Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit en het Diergezondheidsfonds op 31 januari 2024
Brief regering
Nummer: 2024D03485, datum: 2024-02-01, bijgewerkt: 2024-02-19 10:56, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P. Adema, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
- Mede ondertekenaar: C. van der Wal, minister voor Natuur en Stikstof
Onderdeel van zaak 2024Z01560:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2017-2024)
- Stemmingen en besluiten:
- 2024-02-27 16:00 ā Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2024-02-07 11:15 ā Reeds betrokken bij de begrotingsbehandeling LNV 2024. (Besluit)
- 2024-02-01 11:00 ā Behandeld. (Besluit)
- 2024-02-01 11:00: Begroting Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (36410-XIV) antwoord 1e termijn + rest (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2024-02-07 11:15: Procedurevergadering commissie LNV (Procedurevergadering), vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2017-2024)
- 2024-02-27 16:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (š origineel)
Geachte Voorzitter,
Hierbij stuur ik uw Kamer de antwoorden op een deel van de vragen die leden van
uw Kamer hebben gesteld in de eerste termijn van de behandeling van de
begroting van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Diergezondheidsfonds
voor het jaar 2021.
De resterende vragen worden beantwoord tijdens eerste termijn kabinet.
Piet Adema
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Christianne van der Wal-Zeggelink
Minister voor Natuur en Stikstof
Schriftelijke beantwoording van gestelde vragen in de eerste termijn van de behandeling van de begroting van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2023.
Hieronder treft uw Kamer de beantwoording van een selectie van de gestelde vragen per woordvoerder. De gestelde vragen zijn schuin weergegeven en mijn reactie staat eronder. De overige gestelde vragen worden mondeling beantwoord.
PVV
Hoe gaat de minister voorkomen dat er een ongelijk speelveld (tussen goedkope import en eigen productie) ontstaat bij de aanschaf van eerste levensbehoeften?
De prijzen van eerste levensbehoeften, zoals eten, komen tot stand door een groot aantal factoren, waaronder voedselveiligheid, arbeidsproductiviteit, energiekosten en natuurlijke omstandigheden. Deze factoren zijn continu in beweging, gerelateerd aan de markt, en daarmee gevoelig voor concurrentie.
De Europese Unie beschermt de eigen gevoelige landbouwproductie tegen import uit derde landen waar nodig met een stelsel van importtarieven en quota. Hiermee wordt een meer gelijk speelveld voor concurrerende producten gecreƫerd op de interne markt. Dit stelsel van importtarieven, in afstemming met andere WTO-leden, past binnen de WTO-afspraken.
Daar waar het gaat om lagere productiestandaarden in derde landen, zet het kabinet via het multilaterale spoor en handelsverdragen in op verhoging van standaarden. Ook kan de EU, onder bepaalde voorwaarden, autonome maatregelen treffen. In het verlengde van de ontbossingsverordening zijn andere autonome maatregelen denkbaar mits deze conform de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) zijn. De maatregelen moeten concreet zijn, er moet gekeken worden naar de technische en economische haalbaarheid van controlemechanismen en er moet een duidelijk doel zijn waar de voorgestelde maatregel ook aantoonbaar aan bijdraagt.
Kent de minister de pilot in Overijssel rond drie Natura 2000-gebieden als het gaat om de ecoregeling? Kan de minister reflecteren op de leerpunten van deze pilot?
De rapportage van de GLB-pilot Boeren binnen en nabij Natura 2000-gebieden in Overijssel is bekend bij mij. De aanbeveling over het breed gedragen gebiedsproces is vooral voor de regionale overheden van belang.
De aanbeveling om agrariërs voldoende mogelijkheden te bieden om te extensiveren past bij de landelijke GLB-NSP-regeling voor extensivering van melkveebedrijven in en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze regeling is op 1 november 2023 gepubliceerd. Vanaf 1 mei 2024 is de eerste openstelling met een budget van ⬠105 miljoen. Dit kan een opstap of versterking zijn naar bijvoorbeeld een biologische of biodynamische bedrijfsvoering, net zoals het landelijke omschakelprogramma.
