Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (35570-VII) op 14 oktober 2020
Brief regering
Nummer: 2020D41088, datum: 2020-10-15, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Onderdeel van zaak 2020Z19007:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2021-03-31 14:45 ā Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2021-02-10 13:50 ā Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2020-10-29 19:30 ā Betrokken bij de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2021 (Besluit)
- 2020-10-15 18:35 ā Behandeld. (Besluit)
- 2020-10-15 18:35: Begroting Binnenlandse Zaken (VII) (voortzetting) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2020-10-29 19:30: Procedurevergadering vaste commissie voor Binnenlandse Zaken (videoverbinding) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2021-02-10 13:50: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2021-03-31 14:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (š origineel)
Vragen van het lid Bosma, M. (PVV)
Vraag:
Er komt geen wet uit handen van de minister. Minister, waarom komt er zo
weinig uit uw handen?
Antwoord:
Volgens de heer Bosma komt er geen enkele wet uit mijn handen. Dat
plaats ik graag in perspectief. Er zijn in 2017 24 BZK-wetten in het
Staatsblad gepubliceerd, in 2018 waren dit er 39 en in 2019 12. In 2020
zijn tot nu toe 17 wetten gepubliceerd in het Staatsblad. Daarmee zijn
we samen met het ministerie van Justitie en Veiligheid en het ministerie
van Volksgezondheid Welzijn en Sport groot-leverancier van wetgeving. U
kunt overigens nog vele voorstellen van BZK tegemoet zien voor de
verkiezingen.
Vragen van het lid Middendorp, J. (VVD)
Vraag:
Bij de begrotingsbehandeling van vorig jaar is een vergelijking
aangekondigd inzake het verschil tussen de overheid die zelf ICT en
innovatie ontwikkelt en de ontwikkeling door marktpartijen of anderen.
Wat zijn de conclusies van die vergelijking?
Antwoord:
Mij staat niet bij dat een dergelijke vergelijking is toegezegd. Op
specifieke domeinen ontwikkelt de overheid zelf ICT, zoals bij de
uitvoeringsinstanties. Daarbij wordt al gebruik gemaakt van
technologieƫn en innovaties die bij marktpartijen worden ontwikkeld. De
toepassing van zoān technische innovatie in een proces van de overheid
kan op zichzelf natuurlijk innovatief zijn, maar de overheid ontwikkelt
geen eigen technische ICT-innovaties. Dat zal altijd door marktpartijen
en kennisinstituten, of in samenwerking met deze partijen
gebeuren.
Vraag:
Wat wordt nu gedaan tegen het hacken van politici, zoals in Duitsland
gebeurd is?
Antwoord:
Iedereen, dus ook politieke partijen en politici, is zelf
verantwoordelijk voor zijn eigen cyber veiligheid. De Tweede Kamer
ontvangt als doelgroep organisatie van het Nationale Cyber Security
Centrum (NCSC), advies en bijstand van het NCSC. Daarnaast kunnen Tweede
Kamerleden een melding van incidenten doen bij de beveiligingsadviseur
van de Tweede Kamer en kan er altijd aangifte worden gedaan bij de
politie. Politieke partijen kunnen vrijwillig een melding doen bij
incidenten die het NCSC in behandeling kan nemen. In de praktijk is dit
ook daadwerkelijk voorgekomen. Ook politieke partijen kunnen bij de
politie aangifte doen in geval van een incident. Indien sprake is van
een cyber incident bij een politieke partij, waarbij de inhoud van de
hack openbaar wordt gemaakt (hack and leak), zou Nederland, net als
Duitsland in het genoemde voorbeeld, gebruik van de EU cyber diplomacy
toolbox kunnen voorstellen.
Vraag:
De Europese Commissie werkt aan plannen die grote consequenties kunnen
hebben, zoals Single Digital Gateway. Wat is inzet van kabinet hierbij?
Hoe kijkt kabinet aan tegen de samenwerking met Europa op dit
punt?
Antwoord:
Niet iedereen in de EU heeft op dit moment op eenzelfde manier toegang
tot digitale overheidsdienstverlening. De Europese Commissie heeft
inderdaad grote plannen om dat te verbeteren. In oktober 2018 is de
Single Digital Gateway (SDG) verordening aangenomen door het Europees
Parlement. Doel van de verordening is ƩƩn online toegangsportaal te
creƫren voor makkelijke en integrale toegang tot online informatie,
administratieve procedures en daarbij horende diensten in de
verschillende Europese lidstaten, bijvoorbeeld rondom
grensoverschrijdend verhuizen, studeren of werken. De SDG Verordening
betekent voor Nederlandse en Europese burgers en bedrijven dat zij
straks op digitale wijze betere toegang krijgen tot de interne markt. De
huidige pandemie toont het belang daarvan aan.
Nederland onderschrijft de doelstellingen van de verordening en bevoegde
instanties zijn gestart met de implementatie van de Single Digital
Gateway. De coƶrdinatie op de implementatie van de verordening wordt
sinds juli 2019 onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitgevoerd. Daarbij worden,
waar dat van meerwaarde lijkt, in de voorbereiding van de implementatie
coalities gevormd met andere lidstaten. Eind juni heeft de
staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uw Kamer
per brief
(Kamerstukken II 2020/21, 22112, nr. 2890) geĆÆnformeerd over de
implementatie van de SDG en de resultaten die in de afgelopen periode
zijn gerealiseerd. De implementatie wordt stapsgewijs uitgevoerd aan de
hand van de tijdslijnen die de verordening hanteert. In december 2020
moeten de Rijksproducten die vallen onder āInformerenā voldoen aan de
SDG. De Nationale Portalen (overheid.nl, government.nl,
ondernemersplein.nl, business.gov.nl) zijn begonnen met het
implementeren van het onderdeel "Informeren". Een aantal partijen is aan
de slag met vertalen van informatie. Andere partijen zijn bezig met het
uitvoeren van impactanalyses en uitvoeringstoetsen dan wel het inrichten
van de organisatie ten behoeve van de implementatie.
Vraag:
Met cloud- en datadienstenstrategie van de overheid mag het niet zelfde
aflopen als met algoritmen en kunstmatige intelligentie: er moet grip
komen op algoritmen. We hebben lang gewacht tot Europese Commissie komt
met voorstellen: deel van voorstellen moet uit EU komen, maar hoe meer
Nederland zelf doet om cloud- en datadiensten te ontwikkelen, hoe
sterker Nederland straks staat in Europese discussies, zoals over
project Gaia-X. Graag een reactie van het kabinet.
Antwoord:
De staatssecretaris volgt het Europese initiatief over Gaia-X met veel
interesse, vooral vanwege de potentiƫle bijdrage aan doelstellingen
zoals de digitale soevereiniteit (voor data en voor diensten) van
Nederland, en voor uitwisselbaarheid van diensten en gegevensstromen
binnen de EU. Het is vooralsnog veelal een visie, maar van het
voorzitterschap van Duitsland wordt het nodige verwacht om hier meer
concreetheid in aan te brengen.
In 2019 is een verkenning van cloudbeleid afgerond, die ik nog in 2020
zal formaliseren. In 2021 moet dit leiden tot concrete beleidskaders
voor de versterking van de ICT-infrastructuur van de rijksdienst. Zoals
aangekondigd in de Strategische i-agenda wordt door de consolidatie van
overheidsdatacenters de basis gelegd voor verdere
kwaliteitsverbeteringen van de overheidsdatacenters, waarbij ook
onderzoek naar de mogelijkheden van het leveren van een clouddienst
in overheidsdatacenters zal worden meegenomen. Daarbij wil de
staatssecretaris waar mogelijk ook Europese cloudinitiatieven zoals
Gaia-X betrekken.
Vraag:
Er zou een nieuw digitaal hulpmiddel voor het berekenen van de
verkiezingsuitslag komen, maar er is voor gekozen om het huidige systeem
te verbeteren. Waarom? Lost dat de risicoās die er waren op? En is het
goed geregeld voor de verkiezingen in maart volgend jaar?
Antwoord:
De Kiesraad heeft inderdaad opdracht gegeven om voor de komende Tweede
Kamerverkiezing een nieuwe versie van de ondersteunde software
verkiezingen te laten ontwikkelen. Doel daarbij is dat de eerder in die
programmatuur geconstateerde kwetsbaarheden worden opgelost. De nieuwe
versie van de programmatuur wordt thans getest door de Kiesraad.
Vraag:
De Tweede Kamer heeft maar weinig grip op agentschappen zoals
Rijksvastgoedbedrijf, bijvoorbeeld als het gaat om project als renovatie
Binnenhof. Verkoop- en bezuinigingsprogrammaās die dit Agentschap
beheert, zijn moeilijk te volgen voor de Tweede Kamer. Graag reactie
minister over deze casus: oude Rijksvastgoedbedrijf en nieuwe Logius
kunnen tot interessante verbeteringen in aansturing leiden als die
vergeleken worden. Ook graag een reactie op opmerking Rekenkamer
hierover.
Antwoord:
Voor de sturing op agentschappen is er een goede basis gelegd met de
invulling van de rollen van opdrachtgever, opdrachtnemer en eigenaar.
Conform mijn reactie op het verantwoordingsonderzoek van de Rekenkamer
blijf ik van mening dat de verschillende actoren hun rol in de sturing
goed weten in te vullen. Om hier zorgvuldig in te kunnen blijven zijn,
behoeven de rolzuiverheid en rolverdeling daarbij wel continue aandacht.
