Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 30 januari 2024
Brief regering
Nummer: 2024D03391, datum: 2024-01-31, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: G.E.W. van Leeuwen, minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Onderdeel van zaak 2024Z01510:
- Indiener: G.E.W. van Leeuwen, minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (2021-2024)
- 2024-01-31 18:45: Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (36410-XVII) antwoord 1e termijn + rest (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2024-02-01 14:25: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2024-02-06 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2024-02-15 15:15: Procedurevergadering (let op: gewijzigd tijdstip) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (2021-2024)
Preview document (š origineel)
Geachte voorzitter,
Hierbij treft u de schriftelijke antwoorden aan op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 30 januari jl.
De minister voor Buitenlandse Handel
en Ontwikkelingssamenwerking,
Geoffrey van Leeuwen
| [Ondertekenaar 1] | [Ondertekenaar 2] |
|---|
| [Ondertekenaar 4] |
|---|
Vragen van de rapporteurs
Vraag 1
Kan de Kamer beter aan de voorkant worden meegenomen bij het aangaan van verplichtingen?
Antwoord
De Kamer geeft bij de begrotingsmomenten goedkeuring voor zowel het uitgavenbudget als het verplichtingenbudget per artikel. Het verplichtingenbudget beschrijft hoeveel meerjarige verplichtingen er op dit artikel aangegaan mogen worden in dat jaar. Bijvoorbeeld, in de begroting die nu voorligt, wordt autorisatie gevraagd voor ruim EUR 530 miljoen aan nieuwe juridische verplichtingen voor het artikel 4, vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling. Dit verplichtingenbudget kan door de Kamer ook geamendeerd worden. Mutaties van het verplichtingenbudget worden bij de verschillende begrotingsmomenten, met een toelichting, naar de Kamer gestuurd ter goedkeuring.
Vraag 2
Kan de Kamer beter aan de achterkant worden meegenomen als de verplichtingen aflopen waardoor financiƫle en beleidsruimte ontstaat?
Antwoord
Grote wijzigingen over de tijd heen in de meerjarige verplichtingen staan in het overzicht dat ik als bijlage bij deze begroting heb meegestuurd. Er zal op worden toegezien dat de toelichting hierbij duidelijk en concreet is. Gezien de hoeveelheid aan activiteiten is het niet mogelijk om elke meerjarige verplichting die aangegaan wordt aan uw Kamer voor te leggen. Uw Kamer stuurt wel op het beleid dat ten grondslag ligt aan deze meerjarige verplichtingen. Grote wijzigingen, zoals nieuwe subsidiekaders, worden aangekondigd in een Kamerbrief. Daarnaast treft uw Kamer in het Jaarverslag een uitgebreide uiteenzetting van de bestuurlijke verplichtingen aan, onder het kopje āNiet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingenā.
Vraag 3
Is het voortaan mogelijk toe te lichten in welk jaar de meerjarige verplichtingen zijn aangegaan? Dus ook na 2027 zoals in deze begroting en het jaar waarin het huidige overzicht ophoudt. Welk jaar meer verplichtingen zijn aangegaan dit jaar en wanneer het ophoudt?
Antwoord
Bij deze begroting is voor het eerst een āmeerjarig overzicht van verplichtingenā toegevoegd dat het gevraagde inzicht biedt. Ik zeg u toe dat ik dat overzicht bij ieder begrotingsmoment zal meesturen, om de Kamer zoveel mogelijk inzicht te geven in de verplichtingen. De bijlage bij de begroting loopt tot 2028, conform de gebruikelijke begrotingshorizon. In bijzondere gevallen kunnen ook verplichtingen worden aangegaan voor een periode langer dan de begrotingshorizon. Dit is echter ongebruikelijk, juist omdat beleid doorgaans eerst wordt geĆ«valueerd om waar nodig te kunnen bijsturen. Dit ziet u ook terug in het overzicht bij de begroting: in 2028 is slechts 17% van de begroting juridisch verplicht. Ik zal er zorg voor dragen dat eventuele langer lopende verplichtingen terugkomen in de toelichting.
Vraag 4
Is het mogelijk om bij elke vier momenten in de reguliere begrotingscyclus zowel een toelichting als een overzicht te bieden? En daarbij zowel van de mutaties als de stand van de verplichtingen?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 3.
Vraag 5
Welke mogelijkheden ziet het kabinet om de Kamer meer inzicht te bieden in de onderlinge verschuivingen van de mutaties van de verplichtingen?
Antwoord
De mutaties van het verplichtingenbudget worden conform de Rijksbegrotingsvoorschriften van het ministerie van FinanciĆ«n op artikelniveau toegelicht. Ik zal er zorg voor dragen dat deze toelichtingen duidelijk en concreet zijn, waar mogelijk met verwijzing naar het beleid dat hiermee uitgevoerd wordt. Daarnaast vindt uw Kamer in het Jaarverslag nog een uitgebreide uiteenzetting van de bestuurlijke verplichtingen, onder het kopje āNiet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingenā.
Vraag 6
Welke mogelijkheden ziet de minister om meer toelichting op de mutaties van de verplichtingen om die beter te laten aansluiten bij de beleidsnota en de strategie brieven?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 5.
Vraag 7
Welke mogelijkheden ziet de minister (bv. op basis van de door de Rekenkamer ontwikkelde factsheets) om de Kamer beter te informeren over omvang en looptijd van revolverende fondsen en wie deze beheren en uitvoeren?
Antwoord
Ik ben graag bereid om de informatievoorziening aan de Tweede Kamer te verbeteren en hiertoe factsheets toe te gaan voegen aan de Memorie van Toelichting bij de begroting. Daarin kan aanvullende informatie worden verstrekt en informatie die al beschikbaar is inzichtelijker worden gemaakt. Omvang, looptijd, en informatie over wie de fondsen beheren en uitvoeren kunnen daar onderdeel van zijn. Ik zal u een brief met een uitgewerkt voorstel sturen.
Vraag 8
Wat is op dit moment de totale omvang van het uitstaande kapitaal aan revolverende fondsen die onder de begroting van deze minister vallen?
Antwoord
De aangegane verplichtingen voor alle fondsen zijn circa EUR 2,5 miljard. Dit is gelijk aan de totale beoogde omvang en wordt per fonds opgenomen in het jaarverslag. De totale bijdrage aan de fondsen is per ultimo 2023 iets minder dan EUR 2,1 miljard.
Vraag 9
Kan de minister met ingang van 2025 het overzicht revolverende fondsen opnemen in de Memorie van Toelichting, waarbij ook wordt opgenomen uit welk beleidsartikel elke bijdrage aan het fonds wordt gedoneerd en welke kosten zijn gemoeid met de uitvoering?
Antwoord
Zie ook het antwoord op vraag 7.
Ik ben graag bereid om de informatievoorziening aan de Tweede Kamer te verbeteren en hiertoe factsheets toe te gaan voegen aan de Memorie van Toelichting bij de begroting. Ik zal bekijken of ik de door de Tweede Kamer gevraagde informatie daarin kan opnemen. Ik zal u een brief sturen met een uitgewerkt voorstel.
Vraag 10
In de komende jaren lopen verschillende fondsen af. Hoe kan de Kamer worden geĆÆnformeerd over de afwikkeling van een fonds? Kan de minister toelichten welke afwegingen worden gemaakt bij het einde van de looptijd van een fonds?
Antwoord
In het jaarverslag staat per fonds de looptijd. Aan het einde van de looptijd wordt een besluit genomen over het stoppen of voortzetten van een fonds. Het BHOS-beleid is daarbij leidend. Aan de Tweede Kamer wordt verantwoording afgelegd via het jaarverslag. Dat werkt voor revolverende fondsen hetzelfde als voor andere instrumenten of programmaās. Als een fonds stopt en er blijft geld over in het fonds, dan komt dat terug naar de BHOS-begroting. Het kan dan wel nog een aantal jaar duren voordat duidelijk is in hoeverre en wanneer de nog uitstaande investeringen ook daadwerkelijk terugkomen. Dat komt omdat leningen en participaties door het fonds meerjarig zijn verstrekt.