Het ondersteunen van beleidskeuzes wordt vooral door delen van kennis en advisering gedaan; voorbeelden hiervan zijn de SABE-regeling en de Fieldlabs. In het rapport wordt geen aanbeveling over de GLB-ecoregelingen gedaan.
Ik hoor graag hoe de minister denkt aan te kunnen tonen hoe de extra 250 meter derogatievrije zones tot een significante verbetering van doelbereik kan leiden. Kan de minister toezeggen om de bufferzones nog niet in te voeren?
Met de aanwijzing van de derogatievrije zones rond Natura 2000-gebieden geef ik uitvoering aan de verplichting in de derogatiebeschikking, waarin is opgenomen dat met ingang van 1 januari 2024 ook geen derogatievergunning meer mag worden verstrekt voor percelen die binnen een zone liggen rondom de grens van een Natura 2000-gebied waar de kritische stikstofbelasting voor stikstofdepositie wordt overschreden. In mijn Kamerbrief van 5 december jongstleden heb ik toegelicht dat ik op basis van een advies van Wageningen Environmental Research ben gekomen tot een afstand van 250 meter. In dit onderzoek is vastgesteld dat een verminderde uitstoot van stikstof door veldemissies effect heeft op de depositie in het naburige Natura 2000-gebied (Kamerstuk 33 037, nr. 521).
De derogatievrije zones zijn geregeld in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, die op 19 december 2023 is gepubliceerd en per 1 januari 2024 in werking is getreden. Ik kan niet toezeggen deze zones niet in te voeren, aangezien deze voortvloeien uit een verplichting in de (rechtstreeks werkende) derogatiebeschikking (artikel 4, derde lid van de beschikking).
Kan de minister aantonen dat de garnalennetten van significante invloed zijn op het bodemleven?
Voor een natuurvergunning moeten de vissers zelf middels een Passende Beoordeling aantonen dat er geen schadelijke effecten op het bodemleven zijn. Dat moeten zij doen op basis van de best beschikbare wetenschappelijk kennis en inzichten. De minister voor Natuur en Stikstof beoordeelt opvolgend die effectanalyse en onderbouwt in de motivering van het besluit of er wel of geen significante effecten zijn aangetoond op het bodemleven.
Zoals gezegd zal de minister voor Natuur en Stikstof een integrale afweging maken waarbij āeffect op bodemberoeringā een van de aspecten is waarop aan de hand van de Passende Beoordeling de impact beoordeeld wordt. Daarbij kan het zo zijn dat de minister aanvullende mitigerende maatregelen vereist als vergunningvoorwaarden.
Wageningen University & Research (WUR) heeft onlangs een inventarisatie gemaakt van alle beschikbare wetenschappelijke kennis over de impact van garnalenvisserij. Voor wat betreft de bodemberoering komen ze op basis daarvan tot de conclusie dat niet met zekerheid is te stellen dat er geen significante effecten zijn. In de verdere beleidsvorming voor de garnalenvisserij zal deze kennis worden meegenomen.
De PVV wil niet 'three strikes out' maar 'one strike out' als het gaat om zware dierenmishandeling, ook voor particulieren. Gaat de minister gezamenlijk met de minister van Justitie en Veiligheid actie ondernemen?
Dit jaar is de wet in werking getreden om houders van dieren die regels overtreden steviger aan te pakken. De rechter kan hen een houdverbod opleggen als zij veroordeeld worden voor dierenmishandeling, maximaal levenslang. Het is in die gevallen aan de rechter om af te wegen wat een passende straf is. Daar worden alle relevante omstandigheden bij betrokken, ook de ernst van het strafbare feit. Ook voor slachthuizen geldt dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij een zware dierenmishandeling de erkenning onmiddellijk kan schorsen, dat kan dus ook al na ƩƩn strike zijn.
Kan de minister aangeven hoe het staat met het invoeren van een DNA-databank?