Ook in het geval van het Rijksvastgoedbedrijf is van een goede
aansturing sprake.
Desalniettemin kijk ik met belangstelling uit naar de resultaten van het interdepartementaal beleidsonderzoek naar de werking van agentschappen. Dit interdepartementaal beleidsonderzoek is onlangs gestart en daarbij kijken de onderzoekers ook naar sturing, transparantie en informatiewaarde naar de Kamers voor alle agentschappen van het Rijk. Gekeken wordt naar goede voorbeelden van de werking in de aansturing. De resultaten van het beleidsonderzoek worden begin volgend jaar verwacht en kunnen leiden tot aanpassingen om de werking van agentschappen verder te verbeteren.
Voor wat betreft de informatiewaarde: agentschappen informeren de Tweede Kamer in de begrotingen over hun financieel resultaat en de doelmatigheidsindicatoren. Deze informatie wordt in de begroting op macroniveau geleverd en niet op programma- of projectniveau.
Vraag:
Er zijn afspraken gemaakt over het aannemen van mensen met afstand tot
de arbeidsmarkt. Het lijkt erop dat de Rijksoverheid het daarin weer
slechter gaat doen dan bedrijfsleven, waar dezelfde afspraken zijn
gemaakt. Wat is de inzet van de minister om dit in 2021 beter te gaan
doen?
Antwoord:
Ik vind het van groot belang dat ook mensen met een arbeidsbeperking aan
de slag kunnen en aan de slag kunnen blijven bij de overheid. Samen met
mijn collegaās van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken en
Werkgelegenheid heb ik op 11 april 2019 een bestuursakkoord afgesloten
met de overheids- en onderwijssectoren om een impuls te geven aan de
realisatie van de banen voor mensen met een arbeidsbeperking. Dit hebben
wij gedaan in de context van de aangekondigde vereenvoudiging van de Wet
banenafspraak. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
werkt aan een wetsvoorstel voor vereenvoudiging van deze wet. Belangrijk
onderdeel is het opheffen van het onderscheid tussen overheid en markt.
Dit maakt samenwerking tussen overheid en dienstverleners in de markt
mogelijk.
Ter uitvoering van de bestuurlijke afspraken hebben alle overheids- en
onderwijssectoren een werkagenda met acties opgesteld. De sectoren zijn
voortvarend aan de slag gegaan met de uitvoering van de acties. Bij
brief van 17 december 2019 heb ik aan uw Kamer een eerste rapportage
gestuurd.
Verder heb ik samen met de staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid ingezet op kennisdeling, advisering en ondersteuning aan
de sectoren. Wij hebben de heer Aart van de Gaag, boegbeeld voor de
banenafspraak in de marktsector, ingeschakeld om ook werkgevers in de
overheid en het onderwijs te helpen. En ik heb de zogenaamde
Kennisalliantie ingesteld waar overheidswerkgevers terecht kunnen met
vragen en voor advies.
Ik heb ook de samenwerking met De Normaalste Zaak geĆÆntensiveerd. De
Normaalste Zaak ondersteunt sectoren en werkgevers met het realiseren
van banen via inkoop.
Om ervoor te zorgen dat de ambities op dit terrein worden waargemaakt,
blijf ik met de sectoren in gesprek over de realisatie van de banen voor
mensen met een arbeidsbeperking en zal uw Kamer eind dit jaar opnieuw
informeren over de acties van de overheids- en onderwijssectoren.
Ook de ministeries hebben een gezamenlijke werkagenda met rijksbrede
acties opgesteld. Basis voor de werkagenda van de sector Rijk is de
rijksbrede meerjarige aanpak met verschillende manieren om banen te
creƫren voor mensen met een arbeidsbeperking. Deze methoden zijn:
individuele instroom in de ministeries, groepsgewijze instroom, instroom
via inkoop en social return, en samenwerking met andere werkgevers. Deze
aanpak biedt maximale ruimte om banen te realiseren.
Jaarlijks starten de ministeries nieuwe projecten langs deze aanpak.
Voorbeeld is de doorontwikkeling van het maatschappelijk verantwoord en
duurzaam inkopen (MVI). De komende jaren zullen er samen met
leveranciers nieuwe proeftuinen komen voor inzet van mensen met een
afstand tot de arbeidsmarkt.
Verder werk ik actief aan bevorderen van een inclusief werkklimaat bij
de ministeries. Dit gebeurt bijvoorbeeld met inzet van de zogenaamde
Onbeperkte Denkers. Ongeveer 1300 rijksambtenaren hebben zich aangemeld
om de instroom en het behoud van mensen met een arbeidsbeperking op de
werkvloer binnen het Rijk te bevorderen.
Vragen van het lid Ćzütok, N. (GL)
Vraag:
Komt de wet die het 'right to challenge' regelt nog dit jaar naar de
Kamer? We hebben al diverse keren aangedrongen op een wettelijke
verankering, maar de aangekondigde wet ligt er nog steeds niet. Waarom
niet?
Antwoord:
Begin oktober heb ik het advies van de Afdeling Advisering van de Raad
van State ontvangen en daar beraad ik mij nu op. Na het herfstreces
informeer ik uw Kamer over hoe ik hier gevolg aan geef.
Naast de wettelijke verankering blijf ik met het programma Democratie in
Actie (DiA) praktische informatie, goede voorbeelden en kennis delen om
zo te komen tot meer gebruik en toepassing in gemeenten van het
Uitdaagrecht. Ik heb onlangs bij een werkbezoek aan de gemeente Tilburg
de toepassing van het uitdaagrecht van dichtbij gezien. Ik ging samen
met onze kinderminister, Nilaya Holwijn, langs bij het Spoorpark. Eind
juni 2019 werd het Spoorpark geopend, met 10 hectare het grootste
burgerinitiatief van Nederland. Een prachtig voorbeeld van het
uitdaagrecht, waar het initiatief vanuit de maatschappij kwam en waarbij
de gemeente ondersteuning en begeleiding gaf. Ook stelt de VNG momenteel
een modelparticipatieverordening op om gemeenten te ondersteunen bij het
regelen van participatie passend bij de lokale behoeften en
omstandigheden. Een onderdeel van deze modelverordening zijn regels over
het uitdaagrecht.
Vraag:
Aangiftebereidheid inzake discriminatie is er, maar het lukt niet binnen
het systeem gelijkwaardigheid te bereiken. Wat is de minister bereid
daaraan te doen? Er is volgens GroenLinks weinig concreet beleid gezien
voor systematisch racisme. Graag expliciet aandacht voor mensen met een
beperking, bijvoorbeeld bij volgen hoger onderwijs. Welke concrete
maatregelen kan de minister voorstellen om gehoor te geven aan de
maatschappelijke roep om gelijkheid?
Antwoord:
Racisme en discriminatie zijn helaas hardnekkige problemen in onze
samenleving. Dat is de afgelopen maanden wederom gebleken. Vele
pijnlijke verhalen komen naar boven over ervaringen met racisme en
discriminatie. Het is belangrijk stil te staan bij die ervaringen. Maar
het is nog belangrijker om er iets tegen te doen. De afgelopen maanden
zijn er in het Catshuis verschillende gesprekken gevoerd door de
minister-president en de betrokken bewindspersonen met de
initiatiefnemers van de demonstraties tegen racisme. We gaan verder met
deze gesprekken met de samenleving en ons richten op concrete
maatregelen die naast of bovenop de bestaande kabinetsmaatregelen
getroffen kunnen worden. Voor die effectieve aanpak is samenwerking
binnen het kabinet cruciaal. Naar aanleiding van verschillende moties
kijken we nu naar mogelijkheden om de coƶrdinatie te versterken,
bijvoorbeeld door het instellen van een Nationaal coƶrdinator. Hierover
kom ik dit najaar met een brief aan Uw Kamer.
Mevrouw Ćzütok vraagt specifiek om aandacht voor mensen met een
beperking. Binnen het kabinet is de minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport coƶrdinerend voor de maatregelen gericht op de
participatie van mensen met een beperking. Bijvoorbeeld door het
uitvoeren van het programma Onbeperkt meedoen.
Vraag:
Kan de staatssecretaris de onderliggende rapporten inzake renovatie
Binnenhof en tijdelijk onderkomen aan de Kamer doen toekomen en openbaar
maken, zodat we compleet beeld krijgen van situatie?
Antwoord:
In de brief van 13 oktober jl. heeft de staatssecretaris van BZK uw
Kamer geĆÆnformeerd over de stand van zaken van de tijdelijke huisvesting
Bezuidenhoutseweg (B67). De rapporten ten aanzien van Covid-19 en B67
zijn uitgevoerd in opdracht van de gebruiker Tweede Kamer. Op 1 oktober
heb ik met het Presidium gesproken over de tussenresultaten. De
uitkomsten hiervan leidden tot de conclusie dat er vervolgonderzoek komt
naar de implicaties van Covid-19 op de tijdelijke huisvesting van de
Tweede Kamer in B67 op basis van aanvullende scenarioās. Het doel is dit
onderzoek af te ronden voor 1 november 2020. De staatssecretaris
informeert uw Kamer hierover in de vijfde voortgangsrapportage, die hij
uw Kamer medio november zal doen toekomen. De staatssecretaris bespreekt
met het Presidium de openbaarmaking van de betreffende informatie,
aangezien het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gebruiker
Tweede Kamer.