Vraag 11
Het doel van elk fonds wordt vastgesteld binnen het op dat moment geldende beleidskader. Hoe wenselijk vindt de minister het dat er fondsen zijn met een onbepaalde looptijd?
Antwoord
Voor enkele fondsen is geen looptijd afgesproken. Voor deze fondsen geldt dat het fonds stopt wanneer een van de partijen het fonds opzegt. De voorwaarden voor opzegging zijn opgenomen in de overeenkomst. Wanneer een fonds een onbepaalde looptijd heeft, betekent dat niet dat er geen heroverweging plaats kan vinden. Heroverweging kan plaatsvinden op basis van evaluaties, en ook op basis van beleidswijzigingen.
Vraag 12
Kan de minister toelichten welke mogelijkheden er zijn om bij langlopende revolverende fondsen gedurende de looptijd bij te sturen op doelen, prioriteiten, voorwaarden, landen en regioās?
Antwoord
Die mogelijkheden zijn in beginsel hetzelfde als bij andere activiteiten.
Bijsturing gebeurt onder meer op basis van rapportages en evaluaties. Revolverende fondsen dienen jaarlijks inhoudelijke en financiƫle rapportages in. Daarnaast worden de fondsen elke vijf jaar geƫvalueerd en worden de fondsen meegenomen in de IOB-evaluaties per begrotingsartikel. Het is ook mogelijk om bij te sturen wanneer beleidsdoelen of de landenfocus veranderen. Hierover wordt dan in gesprek getreden met de uitvoerders. Hierbij moet wel rekening worden gehouden dat een wijziging invloed kan hebben op de revolveerbaarheid van het fonds. Dit komt doordat projecten voor sommige beleidsdoelen meer rendabel zijn dan projecten die gefinancierd worden voor andere beleidsdoelen.
Vragen van het lid van Ram (PVV)
Vraag 1
Hoe kijkt de minister terug op de Europese besluitvorming rond UNRWA? Er wordt nog meer geld gespendeerd aan de Palestijnse Gebieden in het kader van āTeam Europeā. Wil de minister zich inzetten om dit stop te zetten?
Antwoord
De uitspraken van EU Commissaris VƔrhelyi in oktober 2023 gingen over het gehele EU budget voor de Palestijnse Gebieden en aan de Palestijnse Autoriteit (PA). Nederland is van mening dat ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp van de EU moesten worden voortgezet en heeft die boodschap uitgedragen in EU-verband. Een onderbreking zou ernstige gevolgen hebben voor de Palestijnse bevolking en de instabiliteit in een onstabiele situatie vergroten. Uiteindelijk bleek er ook sprake van interne miscommunicatie binnen de Commissie. Nederland heeft aandacht gevraagd voor de financiƫle positie van de Palestijnse Autoriteit (PA) en ook gepleit voor voortzetting van EU-steun aan de PA. Het is ook in het belang van Israƫl dat de financiƫle positie van de PA niet verder verslechtert. Voor wat betreft UNRWA is het belangrijk dat de EU en de EU lidstaten zich gezamenlijk inzetten om te zorgen dat onderzoek naar zeer ernstige aantijgingen aan het adres van de UNRWA-medewerkers snel en goed wordt uitgevoerd.
Vraag 2
Is de minister bekend met de door de PVV opgesomde feiten inzake UNRWA en worden deze betrokken bij het onderzoek? Wat is de rol van de VN bij het onderzoek en is dit onderzoek onafhankelijk?
Antwoord
Het zijn zeer ernstige aantijgingen van Israƫlische autoriteiten jegens UNRWA, namelijk betrokkenheid bij de aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023. Nederland neemt deze aantijgingen zeer serieus en heeft daarom verdere financiering aan UNRWA tot nader order opgeschort.
UNRWA neemt de aantijgingen gelukkig ook zeer serieus. UNRWA en de VN gaan serieus om met onderzoeken naar beschuldigingen aan individuele medewerkers. Medewerkers zijn op staande voet ontslagen en UNRWA werkt mee aan het onafhankelijke onderzoek ingesteld door de VN. Nederland heeft er vertrouwen in dat dit onderzoek onafhankelijk en gedegen zal verlopen.
Nederland volgt de ontwikkeling van het onderzoek nauwlettend.
Vragen van het lid Kamminga (VVD)
Vraag 1
Hoe kijkt de minister aan tegen DRIVE en hoeveel projecten van dit instrument gaat inmiddels naar Nederlandse bedrijven?
Antwoord
DRIVE is een belangrijk programma dat zich richt op verbetering van de publieke infrastructuur en draagt daarmee bij aan een beter ondernemingsklimaat in de partnerlanden. Momenteel wordt ongeveer 50% van de DRIVE-projecten uitgevoerd met Nederlandse bedrijven. Het streven is dat dit percentage gaat toenemen naar 70%. Vorig jaar is DRIVE vernieuwd met een grotere nadruk op Nederlandse kennis en kunde. Infrastructuurprojecten kennen een lange voorbereidingstijd, maar de vooruitzichten om toe te groeien naar 70% Nederlandse betrokkenheid zijn goed. Een programma als DRIVE past in huidige geopolitieke context, ook om Nederland en Europa in staat te stellen aantrekkelijke samenwerkingspartners te blijven.
Vraag 2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de toetreding tot het Verdrag van Aken?
Antwoord
Nadat de Kamer in juli vorig jaar is geĆÆnformeerd over het voornemen tot toetreding tot het verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein hebben de huidige verdragspartijen een brief ontvangen over Nederlandse wens tot toetreding. Het kabinet hoopt spoedig het bericht te ontvangen van de verdragspartijen dat Nederland kan toetreden tot het verdrag. Zodra de uitnodiging is ontvangen zal het kabinet toetreding tot het verdrag voorleggen ter parlementaire goedkeuring. Advisering door de Raad van State maakt deel uit van deze procedure. In afwachting van een reactie van de huidige verdragspartijen wordt op het moment op ambtelijk niveau de parlementaire behandeling al zoveel mogelijk voorbereid.
Vraag 3
Deelt de minister het idee dat we meer in EU verband moeten kijken om beter samen te werken op ontwikkelingssamenwerking en ziet de minister hiervoor voldoende ruimte in de begroting van 2024?
Antwoord
Het kabinet is voorstander van een versterkte samenwerking in EU-verband op ontwikkelingssamenwerking en zet hier al op in, bijvoorbeeld door samen te werken in Team Europe Initiatieven. Hierin werken verschillende EU lidstaten en de Europese Commissie samen om specifieke doelstellingen te bereiken. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld het Team Europe Initiatief ter versterking van de African Continental Free Trade Area. In dit soort Team Europe initiatieven brengen lidstaten hun eigen financiering en programmering in en trekken ze op met anderen om daarmee gezamenlijk een grotere impact te bereiken. Ook zet Nederland erop in om Global Gateway tot een succes te maken, door gebruik te maken van zowel ontwikkelings- als handels- en investeringsinstrumenten, versterkt de EU met Global Gateway zijn aanbod aan en positie in deze landen. Nederland zet proactief in op een meer strategische Global Gateway programmering op themaās, regioās en sectoren waar Nederland meerwaarde heeft, in de vorm van concrete kennis en kunde, innovatievermogen en multi-stakeholder aanpak. We zien kansen onder meer op het gebied van de energietransitie en agri-logistiek. Hier is al veel Nederlandse betrokkenheid en activiteit. Met EU wordt actief gesproken over opschaling van die inzet met EU fondsen.
Grondstoffenpartnerschappen op EU niveau hebben de voorkeur boven bilaterale partnerschappen, vanwege de grotere impact en het geopolitieke gewicht. Ook hierbij is Global Gateway instrumenteel. Nederland is ook voorstander van brede samenwerking in EU verband met landen, waar versterking van de samenwerking op migratie onderdeel van uit maakt. Vanuit het Neigbourhood, Development and International Cooperation instrument (NDICI) van de EU wordt tevens ingezet op opvang in de regio. Dit doen we gelijktijdig met inzet op bilaterale migratie partnerschappen. Deze brede inzet is een geĆÆntegreerd onderdeel van het OS-beleid en al onderdeel van de begroting voor 2024.
