan met drinkwater. Hoe staat het in dit kader met de uitvoering van de aangenomen motie-Grinwis/Stoffer (27625, nr. 677)? Wanneer wordt het Drinkwaterbesluit aangepast? Wordt de Kamer daarover geïnformeerd? Graag een toezegging op dit punt. Nu extrapoleert de minister wel heel makkelijk de aanbeveling van het RIVM om het Bouwbesluit niet aan te passen naar het dan ook maar niet aanpassen van het Drinkwaterbesluit. Dat betekent dat de minister het risicomijdende advies van het RIVM ook nog eens risicomijdend interpreteert. Dat vind ik echt te makkelijk en onwenselijk.
Voorzitter. Ik beschouw de motie-Grinwis/Stoffer dan ook niet als afgedaan. Misschien wil de griffier daar een notitie van maken, want de minister ziet de motie wél als afgedaan, schrijft hij in zijn brief. In de motie vragen wij echter om aanpassing van het Drinkwaterbesluit. Dat kan prima, gelezen het advies van het RIVM. De minister heeft dat dus gewoon te doen, wat mij betreft. Ik krijg graag de toezegging dat hij zijn afdoening heroverweegt en het Drinkwaterbesluit alsnog aanpast. Wat in Vlaanderen kan, kan hier ook. Ik word zo langzamerhand gallisch van formuleringen als "het kan niet uitgesloten worden dat", zoals ik nu ook weer tegenkwam in de RIVM-verkenning. Als dat de interpretatie wordt van het voorzorgsprincipe, kunnen we beter stoppen met ademhalen. Voor je het weet, adem je iets onwelgevalligs in. Ik zou de minister willen zeggen: het kan wél. Verder herhaal ik de steun van de ChristenUnie voor een nationaal lozingsverbod voor pfas.
Voorzitter. Dan kom ik bij mijn laatste onderwerp: waterkwaliteit. Veel collega's gaan daar volgens mij een veel groter deel van hun bijdrage aan besteden, vandaar dat ik de afweging heb durven maken om daar aan het eind pas wat over te zeggen. Ik heb het met name over het opgeschorte achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn. Hoe staat het met de uitvoering van de volgende onderdelen uit het dictum van de motie (33037, nr. 631) die ik hierover ingediend heb? In de motie verzoek ik de regering namelijk onderwijl in overleg te gaan met de waterschappen over een heldere en voor ieder navolgbare aanwijzing van de aandachtsgebieden. Ook verzoek ik in de motie de regering conform de motie-Vedder c.s. de ingroei naar doelsturing, zoals beschreven in het concept-achtste actieprogramma, onverdroten voort te zetten, zodat er geen tijd verloren gaat en agrariërs, onder andere in de aandachtsgebieden, komend jaar op perceelniveau het stikstofbodemoverschot kunnen gaan meten. Welke acties zijn er reeds uitgevoerd? Welke acties moeten er nog ondernomen worden om de aanpassing van de aandachtsgebieden en de gevraagde doelsturing in het najaar door te voeren? Ik vraag daarnaar bij deze minister omdat ik weet dat hij en zijn ambtenaren weliswaar echt knokken voor onze waterkwaliteit, maar dat ze ook wel een beetje dwarslagen bij doelsturing. Ze vonden de positieve consequentie van doelsturing, namelijk het toekennen van een hogere gebruiksnorm als de situatie in het grondwater goed is, niet passen bij het verslechteringsverbod. Dat is toch wel een wat bizarre interpretatie, vind ik. De Kamer vindt dat ook, in ruime meerderheid. Graag een geruststellende reactie.
Wat is in het kader van het achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn de reactie van het kabinet op de brief van Eurocommissaris Roswall? Zij acht aanscherpingen nodig. Welke aanscherpingen heeft de minister voor ogen? Met deze vraag besluit ik mijn eerste en enige termijn in dit WGO.
De voorzitter:
Dank u wel. U blijft nog heel even om te luisteren naar de inbreng van … O, u heeft een interruptie van de heer Heutink.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Als de heer Grinwis over de KRW begint, ben ik wel heel benieuwd wat voor advies hij aan de minister heeft om te voorkomen dat Nederland op een waterslot terecht gaat komen, natuurlijk naast het uitvoeren van de plannen om de kwaliteit van drinkwater te verbeteren.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Daar heb ik niet gelijk een heel sluitend antwoord op. Ik denk dat het goed is om onderscheid te maken tussen wat wij in Nederland aan vervuilende stoffen toevoegen en wat meer natuurlijk in het systeem zit via onze buurlanden dan wel qua nalevering uit de bodem. Denk aan naleverende fosfaatbodems en zoute kwel. Ook vind ik het verstandig om beter te meten. Ik bedoel dat je niet alleen het uitlaatwater dat je als waterschap hebt ingelaten, meet, maar ook het inlaatwater. Dan stapel je niet ongemerkt opgaven bij bepaalde actoren, zoals boeren, terwijl die opgaven er niet horen te zijn. Als je dat beter voor elkaar gaat boksen en beter onderscheid gaat maken tussen beïnvloedbare en niet-beïnvloedbare zaken, denk ik dat je een sterkere casus opbouwt. Op de beïnvloedbare zaken moet je dan namelijk echt gaan leveren. Dan kun je naar Brussel, ook al geldt het "one out, all out"-principe, waar we allemaal, of in ieder geval veel van ons, onze bedenkingen bij hebben. Dan moet je echt een goed verhaal hebben. Nu is het wat diffuus, omdat niet helder is of we genoeg doen qua beïnvloedbare zaken en omdat we straks misschien afgerekend worden op iets wat we niet hebben gedaan aan niet-beïnvloedbare zaken. Dit is een beetje een technisch antwoord, maar hierin zit volgens mij de basis om uit de klem te komen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Het probleem daarbij is dat we nog maar een jaar hebben. Meneer Grinwis heeft gelijk als het gaat over het meten, maar moeten we niet ook een noodscenario voorbereiden voor het geval we tegen de muur aan het botsen zijn? Alles lijkt er nu op dat we tegen die muur gaan aanbotsen als het gaat om de afrekening van de Europese Commissie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Volgens mij zijn we al vanaf 2005 bezig met de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Ik mag er toch van uitgaan dat er op het ministerie en bij de waterschappen veel scenario's klaarliggen voor het geval dat het allemaal wat minder goed wordt. Maar we horen graag de reactie van de minister. We gaan ons toch niet zo laten verrassen als in 2019, met stikstof, lijkt mij. We zijn toen verrast door de Raad van State. Als dat wel het geval is, hebben we collectief zitten slapen.
De voorzitter:
Dat leidt tot een interruptie van mevrouw Van der Plas van de BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb een korte vraag aan de heer Grinwis. Vindt hij dat er versoepelingen zouden moeten komen voor gebieden waarin het beter gaat met de waterkwaliteit of de waterkwaliteit op orde is?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja, daar ben ik het in principe mee eens. Ik vind dat het met name via de band van doelsturing zal moeten gebeuren. Generiek kun je zeggen: in gebieden waarin het beter gaat met het water kun je ruimere gebruiksnormen toepassen. Maar je hebt ook gebieden waar dat niet op gebiedsniveau is vast te stellen, zoals aandachtsgebieden. Ik vind dat je als agrariër op basis van het stikstofoverschot in je bodem, nadat er geoogst is, via doelsturing concreet moet kunnen aantonen hoe het ervoor staat met die bodem en dat er bijna geen risico is dat er iets uitspoelt en afspoelt. Dan mag er ook een hogere gebruiksnorm gaan gelden. Ik denk dus dat dit vooral via de band van doelsturing zal moeten gebeuren. Daar maakte ik een opmerking over. Daarbij vind ik het tegenargument van een verslechteringsverbod een onjuiste interpretatie van het verslechteringsverbod. Dat zou ik echt zeer onwelgevallig vinden, want dan kunnen we niks meer. In generieke zin kun je iets ruimer zijn waar het beter gaat in ons land. Tegelijkertijd vind ik wel dat we moeten oppassen dat we niet onze milieugebruiksruimte iedere keer maximaal tegen de rand gaan opvullen. We moeten er wel over nadenken dat we dat op een robuuste en volhoudbare wijze doen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het achtste actieprogramma gaf die mogelijkheid natuurlijk, maar dankzij een motie van de heer Grinwis is het achtste actieprogramma aan het volgende kabinet gelaten. Over het volgende kabinet gesproken: ziet de heer Grinwis met dit nieuwe kabinet mogelijkheden voor de toekomst van de boeren, dus dat ze inderdaad versoepelingen krijgen? Hoe optimistisch is hij daarover?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Even een correctie: het is niet door mijn motie dat het achtste actieprogramma er niet is. Mevrouw Van der Plas weet als geen ander dat men er in het kabinet van z'n lang zal ze levensdagen niet uit was gekomen, voor de kerst niet en na de kerst niet. Het achtste actieprogramma zou sowieso, met of zonder motie, nu niet zijn ingevoerd. Dat even ter heel duidelijke correctie.
Het is maar goed dat mijn motie er ligt, omdat die niet alleen een nee-boodschap gaf, maar ook een ja-boodschap, namelijk: word het eens over de duiding van de data die onder de actualisatie van de aandachtsgebieden ligt. En ten tweede: ga onverdroten voort met doelsturing, omdat juist dat van belang is voor agrariërs die aantoonbaar schoon werken en nu worden afgestraft voor vervuiling die zij niet veroorzaken. Dat staat in de motie. Die is heel breed gesteund, van links tot rechts. Waarom zou ik dan op voorhand de nieuwe bewindspersonen gaan wantrouwen dat ze daar niks mee zouden doen?
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik doelde eigenlijk op het coalitieakkoord dat er nu is gekomen. Ik vroeg me af hoe de ChristenUnie daarnaar kijkt als het gaat om eventuele versoepelingen voor boeren als bijvoorbeeld de waterkwaliteit op orde is of als het op andere manieren goed gaat. Of voorziet de heer Grinwis dat straks alles juist nog strenger wordt en er nooit meer een versoepeling kan komen?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank voor deze vraag. Dat is een beetje koffiedik kijken. Ik snap de zorg die ik in de vraag van mevrouw Van der Plas hoor doorklinken. Ik vind het een vrij technocratisch stuk, zoals het is opgeschreven in het coalitieakkoord. Het nadeel van technocratische zinnen is dat je ze heel terughoudend kunt interpreteren. Daarom noemde ik bewust het voorbeeld van doelsturing. Daar is een strijd tussen, laten we zeggen, ambtelijk IenW en ambtelijk LVVN. Je kunt met deze tekst uit het coalitieakkoord twee kanten uit. Ik zal er in ieder geval voor waken dat de politieke uitspraak die we hier als Kamer hebben gedaan over doelsturing wordt uitgevoerd. Dat betekent dus dat je je niet moet opsluiten in dogma's die in de praktijk niet werken. Tegelijkertijd wil ik voorkomen dat je vanuit een soort van wantrouwen elke maatregel maar tegenhoudt.
Ik ga hier dus — hoe zal ik het zeggen? — hopelijk met genoeg kennis van zaken en pragmatisch in. Maar ik wil niet dat dit coalitieakkoord ertoe leidt dat er alleen maar aanscherpingen zouden zijn, terwijl er gebieden zijn waar je een ruimere stikstofgebruiksnorm zou kunnen hanteren, temeer omdat de huidige stikstofgebruiksnorm soms tot een soort verschraling zal gaan leiden, ver onder het landbouwkundig optimum, wat de facto ook weer slecht kan uitwerken voor bodemkwaliteit en uitspoeling. Daar kan ik niet het laatste woord over zeggen, maar ik ga daar wel scherp op letten. De huidige technocratische teksten zijn nog te vaag om nu al te zeggen of er voor de boeren enorm lijden dreigt of dat het fantastisch wordt. Daar kunnen we nu volgens mij nog geen goede uitspraak over doen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Collega Grinwis is fan van doelsturing; dat weet ik. Maar staat hij ook open voor oprechte verbeterpunten en aandachtspunten vanuit ambtenaren, juristen en onze eigen kennisinstellingen als het gaat om doelsturing?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja, als vanzelf. Ik doe niet anders. Sterker, al mijn gedachtes over doelsturing komen niet alleen uit de praktijk, van praktijkbezoeken aan boeren die al daarmee werken of experimenteren, Koeien & Kansenbedrijven en wat niet al, of onderzoeksboerderijen van de Wageningen Universiteit. Het komt ook uit de wetenschappelijke rapporten, onder andere van diezelfde Wageningen Universiteit. Als het goed is, dan weet collega Kostić dat. Want de moties die ik hierover heb ingediend, staan vol met die verwijzingen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik hoor mijn collega namelijk vooral zeggen "voer die doelsturing uit, no matter what, en verzand niet te veel in die ambtelijke commentaren", terwijl de ambtenaren terecht wijzen op juridische bezwaren en onze kennisinstellingen wijzen op het probleem dat er straks meer handhaving nodig is.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat er meer handhaving nodig is bij zo'n individueler spoor, geef ik gelijk toe. Het is geen reden om het niet te doen, hè? Ik verwacht zelf dat in de toekomst, als we doelsturing echt serieus nemen, er een soort keuzemenu wordt geboden: of je volgt de duidelijke, eenduidige maar soms ook wat te rigide middelvoorschriften of je gaat de uitdaging van doelsturing aan. Doelsturing zal veel vergen van veel agrariërs en niet elke agrariër zal daarvoor kiezen. Eerlijk gezegd verwacht ik zo'n methode. Natuurlijk moeten we goed luisteren naar juristen en naar andere adviseurs. Ik constateer tegelijkertijd dat sommige praktijken in andere landen allang worden toegepast. Neem het concrete voorbeeld dat in mijn motie staat over het achtste actieprogramma. Dat gaat over metingen van het N-residu, het stikstofresidu in de bodem na de oogst. Dat gebeurt in Vlaanderen allang en wij doen dat niet. In Vlaanderen blijkt dat het prima werkt en dat je op basis daarvan kunt spelen met je stikstofgebruiksnorm. Waarom ga je dan op voorhand doelsturing onmogelijk maken op basis van: ja, maar daarmee is niet helemaal afgedekt dat de oppervlaktewaterkwaliteit niet negatief wordt beïnvloed? Deze benadering is de dood in de pot. Daarmee duw je eigenlijk elk initiatief om de wereld beter te maken bij voorbaat de grond in, en juist van die politiek ben ik niet.
De voorzitter:
Lid Kostić, pas op dat het niet een landbouwdebat wordt, want dat komt later. Het gaat nog steeds over water.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik probeer gewoon te voorkomen dat we weer tegen een muur aanlopen omdat we overgeschakeld zijn naar een nieuw systeem dat niet blijkt te werken. Mijn laatste vraag is of de ChristenUnie met ons wil meewerken om meer geld vrij te maken voor toezicht en handhaving.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja hoor, daar ben ik nooit te beroerd voor.
De voorzitter:
Dank. Dan is nu het woord aan D66, mevrouw Vellinga-Beemsterboer.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, voorzitter. "Water, de rest komt later" leerde ik als kind. Dat was de catchfrase van een campagne rondom brandwonden, maar die uitspraak past ook wel bij vandaag. Zonder water geen leven. Het onderwerp water is breed, is voor mij redelijk nieuw en gaat ons allemaal aan. Waterschappen, gemeentes, provincies en het Rijk hebben samen de verantwoordelijkheid om te zorgen voor schoon water in de juiste hoeveelheden en in een veilige omgeving.
Maar het fundament van onze waterhuishouding moet op de schop. Door klimaatverandering klotst het water soms over de plinten, terwijl extreme droogte en vervuiling door pfas de levering van schoon drinkwater onzeker maken. We zijn wereldwijd bekend als de temmers van het water; denk aan Lely's Flevoland, de Afsluitdijk en de Deltawerken. Maar na de dreigende rivieroverstromingen van de jaren negentig leerden we met Ruimte voor de Rivier dat we het water niet alleen moeten beheersen, maar ook de ruimte moeten geven.
Nu staan we voor een nieuw hoofdstuk in onze watertraditie. We moeten niet alleen temmen, maar ook aanpassen en meebewegen. D66 vliegt deze opgave met goede moed aan, waarbij we vooruitkijken met drie principes. Eén. Kijk altijd naar het hele plaatje. Twee. Wat er niet in gaat, hoeft er ook niet uit. Drie. Samenwerken betekent keuzes maken. Ik heb mijn inbreng ingedeeld in drie categorieën: veiligheid, kwaliteit en beschikbaarheid, net zoals velen van u, denk ik.
Veiligheid. Voor het gemaal bij IJmuiden is terecht al veel aandacht gevraagd. Dit gemaal zorgt ervoor dat Utrechters en Amsterdammers droge voeten hebben, maar het 50 jaar oude fundament van dit gemaal begint scheurtjes te vertonen. De minister gaf aan dat het nu in de planfase zit en dat de verbouwing, met voorbereiding, aanbesteding en realisatie zo'n tien jaar zal duren. Kan de minister aangeven wat deze stappen precies inhouden? Waar worden de knelpunten in het proces verwacht? Waarom is hier tien jaar voor nodig? Hoeveel groter wordt het risico dat het gemaal niet functioneert naarmate het besluit op zich laat wachten? Wat kan er gedaan worden om deze processen te versnellen?
Niet alleen in IJmuiden knijpt het. Door het hele land heen hebben we een enorme opgave als het gaat om het versterken en onderhouden van dijken. Hiervoor hebben we natuurlijk het Hoogwaterbeschermingsprogramma, het HWBP.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik heb een vraag aan mijn collega over IJmuiden. Hoe moet ik de reeks uit het coalitieakkoord interpreteren waarin staat dat er geld is voor beheer en onderhoud, structureel 500 miljoen, en voor prioritaire projecten? Is dat dan ook voor Deltafondsprojecten, zoals het gemaal in IJmuiden? Dat is mij namelijk niet helder. Ik ben blij dat mijn collega van D66 hier aandacht voor heeft, maar het komt er nu wel op aan. Er moet geld zijn in het Deltafonds, heeft de minister gezegd. Als dat er niet is, wordt het niet uitgevoerd.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
De heer Grinwis heeft gelijk: er moet wel geld voor zijn. Er moet ook eerst een plan zijn. Daarom vraag ik hier ook naar. Zoals ik al zei: we hebben een enorme opgave als het gaat om infrastructuur en instandhouding. Die opgave is zo groot dat we meerdere kabinetsperiodes nodig zullen hebben om die helemaal te vervullen. We maken een duidelijke afweging in het coalitieakkoord. We hebben aangegeven: we starten met die instandhoudingsopgave. We maken afwegingen en een planning op basis van economische noodzaak. Ik denk dat we van IJmuiden heel duidelijk kunnen zeggen, aangezien het Amsterdam en Utrecht drooghoudt, dat daar een hele duidelijke economische noodzaak achter zit. Ik verwacht dus dat IJmuiden hoog op ons prioriteitenlijstje zal staan. Maar daar moeten wij als Kamer ook op letten, omdat we die prioriteitenlijst samen bepalen door het minderheidskabinet.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Het gemaal in IJmuiden zorgt ervoor dat 4 miljoen Nederlanders droge voeten houden. De minister heeft duidelijk gemaakt dat het tien jaar kost om het te bouwen. Er moet nu een besluit worden genomen over dat geld, want we gaan naar de volgende fase, de uitwerkingsfase. Kan ik het antwoord van collega Vellinga-Beemsterboer zo interpreteren dat een deel van de plak die voor infrastructuur in het coalitieakkoord staat, ook voor infrastructurele waterprojecten is?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dat bedrag voor infrastructuur is inderdaad breed. Volgens mij worden waterwerken daar concreet bij benoemd.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Heel kort, voorzitter. Ze worden niet benoemd, maar als ze bij dezen zijn benoemd door collega Vellinga-Beemsterboer teken ik daar blind voor.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Het is volgens mij "infrastructuur en waterstaat".
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
We hebben het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Dat is geen papieren exercitie. Achter de dijken wonen en werken mensen die maar al te goed weten wat een overstroming kan aanrichten. Het verlagen van de dijknormering op Schiermonnikoog, en bijvoorbeeld ook in het zuiden van Limburg, zoals de minister in zijn brief van 27 januari heeft aangekondigd, lijkt wat D66 betreft dan ook niet uit te leggen. Specifiek over de situatie op Schiermonnikoog heb ik met collega's De Hoop en Bromet afgelopen vrijdag schriftelijke vragen gesteld. Ik zou nu graag al het volgende willen weten. Kan de minister aangeven op welke manier de afweging voor dijknormering precies wordt gemaakt en hoe de afstemming met lokale overheden zoals gemeenten en waterschappen eruitziet?
Voorzitter. Van water in de zee gaan we naar water uit de lucht. Vorige week waarschuwde de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat we onvoldoende voorbereid zijn op extreme regenval. In de steden in onze grensregio's, zoals Enschede, Arnhem en Maastricht, zien we wijken die zeer kwetsbaar zijn voor extreme regen. De deltacommissaris gaf twee weken terug bij de technische briefing al aan dat we naast adaptatie ook moeten kijken naar acceptatie, bijvoorbeeld door te accepteren dat er wateroverlast komt en dan te kijken hoe de schade beperkt kan worden. Door klimaatverandering hebben we daarin geen keuze, denk ik. Maar als, zoals het OVV-rapport schrijft, een eerstehulpziekenhuis niet meer bereikbaar is of de elektriciteit uitvalt voor tienduizenden mensen, dan kunnen we dat natuurlijk niet accepteren. Is de minister het met mij eens dat alle kwetsbare gemeentes noodplannen moeten hebben voor zulke overstromingen?
Daarnaast geeft de OVV ook een lijst met maatregelen die de minister kan nemen in de nationale aanpak, zoals een grotere rioolcapaciteit, informatie over grondwaterstanden en het breder delen van stresstesten. Ik begrijp dat de minister deze aanpak aan een volgend kabinet laat, maar kan hij toezeggen de voorbereiding alvast in gang te zetten? Kan hij ook ingaan op de rol van de Natuurherstelwet op dit thema? In de Natuurherstelwet werken we aan meer groen in het bebouwde gebied. Ik hoor graag hoeveel geld we besparen met een dergelijke toevoeging aan de stad vergeleken met andere waterveiligheidsmaatregelen.
Dan beschikbaarheid: van te veel water naar te weinig water. Volgens de Verenigde Naties staan we wereldwijd in de rode cijfers. In Nederland zijn we nog niet zo ver, maar het wordt wel tijd dat we onze accountantspet opzetten. We geven te veel en ongecontroleerd water uit. Agrarische en industriële bedrijven gebruiken grote hoeveelheden zoet water en ook in huis gaan we ervan uit dat het blauwe goud oneindig is en dat terwijl de betaalrekening, regen en oppervlaktewater, leger en onvoorspelbaarder wordt. De spaarrekening, het grondwater, gaat sneller leeg dan er geld in komt. Om te zorgen dat we in de zwarte cijfers blijven, moeten we twee dingen doen: mitigatie en adaptatie, oftewel, minder uitgeven en meer sparen. Vorige week, bij de Nacht van het Drinkwater, hoorden we over goede voorbeelden uit Vlaanderen, waar urgentiegevoel, doorzettingsmacht en gerichte acties hebben gezorgd voor veel minder watergebruik.
De bouwsector vraagt grijs water centraal op te nemen in het Bouwbesluit, zodat er eenduidig en landsbrede steun is voor deze techniek. Collega Grinwis had het daar ook al over. In Brabant worden proeven gedraaid met nieuwe zuiveringsinstallaties die brak en zout water omtoveren tot drinkwater. Er kan dus heel veel. Kan de minister ingaan op de punten die ik hierboven benoem? Kan hij aangeven of iets het zo snel mogelijk opschalen en uitrollen van deze dingen in de weg staat?
Voorzitter. Het is ook moeilijk om bij te houden wat je op je spaarrekening hebt staan als je niet bijhoudt hoeveel eruit gaat. Op initiatief van D66 is er daarom gewerkt aan een meldplicht voor grondwateronttrekkingen, maar die is nog steeds in uitvoering. Hoe kan het dat het vijf jaar duurt voordat deze rond is? Klopt het dat de plicht gaat gelden voor alle onttrekkingen?
Dan waterkwaliteit. In Utrecht en Amersfoort bleek onlangs hoe kwetsbaar we zijn toen een kookadvies nodig was vanwege bacteriën, maar tegen de pfas in ons kraanwater helpt koken niet. Ik ben daarom blij met het in het coalitieakkoord voorgenomen lozingsverbod. Hoewel dit juridisch complex is, vraag ik de minister of hij kan toezeggen nu al te onderzoeken hoe we dit verbod concreet kunnen vormgeven.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat lozingsverbod is al toegezegd. Het is al verkend. Het kan. Het kabinet heeft gezegd dat het ermee komt. Kan D66 dat dus omarmen, zodat we meteen aan de slag kunnen gaan?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Daar kan ik bevestigend op antwoorden. Er zal wellicht nog wat aanvullende informatie nodig zijn, maar wij willen dat lozingsverbod heel graag.
De voorzitter:
Duidelijk. De heer Heutink heeft ook een vraag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik hoor D66 net alvast om een toezegging vragen ten aanzien van het uitvoeren van maatregelen die in het coalitieakkoord staan, maar feit is dat de coalitie 66 zetels heeft. Ik zou D66 toch willen vragen om daar terughoudend mee te zijn, zodat wij hier als Kamer er gezamenlijk nog wat van kunnen vinden, voordat zij al een voorschot neemt op plannen waarvan het nog maar de vraag is of die werkelijkheid worden.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
We zitten hier als coalitie, maar ik zit hier ook als D66'er. In die zin ga ik over mijn eigen woorden en daarna besluiten wij als Kamer met elkaar.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel. Buiten de deur is de situatie zorgwekkend. Bijna nergens voldoet ons water aan de afgesproken kwaliteitseisen. De ecologische kwaliteit is zelfs verslechterd door meststoffen, wat drinkwaterzuivering bemoeilijkt. Met de deadline voor de Kaderrichtlijn Water in zicht verbaast het me hoe onoverzichtelijk de regels zijn. Bij diffuse bronnen, zoals de landbouw, lopen voorschriften voor mest en bestrijdingsmiddelen vaak niet in de pas met de waterkwaliteitsdoelen. Leuker kunnen we het niet maken, maar wel makkelijker. Dus wat is de stand van zaken rond het harmoniseren van deze regels, zodat ze elkaar niet langer in de wielen rijden? Is het toelatingsbeleid van het Ctgb al in lijn me de KRW? Op welke punten wijken het zevende en achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn af van de KRW-doelen? Wat is er nodig om alle richtlijnen zo in te richten dat de losse doelen elkaar niet in de wielen rijden?
Voorzitter. Ook de vergunningen van bedrijven die in het water lozen moeten KRW-proof gemaakt worden. Als we die vergunningen op elkaar afstemmen, zorgen we ervoor dat bedrijven kunnen blijven investeren in de toekomst. Dus kan de minister toelichten welke lessen er zijn geleerd uit de actualisatie tot nu toe om de vergunningen Kaderrichtlijn Waterproof te maken? Hoe zouden we die actualisatie kunnen versnellen? We lezen namelijk dat het Rijk flinke maatregelen heeft moeten treffen om de kennis over de vergunningverlening, toezicht en handhaving, de VTH, op peil te houden en systemen te vernieuwen. Dat geldt dan, neem ik aan, alleen voor VTH voor rijkswateren. Maar hoe zit het met de VTH-kennis en -capaciteit buiten Rijkswaterstaat, die nodig zijn om een beeld te krijgen van vergunningen buiten rijkswateren? Zijn die wel op peil?
Voorzitter. Ik begon er al mee: water, de rest komt later. Voor iedereen in dit land is schoon en beschikbaar water een basisbehoefte. Laten we ervoor zorgen dat iedereen hier ook op kan blijven rekenen.
De voorzitter:
Er is nog een vraag van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
D66 erkent terecht dat we in grote problemen komen als we de Kaderrichtlijn Water niet halen en dat we niet op koers liggen. Welke maatregelen wil D66 daar zelf voor nemen? Ik lees daar namelijk niets over terug in het coalitieakkoord.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dit is voor mij een vrij nieuw onderwerp, dus ik zit nog niet helemaal in de technische details. Ik wil in ieder geval zeggen dat wij niet moeten verslappen en niet moeten gaan afzwakken. We staan dus sterker als we laten zien dat we ons tot het uiterste hebben ingespannen om de KRW-doelen te gaan halen; collega Grinwis zei dat net ook al en die weet er veel meer van dan ik. Dat moet haalbaar zijn voor iedereen. Dat moeten we ook met elkaar dragen. Het is een gezamenlijke opgave waarbij je niet tegen één groep in de samenleving kan zeggen: lossen jullie het anders even voor ons op. Maar je kan niet afzwakken, dus beste beentje voor en volle kracht vooruit.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat klinkt goed, maar ik lees in het coalitieakkoord dat Nederland zich moet gaan inzetten voor een "realistische richtlijn" en voor een "simplificatie" van de Kaderrichtlijn. Dat duidt voor mij in ieder geval op afzwakking van de Kaderrichtlijn Water. Kan D66 die zin uit het coalitieakkoord toelichten?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Goede vraag. Met een afzwakking gaan we niet wegkomen, maar we constateren wel dat op dit moment met de Kaderrichtlijn Water verschillende regels echt tegen elkaar in werken. We hebben dus een heel ingewikkeld speelveld gecreëerd met elkaar. Als we zeggen dat er simplificatie moet komen, dan staat er dus ook dat die zaken beter op elkaar afgestemd moeten worden. Over "realistisch" zei ik net eigenlijk al dat de richtlijn uitgevoerd moet worden door heel veel mensen en door heel veel bedrijfstakken, zowel industrieel als agrarisch. Dat betekent niet dat we een lagere ambitie hebben, maar wel dat we kijken naar wat haalbaar is. We willen niet iets wat op papier klopt, maar in de praktijk niet blijkt te werken.
De voorzitter:
Tot slot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik ben een beetje op zoek naar daadwerkelijke maatregelen, want we hebben al 25 jaar de tijd gehad om de Kaderrichtlijn Waterdoelen te gaan halen. Als je dus nu spreekt over "realistisch", dan heb je gewoon als Nederland je huiswerk niet gedaan, denk ik. Kan D66 één concrete maatregel noemen, bijvoorbeeld een nationaal dan wel Europees verbod op pfas in bestrijdingsmiddelen, waar we ons samen voor kunnen inzetten?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
D66 wil dat verbod heel erg graag. Dat blijven wij ook graag willen. Met betrekking tot wat u zegt over het niet doen van huiswerk: ja, we zitten heel dicht voor de deadline, dus dat is een juiste conclusie. Dat betekent nu dus nachtjes doorhalen en heel hard aan de slag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
We zitten inderdaad heel erg dicht bij de deadline. Die deadline is 22 december 2027. Dan is het onbegrijpelijk dat ik aan de ene kant hoor dat we haast moeten maken, vaart moeten maken en niet moeten verslappen, maar dat er tegelijkertijd in het coalitieakkoord pas vanaf 2028, als het te laat is, 250 miljoen over twee jaar verspreid wordt vrijgemaakt om iets te gaan doen met de waterkwaliteit. Dus mijn vraag is: is dat niet een beetje mosterd na de maaltijd? Moet dat niet veel sneller?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dat dit snel moet, is een gegeven. Er staat na 2028 geld voor gereserveerd, omdat we ook dan nog met de kwaliteit van water aan de slag moeten. Dat staat onder KRW genoemd. Maar dat betekent niet dat we de komende twee jaar niks doen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dan vraag ik mij af of D66 de urgentie ziet van het probleem waar we tegenaan gaan lopen. We krijgen straks vergunningen niet meer rond en we kunnen straks geen woningen meer bouwen, dus ook niet de 10.000 woningen die D66 onder andere beloofd heeft. Zijn we dan niet te laat met dat geld, vraag ik aan D66. Moeten we daar niet sneller wat mee doen om te zorgen dat we straks nog vergunningen kunnen afgeven, woningen kunnen bouwen, nieuwe waterbronnen kunnen slaan, noem het maar op. Moet dat niet eerder?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik kan alleen maar herhalen wat ik al heb gezegd: er staat geld voor gereserveerd. Dat blijft meerdere jaren nodig. Ook de komende jaren is er geld voor nodig. We gaan niet wachten tot 2028 voor we dingen gaan doen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Tot slot. Blijkbaar gaat D66 wel wachten tot 2028 voordat er wat gaat gebeuren, want er is pas vanaf 2028 geld gereserveerd. Mijn vraag — ik hoop dat ik daar dan gewoon een antwoord op krijg — is dus nogmaals: snapt D66 de urgentie? Als D66 de urgentie snapt, waarom is er dan voor gekozen om pas in 2028 geld vrij te maken en niet al volgend jaar of, sterker nog, dit jaar bij de Voorjaarsnota?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Het coalitieakkoord is natuurlijk niet de enige begroting. Ook in de huidige begroting staat geld gereserveerd. Ik denk dat de coalitiebegroting, de volgende begroting, laat zien dat we na 2027 ook niet stoppen met het nemen van maatregelen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
In het coalitieakkoord staat het uitvoeren van de Natuurherstelverordening. Er is een impactanalyse gemaakt en er is berekend dat dat 76 miljard gaat kosten. Hoe gaat D66 dit uitvoeren? Want het staat wel echt keihard in het coalitieakkoord.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dit is een vrij technische vraag. Mevrouw Van der Plas, zou u de vraag nog een keer kunnen herhalen?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Zeker. In het coalitieakkoord staat keihard: we voeren de Natuurherstelverordening uit. Eerder is gebleken uit een impactanalyse dat, als je dat helemaal wil uitvoeren, dat 76 miljard gaat kosten. Ik ben benieuwd hoe D66 dat geld bij elkaar gaat halen.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, nu begrijp ik 'm. De Natuurherstelverordening is een verordening. Dat is een afspraak die we met elkaar hebben gemaakt. Daar gaan we niet onderuit komen. Die is ook hartstikke nodig. Dat kost geld, maar dat levert ook geld op. Volgens de berekeningen die zijn gemaakt, kost het inderdaad 76 miljard. Ik heb het absolute bedrag even niet scherp, maar uit m'n hoofd levert het ongeveer het dubbele op. Daarmee kun je dat financieren. Daar hebben we dan ook allemaal voordeel bij.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het is nog maar de vraag wat dit gaat opleveren. In de Natuurherstelverordening staat ook, als we het bijvoorbeeld hebben over hittestress, dat het ook voor steden gaat gelden. Dat betekent dat er minder ruimte komt voor woningbouw, voor de infrastructuur en voor de aanleg van bedrijventerreinen, omdat er veel meer groen in de stad moet komen. Hoe gaat dat geld opleveren? Wat zijn daarvan de gevolgen, vraag ik aan mevrouw Vellinga-Beemsterboer.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik denk dat iedereen heel graag in een groene leefomgeving woont. Dat draagt bij aan gezondheid en welzijn. We zien dat al op ontzettend veel plekken in het land. Ik heb zelf in een gemeenteraad gezeten in Friesland. Daar hebben we ontzettend mooie maatregelen kunnen nemen in de vorm van geveltuinen en het NK Tegelwippen. Daarmee kun je heel laagdrempelig heel veel winst boeken, omdat mensen zelf ook heel gericht iets kunnen doen. We zoeken naar grote en kleine maatregelen. Ik denk over het algemeen dat dat juist winst oplevert. Ja, dat is ruimtelijk een nieuwe uitdaging. Maar dit is ook precies het vraagstuk dat voorligt. Als we blijven denken zoals we deden en blijven bouwen zoals we bouwden, dan is dat heel ingewikkeld. Ik zat een paar weken geleden bijvoorbeeld met de Vereniging van Waterbouwers om tafel. Die kregen glimmende oogjes toen we hierover praatten. Zij zeggen: we kunnen zo ontzettend veel meer dan we nu al doen ten aanzien van klimaat- en wateradaptief bouwen. Ik zie daar dus hele mooi nieuwe mogelijkheden in op een manier die heel erg past bij Nederland: we bewegen mee met het water en we gaan nieuwe dingen uitproberen op het moment dat die nodig zijn.
De voorzitter:
Was u al klaar met uw betoog? Dat was zo. Dan gaan we over naar de heer Schutz van de VVD.
De heer Schutz (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Waterbeleid raakt aan veiligheid, beschikbaarheid, leefbaarheid en economische zekerheid. De VVD wil vooruit met waterbeleid; realistisch, gedragen, voelbaar en voorspelbaar. Ik ben blij dat er een nieuw regeerakkoord is en dat we aan waterbeleid blijven werken, onder andere aan waterveiligheid, de beschikbaarheid van water en drinkwater, de uitvoering van het Deltaprogramma en de herijking van de deltabeslissingen.
Over waterveiligheid. Ten aanzien van de langetermijnopgave …
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voor ik vertrek, wil ik gelijk op het begin inhaken. De heer Schutz citeert allemaal mooie zinnen uit het coalitieakkoord. Valt hij de interpretatie van collega Vellinga-Beemsterboer bij dat de reeks voor beheer en onderhoud en ontsluiting van woningbouwlocaties — dat is regeltje acht en misschien ook wel regeltje negen in de budgettaire bijlage — ook slaan op Waterstaat, op bijvoorbeeld het vernieuwen van het gemaal bij IJmuiden?
De heer Schutz (VVD):
Dat zijn van die interpretaties. Ik begrijp de vraag wel. Het regeerakkoord is een kader. Dat kader moet nadere invulling krijgen. En die nadere invulling gaan we krijgen van een nieuw kabinet. Daar zou ik het voor nu eigenlijk bij willen laten. Ik wil niet al toezeggingen doen voor deelbudgetten voor specifieke dingen, terwijl wij — dat wil ik er richting de heer Grinwis aan toevoegen — samen die motie hebben ingediend over IJmuiden. De prioriteit en ernst staan ons zeer voor ogen, maar we hebben vele keuzes te maken, en niet alleen deze. Daarom zeg ik: laten we naar aanleiding van het regeerakkoord even afwachten wat er aan nadere invulling komt en dan kunnen we het hebben over wat wel en wat niet en wat wanneer.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Juist omdat we samen die motie hebben ingediend en omdat we weten hoe belangrijk het is om het gemaal bij IJmuiden op tijd — dat is eigenlijk nu — te gaan vervangen, stel ik deze vraag. Het is namelijk belangrijker dat we droge voeten houden, voordat we welke weg dan ook aanleggen. Want wat heb je aan een overstroomde weg? Het valt me dan wel op dat collega Schutz minder dapper is dan collega Vellinga-Beemsterboer, die gewoon zegt: het is Infrastructuur én Waterstaat. Als je in de begroting kijkt naar het Mobiliteitsfonds en Deltafonds, dan zou je op z'n minst verwachten dat 100-150 miljoen van die plak voor het Deltafonds is. Waarom bevestigt meneer Schutz dat niet gewoon eenvoudig? Hij als coalitiepartner moet namelijk richting geven aan het kabinet. Het kabinet kan met deze onduidelijke regel in de budgettaire bijlage onvoldoende uit de voeten, volgens mij.
De heer Schutz (VVD):
"Dapperheid" is iets anders dan meneer Grinwis geven wat hij vraagt. Met andere woorden: ik denk dat de dapperheid hier juist schuilt in een zorgvuldige afweging. Ik gaf net al aan richting de heer Grinwis dat IJmuiden mij scherp voor ogen staat. Ik ben het niet vergeten. Alleen het hoeft niet allemaal ineens vandaag, meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Heel kort. Dat begrijp ik niet. Het gemaal bij IJmuiden heeft de minister een- en andermaal toegelicht. De heer Schutz is die toelichting bijgevallen. De situatie is zeer urgent. De faalkans stijgt bij wijze van spreken per dag. Daar kun je dus niet mee wachten. Dat is dus echt urgenter dan bijvoorbeeld het project Zuidasdok, dat wel met naam en toenaam in de budgettaire bijlage staat genoemd. Ik hoop dat het nieuwe kabinet vooral luistert naar de reactie van collega Vellinga-Beemsterboer en dat meneer Schutz gedurende dit debat zijn been nog bijtrekt, alleen ik ga dat hier niet meer live meemaken.