In zijn algemeenheid maakt de staatssecretaris vastgestelde belangrijke
documenten ten aanzien van het project renovatie Binnenhof openbaar, in
overeenstemming met de Motie Ronnes c.s.
In december 2019 is hiermee gestart en op regelmatige basis worden tranches documenten openbaar gemaakt. De documenten zijn te vinden op de website van het Rijksvastgoedbedrijf.
Vragen van het lid Molen, H. van der (CDA)
Vraag:
Het CDA vraagt de minister om een voorzet voor nieuw regionaal beleid te
doen. Wat is de inzet van de minister op dit vlak?
Antwoord:
In mijn Kamerbrief inzake bevolkingsdaling en krimp van 3 juli
jongstleden, heb ik de Kamer laten weten dat ik het tot nu toe gevoerde
generieke Rijksbeleid met betrekking tot krimpgebieden wil
doorontwikkelen in de richting van meerjarige interbestuurlijke
partnerschappen. Deze zijn gericht op een integrale - deels
grensoverschrijdende - ontwikkeling van gebieden waar een inzet van de
Rijksoverheid onmisbaar is. Deze ontwikkeling sluit goed aan bij het
reeds ingezette beleid van dit kabinet.
In de eerste plaats zet ik middels de Regiodeals, in samenwerking met
LNV en andere vakdepartementen, betrokken bestuurders van gebieden met
bevolkingsdaling en hun maatschappelijke partners, in op de versterking
van de ruimtelijk-economische structuur en de sociaal fysieke
leefbaarheid in die gebieden. Inmiddels is circa ⬠200 mln. uit de regio
envelop ingezet in gebieden met bevolkingsdaling.
Daarnaast ontwikkelen het Rijk, regionale overheden, maatschappelijke
partners en burgers, in het kader van de uitvoering NOVI, per gebied een
integraal toekomstperspectief en een ontwikkelstrategie, die worden
verwerkt in de landsdelige omgevingsagendaās. Bovendien heb ik acht
voorlopige NOVI-gebieden aangewezen. In drie van deze gebieden, te
weten: Groningen, North Sea Port Zeeuws Vlaanderen en Zuid-Limburg, is
er sprake van bevolkingsdaling en een ligging aan de grens.
Tot slot loopt het Actieplan Bevolkingsdaling op 1 januari 2021 af. De
komende maanden start de (toegezegde) evaluatie van het programma. De
resultaten van deze evaluatie stuur ik voorjaar 2021 aan de
Kamer.
Vraag:
Is de minister bereid om serieus te kijken of, naast de 16 gebieden, ook
wijken in dorpen kunnen worden meegenomen in het Programma leefbaarheid
en veiligheid?
Antwoord:
Zoals ik heb aangegeven in de voortgangsbrief aan Uw Kamer van 31 maart
jongstleden (Kamerstukken II 2019/20, 30995, nr. 98), wordt het
programma Leefbaarheid en Veiligheid uitgewerkt langs twee samenhangende
sporen. Het eerste spoor betreft een verkenning en - waar nodig en
mogelijk - benutting van integrale ontwikkelingsmogelijkheden in 16
grotere stedelijke vernieuwingsgebieden. In het tweede spoor laat ik
verkennen hoe een integrale meerjarige aanpak van stedelijke
vernieuwingsgebieden er -ook in andere dan de 16 gebieden- uit kan zien
en wat in dat kader concrete handelingsperspectieven zijn. Dit doe ik in
samenwerking met gemeenten, maatschappelijke partners,
kennisinstellingen en collega-departementen. Daarbij wordt de aandacht
nadrukkelijk niet beperkt tot de in spoor 1 centraal gestelde stedelijke
vernieuwingsgebieden en zal ook oog zijn voor de problemen rond
leefbaarheid en veiligheid in dorpen.
Vraag:
Het kabinet heeft nog niet gereageerd op ongevraagd advies inzake de
introductie van recht op zinvol contact met de overheid. Wil de
staatssecretaris hierop ingaan?
Antwoord:
In het bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel modernisering
elektronisch bestuurlijk verkeer (Kamerstukken II 2019/20, 35261, nr. 2)
wordt het recht op digitale communicatie met de overheid vastgelegd. Het
recht op de papieren weg blijft daarnaast bestaan; de burger krijgt de
keuze. Ook introduceert dit wetsvoorstel voor bestuursorganen ā los van
digitalisering - de zorgplicht tot passende ondersteuning bij
bestuurlijk verkeer. Burgers moeten dus geholpen worden door de overheid
bij hun contacten, bij voorbeeld via een helpdesk of voorlichting. De
overheid is hiertoe ook verplicht op grond van de behoorlijkheidsnorm
uit de Algemene wet bestuursrecht. De ondersteuning moet zodanig zijn
dat de burger in staat is zaken met de overheid met succes af te ronden.
Een burger kan het bestuursorgaan op deze zorgplicht aanspreken.
Vraag:
De interdepartementale gesprekken lopen nog om bewustzijn over
desinformatie en over digitale inmenging te vergroten. Had de tijd voor
die gesprekken niet gestoken kunnen worden in het klaar maken van de
wetten voor verkiezingen?
Antwoord:
Om de Tweede Kamer verkiezingen te beschermen tegen digitale inmenging
onderneem ik actie op meerdere gebieden. Het creƫren van meer
bewustwording en het uitwisselen van kennis, zowel tussen
overheidsorganisaties als met andere bij de verkiezingen betrokken
partijen, is daar een belangrijk onderdeel van. Het actief delen van
signalen over mogelijke desinformatiecampagnes zorgt ervoor dat wij
gezamenlijk in staat zijn om, indien nodig, hierop te kunnen
handelen.
Daarnaast is de rol van sociale media bedrijven erg belangrijk. De
komende Wet op de politieke partijen zal alleen politieke partijen en
hun neveninstellingen reguleren, en niet andere partijen op sociale
media, zoals mogelijke statelijke actoren. Regulering die het probleem
van desinformatie echt aanpakt moet zich dus richten ook op de sociale
media platforms zelf. De Europese richtlijn elektronische handel beperkt
de mogelijkheden om dit te doen echter aanzienlijk, ook op nationaal
niveau. Deze richtlijn gaat aangepast worden, maar dit is niet op tijd
voor de Nederlandse verkiezingen. Ik blijf daarom richting de
verkiezingen in gesprek met deze sociale media bedrijven en de
toezeggingen die zij gedaan hebben in de gedragscode desinformatie
blijven ook richting de verkiezingen van toepassing.
Vraag:
De strijd tegen inmenging begint met versterken van de weerbaarheid van
burgers. Publiekscampagne ligt op de plank en kan zo gebruikt worden.
Zou de minister het geen goede zaak vinden om dit in te zetten?
Antwoord:
Het creƫren van bewustwording en meer mediawijsheid is een uitdaging die
niet alleen bij verkiezingen speelt. Eerder schreef het kabinet uw Kamer
geen aanleiding te zien om de campagne die op verzoek van uw Kamer in
2019 rond de verkiezingen is uitgevoerd, voort te zetten (Kamerstukken
II 2019/20, 30821, nr. 91). Om mediawijsheid te onderhouden en
bevorderen zet het kabinet in op andere middelen. Voorbeeld is de
meerjarige subsidie die de ministers van BZK en voor Basis-, Voortgezet
Onderwijs en Media hebben verleend aan Netwerk Mediawijsheid om
beroepsopleidingen te ondersteunen in vakgebieden die kunnen bijdragen
aan het adresseren en bespreekbaar maken van desinformatie, zoals zorg,
onderwijs en media. Het kabinet verkent of wenselijk is om bewustwording
over desinformatie richting de verkiezingen op een andere manier dan
door een overheidscampagne te vergroten, bijvoorbeeld door het Netwerk
Mediawijsheid of anderszins. Daarnaast draagt het openbaren van mis- of
desinformatie door journalistiek of wetenschap, al dan niet in
samenwerking met internetdiensten, ook bij aan de bewustwording van
burgers. Indien er richting de verkiezingen mis- of desinformatie
rondgaat die kan leiden tot het belemmeren van de stembusgang van
kiezers, ligt er ook een rol voor de overheid dit actief tegen te
spreken. Dit zal ik zeker doen.
Vraag:
Herinnert de minister zich dat ze met het wetsvoorstel Uitkering
gezamenlijke doelen op het Belastinggebied en het gemeentefonds zou
komen?
Antwoord:
Samen met de staatssecretaris van Financiƫn werk ik aan een aanpassing
van het zogenaamde āuitkeringsstelselā, mede vanwege de bevindingen van
de Algemene Rekenkamer over de toepassing van de
ādecentralisatie-uitkeringā. Onderdeel daarvan is de vraag welk
uitkeringstype past bij het oppakken van gezamenlijke opgaven. Begin
2020 is het conceptwetsvoorstel voorgelegd ter consultatie aan onder
andere de VNG, het IPO en de Algemene Rekenkamer.
Beoogde inwerkingtreding is 2022. Het voornemen is het wetsvoorstel in
het voorjaar 2021 aan de Tweede Kamer aan te bieden.
Vraag:
Het beeld is dat e-herkenning voor gemeentes verplicht wordt. Kan de
staatssecretaris dat beeld ontzenuwen?