Vraag 4
Hoe worden Nederlandse NGOās ondersteund bij het verkrijgen van Europese gelden? Is de minister bereid zich daartoe in te zetten en wanneer de minister denkt hier concrete stappen in te kunnen zetten?
Antwoord
Verscheidene Nederlandse NGOās hebben direct toegang tot EU-middelen door bijvoorbeeld projectvoorstellen in te dienen. Nederlandse NGOās doen dat ook veelvuldig. Daarnaast maakt de EU gebruik van zogenaamde delegated cooperation. Daarbij worden EU middelen volledig in beheer gegeven van publieke organisaties in EU lidstaten. In Nederland zijn dat bijvoorbeeld FMO, RVO, NUFFIC en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ook deze middelen komen deels weer terecht bij andere NL partijen. De ondersteuning van organisaties bij het verkrijgen van EU middelen is maatwerk. Een groot deel van de organisaties doet dit op eigen kracht, maar staat daarbij wel in contact met BZ in Den Haag of op de posten. Voor de Dutch Relief Alliance en het Nederlandse Rode Kruis zet Nederland zich hiervoor in via de diplomatieke weg.
Nederland heeft geen grote publieke uitvoeringsorganisatie zoals Duitsland heeft, maar Nederland kent een grote diversiteit aan mogelijke uitvoerders die kunnen worden betrokken bij projecten. Ik ben graag bereid om mij in te zetten deze partijen te betrekken bij projecten gefinancierd door de EU. Dit is goed voor Nederland, voor Europa en voor de landen waar projecten worden uitgevoerd.
Aan het ministerie van Buitenlandse Zaken, RVO en NUFFIC is tot nu toe EUR 86,2 mln. overgedragen en er zit nog meer in de pijplijn.
Vragen van het lid Hirsch (GroenLinks-PvdA)
Vraag 1
Gisteren werd bekend dat de kosten van de opvang van eerstejaars asielzoekers te laag zijn ingeschat. Dit budget is geen pinautomaat waar de regering oneindig uit kan tappen. Daarom ik vraag de minister toe te zeggen dat in 2024 niet nog meer dekking uit het budget gehaald wordt voor de dekking van de kosten van de eerstejaarsopvang.
Antwoord
Het is niet aan het demissionaire kabinet om de ODA-systematiek te wijzigen. Het vergt namelijk een politieke afweging tussen de voor- en nadelen van de huidige asielsystematiek. Zo leidt een andere bekostigingssystematiek wellicht tot minder fluctuaties binnen de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, maar leidt dit wel tot een dekkingsvraagstuk elders op de Rijksbegroting.
Vraag 2
Maatschappelijke bewegingen staan overal onder druk, maar zijn onontbeerlijk voor een gezonde democratie. Hoe garandeert de minister dat lokale maatschappelijke organisaties deelgenoot zullen zijn van de besluitvorming van Nederlandse activiteiten in de 14 hulp en handel-landen respectievelijk de 25 handelslanden?
Antwoord
Lokale maatschappelijke organisaties zijn een belangrijke partner in de hulp en handel agenda. Naast onze ambassades zijn zij belangrijke oren en ogen in het betreffende land en hebben zij onontbeerlijke netwerken te bieden. Het kabinet betrekt hen bij deze agenda door regelmatige consultaties of concrete samenwerkingsverbanden. Nederland financiert bijvoorbeeld programmaās van IDH, Solidaridad en de vakbonden die erop gericht zijn lokale maatschappelijke organisaties, bedrijven en overheden een stem te geven in de verduurzaming van handel, zodat beter rekening wordt gehouden met de lokale ontwikkelingscontext.
Vraag 3
Kan de minister reflecteren op de mogelijkheden om op korte termijn de middelen voor voedselzekerheid, water en klimaatadaptatie te verleggen van multilaterale kanalen naar de inzet via lokale fondsen en/of lokale maatschappelijke organisaties?
Antwoord
Multilaterale programmaās bieden schaalvoordelen, gaan versnippering tegen en zijn nodig om impact op landelijk en regionaal niveau te bereiken. Multilaterale programmaās worden lokaal uitgevoerd, in nauwe samenwerking met nationale en lokale autoriteiten en lokale organisaties.
Het kabinet onderkent evenzeer de innovatieve kracht van de door u genoemde lokale initiatieven. Ook die worden daarom door Nederland gesteund en zijn complementair aan de multilaterale programmaās. Waar mogelijk koppelen we deze lokale initiatieven aan de grotere multilaterale programmaās. Een voorbeeld is een door NGOās geleid programma op gebied van geĆÆntegreerd bodembeheer, dat lokaal gaat bijdragen aan een regionaal voedselsysteem programma van de Wereldbank in West Afrika en zo haar impact vergroot. Het kabinet ziet daarom meerwaarde om te blijven inzetten op verschillende kanalen.
Vraag 4
Kan de minister de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof opvolgen en zijn besluit terugdraaien?
Antwoord
Het kabinet heeft grote zorgen over de ernstige situatie waarin de burgerbevolking in Gaza zich bevindt. De humanitaire noden in Gaza zijn hoog. Het kabinet steunt de inzet van de Secretaris Generaal van de VN wat betreft het onderzoek naar UNRWA. Onafhankelijk onderzoek met resultaten op de korte termijn moeten duidelijkheid geven, zo āswift and efficiently as possibleā. Nederland volgt de ontwikkeling rondom het onderzoek nauwlettend.
In lijn met de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof roept Nederland op tot ongehinderde humanitaire steun. De hoeveelheid steun moet aanzienlijk omhoog, en de distributie binnen Gaza moet veel beter en veiliger. Deze boodschappen dragen we in stevige bewoordingen uit richting Israƫl. Het kabinet blijft zich hiervoor inzetten. Tot slot bieden we ook steun aan andere organisaties, waaronder ook aan het Rode Kruis en de Dutch Relief Alliance.
Vraag 5
Is de minister bereid om conform staand beleid, tot wetgeving in werking gaat, bedrijven die overheidssteun ontvangen te blijven monitoren en daarbij de OESO richtlijnen toe te passen? Is de minister tevens bereid te rapporteren over de maatregelen die hij neemt als de richtlijnen niet worden nageleefd.
Antwoord
Nederlandse bedrijven die gebruik maken van ondersteuning van het handelsinstrumentarium van het ministerie van Buitenlandse Zaken moeten de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen onderschrijven. Bedrijven die steun krijgen (in de vorm van financiering/subsidies, exportkredietverzekering of deelname aan handelsmissies) worden getoetst aan de hand van een set van IMVO-kaders voor de verschillende RVO-instrumenten en voor missies, waarvoor het kader geldt zoals beschreven in Kamerstuk 26485-302. Een onderdeel van deze toets is de verplichting aan bedrijven om transparant en publiekelijk te rapporteren over hun IMVO-activiteiten. Het kabinet doet onderzoek naar de mate van toepassing van de OESO-Richtlijnen door Nederlandse bedrijven in algemene zin. Hierover informeert het kabinet uw Kamer in het voorjaar.
Vraag 6
Kan de minister bevestigen dat financiƫle instellingen, van private banken tot Atradius DSB, blijvend aan de OESO-richtlijnen zijn gehouden? Hoe is de minister van plan dit te monitoren en welke consequenties verbindt de minister aan het niet naleven van de richtlijnen?
Antwoord
Het kabinet verwacht van alle bedrijven, waaronder financiƫle instellingen, dat zij de OESO-richtlijnen naleven. Een partij als Atradius Dutch State Business onderschrijft ook deze OESO-richtlijnen. Bedrijven die de OESO-richtlijnen niet onderschrijven komen, in lijn met de motie Sjoerdsma (26485, nr. 171), niet in aanmerking voor het handelsinstrumentarium.