De Kamer heeft in april 2022 twee onderzoeksrapporten over DNA-databanken ontvangen. In ƩƩn van deze rapporten wordt geschetst wat de randvoorwaarden en kosten voor een DNA-databank voor honden zouden zijn. Hieruit blijkt dat de eventuele implementatie veel voeten in de aarde heeft en zeer kostbaar zal zijn.
In het andere rapport wordt geschetst hoe een DNA-databank zou kunnen bijdragen aan het terugdringen van bijtincidenten. Hieruit blijkt niet in welke mate een DNA-databank bijdraagt aan de verschillende hond-gerelateerde problemen.
Bovendien is onvoldoende duidelijk in hoeverre de geschetste problemen kunnen worden ondervangen door minder ingrijpende maatregelen, zoals uitbreiding van de registratie en/of incidentele DNA afname. Het voorstel is daarom om eerst de effecten van andere maatregelen af te wachten, maar we blijven ontwikkelingen op dit gebied monitoren en blijven in gesprek met de betrokken partijen.
Hoe zit het met de export van zeeleeuwen, dolfijnen en walrussen?
Ook vroeg het lid Graus naar de export van zeeleeuwen, dolfijnen en walrussen. De minister van LNV kan de export niet verbieden zolang het Dolfinarium zich aan de geldende wet- en regelgeving houdt. Een eventuele motie zal ik dus ontraden.
Het Dolfinarium moet voldoen aan veterinaire en CITES-regelgeving, en er worden eisen op het gebied van dierenwelzijn gesteld. Zo moeten de dieren gezond zijn voordat ze op transport kunnen en voldoen aan de gezondheids- en importeisen van het land van bestemming. Het transport zelf moet vanuit de CITES-regelgeving voldoen aan de IATA-dierenwelzijnseisen. Ook moet, voor beschermde soorten, de legale herkomst van de dieren worden aangetoond om illegale handel te voorkomen.
Het dierenwelzijn heeft mijn volle aandacht. Het Dolfinarium moet aantonen dat het welzijn van de dieren in China geborgd is. Daarom toets ik of het houden, huisvesten en verzorgen van de dieren in China voldoet aan de Nederlandse standaarden. Het Dolfinarium heeft mij hier nog niet van overtuigd. Daarom kunnen de dieren nog niet verhuizen.
Waar blijft de positieflijsten voor vogels, amfibieƫn en reptielen? En worden bij het opstellen van deze lijst deskundigen betrokken?
Momenteel vindt de implementatie van de huis- en hobbydierenlijst voor zoogdieren plaats. Dit complexe proces wordt eerst afgerond, voordat een keuze wordt gemaakt voor het vervolg van het ontwikkelen van andere positieflijsten. Wetenschappelijke deskundigen zullen bij het maken van deze lijsten betrokken worden, net zoals bij de huis- en hobbydierenlijst is gedaan.
Hoe staat het met de gevraagde veldproeven met betrekking tot mobiele dodingsunits, onder andere met karkasvervoer?
Het lid Graus vraagt naar de veldproeven voor de Mobiele Dodingsunit (MDU). Hij refereert hier waarschijnlijk aan de pilot met de MDU die gehouden is in de periode december 2018 ā april 2020. Op basis van de veldproeven heeft BuRO van de NVWA de risicoās voor dierenwelzijn en voedselveiligheid inzichtelijk gemaakt en is advies opgesteld voor het veilig gebruik van de MDU.
Ik hecht er waarde aan dat de MDU ingezet wordt. Het is een goede manier om dieren die niet transportwaardig, maar wel slachtwaardig zijn te verwaarden. Bij de NVWA is toezichtscapaciteit beschikbaar voor de MDU. Karkasvervoer is toegestaan onder strikte voorwaarden van voedselveiligheid.
Hoewel beschikbaar wordt momenteel de MDU niet ingezet door de slachthuizen. De kosten en de voorwaarden die volgens de Europese regelgeving moeten gelden, zijn drempels voor het gebruik van de MDU.