Antwoord:
Gemeenten gebruiken nu al veel en al geruime tijd eHerkenning,
bijvoorbeeld als een bedrijf een vergunning aanvraagt. Gemeenten zijn
bevoegd om het niveau waarop digitaal wordt ingelogd vast te stellen.
Dit wil niet zeggen dat andere vormen van dienstverlening, bijvoorbeeld
via de papieren weg of via een balieproces, niet meer mogelijk
zijn.
Gemeenten vallen onder de reikwijdte van het wetsvoorstel digitale
overheid. Als deze wet van kracht wordt, zullen gemeentes op termijn
eHerkenning als erkend inlogmiddel voor bedrijven en organisaties moeten
accepteren (acceptatieplicht) voor hun elektronische dienstverlening. In
het aansluitschema bij de WDO, waarover ik in overleg ben met gemeenten,
wordt een termijn op basis van redelijkheid en haalbaarheid
vastgelegd.
Vragen van het lid Raak, A.A.G.M. van (SP)
Vraag:
Wil de minister de regie nemen en ervoor zorgen dat er niet minder, maar
meer stembureaus komen? Er moet regie komen om ervoor te zorgen dat
iedereen kan stemmen door heel veel stembureaus in te richten. Er moet
geen groot verschil ontstaan tussen gemeenten.
Antwoord:
Zoals ik ook heb aangegeven in het WGO tijdelijke wet verkiezingen
covid-19, merk ik dat gemeenten zich fors inspannen om voldoende
stemlokalen te vinden voor de Tweede Kamerverkiezing. Dat is ook een
verantwoordelijkheid die de wet bij gemeenten heeft belegd. Het
ministerie van BZK gaat met een ondersteuningsteam de gemeenten actief
helpen bij het vinden van locaties. Verder zie ik het als mijn taak om
de regie te voeren op lokaal-overstijgende vragen. Dat doe ik door o.a.
met het Rijksvastgoedbedrijf te bezien welke ruimten het Rijk in het
hele land beschikbaar kan stellen. Ook ga ik samen met de minister voor
Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media de scholen verzoeken om zo veel
mogelijk medewerking te verlenen aan de inzet van stemlokalen op
scholen. Inderdaad kijken gemeenten ook naar minder gangbare
oplossingen, zoals evenementen-tenten, vergaderlocaties, hotels, etc. De
Kieswet bevat daarvoor geen belemmering.
Vraag:
Ik vind dat we als Kamer en minister ervoor moeten zorgen dat alle
raadsleden moeten kunnen deelnemen aan vergaderingen en stemmingen en
niet worden uitgesloten bij een kwetsbare gezondheid.
Antwoord:
Ik ben het met de heer Van Raak eens dat ook tijdens corona alle
raadsleden moeten kunnen deelnemen aan raadsvergaderingen. Om die reden
hebben wij de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming
opgesteld. Het besluit om al dan niet digitaal te vergaderen is
uiteindelijk aan de meerderheid van de gemeenteraad. Wel zeg ik de heer
Van Raak toe de vraag naar hybride vergaderen mee te nemen in een
verkenning die ik wil starten naar het draagvlak voor een meer
permanente regeling voor digitaal vergaderen voor situaties als deze in
de Gemeentewet. Dan kunnen we ook verkennen of er steun en draagvlak
voor hybride vormen van vergaderen is en onder welke voorwaarden hybride
vergaderen kan plaatsvinden.
Vraag:
Klopt het dat een bijzonder project voor klokkenluiders bij het
ministerie van Justitie en Veiligheid gedwarsboomd dreigt te worden door
de FNV?
Antwoord:
Ik ondersteun het pleidooi van de heer Van Raak voor het belang van een
goede bescherming van klokkenluiders. Voor de vraag van de heer Van Raak
over het project bij het ministerie van Justitie en Veiligheid en de
eventuele betrokkenheid van de FNV, moet ik naar de
begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid verwijzen.
Vragen van het lid Sneller, J. (D66)
Vraag:
We hadden gezien dat er meer capaciteit bij het ministerie beschikbaar
is voor wetgeving op het gebied van democratisering op de langere
termijn. Hoe is het gegaan met het aantal wetgevingsjuristen in
corona-tijd? Is dat voor het eerst dat het tekort zich nu wreekt of is
dat al langere tijd aan de gang?
Antwoord:
De leden Sneller en van der Graaf hebben aandacht gevraagd voor het
aantal wetgevingsjuristen.
Het opleiden van wetgevingsjuristen heeft al langere tijd de
aandacht. Het is een van de redenen van de oprichting van de Academie
voor Wetgeving en Overheidsjuristen. Bij ieder ministerie starten
jaarlijks wetgevingstrainees, ook op mijn ministerie. Het blijft over de
gehele linie van de rijksoverheid desondanks lastig om vacatures voor
wetgevingsjuristen snel te vervullen, omdat er rijksbreed een toenemende
behoefte is aan wetgevingsjuristen, onder andere doordat in de
beleidsontwikkeling weer vaker gekozen wordt publieke arrangementen en
door extra noodzakelijke wetgeving zoals gevolg van Covid-19, zoals voor
de verkiezingen.
Vraag:
Hoe staat het met de stresstest democratie? En hoe staat het met
codificatie van het vertrouwensbeginsel?
Antwoord:
Vorig jaar is bij de begrotingsbehandeling gesproken over het idee om de
democratische rechtsstaat aan een stresstest te onderwerpen. Toen is
afgesproken dat idee mee te nemen bij de bespreking van het eindrapport
van de staatscommissie parlementair stelsel. De staatscommissie heeft
immers ook aan de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat de
nodige overwegingen gewijd. Met een aantal aanbevelingen van de
staatscommissie op dat punt is het kabinet aan de slag gegaan, zoals een
Wet op de politieke partijen. Het idee van de stresstest als zodanig is
niet meer aan de orde gekomen in het algemeen overleg at op 11 december
2019 met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over het
kabinetsstandpunt over het eindrapport van de staatscommissie is
gevoerd. Maar ik ben natuurlijk altijd bereid om hierover in gesprek te
gaan met de Kamer. Daarbij wil ik wel benadrukken dat de Kamer hier zelf
een grote rol in zou moeten hebben. De heer Sneller wees in dit verband
ook al op de wijziging van het Reglement van Orde van uw Kamer. Maar die
rol heeft de Kamer uiteraard ook als het gaat over de vertrouwensregel;
dat is nadrukkelijk iets tussen regering Ʃn Kamer. Er is ook een nauw
verband met de kabinetsformatie, waarbij uw Kamer het voortouw
heeft.
Vragen van het lid Paternotte, J.M. (D66)
Vraag:
D66 vraagt dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vaker aanvallen
uit het buitenland publiek maken. Zo worden buitenlandse actoren
ontmoedigt en kunnen bedrijven zich beter voorbereiden op dreigingen.
Kan de minister hier werk van maken?
Antwoord:
Ik zal mij blijven inzetten om te waarschuwen tegen ongewenste
buitenlandse inmenging. Ik heb dat in het verleden ook meermaals
gedaan. Als de urgentie kan worden onderstreept door gevallen te
openbaren, dan moeten we dat zeker doen. Een bekend geval is -naast de
OPCW- de sterke aanwijzingen van de AIVD dat Iran betrokken is geweest
bij de liquidaties van twee Nederlanders van Iraanse komaf in Almere in
2015 en Den Haag in 2017. Hierover heb ik de Kamer begin 2019
bericht (Kamerstukken II 2018/19, 35000, nr. 56).Uiteraard wil ik de
mogelijkheid tot openbaarmaking van geval tot geval kunnen
beoordelen. Dit doe ik in continue samenwerking met de partners uit de
veiligheidsketen. Er zijn situaties waarin andere maatregelen
doeltreffender zijn, of de aard van het werk van de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten openbaarmaking van een geval (nog) niet
toelaat. Per casus bekijk ik wat open kan en gesloten
moet blijven.
Vraag:
Kan de minister ervoor zorgen dat kiezers het gewoon kunnen zien als een
politieke partij in Nederland door een vreemde mogendheid wordt
gefinancierd of beĆÆnvloed?
Antwoord:
Evenals de leden van de fractie van D66 vind ik het belangrijk dat
ongewenste buitenlandse financiële beïnvloeding van onze politieke
partijen wordt voorkomen en er volledige transparantie over buitenlandse
geldstromen naar Nederlandse politieke partijen komt. In het voorstel
tot wijziging van de Wet financiering politieke partijen heb ik daarom
het voorstel opgenomen om giften van buiten de Europese Unie en de
Europese Economische Ruimte aan Nederlandse politieke partijen te
verbieden. Ook doe ik hier het voorstel om alle giften vanuit andere
lidstaten van de EU dan Nederland en uit de Europese Economische Ruimte
openbaar te maken. Hierdoor wordt het voor kiezers volledig inzichtelijk
of en zo ja hoe Nederlandse politieke partijen vanuit het buitenland
worden gefinancierd. Recentelijk heb ik het advies van de Raad van State
over het voorstel tot wijziging van de Wfpp ontvangen. Ik ben voornemens
om dit wetsvoorstel op korte termijn aan te bieden aan de Tweede
Kamer.
Vraag:
Is de staatssecretaris bereid grensgemeenten de ruimte te geven zodat
wind- en zonneparken met Duitsers en Belgen gedeeld kunnen worden?