Vraag 7
Welke beleidsterreinen binnen het handelsbeleid zijn prioriteit in het kader van het feministisch buitenlandbeleid? Kan de minister aangeven hoe deze beleidsinzet kan bijdragen aan zowel het verder versterken de uitgangspositie van vrouwen als het creƫren van gelijkwaardige posities in lokale en internationale besluitvormingsprocessen?
Antwoord
Het feministisch buitenlands beleid betreft ook het handelsbeleid. Ook in handelsakkoorden: Nederland heeft in 2020 al met negen andere lidstaten de Europese Commissie aangemoedigd gender in alle bilaterale handelsovereenkomsten van de EU te versterken. Een voorbeeld is het handelsverdrag met Chili, waar voor het eerst een hoofdstuk over gender en handel in is opgenomen. Hierbij verbinden de partijen zich er onder andere toe gelijke kansen voor vrouwelijke ondernemers te garanderen en discriminatie van vrouwen uit te bannen.
Nederland zet zich eveneens actief in voor de bevordering van vrouwelijk ondernemerschap. Onder andere door het stimuleren van internationaal ondernemen en het versterken van door vrouwen geleide bedrijven in het mondiale zuiden. Bijvoorbeeld in Kenia werden elf door vrouwen geleide bedrijven ondersteund om hun commerciƫle netwerken in de sierteelt, waaronder met de Kenyan Flower Council, te vergroten via het Building Bridges-project.
Vraag 8
Hoe kijkt de minister naar de relatie tussen UPOV en de zelfvoorzienendheid van lokale gemeenschappen? Vindt de minister dit deel van het handelsbeleid in lijn met zijn doelstellingen op voedselzekerheid?
Antwoord
Het UPOV verdrag inzake kwekersrechten valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en is regelmatig onderwerp van gesprek in de vaste Kamercommissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 27428-352) kan ik u melden dat het UPOV verdrag boeren en veredelaars een mogelijkheid geeft om hun investering terug te verdienen en bijdraagt aan innovatie in plantenvariƫteiten.
Er zijn in UPOV waarborgen ingebouwd, ook voor ontwikkelingslanden, om zelf geoogste zaden te mogen bewaren, gebruiken en uitwisselen. Daarnaast gelden geen beperkingen voor traditionele rassen of moderne rassen waarvan kwekersrechtelijke bescherming is afgelopen. Dit deel van het handelsbeleid is dan ook niet in tegenspraak met de doelstellingen van het voedselzekerheidsbeleid.
Vragen van het lid Bamenga (D66)
Vraag 1
Hoe staat het besluit om de financiering van UNRWA stop te zetten in relatie tot de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof? Welke bewijzen heeft de minister gezien om dit besluit te legitimeren?
Antwoord
De beschikking van het Internationaal Gerechtshof is bindend voor de partijen. Nederland roept op tot uitvoering, ook in bilaterale contacten. De humanitaire noden in Gaza zijn hoog en het kabinet heeft grote zorgen over de ernstige situatie waarin de burgerbevolking in Gaza zich bevindt. In lijn met de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof roept Nederland op tot ongehinderde humanitaire steun en bieden we ook zelf de nodige steun.
Tegelijkertijd zijn de aantijgingen van Israƫlische autoriteiten jegens UNRWA, namelijk betrokkenheid bij de aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023 zeer ernstig. Nederland neemt dit serieus en heeft daarom aanvullende financiering aan UNRWA tot nader order opgeschort. UNRWA neemt de aantijgingen gelukkig ook serieus. Medewerkers zijn op staande voet ontslagen, en UNRWA werkt mee aan het onafhankelijke onderzoek ingesteld door de VN. Nederland volgt de ontwikkeling om het onderzoek nauwlettend.
Vragen van de leden Zeedijk (NSC) en Kahramann (NSC)
Vraag 1
Welke humanitaire hulp wordt er aan de Armeense vluchtelingen namens Nederland en Europa gegeven?
Antwoord
Nederland draagt bij aan de humanitaire hulpverlening aan ontheemden in Armeniƫ via de ongeoormerkte, flexibele bijdragen aan het Rode Kruis, het Internationale ComitƩ van het Rode Kruis (ICRC), en de VN voor bescherming, voedselhulp en gezondheidszorg. Ook blijft het ICRC zich inzetten voor het herenigen van gescheiden gezinnen.
In aanvulling op de ongeoormerkte core bijdragen, droeg Nederland bij met een beperkte crisis-specifieke bijdrage en in EU-verband. Zo werd via het Nederlandse Rode Kruis bijna EUR 300.000 vrijgemaakt voor het leveren van onder meer opvang en bescherming, veilig drinkwater, en mentale hulp en psychosociale steun.
In aanvulling op deze humanitaire hulp heeft Nederland met succes gepleit voor toegang van Armeniƫ tot de Global Concessional Financing Facility (GCFF). Dit is een multi-donor trustfonds, geadministreerd door de Wereldbank. De GCFF subsidieert (harde) leningen van ontwikkelingsbanken aan middeninkomenslanden die geconfronteerd worden met een grote influx van vluchtelingen, mits deze landen goed beleid hebben op het gebied van vluchtelingenopvang. Nederland heeft vorig jaar EUR 10 miljoen bijgedragen aan de GCFF specifiek ten gunste van Armeniƫ. Hiermee is een lening van in totaal EUR 100 miljoen mogelijk gemaakt.
Vraag 2
Kan de minister schetsen in hoeverre er binnen Europa consensus bestaat over de definitie van Open Strategische Autonomie? Wanneer verwacht de minister dat er tijdslijnen worden gehangen aan alle voorstellen in het non-paper dat Nederland samen met andere landen schreef?
Antwoord
Ik verwijs graag naar de brief van november 2022 (Kamerstuk 35982, nr. 9) waarin het kabinet zijn gehele Open Strategische Autonomie visie heeft uitgewerkt. Voor het kabinet staat de Open Strategische Autonomie van de EU voor haar vermogen om als mondiale speler, in samenwerking met internationale partners, op basis van eigen inzichten en keuzes haar publieke belangen te borgen. Hiermee is de EU weerbaar in een onderling verbonden wereld. Binnen Europa bestaat consensus over de noodzaak om de Open Strategische Autonomie van de Unie te versterken. Nederland onderstreept het woord open, omdat open economieën de basis vormen voor de mondiale welvaart. De interne markt is de hoeksteen van onze mondiale concurrentievermogen en onze marktmacht. Het vergroten van de geopolitieke handelingsvermogen van de Unie en investeren in diversificatie is een belangrijk onderdeel van het OSA-beleid. We werken tegelijkertijd onverminderd door aan het identificeren en mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden. Uw Kamer is geïnformeerd over voortgang op dit gebied in de Kamerbrief van december 2023 (Kamerstuk 30821, nr. 204).
Vragen van het lid Boswijk (CDA)
Vraag 1
Hoe is het extra geld van de kasschuif van het amendement Grinwis gebruikt in 2023 en hoe dit bij heeft kunnen dragen aan het drukken van de hoge asielkosten?
Antwoord
De Kamer heeft de Suppletoire Begroting die op Prinsjesdag is ingediend geamendeerd (kamerstuk 36435-XVII nr. 15), waardoor er EUR 70 miljoen uit 2028 naar voren is gehaald naar 2023, middels een kasschuif. Over de invulling van dit amendement heeft mijn ambtsvoorganger ook een brief gestuurd (Kamerstuk 36435 XVII, B). De EUR 70 miljoen is als volgt ingezet: er is EUR 30 miljoen gebruikt voor humanitaire hulp (artikel 4.1), waarvan EUR 15 miljoen ten behoeve van humanitaire hulpverlening voor Gaza en EUR 15 miljoen voor humanitaire noden voor de rest van de wereld. EUR 20 miljoen is gebruikt voor opvang in de regio (artikel 4.2), met name voor onderwijs voor kinderen. De overige EUR 20 miljoen is ingezet ten behoeve van klimaatmitigatie en klimaatadaptatie (artikel 2.3). Deze middelen hebben bijgedragen aan het dempen van de ombuigingen op de genoemde themaās in 2023, die het gevolg waren van de hogere asieluitgaven.