De heer Schutz (VVD):
Er zit geen licht tussen de urgentie die meneer Grinwis voelt of die ik voel. Ik wil het alleen wel in de volgorde der dingen doen. Het is niet dat we tot het einde van het jaar wachten met een nieuwe kabinetsploeg. Er is al een datum geprikt. Met andere woorden: als er straks een nieuwe man of vrouw zit die met prioriteit naar die verdeling zal kijken en ons daarin aandacht zal geven, dan hebben we daar, denk ik, redelijk snel duidelijkheid over. Ook daarbij zullen we natuurlijk duiden dat IJmuiden best wel een belangrijk project is. Maar als u mij vandaag vraagt "meneer Schutz, wilt u net als mijn collega alvast toegeven aan wat ik vraag", dan bent u iets te vroeg. Maar ik begrijp u wel.
De voorzitter:
De heer Heutink heeft ook een vraag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik wil de meneer Schutz feliciteren met het sluiten van het coalitieakkoord met zijn partners. En dat begint al goed, want ik zie dat D66 inmiddels een hap heeft genomen uit de 1,5 miljard voor infrastructuur als het gaat om het gemaal van IJmuiden. Ik ben heel erg benieuwd wat de VVD daarvan vindt. Hebben we nu al oorlog in de nieuwe coalitie? Ik ben dus heel erg benieuwd hoe de VVD hierop reflecteert naar aanleiding van de uitspraken van D66.
De heer Schutz (VVD):
Ik kijk zo even naar rechts. We hebben geen oorlog. Net als in het vorige antwoord zeg ik dat ik het echt wel met vorige sprekers eens ben dat IJmuiden urgent is. Alleen, wel in de juiste volgorde. Als ik naar rechts kijk, vraag … Er wordt ook al geknikt! Er zit dus geen licht tussen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dus concreet: van die 1,5 miljard wordt specifiek geld gereserveerd voor het gemaal van IJmuiden. Klopt dat? Is dat wat we straks kunnen verwachten? Of zijn dit alleen mooie woorden?
De heer Schutz (VVD):
Hetzelfde antwoord als ik heb gegeven aan de heer Grinwis: vandaag niet. Dat zijn geen mooie woorden. Maar wel: in de juiste volgorde der dingen alstublieft.
De voorzitter:
Nu kunt u verdergaan met uw betoog.
De heer Schutz (VVD):
Fijn. Dank u. Over waterveiligheid. Ten aanzien van de langetermijnopgave betreffende de zeespiegelstijging zijn binnen het Deltaprogramma verschillende varianten als antwoord op zeespiegelstijging verkend. Voor de VVD is essentieel dat scenario's niet alleen technisch haalbaar en veilig zijn, maar ook maatschappelijk en economisch realistisch zijn en voor Nederlanders behoorlijk en uitlegbaar zijn. Recent is scenariovariant Meegroeien toegevoegd. De uitwerking van onderzoek zou laten zien dat meegroeien onder voorwaarden haalbaar én uitvoerbaar is. Maar tegen welke prijs? Enerzijds lees ik dat de meest kansrijke bouwstenen verschillende varianten van meegroeilandschappen zijn, waarbij dijken in combinatie met meegroeiende voorlanden zorgen voor waterveiligheid. Maar in variant 1 op pagina 32 van Ruimte voor Zeespiegelstijging lees ik ook dat het weghalen van de huidige, in het verleden met belastinggeld bekostigde primaire waterkeringen een serieuze optie is. Ook bij variant 2 lijkt dit aan de orde. Het meegroeiscenario wordt de laatste tijd nogal gepromoot, mede ook met het oog op ecologische koppeleffecten. Verbreding van focus ten koste van een boel ruimte, zo lees ik: ten koste van ruimte voor woningbouw, landbouwgrond en infrastructuur.
Hoe gaat de minister borgen dat mensen in die gebieden, onder andere op de Wadden en in de zuidwestelijke delta en alles daartussen, worden meegenomen en zich veilig blijven voelen? Met 1953 in gedachten worden mensen er best zenuwachtig van. Gisteren nog is die ramp op veel plaatsen in Nederland herdacht. Zelf was ik in Ouwerkerk. Oud-collega Jacqueline van den Hil, die ik daar trof, opperde hier eerder om dit nationaal te herdenken in dit huis. Wellicht vanaf 2028, wanneer het 75 jaar geleden is. Dat zou als stip op de horizon een goed aanknopingspunt voor het goede thematische gesprek over zeespiegelstijging en varianten kunnen zijn. Ikzelf begrijp de zorgen van die mensen wel. Immers, hoe kunnen we straks met zekerheid zeggen dat meegroeiresultaten sterker zijn en vooral sterk genoeg zijn? En wat en hoe in de tussentijd? Graag een reactie van de minister.
De aanwas van voldoende sediment gaat decennia duren, zo begrijp ik. Hoe zeker is de bescherming van meegroeien, vergeleken met die van waterbouwkundige oplossingen, die we eerder wel vooraf konden ontwerpen en doorrekenen? En wat betekent dit voor de recent afgeronde dijkophogingen en het project dat nog under construction is in den lande? Alle andere hoofdstukken die we vandaag bespreken, zouden die dan achterhaald zijn? Gelukkig hoeven we vandaag nog niet te kiezen. Maar er moet nog wel heel wat water door de Nieuwe Maas, het Haringvliet, de Oosterschelde en de Westerschelde voordat de VVD hier comfortabel mee is.
Op pagina 33 van het Deltaprogrammarapport staat dat er uit een technisch inhoudelijk onderzoek door Deltares volgt dat voor een aantal dijktrajecten een minder strenge norm kan worden overwogen, onder andere op de Waddeneilanden en in de Maasvallei. Hoe beschermen we mensen daar? Ik vraag ook hier om zorgvuldigheid, dus "overleg met" en niet "overleg over" en behoorlijke uitlegbaarheid van toekomstige besluitvorming. Dat geldt ook voor zoetwaterverdeling en beschikbaarheid aan de eindjes van onze rivieren en kanalen, dus aan de randen van Nederland. Wil de minister toezeggen deze zorgen nadrukkelijk in zijn overdrachtsdossier aan zijn opvolger mee te geven?
Dan over drinkwater. Drinkwaterbedrijven maken zich zorgen over de lange doorlooptijden van vergunningen voor waterwinning. Dat raakt direct aan de beschikbaarheid en de leveringszekerheid van water. Waar zitten volgens de minister de knelpunten en wat er is er nodig om procedures samen met provincies en drinkwaterbedrijven te versnellen? Ik begrijp dat er wordt gewerkt aan wetgeving om vergunningen voor grondwateronttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening tijdelijk te maken en periodiek te herzien. Aan de minister wil ik vragen of het klopt dat dit geen Europese verplichting is maar een nationale keuze. Hoe wordt voorkomen dat dit ten koste gaat van de zekerheid van voldoende drinkwater? De minister heeft aan oud-collega Verkuijlen toegezegd te onderzoeken in hoeverre bepaalde sectoren voor hun bedrijfsprocessen afhankelijk zijn van de waterkwaliteit van drinkwater. Mijn vraag aan de minister is wat de stand van zaken van dit onderzoek is en wanneer de Kamer de resultaten ontvangt. Daarnaast zou, tevens als toezegging, inzicht worden gegeven in de effecten van het verlagen van de maximale temperatuur waaronder koelwater mag worden geloosd. Ook daarvan hoor ik graag de stand van zaken. Wordt daarbij ook gekeken naar de continuïteit van bedrijfsprocessen en de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven?
Ten slotte over de KRW. De minister sprak in het recente tweeminutendebat over een eindspurt. Voor de zekerheid: ik vermoed dat hij doelde op het KRW-impulsprogramma. Zo ja, dan vraag ik de minister om voor de zomer een Kamerbrief te sturen waarin wordt uiteengezet welk resultaat dit tot dan toe heeft gehad, wat de minister voor de dan resterende tijd nog ziet gebeuren en wat daarvan realistisch gezien nog te verwachten is. Er is momenteel sprake van rechtsonzekerheid, omdat ondernemers niet weten waar ze straks aan toe zijn. Rijkswaterstaat is druk bezig met het actualiseren van de vergunningen om ze KRW-proof te maken. welke lessen kunnen we nu al trekken? Na de eindspurt ziet de VVD uit naar de evaluatie van de KRW. Daarbij moeten we ook kijken naar hoe het in de ons omringende landen werkte en is ervaren. De KRW moet begrijpelijk zijn en er is behoefte aan simplificatie, met haalbare doelen waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat Nederlandse gebiedsdelen aan het eind van het Europese rivierennet liggen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. En de KRW is de Kaderrichtlijn Water. De heer Heutink.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
We zijn dus al sinds 2005 bezig met die hele Kaderrichtlijn Water. En nu, anderhalf jaar voor de deadline, komen we blijkbaar tot de conclusies dat we moeten simplificeren. Dat hoor ik de VVD en D66 zeggen. Komt de coalitie daar niet een beetje laat mee? Is de VVD niet bang dat we zo meteen tegen die muur aan gaan botsen?
De heer Schutz (VVD):
Ik kan hier dingen natuurlijk niet eerder opperen dan vanaf het moment ik Kamerlid ben. Ik doe dat dus vandaag maar, en ik reageer op interessante informatie die de minister in het laatste tweeminutendebat gaf. Het is hartstikke goed dat we de schouders eronder zetten en de eindspurt maken. De vraag die de heer Heutink mij stelt is best een interessante, want wat heeft híj de afgelopen periode gedaan om dit te versnellen, toen hij nog in de PVV zat en met ons in de regering zat?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dat is heel duidelijk. Ik heb het kabinet keer op keer gewaarschuwd, en dat ga ik zo meteen weer doen, dat we in een juridisch moeras verzanden als we niet opletten. En dan kunnen we gaan simplificeren tot we een ons wegen, maar feit is dat die deadline eraan komt en dat we daarmee zo meteen een heel groot probleem hebben. Ik vraag het dus nogmaals aan de VVD. Het is allemaal leuk hoor, het terugblikken en het "wat heeft die-en-die gezegd?", maar ik wil gewoon van de VVD weten hoe zij het kabinet gaat aansporen om bijvoorbeeld in ieder geval een noodplan klaar te hebben liggen zodat we straks nog woningen kunnen bouwen en infrastructuur kunnen aanleggen.
De heer Schutz (VVD):
Die simplificatie ziet natuurlijk op de periode erna. Het is overigens een Europese richtlijn, dus die kunnen we niet in ons eentje simplificeren. Het is vooral het inzetten van die eindspurt. Dat is wat we moeten doen. We moeten zo veel mogelijk effect ressorteren en inderdaad die vergunningen tegen het licht houden, zoals Rijkswaterstaat nu al doet, zodat we voorkomen dat we oplopen tegen die spreekwoordelijke watermuur, waar u het overigens terecht over heeft. Maar we zitten waar we zitten. We kunnen alleen maar meer doen van wat we al doen, maar we kunnen wel vaststellen dat de kaders en de regels die we nu hebben als onderlegger voor ons handelen, een beetje complex zijn. Daarbij kun je je afvragen of al die complexe regels ons nou dichter bij het doel hebben gebracht. De simplificatie ziet dus vooral op de toekomst, op hoe we het voorbij de datum van 2027 waar u het over heeft, voor onszelf een stuk makkelijker kunnen maken. En daarbij past echt wel dat we aan Brussel aangeven hoe we het hier ervaren, want de ervaringen die wij hier in Nederland hebben, hebben we niet alleen hier in Nederland. Dat is een breder gedragen gevoel. Daar past een evaluatie bij en een simplificatie, met simpele regels die makkelijker uitvoerbaar zijn.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Heutink.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik kom een heel eind mee met de VVD, laten we eerlijk zijn, en ik ben ook blij dat de VVD de terechte zorgen zegt te delen die wij hebben als het gaat om die deadline. Maar ik ben wel heel erg benieuwd wat we dan moeten doen. Wat is het verzoek van de VVD aan het kabinet om ons in ieder geval voor te bereiden op het scenario dat het gewoon misgaat? De VVD moet er toch over hebben nagedacht dat de kans reëel is dat het zo meteen gewoon wel misgaat?
De heer Schutz (VVD):
Ik hoop dat het niet misgaat. Ik moet zeggen dat in hetzelfde tweeminutendebat de mededeling van de minister dat niet alleen "one out, all out" bepalend is, maar dat ook de mate waarin je niet all out bent, bijdraagt in de uiteindelijke analyse en de situatie waarmee je van doen hebt. Wat de minister nu doet met een eindspurt en met betrekking tot het KRW-proof maken van die vergunningen, is denk ik de juiste reflex. Dat is de juiste handeling om dat maximaal te voorkomen. Het is juist ook daarom, omdat ik mij daar ook zorgen over maak, dat ik vraag wat het resultaat is waar wij in de zomer staan, als we feitelijk nog anderhalf jaar hebben. Ik begreep dat we nu al op 80% zitten. Dat is een generiek percentage dat ook weer in specifieke kaders valt uit te drukken. Toen ik vroeger thuiskwam met een 8, was mijn vader best tevreden. Het vervelende is alleen dat we hier een 10 moeten hebben, willen we KRW-proof zijn. Daar ben ik in geïnteresseerd. Het enige wat we nu kunnen doen, is zo veel mogelijk de schouders eronder zetten, erover in gesprek zijn met elkaar en als de wiedeweerga die vergunningen tegen het licht houden.
Kamerlid Kostić (PvdD):
We weten uit eerdere onderzoeken dat de eerdere plannen om de Kaderrichtlijn Water te halen niet voldoende waren. Alle VVD-kabinetten faalden daarin. Ook dit kabinet zal met z'n nieuwe maatregelen daarin falen, tenzij er extra geld vrijkomt en er extra maatregelen komen. Ik vraag mij af wat de VVD nog meer wil bovenop wat het kabinet al voorstelt om de doelen van de Kaderrichtlijn Water wel te halen.
De heer Schutz (VVD):
Ik heb net al aangegeven dat de VVD zich kan vinden in de eindspurt en in het herzien of herijken van die vergunningen. Als u een goed idee heeft waarmee we in die eindspurt een extra slag kunnen maken, dan hoor ik dat heel graag. Maar voor ons zit het 'm vooral in het systeem en in de complexiteit die we over 2027 heen echt anders moeten adresseren. Als we dan namelijk niet alle doelen halen, en daar heeft het inderdaad alle schijn van, dan moeten de consequenties daarvan wel dragelijk blijven, zowel voor het natuurherstel als voor de waterkwaliteit als voor de economische functies.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Als het gaat om concrete maatregelen, dan weten we dat er flinke stappen moeten worden gezet op het aanpakken van mest, voor hervormingen in de landbouw en ter beperking van landbouwgif. Dat moet op korte termijn gebeuren, dus voor 2027. Is de VVD bereid om daarin te bewegen, en zo ja, op welke manier?
De heer Schutz (VVD):
Ik denk dat de VVD ten aanzien van waterkwaliteit en mest heel duidelijk is geweest voor de kerst. Ik weet niet of aanvullende maatregelen op zo'n korte termijn het effect hebben waar het lid Kostić op hoopt, en ik met haar. Met andere woorden: laten we dat soort zaken zeker uitzoeken, maar ik zeg daar niet nu meteen al ja op en ik houd het bij mijn eerdere antwoord. Dank u wel.
De voorzitter:
Lid Kostić, tot slot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dan hoor ik de VVD wel zeggen dat ze de doelen willen halen, maar zie ik ze niet de juiste maatregelen nemen om die doelen in 2027 te halen. Ik ga toch die poging wagen met mijn moties. Hopelijk kunnen we elkaar vinden. Mijn laatste vraag is: de VVD zegt dat ze tot simplificatie willen overgaan na 2027, realistische doelen, maar gaat de VVD waarborgen dat dat geen afbreuk gaat doen aan de waterkwaliteit en onze leefomgeving? En hoe gaan ze dat dan doen?
De heer Schutz (VVD):
Hoe gaan wij dat waarborgen? Dat is nou juist wat je in een evaluatie moet doen. Daar had ik het net ook over. U vraagt mij vandaag om antwoorden van later. Daar laat ik me niet op vastpinnen. Waterkwaliteit is echter ook voor de VVD van belang, omdat we heel goed weten dat Europese regelgeving ons wel bij de kuif zal nemen als die niet op orde is. Maar we kunnen ook wel vaststellen dat de complexiteit van de regels die we tot op heden hebben, ons niet heeft geholpen. U noemt dat "het falen van VVD-kabinetten"; dat mag zo zijn. Het is echter niet voor niks dat men niet alleen in Nederland nog achterloopt, maar ook in de rest van Europa. Dan kun je je afvragen: waren die doelen en de complexiteit van de regels wel de juiste middelen om te bewerkstelligen wat we met z'n allen voor ogen hebben? Daarom zegt de VVD, net als D66, die daar net ook iets over zei, en vast ook andere partijen: simplificatie en realisme. Wat kan wél? Wat is überhaupt haalbaar? Dat is een belangrijk uitgangspunt. Dat hoort bij een evaluatie. Pas daarna hebben we het over maatregelen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Niks is haalbaar binnen alle regels en doelen waar we ons aan hebben gecommitteerd. We hebben de Kaderrichtlijn Water en de Vogel- en Habitatrichtlijn, er zijn allemaal Natura 2000-gebieden en dan is er ook nog eens een keer de Natuurherstelverordening, die gewoon gaat betekenen dat wij onszelf nog verder hebben vastgeklemd in een gejuridificeerde wereld. Ik wil aan de heer Schutz vragen: hoeveel rechtszaken van activistische organisaties verwacht de heer Schutz als de Natuurherstelverordening er straks is?
De voorzitter:
Dit zijn twee interrupties.
De heer Schutz (VVD):
Ja, hoeveel rechtszaken verwacht ik? Ik ben jurist, maar geen tovenaar, dus mijn voorspelling heeft geen enkele waarde in dit debat, denk ik. Het lijkt me niet irreëel dat de kans bestaat dat er rechtszaken zullen zijn, kijkend naar het stikstofdossier.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik voorspel u dat er heel veel rechtszaken gaan komen, want er is weer iets nieuws om rechtszaken mee aan te spannen. Laatste vraag aan de heer Schutz. In de Natuurherstelverordening staat bijvoorbeeld dat Brussel dwingend gaat voorschrijven aan gemeenten hoeveel bomen zij moeten hebben. Vindt de heer Schutz dat Brussel zich daarmee moet bemoeien?
De voorzitter:
Bomen zijn geen wateronderwerp, maar de heer Schutz mag reageren.
De heer Schutz (VVD):
Twee zaken daarover. Een verordening is in zichzelf al dwingend; daar kunnen we als Nederlandse overheid weinig aan doen. De Natuurherstelverordening is aangenomen, en daarmee geldt die voor ons. In mijn vorige rol, voor 12 november, toen ik geïnstalleerd werd als Kamerlid, heb ik daarover informatiebijeenkomsten bijgewoond, waarbij nadrukkelijk werd aangegeven dat dat niet dwingend werd voorgeschreven. U heeft het vast ergens zien staan, maar ik heb die specifieke zin niet scherp voor ogen. We zullen goed in overleg moeten gaan, want we kunnen in Nederland niet overal bomen kwijt.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog. Of was u al klaar?
De heer Schutz (VVD):
Sorry, ik moest even de administratie bijwerken. Ik was klaar.
De voorzitter:
Goed zo; dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Boelsma-Hoekstra van het CDA.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Toen ik de portefeuilleverdeling binnen het CDA kreeg, was ik behoorlijk ingenomen met mijn portefeuille, met daarin IenW, maritiem, visserij, Binnenlandse Zaken en, last but not least, water en bodem. Het is een portefeuille waarin het gaat over verbindingen, over de medeoverheden en over het genieten van werken en recreëren op het water, dus over de maritieme sector, de visserij en het toerisme of gewoon je eigen vrijetijdsbesteding. Door me namens de CDA-fractie bezig te houden met de verschillende deelgebieden zie ik de samenhang, maar ook de uitdagingen. Vandaag gaat het debat specifiek over water, al weiden we wel een beetje uit, en de uitdagingen die spelen op het gebied van beschikbaarheid, kwaliteit en overtollig water; daar hebben we het net al even over gehad.
Voordat ik inga op mijn inzet met betrekking tot water voor de komende vier jaar, wil ik u meenemen naar de regio waar ik vandaan kom, namelijk het Friese merengebied, in het zuidwesten van Fryslân, in de gemeente De Fryske Marren. Het is een gebied waar toeristen genieten van de mooie meren, vaarten en kanalen, waar uitdagingen liggen in het veenweidegebied en waar zandgronden vanuit het mooie Gaasterlân het veenweidegebied doorkruisen. Het is een gemeente met veel landbouwbedrijven, recreatie en natuur, die natuurlijk grenst aan onze belangrijkste zoetwatervoorziening: het IJsselmeer.
Zo heeft elk Kamerlid zijn of haar eigen associatie en ervaringen met water. Ik zou via u, voorzitter, tegen de minister willen zeggen: doe er uw voordeel mee. Ervaringen uit de praktijk kunnen helpen bij het duiden en oplossen van de uitdagingen die er op het gebied van water zijn, en die zijn er. We hebben het Watermanifest van de waterschappen en Vewin kunnen lezen. We krijgen nog een debat over de Wadden, waar ook het nodige speelt. VNO-NCW en de landbouwsector zijn gebaat bij een goed plan om op een realistische manier de waterkwaliteit te verbeteren.
Ik wil beginnen met onze positie als Nederland. Deze is uniek. We leven in een delta. Al decennialang wordt door onze waterbouwers en technologische kennis weerstand geboden aan hoog water. Internationaal houden we vaarwegen op peil met onze baggeraars. En als schepen losgetrokken moeten worden, zijn Nederlandse bedrijven aan zet. Zo hebben we als Nederland ook een Hoogwaterbeschermingsprogramma en het programma Ruimte voor de Rivier. Voor het CDA zijn dit belangrijke programma's, die in samenwerking met de waterschappen moeten worden opgepakt.
Recent bereikten ons signalen dat de normen voor dijkverzwaring zijn aangepast; daar is eerder aan gerefereerd. Daar heb ik een aantal concrete vragen over als het gaat om Schiermonnikoog. Is de minister bekend met de grote zorgen die na dit besluit zijn ontstaan op Schiermonnikoog en bij Wetterskip Fryslân in verband met de onveiligheid achter de dijken en de grote gevolgen voor een eiland bij een overstroming? Zou de minister kunnen toezeggen de afspraken na te komen om de norm die nu wordt voorgesteld, namelijk één keer per 100 jaar een overstroming, niet toe te passen en in overleg met het eiland en de overheden te komen tot een acceptabele norm?
Vanuit de waterbouwers is er ook nog een vraag met betrekking tot het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Ik sluit mij aan bij de vragen die de heer Grinwis heeft gesteld.
Ten tweede deelt het CDA de zorgen van de waterschappen en de drinkwaterbedrijven als het gaat om waterkwaliteit. We zien dat er al veel stappen zijn gezet. Als CDA willen we inzetten op ontwikkelingen die van onderop komen, want daar zitten de energie en de kennis.
Wat betreft pfas — daar is eerder ook al over gesproken — wil ik een vervolgvraag stellen naar aanleiding van de vraag van collega Zwinkels in het IenW-debat. Als voorbeeld werd daarin de vervuiling bij Vliegbasis Leeuwarden genoemd. De reactie van de staatssecretaris was: de vervuiler betaalt. De vervolgvraag is wie aan de lat staat als het gaat om de vervolgkosten buiten de hekken van de vervuiler.
Ten tweede noem ik de verplichting voor de beroeps- en recreatievaart met betrekking tot lozing van vuil water aan wal. Dit is ook al aan de orde geweest in het commissiedebat Maritiem. Eigenlijk zou ik van de minister graag de toezegging willen dat de verzegeling dit jaar geregeld wordt. Volgens mij is dat in het commissiedebat Maritiem al door de regels door gezegd, maar ik zou heel graag een toezegging willen.
Dan het medicijnafval. Veel medicijnen kunnen door de bestaande waterzuiveringen niet uit het rioolwater worden gehaald. Ik ben op bezoek geweest en hoorde dat dit een groot aandachtspunt is. Ze komen in het oppervlaktewater terecht. Even voor uw beeld: per jaar verdwijnt er 190 ton medicijnresten in het oppervlaktewater. Even ter vergelijking: voor bestrijdingsmiddelen is dit 14 ton. Welke actie zet de minister op het verminderen van medicijnafval in ons water? Is er al actie gezet op het laten bijdragen van producenten aan grote rioolwaterzuiveringsinstallaties, waarbij innovatieve technologie wordt toegepast voor het verwijderen van medicijnresten?
De voorzitter:
Lid Kostić heeft een vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik meen uit de woorden van mijn collega op te maken dat zij zich ook zorgen maakt over het feit dat steeds meer kosten worden voor pfas-vervuiling worden afgewenteld op de belastingbetaler en dat ook medeoverheden daarmee worstelen. De Partij voor de Dieren heeft een idee om in ieder geval een vorm van pfas-taks te onderzoeken, waarmee we bedrijven kunnen stimuleren pfas-vrij te produceren. Het geld dat met de pfas-taks wordt opgehaald, kunnen we in een potje stoppen waarmee we de vervuiling kunnen aanpakken. Daarmee kunnen we het "de vervuiler betaalt"-principe garanderen. Is het CDA in ieder geval bereid om mee te denken over een verkenning daarvan?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dit is voor mij helemaal nieuw. Ik zou zeggen: wanneer u met dat idee komt, laat het dan aan ons zien. Dan beoordelen we of het werkbaar is of niet.
Volgens mij was ik gebleven bij drugsafval en waterkwaliteit. Regelmatig valt mij de mond open wanneer ik hoor dat er door onderzoek in het riool ontdekt wordt hoeveel drugs er in een bepaalde regio gebruikt worden. De verwondering zit 'm dan met name in de betreffende regio en de hoeveelheid. Ik hoop dat ze in een andere commissie werk maken van het terugdringen van drugsgebruik, wat het CDA betreft liever gisteren dan vandaag, maar we hebben het in deze commissie over water en de kwaliteit daarvan. Kan de minister schetsen wat ervoor nodig is om deze afvalbron niet in het oppervlaktewater te krijgen?
Elk gesprek dat ik voer over waterkwaliteit, wekt eenzelfde type vraag op. Of het nu gaat over de waterwinbedrijven of bijvoorbeeld de waterbouwers, de vraag is: geef ons de mogelijkheid ons werk te doen en voorkom onmogelijke regelgeving. Een voorbeeld is een baggerbedrijf dat er kortstondig voor kan zorgen dat de waterkwaliteit door beroering van de boden verslechtert. We weten dat dit valt onder de nieuwe uitzondering in Europa, maar hoe implementeer je deze versoepeling in Nederland? Hoe zorg je dat het zo geïmplementeerd wordt dat er geen vertraging bij projecten optreedt? Graag een reflectie van de minister.
Voorzitter. Mijn laatste punt gaat over de beschikbaarheid van water. Het betreft de beschikbaarheid van drinkwater, maar ook van zoet water voor het laten groeien van onze gewassen. We lezen en horen de zorgen van onze deltacommissaris. Met betrekking tot de beschikbaarheid heb ik de volgende opmerking. In mijn lagereschooltijd was er een campagne om water te besparen. Ik kan me de stickers nog voor de geest halen. Tegenwoordig is alles in onze keukens in stijl, maar in die tijd kon je nog een sticker in een keuken of op een wc-tegeltje plakken. Volgens mij stond er een waterdruppel of een kraan op, met de tekst "water is van iedereen", "denk aan je toekomst", "douche kort" of "laat de kraan niet lopen". Ik heb gelezen dat we nu ook midden in zo'n campagne zitten, maar ik hoor en lees niets. Een sticker op de designtegeltjes hoeft van mij niet, maar er zijn toch voldoende manieren om hier aandacht voor te vragen? Kan de minister toezeggen om meer werk te maken van deze campagne? Ik las dat er begin 2026 actie op wordt gezet, dus ik ga het in de gaten houden.
Mijn tweede punt is de lastige vergunningverlening in verband met de bezwaarprocedure bij de uitbreiding van drinkwaterbedrijven. Zou de minister hier een reflectie op kunnen geven en in kaart kunnen brengen hoe eindeloze bezwaarprocedures ingeperkt zouden kunnen worden?
Dan het laatste bij dit punt. Wat is het mooi dat ze toch weer een stap naar voren zetten. Brabant Water is al bezig om te onderzoeken hoe we drinkwater kunnen produceren uit brak water. Dat is een prachtig voorbeeld van onderop met oog voor de grote opgave.
Als derde de zoetwatervoorziening.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft de heer Heutink een vraag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik vind het wel mooi: het CDA dat de minister vraagt om stickers te plakken en campagnes uit te voeren. Dat is natuurlijk een leuk idee, maar het is zinloos. Kijk bijvoorbeeld naar de campagne Spitsmijden. Dat is ook zo'n succesverhaal geweest. Denkt het CDA niet dat opnieuw een campagne allemaal wel leuk is, maar dat dat gewoon weggegooid geld is en dat we dat geld beter kunnen investeren in echte maatregelen?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik vind dit een heel mooie vraag. Toen die stickers er waren … Van mij hoeven die stickers niet. Het mag ook op een andere manier. Ik zei al dat het niet zo in deze tijd past. Inmiddels ben ik iets ouder. Ik zei "in mijn jeugd". Dat is een tijdje geleden — ik zal u niet precies vertellen hoelang geleden — maar ik weet het nog precies, dus het heeft wel indruk gemaakt. Je moet dat in deze tijdsgeest zien en daar een campagne op maken. Maar ik zie en hoor helemaal niks, meneer Heutink. Het begint toch bij de basis? Ik zei weleens, als voorbeeldje: toen mijn kinderen klein waren, was ik heel enthousiast om die badjes maar te vullen met kraanwater. Dat doe je gewoon gedachteloos. Maar als je denkt aan dit soort voorbeelden en je weet hoeveel tekorten er op ons pad komen, zou ik er maar aandacht voor vragen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Het CDA trapt blijkbaar in het frame dat er een tekort is aan water. Maar snapt het CDA dan niet dat we als de wiedeweerga nieuwe waterwinbronnen moeten gaan aanleggen en dat de vergunningstermijnen daarvoor drastisch moeten worden ingekort, dat dat de manier is waarop we meer drinkwater kunnen genereren? Dan hoeft het CDA als gezinspartij de mensen die hun zwembadje willen vullen met normaal water hun dat niet af te pakken.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik pak niks af, hoor. Dat valt reuze mee. Alleen, u wilde uw interruptie plegen, en toen heeft u, denk ik, het tweede deel van mijn verhaal niet gehoord. Dat is wel een beetje jammer. Volgens mij ging het daarin over de procedures en over de bezwaarprocedure als er nieuwe drinkwaterlocaties moesten komen. Volgens mij is het een en-enverhaal en kunnen ze beide. Maar het zou zonde zijn als we niet met z'n allen een beetje secuurder met water omgaan om te voorkomen dat, mocht het toch niet lukken met die procedures, we een tekort aan drinkwater krijgen. Voordat ik hier kwam als Kamerlid, ben ik op bezoek geweest bij het waterwinbedrijf. Ik ben geschrokken van hoe het er in de toekomst uit zou kunnen zien.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Heutink.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Natuurlijk moeten we allemaal een beetje opletten met wat we doen. Helemaal mee eens! Maar wat ik hoop en eigenlijk ook verwacht van het CDA is dat ze de vrijheid van de mensen niet gaan inperken, dus dat ze de mensen met rust laten en niet met allerlei maatregelen gaan dwingen om maar te bezuinigen. Ik hoop niet dat dat een route is die het CDA wil gaan bewandelen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Toen ik jong was, heb ik dat nooit als dwangmatig ervaren. Het is een stukje bewustwording. Volgens mij kan er toch niemand op tegen zijn om bewuster om te gaan met iets wat heel belangrijk is voor een inwoner van Nederland. Volgens mij kun je daar nooit op tegen zijn.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Volgens mij was ik bij de zoetwatervoorziening. Dan grijp ik weer even terug op mijn praktijkervaring als wethouder. Onze gemeente lag op de bodem van de Friese badkuip. U kent vast het plaatje van de badkuip, met aan de ene kant de hoge zandgronden die aan het verdrogen zijn en aan de andere kant de verzilting van de kleigronden. In datzelfde plaatje wordt de oplossing geschetst, namelijk in de veengronden slootpeilverhoging realiseren zodat er via het grondwater tegendruk komt richting de zand- en de kleigronden. Hierdoor blijft er meer water voor de zandgronden beschikbaar en vindt de verzilting minder snel plaats.
Voorzitter. Ik ben zeker geen ontkenner van dit fenomeen, maar in deze hele oplossingsrichting, ook beschreven in het Deltaprogramma, mis ik samenwerking met de landeigenaren: de boeren en de TBO's. In Fryslân mocht ik meewerken aan het Veenweideprogramma. Helaas verdwenen de transitiegelden NPLG bij het aantreden van het huidige demissionaire kabinet. Stel dat deze middelen wel beschikbaar waren gebleven in deze regeerperiode, dan hadden er mooie stappen gezet kunnen worden, bijvoorbeeld in het Veenweideprogramma samen met de boeren, de natuur, provincie, waterschappen en gemeenten. Er was dan wel één belangrijk uitgangspunt: het heeft alleen kans van slagen wanneer de praktijkkennis van de grondbezitters — lees: boeren en TBO's — zwaar meeweegt bij de besluiten die je neemt. Dat betekent dat ook proeven, bodemgesteldheid en alternatieve oplossingsrichtingen geborgd moeten worden. Water laat zich namelijk niet sturen. Daarom heb ik de volgende vraag aan de minister. Is de minister het met mij eens dat juist de kennis van de grondgebruikers als input gebruikt moet worden om tot oplossingen te komen? Ik hoor graag een reactie.
Afrondend. We staan voor grote opgaven op het gebied van water, zowel financieel als op het gebied van kwaliteit, beschikbaarheid en klimaatadaptatie. Laten we in deze periode samen de schouders eronder zetten. Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Heutink van de Groep Markuszower.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Bij ieder nieuw debat over het water wordt het weer iets spannender, want ieder nieuw debat betekent een stap dichter bij de deadline van de doelen van de Kaderrichtlijn Water van 22 december 2027. Elke keer als we opnieuw een debat hebben over het water, begin ik mij meer en meer zorgen te maken, niet zozeer over de kwaliteit van ons water als wel over de gigantische consequenties. Nederland zit straks met een megagroot probleem. Het waterslot komt eraan, en ik waarschuw al jaren voor de consequenties. Als u denkt dat het stikstofdrama al erg was, dan heb ik echt slecht nieuws voor u, want de consequenties van het niet halen van de Kaderrichtlijn Water zullen nog veel en veel groter zijn. Ongeveer 20% van het hele oppervlak van Nederland bestaat uit water, dus reken er maar op dat alles en iedereen de gevolgen gaat ondervinden van het niet halen van de Kaderrichtlijn Water. Werkelijk alles zal geraakt worden door het aanstaande waterslot.
Voorzitter. Natuurlijk willen wij ook dat ons water schoon is en natuurlijk zijn wij voor het verbeteren van de waterkwaliteit, maar we moeten wel een beetje realistisch blijven met elkaar. Om maar een heel simpel voorbeeld te noemen: in een klein dorpje in Twente stroomt vanuit Duitsland water Nederland in via de grensoverschrijdende rivier die de Dinkel heet. Zodra je langs de Dinkel loopt richting Duitsland en de grens oversteekt, dan zijn de waarden helemaal top. Dan is er helemaal niks aan de hand. Maar zodra je weer terug loopt langs dat water, de Nederlandse grens over, wordt precies datzelfde water afgekeurd. Aan de ene kant is het prima, maar aan de andere kant zorgt precies datzelfde water ervoor dat we onszelf opnieuw in een stikstofcrisis wanen. Mijn vraag aan de minister is: wanneer gaan we iets doen aan de nationaal vastgestelde normen binnen de Kaderrichtlijn Water? Wat heeft de minister concreet nodig, van ons als Kamer of van andere partijen en medeoverheden, om dit te bewerkstelligen? Ik weet dat we één keer in de zoveel tijd de nationale normen kunnen herzien. Daar hoor ik dus graag meer over.
Ik zie dat meneer Schutz een vraag heeft.
De heer Schutz (VVD):
Meneer Heutink, is het antwoord hierop dan niet dat dat juist een fantastisch voorbeeld is van simplificatie, van regels afstemmen en misschien wat schrappen?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Als "simplificatie" dat betekent, kunnen we elkaar helemaal vinden. Dan hoop ik dat ik samen met meneer Schutz misschien een aantal voorstellen kan indienen om de nationale normen te versoepelen. Daarmee ga ik heel graag met hem aan de slag. Dat is een mooie stap, denk ik.
Voorzitter, ik ga verder, want volgens mij zijn de vragen beantwoord. Ik weet dat dit WGO over veel meer mag gaan dan alleen de waterkwaliteit en de Kaderrichtlijn Water, maar ik ga het vandaag toch alleen daarover hebben, want de tijd dringt. We hebben nog iets meer dan een jaar. We moeten in actie komen, want anders hebben we straks — ik zei het net al — een heel groot probleem. In al die jaren dat ik debatten heb gevoerd over de waterkwaliteit — en ik volg dit dossier nog langer dan dat — staat de teller nog steeds op nul: nul oppervlaktewateren voldoen op dit moment aan de Europese normen ten aanzien van waterkwaliteit. Dat is al jaren zo. Tuurlijk zien wij dat de minister trots rapporteert dat het doelbereik wat groter is geworden. Ik hoorde net: richting de 80%. Ik geloof ook echt dat er vooruitgang wordt geboekt. Ik zie ook echt dat mensen daar hard mee aan de slag zijn; dat moet ook. Echter, de realiteit is dat we op dit moment op alle wateren in Nederland worden afgekeurd. We halen nog steeds een onvoldoende. Ik hoorde iemand net al zeggen: we halen nu een 8. Maar zelfs een 8 is bij de Europese Commissie een onvoldoende. Dat is precies waar de schoen wringt. Dat is het "one out, all out"-principe. Ook dat zeg ik niet voor de eerste keer.
Heel eerlijk — dat zeg ik ook tegen de minister — schrok ik me rot toen ik de brief van de minister las over de kwaliteit, niet zozeer omdat er hele schokkende dingen in stonden, maar omdat het leek en lijkt alsof hij de onrust een beetje de kop aan het indrukken is. De minister schrijft in zijn brief: "De Commissie rekent landen overigens niet af op het resultaat van de waterkwaliteit op basis van het "one out, all out"-principe. Dat geldt ook voor de eigen vergunningverlening. Daarbij wordt de toestand van de afzonderlijke parameters als vertrekpunt genomen." Als dit geen complete onzin is, is het op z'n minst erg misleidend. Allereerst is de Kaderrichtlijn Water gebouwd rondom het "one out, all out"-principe. Dit principe is juridisch bindend en verankerd in de richtlijn van de Europese Unie. De herziene Kaderrichtlijn Water verandert daar helemaal niets aan. Deze voegt alleen een nieuwe meetmethode toe als presentatie. Sterker nog, de minister noemde zelfs one out, all out een wijze van presenteren, terwijl het gewoon een juridisch bindend middel is. Maar de juridische consequenties van het feitelijk niet halen van de Kaderrichtlijn Water zullen dus gewoon blijven bestaan. Het "one out, all out"-principe is hier. Zolang we niet samen met andere landen om tafel gaan om dit dwangmiddel van tafel te krijgen, zal het hier ook blijven.