Antwoord:
Grensgemeenten en hun inwoners en energiegemeenschappen kunnen al
grensoverschrijdend elektriciteit uitwisselen. Er zijn immers al
meerdere grensoverschrijdende verbindingen tussen Nederland, Duitsland
en Belgiƫ. Aanleg van een nieuwe verbinding is daarvoor niet
noodzakelijk. Aanleg van nieuwe verbindingen tussen Nederland en het
buitenland heeft bovendien impact op heel Nederland, niet alleen de
gemeenten waarin verbindingen aanlanden.
Vraag:
Heeft de staatssecretaris overleg gehad over het feit dat
Noordrijn-Westfalen tijdelijk een āmeldplichtā had ingesteld voor
Nederlanders? Is er een kans dat die er wƩƩr komt?
Antwoord:
In de Cross Border Taskforce is, toen Duitsland ook de grensprovincies
als risicogebied zou gaan bestempelen met bijbehorende
quarantaineverplichtingen, aandacht gevraagd voor de positie van
grensregioās en in het bijzonder grensarbeiders. In hun regelgeving
hebben zowel Nordrhein- Westfalen als Niedersaksen er op korte termijn
voor gezorgd dat ākleinā, dagelijks grensverkeer ongehinderd de grens
over kon blijven gaan. Inmiddels is ook de meldplicht in NRW vervallen
voor reizen korter dan 24h. Ik heb geen signalen dat Nordrhein-
Westfalen deze meldplicht weer zou willen invoeren.
Vraag:
Nederland stopt dit jaar met knalvuurwerk. In Duitsland kan je dit nog
steeds krijgen. Het risico is groot op een levendige handel. Zijn hier
afspraken over gemaakt, om de import van knalvuurwerk te beperken?
Antwoord:
Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft met Duitsland
samenwerkingsafspraken gemaakt over grenscontroles. Binnenkort worden
specifieke afspraken gemaakt voor grenscontroles om illegale import van
vuurwerk tegen te gaan. In de aanloop naar de jaarwisseling zal de
politie steekproefsgewijs en informatie gestuurd controles in de
grensgebieden uitvoeren en over de opbrengst hiervan met het publiek
communiceren. Ook nu worden door de politie al controles in de
grensstreek uitgevoerd met de focus op vuurwerk. Deze controles vinden
deels informatie gestuurd plaats.
Dat grensoverschrijdende samenwerking effect sorteert, bewijst de
inbeslagneming van 50.000 kilo illegaal vuurwerk en de arrestatie van
zeven Nederlandse verdachten eind september 2020 in Nederland en
Duitsland. Dit gebeurde in nauwe samenwerking tussen de Nederlandse en
Duitse politie.
Vraag:
Hoe staat het met het verbod op discriminatie in kwaliteitseisen van
uitzendbureaus? En de meldplicht voor racistische of discriminerende
verzoeken op de arbeidsmarkt of woningmarkt? Wanneer kunnen we de wet
voor de meldplicht discriminatie verwachten?
Antwoord:
Voor wat betreft de uitzendbureaus:
Zoals gemeld aan uw Kamer in de Tweede Voortgangsrapportage Actieplan
Arbeidsmarktdiscriminatie, wordt de werkwijze voor het melden van
discriminatoire verzoeken in samenhang met het wetsvoorstel ātoezicht
gelijke kansen bij werving en selectieā voorbereid. De staatssecretaris
van SZW streeft ernaar u dit najaar verder te informeren over de
concrete invulling hiervan, zodat dit kan worden betrokken bij de
parlementaire behandeling van het wetsvoorstel.
Voor wat betreft makelaars:
Op dit moment lopen er pilots en een onderzoek naar discriminatie op de
Woningmarkt. In de pilot van Utrecht worden sanctioneringsmogelijkheden
verkend. Daarbij wordt ook de meldplicht als optie onderzocht.
Op basis van de inzichten uit de pilot wil ik mijn aanpak van
discriminatie op de woningmarkt waar mogelijk aanscherpen
Vraag:
Wil de minister samen met haar collega van Economische Zaken en Klimaat
over een tweejaarlijkse monitor discriminatie, racisme en antisemitisme
in gesprek gaan met het CBS? En wil de minister kijken of dit ervoor kan
zorgen dat racisme en discriminatie op tafel komt?
Antwoord:
Jaarlijks wordt in opdracht van de Politie en het ministerie van BZK het
landelijke rapport over discriminatiecijfers geschreven door het
landelijke kenniscentrum voor discriminatie, Artikel 1. In dit rapport
worden de cijfers van de politie en de antidiscriminatievoorzieningen
(de ADVās) samen gepresenteerd. Daarnaast worden ook cijfers betrokken
van andere organisaties die discriminatiemeldingen registreren, zoals
het College voor de Rechten van de Mens en het Meldpunt Internet
Discriminatie (MiND). In dit rapport wordt voorts ingegaan op de
belangrijkste gebeurtenissen en maatschappelijke discussies die de
context vormen waarin de gepresenteerde cijfers geplaatst moeten worden.
Uw Kamer wordt hier jaarlijks door mij van op de hoogte gesteld, in de
voortgangsbrief over de aanpak van discriminatie.
Daarnaast is in april van dit jaar voor de tweede keer het SCP rapport
over Ervaren discriminatie in Nederland verschenen. Dit rapport vormt
een goede aanvulling op de jaarlijkse cijferrapporten omdat het niet
alleen over gemelde maar ook over ervaren discriminatie gaat. Het
onderzoek is gebaseerd op een vragenlijst die door meer dan 8000 mensen
is ingevuld. In de vragenlijst is voor concrete voorvallen nagegaan of
men discriminatie heeft ervaren. De voorvallen hadden betrekking op: de
(semi)publieke ruimte, uitgaan, contact met instanties, werk zoeken,
arbeidsvoorwaarden, de werkvloer en het onderwijs. Uit het rapport bleek
dat ruim een kwart (27%) van de Nederlandse inwoners discriminatie
ervaart.
Vragen van het lid Kuiken, A.H. (PvdA)
Vraag:
Wanneer start de pilot hypotheekgarantie BES? Het is belangrijk in
verband met het verlagen van de lasten op de BES-eilanden.
Antwoord:
NHG en de MCB (lokale bank op Bonaire) werken momenteel aan de lancering
van de pilot voor een hypotheekgarantie op Bonaire. Gestreefd wordt het
experiment op korte termijn van start te laten gaan.
Vraag:
De PvdA is voorstander van spreiding van verkiezingen zodat we drukte
kunnen voorkomen en de opkomst verhoogd kan worden. Ik zou graag een
reactie van de minister willen hebben.
Antwoord:
Zoals ik ook heb aangegeven in het WGO tijdelijke wet verkiezingen
covid-19, zie ik het voordeel van vervroegd stemmen voor met name de
kiezers die behoren tot de kwetsbare groep. Dat zijn kiezers die 70 jaar
en ouder zijn en kiezers die bepaalde onderliggende ziekten hebben.
Daarom ben ik bereid om naar mogelijkheden voor vervroegd stemmen te
kijken en uw Kamer daar begin november uitsluitsel over te geven.
Vragen van het lid Graaf, mw. S. van der (CU)
Vraag:
Is de minister bereid om met de VNG voorstellen te doen voor ƩƩn
overheidsloket voor alle vragen en die dit voorjaar naar de Kamer toe te
laten komen?
Antwoord:
Ik herken de behoefte van burgers aan een duidelijke plek waar men
terecht kan met multiproblematiek. We moeten werken als 1 overheid. Ik
vind het dan ook goed om te verkennen hoe we mensen in die gevallen het
beste kunnen helpen.
De behoefte aan een loketfunctie is ook beschreven in het rapport Werk
aan uitvoering. Graag neem ik deze vraag mee in de verdere uitwerking
van de Werkagenda voor de uitvoering waaraan ik samen met andere leden
van het kabinet, de departementen, de VNG en de uitvoeringsorganisaties
aan werk. Op basis hiervan kunnen we komend voorjaar een voorstel
indienen.
Vraag:
Hoe gaat de minister actief een vervolg geven aan beleid voor
krimp?
Antwoord:
Zie ook het antwoord op de vraag van het lid Van der Molen.
Vraag:
Zijn er voldoende wetgevingsjuristen om het werk te kunnen doen?
Antwoord:
Zie ook het antwoord op de vraag van het lid Sneller over het aantal wetgevingsjuristen.
Vraag:
Vergaderingen van gemeenten en provincies kunnen digitaal of fysiek
plaatsvinden, maar niet hybride. Zouden we, in het licht van de
coronacrisis en de laatste ontwikkelingen, niet moeten kijken of we hier
maatwerk voor kunnen bieden en ruimte voor kunnen geven?