Vraag 2
Hoe kunnen we met ontwikkelingssamenwerking invloed hebben op de situatie in Iran, specifiek voor vrouwen.
Antwoord
De Nederlandse zorgen over vrouwenrechten, en onze bredere zorgen ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Iran zijn u bekend. Nederland deelt deze zorgen met regelmaat, zowel publiekelijk als in bilaterale gesprekken. Nederland zet zich via instrumenten als sancties in om druk uit te oefenen ter verbetering van de situatie en zet Nederland zich multilateraal actief in ten behoeve van mensenrechten in Iran. Zo heeft Nederland zich in de VN-Mensenrechtenraad hard gemaakt voor de oprichting van een onafhankelijke VN Fact Finding Mission. Nederland heeft geen grootschalige inzet qua ontwikkelingssamenwerking in (het middeninkomensland) Iran, maar financiert gerichte activiteiten die een rol kunnen spelen ter ondersteuning van vrouwen, meisjes en andere kwetsbare groepen in het land. Zo steunt Nederland mensenrechteninitiatieven via UNICEF, gericht op vrouwen en meisjes. Ook loopt er steun vanuit Shiraka aan UNODC, gericht op het terugdringen van de vraag naar drugs in het land, met wederom speciale aandacht voor deze groepen.
Vraag 3
Hoe raken de bezuinigingen op deze begroting middelen voor vrouwenorganisaties en hoe zorgt de minister er voor dat het integrale beleid niet wordt ondermijnd?
Antwoord
Het kabinet financiert met name vrouwenrechtenorganisaties binnen het SDG 5 Fonds van het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld. De bezuinigingen voor 2024 hebben geen effect op de bestaande contracten onder āPower of Womenā, āWomen Peace and Securityā en āLeading from the Southā die van 2021-2025 lopen.
Gendergelijkheid en vrouwenrechten is een dwarsdoorsnijdend thema in de brede BHOS agenda. Nederland zet zich internationaal in voor het verhogen van bijdragen aan vrouwenrechtenorganisaties omdat we weten dat deze organisaties cruciaal zijn voor duurzame ontwikkeling, vrede en stabiliteit.
Vraag 4
Hoe kunnen we de humanitaire hulp aan de Gazaanse bevolking stand laten houden met het oog op de kwestie omtrent UNRWA?
Antwoord
Nederland draagt bij aan verschillende organisaties die actief zijn in Gaza. De humanitaire hulp blijft vooralsnog doorgaan. Naast UNRWA betreft het bijdragen aan het Nederlandse Rode Kruis, het Internationale ComitƩ van het Rode Kruis (ICRC) en de Dutch Relief Alliance (DRA), in aanvulling op ongeoormerkte bijdragen aan verschillende VN-organisaties.
Er is op dit moment nog geen sprake van dat UNRWA de hulp aan Palestijnse vluchtelingen per direct hoeft te stoppen. Om te vermijden dat dit in de toekomst wel gebeurt, is het belangrijk dat UNRWA onafhankelijk onderzoek laat doen naar de aantijgingen en laat zien actie te ondernemen.
Vragen van het lid Ceder (ChristenUnie)
Vraag 1
Ziet de minister de waarde van kleinere lokaal gewortelde organisaties en is de minister bereid om opvolging te geven aan advies IOB onderzoek om meer middelen direct te geven aan lokale organisaties? Indien dit niet het geval is, wil de minister dan meer bijdragen aan het collectief van de Nederlandse hulporganisaties zoals de DRA?
Antwoord
Zoals is beschreven in de IOB- evaluatie inzake humanitaire hulp 2015- 2021(Kamerstuk 36180-48) zijn er goede stappen gezet inzake lokalisering. Onder lokalisering verstaat het kabinet dat we lokale organisaties meer leiding geven in het vaststellen en geven van hulp in getroffen gebieden. Het IOB-rapport geeft wel aan dat op alle verschillende organisaties nog iets op te merken of te verbeteren valt op het gebied van lokalisering.
Het kabinet heeft sinds de evaluatie hier sterker op ingezet. Wij zien toe op verdere lokalisering en bespreken dit binnen de partnerschappen met de VN, Rode Kruis en de DRA. Bij deze partnerschappen is het belangrijk om op gelijkwaardig niveau te opereren. Daarbij leren we nog steeds van elkaar. Daarnaast is het belangrijk dat we gezamenlijk goed omgaan met de monitoring en de risicoās delen.
Vraag 2
Wanneer is de bijdrage van EUR 19 mln. voor 2024 overgemaakt aan UNRWA? Wat zijn de juridische verplichtingen en steun richting UNRWA? Welke mogelijkheden ziet de minister om de steun die bedoeld was voor UNRWA nu via andere organisaties zoals het Rode Kruis in Gaza te krijgen?
Antwoord
De betaling voor de jaarlijkse, reguliere bijdrage van EUR 19 mln. voor 2024 is reeds uitgevoerd op 18 januari jl. Deze betaling aan UNRWA doet Nederland, evenals aan de andere humanitaire organisaties van de VN, altijd spoedig aan het begin van het jaar. Dat is staand beleid, conform goed humanitair donorschap, en doen wij vanwege de hoge financiĆ«le noden, niet alleen bij UNRWA maar ook bij andere humanitaire organisaties. De verplichting is een meerjarig contract van drie jaar (2023 ā 2025) en er zijn vooralsnog geen concrete plannen voor additionele bijdragen aan UNRWA. Andere organisaties actief voor Gaza zijn onder andere de Dutch Relief Alliance, het Nederlandse Rode Kruis en het ICRC. Deze organisaties hebben ook een belangrijk mandaat maar, zo gaven het Rode Kruis en diverse andere hulporganisaties al aan, ze kunnen de activiteiten van UNRWA in Gaza niet vervangen in deze huidige fase van de crisis.
Vragen van het lid Dobbe (SP)
Vraag 1
Nederland heeft aangegeven toe te willen treden tot het verdrag inzake exportcontrole in het defensie domein. Kan de minister reflecteren op de zorgen van de SP dat wanneer toetsing op mensenrechtenschendingen uit handen wordt gegeven aan de exporteur van het eindproduct, dat deze de criteria wellicht soepeler toepast dan Nederland?
Antwoord
Het kabinetsvoornemen om toe te treden tot het verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein (hierna āhet verdragā) komt voort uit de bijdrage die toetreding, door middel van een duidelijker regelgevend kader, levert aan verdere Europese defensiesamenwerking en daarmee aan de versterking van de Nederlandse krijgsmacht. Dat is onontbeerlijk in het licht van de bredere geopolitieke ontwikkelingen en de veiligheidsdreigingen die in dat kader op Nederland en onze Europese partners afkomen.
Voor transacties in het kader van het verdrag geldt net als voor alle andere uitvoer van militaire goederen een vergunningplicht. In het geval Nederland niet de eindproducent is van een militair goed en de Nederlandse transactie dus componenten of subsystemen betreft, wordt voorgenoemde toets gedaan door de verdragspartij waar de eindproducent van het goed is gevestigd. Alle transacties blijven onverminderd onderworpen aan een gedegen toets. Zo zijn alle huidige verdragspartijen gehouden aan zowel de Europese wapenexportcriteria als aan de kaders van het Wapenhandelsverdrag.
Daar waar zorgen bestaan over potentiĆ«le exportbestemmingen voorziet het verdrag in de gelegenheid om ruim voorafgaand aan definitieve export met verdragspartners om de tafel te zitten om deze bestemmingen en bijbehorende risico-inschattingen te bespreken. Daarmee gaat het verdrag verder dan huidige Europese samenwerking op het wapenexportbeleid waar EU-lidstaten elkaar achteraf informeren over afgewezen vergunningen. Tot slot biedt het verdrag in het uiterste geval de mogelijkheid voor verdragspartijen om bezwaar te maken tegen ongewenste voorgenomen transacties via een ānoodremprocedureā die alleen met consensus tussen de verdragspartijen kan worden opgeheven.