Voorzitter. Ik wil graag een antwoord van de minister op de vraag of een water, in het scenario dat één stof niet voldoet, wordt goedgekeurd binnen de KRW en of er dan vergunningen kunnen worden afgegeven, uiteraard met inachtneming van het Wezerarrest van het Europese Hof uit 2015 en de daaropvolgende jurisprudentie uit de zaak bij het Hof van Justitie van de EU uit 2022. Dit Wezerarrest is namelijk van wezenlijk belang als het gaat om het afgeven van vergunningen. Dit Wezerarrest is eigenlijk niets minder dan het verslechteringsverbod. Met andere woorden, als er dus een activiteit vergund moet worden, waardoor de waterkwaliteit er mogelijk op achteruit kan gaan, is het: zeg maar toedeledokie tegen je vergunning. Dat klinkt nu al als het stikstofdrama, om iedereen maar even te helpen herinneren. Ik weet niet of minister Tieman dit herkent, maar een van zijn voorgangers schreef in 2022 over datzelfde Wezerarrest dat Rijkswaterstaat concludeert dat het arrest projecten bij waterschappen kan raken, met risico voor doorlooptijd en de kosten van projecten, vergunningverlening en onderhoud. Dat klinkt al heel erg ingewikkeld.
Voorzitter. Ik ga het even concreet samenvatten en dan hoop ik dat de urgentie duidelijk is. We hebben een Europese richtlijn die ons uiteindelijk zal gaan afrekenen op de kwaliteit van ons water. Meer dan 100.000 parameters in ons water moeten zich in goede toestand bevinden. Per oppervlaktewater — dat zijn er meer dan 700 — zijn dat er gemiddeld zo'n 140 die zich stuk voor stuk, een voor een, allemaal in goede toestand moeten bevinden. Als één stof niet voldoet in een specifiek water, dan wordt dit waterlichaam afgekeurd, omdat het "one out, all out"-principe nog steeds juridisch bindend is. Mochten alle maatregelen dan toch, wonder boven wonder, hebben geholpen, dan hebben we bij dat water nog steeds te maken met het verslechteringsverbod, waardoor vergunningen een groot probleem kunnen gaan worden. Als je denkt dat dit alles is: we hanteren dus ook nog eens strengere normen dan onze buurlanden. Ben ik dan de enige die ziet dat we frontaal op een muur aan het afstormen zijn en dat dit gewoon helemaal misgaat? Ik zie mevrouw Van der Plas nee schudden. Het is goed nieuws dat ik niet alleen sta in dit verhaal.
Voorzitter. Mijn vraag aan de minister is heel erg simpel. Is er al een noodscenario? Ligt er nu, zoals ik eerder heb gevraagd, een concreet plan van aanpak om te voorkomen dat Nederland opnieuw in een stikstofcrisis belandt? Liggen er al voorstellen op tafel om de normen te versoepelen? Hebben we per oppervlaktewater tot in de kleinste details in kaart wat er moet gebeuren op het moment dat een water wordt afgekeurd binnen de Kaderrichtlijn Water? Zijn alle juridische uitzonderingsprocedures per oppervlaktewater, per parameter, met alle na-ijleffecten, tot in detail in kaart? Hebben we zicht op de effecten van de vergunningverlening, de consequenties voor het bouwen van woningen en de aanleg van nieuwe infrastructuur? Ik kan zo nog duizend van dit soort vragen verzinnen. Dat komt doordat we gewoon geen antwoord hebben op alle vragen. Ik hoop wel dat het zo duidelijk is. Het was een klein lesje Kaderrichtlijn Water voor al mijn nieuwe collega's. Maar ik hoop dat dat minister, ondanks zijn inzet en alle medewerkers die zich inspannen voor het verbeteren van de waterkwaliteit, nu toch echt eens aan de slag gaat om deze ramp in wording te voorkomen. Dat is namelijk wat het gaat worden.
Tot slot een paar woorden richting de minister. Ik wil de minister bedanken voor zijn inzet op dit waterdossier. Ik verwacht dat dit zijn laatste waterdebat is in deze Kamer. Heel veel dank voor de inspanningen. Ik wens de nieuwe minister van Infrastructuur en Waterstaat — misschien zit hij hier wel aan deze tafel; we gaan het meemaken — alvast heel erg veel sterkte met dit ontzettend complexe, maar toch heel erg belangrijke dossier. Het zal niet makkelijk zijn, maar we moeten wel aan de slag, want we moeten als de wiedeweerga nieuwe woningen, nieuwe infrastructuur en nieuwe drinkwaterbronnen gaan aanslaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Lid Kostić heeft een vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja, ik heb toch een vraag. Ik heb mijn collega in eerdere debatten op dit punt uitgedaagd. Los van die specifieke doelen — die zetten we even opzij — weten we dat het niet heel goed gaat met de kwaliteit van onze wateren. Het kost dus het waterbedrijf steeds meer geld om het water te zuiveren. Dat komt uiteindelijk op het bordje van de gewone burger, van de belastingbetaler, van de kiezer van mijn collega. Mijn concrete vraag aan mijn collega is dus welke stappen hij wil zetten om juist te voorkomen dat het water verder vervuild wordt. Kan hij daar drie voorbeelden van noemen?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik ga niet drie voorbeelden geven omdat het lid Kostić dat zo graag wil, en ook geen twee. Ik ga het even heel simpel uitleggen. Feit is dat we een heel actieplan hebben om de waterkwaliteit te verbeteren en om de doelen van de Kaderrichtlijn Water te halen. Ik heb in het coalitieakkoord gelezen dat er 250 miljoen per jaar wordt gereserveerd om nog wat meer te doen. Dat is overigens veel te laat. En we moeten wat gaan doen aan de lozingen. Daar ben ik het mee eens, want het water moet gewoon schoon zijn. Zoals ik net in mijn bijdrage al heb gezegd: ook wij vinden dat het water schoner moet worden. Gaan we daarin zo ver als de Partij voor de Dieren, zodat we daarmee ook een groot economisch probleem over ons afroepen? Nee. Dat gaan we niet doen. We gaan weloverwogen bekijken wat we kunnen doen en wat de effecten daarvan zijn voordat we overgaan tot zo'n stap. Maar feit is: het water moet schoner. Er zijn plannen. Daar wil ik het eigenlijk bij laten.
De voorzitter:
Tot slot, lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik voel een beetje ongemak bij mijn collega. Vindt mijn collega de plannen die er nu liggen dan goed genoeg?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Als de plannen goed genoeg waren geweest, had ik geen noodkreet geuit over het al dan niet halen van de Kaderrichtlijn Water. Als de plannen goed genoeg waren geweest, dan hadden we in 2027 de doelen van de Kaderrichtlijn Water gehaald. Dan hadden we nu niet 80% doelbereik gehad, maar dan hadden we nu op z'n minst al in de buurt van 95% moeten zitten, willen we het over anderhalf jaar halen. Dan hebben we weliswaar nog na-ijleffecten en wat uitzonderingsgronden waar we wat mee kunnen, maar de vraag is of we dat überhaupt voldoende in kaart hebben en of we straks dan niet gewoon te laat zijn. Mijn vrees is oprecht dat we straks te laat zijn en dat we, net als bij de stikstofcrisis, dit allemaal weer laten gebeuren; ik hoop dat iedereen hier dat ook echt in zijn oren gaat knopen. Wat hebben we dan? Dan kunnen we nog niks. Dan kunnen we allemaal mooie plannen gaan verzinnen met elkaar, maar dan houdt het gewoon op. Dan kunnen we beter naar huis gaan, want dan zijn we gewoon te laat.
De voorzitter:
Dan is het woord aan mevrouw Van der Plas, BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter, dank u wel. Water is van levensbelang voor mens, natuur, economie en de voedselproductie. BBB hecht daarom groot belang aan schoon en voldoende water, maar wel op een manier die eerlijk, uitvoerbaar en proportioneel is. Waterbeleid moet bijdragen aan daadwerkelijke verbetering van de waterkwaliteit en aan het beschikbaar houden van voldoende water, niet aan het verder vastzetten van Nederland en ook niet aan het eenzijdig afschuiven van problemen op boeren en andere gebruikers van het landelijk gebied. BBB maakt zich daar namelijk grote zorgen over, want we zien dat de waterkwaliteit de afgelopen jaren steeds vaker wordt ingezet als een nieuw juridisch slot, boven op stikstof, natuur en klimaat. De optelsom van al deze dossiers dreigt onhoudbaar te worden. BBB wil voorkomen dat waterbeleid verwordt tot een nieuw generiek afrekeningsinstrument waarbij vooral de landbouw wordt aangesproken, terwijl andere bronnen en de internationale context structureel onvoldoende worden meegewogen.
Voorzitter. Uit diverse rapportages blijkt dat de waterkwaliteit in Nederland op onderdelen daadwerkelijk verbetert. Tegelijkertijd liggen er nog grote opgaven. Dat ontkent BBB niet. Ons baart echter zorgen dat in het beleid de nadruk vrijwel automatisch en eenzijdig komt te liggen op nutriënten uit de landbouw, terwijl andere aantoonbaar relevante bronnen structureel onderbelicht blijven. Zo weten we dat een aanzienlijk deel van de nutriënten en de chemische belasting van het oppervlaktewater afkomstig is van riooloverstorten bij piekbuien, verouderde rioolwaterzuiveringsinstallaties, industriële lozingen, historische vervuiling in de bodem en waterbodems, medicijnresten en stoffen zoals pfas. Daarnaast speelt zwerfafval een steeds grotere rol. Ook de buitenlandse aanvoer via grote rivieren als de Rijn, de Maas, de Schelde en de Eems, maar ook via de kleinere wateren, is van grote betekenis. Dat zijn rivieren waar Nederland zelf nauwelijks invloed op heeft, maar waarop sectoren wel volledig worden afgerekend. Uit een herberekening die recent is gepubliceerd, blijkt bovendien dat het aandeel van de landbouw in de totale nutriëntenbelasting van het water structureel lager ligt dan jarenlang is aangenomen. Op basis van geactualiseerde cijfers blijkt dat eerdere ramingen het landbouwaandeel fors hebben overschat, terwijl andere bronnen onvoldoende zijn meegenomen.
Dat beeld wordt versterkt door de gang van zaken rond de zogenaamde met nutriënten verontreinigde gebieden. Eind 2023 publiceerde het ministerie van Landbouw onder leiding van het vorige kabinet een kaart met deze gebieden. Die kaart oogstte heel veel kritiek, en terecht. De kaart was namelijk gebaseerd op een bronnenanalyse uit 2016, die op haar beurt weer was gebaseerd op data uit de periode 2010-2013. Met een rekenmodel — daar gaan we weer met de modellenwerkelijkheid — werd toen vastgesteld welk aandeel van de stikstofbelasting aan welke bron kon worden toegerekend. Daarbij werd ongeveer 40% van de stikstof toegeschreven aan bemesting vanuit de landbouw. De huidige landbouwminister heeft vervolgens terecht aangekondigd deze kaart te vervangen door een nieuwe kaart met aandachtsgebieden, in samenhang met het achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn. Voor die nieuwe kaart is de bronnenanalyse recent geactualiseerd. En wat blijkt? Het berekende landbouwaandeel in de stikstofbelasting is duidelijk flink verminderd. Dat is geen detail; dat is echt een fundamenteel andere werkelijkheid.
Toch heeft de Kamer vorige maand deze actualisatie, en daarmee eerlijker beleid gebaseerd op betere cijfers, tegengehouden. Dat betekent dat boeren op dit moment te maken hebben met watermaatregelen die zijn gebaseerd op aannames en cijfers waarvan inmiddels bekend is dat ze niet kloppen. Dat is niet alleen politiek heel ongelukkig; dat is ook inhoudelijk heel kwalijk en dan druk ik me nog licht uit. Kan het kabinet bevestigen dat uit een geactualiseerde bronnenanalyse blijkt dat het landbouwaandeel in de nutriëntenbelasting veel lager ligt dan eerder werd aangenomen? Kan het kabinet aangeven of het beleid, de regels en de verplichtingen waar boeren nu mee te maken hebben anders zouden zijn geweest als vanaf het begin met deze juiste cijfers was gerekend? Wat was er nu anders geweest in welk gebied als bij de aanwijzing actuele data gebruikt waren? Welke consequenties verbindt het kabinet hieraan voor het huidige waterbeleid en de lopende maatregelen?
Voorzitter. Ook officiële rapportages van onder meer Rijkswaterstaat en Deltares laten zien dat in grote rivieren een aanzienlijk deel van de stikstof- en fosforbelasting afkomstig is uit het buitenland. Voor de Rijn en de Maas gaat het om substantiële percentages die via Duitsland en België ons watersysteem binnenkomen. Toch verdwijnen deze bijdragen in de beleidskeuzes vaak naar de achtergrond of worden ze toegerekend aan de landbouw, waardoor nationale sectoren volledig worden aangesproken op het niet behalen van de doelen. BBB mist in het huidige waterbeleid een echte bronaanpak. Niet alles wat in het water zit, komt van het land. Niet alles wat van het land komt, komt van de boeren. Niet alles wat Nederland meet, is door Nederland veroorzaakt. Toch worden maatregelen vaak generiek opgelegd aan één sector, zonder dat helder is welk probleem daar nou precies mee wordt opgelost. Kan het kabinet aangeven hoe wordt geborgd dat onjuiste of verouderde aannames over bronbijdragen, waaronder de overschatting van het landbouwaandeel in de nutriëntenbelasting, niet doorwerken in vergunningverlening, handhaving en rechterlijke toetsing onder de Kaderrichtlijn Water? Hoe wordt voorkomen dat individuele boeren juridisch worden aangesproken op milieuproblemen waarvan de oorzaak aantoonbaar breder is of deels buiten Nederland ontstaat?
Voorzitter. Het achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn bevatte een duidelijke koerswijziging ten opzichte van eerdere actieprogramma's. Voor het eerst werd niet automatisch gekozen voor verdere aanscherping, maar werd expliciet gekeken naar verlichtingen daar waar dat aantoonbaar mogelijk was. Het achtste actieprogramma markeerde daarmee een noodzakelijke omslag: weg van die steeds nieuwe generieke maatregelen en juist koers zetten richting maatwerk en differentiatie. BBB vindt dat een verstandige koers, want we moeten stoppen met het telkens opleggen van nieuwe verplichtingen terwijl eerdere maatregelen nog niet eens goed zijn geëvalueerd. Zoals eerder benoemd, is het aandeel van de landbouw in de nutriëntenbelasting lange tijd overschat geweest. Tegelijkertijd weten we nog onvoldoende of de maatregelen uit het zevende actieprogramma überhaupt het beoogde effect hebben gehad op de waterkwaliteit. Het is dan ook niet uitlegbaar om nieuwe verplichtingen op te leggen terwijl de effectiviteit van bestaand beleid nog niet is vastgesteld. Ik vind dat een gemiste kans.
Voorzitter. Een andere gemiste kans is het feit dat Nederland nog steeds het volledige grondgebied aanwijst als kwetsbare zone. Al jarenlang wijst Nederland het hele grondgebied aan als kwetsbare zone onder de Nitraatrichtlijn, alsof elk gebied hetzelfde is, alsof overal dezelfde problemen spelen en alsof maatwerk niet bestaat. Maar dit beeld klopt niet. Dat staat nu ook gewoon zwart-op-wit. Het CDM-advies — CDM staat voor de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet — laat zien dat in klei- en veengebieden de nitraatconcentratie in het grondwater al jaren onder de norm ligt. De waterkwaliteit is daar op orde. Dat is geen verwachting, dat is geen model: dat is een feit. Tegelijkertijd lezen we in datzelfde rapport dat de bijdrage van deze gebieden aan de nutriëntenbelasting van Noordzee zeer beperkt is. Het grootste deel van die belasting komt uit het buitenland. Extra nationale maatregelen in deze gebieden leveren dus nauwelijks milieuwinst op, maar hebben wel enorme gevolgen voor boeren en de ruimte om te ondernemen, maar ook voor onze voedselvoorziening.
Dan wordt vaak gewezen op eutrofiëring, oftewel vermesting. Maar ook daar is het beeld genuanceerder dan soms wordt geschetst. De CDM geeft aan dat het in klei- en veengebieden voor een groot deel gaat om een mógelijk risico, niet om een vastgesteld en actueel probleem. En toch worden op basis van die risico-inschattingen generieke maatregelen opgelegd. Dat is gewoon niet proportioneel, zeker niet al je kijkt naar wat allemaal al geregeld is. We hebben mestnormen, we hebben gebruiksnormen, we hebben fosfaatrechten. Daarbovenop komen nog de maatregelen uit de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel, die de stikstofemissies naar de lucht verder gaan beperken. Die samenhang zien we nauwelijks terug in de afwegingen.
Voorzitter. Europa verplicht Nederland om het hele land als kwetsbare zone aan te wijzen. De ruimte is er om het anders te doen. Andere lidstaten maken daar ook gebruik van. Als de waterkwaliteit het toelaat — en dat laat deze hier toe — dan is het onze verantwoordelijkheid om die ruimte ook daadwerkelijk te benutten. Daar komt bij dat het beleid steeds meer inzet op doelsturing; dat betekent dat je individuele bedrijven kunt aanspreken waar dat nodig is, in plaats van hele gebieden collectief te bestraffen. De doelsturing is slimmer, rechtvaardiger en effectiever. Is de minister het daarmee eens?
Voorzitter. De conclusie voor de BBB is helder. De ruimte is er juridisch en inhoudelijk en de onderbouwing ligt op tafel. We zijn het dan aan Nederland en aan onze boeren verplicht om niet te blijven hangen in oude reflexen, maar dit in gang te zetten. Zo kan in klei- en veengebieden dan meer dierlijke mest, en daardoor minder kunstmest, gebruikt worden in de landbouw. Nú is de tijd. BBB heeft dit toen in het hoofdlijnenakkoord laten zetten en het gegeven dat er nu een nieuw kabinet komt, mag deze inzet niet stoppen. We moeten nu handelen. Wijs niet langer Nederland aan als kwetsbare zone. Doe dat zo snel mogelijk.
Voorzitter. De Nitraatrichtlijn is niet het enige Europees kader waarmee Nederland te maken heeft. Ook de Kaderrichtlijn Water is uit Europa afkomstig, maar ook hier geldt dat de uitwerking daarvan sterk per lidstaat verschilt. Nederland lijkt structureel te kiezen voor een strengere, juridisch meer risicomijdende interpretatie dan onze buurlanden. Dat leidt tot scheve concurrentieverhoudingen en onnodige nationale koppen. En nationale koppen zijn extra Nederlandse regels op bestaand Europees beleid. BBB ziet grote verschillen in normstelling en beoordeling tussen Nederland, België en Duitsland. In Vlaanderen en Noordrijn-Westfalen worden andere drempelwaarden gehanteerd, andere meetpunten gebruikt en vaker gewerkt met trendmatige beoordeling in plaats van absolute normoverschrijding.
Een illustratief voorbeeld zien we bij de grensoverschrijdende wateren met Duitsland. Mijn voorganger, de heer Heutink, heeft het hier ook al over gehad. Neem bijvoorbeeld de Dinkel. Op meerdere plekken wordt eenzelfde rivier of beek aan de Duitse zijde beoordeeld als voldoende of goed, terwijl datzelfde water direct na de grens aan Nederlandse zijde als matig of slecht wordt aangemerkt en daarmee rood kleurt op de kaart. Ik lach er een beetje bij, maar het is eigenlijk te zot voor woorden. Dat is ook waarom ik lach. Ik denk echt: waar zijn we in hémelsnaam mee bezig hier? Het water wordt niet slechter aan de grens, maar de norm verandert, de interpretatie verandert, de juridische gevolgen veranderen. De fysieke waterkwaliteit blijft gelijk, maar de Nederlandse beoordeling maakt het verschil. Dat verschil komt uiteindelijk volledig terecht bij de Nederlandse boeren en bedrijven. Kan het kabinet bevestigen dat deze verschillen in classificatie en normstelling zich voordoen aan de grens met Duitsland? Kan het kabinet alsjeblieft uitleggen waarom Nederland ervoor kiest om binnen de Europese bandbreedte strenger te zijn dan onze buurlanden, met alle juridische en economische gevolgen van dien?
Voorzitter. Dan de manier waarop Nederland rapporteert aan Brussel. BBB heeft daar ook wel vraagtekens bij. We zien namelijk dat Nederland zich structureel slechter presenteert dan nodig. Dat begint bij de normstelling en eindigt bij de rapportage richting de Europese Commissie. In Nederland werken waterschappen met zogeheten maatlatnormen, die zijn ontwikkeld door het kenniscentrum voor waterschappen, STOWA. Die normen zijn bedoeld als ecologisch onderbouwde richtwaarden binnen de Kaderrichtlijn Water. Deze maatlatten bieden expliciet ruimte om normen te corrigeren voor natuurlijke achtergrondconcentraties, zoals kwel op veenbodems, bodemsamenstelling en geochemische omstandigheden. Die ruimte ís er Europees ook. De Europese Commissie staat toe dat normen worden aangepast wanneer overschrijdingen aantoonbaar het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken en dus niet van menselijke belasting. Toch zien we dat deze ruimte in Nederland onvoldoende wordt benut. In plaats van normen te corrigeren voor de natuurlijke achtergrondvervuiling worden overschrijdingen vaak volledig administratief toegerekend aan menselijke bronnen en, jawel, in de praktijk vrijwel altijd aan de landbouw. Daarmee ontstaat er een vertekend beeld, zowel nationaal als richting Brussel. Dat beeld wordt vervolgens leidend in Europese rapportages, derogatiebesluiten en aanvullende opgaven. Ik zou graag hierop een reactie willen van de minister.
Voorzitter. We zien in Europese rapportages dat stoffen als zink, arseen, aluminium, kobalt, seleen en zilver belangrijke redenen zijn waarom waterlichamen als "niet voldoende" worden beoordeeld, terwijl bekend is dat deze stoffen in veel gebieden van nature voorkomen, bijvoorbeeld door kwel of bodemchemie. Als die natuurlijke bijdrage niet wordt gecorrigeerd, dan ontstaat er een vals negatief beeld van de waterkwaliteit. En dat heeft gevolgen. Dan lijkt het alsof Nederland structureel faalt op de Kaderrichtlijn Water, terwijl een deel van die overschrijdingen simpelweg niet maakbaar is. BBB vindt dat Nederland hiermee zijn eigen problemen vergroot, want als wij richting Brussel rapporteren zonder correctie voor natuurlijke oorzaken, zetten we onszelf klem en volgen er extra opgaven, strengere eisen en verdere juridische druk, terwijl de feitelijke milieuwinst gewoon ontbreekt.
Kan de minister toelichten waarom Nederland bij de rapportage aan Brussel onvoldoende gebruikmaakt van de mogelijkheid om normen te corrigeren voor natuurlijke achtergrondbelasting, terwijl die ruimte er expliciet wel is? Is het kabinet bereid om alle waterschappen te verplichten om expliciet te onderbouwen of correctie voor natuurlijke bronnen nodig is bij stikstof, fosfor en metalen, en om waar dat het geval is ook daadwerkelijk maatlatnormen toe te passen? En is het kabinet bereid om in beeld te brengen waar in Nederland overschrijdingen van de Kaderrichtlijn Waternormen aantoonbaar het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken, zodat we richting Brussel een eerlijk en feitelijk beeld geven in plaats van een structureel te negatief beeld?
De voorzitter:
Er is een interruptie van de VVD. De heer Schutz.
De heer Schutz (VVD):
Een vraag aan mevrouw Van der Plas. Ik snap haar betoog. Ik hoor het aan. Maar we zitten hier vandaag voor het onderwerp waterkwaliteit. Althans, het gaat over water, waar waterkwaliteit onderdeel van is. Waterkwaliteit en de Nitraatrichtlijn hebben elkaar voor de kerst heel dicht geraakt. Dus ik snap het op zich best. Alleen, als het gaat om de Nitraatrichtlijn, hebben we het over een ander departement, over LVVN. Is de consequentie dat we de discussie die we voor kerst gevoerd hebben, hier nu over gaan doen? Wat is de strekking van wat u eigenlijk vraagt?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik denk dat mijn vragen heel duidelijk zijn. Die heb ik net allemaal gesteld. De minister van Landbouw heeft met de Nitraatrichtlijn te maken, zeker. Maar de Nitraatrichtlijn en waterkwaliteit lopen door elkaar heen, die lopen gewoon door twee ministeries heen. Dat is de reden waarom ik hier die vragen stel aan deze minister. Voor mij is het belangrijkste dat we dit kromme beleid gaan stoppen. We moeten bezig zijn met de bigger picture, de grote lijn. Volgens mij moeten we niet gaan dimdammen over de vraag of het de minister van LVVN of de minister van IenW is die hier antwoord op moet geven. Daar gaat het helemaal niet om. We zetten ons hele land op slot. Ons hele land zit op slot. Ik heb hier heel veel voorbeelden genoemd van wat wij als Nederland zouden kunnen doen, maar wat gewoon niet gebeurt. Ik hoorde de heer Schutz net zeggen: ik wil wel samen optrekken om te kijken of we het allemaal kunnen simplificeren. Nou, ik heb dat hier gevraagd. Dus ik nodig de heer Schutz graag uit.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Schutz heeft een vervolgvraag.
De heer Schutz (VVD):
Ik vroeg het omdat er natuurlijk wel moties zijn ingediend, die ook zijn aangenomen, met als gevolg dat met name het nieuwe kabinet ermee aan de slag moet. De vragen die u stelt, zijn helder. Ik begrijp ook wel waarom u die vragen stelt. Het zijn geen onduidelijke vragen, maar mijn vraag aan u is wel: gaan we de discussie in het landbouwdebat van voor de kerst hier nu overdoen of laten we dit aan het volgende kabinet over?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou, de Kamer heeft gezegd dat het aan het nieuwe kabinet overgelaten moet worden, en wij hebben natuurlijk tegen die motie gestemd. Het achtste actieprogramma is nog steeds heel streng, hè, maar daar zaten wel versoepelingen in voor gebieden waarvoor dat mogelijk was. We hebben onszelf gewoon opnieuw op achterstand gezet, juist met wat ik hier allemaal genoemd heb, dus al die dingen die al kunnen. Dus ja, ik ga dat hier weer aan de orde stellen, maar feit is dat de motie een meerderheid had in de Tweede Kamer. BBB heeft ertegen gestemd en helaas is die motie toch aangenomen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Een klein puntje van orde: de LVVN-minister zou hier gewoon zijn op uitnodiging van de Kamer, juist omdat we die minister vragen wilden stellen omdat de landbouw zo'n knelpunt is bij oplossingen voor water. Ik zou de Kamerleden dus willen oproepen om elkaar hierin niet verder te beperken. De minister heeft gewoon geweigerd om hiernaartoe te komen, en deze minister heeft toegezegd om in haar plaats de vragen te beantwoorden.
De voorzitter:
Dan is er ook een vraag van mevrouw Vellinga-Beemsterboer.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Een kleine verduidelijkende vraag. Mevrouw Van der Plas triggert mij even met de opmerking over the bigger picture. Ik heb een vraag, op het risico af dat we het debat gaan overdoen, want dat is niet mijn bedoeling. U zegt aan de ene kant dat heel veel nog niet duidelijk is en dat heel veel nog niet getest is, maar u vraagt aan de andere kant wel om verruiming. Dat werkt wel twee kanten op. Mijn zorg zit in het volgende. Hoe zorgen we ervoor dat we ook langetermijnperspectief gaan waarborgen en niet te snel in ogenschijnlijke verruimingsmogelijkheden stappen?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wat ik hier zonet allemaal opnoemde, is gewoon allemaal concreet. Dat is gewoon concreet. Vorige week bleek bij de technische briefing dat 83% van onze wateren gewoon voldoet. En niet alles wat van het land komt, komt van de landbouw. Dat is ook gezegd. Ook komt niet alles wat hier in het water zit uit Nederland. Wij pleiten er gewoon voor om maatwerkbeleid te voeren, zodat we niet ons hele land op slot zetten. Echt, ik kan er gewoon niet bij dat andere partijen dat niet zien. Er wordt gewerkt met modellen en met zo'n kaartje — ik heb dat zonet in mijn tekst ook al genoemd — dat uiteindelijk gewoon bijgesteld is omdat er voor de huidige situatie data werden gebruikt uit 2010 en 2013. Uiteindelijk is dat bijgesteld. Wij willen toch gewoon goed beleid voor onze mensen in Nederland? We willen toch beleid dat uitvoerbaar en haalbaar is en recht doet aan degenen waar het om gaat? In dit geval zijn dat boeren, maar het gaat bijvoorbeeld ook om industriële bedrijven. We moeten toch gewoon zorgen dat we goed beleid hebben?
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Nee, daar kunnen we elkaar helemaal in vinden, maar juist daarom vraag ik het. Hoe zorgen we ervoor dat het langetermijnbeleid dan ook goed is? U zegt terecht dat die modellen verouderd zijn. Ik zou geen enkele industrie, of het nou de agrarische sector of de industriële sector is, nu willen opzadelen met richtlijnen die we over twee jaar weer moeten veranderen. Ik ben benieuwd naar de plannen van mevrouw Van der Plas daarvoor.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We hoeven helemaal niks te veranderen, want de Europese Commissie vraagt een aantal dingen niet van ons. Die doen wij zelf. Wij zeggen zelf "we gaan het allemaal nóg strenger doen" of "we gaan het op déze manier doen". Er zijn landen die dat niet doen. Ik noemde zonet het voorbeeld van de Dinkel. Aan de andere kant van de grens is de waterkwaliteit goed, omdat ze daar met andere normen werken, en aan onze kant is de waterkwaliteit slecht. Dat is juist het punt. Het is ook niet zo dat er verouderde modellen worden gebruikt. Er worden verouderde data gebruikt, die vervolgens in modellen worden gezet. Dat is het grote probleem.
De voorzitter:
Mevrouw Boelsma heeft ook een vraag.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik waardeer de bevlogenheid van mevrouw Van der Plas. Er zijn veel moties door de Kamer ingediend en er is in december geconstateerd dat de ministeries er onderling niet uitkwamen, waardoor het achtste actieprogramma er niet is gekomen. Wat is uw reflectie daarop vanuit uw partij, de BBB, die op dat moment met twee bewindspersonen aan zet was?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat vind ik vanzelfsprekend heel erg jammer, en dat had ook niet gehoeven. Het achtste actieprogramma had gewoon door gemoeten. Dat had voor heel veel boeren ... Dat zeg ik: het achtste actieprogramma was geen versoepelingsprogramma; daar zaten zeker aanscherpingen in. Voor plekken waarop het kon, zaten er versoepelingen in. Mijn grote zorg is dat die versoepelingen er straks niet gaan komen, terwijl dat wel gewoon kan.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Vindt u het wel mooi dat door de motie-Grinwis de doelsturing is gered?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Doelsturing staat gewoon in het hoofdlijnenakkoord. Dat is er door de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel gewoon in gezet. Er is dus helemaal geen sprake van dat dat "gered" is. Dat is gewoon beleid dat wij gingen uitvoeren. Ik hoop dat dat onder een volgend kabinet in stand kan blijven. Niet iedereen is daar even gelukkig mee. Voor een aantal boeren zitten er misschien ook wel wat haken en ogen aan. Ik snap dat boeren zich daar op sommige punten zorgen over maken, maar doelsturing betekent wel dat je de boer aan de knoppen zet. Dat is voor ons belangrijk. In plaats van dat de overheid zegt "dit en dat moet je doen om stikstof te reduceren", zit de boer nu zelf aan de knoppen en kan die, op de manier die het beste bij hem past, voldoen aan het reduceren van stikstof. Nog even los van het feit dat de stikstofproblemen hier in Nederland worden veroorzaakt door de stikstofwet en door wurgende extra regelgeving, maar dat terzijde.
De voorzitter:
Was u al klaar met uw betoog, mevrouw Van der Plas?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, voorzitter. Nog lang niet.
De voorzitter:
Vervolgt u alstublieft uw betoog.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Daarbij komt een tweede fundamenteel punt waar BBB vraagtekens bij zet, namelijk de diepte en locatie waarop wij meten. In Nederland worden nitraat en grondwater vaak gemeten vlak onder de wortelzone, soms op slechts 50 centimeter onder het maaiveld. Dat is precies de zone waar tijdelijke uitspoeling kan optreden, bijvoorbeeld direct na bemesting of bij hevige neerslag. Maar dat is niet de plek waar het grondwater wordt gewonnen voor drinkwater en het is ook niet de plek waar de Kaderrichtlijn Water primair over gaat als het gaat om de bescherming van strategische grondwatervoorraden.
Nitraat is bovendien een stof waar van alles mee gebeurt in de bodem. Het breekt af, wordt vastgelegd of wordt omgezet naar mate het dieper in de bodem komt, afhankelijk weer van het bodemtype, de beschikbaarheid van zuurstof en microbiologische processen. Door uitsluitend ondiep te meten, ontstaat er een momentopname die weinig zegt over de kwaliteit van het grondwater op grotere diepte, waar drinkwater wordt gewonnen en waar de langetermijnrisico's relevant zijn. BBB vindt het daarom problematisch dat op basis van ondiepe metingen zware conclusies worden getrokken over de algehele staat van het grondwater, en dat hier vergaande beleidsopgaven aan worden gekoppeld.
In Europese rapportages over derogatie en grondwaterkwaliteit is bovendien te zien dat Nederland zelf richting Brussel rapporteert dat het grondwater op grotere diepte lang niet overal even slecht is. Dat roept de vraag op waarom nationaal beleid wel wordt gebaseerd op deze meest ongunstige meetpunten. Kan het kabinet toelichten waarom Nederland ervoor kiest om primair te sturen op metingen vlak onder de wortelzone, terwijl bekend is dat deze metingen niet representatief zijn voor drinkwaterwinningen en diepe grondwaterlichamen? Is het kabinet bereid om bij de beoordeling en rapportage van de grondwaterkwaliteit structureel onderscheid te maken tussen ondiep grondwater en diep grondwater, en om beleidsconclusies primair te baseren op die lagen waar daadwerkelijke risico's voor drinkwater en ecosysteem bestaan? En kan het kabinet bevestigen dat het meten op grotere diepte, waar drinkwater wordt gewonnen, in veel gevallen een beduidend gunstiger beeld laat zien dan nu in het nationale beleid wordt geschetst?
Voorzitter. Ik ga nu even in op iets anders wat ook met water te maken heeft. Nederland behoort wereldwijd tot de top in de maritieme sector. Daar moeten we echt trots op zijn. Die positie is het resultaat van een eeuwenlange opbouw van kennis en kunde, van vakmanschap en van investeringen in de toekomst, van generatie op generatie. Wij weten dat de minister als voormalig maritiem officier een heel groot hart heeft voor de maritieme sector en dat hij zich daar keihard voor inzet. Die koppositie is echter allesbehalve vanzelfsprekend. De sector staat onder toenemende druk door oneerlijke internationale concurrentie en geopolitieke spanningen. Juist daarom zijn duidelijk en consistent beleid en een langetermijnstrategie die rust en duidelijkheid biedt aan de sector en inzet op structurele investeringen in onze maritieme infrastructuur cruciaal.
De scheepsbouw- en reparatiewerven zijn daarbij van strategisch belang. Als ze verdwijnen, komen ze niet terug. Dat raakt niet alleen onze havens en onze werkgelegenheid, maar ook onze nationale veiligheid. Het aandeel van de Nederlandse vloot in de wereldhandel loopt al terug. Het verdwijnen van werven zal die ontwikkeling alleen maar versnellen. Is de minister bereid om scheeps- en reparatiewerven expliciet op te nemen in een nationale havenstrategie?
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, ik ga even een punt van orde maken, want dit is geen onderwerp van het debat. Artikel 8.15 van het Reglement van Orde stelt dat we echt bij het onderwerp moeten blijven. Dit onderwerp hoort niet bij dit WGO Water, dus ik weet niet of u nog veel heeft, maar liever niet.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan ga ik met iets anders verder. Wat wel degelijk met water te maken heeft, zijn de problemen rond de watertaxi van Ameland. Nu de minister voornemens is om de vaarsnelheid in de nacht voor de watertaxi's te verhogen ...
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, ik ga u weer even onderbreken. Dat doe ik niet om u af te kappen, maar omdat dit onderwerp op donderdag 12 februari op de agenda van het commissiedebat Wadden staat. Bewaar die tekst dus liever voor dan, want dan kunnen de anderen ook met u meediscussiëren. Dan hebben zij zich namelijk ook voorbereid.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb dit onderwerp meegenomen omdat ik meen dat de minister volgende week maandag een bezoek gaat brengen aan Ameland. Dat is weliswaar voor het debat, maar ik wil hem hier eigenlijk graag nog wat meegeven voor het bezoek dat hij gaat brengen aan de Wadden. Volgens mij bestaat er over de watertaxi wel brede consensus, dus is dat hier geen onderwerp van grote discussie.
De voorzitter:
Nee, dat klopt. Sterker nog, het is vorige week aan de orde geweest, bij het commissiedebat Maritiem. Toen zijn er ook aanbevelingen meegegeven aan de minister. Dus én dat is geweest én dat komt nog. Ik zou u echt willen verzoeken om u te houden aan het onderwerp van deze vergadering. Die staat weliswaar tot 17.00 uur ingepland, maar dat is geen uitnodiging om eindeloos allerlei onderwerpen erbij te halen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, dat klopt. Dan wil ik daar één vraag over stellen. Mocht die al gesteld zijn: ik zat toen in een ander debat, dus ik was daar niet bij. Ik heb begrepen dat er een ecologische toets gaat komen. Ik zou graag willen weten waar die ecologische toets uit gaat bestaan. Als die vraag al beantwoord is, hoor ik dat graag, want dan ga ik dat in de Handelingen opzoeken.
De heer Schutz (VVD):
Als antwoord, om mevrouw Van der Plas gerust te stellen: ik heb een toezegging gevraagd en ook gekregen van deze minister dat hij de ecologische toets als een maatwerkvraag neerlegt bij de minister van LVVN.
De voorzitter:
Dat ter verduidelijking. Mevrouw Van der Plas, gaat u verder met uw betoog.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik ga verder.
Voorzitter. Wij zijn positief over het akkoord in Brussel om de waterkwaliteit niet langer uitsluitend te beoordelen volgens het "one out, all out"-principe, maar om ruimte te bieden voor een aanvullende methodologie die vooruitgang ook zichtbaar maakt. Tegelijkertijd is het voor BBB van groot belang dat deze nieuwe aanpak niet alleen maar op papier bestaat. Kan de minister aangeven wanneer deze methodologie wordt geïmplementeerd, hoe die er concreet uit gaat zien en wat die betekent voor de Nederlandse praktijk?
BBB vindt het essentieel dat zichtbaar wordt waar daadwerkelijk verbeteringen worden gerealiseerd, zodat beleid eerlijker en realistischer kan worden ingezet. In de Miljoenennota is 294 miljoen euro beschikbaar gesteld voor waterkwaliteitsmaatregelen, waaronder het aanleggen van nessen en vispassages, specifiek ten aanzien van de problematiek rondom de rivierkreeft. Mijn vraag is of in dit kader ook de moties-Van der Plas zijn meegenomen, zowel als het gaat om het verder in kaart brengen van de problematiek als om de oproep aan waterbeheerders om waterbarrières voor de paling ook aan te pakken.
Dan nog even over de Kaderrichtlijn Water. Ik wil het een en ander nog wel benadrukken. We kennen inmiddels de uitzonderingsmogelijkheden: doelfasering, doelverlaging, overmacht en groot maatschappelijk belang, aangevuld met de in het afgelopen najaar in Brussel besloten uitbreidingen. Kan de minister aangeven hoe deze uitzonderingen in de praktijk worden toegepast en hoe wordt voorkomen dat waterbeheerders klem komen te zitten tussen de juridische verplichtingen en de maatschappelijke realiteit?