Boer Klaasens (Twan Claessens) heeft een track-and-trace-systeem voor varkens; kan de minister daarop reageren?
Initiatieven zoals die van Twan Claessens zijn interessant en kunnen mogelijkheden bieden voor de sector. Ambtenaren van LNV en de NVWA zijn op bezoek geweest om geĆÆnformeerd te worden over het systeem. Door verbeterde monitoring biedt het mogelijk perspectieven om de carbon footprint te verlagen, track & trace en diergezondheid/dierenwelzijn te verbeteren. Daarnaast zou het kunnen bijdragen aan de transitie van fysieke naar digitale inspecties in toezicht en handhaving door NVWA. Het systeem kent ook nog wel de nodige uitdagingen die verder uitgedacht en ontwikkeld moeten worden. De mogelijkheden die het systeem kan bieden, worden nu nader verkend door de NVWA, ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten hiervan. Op deze wijze geef ik uitvoering aan de motie Graus (Kamerstuk 29 683, nr. 277).
De PVV wilt een pilot met valwanden maar ook stable safe zodat dieren kunnen vluchten bij stalbranden. Hoe staat het daarmee? Graag ook reactie op luchtwassers.
De Kamer is op 25 januari jl. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 23) geĆÆnformeerd over de stand van zaken van de aanpak van stalbranden en de resultaten van het onderzoek van Wageningen University & Research naar schadebeperkende maatregelen.
In dit onderzoek is onder andere gekeken naar de effectiviteit van maatregelen die de overlevingskans van dieren kunnen vergroten. Uit dit onderzoek blijkt dat het evacueren van dieren in veel gevallen niet mogelijk is, omdat dieren in de intensieve veehouderij over het algemeen niet zelfredzaam zijn. WUR concludeert daarnaast, voor zowel het Stable Safe systeem als voor valwanden, dat de effectiviteit van beide systemen in de praktijk niet duidelijk is. Specifiek voor valwanden geldt daarnaast dat deze met een geautomatiseerd meldings- en detectiesysteem moeten worden gecombineerd en dat dit systeem bouwkundig complex is.
Volgens WUR dient de brandveiligheid van een stal integraal benaderd te worden, aangezien hier veel verschillende factoren op van invloed zijn. Daarom wordt ingezet op de ontwikkeling van een denkkader āBasis voor brandveiligheidā specifiek voor het bedrijfsmatig houden van dieren. Aan de hand van dit denkkader kan inzichtelijk gemaakt gaan worden met welke maatregel of combinatie van maatregelen voor een specifieke stal het meeste effect wordt bereikt om die stal integraal brandveiliger te maken.
WUR heeft in het onderzoek breed gekeken naar factoren die van invloed zijn op brandveiligheid. Uit het onderzoek blijkt dat er veel verschillende factoren, waaronder elektrische installaties en technieken, van invloed zijn op de brandveiligheid. In dat kader worden ook luchtwassers genoemd. Het risico op het ontstaan van brand door luchtwassers is niet hoger in vergelijking met andere elektrische installaties. Wel kan de aanwezigheid van een luchtwasser er voor zorgen dat een brand zich snel door de hele stal kan verspreiden, omdat bij gebruik van een luchtwasser een centraal luchtkanaal in de stal nodig is. Dit is dan ook een factor die meegewogen zal worden in de integrale beoordeling van de brandveiligheid van stallen aan de hand van het te ontwikkelen denkkader.
Er moet een einde komen aan dierenleed in Oostvaardersplassen. Als Staatsbosbeheer dit niet verbeterd dan moet we de subsidies korten. Hoe ziet de minister dat?
Om te beginnen wijs ik erop dat het Rijk geen subsidie verstrekt voor het beheer van de Oostvaardersplassen. Zoals ook bij andere natuurgebieden het geval is, ontvangen beheerders zoals Staatsbosbeheer beheersubsidies van provincies (SNL).