Vraag 2
Hoe gaat de minister garanderen dat er genoeg humanitaire hulp in Gaza kan blijven komen nu Nederland de hulp aan UNRWA heeft stopgezet?
Antwoord
De betaling voor de jaarlijkse, reguliere bijdrage van EUR 19 mln. in 2024 is reeds uitgevoerd. Dat doen wij elk jaar meteen aan het begin van het jaar voor de VN-humanitaire organisaties, vanwege de hoge noden. Hiernaast draagt Nederland al bij aan andere organisaties die actief zijn in Gaza. Dit betreft bijdragen aan het Nederlandse Rode Kruis, het Internationale ComitƩ van het Rode Kruis (ICRC) en de Dutch Relief Alliance (DRA), in aanvulling op ongeoormerkte bijdragen aan verschillende VN-organisaties.
Humanitaire hulp blijft vooralsnog gewoon doorgang vinden. Ook de humanitaire hulp van UNRWA, mede dankzij de Nederlandse bijdrage.
Vraag 3
Vorige week verscheen een bericht dat Nederland onderzoekt of de luchtmacht luchtdroppings van hulpgoederen kan realiseren in Gaza naar aanleiding van een voorstel dat de SP heeft ingediend. Hoe staat het hiermee?
Antwoord
Nederland blijft zich inzetten op het verruimen van de toegang van hulpgoederen over land. Dit is de meest effectieve wijze om hulp in Gaza te krijgen op de schaal die acuut nodig is. De urgentie van de situatie en de uitdagingen bij distributie binnen Gaza zelf noopt tot het actief verkennen van alternatieven, waaronder via de lucht.
De Kamer is op 26 januari jl. geĆÆnformeerd over het voornemen om een humanitaire luchtdropping uit te voeren, indien de mogelijkheid zich voordoet. Deze verkenning dient zorgvuldig te worden uitgevoerd en vindt momenteel plaats in overleg met betrokken landen in de regio. Indien tot een eventuele airdrop wordt overgegaan dan zal de Kamer daarover in verband met de operationele veiligheid naderhand worden geĆÆnformeerd, conform artikel 100 lid twee van de Grondwet.
Vraag 4
Er bestaat een risico dat dit jaar EUR 600 mln. extra nodig is voor asielopvang. Kan de minister garanderen dat dit niet ten koste gaat van het ontwikkelingsbudget?
Antwoord
Het kabinet zal zich in de Voorjaarsbesluitvorming buigen over de precieze dekking. Deze additionele middelen zijn bestemd voor noodopvang door het COA. De ODA-bijdrage aan de uitgaven van eerstejaarsopvang uit DAC-landen is gebaseerd op een vast bedrag per bezette opvangplek per jaar. Dit omvat de kosten van een reguliere opvangplek. Additionele uitgaven als gevolg van noodopvang maken hiervan geen deel uit.
Vragen van het lid Van Baarle (DENK)
Vraag 1
Is de minister alsnog bereid om de aangenomen motie van de Kamer uit te voeren om ODA te maximeren en wat is de reactie van de minister op de consequente kritiek van de OECD op het besteden van OS-middelen voor de opvang van vluchtelingen in Nederland?
Antwoord
Dit onderwerp is uiteengezet in de brieven die mijn ambtsvoorganger heeft gestuurd naar aanleiding van de motie Van der Graaf c.s. (Kamerstuk 36200-XVII-66) en de motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 36410-XVII-8). Het invoeren van een plafond is een complex onderwerp. Het vergt een politieke afweging tussen de voor- en nadelen van de huidige asielsystematiek. Zo leidt een andere bekostigingssystematiek wellicht tot minder fluctuaties binnen de BHOS-begroting, maar leidt dit wel tot een dekkingsvraagstuk elders op de Rijksbegroting. Het past een demissionair kabinet niet om deze systematiek aan te passen.
Vraag 2
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof?
Antwoord
De uitspraak van het Hof is bindend voor de partijen. Nederland roept op tot naleving van de uitspraak, ook in bilaterale contacten. De humanitaire noden in Gaza zijn hoog en het kabinet heeft grote zorgen over de ernstige situatie waarin de burgerbevolking in Gaza zich bevindt.
Het Nederlandse kabinet draagt de kernboodschappen van het Hof inzake humanitaire hulpverlening, vrijlating van gegijzelden, het voorkomen van burgerslachtoffers en het handelen in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht uit sinds de terroristische aanval Hamas op 7 oktober 2023, en zal dit blijven doen. De minister van Buitenlandse Zaken heeft gisteren in het CD Gymnich toegezegd met een reactie te komen op het verzoek van de Kamer in relatie tot de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof, voor de behandeling van de BZ begroting.
Vraag 3
In de Genocideconventie is een van de plichten het bevorderen van humanitaire hulp. Hoe gaat de minister daar vorm aan geven?
Antwoord
Nederland zet zich in voor het verlenen en bevorderen van humanitaire hulp. Zo financiert Nederland verschillende humanitaire organisaties die actief zijn in en voor Gaza.
In aanvulling op de ongeoormerkte bijdragen aan verschillende organisaties besloot het kabinet reeds tot aanvullende bijdragen van EUR 50 mln. Tevens benadrukt het kabinet in diplomatiek contacten steevast het belang van de toegang van humanitaire organisaties. Ook heeft het kabinet een Speciaal Humanitair Gezant aangesteld, die zich inspant voor het bevorderen humanitaire hulp aan Gaza.
Vraag 4
Kan de minister ook reageren op de vele berichten die de afgelopen tijd naar boven zijn gekomen van hulpprojecten, bijvoorbeeld op de Westbank, die zijn vernield door kolonisten en Israƫlische militairen? Wat doet de Nederlandse regering om dat te veroordelen?
Antwoord
Het kabinet is bezorgd over de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Nederland spreekt Israƫl consequent aan op de (internationaal)rechtelijke plicht die op Israƫl rust om geweldgebruik door zowel kolonisten als Israƫlisch overheidspersoneel zoveel mogelijk te voorkomen. Deze boodschap wordt tijdens contacten op het hoogste niveau met de Israƫlische regering overgebracht. Indien door met Nederlands belastinggeld gefinancierde projecten vernield worden, roept het kabinet Israƫl op tot schadevergoeding en herstel van de schade.
Ook is Nederland begin dit jaar toegetreden tot het West Bank Protection Consortium. Dit strategisch partnerschap biedt bijstand aan Palestijnen die te maken hebben met schending van rechten als gevolg van gedwongen verplaatsingen op de Westelijke Jordaanoever. In het geval dat er hulpprojecten of materialen van het West Bank Protection Consortium worden beschadigd of vernietigd, neemt Nederland ook deel aan gezamenlijke eis tot schadevergoeding bij de Israƫlische autoriteiten.
Vraag 5
Wat gaat de minister doen om de ernstig vervolgde Rohingya-groep beter te helpen? Is de minister bereid om de noodhulp aan de Rohingya te verhogen en om in Europees en internationaal verband te pleiten voor meer financiering?
Antwoord
Nederland steunt op dit moment verschillende projecten die zich richten op het verbeteren van de omstandigheden voor de Rohingya-vluchtelingen: Een project van de International Organisatie for Migration voor het verbeteren van de leefomstandigheden (EUR 7.5 mln), een project van de ILO/FAO voor het versterken van de kansen op de arbeidsmarkt van de jeugd in de host community (EUR 2,2 mln) en een project ter ondersteuning van mensenrechtenactivisten die zich inzetten voor de Rohingya-kwestie (EUR 92.000).
Daarnaast ondersteunt Nederland humanitaire partners zoals WFP, UNHCR en UNICEF die zich inzetten voor de Rohingya vluchtelingen met ongeoormerkte financiering. Ook draagt het kabinet bij aan het VN-noodhulpfonds CERF (Central Emergency Fund) waaruit vorig jaar EUR 18 miljoen is vrijgemaakt voor de Rohingya. In algemene zin pleit Nederland op zowel Europees als internationaal niveau voor meer ongeoormerkte bijdragen aan deze fondsen en organisaties, om deze middelen flexibel in te zetten daar waar de noden het hoogst zijn.