Voorzitter. Dan het Hoogwaterbeschermingsprogramma. De alliantie van het Rijk en de waterschappen werkt al tien jaar samen. Er is veel bereikt, maar we zien ook dat de kosten harder stijgen dan de inflatie, dat mijlpalen niet altijd worden gehaald en dat doelmatigheidsprikkels niet altijd effectief zijn. Welke concrete verbeteringen ziet de minister om dit programma beheersbaar, doelmatig en solidair te houden richting 2050?
Dan het Grevelingenmeer. Dat is een complex dossier, met grote belangen en de zeespiegelstijging in het vooruitzicht. Er liggen drie toekomstrichtingen op tafel: een doorlaatmiddel in de Brouwersdam, verzoeting van het meer of het volledig weghalen van de dam. BBB wil realistisch én constructief zijn. Daarom stellen wij voor om voorafgaand aan het commissiedebat Water in juni een rondetafelgesprek hierover te organiseren, waarin de experts van de drie richtingen worden gehoord. Maar dat gaan we in de procedurevergadering doen.
Voorzitter. Als we het hebben over de toekomst van onze delta, dan hebben we het over de toekomst van Zeeland. Laat ik daar namens BBB volstrekt helder over zijn: Zeeland mag niet verzouten, maar moet verzoeten. In het rapport Ruimte voor zeespiegelstijging 2 wordt steeds vaker gesproken over het accepteren van verzilting in de Zuidwestelijke Delta. BBB verzet zich hiertegen. Verzilting betekent verlies van landbouwgrond, problemen met drinkwater en het verdwijnen van bestaanszekerheid. Een provincie die structureel verzilt, wordt onleefbaar. Nederland is groot geworden door water te beheersen, niet door het op te geven. Verzilting is geen natuurwet, maar een beleidskeuze. Mijn vraag aan de minister is dan ook of hij bereid is om vast te houden aan een koers waarin verzoeting, zoetwaterbeschikbaarheid en leefbaarheid van Zeeland centraal blijven staan. Waar ik Zeeland noem, noem ik ook de andere provincies die met verzilting te maken hebben, waaronder Groningen.
Dank u wel, voorzitter. Ik hou het hierbij. Dank voor uw opmerkingen. We gaan de tweede termijn vol goede moed tegemoet, hoop ik.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan lid Kostić van de Partij voor de Dieren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank, voorzitter. Voldoende schoon water is geen luxe, maar een absolute basisvoorwaarde voor ons bestaan. Het is onmisbaar voor natuur, gezondheid en onze economie. Zonder schoon water geen biodiversiteit, geen voedselproductie, geen ruimte voor nieuwe woningen en geen gezonde leefomgeving. Juist daarom is de Europese Kaderrichtlijn Water zo cruciaal. Deze richtlijn, al afgesproken in 2000, zorgt ervoor dat het schoonhouden van het water in Europa geen vrijblijvende belofte is en vormt een noodzakelijke stok achter de deur voor de lidstaten. We hebben dus meer dan 25 jaar geleden afgesproken dat ons water een goede ecologische en chemische kwaliteit moet hebben. Nederland heeft eerdere deadlines niet gehaald en dreigt nu de uiterste deadline, 2027, wederom niet te halen, omdat opeenvolgende kabinetten geen echte maatregelen durfden te nemen en steeds problemen doorschoven naar de volgende generaties. Steeds opnieuw werden vervuilende industrie, intensieve landbouw en veehouderij ontzien. Het resultaat is dat Nederland behoort tot de slechtst presterende landen in Europa als het gaat om waterkwaliteit, terwijl we een van de rijkste landen ter wereld zijn.
Voorzitter. Als student begon ik weleens pas de avond voor mijn tentamen met studeren, terwijl ik maanden daarvoor de tijd had. De avond ervoor voelde het dan altijd alsof ik onredelijk veel stof tot mij moest nemen. Zo gaan volwassen politici hier nog steeds om met afspraken rondom water. Ze stellen prima haalbare doelen, maar beginnen telkens te laat en doen te weinig. Als de deadline nadert, doen we alsof de doelen onrealistisch zijn, terwijl we simpelweg te lang hebben gewacht met ons huiswerk. Dat is ook een beetje mijn vrees bij het coalitieakkoord en het betoog van de VVD. We moeten stoppen ons te gedragen als studenten. Het is tijd om te stoppen met de reflex om vervuilende bedrijven te beschermen, om elke keer maar aan de afspraken rommelen omdat je niet op tijd aan je huiswerk bent begonnen. Die reflex zorgt ervoor dat de maatschappelijke kosten steeds hoger worden en de burger en jongere generaties de rekening krijgen.
Ik maak me enorm zorgen om die zinnen in het coalitieakkoord van het CDA, D66 en de VVD, die gaan over het maken van realistische doelen en simplificatie. Ze gaan over het willen instrueren van handhavers om niet te streng te handhaven, terwijl we uit verschillende rapporten weten dat we in het verleden juist niet streng genoeg hebben gehandhaafd — zie ook het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid — waardoor er onnodig veel schade is aangericht aan het milieu en aan de gezondheid van onze burgers. Er staan zinnen in over het klakkeloos omarmen van de rigoureuze afzwakking van de milieuregels via Omnibuswetgeving in Europa, ingegeven door de lobby van rijke, grote vervuilers. Ik maak me daar echt zorgen over, want ik wil samenwerken om eindelijk stappen te zetten om onze waterkwaliteit te beschermen, om die enorme maatschappelijke kosten te vermijden en om niet de rekening door te schuiven naar de toekomstige generaties. Maar het coalitieakkoord stelt me nog niet gerust.
Vervuilende bedrijven hebben decennia de tijd gehad om zich zo aan te passen dat ze schoner kunnen produceren. Door vast te houden aan de Kaderrichtlijn Water nemen we misschien wel afscheid van sommige vervuilers, maar creëren we ook juist ruimte voor innovatieve, toekomstbestendige bedrijven die wél zorgvuldig kunnen omgaan met ons water. Zo bouwen we aan een gezonde leefomgeving, aan een écht eerlijk Europees speelveld voor toekomstbestendige ondernemers en aan een economie die met zorg omgaat met ons kostbaarste goed, ons water. Maar we zien ook in deze begroting geen trendbreuk met de onverantwoord lakse bedrijfsvoering op het gebied van water. Waterproblemen worden nog steeds doorgeschoven. De Partij voor de Dieren waarschuwt al zeker zeven jaar voor een watercrisis, een stikstofcrisis 2.0, omdat er niet op tijd wordt ingegrepen met verplichtende instrumenten.
Het zorgwekkende is eigenlijk ook … Kijk, ik heb de VVD ook om een reflectie gevraagd. Niet dat ik alle schuld op de VVD wil schuiven; dat is zeker niet mijn bedoeling. Maar het is fijn als er een reflectie wordt gegeven. Dan weet ik dat we proberen van het verleden te leren. Nog zorgwekkender is dat ook het kabinet, de minister, nog geen reflectie heeft getoond over de in het verleden gemaakte stappen. De partijen aan de knoppen, de minister, we hebben allemaal de rapporten gelezen en de evaluaties gezien over ons pad richting het halen van de doelen uit de Kaderrichtlijn Water. Elke keer was de conclusie hetzelfde. "Jullie doen te weinig. Er moeten veel meer verplichtende maatregelen komen. Regel dat de wet- en regelgeving rondom mest en bestrijdingsmiddelen KRW-proof worden. Maak de vergunningen tijdelijk. Trek de vergunningen voor lozingen en onttrekkingen die bijdragen aan het overschrijden van de Kaderrichtlijn Water in. Zet strengere regels in voor landbouwgif. Krimp het aantal dieren in de veehouderij." Dat zijn allemaal aanbevelingen die gewoon niet zijn opgevolgd. Dan kun je gewoon zeggen: "Inderdaad. We hebben gewoon weggekeken. We hadden het lef niet. We hebben gefaald. Prima, maar we gaan het nu wel doen. Het wordt even pittig. We gaan mensen helpen om die transitie in te gaan." Maar erken op z'n minst dat je al die aanbevelingen genegeerd hebt. Doe niet alsof we al die tijd niet wisten wat we moesten doen. Wij zouden die reflectie willen horen van partijen.
Als ik kijk naar het budget voor het halen van de Kaderrichtlijn Water, zie ik geen extra budget om die doelen alsnog te halen, terwijl ik hier wel de urgentie hoor. Ik vraag me af wat er dan precies gebeurt. We hebben bij de begroting IenW gemerkt dat de VVD van het al magere budget nog een paar miljoen af wil snoepen door die miljoenen te verschuiven naar de luchtvaart. Deze minister laat dat gewoon gebeuren. De minister komt uit de waterwereld, weet ik, dus hij kent de enorme problemen. Dan is mijn vraag: schaamt hij zich niet ergens een beetje dat hij deel uitmaakt van een kabinet dat echte oplossingen voor water heeft geblokkeerd en problemen heeft verergerd? Dit is waarschijnlijk het laatste debat van de minister. Ik vraag de minister om zijn hart voor water te laten spreken en te vertellen wat hij eigenlijk echt nog graag had willen doen om de problemen op te lossen, maar waarvoor hij de ruimte niet kreeg van de BBB.
Voorzitter. Uit op ons verzoek naar buiten gekomen interne stukken blijkt een schrikbarend wanbeleid van het ministerie van LVVN onder leiding van minister van Landbouw Wiersma. Het staat nu zwart op wit, voor iedereen te lezen, hoe de minister van Landbouw verstandig beleid om ons water schoon te krijgen en te houden heeft tegengewerkt. Is dat de reden dat ze hier vandaag niet durft te verschijnen, vraag ik me af. IenW-ambtenaren proberen in de stukken het ministerie van Landbouw steeds op de feiten te wijzen dat wat Landbouw doet niet tot verbetering maar zelfs tot verslechtering van waterkwaliteit gaat leiden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik begrijp de vraag niet helemaal. Aan wie stelt het lid Kostić nou de vraag waarom de minister van LVVN hier niet is, daar eigenlijk gelijk een soort van suggestiviteit onder zettend? Sowieso gaat het kabinet over zijn eigen afvaardiging, zeggen we altijd. Als de minister andere belangrijke afspraken heeft, dan kan ze ook zeggen dat ze hier niet bij kan zijn. Wat is nou precies het doel van deze vraag, vraag ik me af.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Elke minister, elke bewindspersoon heeft natuurlijk het volste recht om niet naar de Kamer te komen, maar de minister van Landbouw was wel met een reden uitgenodigd door de Kamer, tot twee keer toe. Ze heeft juist zo'n belangrijke rol gespeeld om geen verdere stappen te nemen, wat misschien zelfs tot verslechtering van onze waterdoelen heeft geleid. Ik weet niet hoe de rest van de leden hierin zit, maar ik had haar hier graag verder op bevraagd. Uit de stukken blijkt echt een schrikbarend wanbeleid van het ministerie van LVVN, dat een soort nietes-wellesspelletje speelde met het ministerie van Water. Dat baart me enorme zorgen. Ik vind het echt jammer dat ze hier niet is komen opdagen.
De voorzitter:
De heer Heutink heeft een vraag. O, eerst mevrouw Van der Plas nog even … Een punt van orde van de heer Heutink.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
We hebben bij meerderheid besloten dat de minister van Landbouw niet uitgenodigd hoeft te worden. In de commissie hebben we het daarover gehad. Het feit dat één lid dit nu wil doen, betekent dat daar geen meerderheid voor is. Dit is dus een oeverloze discussie …
De voorzitter:
Nee, even ter onderbreking. Dit klopt niet. De commissie heeft juist per brief verzocht om de minister wel aanwezig te laten zijn. U bent daar misschien niet van op de hoogte, maar dat is aan de orde. Mevrouw Van der Plas had nog een vervolgvraag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Elk Kamerlid gaat natuurlijk over zijn eigen woorden. Dat bestrijd ik ook niet. Ik vind het alleen een beetje gek dat dan hier met allerlei suggestieve opmerkingen erbij wordt gezegd dat de minister weigert te komen: zou het dan misschien kunnen omdat zus of zo? Het lid Kostić kan gewoon naar het ministerie bellen of de minister andere afspraken had en kan dat gewoon op de achtergrond doen. Ik vind het eerlijk gezegd niet zo'n fijne manier om een minister te benaderen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog. Dit was geen vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Een heel korte reactie. Mevrouw Van der Plas kan van alles vinden, maar de minister is uitgenodigd en ik spreek alleen maar uit wat ik lees in de stukken over de manier waarop het ministerie en de minister van Landbouw de minister van Water hebben tegengewerkt. Ik heb gezegd dat ik het jammer vind dat ze alsnog heeft geweigerd. Ze heeft een brief naar de Kamer gezegd en eigenlijk gezegd: ik kom niet, want het debat is eigenlijk al geweest en de Kamer heeft tegen mij gezegd dat ik niets rond de Nitraatrichtlijn hoef te doen. Alsof dat het enige debat is! Ik wil gewoon dat ze zich verantwoordt voor de manier waarop ze is omgegaan met dit dossier, terwijl ze zo'n fundamentele sleutel is voor de problemen rondom water. Dat is het enige.
Ik had het over wat de IenW-ambtenaren schrijven richting het ministerie van Landbouw. Ze noemen de uitspraken van het ministerie van Landbouw zelfs misleidend en vreemd, wijzen het ministerie van Landbouw op onjuiste vergelijkingen en het gaat zo maar door. Hoe kon de minister van Water dit laten gebeuren, vraag ik hem. Wat moet er volgens hem veranderen qua verantwoordelijkheden en rollen om te voorkomen dat er in de toekomst weer een minister van Landbouw is of op een ander dossier zoals industrie die het werk van de minister van Water onmogelijk maakt? Laten we helder zijn: met het zevende en achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn gaan we de doelen van de Kaderrichtlijn water niet halen. Dat wist men en dat blijkt ook uit de stukken. Dit is geen onwetendheid; het is bewust beleid.
Voorzitter. De Kamer is aan zet. Hoe langer we wachten, hoe groter de problemen worden en hoe hoger de kosten. Er zijn jaarlijks miljarden aan maatschappelijke en economische kosten verbonden aan het niet voldoende aanpakken van waterproblemen, zoals waterkwaliteit, droogte, overstromingsrisico's en verontreiniging. Die kosten dreigen op te lopen als straks ook de woningbouw verder vastloopt. Maar integrale bescherming van water en natuur helpt de economie juist, en is de enige manier om het land van het slot te halen. Dit maakt de afweging rondom begrotingsbesluiten zoals meer of minder geld naar oplossingen van waterproblemen niet alleen een financiële keuze voor de korte termijn, maar ook een afweging met financiële gevolgen voor de langere termijn, die nu niet direct zichtbaar zijn in de begroting. Erkent de minister dat?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik zou toch graag de Partij voor de Dieren even met beide voetjes op deze vloer willen zetten met de volgende vraag. We hebben nog anderhalf jaar de tijd voordat we die Kaderrichtlijn Water gehaald moeten hebben. Hoeveel meer kunnen we nu nog doen? Hoeveel meer vraagt de Partij voor de Dieren nog van alles en iedereen voordat ze eindelijk tot de conclusie komt dat we het niet gaan halen en dat we ons dus moeten voorbereiden op een noodscenario, zodat we wel die woningbouw kunnen realiseren zonder dat het al onze mensen gaat raken?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Als ik als student de nacht voor mijn tentamen moest studeren en erachter kwam dat het wel heel veel stof was, ging ik keihard sturen en bikkelde ik de hele nacht door om uiteindelijk hopelijk een positief resultaat te halen. Dat is ook wat ik van dit kabinet en vooral van deze Kamer verwacht. Tegelijkertijd, als we het hebben over noodscenario's … Die noodscenario's moeten we inzetten om juist die stappen te kunnen maken, dus om het gebruik van landbouwgif zo snel mogelijk verder te beperken, het aantal dieren in de veehouderij verder te beperken. Dat zijn de stappen die we moeten zetten, omdat die uiteindelijk vooral veel waarde en geld opleveren voor onze maatschappij, in plaats van dat we geld verspillen aan allerlei juridische procedures, trucjes en foefjes, met als resultaat een stikstofdebacle waarin iedereen uiteindelijk weer tegen een muur aan gaat lopen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Natuurlijk moeten we zo veel mogelijk doen om die weg te blijven volgen. Maar om even terug te komen op schooltermen: de Europese Commissie verwacht geen voldoende na een avond blokken; die verwacht gewoon een 10. Zonder 10 gaan we het gewoon niet halen en hebben we een groot probleem. Dus ja, we moeten zeker dat spoor volgen en ons water schoner maken. Maar de Partij voor de Dieren kan toch niet wegkijken van het feit dat we op zijn minst een ander spoor moeten vormgeven dat ons behoedt voor een nieuw stikstofprobleem?
Kamerlid Kostić (PvdD):
We gaan weer naar de systematiek van de beoordeling van de Europese Commissie. Die is helemaal niet zo streng als mijn collega doet voorkomen. We hebben gewoon heel lang geleden die afspraak gemaakt. We hebben normen voor onszelf gekozen die echt wel redelijk waren. Nogmaals, nu is het vijf voor twaalf en vinden we het opeens allemaal heel moeilijk. Ik ga niet in op die systematiek, want dat leidt af van wat er echt moet gaan gebeuren: het aantal dieren in de veehouderij moet omlaag, landbouwgif moet aan banden, PFAS moeten worden aangepakt, de lozingsvergunningen moeten worden aangepast. Dat kan allemaal nu gebeuren. Ik snap dat mijn collega het wil hebben over allerlei systemen en metingen. We kennen de trucjes om het uit te stellen. Maar die leiden tot alleen maar meer kosten voor de burgers.
De heer Schutz (VVD):
Ik wil iets zeggen over de metafoor van de avond voor je tentamen leren. Het pleidooi van de VVD was niet evalueren voordat we de eindspurt afronden, maar juist daarna. In het betoog van de heer Heutink hoorde ik een voorbeeld over de Dinkel, waarbij je in het Nederlandse deel kennelijk aan een mooi water loopt dat niet aan de doelen voldoet, terwijl hetzelfde water net over de grens volgens de normen die daar gelden wel gewoon een 10 oplevert. U zegt dat dit hele realistische normen zijn, maar ik denk dat dit een heel sprekend voorbeeld is waarin een simplificatie na de evaluatie achteraf ons misschien tot de conclusie brengt: hm, misschien moeten we het wat integraler bekijken. Dat zal er in het ene geval toe leiden dat de norm omhoog moet, en in een ander geval dat een norm eenvoudiger gesimplificeerd kan worden. Het frame dat coalitiepartijen alleen maar bezig zijn met trucjes en dingen willen uitstellen, zoals we altijd al hebben gedaan, omdat ze niet op tijd hun huiswerk doen, doet gewoon geen recht aan het standpunt dat we hier innemen. Dat is namelijk een eindspurt inzetten en eruit halen wat we eruit kunnen halen, maar ook realistisch zijn en verwachten dat het geen 10 is. Daar gaan we wel onze stinkende best voor doen, maar wel met het oogmerk om aan het eind te kijken of die regels realistisch waren, zoals u stelt. In het voorbeeld van de Dinkel is het evident dat dat niet het geval is.
De voorzitter:
Dat waren twee interrupties.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik snap nog steeds niet wat de VVD hiermee wil bereiken. Het was niet alleen een verwijt aan de coalitiepartijen. Ik weet ook dat er voldoende coalitiepartijen zijn die hun best doen of misschien willen doen. Ik wilde een reflectie van sommige partijen. We hebben namelijk nogal wat steken laten vallen. Dat moet de VVD toch erkennen? Het stelt me dan toch teleur dat de VVD zich hier weer op de systematiek probeert te focussen. Het gaat helemaal niet om het halen van een zesje of een tien. Je moet je afspraken nakomen. Die worden niet nagekomen. Er is in 2023 door de Partij voor de Dieren en GroenLinks-PvdA een motie ingediend om inderdaad die vergunningen aan te pakken en desnoods in te trekken, als we de Kaderrichtlijn Water dreigden te overschrijden. Dat zou uiterlijk in 2026 moeten zijn gebeurd. Daar heeft de VVD voor gestemd. Dus ik hoop vooral in de VVD weer een partner te vinden met betrekking tot dat soort maatregelen in plaats van dat we onze tijd verspillen aan weer kissebissen over de methodieken, de metingen, en zo van: o, wat is het oneerlijk, want in het buitenland is het anders, ladidadida. Het zijn afleidingsmanoeuvres. Dit is het meest veedichte land ter wereld. We moeten gewoon stoppen met vervuilen.
De voorzitter:
Was u bijna klaar met uw betoog?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nee.
De voorzitter:
Nou, maak het snel af.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nog vijf minuten.
De voorzitter:
Ja, goed.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik wil nog wat vragen stellen en wat concrete suggesties doen. Ik was vooral benieuwd of de minister erkent dat als je nu op korte termijn financiële keuzes maakt met betrekking tot wel of niet investeren in waterkwaliteit en hoeveel dan, dat op langere termijn gevolgen heeft, ook financieel gezien. Erkent hij dat als we tijdig extra investeren in het oplossen van waterproblemen, de investeringen zichzelf terug kunnen verdienen, doordat we de kosten van te weinig doen vermijden? Erkent hij dat als we tijdig voldoende investeren, we juist voorkomen dat de rekening van de maatschappelijke kosten wordt neergelegd bij de jongere generatie? Kan de minister toezeggen dat de Kamer voortaan bij de begroting een expliciete toelichting zal krijgen op hoe de verwachte maatschappelijke kosten van waterproblemen zijn meegewogen in de gemaakte begrotingskeuzes rondom water, zodat we weten welke echte kosten we wel of niet doorschuiven naar de volgende generatie?
Voorzitter. Ik heb al een aantal maatregelen genoemd, maar de core is: pak die problemen nou in samenhang aan. De problemen rondom stikstof, natuur, klimaat, gezondheid, dierenwelzijn en water hebben namelijk allemaal met elkaar te maken. Ga dus niet verkokerd te werk, maar zorg ervoor dat je zo veel mogelijk in samenhang gaat aanpakken, zodat je win-winsituaties krijgt. Kan de minister bevestigen dat zo'n samenhangende aanpak inderdaad nodig is en dat we daar zo snel mogelijk meer mee moeten doen?
Twee. Verspil geen energie en geld aan het proberen om bestaande afspraken rondom water af te zwakken of aan het met trucjes wegkomen met het niet naleven van afspraken. Zet alles op alles om alsnog de Kaderrichtlijn Water te halen. Dat kan door bijvoorbeeld PBL-adviezen op te volgen die aangeven dat je het gebruik van landbouwgif in bufferzones aan banden zou kunnen leggen. Is de minister bereid PBL-adviezen te verwerken in verder beleid en worden dus in beleid rondom zonering ook de problemen rondom water betrokken?
De Rli pleitte voor aantoonbare reductie van nutriënten via het afbouwen van dierrechten, dus het beperken van de hoeveelheid dieren die dierhouders mogen houden. Waarom zijn deze stappen niet genomen? Is de minister daartoe alsnog bereid? De Rli adviseerde ook het expliciet bindend worden van KDW-doelen in wetten met betrekking tot bijvoorbeeld het meststoffenbeleid en het beleid rondom bestrijdingsmiddelen. Wordt dat de komende tijd ook geregeld? Zo ja, wanneer?
Ten derde, waterbesparingsdoelen. Dat is een beetje hetzelfde verhaal als de waterkwaliteit: de doelen die we onszelf hebben gesteld zijn al te laag voor wat nodig is, maar zelfs die doelen dreigen we niet te halen. De Algemene Rekenkamer concludeerde dat Nederland een dringend probleem heeft met betrekking tot de beschikbaarheid van drinkwater, wat bedrijvigheid en woningbouw op slot zet. Er zijn partijen die een aantal nieuwe steden willen bouwen, maar we hebben eigenlijk geen water om al die nieuwe steden en huizen van water te voorzien. We moeten dus nu serieus aan de slag met waterbesparing en de grootste verbruikers aanpakken. De minister erkende na de conclusies van de Algemene Rekenkamer dat het doel van drinkwaterbesparing met de huidige maatregelen niet zou worden gehaald en dat er naast onderzoek concrete beleidsinstrumenten moeten worden ingezet. Welke maatregelen heeft hij sindsdien extra ingezet en welke raadt hij nog aan aan het nieuwe kabinet om daadwerkelijk te doen wat nodig is volgens experts?
Het vierde punt is de actualisatie van de vergunningen. De minister schrijft in een brief naar aanleiding van de inbreukprocedure van de Europese Commissie en naar aanleiding van een motie van GroenLinks, Partij voor de Dieren en D66 dat hij regelgeving in voorbereiding heeft om de regulering van lozingen en onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater te regelen. Met de nieuwe regel zouden we het met enige frequentie actualiseren van vergunningen voor wateronttrekking en lozing verplichten. Ook komt er een vergunningsplicht voor wateronttrekkingen die op grond van de Kaderrichtlijn Water verplicht zijn. Dit zijn natuurlijk stappen die al veel eerder genomen hadden moeten worden. Onze motie, waar de minister ook naar verwijst in die brief, vroeg de regering om voor 2026 alle onttrekkingen en vervuilingsbronnen die bijdragen aan de overschrijding van KRW-normen via het intrekken en beperken van vergunningen zodanig uit te voeren dat het halen van de normen in 2027 wordt gegarandeerd. Dat is eigenlijk nog steeds niet gebeurd. Maar het is goed dat de minister nu eindelijk de vergunningen tijdelijk wil maken. Mijn vraag is: welke termijn hanteert hij daarvoor? Voormalig minister Madlener wilde een wetsvoorstel indienen om de lozingsvergunningen maximaal twaalf jaar geldig te maken. Experts en waterschappen wezen erop dat die periode al niet in balans was met de termijnen van de stroomgebiedbeheerplannen, die elke zes jaar opnieuw de doelen en maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit bepalen. Kan de minister dus een toelichting geven op welke termijnen gaan gelden?
Als laatste. Een van de grootste problemen met water blijft toch pfas. De schade is heel groot. We zien dat uiteindelijk veel kosten terechtkomen bij de belastingbetaler. De Partij voor de Dieren stelt daarom voor om een vorm van een pfas-taks in ieder geval te verkennen. Zo stimuleren we bedrijven zonder pfas te werken en zorgen we ervoor dat de vervuiler eerlijk betaalt voor de schade die pfas aanricht. Wil de minister voordat hij vertrekt in ieder geval opdracht geven om een vorm van zo'n pfas-taks onafhankelijk te laten verkennen?
Als het gaat om een pfas-lozingsverbod is het goed dat dit kabinet met een vorm van het lozingsverbod komt. Ik was benieuwd hoe het ermee staat en wanneer het precies komt; het zou in het eerste kwartaal komen. We zien ondertussen wel dat bedrijven, zoals CFS in Limburg, nu nog vergunningen krijgen of dreigen te krijgen om gigantische hoeveelheden pfas te lozen. Waterbedrijven, waterschappen en onze eigen toezichthouder ILT adviseren om zo'n vergunning niet af te geven, maar dat dreigt dus alsnog te gebeuren. Mij is altijd verteld dat bij nieuwe vergunningsaanvragen ook rekening moet worden gehouden met aankomende wet- en regelgeving. Als we met z'n allen constateren dat er al te veel pfas in ons bloed zit en dat we minder pfas tot geen pfas in onze leefomgeving willen hebben en als er een lozingsverbod aan zit te komen, is de minister dan bereid om een signaal te geven aan medeoverheden om in ieder geval voorlopig geen nieuwe grote en langdurige pfas-vergunningen af te geven totdat er duidelijkheid komt over die lozingsvergunningen? Het rijmt namelijk gewoon niet met elkaar dat bedrijven nu nog enorme vergunningen kunnen krijgen om veel pfas te lozen, terwijl we met z'n allen zeggen dat het niet de goede kant op gaat en dat we het juist moeten verminderen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
In het uitvloeisel van het coalitieakkoord staan bedrijven, als het allemaal doorgaat, zo meteen flink aan de lat om miljarden te moeten ophoesten; we moeten er overigens nog stevig koffie over drinken, zeg ik tegen de toekomstige coalitiepartijen, want ik hoop niet dat het doorgaat. Nou wil de Partij voor de Dieren opnieuw een taks invoeren, een zogenaamde pfas-taks. Mijn vraag aan het lid Kostić is: wat kunnen we nog vragen van al die bedrijven, want het houdt toch ergens een keer op hoeveel belasting we nog kunnen heffen bij al die mensen, al die burgers en al die bedrijven?
De voorzitter:
Dat waren twee interrupties.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Mijn vraag aan mijn collega is: wat kan mijn collega nog vragen aan de burgers? Hoeveel moeten burgers nog ophoesten om te betalen voor de vervuiling die wordt veroorzaakt door bedrijven die zich niet op tijd hebben aangepast? Nogmaals, er zijn genoeg welwillende bedrijven, die de juiste kant op willen. Denk aan bedrijven die al pfas-vrij kunnen produceren. Die bedrijven moet je belonen. Die bedrijven moet je ruimte geven. Dan kan zo'n pfas-taks juist innovatie aanjagen. Die zorgt er juist voor dat we ermee ophouden dat de rekening steeds op het bordje komt van de gewone burger, van onze kiezers. Dat is eigenlijk gewoon een eerlijker verhaal. Ik ben voorzichtig. Ik ben de naarste niet. Ik heb het alleen maar over een verkenning. Dan kunnen we samen bekijken wat het eventueel zou kunnen opleveren. Als het een heel slecht idee blijkt te zijn, dan kan ik daar natuurlijk altijd op terugkomen.
De voorzitter:
Bent u klaar met uw betoog?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nog een laatste punt over pfas. Ik vind de volgende situatie echt heel raar. We zetten als Nederland nu in op een Europees pfas-verbod. Dat is supergoed. Daar moeten we ook aan vast blijven houden. Maar tegelijkertijd stijgt het gebruik van pfas in bestrijdingsmiddelen in Nederland enorm en vormt het een steeds groter probleem. Dit betekent dat, als dit niet stopt, pfas straks alsnog via bestrijdingsmiddelen door het hele land wordt verspreid en in onze bodem, ons water en ons voedsel terechtkomt. Als ik het kabinet vraag om een consistent pfas-beleid en om samen met landen als Denemarken op te trekken zodat een verbod op pfas in bestrijdingsmiddelen ook in Europa kan worden geregeld, zegt het kabinet dat er al een toetsingssysteem bestaat voor bestrijdingsmiddelen. Maar dat systeem neemt onvoldoende de cumulatieve effecten van pfas op gezondheid en water mee. Dus wij zullen weer een voorstel doen aan de Kamer en aan het nieuwe kabinet om het kabinet op pad te sturen om te pleiten voor een Europees verbod op pfas-bestrijdingsmiddelen en om snel werk te maken van een nationaal verbod, in lijn met dat van Denemarken. Want als Denemarken het kan, dan kunnen wij het ook. Op herbeoordeling en onderzoek wachten, is onnodig verlies van tijd.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik wil het voorzitterschap graag even overdragen aan mevrouw Van der Plas.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Bromet namens de fractie van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Het is eigenlijk een beetje raar dat we op dit moment een debat voeren met een kabinet dat op weg is naar de uitgang terwijl er nog een nieuw kabinet gevormd moet worden en er al wel een regeerakkoord ligt, maar we nog niet precies weten wat de uitwerking daarvan is. Maar er is evengoed genoeg te bespreken.
Ik vond het eigenlijk wel leuk dat de woordvoerder van het CDA, mevrouw Boelsma-Hoekstra, begon over wat wij allemaal zelf meenemen en dat de minister daar zijn voordeel mee kan doen. Ik woon in de gemeente Waterland, dus dat is al een pluspuntje. Ik moest ook denken aan een hele grote rampenoefening die ik als wethouder gedaan heb op het Markermeer. Dat was echt heel indrukwekkend. Het leger werd ingezet en dat oefen je dan helemaal realtime. Dan zie je hoe groot de bedreigingen zijn en voor welke enorme dilemma's je komt te staan als de waterveiligheid in het geding is. In dat kader maak ik me grote zorgen over de tekorten in de budgetten voor onderhoud en vervanging van de infrastructuur. Dat zien we ook bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Het gaat om 9 miljard. Het gaat gelukkig om minder geld dan bij infra, maar met een stijgende zeespiegel en steeds extremer weer is dat niet minder ernstig. De heer Grinwis had het daar net ook al over.
Net als bij infra wil de Kamer dat de bouwproductie overeind blijf door meer projecten in opdracht te geven zodat, ook bij vertraging in de planning van een paar programma's, de productie op gang blijft en er geen geld blijft liggen. Overprogrammering dus. Maar deze minister heeft het omgekeerde gedaan. Hij heeft geld weggehaald, zodat er bij het bestaande programma tekorten ontstaan. In de rekensom is dat ook overprogrammering, namelijk meer programmeren dan waar je geld voor hebt, maar we bereiken het tegenovergestelde van wat we wilden. Ik vond de discussie tussen D66 en VVD over de beschikbaarheid van gelden voor de Zeesluis IJmuiden daar ook kenmerkend voor. Die zeesluis moet vernieuw worden. Daar is haast bij. Maar we weten nog niet hoe de nieuwe coalitie dit gaat betalen en of het betaald gaat worden. De wens om meer te doen met minder geld, heeft kennelijk geleid tot een afwaardering van het vereiste beschermingsniveau van veel gebieden. Er waren collega's die begonnen over de Waddeneilanden, maar het speelt ook langs de rivieren. Samen met de bewoners van de eilanden maken wij ons daar hele grote zorgen over. We hebben daar samen met D66 vorige week ook vragen over gesteld. Klopt het dat het strikt boekhoudkundig is, teruggeredeneerd naar de kans op overlijden en andere factoren, zoals de vraag hoe we de Waddeneilanden kunnen evacueren tijdens de storm van de eeuw? Of is het een afweging tussen kosten nu en schade straks als het bewoonde deel van de eilanden is vernietigd, vraag ik aan de minister.
We werken nu beter samen met Duitsland op het gebied van hoogwaterbescherming en extreme neerslag. Maar wordt in onze modellen nu beter meegenomen dat Duitsland zijn dijken gaat versterken? Want een deel van onze indirecte bescherming zat in de onvrijwillige waterberging door overstromingen in Duitsland. Hoe hoog wordt de piek hier als Duitsland dat aanpakt? Zit dat in de modellen en normen, en zijn we daarop voorbereid?
Er zijn websites waarop je kunt zien of je bij een overstroming op eenhoog moet gaan zitten of op zolder. Ik heb vandaag nog even gekeken hoe dat bij mij zat. Ik heb geen verdieping waar ik veilig kan zitten. Ik denk dat een heel groot deel van Nederland zich niet bewust is van wat ze moeten doen bij een ramp. Ik zou eigenlijk wel willen weten wat er per huishouden of per postcode nodig is en wat je moet doen. Moet je afwachten? Moet je vluchten? Waar moet je heen? Niemand weet dat. Op de website "hoe hoog staat mijn water" heb ik even gekeken. Er staat dan: u hoort het nog van de veiligheidsregio. Dat is wel een heel vaag advies, zeker als de stroom uitgevallen is. Ik zou eigenlijk veel meer bewustwording willen hebben bij mensen over waar ze naartoe moeten gaan als er een overstroming is.
Het zittende kabinet kon of wilde niet kiezen tussen bouwen waar de vraag is en bouwen waar het veilig is. Tot welke onveilige keuzes heeft het loslaten van water en bodem sturend geleid, vraag ik aan de minister.
Afgelopen week bepaalde de rechter dat Nederland niet aan zijn zorgplicht voldoet richting onze Caribische eilanden, klimaatverandering en extreem weer. Ik zou daar graag een reactie op willen van de minister.
Dan waterkwaliteit. Nog steeds voldoet ons oppervlaktewater vrijwel nergens aan de normen voor de Kaderrichtlijn Water. Op dat punt is er ook amper verbetering. De minister schrijft dat het doelbereik is gestegen naar 83%, maar — dat heb ik ook bij de briefing over het achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn gevraagd — 99% van onze wateren, of eigenlijk 100%, zijn te vies en ecologisch niet gezond, en daarom afgekeurd. We krijgen van Europa geen punten voor onze inzet; we moeten voldoen aan de vastgestelde doelen. Dan kun je, zoals ik verschillende sprekers hoor doen, verschillende structuren gaan betwijfelen — dat hebben we ook gezien bij het pleidooi om de derogatie weer opnieuw te verlenen — maar we hebben zelf deze afspraken 25 jaar geleden gemaakt. We moeten ons daar gewoon aan houden. Dat is de inzet van GroenLinks-PvdA in ieder geval.
Ik wil de minister bedanken voor de toelichting op de uitzonderingsgronden voor de Kaderrichtlijn Water. Hoeveel procent van de 100% van onze wateren die nu voldoen, zouden een uitzondering kunnen krijgen omdat de vervuiling uit het buitenland komt of omdat er rivierkreeften zitten? Hoeveel kleiner is ons juridische probleem geworden door hierop te focussen, in plaats van op fosfaat en nitraat, op bestrijdingsmiddelen of industriële lozingen?
Anderhalf jaar geleden startte Brussel een inbreukprocedure tegen Nederland, omdat we nog steeds vergunningen aan de industrie geven om oneindig giftige stoffen te lozen. Ik vroeg in een motie om de ongereguleerde wateronttrekking aan te pakken. Sindsdien is vooral gesproken met iedereen, maar is de wet niet gewijzigd. Hadden we de meeste van deze onttrekkingen en lozingen ook niet via een AMvB kunnen aanpakken? Wat was er dan nu al beter geweest? Waarom is dat niet gedaan? Waarom leidt de route van de minister tot verbeteringen? Hoe staat het met de inbreukprocedure?
Het achtste actieprogramma Nitraat had moeten leiden tot een nieuwe derogatie. Dat is mislukt. Dat hadden wij als GroenLinks-PvdA ook al jaren geleden voorspeld. Het leidt namelijk niet tot minder mestvervuiling en Europa heeft geen vertrouwen meer in Nederland. De belofte was dat alle wet- en regelgeving, dus ook voor mest en landbouwgif, Kaderrichtlijn Waterproof zou worden. Waarom is dat nog steeds niet het geval? Hoe kan het dat we nu één jaar voor de deadline nog steeds meer vervuiling toestaan dan is toegestaan? Het kabinet heeft zich ook hier vooral hard gemaakt om uitzonderingen te krijgen op het verslechteringsverbod. Er zijn een handvol situaties waarbij waterwerken aangepakt moeten worden. Dat leidt dan tot een tijdelijke verslechtering en dat is onvermijdelijk. Welke garanties krijgen we dat dit niet misbruikt wordt om gewoon niets te doen, of zelfs om dingen nog erger te maken met vage beloftes over de toekomst?
De minister schrijft dat ons water zo vervuild is met zeer zorgwekkende stoffen dat voor een aanzienlijk deel van de rioolwaterzuiveringsinstallaties een vierdetrapzuivering noodzakelijk wordt om ons drinkwater te beschermen. Wie gaat dat eigenlijk betalen? De vervuilers of de burgers?
De minister wil mijn verzoek om grijs water bij nieuwbouw toe te passen, niet inwilligen. Ik heb voorgaande sprekers daar ook al over gehoord. Maar wat dan wel? Als we werk willen maken van waterverspilling, moeten we toch ook echt beginnen bij nieuwbouw.