Het beleid voor de Oostvaardersplassen is erop gericht de Natura 2000-doelen voor vogelsoorten te halen. De provincie Flevoland is beleidsverantwoordelijk. Het beleid wordt uitgevoerd binnen de hoofddoelstelling van het Natura 2000-gebied. Dat wordt gedaan met inachtneming van en aandacht voor dierenwelzijn. Staatsbosbeheer is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit beleid, in lijn met het door de Provinciale Staten van Flevoland in 2021 vastgestelde beheerplan. Het is aan de provincie om op deze afspraken met Staatsbosbeheer te sturen.
Kan de minster gezamenlijk met de minister van JenV ervoor zorgen datin gevallen van huiselijk geweld ook de dieren in veiligheid gebracht worden?
Het klopt dat huiselijk geweld en dierenmishandeling helaas vaak samengaan. Ik deel het punt van het lid Graus dat het belangrijk is om aandacht te hebben voor dierenwelzijn in gevallen van huiselijk geweld. Ik zeg aan het lid Graus toe dat ik hiervoor aandacht zal vragen bij de minister van Justitie en Veiligheid, waar de verantwoordelijkheid voor de (dieren-)politie is ondergebracht.
Er moet iets gebeuren met het 144-nummer, want ze kunnen het werk niet aan. Ze moeten een 24/7 meldpunt worden met verplichte opvolging voor dierenambulance, dierenpolitie, landelijke inspectie en dierenwelzijnsteams. Hoe staat het ministerie daar tegenover?
Er is sprake van een grote toename van het aantal meldingen in 2023. Het is een goede zaak dat burgers het meldpunt goed kunnen vinden. Het meldpunt 144 valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Zij werken sinds oktober 2023 met een nieuwe werkwijze binnen de capaciteit die bij de politie beschikbaar is. Dat betekent een minder intensieve inzet van het meldpunt. Deze nieuwe werkwijze heeft een proefperiode van een half jaar die afloopt in maart 2024. De proefperiode zal daarna worden geƫvalueerd. Na de evaluatie van de proefperiode wordt de situatie opnieuw bezien. Daarbij wordt ook bekeken of het meldpunt 24/7 beschikbaar moet zijn. De meldingen worden doorgezet naar de handhavende diensten of de dierenambulance, die zelf beoordelen hoe ze de melding opvolgen.
Honden moeten sneller uit hun lijden worden verlost, kan de opslagtijd worden ingekort? Hondencampus (nationaal expertise centrum) heeft een pilot lopen, hoe staat het daarmee? Graag een reactie van de minister.
EƩn van de vijf voorgestelde maatregelen tegen bijtincidenten door honden (Kamerstuk 28 286, nr. 1322) ziet op het zo kort mogelijk houden van de opslagtijd voor honden en euthanasie zodra duidelijk is dat een hond niet kan terugkeren in de maatschappij. Bij de uitwerking van deze maatregel zal in overleg met het Openbaar Ministerie gekeken worden welke stappen nodig zijn om dit te realiseren. Daarnaast werkt de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aan het verfijnen van de behandelprotocollen van in beslag genomen honden, waarin ook aandacht is voor tijdige euthanasie.
Het is daarnaast van belang om het welzijn van de honden in de opslag te waarborgen en de honden die wel kunnen terugkeren in de maatschappij op een verantwoorde manier te rehabiliteren. Hiertoe is de pilot landelijk expertisecentrum complexe honden uitgevoerd door de Hondencampus. Het rapport met daarin een huisvestings- en behandelingsprotocol voor in beslag genomen honden na een bijtincidenten wordt momenteel afgerond. Op basis van de resultaten van de pilot zal worden bezien of, en zo ja, hoe deze pilot vervolg kan krijgen.
Quotum geredde dieren mag maar 5% zijn (huilbaby's). Alle dieren moeten worden opgevangen. Kan de minister daarop reageren?