Vraag 6
Hoe staat het met de noodhulp en wederopbouw aan Marokko en Libiƫ?
Antwoord
Naar aanleiding van de natuurramp in Libiƫ heeft Nederland via ongeoormerkte financiering aan onze vaste partners directe humanitaire actie mogelijk gemaakt. Ook heeft Nederland bijgedragen aan het Rapid Damage Needs Assessment (RDNA) met een team van waterexperts uit de publieke en private sector via het Dutch Disaster Risk Reduction and Surge Support (DRRS) programma van het ministerie van Buitenlandse Zaken en RVO. Dit team heeft tevens zelfstandig onderzoek gedaan naar de damdoorbraak. Als vervolgstappen zal de Wereldbank en VN het RDNA gebruiken om het gesprek over wederopbouw met Libische stakeholders voort te zetten en te pleiten voor nationale coƶrdinatie van de wederopbouwplannen. De Nederlandse ambassade in Tripoli is hier bij betrokken en ondersteunt deze inzet in gesprekken met Libische stakeholders.
Zoals aan uw Kamer reeds werd meegedeeld in de Kamerbrief inzake aardbevingenrespons Marokko, is er in Marokko geen sprake geweest van een internationaal hulpverzoek en een daaruit volgend internationaal responsplan. De Marokkaanse autoriteiten hebben ervoor gekozen om de noodrespons zelf te organiseren. De focus ligt hierbij op een nationale en lokale aanpak. Nederland heeft deze aanpak ondersteund door middel van een bijdrage van EUR 5 mln. aan de Marokkaanse Rode Halve Maan, via het Nederlandse Rode Kruis. Tevens heeft Nederland in totaal EUR 50 mln. beschikbaar gemaakt voor duurzame wederopbouw na de aardbeving. Dit bedrag is onderdeel van het Memorandum of Understanding (MoU) van in totaal EUR 300 mln. over investeringen in water en hernieuwbare energie.
Vragen van het lid Teunissen (PvdD)
Vraag 1
Hoe staat de minister er tegenover dat we een fors deel van Ontwikkelingssamenwerking besteden aan asielopvang in Nederland?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 1 van DENK.
Vraag 2
Is de minister bereid, aangezien UNRWA zelf maatregelen heeft genomen en een onderzoek is gestart, om de steun weer te hervatten en welk signaal denkt de minister dat er vanuit gaat dat Nederland de belangrijkste hulporganisatie in Gaza niet steunt?
Antwoord
De humanitaire noden in Gaza zijn hoog en het kabinet heeft grote zorgen over de ernstige situatie waarin de burgerbevolking in Gaza zich bevindt. Nederland zet zich in voor het verlenen en bevorderen van humanitaire hulp. Zo financiert Nederland verschillende humanitaire organisaties die actief zijn in Gaza. Het betreft bijdragen aan UNRWA, het Nederlandse Rode Kruis, het Internationale ComitƩ van het Rode Kruis (ICRC) en de Dutch Relief Alliance (DRA). In aanvulling op de ongeoormerkte bijdragen aan verschillende organisaties besloot het kabinet reeds tot aanvullende bijdragen van EUR 50 miljoen. Tevens benadrukt het kabinet in diplomatiek contacten steevast het belang van de toegang van humanitaire organisaties.
Ook de humanitaire hulp van UNRWA vindt doorgang. Dat is belangrijk, want werk van UNRWA kan in deze fase van de crisis niet opgevangen worden door andere organisaties, zo geven ook VN en diverse andere hulporganisaties waaronder het Rode Kruis aan. Het is daarom van belang dat er op korte termijn meer duidelijkheid komt. Zodat er voorzien kan blijven worden in de schrijnende behoeften van de Palestijnse bevolking in Gaza waar UNRWA een belangrijke rol in speelt. Het ingestelde onderzoek is daarvoor de eerste essentiƫle stap.
Vraag 3
Is de minister bereid exportkredietverzekeringen af te schaffen?
Antwoord
De exportkredietverzekering is van groot belang voor de export en het internationale concurrentievermogen van Nederland. Het kabinet deelt in dit verband het belang van dierenwelzijn. Daarom worden exportkredietverzekeringaanvragen voor leveringen aan de intensieve veehouderij getoetst aan internationaal afgesproken kaders voor dierenwelzijn, waaronder die van de OESO en relevante EU-richtlijnen of -verordeningen in het kader van bescherming van dieren, alsmede op nationale wet en regelgeving van het land waaraan geleverd wordt. Die internationale afspraken zijn belangrijk voor een gelijk speelveld. Daarbovenop beschikt Nederland als enige exportkredietverzekeraar over een dierenwelzijnsverklaring, die specifiek is gericht op het dierenwelzijn binnen de exportkredietverzekering. Het kabinet is voornemens deze aanpak, waarbij wordt getoetst op dierenwelzijn en met oog voor het gelijke speelveld, voort te zetten en is niet voornemens dit beleid af te schaffen.
Vraag 4
Is de minister bereid de juridische analyse en de mogelijkheid de verzekering op te zeggen inzake het EKV-project in Mozambique openbaar te maken?
Antwoord
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 15 december 2023 over de motie Thijssen c.s. heeft Nederland het recht voorbehouden om het LNG-project in Mozambique bij een eventuele hervatting opnieuw te beoordelen op financiĆ«le, milieu en sociale en veiligheidsrisicoās.
Juridische adviezen kunnen niet openbaar worden gemaakt, aangezien dit de juridische positie van de Staat duidt en openbaarmaking daarvan het belang van de Staat kan schaden. Het kabinet zal de Kamer, zoals ook aangegeven in deze Kamerbrief, binnen de geldende juridische en commerciƫle randvoorwaarden, zo goed mogelijk informeren over de herbeoordeling van het project door Atradius Dutch State Business en de beslissing van de Staat hierop.
Vragen van het lid Baudet (FVD)
Vraag 1
Is de minister zich zelfs maar vagelijk bewust van de tirannieke implicaties die de Sustainable Development Goals in zich dragen? Begrijpt de minister dat het onderliggende filosofische kader van al zijn beleid gebaseerd is op niets minder dan ordinair neocommunisme, socialisme en liberalisme?
Antwoord
De Sustainable Development Goals (SDGās) zijn 17 doelen gericht op armoedebestrijding en duurzaamheid voor een toekomstbestendige wereld in 2030. Alle nationale overheden, inclusief die van Nederland, steunen deze agenda. Het betreft een vrijwillige agenda die overheden, bedrijven en andere organisaties uitnodigt een bijdrage te leveren aan de diverse doelstellingen, ook op nationaal en lokaal niveau. Het gaat in de kern om veiligheid, welzijn en welvaart. De conclusies die Kamerlid Baudet hieraan verbindt, herken ik niet en staan ook niet in de doelen.
Vragen van het lid Stoffer (SGP)
Vraag 1
De aangenomen motie van Thijssen over het maximeren van asielkosten die worden toegerekend aan het ODA budget wordt niet uitgevoerd. Kan de minister zich in lijn met deze motie inzetten dat het ODA budget niet nog verder wordt aangetast bij toekomstige tegenvallers?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 1 van de fractie GL-PvdA en vraag 1 van fractie DENK.
Vraag 2
Veel meer spanningen in ontwikkelingslanden hebben te maken met drie factoren van leefbaarheid: water, klimaat en voedselzekerheid. Een goede watervoorziening, klimaatadaptatie en daarmee een betere voedsel oogst is cruciaal om een regio leefbaar te houden en te laten bloeien. Kan de minister het onderwerp water, klimaat en voedselzekerheid meer in samenhang bezien en waar het voor een efficiƫntieslag helpt - en beter lokaal aansluit - met ontwikkelingsorganisaties en bedrijven samenwerken?