Voorzitter. In Amersfoort moesten mensen wekenlang uit flessen drinken omdat het water te vervuild was. Voor mijn gevoel hebben we steeds meer van dit soort incidenten. Zijn het incidenten? Hoe kwetsbaar is onze drinkwatervoorziening voor besmetting en vervuiling — we hebben het in deze Kamer al vaak gehad over milieudelicten — maar ook voor sabotage? We zitten in een veranderende wereld. Hoe kwetsbaar zijn we eigenlijk? Is het leidingennet zo ingericht dat we snel straten of wijken kunnen isoleren, desnoods met de hand? Zijn er omleidingen en mogelijkheden om water van elders tegen te kunnen houden of hebben we het in alle drang naar efficiency minimaal ingericht, zodat er geen marge meer is voor het geval er iets misgaat? Want is zes flessen water in je noodpakket nou het antwoord op een kwetsbaar systeem? Of moeten we ook denken aan collectieve waterzuiveringsinstallaties waarin we in tijden van nood regenwater kunnen zuiveren en waar mensen terechtkunnen als hun zes flessen water op zijn? Het lijkt me een vraag die heel belangrijk is als het gaat over weerbaarheid.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bromet. Ik zie geen interrupties, dus ik geef het voorzitterschap weer aan u over.
De voorzitter:
Dank u wel. Het is nu 12.45 uur. Ik wou tot 13.45 uur schorsen voor de lunch en voor de beantwoording van de minister. Daarna komen we weer terug in deze zaal.
De voorzitter:
De minister is weer terug en de Kamerleden ook, dus we gaan nu verder met de eerste termijn van de minister. Misschien kan de minister even aangeven in welke blokjes hij de vragen gaat beantwoorden.
Minister Tieman:
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een aantal blokjes gemaakt naar aanleiding van de vragen, en dat waren er heel wat. Ik wil beginnen met zoet water en drinkwater. Dat is één blokje. Dan wateroverlast en klimaatadaptatie, waterveiligheid, Kaderrichtlijn Water, waterkwaliteit en dan overige.
De voorzitter:
Excuus, is het vierde blokje Kaderrichtlijn Water én kwaliteit? Of is kwaliteit een ander blokje?
Minister Tieman:
Dat is hetzelfde.
De voorzitter:
O, dat is hetzelfde. We hebben dus een blokje zoet water, een blokje wateroverlast, een blokje waterveiligheid, een blokje Kaderrichtlijn Water/kwaliteit en een blokje overige. Gaat uw gang.
Minister Tieman:
Dank u wel. Dan begin ik bij een vraag van u, voorzitter. Die heeft te maken met grijs water en de aanpassingen daarvoor. Daar is ook over gesproken. Als we echt werk willen maken van waterverspilling, zouden we daarmee toch echt moeten beginnen bij nieuwbouw. Dit is ook een onderwerp dat mij na ligt. Het gaat om 130 liter per persoon per dag. Als je dat op een andere manier zou kunnen invullen, zou je daarmee een enorme stap kunnen maken. Weet dat we het hemelwater nu eigenlijk al kunnen gebruiken voor toiletdoorspoeling. Dat is zo'n 33 liter, zeg ik uit mijn hoofd. Dat zou nog meer kunnen worden. Daar hebben we een rapport over laten opstellen door het RIVM. Daar heb ik ook een afdronk van gegeven. Dat betekent niet dat ik op mijn handen ga zitten. Wij gaan de aanbevelingen van het RIVM opvolgen en we gaan pilots draaien. Het bouwbedrijf Heijmans doet op dit moment al een vijftal projecten. Daarna komen we weer bij u terug om te kijken hoe dat nou precies zit en hoe we de zaken waar het RIVM nu het een en ander over gezegd heeft — bijvoorbeeld de NEN-normering of het toezicht door de ILT op de foutaansluitingen, want daar zit echt het risico — goed kunnen controleren alvorens we naar een bouwbesluit gaan.
Het betekent dus niet dat we niets gaan doen. Ik zie dit eigenlijk als een tussenstap om dat vervolgens — gelijke monniken, gelijke kappen — in te kunnen kapselen. Dat zou mijn argumentatie zijn. Maar wij hebben zo'n rapportage ook niet voor niets laten maken. Wij lopen nu de aanbevelingen na en komen dan ook weer bij u terug. Dat zou mijn aanvliegroute zijn om het een en ander te doen. Volledige steun dus voor extra pilots. Weet ook dat we binnen de MIA/VAMIL-regeling, de Milieu-investeringsaftrekregeling van 155 miljoen euro, het een en ander opgenomen hebben. Dit onderwerp gaat dus zeker niet weg. We hebben gewoon net wat meer nodig om die foutaansluitingen, die ook in Vlaanderen een issue zijn, net wat beter onder controle te krijgen. Dus hier gaat u het nog vaker over hebben.
De voorzitter:
Een vraag van mevrouw Vellinga-Beemsterboer. We doen weer hetzelfde: vier interrupties en als je langer dan 30 seconden een vraag stelt, dan telt die voor twee. Vragen korter dan 30 seconden zijn gratis.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Kan de minister aangeven wat we van Vlaanderen kunnen leren en hier dus niet meer in een pilotproject hoeven te stoppen, en hoeveel vertraging dit mogelijk gaat opleveren? We hebben immers ook een enorme bouwopgave waarin we dit volgens mij heel graag juist in mee willen nemen, zo snel mogelijk.
Minister Tieman:
Laten we nog even goed kijken wat we kunnen leren van Vlaanderen. We hebben overleg. Weet ook dat ik diezelfde vraag twee jaar geleden in een vorige functie van mij ook stelde. Veel steun dus van de kant van het ministerie om hier stappen te gaan zetten. Alleen hebben we ook te maken met een aantal veiligheidszaken, die we nu uitlopen. Zoals ik het nu heb neergezet, gaan wij hierin binnen twee jaar een nieuwe weging maken. Dat is op dit moment de lijn. Als u zegt "we willen dat eerder doen", moet ik echt even terugkijken wat die vers-van-de-persaanbevelingen zijn en of we daarop kunnen versnellen.
Op dit moment is het een cyclus van twee jaar om die afweging om het in een bouwbesluit op te nemen … Dit kabinet heeft net met STOER een poging gedaan om de kosten naar beneden te brengen. Wij praten hier grosso modo over €10.000. Maar dan kijken we ook weer of het een goede investering is voor de toekomst. Laten we dus die kostendiscussie even voor wat die is. Dan is dit even de tijdslijn en hebben wij huiswerk te doen en nemen wij u mee. Ik wil dan ook niet zeggen: we gaan het over twee jaar weer hier in de Kamer bespreken. Maar geef ons even wat tijd om die aanbevelingen van het RIVM ter harte te nemen en daar ook meters op te maken en vorm te geven aan die pilots. Ik noemde net een pilot met Heijmans, maar het mag van mij breder. Zo wil ik echt gaan opschalen.
Nu er een toezegging van mijn kant ligt om binnen een jaar terug te komen met in ieder geval hoe wij zaken voor ons zien, is dat wellicht een wat overzichtelijker tijdslimiet.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Tieman:
Dan heb ik daarmee ook meteen de vraag van de heer Grinwis beantwoord.
De heer Grinwis — niet meer hier aanwezig maar vanmorgen wel — vroeg mij om te komen met structurele oplossingen voor de noodzakelijke investeringen van drinkwaterbedrijven. We hadden het over de WACC. Er is nu een wetsvoorstel in consultatie dat de consument beschermt, terwijl de mogelijkheden voor de investeringsruimte van drinkwaterbedrijven worden vergroot. De komende maanden zal IenW de effecten van de beoogde maatregelen doorrekenen. Ik heb er alle vertrouwen in dat deze maatregelen wel een structurele oplossing zullen gaan bieden. Mocht dit toch niet voldoende zijn, dan kijken we naar aanvullende maatregelen. Het is voor IenW belangrijk dat de noodzakelijke investeringen in de drinkwaterinfrastructuur plaatsvinden. Dat zeg ik ook tegen de leden van Vewin, hier aanwezig op de tribune. Het is uiteraard een belangrijk onderwerp. Het is aan een nieuw kabinet om het voorstel bij de Kamer in te dienen.
De heer Grinwis en de heer Schutz vroegen: "De minister overweegt in reactie op de inbreukprocedure aangaande de Kaderrichtlijn Water om de onttrekkingsvergunningen periodiek te gaan herzien. Is dat nou wel zo verstandig?" Laat ik vooropstellen: we doen dit echt voor het drinkwater. Ik zie echter ook de zorgen over het drinkwater. Naar aanleiding van de inbreukprocedure van de Europese Commissie werken we aan een voorstel. Ik weet niet of ik dat nog naar de Kamer ga brengen. Ik denk het niet; het volgende kabinet zal dat gaan doen. Er zal ook echt een consultatie zijn. We gaan het spreekwoordelijke net letterlijk ophalen. Daarin nemen we de diverse tijdslimieten mee voor wanneer iets aan de best beschikbare technologie moet gaan voldoen.
Bij het voorstel introduceren we ook een periodieke heroverweging. Ik denk dat het echt een enorme piketpaal zal gaan zijn om het bedrijfsleven de best beschikbare techniek te laten neerzetten, zonder het hier weg te pesten; laat dat ook helder zijn. Daar zou je ook een financieel instrumentarium tegenover kunnen zetten; denk bijvoorbeeld aan de MIA/VAMIL-lijst, waar ik het net over had. Dat zal in consultatie gaan. Daarna zal het ook nog in de ministerraad besproken moeten worden. Zo hebben we een heel rijtje aan dingen die nog gaan plaatsvinden. Na verwerking van de zienswijzen zal het wetsvoorstel ingediend gaan worden, maar dat is dus niet op korte termijn. Het is echter wel de eerste stap om zoiets te gaan doen. We nemen hierin ook de verontrustende signalen mee die ik heb gekregen. Ook zijn we in overleg met de drinkwaterbedrijven.
Het is ook een afweging om drinkwaterbedrijven uit te zonderen, maar wanneer je dat nu zou doen, komt een hoogheemraadschap vervolgens een uitzondering bepleiten voor de vergunningen die daar zijn. De volgende in de rij is weer een ander bedrijf. Daar moet je op een gegeven moment wel een keuze in gaan maken. Ik stel voor dat we eerst de internetconsultatie ingaan en ons goed laten informeren en dat we in gesprek blijven met de drinkwaterbedrijven om de zorgen daar verder te adresseren.
De heer Schutz (VVD):
Maar is dit omdat het Europees verplicht is, of omdat we zelf nationaal die keuze maken, met name met het oog op de zekerheid van voldoende drinkwater?
Minister Tieman:
Het is onze keuze om de Europese verplichting zo in te vullen. Wat dat betreft zeilen we met zoiets wat scherper aan de wind. Een aantal landen heeft het niet, maar er wordt hier geen Europees punt gemaakt. Het is onze invulling om naar de best beschikbare technieken te gaan in plaats van de milieuvergunningen tot einde levensduur te houden.
De heer Schutz (VVD):
Het is dus een nationale kop. Willen we die?
Minister Tieman:
We nemen mee in de internetconsultatie of dat proportioneel is of niet. Andere landen hebben het ook, maar niet allemaal. Het wordt niet vanuit Europa verplicht gesteld.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het wordt niet vanuit Europa verplicht gesteld. Waarom doen we het dan? Waarom zetten we nou elke keer weer die nationale koppen boven op bestaand Europees beleid? We hebben gezien dat we ons compleet vastzetten in wetgeving.
Minister Tieman:
Wij doen dit om toch een stap te kunnen gaan zetten op het gebied van waterkwaliteit, maar het is op dit moment nog in internetconsultatie. We zijn het net aan het ophalen. De tijdslijnen die genoemd gaan worden, moeten ook proportioneel zijn. Je moet een vergunning echter wel kunnen herzien om de best beschikbare technieken neer te kunnen gaan zetten. Op dit moment geldt: einde levensduur. Dan heb je niet met prikkels te maken, wat in andere lidstaten misschien wel zo is. Het is een gedachtegang om een stap te gaan zetten richting de 100.000 doelen waar we het net over hadden, maar het moet wel proportioneel.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik word hier gewoon een beetje moedeloos van. We zitten met een historie van allemaal extra regelgeving. We zetten ons compleet vast. Activistische groeperingen zien allemaal redenen om naar de rechter te stappen. Er volgen allemaal rechterlijke uitspraken. Ik word er echt moedeloos van dat dit beleid kennelijk gewoon doorgaat en dat we niet zeggen: we zetten gewoon een streep onder de nationale koppen en we doen gewoon wat nodig is voor Europa en verder niets. Dit wordt één grote ellende in Nederland. Dat is het overigens al.
De voorzitter:
Dat was geen vraag. De heer Heutink heeft een vraag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik wil even op doorgaan op die nationale koppen. We zien waar we nu in beland zijn. Ik wil de minister vragen om een toezegging. Ik wil graag hebben dat hij toezegt dat er geen nieuwe nationale koppen op beleid komen en dat er alles op alles wordt gezet om nationale koppen te schrappen. Of hij dat nou gaat doen of zijn opvolger, maakt niet zo heel veel uit. Dat was al de inzet van het kabinet-Schoof, en dat moet ook de inzet blijven. Ik wil daar graag een toezegging op van de minister.
Minister Tieman:
Het is geen nationale kop. Het is volgens ons de beste manier om invulling te geven aan de Europese richtlijn. Er zijn ook andere manieren om het te doen, maar dit is in onze optiek de juiste. We willen ook gewoon het gesprek verder aangaan. We voeren hier al heel veel gesprekken over met het bedrijfsleven, met VNO-NCW, MKB-Nederland en Vewin, om te bekijken wat mogelijk is. De internetconsultatie is bedoeld om het net op te halen. Als er zaken neergezet kunnen worden, voeren we daarover het gesprek met elkaar.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dit is een hele creatieve manier om iets niet een nationale kop te noemen. Ik heb volgens mij een hele concrete vraag gesteld, namelijk of de minister bereid is om toe te zeggen om geen nieuwe nationale koppen boven op bestaand Europees beleid te zetten en bestaande nationale koppen zo veel mogelijk te schrappen. Ik vraag volgens mij om een hele concrete toezegging. Ik zou daar graag een antwoord op hebben van de minister.
Minister Tieman:
Dan is het antwoord "nee", heer Heutink. Ik geef u geen toezegging.
De heer Schutz (VVD):
Stel dat het een nationale kop is. U had het over andere manieren om het doel te bereiken. De heer Heutink schetste een voorbeeld. Waarom zoekt men in dat voorbeeld het conflict op met regels en toepassingsmogelijkheden als er ook andere mogelijkheden openstaan? Dan zou ik de consultatie veel breder doen en vooral aan drinkwaterbedrijven vragen wat zij de weg vinden om dit doel te bereiken. Dat is anders dan drinkwaterbedrijven feitelijk voor de bus te gooien en ze straks een enorme investeringslast op zich te laten nemen.
De voorzitter:
Dit waren twee interrupties.
Minister Tieman:
We nemen dat mee, heer Schutz. We zijn in overleg met de drinkwaterbedrijven. Het zijn data die mogelijk genoemd gaan worden. Weet dat het aan mijn opvolger is, aan het volgende kabinet, om dit neer te zetten en het gesprek verder aan te gaan. Of de soep dan ook zo heet gegeten wordt, is vers twee. Het moet nog naar de ministerraad. Dit is wat er in voorbereiding is. Een volgend kabinet kan zeggen: wij gaan dit niet doen. Maar ik ga die stap nu niet zetten. Wij zijn op dit moment gewoon nog het een en ander aan het voorbereiden voor een mogelijk gesprek met de markt. Daarna komt het in de ministerraad.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Op pagina 29 van het nieuwe coalitieakkoord staat: onze ambitie blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Gaat de minister nu zelfs in tegen het nieuwe coalitieakkoord? Het hoofdlijnenakkoord heeft dit ook al gemeld en het blijkt dat deze minister daar ook tegen ingaat.
Minister Tieman:
Dat is niet het geval, mevrouw Van der Plas.
De voorzitter:
Ik denk dat we dit nu uitgebreid bediscussieerd hebben, meneer Heutink. Ik heb de minister een paar keer horen zeggen: het is geen nationale kop. De Kamer zegt: het is wel een nationale kop. Nou, dan gaan we er nog even op door.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
De vraag is of de minister nu en in de toekomst nationale koppen gaat schrappen en nu in ieder geval wil zorgen dat er niet nog een bij komt. Mevrouw Van der Plas wijst er net terecht op dat in het hoofdlijnenakkoord en in het regeerprogramma waar deze minister zich aan gecommitteerd heeft nadrukkelijk staat dat we nationale koppen gaan schrappen en dat we er in ieder geval geen meer bij doen. In het nieuwe coalitieakkoord, waar deze minister zich niet aan verbonden heeft, zal dat waarschijnlijk ook staan, begrijp ik van mevrouw Van der Plas. Mijn vraag is dus de volgende. Als de minister zo duidelijk zegt "ik ga niet toezeggen aan de heer Heutink dat ik de nationale koppen niet ga schrappen", wat doet hij dan met zijn regeerprogramma? Waarom wijkt hij daar dan van af?
De voorzitter:
Twee interrupties.
Minister Tieman:
Ik kijk naar proportionaliteit van het een en ander. Dat houden we in ons achterhoofd in de gesprekken die we met het bedrijfsleven voeren, die dit zo meteen ook gaan uitvoeren, om te kijken wat er mogelijk is. We vragen niet om onmogelijkheden, maar dat zal ook allemaal uit die internetconsultatie gaan blijken. Daar zullen allemaal zienswijzen in naar voren komen. Daar wordt u ook in meegenomen. Dan wordt het naar de ministerraad meegenomen, die de handtekeningen gezet heeft onder wat mevrouw Van der Plas net genoemd heeft. Zo wordt die weging gemaakt.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Tieman:
Dank u wel. Mevrouw Vellinga-Beemsterboer van D66 vroeg: hoe kan het vijf jaar duren om een meldplicht te introduceren voor grondwateronttrekkingen? Veel waterschappen hanteren al een meldplicht voor grondwateronttrekkingen. De introductie van een landelijke meldplicht hangt samen met een breder pakket van voorgenomen wetswijzigingen die voortvloeien uit de inbreukprocedure van de KRW. Het gaat daarbij ook om aanvullende vergunningsverplichtingen en om regels die voorschrijven dat toestemmingen regelmatig geactualiseerd worden. Het opstellen en afstemmen van het totaalpakket vergde de nodige tijd. Daar lopen we dus wel iets uit de tijd ten aanzien van wat we dachten, omdat het net wat meer werk is. Het gaat daarbij ook om de gevallen waarvoor precies een meldplicht geldt, want het moet ook uitvoerbaar zijn. Naar verwachting gaat het ontwerpvoorstel in maart, volgende maand dus, in consultatie en wordt het wetsvoorstel later dit jaar naar uw Kamer gestuurd.
De heer Grinwis vroeg: hoe staat het met het overleg over het Grevelingenmeer, met de provincies Zeeland en Zuid-Holland en met de gemeente Schouwen-Duiveland? Liggen beide opties op tafel bij de minister, dus die van verzoeting en die van een tweede doorlaatmiddel bij de Brouwersdam? Ik deel uw zorgen over de Deltawerken. Juist daarom werken wij als Rijk samen met de regionale overheden aan een veilige, gezonde en aantrekkelijke Zuidwestelijke Delta. Zoals afgesproken in het vorige debat met uw Kamer, hebben we een Gebiedsoverleg Zuidwestelijke Delta. Daarbij hebben we ook het gesprek over de Grevelingen gevoerd. De conclusie hieruit is dat een zoet Grevelingen geen oplossing is, noch voor de korte termijn, noch voor de middellange termijn. In dit overleg is door de partners, dus echt de regio, brede steun uitgesproken voor het maken van een doorlaatmiddel. Dat is dus de andere optie. We moeten wel zeggen dat we daar op dit moment geen financiën voor hebben. Ik heb ook het nieuwe regeerakkoord bekeken; daar moet u nog een keer goed naar gaan kijken, om te zien wat we nu precies onder het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds zetten. Dan zou je dat kunnen doen. Het Deltafonds heeft op dit moment onvoldoende financiële middelen voor zo'n doorlaatmiddel.
De heer Grinwis: hoe staat het met de uitvoering van de motie over project Nieuw Monnickendam (36600-J, nr. 23)? De directeur-generaal, die naast mij zit, is naar Monnickendam getogen en heeft daar een goed overleg gevoerd. Wat betreft Nieuw Monnickendam: op 12 september heeft dat gesprek plaatsgevonden, samen met het ministerie van VRO. Er is constructief overleg geweest. De eigendomssituatie is wel complex, maar de gemeente Waterland — dat is waar u woont, voorzitter — beraadt zich op het project. Daar is nu een eerste zet te voorzien.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra vroeg naar de watervoorziening, NPLG en het Veenweideprogramma. Is de minister het met mij eens dat juist de kennis van de grondgebruikers als input gebruikt moet worden om tot oplossingen te komen? Zelf komende uit het waterschap, denk ik dat dat een goed gremium is. Luistert u ook vooral naar die 21 waterschappen. Mevrouw Boelsma, heel veel peilbesluiten zouden daar ook genomen kunnen worden. Dat ligt ook daar. De agrariërs zitten in de verenigde vergaderingen van die waterschappen en hebben daar ook geborgde zetels. Het advies om hun kennis daar op tafel te leggen nemen we uiteraard ter harte.
Mevrouw Van der …
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Boelsma-Hoekstra. Al die "oes"!
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ja, het is wat. Kom je uit Fryslân en dan heb je zo'n achternaam. De vraag is op zich wel beantwoord, maar ik bedoelde ook de kennis vanuit de grondgebruikers — lees: TBO's en agrariërs — en de validering van proeven die daar worden gedaan, want dat miste ik nog weleens. Daar zou je ook gebruik van kunnen maken.
Minister Tieman:
Ja, we nemen dat ook mee. Maar het is ook echt bij de provincie, waar ik dan vervolgens gesprekken mee heb— anders ben ik wel met heel veel partijen in gesprek — over hoe we dat dan het beste kunnen inregelen. Ik heb net een hele ronde KRW gedaan met de gedeputeerden. Die consulteren vervolgens zelf weer de waterschappen, waar dan ook de agrarische stem naar voren moet komen.
Mevrouw Van der Plas vraagt: is de minister bereid vast te houden aan een koers waarin verzoeting, zoetwaterbeschikbaarheid en leefbaarheid in Zeeland centraal staan? Ik maak toch nog even een algemene opmerking. Ik heb wel zoetwater nodig om het vervolgens te kunnen verdelen. Verzilting is op termijn toch enigszins onafwendbaar, kijkende naar de zeespiegelstijging en naar het gebrek aan dat zoetwater. Dat geldt niet alleen voor Zeeland, maar eigenlijk langs de gehele Nederlandse kust. Rijk en regio in de Zuidwestelijke Delta zijn zich hier ook bewust van. Daarom hebben we ook een project, het uitvoeringsproject Elke druppel telt. Ik heb zelf de Zuidwestelijke Delta gewezen op de mogelijkheden om financiële steun te krijgen voor toch een vierde trap van een rwzi als je dat water bij wijze van spreken zou willen gebruiken. Er zijn niet voldoende middelen voor alle 21 waterschappen en alle 315 waterzuiveringen, maar ik heb dit echt onder de aandacht gebracht om hier toch eens naar te gaan kijken. Wij gaan ook het programma Zoetwater herijken en dat advies komt dit jaar naar uw Kamer toe. De uitwerking ervan laat ik wel aan een volgend kabinet. Op korte termijn is het opvangen van regenwater en het behoud van zoetwaterlenzen het belangrijkste in Zeeland, in combinatie met zo'n waterzuiveringsinstallatie voor de wat minder lange termijn, om dat water te gaan hergebruiken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wat is het herijken van het zoetwaterbeleid? Kan de minister daar alvast een beetje inzicht in geven? Want herijken kan zowel de goede als de verkeerde kant opgaan.
Minister Tieman:
Dat is het Deltaprogramma Zoetwater, dat daarover adviseert. Daar komen ook adviezen van naar voren. Nieuwe inzichten, Elke druppel telt, best practices, pilots die daar gedraaid worden binnen bestaande subsidiabele gremia; zo geven we daar vorm aan.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik hoor veel ambtelijke taal. Veel wijzer word ik daar niet van. Nederland staat bekend om de strijd tegen het water, al eeuwen. Ik proef in het antwoord van de minister toch een beetje: verzilting gaat nou eenmaal gebeuren en daar moeten we ons bij neerleggen. Waarom blijven we niet strijden tegen het water, in dit geval ten gunste van zoetwater?
Minister Tieman:
Daar blijven we hier ook tegen strijden. We zien wel een tendens komen dat het allemaal wel uitdagender wordt. Vandaar dat we ook allerlei projecten en studies hebben neergezet. Meebewegen is er daar één van. Meegroeien is er nu laatst bij gekomen. Maar wat dan precies de juiste strategie is, is nog te bezien. We hebben ook havenactiviteiten. Als je meegroeit naar buiten toe, moet het niet zo zijn dat de Rotterdamse haven of de haven van Harlingen bij wijze van spreken niet meer toegankelijk is. Zo maken we wel een stap ten aanzien van de reportages die nu zijn opgesteld. Maar er moet nog wel een beleidskeuze worden gemaakt: wat gaan we nu doen, wanneer en wat gaat het kosten?
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil de minister en zeker ook de ambtenaren van het ministerie er wel even op wijzen dat zowel Zeeland als Groningen de groentetuinen van Nederland zijn. Vele mensen in de wereld worden daardoor gevoed. De pootgoedaardappelsector kan met het pootgoed bijvoorbeeld alleen al 800 miljoen mensen in de wereld voeden, door daarvoor pootgoedmateriaal ter beschikking te stellen. Ik wil heel erg benadrukken dat dat belang echt bovenaan moet staan, ook vanwege onze weerbaarheid qua voedselzekerheid.
De voorzitter:
Dat waren twee interrupties. We spreken hier de minister aan, niet de ambtenaren.
Minister Tieman:
De boodschap is duidelijk. Vandaar ook de rwzi-optie, maar er zijn ook andere zaken. De rwzi-optie is een van de opties. We moeten hier wel voldoende zoet water houden. Het wordt wel een uitdaging. Die uitdaging gaan we aan, met elkaar. We nemen iedereen mee in wat we gaan doen ten aanzien van zowel waterveiligheid als de zoetwaterstrategie. We doen niet voor niks "elke druppel telt". We nemen u absoluut mee in wat er gebeurt, bijvoorbeeld in het Volkerak-Zoommeer. We zijn continu bezig met studies. Maar om nu bij het Pannerdensch Kanaal een regelwerk te maken ... Dat gaat niet helemaal tot aan Zuidwest-Nederland. Dat is ook het probleem. Ik heb wel zoetwater nodig om daar een verdeelsleutel te maken. We moeten het dus echt in de regio gaan zoeken met elkaar om dat hemelwater veel beter te benutten en op te slaan voor een langere periode. Het verdampt ook. Dat zijn de punten: Groningen, maar ook Zuidwest-Nederland, gelet op de weerbaarheid van de voedselvoorziening die in deze regio plaatsvindt.
Mevrouw Van der Plas vroeg: wil de minister voor 25 juni een rondetafelgesprek met technische experts organiseren?
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas heeft in de vergadering al gezegd dat ze dit voorstel ging doen bij de procedurevergadering. Daar hoeft u dus niet op te reageren.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat klopt. Ik heb gezegd dat ik dat zelf ga aanvragen. Die vraag is dus al beantwoord.
Minister Tieman:
Heel goed.
Mevrouw Bromet: incident Amersfoort met kookadvies kraanwater. Zijn het incidenten? Hoe kwetsbaar is onze drinkwatervoorziening voor besmetting en vervuiling? Het aantal meldingen is niet hoger dan in het verleden, maar wel het aantal grootschalige kookadviezen. Drinkwaterbedrijven reageren goed op de incidenten en nemen direct maatregelen om de volksgezondheid te beschermen. De ILT, de inspectie, zal de incidenten ook evalueren. We volgen het op de voet. We zien ook wel signalen vanuit Vewin komen op het gebied van waterkwaliteit. De uitdaging is dus wel groot. Vandaar dat we ook in dit geval zeer zorgvuldig moeten omgaan met de waterkwaliteit. Die heeft namelijk ook effect op de drinkwatervoorziening. Met alle investeringen die deze sector moet gaan maken ... We hebben wat meer ruimte gegeven. Maar dit is volgens mij precies de reden waarom we dit allemaal doen. We moeten toch scherper aan de wind varen binnen wat er mogelijk is, want we willen ook niet het bedrijfsleven wegjagen. We moeten de juiste set maatregelen op de mat leggen.
Mevrouw Bromet: sabotage, de weerbaarheid van de drinkwatervoorziening. Waar staan we voor? Is het leidingstelsel zo ingericht dat we snel straten of wijken kunnen isoleren, desnoods met de hand? Door de geopolitieke situatie neemt het aantal dreigingen toe, ook voor de drinkwatervoorziening. Diverse drinkwaterbedrijven zijn hiermee bezig. We hebben ook een landelijke aftrap gedaan op het gebied van weerbaarheid. De oefeningen waar u het net over had, zijn ook allemaal momenten waarbij je met de andere partijen, in de nabijheid van je toeleveranciers, stappen kunt gaan zetten. Maar op grond van de Drinkwaterwet bereidt de drinkwatersector zich hierop voor. De sector stelt met behulp van verstoringsrisicoanalyses leveringsplannen op. De ILT ziet daarop toe. We zijn nu ook begonnen met het spoor, met de heer Christophe van der Maat. We gaan langs alle kritieke sectoren van de ILT om op een hoger niveau te komen. Zelf ben ik wel voorstander van grootschalige oefeningen, want daar komen ook weer zaken in naar voren. Iedereen is ermee bezig. We hebben een aantal goede sessies gehad. Dit is continu werk in uitvoering.
Mevrouw Bromet, ik ga verder met uw vraag: moeten we voor onze weerbaarheid ook denken aan de collectieve waterzuiveringsinstallaties waar we regenwater in tijden van nood kunnen zuiveren? Dat doen de drinkwaterbedrijven al. Op grond van de Drinkwaterwet bereiden de drinkwaterbedrijven zich hierop voor. Laatst hebben we een video met de directeur van Dunea gedeeld via de socialmediakanalen van het ministerie. De fossiele brandstof voor de generatoren is toereikend voor een lengte van twee of drie weken. Dat varieert per bedrijf. Je hebt dan ook wel een vervolgplanning nodig. Diverse waterschappen, zoals Delfland en Hollandse Delta, zijn aan het bekijken wat de strategie is. Moet je niet wat zaken gezamenlijk inkopen? Wellicht gaat het om een strategische plek voor die extra brandstof voor die generatoren. Drinkwaterbedrijven zijn onze collectieve waterzuiveringen. Zij zijn als beste in staat om te zorgen voor veilig drinkwater. Daarbij wordt ook gekeken naar zo'n verdeelpunt voor wijken en op centrale punten. Daar kunnen burgers dan ook water gaan halen.
Het lid Kostić is hier nu niet aanwezig, maar had een vraag over de conclusie van de Algemene Rekenkamer dat het doel van de drinkwaterbesparing met de huidige maatregelen niet gerealiseerd gaat worden. Zij vroeg welke maatregelen ik heb ingezet en welke ik het volgende kabinet aanraad. Wij hebben niet stilgezeten. Denk aan de uitvoering van het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing. Er wordt met heel veel partners bijvoorbeeld veel energie gestoken in 20% reductie voor bedrijven. De deadline is wel 2035. Als ik terugkijk op de afgelopen twee jaar uitvoering, zie ik mooie stappen, zoals de lancering van Levenmetwater.nl, maar ook pilots, bewust bouwen en waterscans bij bedrijven. Het uitvoeren van die waterscans gaat veelal via de brancheverenigingen. In dit geval is dat de VEMW. Er moeten nog wel stappen gezet worden. We zijn er nog niet. We hebben het advies, de rapportage, van de Algemene Rekenkamer gezien en voor de zomer zal ik u informeren over wat we allemaal gaan doen hieromtrent. We hebben een extra workshop gehouden om elkaar op de hoogte te houden. Voor de zomer kom ik met additionele informatie richting uw Kamer.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra vroeg: kan de minister toezeggen meer werk te gaan maken van de campagne over drinkwaterbesparing? Je zou bijna zeggen: we gaan het potje voor spitsmijden hier neerzetten, want het moet wel zin hebben. Dat ben ik helemaal met de heer Heutink eens. Op het moment dat we geen zoden aan de dijk zetten, moet je ook een conclusie trekken. Hier gaan we wel mee beginnen. We doen dat samen met de drinkwaterbedrijven. Dat zullen we ook gaan evalueren. Er moeten wel meters gemaakt worden, want als het voor de bühne is of als het niet werkt, doen we met overheidsgeld de verkeerde zaken. We gaan de nationale publiekscampagne drinkwaterbesparing met alle betrokken partijen doen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik ben even ... "Verbijsterd" is een beetje overdreven, maar ik hoor helemaal geen enthousiasme bij de minister. Dat is toch wel een teleurstelling. Ik heb in mijn bijdrage geschetst hoeveel impact het heeft. Toevallig hadden we het er tijdens de lunch nog over; meerdere mensen hebben die impact tijdens hun jeugd gevoeld. Als u aan de voorkant al zegt "het moet wel zin hebben", dan weet ik dat het aan de achterkant niet gaat slagen. Dus ik zou zeggen: zet 'm op! Of: geef het door!
Minister Tieman:
Dan interpreteert u mijn woorden wellicht verkeerd, maar ik ben wel van "meten is weten". We gaan er vol enthousiasme in. Ik had twee jaar geleden de 130 liter per persoon per dag en hoe die zich verdelen over de wasmachine et cetera, wat minder op mijn netvlies. Die bewustwording is alleen maar goed. We gaan hier met heel veel experts en veel enthousiasme naar kijken, maar er komt ook een moment van evaluatie, zoals we dat bij alle publieke campagnes doen. Daarop moet wel tractie komen. Dat kun je nog een tweede kans geven, maar uiteindelijk geldt: meten is weten.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Hoe gaat de minister er dan voor zorgen dat ik niet straks na afloop van een campagne opnieuw schriftelijke vragen moet stellen omdat het weer een fiasco was, we drie ton verder zijn en we daarmee dus van de regen in de drup zijn gekomen? Hoe gaat de minister dat dan voorkomen?
Minister Tieman:
Door een goede campagne te voeren. Dat is één ding. Maar ik wil ook echt wel de evaluatie daarna doen. We gaan er dus met goed enthousiasme in, maar als we met alle kennis en kunde geen tractie weten te maken — "betutteling" is wellicht een woord — en het heeft wel zin, dan heb je het niet nodig. Maar kijkende naar de 20% in 2035 en kijkende naar het potentieel, is dit wel iets waar we onze schouders onder gaan zetten met relatief weinig geld.
De voorzitter:
De campagneslogan is er alvast.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
"Van de regen in de drup." Ik had 'm zelf kunnen verzinnen, voorzitter. Kijk, het gaat wel weer over belastinggeld. Ik weet natuurlijk niet hoeveel geld eraan gespendeerd gaat worden — misschien kan de minister dat nog zeggen — maar als we vooraf niet weten of het effect heeft, we er wel weer opnieuw belastinggeld tegenaan smijten en dan achteraf moeten gaan kijken of het zinvol is geweest, dan is dat volgens mij not the way to go. Volgens mij moeten we zeker weten dat het effect gaat hebben. Anders moet je het gewoon niet doen. Dan kunnen we dat geld, denk ik, beter besteden aan andere dingen die ook heel erg belangrijk zijn.
Minister Tieman:
Ik ga u wat meer informatie doen toekomen over deze campagne, ook kijkende naar het spitsmijden — ik weet dat het behoorlijk in the picture is gekomen — en over de argumentatie hierachter. Laten we met elkaar echter scherp zijn op dit soort campagnes, want als het geen zin heeft, moeten we die niet te lang door laten gaan. Maar wij gaan niet iets beginnen als we aan de voorkant al weten dat het geen zin heeft. Daarin ga ik helemaal mee met mevrouw Boelsma-Hoekstra. Ik geef u wat meer informatie. Ik hou u ook op de hoogte van dit soort campagnes. Dat is dan niet over een jaar of twee. Het moet wel wat tractie hebben. We gaan aan de voorkant, met de brief die ik u doe toekomen, al wat meer informatie geven over wat onze uitgangspunten waren. Dan worden we met elkaar veel enthousiaster.
De voorzitter:
Kan u voor de toezeggingenlijst aangeven wanneer die brief komt?
Minister Tieman:
Die kan ik u binnen een maand doen toekomen.
De voorzitter:
Mevrouw … Boelsma-Hoekstra. Ik blijf maar … Ik moet oefenen, maar u krijgt het woord.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Waarschijnlijk went het wel!
Dank voor die toezegging. Ik denk dat de kosten wel voor de baten gaan, dus ik zie dit wel als een heel zinvolle campagne. Ik hoop dus dat het enthousiasme dat ik probeer over te brengen ook bij u overgebracht wordt. U zei al dat het daar landt.
Minister Tieman:
Helder.
De voorzitter:
Vervolgt u de beantwoording.
Minister Tieman:
We waren bij mevrouw Boelsma-Hoekstra. Zou de minister in kaart kunnen brengen hoe we de eindeloze bezwaarprocedures kunnen inperken? Ik kijk ook nog heel even naar het rapport van Wennink. Daarin worden ook adviezen gegeven over de bezwaarprocedures en daarin wordt gesteld dat die eigenlijk gelimiteerd zouden moeten gaan worden. Ik laat het ook aan de volgende club om die zaken verder handen en voeten te gaan geven, maar daarin staan wel beperkingen ten aanzien van de bezwaarprocedures genoemd. Het realiseren van een drinkwaterwinning heeft potentieel een grote invloed op de leefomgeving. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht staan besluiten open voor beroep en bezwaar, dus daar hebben we het nu wel mee te doen met elkaar. Dit biedt zeker ook versnellingsmogelijkheden. In Brabant en Overijssel wordt nu gewerkt aan de inzet van projectbesluiten. Er wordt ook gewerkt aan een rapportage van het Actieprogramma beschikbaarheid waterbronnen. De knelpunten bij vergunningverlening worden hierin ook meegenomen. Deze worden in het BO, Bestuurlijk Overleg, Water van 4 april vastgelegd. Ik kan u toezeggen deze te delen met de Kamer.
De heer Schutz: wat is de stand van zaken van de toezegging om te onderzoeken welke sectoren afhankelijk zijn van drinkwater en wanneer ontvangt de Kamer deze resultaten? Het is belangrijk dat bedrijven die drinkwater nodig hebben dit ook geleverd krijgen. Het motto blijft: het juiste water voor het juiste gebruik. Heeft iedereen drinkwater nodig, of zouden bedrijven ook een demiwaterregeling kunnen treffen, al dan niet met voorzuivering op eigen terrein, of is het gewoon makkelijk dat je drinkwater gebruikt? Is het al eens goed onderzocht? Sinds de zomer van 2024 zijn de drinkwaterbedrijven bezig met het in kaart brengen van de zakelijke afnemers. Er wordt in kaart gebracht hoe deze te typeren zijn, hoeveel water ze gebruiken en of ze ook daadwerkelijk drinkwater nodig hebben. De drinkwaterbedrijven beschikken als enige over die gegevens, maar het is toch wat lastiger dan we dachten. Ik overleg daarover met de sector. Wanneer er meer gegevens beschikbaar zijn, kunnen we pas een volgende stap zetten. Ik heb even geen tijdlijn, maar kijkende naar de eerdere deadline, zijn we hier wel druk mee bezig. Ik hou het op zo'n zes maanden, waarna we in hier in ieder geval over rapporteren. Als het tot niks leidt, weet u dat in ieder geval ook. Maar we moeten die scherpte met elkaar zoeken. Ik noem 20% in 2035, zodat ook investeringen in demiwater in plaats van drinkwater gedaan kunnen worden. Daar heb ik de sector wel bij nodig. We zijn ermee bezig.
De voorzitter:
De heer Heutink heeft een vraag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Hoe verhoudt zich dat dan tot de leveringsplicht vanuit de Waterwet richting drinkwaterbedrijven?