Op basis van het advies van de Wetenschappelijke Adviescommissie Zeehondenopvang (Kamerstuk 28 286, nr. 970) is in juni 2020 met betrokken partijen het Zeehondenakkoord opgesteld (Kamerstuk 28 286, nr. 1105). In lijn met het advies van de Wetenschappelijke Adviescommissie wordt de streefwaarde van 5% van de maximale aanwas (per jaar en per soort) door partijen van het Zeehondenakkoord aangehouden.
Kan de minister reageren op het rapport van HAS?
Het rapport āDe complexe hond in de Nederlandse opvang - Een onderzoek naar de noodzaak en haalbaarheid van een landelijk expertisecentrum voor complexe hondenā is op 24 september 2020 met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstuk 28 286, nr. 1126). De pilot landelijk expertisecentrum complexe honden, welke is uitgevoerd door de Hondencampus, had als doel om de aanbevelingen uit dit onderzoek in de praktijk te testen. Het rapport van deze pilot wordt momenteel opgesteld en zal ik zo spoedig mogelijk met de Tweede Kamer delen.
We willen certificering van hondenscholen en gedragsdeskundigen. Kan de minister daarop reageren?
Onvoldoende hondenkennis bij hondeneigenaren is ƩƩn van de belangrijkste factoren bij het ontstaan van bijtincidenten. Een verplichte cursus voor alle hondeneigenaren is dan ook een van de voorgenomen vijf maatregelen om bijtincidenten aan te pakken, die ik in december 2023 aan de Kamer heb voorgelegd (Kamerstuk 282 86, nr. 1322).
Het is belangrijk dat het niveau van de aanbieders van deze (praktijk)trainingen, zoals hondenscholen en gedragsdeskundigen, goed is. Hoe de kwaliteit kan worden gewaarborgd en of certificering daar het juiste instrument voor is, zal bij de uitwerking van deze maatregel worden meegenomen.
Er is tegenstand van de lokale bevolking bij het terugbrengen van de populatie Damherten van de Hoeksche Waard naar nul. Kan de minister daarop reageren?
Damherten horen bij de Nederlandse natuur en veel mensen beleven plezier aan de aanwezigheid van damherten. Deze dieren zijn dan ook wettelijk beschermd. Alleen wanneer er een belangrijke noodzaak toe is, mag in de populatie worden ingegrepen. Het doden van dieren is in dat geval altijd een laatste redmiddel.
De bevoegdheid voor besluitvorming over het beheer van damherten ligt bij de provincie. De provincie is daarbij gehouden aan kaders die landelijk zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Daarin is vastgelegd hoe een besluit tot het doden van dieren tot stand komt en op welke manier de provincie zoān besluit moet onderbouwen.
Voor besluitvorming over beheer van damherten in de Hoeksche Waard is de provincie Zuid-Holland bevoegd gezag. De provincie heeft besloten de populatie in de Hoeksche Waard tot nul terug te brengen. De provincie maakt hierin een gedegen afweging tussen enerzijds de bescherming van herten, en anderzijds het belang van bescherming over flora en fauna, verkeersveiligheid en landbouwschade: de overpopulatie van de damherten zorgt voor overbegrazing van de natuur, leidt tot landbouwschade en kan een risico vormen voor de verkeersveiligheid. Hierover is de provincie al langdurig met alle partijen in gesprek. Ook heeft de provincie ecologische onderzoeken laten uitvoeren ter onderbouwing van het beleid. Al met al is het belangrijk dat de belangen van alle partijen zorgvuldig worden meegenomen en afgewogen. Na onafhankelijk advies heeft de provincie Zuid-Holland besloten dat het, ook met het oog op dierenwelzijn, de juiste optie is om de verwilderde populatie binnen 5 jaar tot 0 te brengen: Om ervoor te zorgen dat de populatie niet meer groeit, zal er ieder jaar afschot moeten plaatsvinden. De provincie kiest ervoor om in een korte tijd deze damherten te laten doden, in plaats van ieder jaar opnieuw. Volgens de deskundigen zou anders na verloop van tijd inteelt kunnen ontstaan, ook als de groep klein wordt gehouden. Dat zou voor gezondheidsproblemen zorgen.