Antwoord:
Ik begrijp de vraag van mevrouw Van der Graaf. Digitaal vergaderen is
niet ideaal. Maar het voorziet wel in een functie. De besluitvorming is
doorgegaan bij gemeenten, provincies en waterschappen vanwege de
Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming. Inmiddels
hebben we ruim een half jaar ervaring met deze wet en ontvangen we bijna
de laatste rapportage van de evaluatiecommissie. Dat betekent dat vragen
rijzen hoe de praktijk rond de Tijdelijke wet te verbeteren. Het meest
in het ook springt dan het hybride vergaderen. Alleen, dit is in de
context van de Tijdelijke wet niet te regelen. De wet is tijdelijk, we
verlengen de looptijd telkens bij Koninklijk besluit met 2 maanden als
dat nodig is. Om hybride vergaderingen mogelijk te maken, is wetswijzing
nodig en dat kan niet bij KB. Een wet met een looptijd van 2 maanden
wijzig je niet. Daarom zeg ik toe de vraag naar hybride vergaderen mee
te nemen in een verkenning die ik wil starten naar het draagvlak voor
een meer permanente regeling voor digitaal vergaderen voor situaties als
deze in de organieke wetgeving. Dan kunnen we ook verkennen of er steun
en draagvlak voor hybride vormen van vergaderen is.
Vraag:
Het compensatiepakket Zeeland moet worden waargemaakt en uitgevoerd. Dit
is essentieel voor de mensen in Zeeland. Ik vraag de staatssecretaris om
toelichting hoe het op dit moment staat met de uitvoering van het
compensatiepakket Zeeland.
Antwoord:
De snelheid waarmee het compensatiepakket (pakket Wind in de zeilen) is
opgesteld houden we vast bij de uitvoering. Op 10 september was een
eerste bestuurlijke stuurgroep over de uitvoering van het pakket Wind in
de zeilen, waarin nadere afspraken zijn gemaakt over de
uitvoeringsgovernance en waar ook al de eerste voortgang is gemeld. Zo
zijn bijvoorbeeld alle gemaakte kosten al voor 1 september vergoed aan
de Zeeuwse partijen, is het onderzoek naar de ontvlechting van
drinkwaterbedrijf Evides al ver gevorderd en worden gezamenlijk eerste
stappen gezet bij de verdere uitwerking van Law Delta. De Tweede Kamer
zal - conform de afspraken uit de bestuursovereenkomst - twee keer per
jaar door middel van een voortgangsrapportage geĆÆnformeerd worden over
de uitvoering van het pakket Wind in de zeilen. De eerste
voortgangsrapportage wordt naar alle waarschijnlijkheid begin december
aan de Tweede Kamer gestuurd.
Vraag:
Ik heb een motie ingediend om bij beleid en wetgeving een toets te doen
welke consequenties beleid/wetgeving heeft voor grensregioās,
krimpregioās en gebieden met bevolkingsdaling. Ik vraag aan de
staatssecretaris en de minister hoe deze toets in de praktijk vorm
krijgt. Kunnen zij morgen voorbeelden geven waar expliciet deze
afwegingen zichtbaar zijn geworden?
Antwoord:
Wet- en regelgeving kan verschillend uitpakken voor gebieden, waaronder
voor gebieden met bevolkingsdaling. Dit vloeit voort uit de (toenemende)
verschillen tussen gebieden.
Het integraal afwegingskader (IAK) verplicht bij de ontwikkeling van
nieuwe wet- en regelgeving alle gevolgen in kaart te brengen en deze op
te nemen in de memorie van toelichting. Bij alle nieuwe wet- of
regelgeving dienen met andere woorden, mits opportuun, ook nu al de
uiteenlopende effecten hiervan voor uiteenlopende regioās, waaronder
krimpregioās, te worden geĆ«xpliciteerd.
Voor de grensregioās - goeddeels dezelfde gebieden als de regioās met
bevolkingsdaling - is bovendien de āleidraad grenseffectenā relevant.
Deze leidraad is erop gericht dat bij nieuw beleid en wet- en
regelgeving de effecten hiervan voor grensregioās worden geĆ«xpliciteerd.
Hierbij komt
dat het ministerie van BZK voorstellen voor nieuw beleid en wet- en
regelgeving toetst op de gevolgen voor interbestuurlijke verhoudingen.
Daarbij wordt ook gekeken of er voldoende aandacht is voor
grenseffecten. Zo nodig attendeert het ministerie van BZK het
verantwoordelijke departement op de mogelijke grenseffecten. Ook in de
interdepartementale overleggen vraagt het ministerie van BZK aandacht
voor grenseffecten. De werking van de leidraad wordt in de tweede helft
van 2021 extern geƫvalueerd. Bij de evaluatie van de werking van de
leidraad zal deze bredere werkwijze, die als doel heeft de toepassing
van de leidraad te bevorderen, worden betrokken.
Een recent voorbeeld waarbij specifiek is gekeken naar (grens)regioās,
is de vrachtwagenheffing. De gevolgen voor bedrijven, milieu, vervoer en
verkeersveiligheid blijken in grensregioās niet anders dan in de rest
van de Nederland. In veel grensregioās zijn relatief weinig wegen waarop
de vrachtwagenheffing geldt. Hetzelfde geldt voor sommige andere delen
van Nederland, zoals Friesland en het noordelijk deel van Noord-Holland.
Die regioās hebben een licht concurrentievoordeel ten opzichte van
regioās met veel wegen waarop de heffing geldt.
Voor de keuze van het wegennet waarop de heffing geldt, het gemiddelde
tarief en het heffingssysteem is zo veel mogelijk aangesloten bij de
situatie in Duitsland en Belgiƫ. Dit minimaliseert de (administratieve)
lasten en onduidelijkheid voor grensoverschrijdende vervoerders.
Andere actuele voorbeelden zijn met name terug te zien bij de aanpak
van de huidige pandemie. Het openhouden van de grens stond daarbij
voorop. Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen van kamerlid
Paternotte, zijn grenseffecten naar aanleiding van andere nationale
maatregelen niet altijd te voorkomen. Toen Belgiƫ de grens sloot, hebben
de staatssecretaris van BZK en de minister van J&V echter wel op
zeer korte termijn afspraken gemaakt over een vignet voor grensarbeiders
in cruciale sectoren, zodat zij ongehinderd de grens over konden. Ook op
andere punten is de staatssecretaris in overleg getreden met de
buurlanden om grenseffecten te voorkomen (bijvoorbeeld
ontmoedigingsbeleid voor toerisme, dagrecreatie en horeca) of te
verzachten (toestaan van familiebezoek over de grens met Belgiƫ). De
staatssecretaris heeft een taskforce met de buurlanden waarin informatie
over maatregelen en (mogelijke) grenseffecten wordt uitgewisseld, zodat
waar nodig en mogelijk afstemming kan plaatsvinden. Daarnaast is ook in
de Tijdelijke Wet Maatregelen Covid-19 aandacht voor regionale
differentiatie.
Vragen van het lid Otterloo, G.J.P. (50PLUS)
Vraag:
Wordt een structureel overleg tussen toezichthouders meegenomen in de
voorbereiding voor de volgende coƶrdinerende bewindspersonen op het
gebied van digitalisering?
Antwoord:
De heer Otterloo vroeg of en hoe toezichthouders samenwerken in relatie
tot digitalisering. Hij geeft hiermee een belangrijk signaal af.
Tegelijkertijd hebben de toezichthouders waar de heer Otterloo naar
verwijst, in het rondetafelgesprek met de Tijdelijke Commissie
Digitalisering aangegeven zich bewust te zijn van de effecten van
digitalisering. De Commissie constateert ook in haar rapport dat het
belangrijk is om in de komende jaren te bezien of bevoegdheden van
toezichthouders zo gebruikt worden dat er geen aandachtsgebieden tussen
wal en schip raken. Het is in eerste instantie aan de toezichthouders om
hierover met elkaar in gesprek te blijven.
Aanvullend daarop wordt er in het rapport van uw Tijdelijke Commissie
Digitalisering gesteld dat toezichthouders het wettelijk kader
waarbinnen zij moeten opereren over het algemeen als voldoende ervaren
voor het toezicht op de gevolgen van digitalisering. Dit volgt ook uit
recent onderzoek naar toezicht op het gebruik van algoritmen binnen de
overheid.
Ter verbetering van het toezicht werkt het kabinet aan aanscherping van
ontwikkelde normen voor het gebruik van algoritmen door de overheid en
stelt de Algemene Rekenkamer een toetsingskader op voor voorspellende en
voorschrijvende algoritmen van de overheid.
Tegelijkertijd benoemen toezichthouders in hetzelfde rapport
(Eindrapport TCDT) de zorg over voldoende gekwalificeerd personeel met
verstand van nieuwe technologieƫn. Die zorg onderschrijf ik en daar werk
ik ook hard aan door in te zetten op de werving van I-trainees en het
vergroten van I-vakmanschap van de Rijksdienst via de Rijksacademie voor
Digitalisering en Informatisering Overheid.
Vraag:
Het is van belang dat iedereen toegang heeft tot stemmen bij de
verkiezingen, dat is een grondrecht. Wil de minister nadenken over
spreiding over dagen of spreiding over de tijd?
Antwoord:
Zoals ik ook heb aangegeven in het WGO tijdelijke wet verkiezingen, heb
ik in antwoord op vragen van uw Kamer aangegeven dat ik ga kijken naar
opties voor vervroegd stemmen. Ik zal de Tweede Kamer daarover begin
november uitsluitsel over geven. Het is niet mijn voornemen om bepaalde
uren te laten reserveren voor bepaalde kiezers. Ik ga in de
voorlichtingscampagne wel oproepen dat kiezers zo gespreid mogelijk over
de dag komen en met name op de tijdstippen waar normaal gesproken het
stil is bij de stembureaus.