Minister Tieman:
Het gaat hier om de bedrijven die het echt nodig hebben. Het zijn bedrijven die wellicht een demiwatermogelijkheid hebben maar die nu gewoon drinkwater gebruiken omdat de infrastructuur er ligt of omdat het makkelijk is. Maar op het moment dat het verplicht is volgens de Drinkwaterwet, zie ik eigenlijk geen handelingsperspectief om daaraan te gaan tornen qua veiligheid. Het moet wel allemaal in dat plaatje passen.
De heer Schutz (VVD):
Duidelijk antwoord van de minister. Een vervolgvraag: kan hij iets zeggen over de aard van de complexiteit van datgene waar hij tegenaan is gelopen? Waar hangt het op?
Minister Tieman:
Ik kom daar in de tweede termijn op terug.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
De Drinkwaterwet stelt dat drinkwaterbedrijven de primaire taak hebben om voldoende drinkwater van goede kwaliteit te leveren aan consumenten en andere afnemers. Dat is dat brede begrip. Andere afnemers kunnen dus ook bedrijven zijn. Ik snap het uitgangspunt, maar als we dit doen, komt dat dan niet op gespannen voet te staan met dit uitgangspunt in de Drinkwaterwet?
Minister Tieman:
Dat ga ik wel vermijden. Het is nu echt laaghangend fruit: welk bedrijf kunnen we, zonder dat we inbreuk maken op die wet, ertoe verleiden om over te stappen op een andere vorm? Dat gaat dan om bedrijven die geen waterkwaliteit van die hoogte nodig hebben maar waarbij bijvoorbeeld demiwater mogelijk is. We hebben nu ook een groot project in Emmen, De Ultieme Waterfabriek. Daar is een heel consortium waaronder het bedrijfsleven, Royal Haskoning et cetera, bezig om te kijken wat we nog zouden kunnen doen. Want soms kun je met een additionele zuivering toch op een demiwaterniveau komen zonder dat je op het niveau van drinkwater hoeft te komen. Ik denk dan niet aan de voedsel- en drankenindustrie. Daar is in mijn optiek geen discussie over. Het gaat ook echt om de besparingen daarna, een ander type water en het hele palet. Maar we hebben wel te maken met voedselveiligheid. Daar gaan we niet aan tornen.
De voorzitter:
Zit u nog steeds in het blokje zoet water, of is het bijna klaar?
Minister Tieman:
Nog twee en dan ga ik naar de volgende. De heer Schutz vroeg: waar zitten volgens de minister de knelpunten? Wat is er nodig om de procedures samen met de provincies te versnellen? Het proces van plan tot oplevering van nieuwe drinkwaterwinning kost inderdaad veel tijd. In de voortgangsrapportage van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen, die in het Bestuurlijk Overleg Water van 4 april wordt besproken, zullen de knelpunten bij de vergunningverlening aan de orde komen en ook de mogelijkheden om die op te lossen. Er zijn verschillende knelpunten, zoals stikstofruimte of een afweging van andere belangen. Ik kan u toezeggen dat deze rapportage met de Kamer gedeeld gaat worden.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer vroeg wat voor maatregelen de minister neemt om brakwaterwinning of ontzilting mogelijk te maken. U had het ook over een voorbeeld van Brabant Water. Ik ben bekend met het voorbeeld om van brak water zoet water te maken, in dit geval drinkwater. Er zijn diverse plekken waar drinkwaterbedrijven proeven uitvoeren op het gebied van ontzilting. Als onderdeel van het NWP is het voornemen om het gehele hoofdwatersysteem een drinkwaterfunctie te geven. Daarnaast is het ook nodig om een aanpassing van het Besluit kwaliteit leefomgeving te realiseren. Dat is nu geënt op een situatie waarin je drinkwater maakt van zoet water. Dat is dan zo'n knelpunt. Als we dat beslechten, heb je meer handelingsperspectief wanneer het niet om zoet water gaat. We hebben hier ook ervaring mee op de eilanden.
Tot zover dit kopje.
De voorzitter:
Dank u wel. Dit waren de vragen over zoetwater. Als niemand daar vragen over heeft, kunnen we door naar het volgende kopje, namelijk wateroverlast. O, meneer Schutz heeft nog een vraag.
De heer Schutz (VVD):
Zit koelwater in varia?
Minister Tieman:
Daar kom ik op terug.
De voorzitter:
Koelwater komt nog. Wateroverlast.
Minister Tieman:
De heer Grinwis had het over het gemaal IJmuiden. Ik heb u een brief doen toekomen, ook met een bandbreedte van de kosten, gewoon om look en feel te geven zonder dat we ons daarmee op achterstand zetten voor de komende aanbesteding. Wat die komende aanbesteding betreft hebben we wel ook het pleidooi van mevrouw Vellinga voor die additionele middelen nodig in de documentatie die ik ook gezien heb. Laat daar geen misverstand over zijn, want we praten over enorme bedragen. We praten ook over een tijdspanne. Mij wordt gevraagd wat daar te lezen is. Op dit moment ga ik ervan uit dat die 1,1 miljard ook te realiseren is vanuit zowel het Deltafonds als het Mobiliteitsfonds, want anders hebben wij onvoldoende middelen voor het gemaal IJmuiden. We gaan natuurlijk ook nog goed kijken naar de financiering. Ik heb de heer Verdaas, onze deltacommissaris, ook meegegeven om creatief te kijken naar alternatieve bekostiging, maar dit zijn wel enorme bedragen. De druk op het Deltafonds is gewoon groot. En dan heb ik het nog niet eens over dezelfde investering die we ook in de Afsluitdijk zouden moeten gaan doen. Dat zijn de twee hoofdthema's op het gebied van de veiligheid, die daar op gespannen voet met elkaar staan.
Ik zie op dit moment geen mogelijkheden om dit te versnellen. De heer Grinwis meldde dit ook. We hebben een projectbesluit, we hebben een planfase, we hebben een aanbesteding, we hebben milieuvergunningen. Stel dat het geld vandaag op mijn rekening zou staan, dan heb ik tien jaar nodig. Dat zijn gewoon de doorlooptijden. Daar ligt het niet aan en ook niet aan de hoeveelheid mensen die hierop zitten. We zijn op dit moment nog bezig met een tweetal varianten. We begonnen met tien varianten. We zijn bezig met de waterschappen, die hier nauw bij betrokken zijn; ik denk dat we daar misschien ook nog een beroep op gaan doen voor een stukje bekostiging. Die gesprekken lopen allemaal nog, maar het is een complex verhaal, want de winkel is open, terwijl we straks ook gaan verbouwen. We kunnen het spuigemaal niet uitzetten; daar zitten 4 miljoen mensen achter. Qua importantie is hier dus geen discussie over. De zaken komen allemaal uit 1940. Het is dus ook logisch dat het einde van de levensduur in zicht komt. Dat is dus mijn antwoord op die vraag, ook van mevrouw Vellinga-Beemsterboer, ten aanzien van versnelling.
Extreme regen: is de minister het ermee eens dat alle kwetsbare gemeenten noodplannen moeten hebben voor zulke overstromingen? Gemeenten werken zelf aan lokale stresstesten en de risicodialogen. Het is aan de veiligheidsregio en de inliggende gemeenten om zich voor te bereiden op de mogelijke risico's. Na de extreme bui in Enschede in 2024 zien we ook dat we nog veel meer van dit soort wijken hebben. Ik zal contact opnemen met mijn collega van Justitie en Veiligheid. We betrekken dit ook bij de Nationale Aanpak Wateroverlast, die we aan het einde van 2026 zullen opleveren.
Mevrouw Vellinga: "Daarnaast benoemt de OVV, de Onderzoeksraad voor Veiligheid, ook een lijst maatregelen die de minister kan nemen in een nationale aanpak, zoals de grotere rioolcapaciteit, informatie over grondwaterstanden et cetera. Ik begrijp dat de minister deze aanpak aan een volgend kabinet laat, maar kan hij ook alvast toezeggen dat er een voorbereiding in gang is gezet?" Die toezegging kan ik doen. De voorbereidingen zijn in volle gang gezet. In de Kamerbrief over wateroverlast van november 2025 ben ik ingegaan op de effecten van een grootschalige regenbui en de lopende acties tegen wateroverlast. Het komende jaar wordt er gewerkt aan het verder in kaart brengen van de gevolgen van extreme regen. Dat was ook aangekondigd in de brief. We zijn daarmee bezig met de waterschappen, met het IPO en met de VNG. Eind 2026 laat ik de resultaten van die Nationale Aanpak Wateroverlast aan de Kamer zien.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer: wat is de rol van de Natuurherstelwet in het tegengaan van wateroverlast en hoeveel geld besparen we met groene maatregelen? Dit jaar wordt onder leiding van LVVN een natuurplan opgesteld. Het onderdeel bebouwd gebied wordt door het ministerie van VRO uitgewerkt. Er wordt dus wel samengewerkt in dit geval. Op dit moment zijn er nog weinig kwantitatieve gegevens over een mogelijke besparing te melden. Er is wel bekend dat de natuurinclusieve oplossingen lokaal kosteneffectief kunnen zijn door hun meervoudige baten. Wordt vervolgd, zou ik zeggen.
Mevrouw Bromet vroeg: wat is de reactie van de minister op de uitspraak van Greenpeace in Bonaire? Er is vandaag een brief naar u onderweg vanuit het kabinet. Dat is niet al meteen een hele duiding. Die laten we over aan het volgende kabinet. Maar dit geeft u al wel wat informatie over een aantal zaken: mitigatie, klimaatadaptatie. Het eiland ligt laag. Dat is een behoorlijke opgave. We hebben met elkaar vorige week een scherpe uitspraak gezien. Dit gaat nog heel wat voer voor discussie opleveren. Eerst zijn wij bezig met de nadere en zorgvuldige bestudering van de uitspraak.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Heeft de minister op Twitter het draadje gezien van de Volkskrantjournalist Maarten Keulemans over deze uitspraak?
Minister Tieman:
Dat heb ik nog niet tot mij genomen, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan wil ik de minister verzoeken dat toch te doen en daar in de tweede termijn op terug te komen. Deze journalist stelt namelijk hele goede vraagtekens bij deze uitspraak.
Minister Tieman:
Dat zal ik doen. Weet dat de kabinetsreactie geen duiding is. Die is echt aan het volgende kabinet, maar ik neem tot nu toe alles mee. Die brief is, wat ik net heb begrepen, onderweg naar u. Die is er al, hoor ik van de griffier.
De voorzitter:
De brief is er al, dus die kunt u lezen. Mevrouw Van der Plas, u wilt dat de minister het Twitterdraadje gaat lezen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, dit is een wetenschapsjournalist. We hebben de wetenschap altijd hoog in het vaandel staan. Ik zou dat inderdaad graag willen. Kortgezegd is zijn conclusie: "Wat. Een. Broddelwerk". Ik wil wel graag een reactie van de minister.
Minister Tieman:
Ik zal het Twitterdraadje gaan lezen, mevrouw Van der Plas.
De voorzitter:
Zit u nog steeds in het blokje …
Minister Tieman:
Waterveiligheid.
De voorzitter:
Nou, kijk. We gaan overstappen van het blokje wateroverlast naar waterveiligheid.
Minister Tieman:
De heer Grinwis vroeg hoe de motie tot verkenning van het verkorten van de doorlooptijd van de projecten is ingevuld. Op welke wijze zijn de waterbouwers betrokken bij de herijking? Is het tot nu toe niet te veel een intern proces geweest? Versnelling van onze waterveiligheidsprojecten is een terecht punt van de heer Grinwis. Zelf was ik eerder deze week aanwezig bij de Meanderende Maas om ook juist over die versnelling te praten. De uitvoering gaat goed. We zitten echt in de planfase daarvoor, waar je toch een aantal zaken zou kunnen neerzetten. Dat is ook behoorlijk complex. Vorige week woensdag was dat werkbezoek.
De uitwerking van deze thema's worden gedaan in afstemming met de Taskforce Deltatechnologie. Hierin zitten zowel de NLingenieurs, de Vereniging van Waterbouwers, als Bouwend Nederland, om toch die versnelling te gaan realiseren. Zelf denk ik dat het project Meanderende Maas een goed voorbeeld is van alles, waaronder verschillende waterschappen, bij elkaar te betrekken bij een enorm project en daar dan ook echt het net op te gaan halen met een evaluatie. Waar zou het nog sneller kunnen? Ik denk zelf dat daar nog echt wel wat stappen te maken zijn. Zo draagt het verruimen van een fastlane — Engelse terminologie — de vereenvoudiging van het projectbegeleiding en het maken van projectafspraken aan de voorkant bij aan de reductie van bureaucratie. Maar hoe wij de milieuwetgeving af en toe ingeregeld hebben, is wel een behoorlijk complexe puzzel. Vandaar dat ik om dit soort projecten te kunnen versnellen, ook echt stappen moet gaan maken met het advies van Wennink, zonder afbreuk te doen aan bepaalde momenten van inspraak uiteraard.
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Boelsma-Hoekstra.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, het gaat steeds beter. Hoor ik de minister goed dat hij eigenlijk zegt dat de waterbouwers en andere sectoren nog steeds betrokken worden bij de uitvoering? Dat is een feit?
Minister Tieman:
Ja, dat is een feit. Ik heb ook de presentatie van afgelopen week even meegenomen. Als je wilt versnellen, versnel dan in het voortraject. Dat is in dit geval, en ik denk ook bij heel veel andere projecten, grondverwerving. Een grondbank, ja. Ik noem ook projectbesluiten en vergunningen. Over het vergunningsproces en wat daar nog in het vat zit, had ik het zonet nog in het kader van de heer Wennink. En zorg voor een sterke projectorganisatie die adaptief kan werken. Timmer niet alles aan de voorkant dicht. Dat zijn een aantal lessen die voor dit soort projecten geleerd zijn van Meanderende Maas. Wij hebben zelf ook een portfolioaanpak, met treintjesvorming, en een tweefasenaanpak. Het zijn allemaal manieren om het sneller en efficiënter te kunnen doen met elkaar. Dit is in mijn optiek gewoon de nieuwe manier van werken, die je gewoon moet toepassen. Anders loop je enorm uit de tijd en ook uit de kosten.
Dan de heer Grinwis, die zei dat hoogwaterbeschermingsprojecten scherper beoordeeld moeten worden. Wat voor wijzigingen zijn daarvoor nodig en wil de minister hierop ingaan? Beheerders van waterkeringen beoordelen periodiek in hoeverre de dijktrajecten voldoen aan de normen. Dat zijn de waterschappen en Rijkswaterstaat, en niet het HWBP. Zij hebben een rol zodra een project versterkt wordt. Het leidende principe is inderdaad: scherp beoordelen en robuust versterken. Het beoordelen wordt nu continu gemonitord en verbeterd en is daarmee continu in ontwikkeling. Momenteel verken ik ook of een adviesteam kan helpen bij het scherper maken van deze beoordelingen. Daarnaast zijn er een aantal acties opgenomen in de bestuurlijke afspraken over de herijking van het Hoogwaterbeschermingsprogramma, die ervoor zorgen dat projecten scherper in het HWBP komen. Denk daarbij aan het scherper maken van de scope voordat het in een project komt, bijvoorbeeld via een ingangstoets.
De heer Grinwis vroeg ook of er al zicht is op de concrete ruimte voor projecten met dijkverleggingen. Ruimte voor de Rivier werkt dit jaar toe naar twee besluiten. Het ene is een besluit om maatregelen te treffen om te voorkomen dat de rivierbodem nog verder daalt. Dit gaat met name in op de aanleg van een meergeulensysteem op de Waal. Hiervoor is ruimte nodig. Daarnaast worden dit jaar ook voorstellen voorbereid voor het ruimtelijk reserveren van bepaalde gebieden. Daarbij brengen we in kaart in welke delen van de rivier dijkterugleggingen en een bypass nodig zijn. We zijn ook met de medeoverheden bezig om hieraan vorm te geven.
Mevrouw Vellinga en de heer Schutz vroegen naar de normaanpassingen. Dat is een belangrijk thema. We hebben hier te maken met een proces dat al een tijd in gang is gezet en met een overlijdensrisico van 1 op 100.000. Dat is in heel Nederland hetzelfde. We hebben ook te maken met meerlaagse veiligheid. Hierbij is Deltares, maar is ook de Deltacommissaris, niet over één nacht ijs gegaan. Ik heb ze betrokken bij de situatie ten aanzien van de eilanden. Die gesprekken zijn nog niet klaar. Ik heb een tweetal gesprekken gevoerd. Een van die gesprekken was in Lemmer, met het waterschap in kwestie maar ook met de gedeputeerde en de vertegenwoordiger van het eiland. Het andere gesprek was in Den Haag. Die normering wil ik ten aanzien van de berekeningen die zijn toegepast op die 1 op 100.000 niet laten verschillen per regio. Ik zie wel ruimte in bijvoorbeeld die meerlaagse veiligheid, de evacuatie en de samenredzaamheid om op het eiland te blijven. Dit is zo gekomen nadat we een evacuatiefractie anders hebben ingezien naar aanleiding van additionele kennis en kunde, om vooral op het eiland te blijven, in een hoger gelegen gebied. Over die samenredzaamheid is het laatste woord nog niet gezegd, maar aan die normeringen zou ik niet willen gaan tornen. Ik zou die niet bijvoorbeeld in Limburg willen laten verschillen van de Randstad.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dit raakt mij heel erg. Tot drie maanden geleden was ik wethouder op een eiland, en was het verhaal altijd: op het moment dat er een grote overstroming is, moeten wij het een hele tijd met elkaar redden. Ik hoor de minister nu toch een aantal dingen door elkaar gooien. Hij heeft het over samenredzaamheid, over zelfredzaamheid. Die plannen zijn nog helemaal niet klaar, hoor ik, en toch besluit hij al tot een verlaging van de dijknormering, wat met name voor Schiermonnikoog — de bestuurders en raadsleden van Schiermonnikoog zitten hier op de tribune, net als mensen van het Wetterskip — hele negatieve gevolgen heeft. De minister overweegt dit voor een aantal plekken in Nederland, maar we lezen in zijn brief dat hij het alleen voor de Waddeneilanden al definitief heeft gemaakt. Ik begrijp niet hoe dit zit. Er moeten nog plannen gemaakt worden voor de meerlaagse veiligheid, zoals hij zegt. Dan lijkt het mij niet verantwoord om de dijknormen al naar beneden te gooien.
De voorzitter:
Dat telt als twee interrupties.
Minister Tieman:
Ik kom hier in tweede termijn op terug, mevrouw Vellinga.
De heer Schutz (VVD):
Ik heb een vraag in het verlengde hiervan. Ik heb in de eerste termijn gevraagd om vooral te overleggen met de mensen zelf. U gaf aan dat u al bestuurlijk overleg had met het Wetterskip, maar spreek ook vooral met de mensen daar. Daar wordt gesproken over verticaal evacueren. Verticaal evacueren is geen beleidskeuze, maar een uiterste noodgreep. Ik ben gisteren in Ouwerkerk geweest. Daar ging het in 1953 heel vaak mis. Mensen zijn daar toen onderkoeld van hun huis afgewaaid, in het water terechtgekomen en overleden. Die maatstaven moeten voor iemand op Schiermonnikoog hetzelfde zijn als voor iemand in Limburg, bij mij in Zeeland of waar dan ook. Ga dus alstublieft in gesprek met die mensen om hen mee te nemen en heroverweeg dan samen hoe deze route aan te vliegen.
Minister Tieman:
Ik neem dat ook mee in tweede termijn.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik wil hier even op aansluiten. Ik had in eerste termijn gevraagd om een toezegging om dit niet toe te passen. Nou, die geeft u dus niet, als ik het zo beluister. Wat mij zorgen baart, is ... Ik begon mijn betoog met te zeggen: maak gebruik van de kennis en kunde van ons als Kamerleden in de regio's. Mijn buurman en buurvrouw zeiden het net echter ook al: er is ook heel veel kennis en kunde op het eiland, dus maak daar gebruik van. Er zijn al investeringen gedaan. Dat punt is nog niet aan bod geweest. Ik zou heel graag van de minister willen horen hoe het proces verloopt. Komt het ter inzage? Is het een ministerieel besluit? Zijn wij dan uit beeld? Of schets ik het zo verkeerd?
De voorzitter:
Twee interrupties.
Minister Tieman:
Ten aanzien van de laatste vraag: het gaat in dit geval om een ministerieel besluit, dus dan is het alleen de minister die hier een besluit over neemt.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording.
Minister Tieman:
De heer Schutz vroeg hoe je de robuustheid van het meegroeien meet in vergelijking met de waterbouwkundige oplossingen voor wat betreft waterveiligheid. Maatregelen voor waterveiligheid worden altijd vooraf ontworpen: naturebased, technisch of combinaties daarvan. Maatregelen moeten wel voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Ze worden daar vooraf ook op getoetst. Hierbij wordt gebruikgemaakt van wetenschappelijke modellen, instrumenten en handleidingen. Na afronding van het rapport over de zeespiegelstijging, medio 2026, dus dit jaar, worden de mogelijke keuzes in ons beleid verder uitgewerkt. We hebben nu een viertal varianten en daar worden dan mogelijke keuzes bij neergezet. Meegroeien is een van de vier mogelijkheden. U wordt dus nog nader geïnformeerd over hoe dit proces verdergaat nadat het rapport over de zeespiegelstijging medio dit jaar is afgerond.
Mevrouw Van der Plas vroeg: welke concrete verbeteringen ziet de minister om het Hoogwaterbeschermingsprogramma beheersbaar, doelmatig en solidair te houden richting 2050? Ik ben heel blij dat de bestuurlijke afspraken rondom de herijking zijn gemaakt. We zetten in op een betere sturing door meer regie op de programmering van het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Deze afspraken worden in 2026 uitgewerkt bij de waterprogramma's, met de waterschappen en de programmadirectie Hoogwaterbeschermingsprogramma.
Mevrouw Bromet vroeg hoe de ontwikkelingen in Duitsland worden meegenomen in het Nederlandse waterveiligheidsbeleid. Dat doen we samen met de rivierencommissie en in de bilaterale, regionale grensoverschrijdende overleggen. In de afvoerstatistiek voor het berekenen van de benodigde dijkhoogtes en de sterktes wordt rekening gehouden met de dijkversterkingen in Duitsland. In Nederland wordt dus rekening gehouden met de dijkversterkingen. Door middel van onderzoek naar dijkversterking, normering en retentiemaatregelen houden wij zicht op de ontwikkelingen bij onze buren, die ook van effect zijn voor ons. Op 3 december jongstleden heeft Nederland een nieuwe samenwerkingsovereenkomst met de Arbeitsgruppe Hochwasser van Noordrijn-Westfalen getekend. Dat is een bilateraal samenwerkingsverband gericht op de waterveiligheid in het grensgebied van de Rijn.
De voorzitter:
Ik zie u een ander mapje pakken, dus volgens mij gaan we nu naar de Kaderrichtlijn Water.
Minister Tieman:
Dat klopt.
Ik ga hier eerst toch een paar punten neerzetten. Ik kom dan uit bij de heer Heutink, die ik de laatste jaren zeer actief op dit dossier heb zien spreken, en een paar punten waar ik toch ook wel in beweging ben gekomen. Maar ik zet eerst kort en krachtig het algemene verhaal neer. Schoon en gezond water gaat mij aan het hart en ik ben blij dat u hier in de Kamer zo veel aandacht heeft voor de waterkwaliteit. U heeft veel vragen gesteld en voordat ik die allemaal ga beantwoorden, wil ik kort nog wat anders zeggen.
Ik ben blij dat we met alle waterbeheerders zo hard aan waterkwaliteit werken. Wijzelf, maar ook de provincies, de waterschappen en de gemeenten, nemen steeds meer maatregelen voor schoner water. We zijn bezig met een eindsprint richting 22 december 2027. We richten ons daarbij op het tijdig herzien van vergunningen, aanlegmaatregelen, zoals die om oevers natuurvriendelijker te maken, en het aanleggen van vispassages.
Dat is op stoom. We behalen ongeveer zo rond de 83%, zoals u ook heeft kunnen vernemen in de technische briefing van vorige week dinsdag of woensdag. Ik weet het niet meer exact, maar daar heeft u kunnen zien hoe die naald in beweging is. Maar het neemt niet weg dat we die eindsprint, ook al gaan we nu echt springen, niet gaan halen. Laat dat helder en uitgesproken zijn door mij. Als we die 100% niet halen, kunnen we toch nog wel voldoen aan de Kaderrichtlijn Water door ons te beroepen op de legitieme uitzondering. Ik kom daar zo meteen nog heel eventjes op terug naar aanleiding van wat de heer Heutink daar net over heeft gezegd. Ik denk dan bijvoorbeeld aan vervuiling die uit het buitenland komt. We zijn voortdurend in gesprek met de Europese Commissie over de voortgang bij de Kaderrichtlijn Water. Tot slot, de Kaderrichtlijn Water is behoorlijk technisch en daarom heeft u ook een sessie gekregen.
Mevrouw Kostić is nu weg, maar voordat ik bij de heer Heutink aankom, wil ik afsluiten door stil te staan bij haar opmerking dat deze minister eigenlijk weinig heeft gedaan. Ik heb me dat namelijk toch wel aangetrokken. Ze is er nu niet, maar ik ga haar binnenkort blij maken met wat we gedaan hebben aan vislood. Afijn, dan wilde ik even meegeven. U heeft in het verleden namelijk heel wat uren over vislood gesproken en met name mevrouw Kostić heeft zich daar hard voor gemaakt.
De heer Heutink noemde een aantal zaken die de laatste jaren de revue zijn gepasseerd en daardoor ben ik in ieder geval wel scherper geworden op een aantal zaken. Maar ik merkte dat de heer Heutink, wellicht door de campagnewerkzaamheden, bij een aantal zaken toch weer wat verder weg is gekomen van het onderwerp. Het is heel goed dat hij er nu weer in duikt, maar hij is nog wel een beetje roestig en dan met name bij het "one out, all out"-principe. Ik ga u daarover daarom nog het een en ander duidelijk maken in een brief, want ik wil eigenlijk dat we na drie jaar debatteren over het "one out, all out"-principe wat duidelijkheid krijgen. Wat betekent dit nou precies? Want anders heeft u het hier de komende drie jaar weer over.
Mevrouw de voorzitter, als ik het even mag afmaken, noem ik nog een paar andere zaken. De heer Heutink had ook iets kunnen zeggen over die 32 miljoen euro subsidie voor rwzi's om de nutriënten naar beneden te krijgen, of de tweefasenaanpak die ik net heb genoemd, of de uitvoeringsregeling voor het Besluit kwaliteit leefomgeving. Maar hij had ook de extra uitzonderingsgronden kunnen noemen, die u terecht heeft aangekaart en waar wij vervolgens ook op hebben geacteerd. Dat zijn allemaal zaken die we gedaan hebben. En dan is er ook nog die 135 miljoen euro voor UPPWATER om pfas aan te pakken. Dat zijn allemaal voorbeelden.
Er zijn nog een paar punten waarop we de scherpte de komende tijd echt nog wat moeten gaan opvoeren. Dat betreft de uitzonderingsregelingen. Hoe goed hebben we die nu allemaal in zicht? Met die 83% van de 100.000 doelen kom je een eind, maar we zijn ook bezig met bekijken wat je er allemaal af kunt gaan halen, waaronder de buitenlandbelasting. Dat zijn legitieme zaken. Ik wil niet de risico's bagatelliseren die er zijn. U heeft ook het rapport van de landsadvocaat gekregen, zij het onder embargo, want het is vertrouwelijk. Ik zie best nog wat handelingsperspectief en dan komen we zo meteen in de fase dat we ons echt moeten gaan wapenen voor juridische procedures. Dat is bij de waterschappen en bij de gemeenten nu volop in gang. Ik heb een ronde gemaakt. Ik heb een accent willen zetten om die naald nog even in beweging te brengen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Nou wordt het helemaal mooi: dat een minister een Kamerlid uitmaakt voor "roestig" hebben we nog niet eerder meegemaakt. Maar goed, natuurlijk zijn er stappen gezet op de KRW. En natuurlijk is het doelbereik 83%, maar onderschat mijn kennis niet, zeg ik tegen de minister, want de wijze van presenteren ... De optie die er nu naast is gelegd door de Europese Commissie gaat specifiek in op parameters waardoor je beter zicht hebt op wat nu de stand van zaken in het water is. Dat begrijp ik helemaal. Dat is hartstikke fijn en leuk om te weten waar je staat.
Voorzitter, ik ga gewoon twee interrupties gebruiken; maakt u zich maar geen zorgen. Maar feit is ook dat het juridisch bindend zijn van "one out, all out" nog steeds als een paal boven water staat in de KRW. Die hele KRW is gestoeld op "one out, all out". Feit is ook dat de minister nu al zegt dat we ons mogelijk moeten voorbereiden op juridische stappen. Dat betekent dat er ergens een haakje aan zit waarop we worden afgerekend. De minister kan dus wel zeggen "het is een manier van presenteren en Heutink is vanwege de campagne een tijdje weggeweest en hij is een beetje roestig" … Nou, voorzitter, ik wil voorkomen dat we zo meteen in een nieuwe stikstofcrisis gaan belanden en daarom al die woningen niet kunnen gaan bouwen, dat we al die infrastructuur niet kunnen gaan aanleggen en dat we geen nieuwe drinkwaterbronnen kunnen gaan slaan. Ik mag dan misschien een beetje roestig zijn, voorzitter, maar ik wil niet dat Nederland kapotgaat en ik hoop dat de minister dat met mij deelt.
De voorzitter:
Uw interrupties zijn nu op.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Mooi.
Minister Tieman:
Dat deel ik met de heer Heutink; laat dat ook duidelijk zijn. Het is goed dat u die scherpte erin hebt gebracht, want dat heeft ook bij het ministerie een aantal zaken in beweging gebracht, om ook de andere signalen vanuit de commissie niet tekort te doen.
Ik begin met de vragen die de heer Heutink heeft gesteld. Veel vragen gingen over de Kaderrichtlijn Water. Hij zei ook dat het juridisch een puinhoop gaat worden. Ik kan u zeggen dat we de juridische risico's in beeld hebben. Daarover zitten we op één lijn met andere overheden en ook met kennisinstellingen. De lijn is dat we niet tegen een generiek waterslot gaan aanlopen. Dat is ook duidelijk uiteengezet in het rapport van de landsadvocaat, dat afgelopen zomer vertrouwelijk met uw Kamer is gedeeld. Ik heb het hier ook uitgeprint liggen, voor mijn oog.
De voorzitter:
Alles gaat via de voorzitter en de microfoon. Gaat u verder.
Minister Tieman:
Zeker. Daar hebben we daadwerkelijke risico's gezien en we doen al het mogelijke om die te mitigeren, door ons optimaal voor te bereiden op de inzet van de uitzonderingsmogelijkheden. Zonder dat ik daarbij de eindsprint tekort wil doen, want dat is ook een signaal dat ik van onder anderen u, voorzitter, heb gehoord de laatste jaren, evenals van het lid Kostić en van uw commissie. Laat ik het gewoon op die manier beantwoorden. Bij het daarin een juiste balans zoeken hoort ook dat wij alle mogelijke maatregelen voor de waterkwaliteit echt nemen, bijvoorbeeld in de landbouw. Hierbij geldt het Wezerarrest. We moeten aan alle doelen voldoen. Dat is logisch, want die doelen geven aan welke bescherming er nodig is. Het "one out, all out"-principe is een methode om per waterlichaam het totaalbeeld te laten zien: voldoen we aan alle doelen? Bij de verantwoording naar de Europese Commissie en bij onze eigen vergunningverlening wordt per parameter gekeken. Als een waterlichaam alleen out is vanwege zink, dan heeft dat bijvoorbeeld geen gevolgen voor de lozing van koper. Dat is ook in lijn met het Wezerarrest. Het is dus niet zo dat het "one out, all out"-principe ervoor zorgt dat we geen vergunningen meer kunnen afgeven. Afijn, ik kom hier verder nog op terug. Dan weet u dat. Ik heb een brief toegezegd over het "one out, all out"-principe.
De voorzitter:
Wanneer kan de commissie die brief tegemoetzien?
Minister Tieman:
Binnen nu en een maand.
De voorzitter:
Die brief komt binnen een maand. Dan nog even over het rapport van de landsadvocaat, waar meneer Heutink een vraag over had: dat ligt ter inzage bij de griffie, dus dat kunt u daar inzien.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik hoor de minister daar nu wel dingen over zeggen, dus ik weet niet of dat dan helemaal goed gaat.
Minister Tieman:
Het feit dat het er is, is met de Kamer gedeeld.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas had een vraag. Of is ze die vergeten?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, ik was even aan het nadenken over het laatste. De juridische risico's zijn in beeld, maar beseft de minister dat wij constant in juridische risico's zitten omdat wij onszelf wurgen met wetgeving?
Minister Tieman:
Dat besef ik. Ik citeer heel even uit het volgende regeerakkoord: "Het kabinet spreekt de ambitie uit om de waterkwaliteit structureel te verbeteren. Daarbij moet wel de Kaderrichtlijn Water herzien worden. Nederland wil inzetten op een vereenvoudiging van de richtlijn."
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is prachtig om te horen. Dan ga ik ervan uit dat de vereenvoudiging van die regels ook gaat betekenen … Daar komt de minister misschien nog op terug in zijn beantwoording van alle vragen die ik heb gesteld.
Minister Tieman:
Ik kom daarop terug.
Het lid Kostić vroeg: "Het is goed dat de minister de vergunningen tijdelijk wil maken. Welke termijn gaat de minister hiervoor hanteren?" Hier heb ik het net al over gehad: het zal niet meer in deze kabinetsperiode ter inzage gelegd gaan worden of de internetconsultatie ingaan.
Mevrouw Bromet vroeg: "De wet is nog steeds niet gewijzigd om vergunningen aan te kunnen pakken. Hadden we dat niet ook via een algemene maatregel van bestuur kunnen doen in plaats van via het Besluit kwaliteit leefomgeving? Waarom is dat nog niet gedaan? Waarom leidt de route van de minister tot verbeteringen? Hoe staat het met de inbreukprocedure?" Naar aanleiding van de inbreukprocedure en diverse Kamermoties wordt er nu gewerkt aan een integraal pakket wijzingen, dat in maart in consultatie zal gaan. Het gaat daarbij om wijzigingen van zowel de wet als de AMvB's. Dat is juridisch nodig. Dit samenhangende pakket geeft bevoegde gezagen straks veel meer grip op lozingen en onttrekkingen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra vroeg: "Hoe implementeren we de nieuwe uitzondering voor het verplaatsen van verontreiniging, zoals dat gebeurt bij baggeren, waar we nu ook ruimte voor hebben gekregen? Hoe zorgen we dat er in de praktijk geen vertragingen optreden bij projecten?" Naar verwachting worden de nieuwe uitzonderingen in april dit jaar van kracht. We hebben hard voor die uitzonderingen gestreden in Brussel. Pas na de implementatie hiervan in de Nederlandse wet- en regelgeving zijn ze beschikbaar voor bedrijven. Bij de implementatie gaat het niet alleen om de verankering in regelgeving, maar zorgen we ook voor een praktisch toetsingskader. De uiterste implementatiedatum is 21 december 2027. Daarbij is nauwelijks versnelling mogelijk, maar we maken haast, in de hoop dat we toch iets eerder klaar kunnen zijn.
Mevrouw Bromet vroeg: is er een garantie dat de ruimte om tijdelijke achteruitgang toe te staan niet misbruikt wordt? Het is fijn dat de tijdelijke effecten bij projecten niet onnodig streng worden beoordeeld, maar daar zijn wel veel voorwaarden aan verbonden, om misbruik te voorkomen. Een voorbeeld van zo'n voorwaarde is dat het achteraf met monitoring wordt gecontroleerd.
De voorzitter:
Zie ik u bewegen met mapjes, minister?
Minister Tieman:
Ja, maar dat is nog hetzelfde mapje, voorzitter. Het is een mapje in een mapje.
Ik ga naar de vragen van mevrouw Van der Plas. Dat is een behoorlijke stapel. Zij vroeg: hoe staat het met de uitvoering van de motie over de aandachtsgebieden (33037, nr. 631) en de motie-Vedder? Het oppakken van deze moties is aan LVVN. Ik ben zeker niet tegen doelsturing; laat dat helder zijn. IenW is voor doelsturing. IenW werkt al lang samen met de agrarische sector in het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer en gaat uit van de creativiteit van agrarische ondernemers om met eigen maatwerk aan doelen te voldoen. De uitwerking van de doelsturingssystematiek, zoals beoogd met het ingroeipad naar doelsturing, zal dan ook worden voortgezet, zodat dit najaar gestart kan worden met metingen. Want meten is weten. De vorm van het systeem van doelsturing is aan het volgende kabinet, ook wat betreft de Kaderrichtlijn Water. Ik heb net het een en ander geciteerd. Vereenvoudiging staat duidelijk bovenaan, waar doelsturing dan ook onderdeel van is. Conform de motie-Grinwis moet doelsturing passen bij zowel de Nitraatrichtlijn als bij de Kaderrichtlijn Water.
De heer Grinwis vroeg: "Wat is in het kader van het achtste NAP de reactie van het kabinet op de brief van Eurocommissaris Roswall? Zij achtte aanscherpingen nodig. Welke aanscherpingen heeft de minister voor ogen?" De reactie op de brief van mevrouw Roswall is primair aan de minister van LVVN. De brief van de Eurocommissaris is helder: er zijn aanscherpingen nodig ten opzichte van de voorstellen voor volgend jaar. Maar weet ook dat de Kamer het achtste NAP heeft doorgeschoven naar het volgende kabinet. Dat geldt dus ook voor de eventuele aanscherpingen die nodig zijn. Ik zie in de media ook dat er discussie is over data die gebruikt worden. Ik wil het volgende team meegeven dat er over die data geen discussie meer zou moeten plaatsvinden. Die data moeten duidelijk zijn. Je kunt namelijk niet praten over oplossingen als de data discutabel zijn. De schone opdracht is om dat duidelijk te hebben.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer vroeg: wat is de stand van zaken rond het harmoniseren van de regels, zodat de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn elkaar niet langer in de wielen rijden? Het is echt een integrale aanpak. Vanaf het begin werkt LVVN samen met IenW aan het halen van de eindstreep. De eindstreep is het achtste NAP, hoe die er dan ook uit mag zien. We nemen elkaar echt mee in de onderzoeksuitvragen en de kaders. Daar hebben we procesafspraken over gemaakt. Mijn inschatting is dat LVVN en IenW nog best wat huiswerk met elkaar te verrichten hebben om in een tijdspanne van zes maanden tot een jaar een achtste NAP aan u te kunnen presenteren. Dat is echt integraal. Dan heeft iedereen daar duidelijkheid over. We zullen alle bronnen tot ons nemen en u er verder bij betrekken, maar het is aan het nieuwe team. Dit is wat ik meegeef in mijn overdrachtsdossier: doe het integraal, met elkaar. Dan betrekken we daar uiteraard ook de Europese Commissie bij, zodat we het goed op de rit hebben. Ik heb het dan zowel over LVVN als over IenW; dat is dus gezamenlijk.
Is het toelatingsbeleid van het Ctgb al in lijn met de Kaderrichtlijn Water? Dat vroeg mevrouw Vellinga-Beemsterboer. Voor de gewasbeschermingsmiddelen werkt LVVN samen met IenW en het Ctgb aan een methodiek waarmee het Ctgb de toelating in overeenstemming kan brengen met de Kaderrichtlijn Water. Deze methodiek is naar verwachting begin 2027 gereed. Conform de motie-Grinwis wordt toegewerkt naar een achtste actieprogramma in lijn met de nutriënten. De keuzes daarbij zijn aan een nieuw kabinet. Het Ctgb is bezig met het opschalen van de herzieningen. Lid Kostić is er niet, maar ook voor pfas wordt een herziening gedaan. Oftewel: het water zit helemaal in de toelatingsmethodiek die meegenomen gaat worden.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Begin 2027 — dan ga ik toch even op de lijn van de heer Heutink verder — klinkt angstig dicht bij de deadline. Zijn er nog mogelijkheden om dit te versnellen?