Antwoord
Deze themaās hangen in de lokale praktijk inderdaad nauw samen. De BHOS-programmaās op het gebied van water, voedselzekerheid en klimaat zetten daarom, waar relevant in de lokale context, in op die samenhang. Daarnaast is het voor Nederland van belang dat wereldwijd wordt gewerkt aan het tegengaan van klimaatverandering. Nederland heeft nu al te maken met warmer weer, meer extreme neerslag en een stijgende zeespiegel. Wereldwijde klimaatafspraken zijn enkel mogelijk met de steun van alle landen, ook de allerarmste, die lijden onder de gevolgen van klimaatverandering. Het kabinet ziet de internationale programmaās op water, voedselzekerheid en energie daarom in samenhang met het Nederlands belang in het voorkomen van verdergaande klimaatverandering.
Vraag 3
Kan de minister zich inzetten om financiĆ«le regelingen voor NGOās en lokale organisaties in ontwikkelingslanden beter toegankelijk en eenvoudiger te maken? (bijvoorbeeld klimaatdashboard voor klimaatfinanciering)
Antwoord
Onderdeel van de Internationale Klimaatstrategie van het kabinet is dat Nederland werkt aan oplossingen die passen bij de lokale context. Het kabinet besteedt aandacht aan de toegankelijkheid van klimaatfinancieringsinstrumenten voor lokale maatschappelijke organisaties en voert daarover ook graag het gesprek met Nederlandse Ć©n lokale NGOās in Nederland en daarbuiten. Het kabinet maakt financiering ook toegankelijk voor lokale organisaties en bedrijven, bijvoorbeeld via subsidieprogrammaās zoals Power of Voices en Leading from the South. Lokale organisaties en bedrijven worden bijvoorbeeld ondersteund via programmaās zoals het ProARIDES , een 10-jarig landbouw-voedsel programma van EUR 100 miljoen uitgevoerd door SNV, CARE, KIT en WUR met inzet van Nederlandse kennis en kunde. Het programma richt zich op het versterken van de weerbaarheid en voedselzekerheid van kleinschalige boeren en veehouders in Sahel. In 2023 bereikte het programma ruim 14.000 boeren met activiteiten zoals het diversifiĆ«ren van gewassen, water management en het gebruik van betere zaden. Een ander voorbeeld van samenwerking met lokale organisaties is een programma voor voedselzekerheid. In bijvoorbeeld Oeganda en Burundi werken verschillende lokale organisaties aan het oplossen van landconflicten en de registratie van landeigendom ook vooral voor vrouwen.
Vraag 4
Hoe kan de minister de bestaande financiering voor water, klimaat en voedselzekerheid zo toegankelijk en transparant mogelijk kunnen maken voor NGOās?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 3.
Vraag 5
De SGP heeft zorgen over SRGR programmaās die inzetten op geboortebeperking, lagere geboortecijfers en operaties om tijdelijk en permanent onvruchtbaar te maken. Het wordt aangekleed als keuzevrijheid vergroten en mogelijkheden bieden, maar hier gaat de overheid te ver in wezenlijke keuzes van man en vrouw.
Kan de minister deze programmaās onderzoeken en stopzetten?
Kan de minister SRGR programmaās doorlichten en kijken of er nog bij andere programmaās expliciet als Nederlands doel wordt gesteld geboortecijfers verlagen en daarover aan de Kamer berichten?
Antwoord
Nederland houdt in de gaten dat de inzet die wordt gepleegd plaatsvindt op basis van afspraken die landen zelf zijn aangegaan, binnen geldende wetgeving van die landen en conform de richtlijnen van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Nederland legt niet iets op. Geboortebeperking is geen doelstelling van de programmaās. Het Nederlandse beleid streeft naar het vergroten van keuzevrijheid: waarborgen dat mensen zelf kunnen bepalen of, wanneer en met wie ze kinderen krijgen. Als vrouwen betere toegang hebben tot voorbehoedsmiddelen leidt dit vaak tot minder kinderen. Dit geldt vooral voor lage inkomens landen waar het aanbod van voorbehoedsmiddelen vaak achterblijft bij de vraag.
Vragen van het lid Eerdmans (JA21)
Vraag 1
Kan JA21 uit de brief van 3 november afleiden dat de gezamenlijk met het lid Wilders ingediende motie inzake het aanwijzen van een rapporteur die kan onderzoeken welke landen in aanmerking kunnen komen voor een partnerschap voor opvang van asielzoekers, niet wordt uitgevoerd door het kabinet en er door het kabinet geen stappen worden ondernomen voor asielopvang buiten Nederland?
Antwoord
Zoals de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uw Kamer maandag heeft laten weten interpreteren wij de motie als kabinet op zoān manier dat we bij de uitvoering ervan binnen de internationale verdragen en EU-recht blijven. Het kabinet heeft meermaals met andere lidstaten gesproken over het verplaatsen van asielopvang en procedures naar derde landen en andere vormen van partnerschappen. Deze gesprekken blijven gevoerd worden. Ten aanzien van de rapporteur is het kabinet van mening dat een verkenning van dergelijke partnerschappen aan de ambtsopvolgers is. Voor verder toelichting moet u bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn.
Vraag 2
Kan de minister aangeven hoe de gesprekken, over het outsourcen van asielopvang in veilige landen buiten Europa conform motie Eerdmans, lopen met Deense collegaās? Wat hebben die gesprekken opgeleverd? Welke elementen uit het Deense systeem zijn voor NL bruikbaar?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 1.
Vraag 3
JA21 steunt de lijn van het kabinet om de financiering aan UNRWA op te schorten. Wij vragen ons af hoe Hamas nog meer is doorgevroten binnen de UNRWA. Heeft de minister contact met de Israƫlische ambassade in Nederland op dit dossier en zo ja, wat komt daaruit naar voren?
Antwoord
Nederland heeft contact met de Israƫlische autoriteiten over de situatie in Gaza. Het besluit tot het opschorten van verdere financiering aan UNWRA is een autonoom besluit geweest.
Vraag 4
In het 2020 rapport van de VN werd duidelijk dat per jaar USD 90 mld door Afrikaanse elites wordt weggesluisd naar belastingparadijzen. Zembla toonde dat EUR 40 mln van Nederlands geld voor opbouw van rechtsstaat geen enkel effect heeft gehad. Er worden miljarden weggesluisd. In hoeverre doet het ministerie aan controle, dubbelchecks en sancties inzake ontwikkelingsgelden?
Antwoord
Een correcte besteding van de financiële middelen die Nederland beschikbaar stelt is een eis die vastgelegd is in de contracten die het ministerie met uitvoerende partijen afsluit. Contractueel wordt met alle partnerorganisaties vastgelegd dat financiële middelen in lijn met het afgesproken voorstel en budget worden uitgevoerd. Daarbij dient bij alle contracten met een bijdrage hoger dan EUR 5 mln. jaarlijks een financiële audit (door een onafhankelijke auditor) overlegd te worden. Contractueel heeft het ministerie bovendien altijd het recht de financiering te verminderen of voortijdig te beëindigen, de overmaking van tranches op te schorten of de reeds overgemaakte middelen geheel of gedeeltelijk terug te vorderen indien de contractpartij haar verplichtingen niet of niet tijdig nakomt of de middelen gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het ministerie ze beschikbaar heeft gesteld. Bij een vermoeden van misbruik van financiële middelen hanteert het ministerie een zero-tolerance for inaction beleid ten aanzien van fraude en corruptie. Dit houdt in dat het ministerie verwacht dat ieder gefundeerd vermoeden van fraude en/of corruptie wordt onderzocht, dat het ministerie hierover op zo kort mogelijk termijn wordt geïnformeerd en dat, waar mogelijk, passende maatregelen worden genomen. Wanneer het Expertisecentrum Malversaties van het ministerie, op basis van een (forensisch- of accountants-) onderzoek, moet constateren dat een fraudemelding gegrond is, worden stappen genomen om de financiële schade niet ten laste te laten komen van de begroting van het ministerie. Dit kan bijvoorbeeld door het in gang zetten van een terugvorderingsprocedure, het lager vaststellen van een subsidie, of door de contractpartij de financiële schade te laten dekken uit eigen middelen.