Vragen van het lid Bisschop, R. (SGP)
Vraag:
Na eerdere vertraging in de planning van de renovatie van het Binnenhof
is nu de vraag of in het vervangende gebouw voldoende rekening gehouden
kan worden met coronamaatregelen. Kan de staatssecretaris aangeven dat
er na alles wat er gepasseerd is er voldoende vertrouwen is dat de
aansturing van dit project door de Rijksgebouwendienst tijdig en binnen
termijn tot afgesproken resultaat gaat leiden?
Antwoord:
Zoals de staatssecretaris in de 4e voortgangrapportage ook heeft
aangegeven, is en blijft het uitgangspunt om het project Renovatie
Binnenhof binnen de kaders te realiseren zoals die zijn vastgesteld door
uw Kamer. Dat neemt niet weg dat een dergelijk groot project niet vrij
is van risicoās. Zo waren de uitspraak rond stikstof en de
COVID-19-situatie niet te voorzien. Heel Nederland moet zich daaraan
aanpassen. Zoals ik in mijn brief van 13 oktober jl. heb aangegeven,
doen wij er samen met de Tweede Kamer alles aan om op deze situatie met
een passende oplossing te komen. In de volgende voortgangsrapportage
komt de staatssecretaris hierop terug.
Vraag:
Klopt het dat niet alleen monumentale waarde Tweede Kamer beoogd is,
maar ook voorzien wordt in meer oorspronkelijke inrichting die naar
functie van Oude Zaal verwijst?
Antwoord:
Zoals is aangegeven in het VAO Renovatie Binnenhof van 21 november 2019
is de motie van het lid Bisschop betreffende de Oude Zaal een "spreekt
uit" motie. Daarom is de gebruikelijke weg dat de Tweede Kamer als
gebruiker een verzoek tot wijziging van het ontwerp indient, waarin de
consequenties voor de planning en het budget zijn verwerkt. In mijn
brief van 3 juli 2020 heb ik aangegeven dat ik in dit bijzondere geval
zelf het initiatief zal nemen tot het opstellen van het verzoek tot
wijziging van het ontwerp. Dat doe ik uiteraard samen met de gebruiker,
waarin uw wens wordt ingebracht. Nog steeds geldt daarbij dat het
verzoek tot wijziging van het ontwerp binnen de scope van het project
moet passen of dat aanvullend budget beschikbaar gesteld moet worden. Er
wordt ook een commissie met de gebruiker Tweede Kamer ingesteld in de
fase van het definitief ontwerp om de precieze inrichting van de
commissiezalen en vergaderkamers te bespreken.
Vraag:
De SGP vraagt zich af of het niet wenselijk zou zijn dat er een
duidelijkere maatstaf voor de verdeling van rijkswerkgelegenheid tussen
provincies zou zijn. Hoe is het bijvoorbeeld te billijken dat de
provincie Zeeland evenveel inwoners heeft als provincie Flevoland maar
dat er in Flevoland twee keer zoveel rijksbanen zijn?
Antwoord:
Naar aanleiding van de moties rondom de spreiding van de
rijkswerkgelegenheid, ingediend tijdens het VAO Functioneren Rijksdienst
op 3 dec 2019 en door uw Kamer aangenomen bij de stemmingen, heeft de
staatssecretaris uw Kamer op 9 oktober 2020 geĆÆnformeerd. Met deze brief
is voldaan aan de toezegging om met ingang van dit jaar uw Kamer
jaarlijks bij de begrotingsbehandeling uitgebreider te informeren over
de spreiding van de rijkswerkgelegenheid over het land. Onderdeel
hiervan is dat de staatssecretaris de provinciegrensoverschrijdende
verplaatsingen van rijksdiensten en zelfstandige bestuursorganen (zboās)
monitort en de Kamer daarover informeert.
De huidige verschillen in de verdeling van rijkswerkgelegenheid over
de provincies vloeien voort uit in het verleden gemaakte keuzes. Als
coƶrdinerend bewindspersoon hecht de staatssecretaris aan spreiding van
de rijkswerkgelegenheid en wil hij niet alles in de Randstadprovincies
concentreren. Bij eventuele nieuwe rijksdiensten of uitbreiding van
bestaande rijksdiensten die in de toekomst huisvesting zoeken, kijkt de
staatssecretaris van BZK als coƶrdinerend bewindspersoon voor de
spreiding van de rijkswerkgelegenheid naar het benutten van de
mogelijkheden in de niet-Randstadprovincies en spreekt hij de
collega-bewindspersonen in het kabinet hier ook op aan. Het hanteren van
een vaste maatstaf gaat hem daarbij te ver, aangezien bij
huisvestingsbesluiten eerst en vooral rekening moet worden gehouden met
het primair proces van de betreffende rijksdiensten. Daarnaast spelen
ook andere overwegingen met betrekking tot huisvestingskeuzes mee, zoals
vastgoedstrategisch belang, efficiency en politiek-bestuurlijke
afstemming met provincies en grote gemeenten.
Vraag:
Is de minister bereid om met de VNG en het onderzoekscollectief Pointer
in gesprek te gaan over de vraag hoe het onderzoek naar geroofd joods
vastgoed verder kan worden gefaciliteerd door de overheid?
Antwoord:
De onteigening van Joods vastgoed in de Tweede Wereldoorlog is een
bijzonder tragische gebeurtenis is in onze geschiedenis. Het Nederlandse
kabinet heeft de afgelopen decennia haar verantwoordelijkheid genomen
voor het rechtsherstel voor de vervolgingsslachtoffers. De commissie
Kordes heeft het naoorlogs rechtsherstel van geroofde onroerende
goederen onderzocht (Kamerstukken II, 1999/2000, 25839, nr. 13).
Ik stel met waardering vast dat twintig gemeenten zich bereid hebben
verklaard hun archieven te openen. Het is aan andere gemeenten om dat
desgewenst ook te doen. Mocht er aanleiding toe zijn dan ben ik samen
met MOCW en VNG bereid om te bespreken of gemeenten hierin ondersteuning
behoeven.
Vraag:
Hoe zorgt de regering ervoor dat bij verdeling van de middelen voor de
aanpak ondermijning voldoende rekening wordt gehouden met het
buitengebied?
Antwoord:
Het kabinet heeft bij de aanpak van ondermijning niet alleen aandacht
voor de stedelijke gebieden, maar ook voor het buitengebied. Dat de
georganiseerde criminaliteit daar actief is zien we aan de voorbeelden
van opgerolde drugslabs en hennepkwekerijen in leegstaande agrarische
gebouwen. Voor de versterking van de aanpak van ondermijning is eerder
vanuit het regeerakkoord ⬠100 mln. beschikbaar gesteld met name ten
behoeve van de aanpak in de regioās aan de hand van concrete plannen. De
minister van Justitie en Veiligheid heeft de Kamer hierover in zijn
brieven van 16 november 2018 en 11 november 2019 geĆÆnformeerd
(Kamerstukken II 2018/19, 29911, nr. 212/ Kamerstukken II 2019/20,
29911, nr.259). Een van de themaās die in meerdere plannen terugkwamen
betreft de versterking van de aanpak in kwetsbare gebieden, waaronder de
drugsproductie in het agrarisch buitengebied.
Vragen van het lid Azarkan, F. (DENK)
Vraag:
Waarom is er bij het kabinet niet dezelfde daadkracht en urgentie als op
gebied van antisemitisme en discriminatie voor de bijna ƩƩn miljoen
moslims die dag in dag uit met discriminatie te maken hebben?
Antwoord:
Het kabinet staat voor een sterke en verbonden samenleving met gelijke
kansen voor iedereen. Een samenleving waarin niemand wordt veroordeeld
of wordt achtergesteld op afkomst, religie of huidskleur. Het kabinet
hanteert dan ook een brede aanpak van discriminatie die verschillende
gronden en terreinen beziet. Als coƶrdinerend minister voor
antidiscriminatie zet ik in op maatregelen tegen bestrijding van alle
vormen van uitsluiting en discriminatie.
De brede aanpak van discriminatie van het kabinet ziet ook op de aanpak
van moslimdiscriminatie. Bijvoorbeeld als onderdeel van de aanpak van
discriminatie op de arbeidsmarkt, de woningmarkt, stagediscriminatie of
de strafrechtelijke aanpak van discriminatie. Bij dit beleid worden ook
mensen uit de moslimgemeenschap betrokken. Zo vinden er gesprekken
plaats met vertegenwoordigers van moslimgemeenschappen. Ook worden onder
andere focusgroepen georganiseerd met burgers met een diverse
achtergrond om meer inzicht te krijgen in wat zij zien als mogelijkheden
in de aanpak van moslimdiscriminatie.
In de aanpak van discriminatie zet het kabinet in op brede maatregelen
waar dat kan, en specifieke maatregelen waar dat nodig is.
Vragen van het lid Ćztürk, S. (DENK)
Vraag:
Waarom lopen wij op het gebied van de direct gekozen burgemeester zo
hopeloos achter? Waarom kunnen wij onze burgemeester niet zelf kiezen?
Is dit gebrek aan vertrouwen in de burger?
Antwoord:
Dit kabinet heeft het initiatiefvoorstel van D66 tot
deconstitutionalisering van de aanstellingswijze van de burgemeester
bekrachtigd. Dat betekent dat de gewone wetgever desgewenst voor een
andere aanstellingswijze kan kiezen.