Minister Tieman:
Dat kan niet veel sneller, mevrouw Vellinga.
De heer Schutz vroeg naar handelingsperspectief rondom de Kaderrichtlijn Water: de minister sprak recent in het tweeminutendebat over een eindspurt, en ik vermoed dat hij doelde op het KRW-programma. Dat klopt. De Kamer zal voorafgaand aan het commissiedebat Water van 25 juni aanstaande weer een Kaderrichtlijn Water-brief ontvangen, net als ik u heb doen toekomen in juni vorig jaar, met dat handelingsperspectief en de acties, maar ook met de vraag of we die naald wat dichter krijgen of niet. Proportionaliteit zal er ook een onderdeel van uitmaken. In die brief zal ook ingegaan worden op de periode na 2027 en de inzet die dan ook zal plaatsvinden. Denk bijvoorbeeld aan na-ijleffecten en aan een Europese richtlijn voor stedelijk afvalwater voor de 315 waterzuiveringen, die op dit moment 16% — u heeft de taartgrafiek in de brief gekregen — uitmaken van de emissies.
De heer Schutz (VVD):
Ik verzoek om een kleine precisering. De minister zegt iets over de inzet na 2027, maar ik zou in die brief ook graag zien wat er tussen vandaag en de brief en vanaf de brief tot het eind van de resterende termijn als handelingsperspectief is benut en eventueel nog te benutten is.
Minister Tieman:
Dat zal meegenomen worden in de brief.
Mevrouw Van der Plas vroeg: kan het kabinet toelichten waarom Nederland ervoor kiest om primair te sturen op metingen vlak onder de wortelzone, terwijl bekend is dat deze metingen niet representatief zijn voor drinkwaterwinning en diepe grondwaterlichamen? We sturen op metingen onder de wortelzone, omdat kwaliteit in die zone de toekomstige kwaliteit van grondwater in diepere lagen bepaalt. Dit komt doordat vervuiling zich langzaam en onomkeerbaar naar het diepere grondwater verplaatst. Daarbij komen onder invloed van nitraat in het diepere grondwater stoffen zoals metalen vrij, waardoor de kwaliteit van dat water als bron van drinkwater verslechtert. Met de nitraatnorm uit de EU-Nitraatrichtlijn sturen we dus op de kwaliteit van het ondiepe en het diepe grondwater, zodat het geschikt is en blijft voor waterproductie.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil de minister vragen om het deel van mijn inbreng dat hierover gaat nog een keer te lezen en dan de vraag gewoon concreet te beantwoorden.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas vindt het niet concreet genoeg.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil het nog wel even herhalen.
Minister Tieman:
Ik kom in tweede termijn nog terug met een concreter antwoord, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas: kan het kabinet bevestigen dat uit geactualiseerde bronnenanalyse blijkt dat het landbouwaandeel in de nutriëntenbelasting veel lager ligt dan eerder werd aangenomen? Ik kan u meegeven dat er op dit moment veel discussie plaatsvindt over wat er meegenomen gaat worden. Dat zijn die data waar ik het net over had. Maar weet ook: in die bronnenanalyse is de glastuinbouw nog niet meegenomen. In die bronnenanalyse is de stikstof vanuit de lucht die voor een deel is toe te wijzen ook niet meegenomen. Het aandeel van de verschoningen, van de investeringen, van zo'n rwzi zijn ook nog niet meegenomen. Met andere woorden: ik ben benieuwd wat die extra analyse, waar we nu mee bezig zijn, gaat opleveren. Daarover zijn LVVN en IenW op dit moment ambtelijk in overleg om uiteindelijk te komen tot een achtste NAP, wat aan het volgende kabinet is overgelaten. Ik zie in de media diverse grafieken voorbijkomen. We gaan ook het gesprek aan met een aantal auteurs van die brieven om in ieder geval appels met appels te vergelijken. Maar op dit moment hebben wij toch wel wat zorgen over de aannames die er zijn gedaan om tot die conclusie te komen. De WUR, het PBL en de beide ministeries zullen daarbij betrokken zijn om in ieder geval duidelijkheid te krijgen over die data. Het aandeel landbouw bij de binnenlandse bronnen is op dit moment, conform de data die ik ook in de brief heb gedeeld, zo'n 50% voor het oppervlaktewater. Als dat anders is, dan komt dat vanzelf naar boven als u informatie heeft. Maar wij willen iedereen betrekken bij het komen tot een betere dataset, indien dat nodig is.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb daar een aantal voorbeelden van genoemd in mijn spreektekst. De minister zegt: als het uiteindelijk allemaal niet zo blijkt te zijn, dan kunnen we het altijd nog aanpassen; dat zeg ik eventjes platgeslagen. Maar dan is het voor heel veel boeren wel te laat. Erkent de minister dat?
Minister Tieman:
Als dat het geval zou zijn, zou ik dat zeker erkennen. Op dit moment heb ik geen informatie waaruit blijkt dat die wijziging terecht is.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording.
Minister Tieman:
Mevrouw Van der Plas vraagt: kan het kabinet aangeven of het beleid, de regels en de verplichtingen waar boeren nu mee te maken hebben anders zouden zijn geweest, als vanaf het begin met de juiste cijfers was gerekend? Daar hadden we net over. Het beleid, de regelgeving en de verplichtingen worden gebaseerd op gegevens uit onder andere afspoeling bij de nutriënten afkomstig uit de landbouw, zoals deze bij de kennisinstituten beschikbaar zijn. Het achtste NAP is door het kabinet niet vastgesteld. Besluitvorming wordt overgelaten aan een volgend kabinet. Wij werken op dit moment met LVVN aan de processen, ook het huiswerk wat we nog nodig hebben ten aanzien van additionele meetgegevens en het challengen van bepaalde modellen om in ieder geval een goede dataset op tafel te hebben. Daarbij zal de aangehaalde bronnenanalyse 2025 opnieuw bekeken worden. Tot die tijd is de regelgeving gebaseerd op de eerdere analyse.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zou toch willen vragen om het beleid dan gewoon even on hold te zetten, omdat er nieuwe gegevens bekend zijn.
Minister Tieman:
Het beleid van het zevende NAP is op dit moment van toepassing.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, dit is dus het hele probleem met het doorschuiven van het achtste actieprogramma. Dit is dus het probleem, want hier zaten wel wat versoepelingen in. Er zijn nieuwe gegevens bekend. Het oude beleid is gebaseerd op data uit 2010-2013 en voldoet dus totaal niet meer.
Minister Tieman:
Mevrouw Van der Plas, mijn handen zijn gebonden door de uitspraak van de motie.
Mevrouw Van der Plas heeft nog een vraag gesteld: welke consequenties verbindt het kabinet hieraan voor de huidige waterkwaliteit en de lopende maatregelen? Ik gaf aan dat het zevende actieprogramma op tafel blijft liggen. Wij werken op dit moment wel al echt aan dat proces zodat de nieuwe lichting hier meteen mee aan de slag kan gaan. Er zitten natuurlijk ook een aantal zaken die voor verbetering vatbaar zijn. Je moet er dus niet een al te lange tijd overheen laten gaan, ook kijkende naar de uitspraken van de Europese Commissie hierover. Men kijkt echt reikhalzend uit naar dat achtste actieprogramma, in welke vorm het er dan ook zal zijn. De minister van LVVN heeft op 19 december aan u kenbaar gemaakt dat het achtste actieprogramma naar voren geschoven wordt; daar heb ik het net over gehad. Volgens de signalen die ik krijg gaat dat geen jaren duren. Je wil zo snel mogelijk een volgende stap zetten, maar duidelijkheid over data is wel van cruciaal belang.
Mevrouw Van der Plas: kan het kabinet aangeven hoe er geborgd wordt dat onjuiste of verouderde aannames bij bronbijdragen, waaronder de overschatting van het landbouwaandeel in de nutriëntenbelasting, niet doorwerken in vergunningverlening? In de voorbereiding wordt gewerkt aan de gezamenlijke onderzoeksopdracht van beide ministeries, in overleg met de waterschappen. Ik heb van de week nog een Bestuurlijk Overleg Kaderrichtlijn Water, omdat hier … Ik ga volop door om hier in ieder geval duidelijkheid over te krijgen. Ik wil de waterschappen, omdat er zo meteen ook vanuit een met nutriënten verontreinigd gebied naar een aandachtsgebied gestapt zal worden, ook duidelijkheid geven over hoe dat proces er verder uit gaat zien. Wij stellen het dus verder niet vast. Maar dat proces en de betrokkenheid van stakeholders, zoals IPO, VNG, waterschappen en noem maar op … Het moet wel duidelijk zijn. Dat proces tussen LVVN en alle andere partijen moet helder zijn.
Mevrouw Van der Plas: hoe wordt voorkomen dat individuele boeren juridisch worden aangesproken op milieuproblemen waarvan de oorzaak breder ligt of zelfs deels buiten Nederland ontstaat? Elke partij die invloed heeft op de waterkwaliteit wordt aangesproken op zijn deel, dus ook de agrarische sector en de industriesector. Bij de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn stellen we doelen die Nederland moet halen om tot de gewenste verbetering van de waterkwaliteit te komen. De Kaderrichtlijn Water bevat echter wel een uitzondering die kan worden gebruikt en die wij ook gaan gebruiken als doelen niet gehaald worden vanwege de vervuiling uit het buitenland. Ook daarvoor geldt: meten is weten, zodat wij precies de juiste delta hebben om dat er vanaf te halen, zodat wij daarvoor niet aan de lat staan. Wat er vanuit het buitenland binnenkomt, halen wij dus van die 100.000 doelen af, net als de invasieve exoot. Op dit moment zijn we allerlei parameters scherp aan het maken, om met een open vizier bij de Europese Commissie te kunnen aangeven waarom wij die 100.000 doelen niet bereiken, namelijk vanwege de vracht vanuit het buitenland.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Een korte interruptie: de minister gaf aan dat door die motie de achtste Nitraatrichtlijn er niet is, maar volgens mij was de aanleiding dat jullie er onderling niet uitkwamen. Ik wil de framing dat het puur door de motie komt dus wel even wegnemen.
Minister Tieman:
Wij waren op dat moment ook nog bezig, tot het laatste moment. Ik heb hier het lijstje voor me. Er waren nog best wel wat belangrijke zaken die we aan het bediscussiëren waren met elkaar. Tot zover mijn antwoord.
Mevrouw Van der Plas: waarom kiest Nederland ervoor om binnen de Europese bandbreedte strenger te zijn dan onze buurlanden, met alle juridische en economische gevolgen van dien? De norm voor stikstof in grondwater is Europees vastgesteld. Die is in alle landen gelijk. Deze norm is gebaseerd op de geschiktheid van grondwater voor de voorbereiding van drinkwater. De normen voor oppervlaktewater zijn gebaseerd op de bescherming van planten en vissen. Omdat er binnen Europa verschillen zijn tussen de voorkomende planten en vissen kunnen ook de normen voor stikstof en fosfor verschillen. Nederland en Duitsland hanteren voor de bescherming van planten en vissen vrijwel dezelfde normen voor stikstof en fosfor. Ik heb natuurlijk ook het voorbeeld gezien van de aangehaalde rivier. Hierover gaan we ook verder in gesprek. Dat is echt een voorbeeld dat al sinds jaar en dag gebruikt wordt en dat ook bijzonder is. Daar moet actie op worden gezet. Maar als wij alle Duitse normen over zouden nemen, bij wijze van spreken, zou het nog strenger worden in Nederland. Dat is de informatie die ik tot mij krijg ten aanzien van de Duitse normeringen.
Mevrouw Van der Plas: kan het kabinet toelichten waarom Nederland bij de rapportage aan Brussel onvoldoende gebruikmaakt van de mogelijkheid om normen te corrigeren voor natuurlijke achtergrondbelasting, terwijl die ruimte er expliciet zou zijn? Waar het aan de orde is, maken we er gebruik van, zowel bij de vaststelling van de normen als bij de beoordeling of aan de normen is voldaan, houden waterbeheerders rekening met natuurlijke achtergrondconcentraties. Nieuwe gebiedskennis wordt continu benut. Momenteel wordt door de waterschappen nog nauwkeuriger dan in het verleden in beeld gebracht hoe groot die achtergrondconcentraties zijn, zodat hiermee rekening kan worden gehouden in de doelafleiding voor de Kaderrichtlijn Water. Ik heb er alle vertrouwen in dat waterschappen en de provincies dat doen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Niet alle waterschappen doen dat. Punt. Daar kan de minister vertrouwen in hebben, maar dat gebeurt niet.
Minister Tieman:
Dan zal ik dat deze week nog met de waterschappen bespreken. Ik zit met ze bij het Bestuurlijk Overleg Kaderrichtlijn Water. We gaan vinken wie dat wel doet en wie dat niet doet. Die bestuurlijke opgave ligt daar namelijk wel.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Zou de minister over dat gesprek willen terugkoppelen via een brief?
Minister Tieman:
Ja. Dat is een toezegging.
De voorzitter:
Dan moet ik wel weten wanneer die brief gestuurd wordt.
Minister Tieman:
Houdt u het op drie weken. Dan heeft u die brief met de terugkoppeling.
De voorzitter:
Dank u wel. Zijn we al bijna bij het blokje overig?
Minister Tieman:
Voorzitter, ik neem een weekje extra, want er is nog een reces. U krijgt het binnen een maand.
De voorzitter:
Bent u bijna bij het blokje overig?
Minister Tieman:
Ik heb hier nog heel wat vragen liggen, voorzitter.
De voorzitter:
Kunt u iets meer turbo erop zetten? Ik ben bang dat we anders 17.00 uur niet halen.
Minister Tieman:
Mevrouw Van der Plas vroeg: is het kabinet bereid om alle waterschappen te verplichten expliciet te onderbouwen of correctie van natuurlijke bronnen nodig is bij stikstof, fosfor en metalen, en waar dat het geval is, ook daadwerkelijk de maatlatnormen toe te passen? De waterbeheerders zijn prima in staat om dit zorgvuldig te doen. Daar hoef ik geen verplichting voor op te leggen. Het Rijk helpt waterschappen en provincies met handreikingen bij het opstellen van regionale doelen.
Mevrouw Van der Plas vroeg: is het kabinet bereid om in beeld te brengen waar in Nederland overschrijdingen van de normen van de Kaderrichtlijn Water aantoonbaar het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken? Ja, waar dat aan de orde is, zullen we dat zeker doen. In die gevallen zullen we een beroep doen op de gelegitimeerde uitzonderingen van de Kaderrichtlijn Water. Daarmee geven we een eerlijk en feitelijk beeld in de stroomgebiedbeheerplannen.
Is het kabinet bereid om bij de beoordeling en rapportage van de grondwaterkwaliteit structureel onderscheid te maken tussen ondiep grondwater en diep grondwater, en om beleidsconclusies primair te baseren op die lagen waar daadwerkelijke risico's voor drinkwater en ecosysteem bestaan? Dat doen wij al. Bij de verantwoording van de Nitraatrichtlijn wordt gerapporteerd over ondiep en diep grondwater, zodat we tijdig maatregelen treffen tegen verdere verspreiding van stoffen naar drinkwaterbronnen in het diepere grondwater en we daadwerkelijke risico's voor drinkwater voorkomen.
Mevrouw Van der Plas vroeg: kan het kabinet bevestigen dat het meten op grotere diepte, daar waar drinkwater wordt gewonnen, in veel gevallen een beduidend gunstiger beeld laat zien dan nu in het nationale beleid wordt geschetst? Het klopt dat meten op grotere diepte een ander beeld geeft dan bij ondiepe metingen. Metingen in het bovenste grondwater zijn noodzakelijk om vervuiling tijdig te signaleren en verspreiding naar het diepere grondwater te voorkomen.
De voorzitter:
Ik begin het idee te krijgen dat we dit antwoord nu al drie keer gehoord hebben, dus ik zou u willen verzoeken om even efficiënt te antwoorden.
Minister Tieman:
Mevrouw Van der Plas vroeg naar het "one out, all out"-principe. U krijgt een brief over hoe dat precies zit, hoe wij daarmee omgaan, en hoe dat geborgd is.
Ik kijk even wat mevrouw Van der Plas zei over waterkwaliteitsmaatregelen en moties. Die vraag heb ik al gehad.
Kan de minister aangeven hoe uitzonderingen op de Kaderrichtlijn Water in praktijk worden toegepast? Die vraag heb ik ook gehad. Dat geldt ook voor het achtste NAP.
Dan kom ik toch nog even op de vraag over de Dinkel van de heer Heutink. Dat was een terechte vraag. Gezien de media-aandacht die we daarvoor zagen, zal ik hierop zo goed mogelijk antwoord geven. De Dinkel is een regionaal water. Waterschappen geven aan welke status een regionaal water heeft. Dat is natuurlijk sterk veranderend of kunstmatig. Vervolgens passen zij doelen aan op basis van specifieke omstandigheden. Daarna stellen provincies de status en de doelen vast. Daar waar er verschillen zijn, gaan Rijk en regio met Duitsland in gesprek. Laten we dit als actiepunt opnemen, zodat we de Dinkel, waar de heer Heutink het volgens mij ook al wat jaren over heeft, gewoon bij de hoorns vatten. Wat zegt u, meneer Heutink? U zegt: de eerste keer. Oké. Het is een toezegging aan de Kamer om dat binnen nu en zes maanden gewoon geduid te hebben en waar er mogelijke oplossingen zijn met het waterschap de Dinkel tot het verleden te laten behoren.
De voorzitter:
Dat hoop ik niet!
Minister Tieman:
In positieve zin bedoel ik het in ieder geval, voor de uitlegbaarheid, voorzitter.
Dit zijn behoorlijke LVVN-vragen van de Partij voor de Dieren, van Kostić. De Rli pleitte voor het beperken van dierenrechten. Waarom zijn deze stappen niet genomen? Ben ik daar alsnog toe bereid? Dit is een vraag die onder de verantwoordelijkheid van de minister van LVVN valt. Ik …
De voorzitter:
Punt, lijkt mij dan.
Minister Tieman:
Ik laat die vraag daar even, voorzitter.
Mevrouw Bromet: is de minister bereid de PBL-adviezen te verwerken in beleid en die dus in het beleid rondom de zonering en de problemen rondom water te betrekken? Ja, ik betrek de adviezen van het PBL bij mijn beleidskeuzen. Specifiek voor de zonering langs waterlopen in relatie tot landbouw doe ik dit in overleg met het ministerie van LVVN.
Mevrouw Bromet: moeten voor de stroomgebiedsbeheerplannen elk jaar opnieuw de doelen en maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit bepaald worden? De stroomgebiedsbeheerplannen worden iedere zes jaar bekeken en geactualiseerd, conform de termijnen die volgen uit de Kaderrichtlijn Water. Dat zal niet veranderen.
Mevrouw Bromet: waarom is alle wet- en regelgeving, dus ook voor mest en landbouwgif — "gewasbeschermingsmiddelen", het is maar hoe je het uitlegt — en de Kaderrichtlijn Water nog niet waterproof? Nou, we hebben te maken met verschillende Europese richtlijnen. Die proberen we zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Zo werken we aan de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in het water die passen bij de Kaderrichtlijn Waternormen.
Dan heb ik hier nog vragen in hetzelfde blokje, Kaderrichtlijn Water. Lozing en VTH. Ik zal het snel doen, voorzitter.
Vellinga-Beemsterboer: hoe zouden we een pfas-lozingsverbod concreet kunnen vormgeven? Op 21 juli is de Kamer erover geïnformeerd dat een volledig pfas-lozingsverbod niet wenselijk is, aangezien dit belangrijke sectoren in de maatschappij stil zou leggen. Dit zijn bijvoorbeeld de drinkwaterwinning en het grondverzet. Een alternatief is om te kijken naar een gedeeltelijk pfas-lozingsverbod, gericht op specifieke sectoren of op activiteiten met een hoge pfas-uitstoot. Dat heb ik ook toegezegd. Op dit moment verken ik hoe zo'n gedeeltelijk pfas-verbod vormgegeven zou kunnen worden. Conform mijn eerdere toezegging aan de Kamer zal u in het eerste kwartaal van 2026 geïnformeerd worden over de voortgang van deze verkenning.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra: wie staat er aan de lat als het gaat om de vervolgkosten voor de pfas-vervuiling bij de Leeuwarder vliegbasis, buiten de hekken van de vervuiler? Ik ben bekend met de pfas-vervuiling in Leeuwarden. Daar is een hele vervelende situatie ontstaan voor de inwoners aldaar. De gemeente Leeuwarden is het bevoegd gezag en gaat over de beoordeling van de verantwoordelijkheid voor de vervuiling. Het principe "de vervuiler betaalt" geldt voor de gehele verontreiniging die door een partij veroorzaakt wordt. Hoever die verantwoordelijkheid per geval reikt, is ter beoordeling van het bevoegd gezag, maar is in principe niet gebonden aan een terreinafbakening.
Lid Kostić: wil de minister voordat hij vertrekt in ieder geval opdracht geven om een vorm van een pfas-taks onafhankelijk te laten verkennen? Ik snap uw gedachte over een pfas-taks. Ik vind het op zich een interessant gedachtegoed. De vraag is wel wat het toevoegt aan de Europese restrictie en aan een mogelijk lozingsverbod. Ik leg dit echt even bij een nieuw kabinet, lid Kostić. U vraagt nogal wat. Maar houd het gedachtegoed vast voor een volgend kabinet of uw eigenlijk wetenschappelijk bureau om stappen te maken om het iets concreter te maken.
Het lid Kostić vroeg: is de minister bereid om een signaal te geven aan de medeoverheden om in ieder geval voorlopig geen langdurige pfas-vergunningen af te geven. Dan kom je toch ook weer op de basis van de wettelijke kaders. Het bevoegd gezag moet een aanvraag beoordelen. Ik ben dat niet. De ILT heeft daarin wel een rol. Die kaart hebben ze ook getrokken. We zien een reductie. We praten nog steeds over kilo's. Dus zo moet ik uw vraag beoordelen. Het is aan het bevoegd gezag, maar er zijn behoorlijk wat signalen afgegeven richting dat bevoegd gezag.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik moest hier even op kauwen. Hoe staat de minister tegenover een netto lozingsverbod? U noemt terecht een aantal sectoren waarin een algeheel lozingsverbod heel moeilijk is. Bij een netto lozingsverbod meet je of er niet meer is toegevoegd aan het water in het proces.
Minister Tieman:
Daar kijk ik positief naar. Dat nemen we ook mee. In de verkenning die ik in Q1 ga sturen — dat heb ik het lid Kostić toegezegd — zal die netto-aanpak opgenomen zijn. Dat is ons denkproces hierover.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik snap dat de minister niet zomaar ingrijpt bij andere overheden, maar er komt een gedeeltelijk lozingsverbod aan. Het gaat om het lozen van een enorme hoeveelheid pfas in Limburg. Dan is een gesprek tussen de minister en de overheid daar toch heel logisch? Vindt de minister dat ook?
Minister Tieman:
Ik heb nu mijn handen te vol aan Chemours om dit er ook nog bij te doen. Ik laat het aan het volgende kabinet om hier verder invulling aan te geven. Ik denk ook dat het interessant is wat er uit Chemours is gekomen met onze contacten aldaar. Dat kan mogelijk gedupliceerd worden in Weert, in Limburg; dat zeg ik even uit mijn hoofd. Maar op dit moment richten wij ons echt even op het gesprek met Chemours alvorens ik hier als dubbeldemissionair minister een toezegging doe hierover. We zijn echt met de verkenning bezig. Ik kom daar ook bij u op terug.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat is goed om te horen. De minister begint over Chemours. Dat is dus het probleem. CFS zou een vergunning krijgen die vergelijkbaar is met die van Chemours als het gaat om het lozen van pfas. Je wil dat op de een of andere manier voorkomen. Maar goed, volgens mij is de boodschap van de minister duidelijk: dit is eigenlijk niet helemaal hoe je het zou willen.
Minister Tieman:
Dan ga ik naar een antwoord op de vraag van mevrouw Vellinga-Beemsterboer en de heer Schutz. Rijkswaterstaat is druk bezig met actualiseren. De cijfers heeft u in de brief kunnen zien. Ze vroegen of ik het kan versnellen. Het heeft de hoogste prioriteit, zoals u weet. Eind 2027 zijn de KRW-relevante vergunningen geactualiseerd. Rijkswaterstaat zal deze vergunningen daarna periodiek blijven actualiseren. Een verdere versnelling is op dit moment gewoon niet mogelijk. Het is ook echt heel specifiek werk. Als u nog mensen in een bepaald vakgebied wil neerzetten: we hebben hier echt te maken met specialisten.
De heer Schutz (VVD):
De vraag van mij was niet "versnellen", maar vooral "wat leren we ervan". Dat mag wat mij betreft komen te staan in de brief die u al eerder heeft toegezegd, die in juni ongeveer zal komen.
Minister Tieman:
Dat is een prima voorstel.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer vroeg: hoe zit het met de VTH-kennis en de capaciteit buiten Rijkswaterstaat die nodig is? Ik ben continu in overleg. Ik heb net weer een hele ronde gedaan met gedeputeerden. Op 3 maart hebben we een landelijke VTH-bijeenkomst. Die zal hier in de regio plaatsvinden. Dat is op 2 maart. De heer Jansen, de staatssecretaris, heeft met het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen in — dat zeg ik uit mijn hoofd — februari vorig jaar een impuls gegeven met een bedrag, maar een structurele versterking is nodig om zowel de kennis als de kunde daar verder op orde te brengen conform het rapport-Van Aartsen, dat destijds is uitgebracht. Dit wordt dus vervolgd. Het heeft de aandacht van de gedeputeerden en van de omgevingsdiensten. Dit is wel een proces waar we met elkaar de schouders nog verder onder moeten gaan zetten. Ook hier zijn financiële middelen nodig om dit verder te versterken. Zo'n symposium is dus een eerste stap. Daar gaan we ook een intentieovereenkomst met elkaar aan. Nou ja, "intentieovereenkomst" … We proberen het in ieder geval allemaal ook wat meer te formaliseren, zodat dit niet alleen bij bijeenkomsten blijft maar we elkaar ook vasthouden op dit onderwerp.
De heer Schutz: wat zijn de gevolgen van het verlagen van de maximale temperatuur van koelwater en wat doet dit voor de bedrijven? Zowel de continuïteit en de concurrentiepositie van de bedrijven als de leveringszekerheid en de verduurzaming van de energiesector zijn belangrijk. We hebben botsproeven die we meenemen in de planMER, de milieueffectrapportage. Over de opzet en de resultaten ben ik in gesprek met zowel de sector, in dit geval met VEMW, en de ministers van Economische Zaken en KGG. Op deze manier wil ik breed inzicht krijgen in de effecten van die koelwaterlozingen, met daarbij toch een temperatuuraspect. Zodra ik hier meer over weet, zal ik u hierover informeren. Dat zal rond de zomer zijn.
De voorzitter:
De heer Schutz. O nee, hij is tevreden.
Minister Tieman:
Mevrouw Boelsma-Hoekstra noemde als tweede de verplichting voor beroeps- en recreatievaart in het CDNI-verdrag, het Scheepsafvalstoffenverdrag. Voor de beroepsvaart zetten we voor de kleine passagiersschepen in op twee stromen: voldoende afgiftepunten en het faciliteren van de ontwikkeling van een boordzuiveringsinstallatie. De maatregel van zo'n zuiveringsinstallatie is dit jaar ook opgenomen in de milieulijst van de Milieu-investeringsaftrekregeling, die in december is gepresenteerd. Dat gaat om 155 miljoen euro en maakt die installatie 25% goedkoper. Ik heb goede hoop dat de huidige maatregelen zullen leiden tot een succesvolle implementatie. Indien deze maatregelen niet effectief blijken te zijn, komt een verzegelingsplicht in beeld. Administratieve lasten zijn dan wel een punt van zorg. Dat willen we ook weer niet. Voor de pleziervaart is een verzegelingsplicht onderzocht. Partijen hebben echter moeten concluderen dat deze pas effectief handhaafbaar is bij een registratieplicht van vaartuigen. Die hebben we op dit moment niet.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra vroeg naar medicijnresten in oppervlaktewater. De door u genoemde cijfers zijn helemaal correct. Ik werk op meerdere fronten aan de aanpak van de medicijnresten in rioolwater. Het RIVM heeft in het verleden ook een aantal sessies gedaan. We zien ook dat ziekenhuizen, bijvoorbeeld het ziekenhuis in Delft, het Pharmafilter weer geactualiseerd hebben, maar de herziene Richtlijn stedelijk afvalwater verplicht Nederland om op zo veel mogelijk rioolwaterzuiveringsinstallaties, 315 stuks, een aanvullende zuiveringstrap te bouwen. Dat kost natuurlijk ook allemaal geld. Daar hebben wij een subsidieregeling voor in het leven geroepen. Daar zullen we niet alle 315 zuiveringsinstallaties mee kunnen bedienen. Nogmaals een oproep: er is nog wat geld beschikbaar. Dat zeg ik hier tegen de waterschapsbeheerders in de call of via het scherm. Dien uw subsidieaanvraag dus in. Die subsidie is opengesteld en die gaan we op een gegeven moment ook weer sluiten. Dan is zij niet meer beschikbaar. Daarnaast werk ik met zo veel mogelijk partijen aan de Ketenaanpak Medicijnresten uit Water om die medicijnresten te verminderen. Denk bijvoorbeeld aan een plaszak of aan bepaalde medicijnen, zonder dat ik hier op de stoel van een dokter wil gaan zitten. Er zijn, zonder merknamen te noemen, een aantal ontstekingsremmers, zoals paracetamol en ibuprofen. De ene doet wat meer in het aquatische domein dan de ander. Dat is ook een stukje voorlichting. Dat is ook een stukje voorlichting. Zo zijn we met elkaar bezig. Bepaalde zuiveringsinstallaties gaan nu al richting zo'n vierde trap en halen die medicijnresten er dus al uit. Dat zijn nog niet alle 315. Uit mijn hoofd gezegd hebben nu op dit moment een stuk of veertien die stap gemaakt.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, ik heb een vraag. Wilt u even het voorzitterschap overnemen?
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Bromet namens de fractie van GroenLinks-Pvda.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik had over die vierde trap de vraag gesteld: wie gaat dat betalen? Is dat de vervuiler of de burger? Ik hoor de minister over subsidieregelingen, maar dat betekent dus dat de burger betaalt.
Minister Tieman:
Ik kan daar nog wel iets extra's over vertellen. De Europese Richtlijn Stedelijk Afvalwater heeft een producentenverplichting opgebracht. We kunnen erover discussiëren waar dat uiteindelijk terecht gaat komen en wanneer een producent dat moet gaan betalen. Maar daar is nog wel wat discussie over. Daar is ook een juridische discussie over. Die wordt op dit moment gevoerd in Brussel. Ik heb daar nog even geen laatste informatie over, maar dat betekent wel dat daar een verdeelsleutel moet gaan plaatsvinden, opgebracht door de producenten van de medicijnen, om dat dan weer terug te brengen. Ik heb nog niet de informatie of dat een nationale verdeelsleutel gaat worden, of dat dat per verkocht product gaat worden. Maar die informatie zit er wel in. Daar zullen we dus ook invulling aan moeten gaan geven.
Ik zou ook het volgende antwoord kunnen geven. Wij hebben als Rijk een subsidieregeling ingesteld voor de waterschappen. Dat is uiteindelijk 32 miljoen euro. Dat zal dan wel via de waterschapsbelasting lopen. De producentenverantwoordelijkheid moet nog ingevuld worden. Er is voor bedrijven ook nog een coëfficiënt. Afijn, een aantal zaken moet u zien. Ik stel voor dat we uw Kamer informeren zodra er wat te melden is over de verdeelsleutel voor de Europese Richtlijn Stedelijk Afvalwater. Dat zal dan wel iets heel groots zijn. Dat zal ook het een en ander betekenen voor hoe wij dat in het Rijk moeten gaan verdisconteren naar de 315 zuiveringen toe.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik neem het voorzitterschap weer terug. Vraagje: zijn we al bijna bij blokje overig? Ik begin namelijk echt een beetje zenuwachtig te worden met het oog op de tijd.
Minister Tieman:
We zijn er bijna, voorzitter. Ik heb nog twee vragen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra vroeg naar drugsafval: kan de minister schetsen wat er nodig is om deze afvalbron niet meer in het oppervlaktewater te krijgen? Ja, geen drugs gebruiken. Dat is het makkelijkste antwoord. Ik heb net het medicijnverhaal verteld. We zetten samen met het Openbaar Ministerie in op de opsporing van drugsproductie. Dat is ook een belangrijke bron door de illegale lozingen. We hebben nu wel wat successen gehad om die ondermijning et cetera toch verder neer te zetten, zoals ik uit de media haal. Het heeft de aandacht. Maar als ik af en toe zie hoeveel drugs er is, dan is het misschien ook wel water naar de zee dragen.
Mevrouw Bromet vroeg: wie gaat de vierde trap van de zuivering van rioolwater betalen. Daar heb ik net antwoord op gegeven.
Dan heb ik nog het blokje overig. Daarna kan ik terugkomen op een aantal zaken.
De heer Grinwis zei: ik hoop dit jaar op deltabeslissingen met lef. Op welke wijze wordt de Kamer daarin meegenomen? Is het niet een idee om dit voorjaar als commissie met de bewindspersoon op werkbezoek te gaan met de deltacommissaris? Het Deltaprogramma 2027 met daarin de resultaten van de herijking wordt op Prinsjesdag 2026 aangeboden. Dat is al een groot moment, denk ik. In het gesprek met de vaste commissie IenW en VRO heeft de deltacommissaris aangeboden mee te gaan op werkbezoek. De uitnodiging zal met positief advies aan de nieuwe bewindspersoon worden voorgelegd.
Mevrouw Van der Plas vroeg: waar gaat de ecologische toets voor de passende beoordeling van de watertaxi Ameland uit bestaan? We hebben te maken met een Natura 2000-gebied, want anders had ik mogelijk nu al handelingsperspectief gehad, dat ik nu pas in een latere fase heb. Dan heb je pas wat meer ruimte voor een pilot. Maar ik heb ook al het een en ander gezegd tegen de heer Schutz over het in overleg treden over wat er nog mogelijk is. U moet denken aan een passende beoordeling van de geluidseffecten en de additionele uitstoot voor zo'n Natura 2000-gebied. We hebben met elkaar nogal wat regels verzonnen voor die Natura 2000-gebieden, waaraan we samen met LVVN moeten voldoen.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik in de richting van de Kamerleden om te zien of er nog vragen over zijn. De heer Schutz steekt zijn vinger op. O, hij is klaar. Het lid Kostić heeft wel een vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Misschien heb ik het gemist, maar mijn vraag gaat erover dat de minister komt met wet- en regelgeving die zorgt dat de vergunningen voor een bepaalde tijd worden afgegeven. Hij heeft het in zijn brief over een bepaalde frequentie waarmee dit geactualiseerd zou moeten worden, maar aan welke frequentie denkt hij daarbij? Voor ons zou het namelijk logisch zijn om aan te sluiten bij de bestaande beleidscycli in de stroomgebiedbeheerplannen.
Minister Tieman:
Wij zitten op dit moment te denken aan tien jaar voor een herziening en een beziening van de vergunningen.
De voorzitter:
Lid Kostić, tot slot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik heb hierover een motie klaarliggen en ik hoopte dat die niet nodig was. Waarom tien jaar in plaats van zes jaar? Die zes jaar zou immers logischer zijn om aan te sluiten bij bestaande beleidscycli.
Minister Tieman:
Dat moet ik even nagaan, lid Kostić.
De voorzitter:
We gaan beginnen met de tweede termijn van de Kamer en … O, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, nog over de watertaxi. Er ligt al enige tijd een motie-Pierik, die de regering verzoekt om binnen zes weken een oplossing te presenteren voor de watertaxi's van en naar Ameland. Die termijn is reeds lang overschreden en ik zou wel graag de toezegging krijgen dat die oplossing er nu heel snel komt. Daarbij hou ik nu maar even de maximale termijn van zes weken aan, maar ik wil dit het liefst sneller, want deze termijn is al ver overschreden.
Minister Tieman:
Mevrouw Van der Plas, ik ga in gesprek met LVVN. Op dit moment is juni het eerste moment waarop ik in een uitzonderingspositie iets ministerieels zou kunnen doen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Er ligt gewoon een aangenomen motie. 147 Kamerleden hebben hier destijds voor gestemd, en dan praat ik al over maanden geleden. Ik wil gewoon dat er snel haast gemaakt wordt met die watertaxi. We praten hier al jaren over, dus ik wil toch graag de toezegging dat deze oplossing zo snel mogelijk gepresenteerd wordt aan de Tweede Kamer. De minister gaat ook naar Ameland toe en er lopen al heel veel gesprekken, dus het is niet alsof het wiel opnieuw uitgevonden moet worden. Volgens mij kan dit dus vrij snel.
Minister Tieman:
Ik kom hierop terug in het Waddendebat, dat op korte termijn zal plaatsvinden.
De voorzitter:
Oké, dan gaan we nu echt van start met de tweede termijn van de Kamer. Als eerste krijgt daarvoor het woord mevrouw Vellinga-Beemsterboer.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een aantal puntjes die ik in de tweede termijn graag nog even zou willen aanraken. Sowieso bedank ik de minister voor het uitgebreide antwoord.
Ik ben heel blij met de toezegging van de minister om de vaart erin te zetten rond grijs water. Graag benadruk ik nogmaals dat hij vooral niet moet gaan testen en pilotten wat bij onze zuiderburen al is getest en gepilot.
Dan grondwateronttrekking. Ik wil nog extra navragen of de minister daarbij doelt op alle onttrekkingen. Krijgen we dus inzicht in alle onttrekkingen, en in ieder geval die met een meldplicht? In de brief wordt ook geschreven over een meldplicht voor kleine onttrekkingen, maar uit het antwoord van de minister werd mij zonet niet helemaal duidelijk of alle onttrekkingen worden bedoeld. Daar zou ik dus heel graag een toezegging op willen krijgen.
Dan de KRW en de afstemming van regelgeving. De minister geeft terecht aan dat daar nog fiks wat huiswerk voor te doen is en dat daarvoor een integrale aanpak tussen LVVN en IenW nodig is. Ik ben blij de minister dit zo stevig te horen zeggen. Ik ben wat minder tevreden over het antwoord over vergunningen die al KRW-proof zijn. De minister heeft een brief toegezegd. Ik wil hem vragen om in die brief heel goed in te gaan op het KRW-proof maken van de vergunningen. Ik had hier ook een motie voor klaarliggen, maar voor de rest ben ik eigenlijk wel heel tevreden met het antwoord van de minister, dus die motie laat ik even achterwege.
Over twee andere punten heb ik nog wel een motie. Ik begin met de noodplannen van gemeentes. Ik ben blij dat dit punt goed op het netvlies staat en dat de minister benadrukt dat er zowel een nationale als een lokale verantwoordelijkheid ligt, maar ik ben me er ook van bewust dat de OVV zegt dat de plannen die er nu liggen met name op lokaal niveau, vaak kleinschalig, nog relatief informeel en weinig concreet zijn. Ik hoor de minister zeggen: het heeft onze aandacht. Ik wil hier echter graag een motie over indienen om hem een steuntje in de rug te geven en te zorgen dat hier wat druk op komt. Ik kijk heel even naar de voorzitter. Wat is het gebruik? Zal ik die motie nu voorlezen of zal ik beide moties aan het einde voorlezen? Nu, begrijp ik.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid waarschuwt dat Nederland onvoldoende voorbereid is op extreme regenval, met name in kwetsbare wijken en grensregio's;
overwegende dat vitale functies, zoals eerstehulpziekenhuizen en de elektriciteitsvoorziening, bij extreme wateroverlast te allen tijde gewaarborgd moeten blijven;
van mening dat acceptatie van wateroverlast nooit mag leiden tot het uitvallen van kritieke infrastructuur;
verzoekt de regering om in overleg met de koepels van gemeenten en waterschappen te borgen dat alle kwetsbare gemeenten uiterlijk in 2027 beschikken over geactualiseerde noodplannen die specifiek gericht zijn op het operationeel houden van vitale functies bij extreme regenval,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vellinga-Beemsterboer.