Mocht het in de toekomst tot een andere aanstellingswijze komen, dan is
het wel van groot belang dat we eerst de positie van de burgemeester in
het gemeentebestuur bepalen. Bij de grondwetswijziging heeft de Eerste
Kamer hier met de breed aanvaarde motie-Rombouts ook een richtinggevende
uitspraak over gedaan, die voor het kabinet leidend is bij een
toekomstige discussie (Kamerstukken I 2018/19, 34716, K). In dat kader
geef ik uitwerking aan mijn Agenda Burgemeester (Kamerstukken II
2019/20, 35300 VII, nr. 108). Met deze Agenda Burgemeester is er
aandacht voor de vraag of de burgemeester voldoende is toegerust om zijn
rollen en taken waar te maken, met oog voor maatschappelijke en
bestuurlijke ontwikkelingen. De uitwerking van de agenda richt zich op
het instrumentarium en bevoegdheden, samenwerking en ketenaanpak en
kwaliteit en ondersteuning. De agenda heeft tot doel concrete acties te
formuleren ten behoeve van een toekomstbestendig en duurzaam
burgemeestersambt.
Vraag:
Waarom zijn er nog steeds zo weinig mensen met een migratie-achtergrond
die bestuurder zijn? Waarom is de charter inclusiviteit niet van
toepassing op bestuurders? Kan minister de charter van toepassing
verklaren? Zo nee, kan zij oproepen om voor diversiteit en inclusiviteit
te gaan? De charter is door bijna iedereen getekend, waarom wordt er
niet doorgezet?
Antwoord:
De politiek is van ons allemaal en raakt ons allemaal. Ook ik zie het
als mijn verantwoordelijkheid om diversiteit te bevorderen. Ik doe dat
door te voorzien in randvoorwaarden die politieke participatie zo
laagdrempelig en toegankelijk mogelijk maken voor iedereen. Ik heb op
verschillende fronten maatregelen in uitvoering om te sturen op een
inclusief en divers bestuur. Ik ondersteun bijvoorbeeld gemeenten om de
cursus āPolitiek Actiefā aan te bieden. Ik bied daarnaast al meerdere
jaren een oriƫntatieprogramma voor zij-instromers voor het
burgemeestersambt aan. Daarbij is zowel oog voor de instroom van mensen
zonder traditionele politiek-bestuurlijke loopbaan, als voor een betere
afspiegeling op geslacht, opleiding of migratie achtergrond. We zien in
diverse vertegenwoordigende en bestuurlijke functies ambtsdragers met
een migratieachtergrond. Hun aandeel blijft inderdaad in het algemeen
nog achter. Om zicht te krijgen op de redenen en concrete
interventiemogelijkheden, laat ik de UvA dit najaar een verkenning
uitvoeren wat bijdraagt aan de politieke integratie van Nederlanders met
een migratieachtergrond. Het internationale charter Diversiteit in
bedrijf is primair gericht op het inclusiever maken van organisaties,
een groot aantal gemeenten en ook alle ministeries hebben deze
ondertekend. Ik onderschrijf de uitgangspunten van het charter. De
samenstelling van onze politieke vertegenwoordiging en bestuur is echter
een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het is aan politieke partijen om
te beslissen wie zij op hun kandidatenlijst plaatsen. Het is aan kiezers
om te beslissen op wie zij hun stem uitbrengen. Het is aan raadsleden
wethouders te benoemen en een burgemeesterskandidaat aan te bevelen.
Vraag:
Een Constitutioneel Hof mist in Nederland. Een Hof dat wetten en
regelgeving kan toetsen aan de Grondwet. Dit zou ook een afdeling van de
Hoge Raad kunnen zijn. Graag een reactie van de minister.
Antwoord:
De heer Ćztürk pleit voor toetsing van wetten en regelgeving door de
rechter aan de Grondwet. Eerder adviseerde de staatscommissie
parlementair stelsel ook de invoering van een dergelijke toetsing. In de
reactie naar aanleiding van het advies van de staatscommissie heeft het
kabinet aangegeven geen voorstel te doen voor een vorm van
constitutionele toetsing door de rechter. Dat heb ik 1 juli jl. in een
brief uw Kamer en de Eerste Kamer ook bericht.
De heer Ćztürk merkt terecht op dat Raad van State en Kamers ā net als
de regering ā een verantwoordelijkheid hebben de grondwettigheid van
voorstellen in ogenschouw te nemen. Naar aanleiding van het advies van
de staatscommissie krijgt de grondwettigheid van voorstellen in de
aanloop ook meer aandacht, met name in de consultatiefase. Bovendien heb
ik in de brief van 1 juli ook een nader rechtsvergelijkend onderzoek
aangekondigd, waarin varianten van constitutionele toetsing
gedetailleerder worden onderzocht en onderling vergeleken. Dit onderzoek
zal uiterlijk komende 1 mei aan mij worden aangeboden. Met dit onderzoek
zal het debat over dit onderwerp kunnen worden voortgezet.
Vraag:
Het kost soms moeite om de eigen gegevens bij de gemeente boven water te
krijgen. Je moet er zelfs voor betalen. Hoe reageert de minister daarop?
Wil zij inzetten op een gemoderniseerd inzagerecht, dat kosteloos moet
zijn? Wij zien graag een overzicht van alle gemeenten, de provincies en
de Rijksoverheid.
Antwoord:
Het lid Oztürk heeft een vraag gesteld over het recht van burgers om hun
eigen gegevens in te zien bij overheidsorganisaties. Dit recht is
geregeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Op basis
hiervan hebben burgers namelijk recht op inzage van hun persoonsgegevens
bij alle organisaties, dus ook bij overheidsorganisaties. Een
organisatie mag geen geld in rekening brengen op het moment dat burgers
hun gegevens willen inzien. Alleen voor uittreksels/ kopieƫn mag een
kostprijs worden berekend. De AVG is hier heel helder in. Een
modernisering van het inzagerecht, waar het lid Oztürk voor pleit, lijkt
mij niet nodig. Als er in sommige gevallen problemen zijn met het
verkrijgen van gegevens, of er ten onrechte betaald moet worden, dan
kunnen burgers hier melding van maken bij de Autoriteit
Persoonsgegevens.
Vraag:
Twee jaar geleden heeft de minister een oproep gedaan aan de gemeentes
om meer staanplaatsen voor woonwagenbewoners te realiseren. Daar is
weinig van terecht gekomen. Is de minister bereid om de gemeenten hierop
nogmaals aan te spreken?
Antwoord:
Twee jaar geleden heb ik een nulmeting gedaan. En momenteel voer ik de
monitor standplaatsenbeleid over de voortgang van gemeenten in de
realisatie van standplaatsen voor woonwagenbewoners uit. Hierdoor
krijgen wij een zicht op de ontwikkeling van het aantal standplaatsen en
de wijze waarop gemeenten hun beleid uitvoeren. Ik wacht de uitkomsten
van de nieuwe monitor af. Dan zal ik bekijken of en wat nodig is om dit
beter onder de aandacht te brengen bij gemeenten. Ik verwacht dat de
monitor begin volgend jaar gereed is.
Vraag:
Waarom krijgen Roma na jarenlang legaal verblijf in Nederland geen
Nederlandse nationaliteit? Wat kan de minister met de minister van
Justitie doen om de Roma meer rechtszekerheid te geven? Is de minister
bereid om antiziganisme te zien als een ernstige misstand en een vorm
van institutioneel racisme?
Antwoord:
Uitsluiting en discriminatie van Roma is een vorm van racisme en dient
bestreden te worden. Maatregelen voor de inclusie van Roma en Sinti
worden getroffen door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Die aanpak heeft ook belangrijke Europese aspecten. Het
nationaliteitsrecht ligt inderdaad bij de minister van Justitie en
Veiligheid. In algemene zin kan ik zeggen dat bij regelgeving
ongerechtvaardigd onderscheid op grond van ras, op grond van artikel 1
van de Grondwet verboden is.
Vragen van het lid Krol, H. (Krol)
Vraag:
Het is belangrijk dat de verkiezingen ook echt doorgaan. In de Memorie
van toelichting bij de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 staat: het
is niet uit te sluiten dat door de maatregelen met betrekking tot corona
niet meer op een goede manier invulling kan worden gegeven aan het
waarborgen van het verkiezingsproces. In die situatie, net als aantal
andere landen, is uitstel van verkiezingen noodzakelijk. Krol geeft aan
dat het zover niet mag komen. Mocht de minister de verkiezingen willen
uitstellen, dan zal hij zich daar krachtig tegen verzetten.
Antwoord:
In het wetgevingsoverleg van gisteren is uitgebreid gesproken over de
voorbereiding van de verkiezingen. Ik heb al meerdere malen richting de
Kamer uitgesproken dat ik alles zal doen om de verkiezingen te laten
doorgaan. Voorwaardelijk hiervoor is dat het stemmen op een veilige
manier kan plaatsvinden en dat kiezers in staat en bereid zijn om de
gang naar het stemlokaal te maken. Hoewel ik dat nu niet voorzie, is het
niet uit te sluiten dat de omstandigheden met betrekking tot het
coronavirus zo verslechteren dat dit niet mogelijk is. In dergelijke
omstandigheden zal uitstel moeten worden overwogen. Al mijn inzet is er
op gericht om de verkiezingen door te laten gaan.