Zij krijgt nr. 8 (36800-J).
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dan had ik als laatste nog een punt over de dijknormering; u verwachtte vast wel dat ik daarop terug zou komen. Ik hoor aan alle kanten aan het antwoord van de minister dat er nog heel veel onduidelijk is. Er ligt nog geen goed plan voor meerlaagse veiligheid. Er ligt nog geen plan waarin duidelijk wordt wat er dan wel door zou kunnen wat betreft het project van 1EILAUN. De gesprekken zijn nog niet klaar, zegt de minister. Tegelijkertijd geeft hij aan dat hij één lijn wil trekken met de rest van Nederland. Nu ben ik de eerste die zal toegeven dat overstromingen overal verschrikkelijk zijn, maar de eilanden zijn wat dat betreft niet hetzelfde als de rest van Nederland. Het is moeilijk om daar één lijn in te trekken. De eilanden zijn sowieso natuurlijk heel bijzonder. Ze hebben een klein aantal inwoners, maar er komen veel toeristen. Dat is iets waar je rekening mee moet houden.
Verder zijn er twee hele praktische redenen. Evacuatie daar is moeilijk. De eilanden zijn aangewezen op een stuk zelfredzaamheid op het moment dat er iets gebeurt. Naar verwachting zullen weersomstandigheden er dan ook voor zorgen dat je niet heel snel kunt evacueren. De tweede reden is dat een eventuele overstroming op de eilanden per definitie een overstroming met zout water is, wat ontzettend veel schade toebrengt aan de natuur en aan landbouwgrond. Alleen al deze twee praktische redenen zouden voor mij reden zijn om in ieder geval heel voorzichtig te zijn met het aanpassen van de dijknormering. Daarom heb ik hierover ook een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de minister voornemens is de dijknormering voor onder andere Schiermonnikoog en delen van Zuid-Limburg te verlagen;
overwegende dat de veiligheid van bewoners achter de dijken geen papieren exercitie is en dat bij de normering van de Waddeneilanden onvoldoende rekening lijkt te worden gehouden met specifieke factoren zoals de lange evacuatieduur en de impact van zout water;
van mening dat het verlagen van veiligheidsnormen niet uitlegbaar is zolang een integrale veiligheidsstrategie ontbreekt en er onvoldoende duidelijkheid is over alternatieve beschermingsplannen zoals de uitvoering van onderdelen van het plan 1EILAUN;
verzoekt de regering te wachten met de voorgenomen herziening van de dijknormeringen, totdat er uitgebreid is gesproken met de betrokken lokale bestuurders en waterschappen, en er meer duidelijkheid is over de integrale veiligheidsstrategie en mogelijke alternatieve plannen voor de bescherming van de eilanden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vellinga-Beemsterboer, Boelsma-Hoekstra en Bromet.
Zij krijgt nr. 9 (36800-J).
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dat was 'm, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Schutz van de VVD.
De heer Schutz (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb vandaag van waterveiligheid eigenlijk mijn hoofdtopic gemaakt. De herdenking van de Watersnoodramp gisteren viel dan ook in mijn voorbereiding van dit overleg. Maar ook wat je vandaag ziet gebeuren in deze zaal en het feit dat mensen vanuit Schiermonnikoog hierheen komen, laat wel zien dat dit wat met mensen doet. Of het nou gaat om het weghalen of het schrijven over het weghalen van primaire waterkeringen, mensen worden daar zenuwachtig van. Mevrouw Vellinga-Beemsterboer sprak net over het aanpassen van de normering van dijken en dat is ook iets waar mensen zenuwachtig van worden. Dat zijn ook de mensen die hier zitten. Mevrouw Van der Plas sprak op haar beurt over verzilting in de Bollenstreek en Zeeland en dat is ook iets waar mensen zenuwachtig van worden.
Met andere woorden, dit soort dingen moeten we niet alleen op papier zetten, maar vooral ook in die gebieden bespreken. Ik weet dat in het Deltaprogramma verschillende programmalijnen zitten, waarvan de Zuidwestelijke Delta er een is. Ik heb daar zelf in een vorig leven aan meegedaan, maar dan wordt er toch vooral meegesproken door stakeholders en beroepshalve verenigde partijen. Als het raakt aan het veiligheidsgevoel van mensen, prevaleert niet in eerste instantie de ratio, maar het gevoel erbij. We werpen onszelf in de toekomst dan ook terug in die discussie als we die mensen niet voldoende meenemen. Met andere woorden, het loopt over verschillende sporen die op verschillende momenten samenkomen.
Ik begrijp dat de dijknormeringen via een andere agenda lopen dan bijvoorbeeld de vier scenariovarianten waar we het over hebben gehad. Ik heb het gekoppeld aan de herdenking van de Watersnoodramp. Die is nu regionaal, maar als je die zou nationaliseren, zou het wellicht een goed ankerpunt kunnen zijn om juist thematisch te spreken over wat er in het verleden fout ging en wat we in de toekomst hopen te voorkomen. Dat zou geborgd kunnen worden, zodat het een borging zou kunnen zijn voor dat gesprek.
Een vraag aan de minister. Als er met Prinsjesdag een document ligt dat ons eigenlijk dwingt om te kiezen, zijn we met zoiets veel te laat. Wat gaan we dan precies op Prinsjesdag presenteren en hoe definitief is dat? En vooral: hebben we in die vier varianten voldoende oog voor en voldoende gedragenheid in die gebieden waar misschien een moeilijk verhaal te vertellen is? We gaan het daar hebben over meegroeien en misschien ook wel over het weghalen van primaire waterwerken, werken die we ooit met belastinggeld hebben bekostigd. Ik zeg "misschien", hè, want het is geen zekerheid. Maar ik voel wel mee met de zorg die voortvloeit uit die berichten, of het nou de technische briefing van de deltacommissaris is of de Kamerbrieven die in het convocaat zaten. Dit gaat al wel wegen in mensen hun onderbuikgevoel. Ik wil daarom eigenlijk om meer vragen dan het technische antwoord dat ik zo-even begrijpelijkerwijs van de minister kreeg. Hij zei namelijk: ja, daar gaan we later nog over spreken. We kunnen hier niet vroeg genoeg mee beginnen. Dat zou dan ook mijn oproep zijn aan de minister en ik hoop dat ik daar straks een reactie op mag ontvangen, mevrouw de voorzitter.
De voorzitter:
U heeft geen moties?
De heer Schutz (VVD):
Nee.
De voorzitter:
Dan is nu het woord aan mevrouw Boelsma-Hoekstra van het CDA.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter, en dank voor de beantwoording. Het viel mij op dat wij hier toch wel een beetje een kruising tussen een IenW- en een LVVN-debat hebben. Ik vind het dus wel heel netjes van de minister dat hij het zo allemaal kan beantwoorden.
Ik heb op alle vragen mooie toezeggingen gekregen en ook daarvoor dank. De uitzondering daarop is nog wel de dijknormering Schiermonnikoog. Daarom sta ik onder de motie van mevrouw Vellinga. Ik wil daar nog één argument aan toevoegen, want wellicht zegt de minister daardoor "ik neem de motie over". Dat argument is dat er natuurlijk ook al in is geïnvesteerd door het wetterskip. Het zou dan ook een stukje kapitaalvernietiging zijn. Ik wil dat er nog even aan toevoegen. Ik hoop dan dat we een positieve reactie krijgen van de minister, want als er zo veel mensen op de tribune zitten, moet de minister ook zien dat het heel belangrijk is. Daar wilde ik nog één argument aan toevoegen; misschien neemt de minister de motie dan over. Dat argument is dat er natuurlijk ook al geïnvesteerd is door het Wetterskip Fryslân, dus het zou ook een stukje kapitaalvernietiging zijn. Dat zou ik er ook nog even bij willen zeggen, en dan hopen we dat we een positieve reactie van de minister krijgen. Met zo veel mensen op de publieke tribune denk ik dat de minister ook ziet dat dit heel belangrijk is. Ik denk ook dat collega Vellinga al geschetst heeft waarom het zo belangrijk is.
Tot zover, voorzitter. Ik heb dus geen extra moties. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Heutink van de Groep Markuszower.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Het is goed om voor de Handelingen even te benoemen dat de minister geheel in stijl een das om heeft van zijn voormalige hoogheemraadschap, dus water zit in z'n DNA. Dat siert hem. Ik zag z'n tweetje voorbijkomen en het is een mooie das, dus ik dacht: ik ga dit toch even benoemen.
Dan heb ik twee moties, en als die nu geen oordeel Kamer krijgen, dan weet ik het helemaal niet meer.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het coalitieakkoord Aan de slag wordt voorgesteld om de implementatie van de Kaderrichtlijn Water te simplificeren;
verzoekt de regering direct te starten met het versoepelen van de nationaal vastgestelde normen van de Kaderrichtlijn Water,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Heutink en Stoffer.
Zij krijgt nr. 10 (36800-J).
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Tegen de VVD zeg ik direct: dat wordt boter bij de vis, want daar hadden we net een hele leuke discussie over. Ik kan me haast niet voorstellen dat de coalitie nu al tegen het eigen coalitieakkoord gaat stemmen.
Dan mijn tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat alle signalen erop wijzen dat de doelen uit de Kaderrichtlijn Water niet gehaald zullen worden, met grote gevolgen voor vergunningverlening, woningbouw en (water)infrastructuur;
verzoekt de regering een noodscenario KRW voor te bereiden teneinde niet in een nieuwe stikstofcrisis te belanden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Heutink.
Zij krijgt nr. 11 (36800-J).
Dank u wel. Een vraagje van de heer Schutz.
De heer Schutz (VVD):
Het zit 'm in het woordje "direct" en waar je simplificeert. We kunnen simplificeren wat we willen, maar een simplificatie betreft natuurlijk de Kaderrichtlijn Water, en dat is een Europese richtlijn. De gedachte snappen wij en daar roepen wij ook toe op, maar "boter bij de vis" doet hier niet helemaal recht aan de situatie.
De voorzitter:
Ik ga deze discussie stoppen. Iedereen mag zelf beoordelen of die voor of tegen de motie stemt. We gaan het zien bij de stemmingen. Nu is mevrouw Van der Plas aan de beurt van de BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Na de beantwoording door de minister heb ik nog wel een aantal vraagtekens bij de keuze om primair te meten in de wortelzone in het kader van de Nitraatrichtlijn. BBB volgt de minister niet — ik niet en mijn hele fractie ook niet, heb ik inmiddels begrepen — in de redenering dat metingen op die diepte noodzakelijk of doorslaggevend zijn om uitspraken te doen over de kwaliteit van het grondwater. Onduidelijk blijft hoe daarbij rekening gehouden wordt met het gedrag van het nitraat — daar heb ik het uitgebreid over gehad — zodra het uitspoelt richting het grondwater. Nitraat verplaatst zich namelijk niet een-op-een, maar kan onderweg worden vastgelegd, afgebroken of verdund. In hoeverre is dat proces bekend, onderbouwd en daadwerkelijk meegenomen in de beoordeling en in beleidsconclusies? Ik stel de minister dus nog wat concrete vragen die hij in tweede termijn kan beantwoorden, maar ik stel hem ook voor om de Kamer in een brief nader te informeren over de keuze voor die metingen in de wortelzone binnen de uitvoering van de Nitraatrichtlijn en over de wijze waarop het gedrag van nitraat tijdens uitspoeling richting het grondwater wordt meegewogen. Dat scheelt weer wat tijd in de tweede termijn, denk ik. Als de minister de vragen die ik daarover in mijn inbreng heb gesteld en die ik hier nu weer neerleg, in een brief wil beantwoorden, dan vind ik dat ook helemaal prima. Dan kan iedereen er duidelijk en rustig naar kijken.
De voorzitter:
Ik zie de minister knikken, dus dat gaat hij doen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Prima. Dan heb ik nog drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Nitraatrichtlijn ruimte laat om niet het volledige nationale grondgebied aan te wijzen als kwetsbare zone en dat andere lidstaten van deze ruimte gebruikmaken;
constaterende dat uit het CDM-advies blijkt dat de waterkwaliteit in klei- en veengebieden structureel op orde is en dat de bijdrage van deze gebieden aan nutriëntenbelasting beperkt is;
constaterende dat de mogelijke risico's voor waterkwaliteit in deze gebieden grotendeels betrekking hebben op risico-inschattingen en dat deze risico's kunnen worden opgevangen met bestaand en voorgenomen flankerend beleid, waaronder doelsturing en emissiereducerende maatregelen;
overwegende dat een gebiedsgerichte benadering eerlijker en effectiever is dan generieke aanwijzing van het gehele land als kwetsbare zone;
overwegende dat in het nieuwe coalitieakkoord staat dat de ambitie blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen;
verzoekt de regering om klei- en veengebieden niet langer aan te wijzen als kwetsbare zone onder de Nitraatrichtlijn en dit zo spoedig mogelijk in gang te zetten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 12 (36800-J).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil de afkorting CDM even uitleggen, want al die afkortingen zeggen mensen vaak niets. CDM staat voor Commissie van Deskundigen Meststoffenwet.
Mijn tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het nieuwe coalitieakkoord is vastgelegd dat onnodige nationale koppen op Europese regels moeten worden geschrapt en dat Europese richtlijnen en verordeningen zoveel mogelijk een-op-een en tijdig worden geïmplementeerd;
overwegende dat nationale koppen en striktere interpretaties van Europese regelgeving leiden tot extra regeldruk, hogere administratieve lasten en een ongelijk speelveld voor Nederlandse ondernemers en sectoren ten opzichte van andere lidstaten;
verzoekt de regering om onverminderd uitvoering te blijven geven aan het actief schrappen van nationale koppen op Europese regelgeving, en bij de implementatie en toepassing van Europese regels structureel uit te gaan van een zo strikt mogelijke een-op-eenimplementatie, en hierover de Kamer periodiek te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 13 (36800-J).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De laatste.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kaderrichtlijn Water lidstaten expliciet ruimte biedt voor uitzonderingsgronden, waaronder gefaseerde doelbereiking, natuurlijke omstandigheden, historische belasting en grensoverschrijdende invloeden;
overwegende dat Nederland bij de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water geconfronteerd wordt met een uitzonderlijke uitgangspositie, onder meer door historische belasting, buitenlandse aanvoer van nutriënten en sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen;
overwegende dat een strikte en maximale nationale invulling zonder volledig gebruik te maken van deze uitzonderingsmogelijkheden kan leiden tot disproportionele maatregelen en extra druk op sectoren zoals landbouw, industrie en regionale overheden;
verzoekt de regering om bij het realiseren van de doelen van de Kaderrichtlijn Water maximaal en expliciet gebruik te maken van de uitzonderingsgronden en flexibiliteiten die de richtlijn biedt, om deze uitzonderingen juridisch zorgvuldig en onderbouwd toe te passen binnen de stroomgebiedbeheerplannen, en de Kamer te informeren over de wijze waarop deze uitzonderingsgronden worden benut,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 14 (36800-J).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Tot zover het voorleesuurtje van mevrouw Van der Plas.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan lid Kostić van de Partij voor de Dieren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel. Ik heb in de tussentijd even via de tv moeten meekijken. Ik heb een aantal toezeggingen gehoord, waarvoor dank. Ik ben nog wel benieuwd naar de doorbraak die is bereikt op het gebied van vislood. Al met al, alles overwegende hebben we te maken met afspraken en die dreigen we wederom niet te halen. We weten wat we daarvoor moeten doen. De Rli heeft het bijvoorbeeld over meer dwingende maatregelen op het gebied van bestrijdingsmiddelen en het inperken van de veestapel door onder andere iets te doen aan de dierrechten. Dat zie ik allemaal nog niet gebeuren, dus ik heb een aantal stimuleringsmoties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer onder andere de motie-Bromet/Van Esch (2023) en de motie-Van Ginneken/Tjeerd de Groot (2023) heeft aangenomen om onder andere alle relevante onttrekkingen van water en alle relevante vervuilingsbronnen in kaart te brengen en een meldplicht in te stellen;
constaterende dat de minister nu door middel van meld-, meet- en registratieplichten wil regelen dat er meer inzicht komt in kleinere onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater;
constaterende dat nog niet duidelijk is hoe de ondergrens voor meldingen van grond- en oppervlaktewateronttrekkingen precies bepaald wordt en of cumulatieve effecten daarbij worden meegenomen;
verzoekt de regering om wetenschappers advies te laten geven over een passende ondergrens voor meldingen van onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater en daarbij de cumulatieve effecten mee te laten nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 15 (36800-J).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland na meer dan 25 jaar nog steeds de afspraken over waterkwaliteit uit de Kaderrichtlijn Water niet heeft gehaald en de laatste deadline in 2027 is;
constaterende dat onze waterkwaliteit en natuur worden bedreigd door onder andere het gebruik van bestrijdingsmiddelen en experts recent opnieuw de politiek hebben opgeroepen om meer dwingende maatregelen op dit gebied te nemen;
constaterende dat volgens de Europese richtlijn over duurzaam gebruik pesticiden kwetsbare gebieden zoals Natura 2000-gebieden en grondwaterbeschermingsgebieden moeten worden beschermd tegen vervuiling door het gebruik van bestrijdingsmiddelen;
verzoekt de regering om zo snel mogelijk dit jaar extra maatregelen te nemen om Natura 2000-gebieden, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden te beschermen tegen de vervuiling door het gebruik van bestrijdingsmiddelen, waarbij bijvoorbeeld wordt gekeken naar beperkingen van de (niet-biologische) sierteelt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 16 (36800-J).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de schade die pfas-vervuiling veroorzaakt in de honderden miljoenen loopt en de gewone burger hier als belastingbetaler te vaak voor opdraait;
constaterende dat een vorm voor pfas-taks innovaties zou aanjagen, bedrijven zou kunnen stimuleren om zonder pfas te werken en echt zou borgen dat de vervuiler betaalt door de opbrengst te gebruiken om vervuilde plekken te saneren en de waterkwaliteit te verbeteren;
verzoekt de regering om een vrijblijvende verkenning te doen naar de mogelijkheden en de voor- en nadelen van het invoeren van een pfas-taks, en de Kamer hier zo snel mogelijk over te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 17 (36800-J).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het is gewoon aan de nieuwe regering en de nieuwe Kamer om dat in ieder geval te verkennen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit onderzoek blijkt dat alle Nederlanders te veel pfas in hun bloed hebben;
constaterende dat pfas in bestrijdingsmiddelen steeds meer worden gebruikt in Nederland, makkelijker uitspoelen naar ons grondwater en daarmee onze drinkwaterbronnen bedreigen;
overwegende dat het kabinet terecht inzet op een pfas-verbod in Europa, maar dat als er geen stop komt op pfas in bestrijdingsmiddelen, pfas alsnog door het hele land zullen blijven worden verspreid, in onze bodem, ons water en ons voedsel;
constaterende dat het huidige toetsingssysteem voor bestrijdingsmiddelen onvoldoende de (cumulatieve) effecten van pfas op gezondheid en water meeneemt;
constaterende dat in Denemarken sommige bestrijdingsmiddelen met pfas vanaf dit jaar nationaal zijn verboden en dat Denemarken pleit voor een verbod op pfas in Europa;
verzoekt de regering om in Europa te pleiten voor een verbod op pfas-bestrijdingsmiddelen en om daarin op te trekken met Denemarken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 18 (36800-J).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Heb ik nog even tijd, voordat ik een Fabertje uithaal?
De voorzitter:
Nou, ja, u heeft tijd, maar schiet maar even op.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Oké. De laatste motie. Die kan ik dan iets rustiger voorlezen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat waterbeschikbaarheid in Nederland steeds verder onder druk komt te staan en dit onder andere de woningbouw kan blokkeren;
constaterende dat de Algemene Rekenkamer concludeert dat Nederland eigen waterbesparingsdoelen niet gaat halen en weinig vooruitgang boekt op het daadwerkelijk besparen van drinkwater bij bedrijven;
constaterende dat het zakelijke drinkwaterverbruik de afgelopen jaren is gestegen in plaats van gedaald, wat het behalen van de doelen in 2035 onzeker maakt;
constaterende dat de minister na de conclusies van de Algemene Rekenkamer erkende dat hij het doel voor drinkwaterbesparing met de huidige maatregelen niet zal halen en dat er naast onderzoek extra concrete beleidsinstrumenten moeten worden ingezet;
verzoekt de regering om uiterlijk in de zomer met een voorstel te komen waarmee aantoonbaar voldoende waterbesparing wordt gerealiseerd om de waterbeschikbaarheid in Nederland op peil te houden, om daarbij de mogelijkheid te verkennen om bijvoorbeeld waterbesparing voor grootverbruikers wettelijk te verplichten en om in vergunningsvoorwaarden beperkingen over watergebruik op te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 19 (36800-J).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik wil daarbij vermelden dat ik natuurlijk altijd opensta voor wijzigingen van de moties, maar de richting is volgens mij duidelijk.
De voorzitter:
Dank u wel. Misschien kunt u 'm een beetje korter maken, maar dat kan altijd. Mevrouw Van der Plas, wilt u even het voorzitterschap overnemen?
De voorzitter:
Dat wil ik zeker. Mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel. Ik heb zitten luisteren naar de minister. Ik dacht: "Straks is hij weg. Dan komt er een nieuwe minister en dan kunnen we weer nieuwe vragen stellen. Misschien komen er dan andere antwoorden." Misschien heb ik het verkeerd begrepen, maar het viel mij op dat de minister zei: de angstscenario's, die onder anderen de heer Heutink voorspiegelt, over wat er gebeurt als we de Kaderrichtlijn Water niet halen, worden geen waarheid. Hij deed daar heel erg luchtig over. Dat deed mij denken aan de vragen die ik stelde aan achtereenvolgende ministers van Landbouw — ik ben nu zevenenhalf jaar Kamerlid — over het stoppen van de derogatie. Dat zou echt allemaal wel doorgaan. Dat gingen ze allemaal regelen. Daar hoefde ik niet bang voor te zijn. Maar die derogatie kwam maar niet.
Hetzelfde geldt voor de uitspraak over stikstof. GroenLinks-PvdA heeft jarenlang gezegd: er moet iets gebeuren; de PAS deugt niet. GroenLinks heeft niet ingestemd met de PAS. Voor heel veel mensen, heel veel bestuurders en heel veel ministeries kwam de uitspraak van de rechter over de Programmatische Aanpak Stikstof als een verrassing. Zeven jaar na dato hebben we nog steeds geen oplossing gevonden, terwijl die er gewoon is. Alleen, daar heb je politieke daadkracht en durf voor nodig.
Hetzelfde geldt, denk ik, ook voor de Kaderrichtlijn Water. Ik deel de urgentie van de heer Heutink, maar ik ga helemaal de andere kant op als het gaat om de oplossing. Ik vind het namelijk heel goed dat we die afspraken hebben gemaakt. Nederlanders hebben recht op schoon water, en de natuur al helemaal. Ik zou zeggen: maak er werk van. Wij zullen met voorstellen blijven komen om dat voor elkaar te krijgen.
Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat pfas een giftige forever chemical zijn en dat ze, eenmaal in het milieu, nooit meer verdwijnen, accumuleren en voor altijd schadelijk zijn;
overwegende dat pfas-houdende bestrijdingsmiddelen een grote maar diffuse bron van pfas zijn die in grote hoeveelheden over Nederland worden gespoten;
overwegende dat de Europese regels een nationaal verbod op pfas-houdende bestrijdingsmiddelen toestaan en alternatieven beschikbaar zijn;
verzoekt de regering om op zo kort mogelijke termijn het gebruik van pfas-houdende middelen in de landbouw te verbieden of via toepassingsregels onmogelijk te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.
Zij krijgt nr. 20 (36800-J).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het kabinet-Schoof het principe "water en bodem sturend" heeft gedegradeerd tot een vrijblijvend streven;
overwegende dat het PBL in zijn reflectie op de ontwerp-Nota Ruimte adviseert "water en bodem sturend" weer het leidende principe voor de ruimtelijke ordening te maken;
verzoekt de regering om "water en bodem sturend" weer het leidende principe voor de ruimtelijke ordening te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.
Zij krijgt nr. 21 (36800-J).
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Nederland laag gelegen is, de bodem daalt, de zeespiegel stijgt en het weer extremer wordt;
overwegende dat natuurgeweld, oorlogsgeweld en ongelukken nooit volledig kunnen worden uitgesloten;
overwegende dat websites als Atlas Leefomgeving of overstroomik.nl informatie geven aan bewoners van risicogebieden, maar dat dit amper bekend is bij burgers;
verzoekt de regering om burgers individueel, per adres of postcode praktisch en duidelijk te instrueren over wat hun risico's zijn en wat ze moeten doen bij een ramp, zoals een overstroming,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.
Zij krijgt nr. 22 (36800-J).
Dank u wel, mevrouw Bromet. Ik zie geen interrupties, dus ik geef het voorzitterschap weer terug aan u.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik even of de minister een schorsing nodig heeft. Dat is het geval. Een kwartier vind ik echt te lang. Ik zeg dat omdat in de afgelopen periode de gewoonte is ontstaan om steeds meer tijd te nemen voor de beantwoording van vragen en het beoordelen van moties. Ik wil nu een kwartier geven, maar als ik meer naar de toekomst kijk, denk ik dat een uur schorsen voor de beantwoording van vragen of een kwartier voor de appreciatie van moties gewoon te lang is. Daar gaan we het in het vervolg nog over hebben. Dan gaan we nu schorsen tot 16.35 uur.
De voorzitter:
Ja, het is 16.35 uur en mevrouw Van der Plas komt binnenvallen. Ik wil het woord geven aan de minister voor de beantwoording van de vragen en het oordeel op de moties. Ga uw gang.
Minister Tieman:
Dank u wel, voorzitter. De heer Schutz vroeg naar de scenario's, de bouwstenen van het beleid — meegroeien is daar onder andere één van — voor het kennisprogramma. Ik neem dat mee in het kader van strategisch omgevingsmanagement, met die gevoeligheid dat we daar echt wel oog voor hebben. Anders is het na Prinsjesdag heel kort dag. We gaan dit nog veel verder uitwerken met keuzes, met onderbouwingen en met het betrekken van de regio. Ik zal daar zo meteen ook nog wat dieper op ingaan bij de appreciatie van de motie van mevrouw Vellinga.
Het lid Kostić vroeg naar een tienjaarscenario. Kortere termijnen leggen gewoon te veel druk op de bedrijven. Dat is de argumentatie. Het gaat onder andere om administratieve lasten. We zien het nu zelf ook met het doorspreken en beoordelen van al de milieuvergunningen. Dat doe je niet even op een avond.
Dan wilde ik verdergaan met de appreciatie van de motie op stuk nr. 8 van mevrouw Vellinga-Beemsterboer over de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Oordeel Kamer.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Heeft de minister wel in het vizier wat er gebeurt als we dat dan niet hebben? Welke gevolgen gaat dat hebben? Wordt er dan gehandhaafd? Welke gevolgen heeft dat? Je vraagt iets om het te borgen, maar dat betekent ook dat er een gevolg aan zit als we dat niet hebben. Wat is dat gevolg dan als we het niet hebben?
Minister Tieman:
Hier zijn ook borgingen. Ik lees 'm zodanig dat het ook bij andere overheden zou kunnen. We hebben hier niet alle verantwoordelijkheid. Ik ga in gesprek met die partijen en ik doe dat ook binnen een bepaalde termijn. Maar het is niet zo dat ik er opeens aan trek op het moment dat we iets zouden missen. Daar kom ik dan wel op terug. Ik wil hier wel zo veel mogelijk meebewegen met de Kamer.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mag ik het dan zo begrijpen dat deze motie oordeel Kamer krijgt met de interpretatie die de minister nu net geeft? Anders is het echt wel een strakke motie.
Minister Tieman:
Oké, dan doen we het op die manier.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar de indiener van de motie. Ja, die is akkoord. De motie op stuk nr. 8: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 9.
Minister Tieman:
Door het woordje "versoepelen" moet ik de motie ontraden. Sorry, ik heb het nu over de motie-Heutink/Stoffer op stuk nr. 10. Wij zoeken nog even naar de motie op stuk nr. 9.
De voorzitter:
Oké, dan wachten we dat even af.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 9 van Boelsma-Hoekstra en Bromet: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Vellinga-Beemsterboer staat er ook nog bij. De motie op stuk nr. 9: oordeel Kamer. Kunt u nog even naar de motie op stuk nr. 10 gaan?
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 10: ontraden vanwege het woord "versoepelen". Versoepelen kan ik niet toezeggen, versimpelen wel.
De voorzitter:
Meneer Heutink?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dan maak ik er met uw welnemen "versimpelen" van.
Minister Tieman:
Oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 10 wordt gewijzigd. Het woord "versoepelen" wordt vervangen door "versimpelen" en de motie krijgt oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie-Heutink op stuk nr. 11: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 11: oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 12: ontijdig, achtste actieprogramma.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 12 is ontijdig. Er is een vraag van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nog even over de motie op stuk nr. 10, want het ging wel heel snel. De minister zei dat die met het woord "versimpelen" oordeel Kamer krijgt, maar wat betekent versimpelen precies? Hoe wordt geborgd dat de waterkwaliteit nog steeds voldoende wordt gewaarborgd?
Minister Tieman:
Ik sorteer hier al voor op het regeerakkoord, waar die teksten ook in staan. Dat moeten we dan gaan invullen met elkaar: versimpelen, simpelere regels. We hebben net een aantal voorbeelden gezien. Dat is wel iets wat we met elkaar moeten verkennen.
De voorzitter:
Ja, en die vragen kunt u aan een nieuwe bewindspersoon stellen. Ik ga nu echt door, want ik wil om 17.00 uur klaar zijn. We waren gebleven bij de motie op stuk nr. 12, en daarover was het oordeel: ontijdig. Ik kijk of mevrouw Van der Plas de motie wil aanhouden, ja of nee. Nee? Dan wordt het een ontraden motie. De motie op stuk nr. 12 is ontraden.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 13 over het schrappen van nationale koppen op Europese regelgeving: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 13: oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie-Van der Plas op stuk nr. 14 over het benutten van de uitzonderingsgronden van de Kaderrichtlijn Water: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 14: oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 15 van het lid Kostić: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 15: oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 16 van het lid Kostić: ontijdig. Dit ligt echt bij LVVN.
De voorzitter:
Lid Kostić, wilt u de motie aanhouden, ja of nee?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nee, maar ik wil hier wel een punt van maken. Er is mij toegezegd door het ministerie van IenW dat zij namens de minister van LVVN hier zouden antwoorden en dat de beantwoording niet doorgeschoven zou worden. Ik kan dit eerlijk gezegd niet helemaal goed accepteren, dus ik wil graag echt even … Misschien moet de minister de motie dan aan het oordeel van de Kamer laten, maar dit kan niet.
Minister Tieman:
Ik heb zo veel mogelijk meebewogen bij de beantwoording, maar dit zijn moties die beoordeeld worden. Ik heb dus het advies gekregen om dit echt niet aan te raken als IenW-minister. Ik snap wat u zegt, maar ik moet dit echt even zo doen, gelet op de consequenties die het mogelijk kan hebben. Ik ben geen minister van LVVN.
De voorzitter:
Wilt u de motie aanhouden of niet?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik denk erover na, maar ik vind dit echt geen nette gang van zaken, gezien de afspraken met ons als Kamer.
De voorzitter:
De Kamer kan altijd zelf een oordeel vellen, ook zonder een advies van het kabinet. Dan zijn we bij de motie op stuk nr. 17.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 17: ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 17: ontraden.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 18: ontijdig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 18: ontijdig.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het is fijn als ik weet waarom. Ik vraag alleen maar om Europese inzet. Ik vraag niet eens om een nationaal verbod in te stellen, maar om samen met Denemarken op te trekken.
Minister Tieman:
Het antwoord is hetzelfde als het antwoord dat ik net gaf: minister van LVVN.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 18: ontraden.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 19: ontraden. We zetten juist in op minder regels.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 19: ontraden.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 20: ontijdig, LVVN.
De voorzitter:
Nog even overnieuw, hoor, want de moties zitten verkeerd om in het setje. Het gaat dus om de motie op stuk nr. 20. Die motie krijgt het oordeel ontijdig.
Minister Tieman:
Dat klopt. De motie-Bromet op stuk nr. 21: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 21: oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie-Bromet op stuk nr. 22: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 22 krijgt oordeel Kamer, mits ...
Minister Tieman:
Het spijt me. De motie krijgt oordeel Kamer, maar wel met een opmerking. U geeft aan in uw motie dat het op adresniveau moet zijn, maar ik wil aan u vragen of het kan per straat of per wijk, conform overstroomik.nl. Anders is het voor ons niet te doen. Als het per straat of per wijk kan, krijgt de motie oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ja. In de motie staat het woordje "of", dus het kan zeker ook op wijkniveau.
De heer Schutz (VVD):
Het gaat mij te snel. Ik vind de motie op stuk nr. 20 te veel op de motie op stuk nr. 22 lijken. Ik ben dus echt even het spoor bijster.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 20 lijkt helemaal niet op de motie op stuk nr. 22, hoor. Misschien ziet u het nummer niet goed. O, het gaat om het getalletje. De een-na-laatste kopie in het setje is nr. 20, de laatste kopie is nr. 21 en vóór nr. 20 zit nr. 22. Excuus. Daarmee hebben we ... O, lid Kostić heeft een vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja, over de motie op stuk nr. 19. Het ging mij ook eventjes te snel. Kreeg die motie oordeel Kamer of werd die ontraden? En als de motie is ontraden, waarom dan precies?
Minister Tieman:
We willen minder regels en deze zorgt voor meer regels.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Zo is de motie zeker niet bedoeld, want ik sluit hiermee eigenlijk aan bij de doelen die het ministerie zelf ook heeft. De Algemene Rekenkamer zegt: we doen eigenlijk te weinig om die doelen te halen. De motie is meer bedoeld om te kijken: wat kunnen we nog doen om die doelen alsnog te halen? Dat hoeft niet met nieuwe regels. Ik ben dus prima bereid om de motie nog aan te passen, want die is juist bedoeld om onszelf aan onze eigen afspraken te houden.
Minister Tieman:
De laatste zin van uw motie is: voor grootgebruikers wettelijk verplicht te maken en in vergunningsvoorwaarden beperkingen over watergebruik op te nemen.
De voorzitter:
Tot slot, lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik snap het wel. Er stond inderdaad "de mogelijkheid verkennen". Eigenlijk zegt de minister: die mogelijkheid willen we niet eens verkennen. Wat als ik die zin schrap en alleen het eerste gedeelte van het dictum laat staan?
Minister Tieman:
Dan zou het kunnen, lid Kostić. Dan krijgt de motie oordeel Kamer.
De voorzitter:
Daarmee wordt de motie op stuk nr. 19 gewijzigd en krijgt die oordeel Kamer.
Dan wil ik overgaan tot het voorlezen van de toezeggingen.
- Eén. De minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe de Kamer over een jaar te informeren over hoe de aanbevelingen van het RIVM met betrekking tot het gebruik van hemelwater en grijs water binnen de gebouwde omgeving worden opgevolgd in diverse andere pilots.
- Twee. De minister van Infrastructuur en Waterstaat zal de Kamer binnen een maand schriftelijk informeren over de geplande drinkwaterbesparingscampagne waarbij ook wordt ingegaan op de kosten en evaluatie.
- Drie. Binnen een maand ontvangt de Kamer van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een brief met nadere informatie over het "one out, all out"-principe uit de Kaderrichtlijn Water.
- Vier. De minister van Infrastructuur en Waterstaat zal de Kamer voor het commissiedebat Water van eind juni een brief over de Kaderrichtlijn Water sturen, waarin specifiek wordt ingegaan op het handelingsperspectief tussen nu en de deadline eind december 2027, maar ook in de periode na 2027, en op wat er geleerd is van het actualiseren van de onttrekkingsvergunningen.
- Vijf. Binnen een maand ontvangt de Kamer van de minister van Infrastructuur en Waterstaat een schriftelijke terugkoppeling van zijn gesprek met de waterschappen in het Bestuurlijk Overleg KRW.
- Zes. De minister van Infrastructuur en Waterstaat zal de Kamer binnen zes maanden nader informeren over de stand van zaken met betrekking tot de Dinkel.
- Zeven. Rond de zomer zal de minister van Infrastructuur en Waterstaat de Kamer schriftelijk informeren over de effecten van koelwaterlozingen.
- Acht. De minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe de openstaande vragen van de BBB-fractie uit de eerste termijn per brief te beantwoorden.
Ik zie twee vingers. We beginnen even met het CDA.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Volgens mij zou er binnen een maand een rapport komen over die bezwaarprocedures en daar zouden wij van op de hoogte worden gesteld. Het gaat over de drinkwaterbedrijven.
De voorzitter:
Ja, die voegen we toe.
De heer Schutz (VVD):
Ik had volgens mij ook een toezegging gekregen over de termijnen met betrekking tot drinkwater en bedrijfsprocessen. Dat was ook gekoppeld aan een termijn. Daar had u wat langer voor nodig, maar dat heeft u volgens mij wel toegezegd.
De voorzitter:
Even voor de Kamerleden: het is een toezegging als er een brief beloofd is met een daaraan gekoppelde datum. Misschien kunt u nog even herhalen waarop u denkt een toezegging gekregen te hebben.
De heer Schutz (VVD):
Dit gaat over de eerdere toezegging aan mijn voorganger, de heer Verkuijlen, over drinkwater in bedrijfsprocessen. U zou nadere studie doen naar de bedrijven waarop dat ziet. Dat was al een toezegging, maar volgens mij heeft u daaraan nu ook een bepaalde termijn gekoppeld. Daarom is het een toezegging.
Minister Tieman:
Ja, dat klopt: zes maanden.
De voorzitter:
Zes maanden. Dan voegen we die ook toe aan de toezeggingen.
De heer Schutz (VVD):
Volgens mij heeft de minister ook toegezegd om in juni terug te komen met een brief over de Kaderrichtlijn Water en de effecten die de eindspurt tot dan toe heeft gehad.
De voorzitter:
Die heb ik net voorgelezen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik besef net dat de minister iets heeft gezegd over vislood en dat hij daar nog niet op teruggekoppeld heeft. Kan de minister nog even terugkoppelen op dat punt?
Minister Tieman:
Ik kom daar binnenkort op terug, lid Kostić, met een convenant en wat communicatie. Ik denk dat het helemaal in het straatje van uw inspanningen zal zijn en dat we wat scherper aan de wind gaan varen met de sector om toch alternatieven naar voren te brengen ten behoeve van de waterkwaliteit.
De voorzitter:
Met deze verrassing sluiten wij dit wetgevingsoverleg Water af. Dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen en aan zijn ondersteuning. Dank aan de Kamerleden. Ik wilde al bijna hameren, maar de heer Schutz heeft nog een laatste opmerking.
De heer Schutz (VVD):
Nee, ik heb een vraag. De tekst van de motie op stuk nr. 19 is net gewijzigd. Die wijziging was niet voor iedereen aan deze tafel direct duidelijk. Dat is wel belangrijk om de motie mee te kunnen nemen.
De voorzitter:
In de motie op stuk nr. 19 is de laatste zin gewijzigd. Die gaat over de wettelijke verplichting en het beperken van vergunningsvoorwaarden. Die wordt geschrapt. Als u precies wilt weten wat de minister heeft gezegd, moet u dat even in de Handelingen terugzoeken.
Daarmee komen we bij het einde van deze vergadering. Dank aan het publiek voor de belangstelling. Goede reis naar huis.