De PVV wil geen nieuwe Regeling Agressieve Dieren (RAD). We moeten de fokkers aanpakken. Graag een reactie.
Ik sta ook geen nieuwe RAD voor, maar juist een evenwichtige mix van maatregelen om bijtincidenten aan te pakken. Op 18 december 2023 is de Kamer hierover geĆÆnformeerd (Kamerstuk 282 86, nr. 1322). Deze voorgenomen maatregelen zijn: 1) verbieden van hoog-risicohonden zonder stamboom, 2) vergroten van kennis bij eigenaren, met een verplichte cursus, 3) instellen van een landelijk meldpunt en volledigere registratie, 4) landelijk geldende muilkorf- en aanlijnplicht voor honden die risicovol gedrag vertonen en 5) euthanasie van honden die ernstige schade hebben toegebracht.
Anders dan bij de RAD ligt de nadruk van deze maatregelen niet op het verbieden van hondenrassen. De nadruk ligt op fokkers die honden fokken met een stamboom, omdat hier een goede herkomst, goede socialisatie en een goede match tussen dier en eigenaar is gewaarborgd. Daarnaast is de kennis van de eigenaar ten aanzien van de behoeften en lichaamstaal van de hond is belangrijk. Uit onderzoek blijkt dat als het niet goed zit met een van deze factoren, het risico op een incident toeneemt.
Er moet een dierenautoriteit komen voor handhaving. Graag een reactie van de minister.
De handhaving van wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet dieren is verspreid over verschillende diensten. De Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn (LID), Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), de politie en het Openbaar Ministerie (OM) hebben hier allemaal een rol in. Al deze organisaties werken in goed overleg en in afstemming met elkaar samen. Er is daarom geen noodzaak om met een aparte dierenautoriteit te komen, waar al deze partijen onder vallen. Wij zullen in gesprek gaan met de partijen om de huidige samenwerking te evalueren en waar nodig te optimaliseren.
VVD
Waar blijft de reactie op de motie met de oproep voor een Brussel-strategie?
De door u aangehaalde motie riep op om met de begroting LNV een Brusselstrategie te delen met de Kamer. In het Commissiedebat op 17 januari jl. over de Landbouw- en Visserijraad heb ik, in reactie op vragen van de Kamer hierover, toegezegd om de brief over de LNV-inzet in de EU voor het SO Landbouw- en Visserijraad in februari aan uw Kamer te sturen met een inspanningsverplichting om dit voor de begrotingsbehandeling te doen (TZ202401-020). Het laatste is helaas, vanwege de benodigde afstemming, niet gelukt. Ik ben daarom, conform mijn toezegging, voornemens om de brief voorafgaand aan het SO Landbouw- Visserijraad in februari aan uw Kamer te sturen.
Innovatie voor vissers: Kan Nederland met Spanje, Frankrijk en Italiƫ optrekken om innovatie in de visserijsector mogelijk te maken?
Innovatie is van belang voor een toekomstbestendige visserijsector en hier wordt op allerlei manieren al hard aan gewerkt. Zo is in Nederland het Visserij Innovatie Netwerk (VIN) opgericht waarin betrokken ondernemers en partijen elkaar regelmatig treffen om zo innovatie te stimuleren. Om innovaties in Europees verband meer kansrijk te kunnen laten zijn, is het nodig meer in Europees verband op te trekken op het gebied van innovatie. Het voornemen is om vanuit de Nederlandse ervaringen van het VIN de komende tijd te gaan verkennen of er bij lidstaten belangstelling is voor verdere samenwerking. Hierbij zal gekeken worden naar aansluiting bij al bestaande initiatieven.
Gezien de relatief kleine sector is internationale samenwerking van groot belang. Ik zet me er daarom voor in om innovatie in Europees verband vorm te geven. Het voorstel van de VVD zal worden bestudeerd en zo mogelijk hierbij betrokken worden.
Hoe kijkt de minister naar het voorstel van het thematisch netwerk van de VVD voor een afrekenbare stoffenbalans?
Doelsturing is inderdaad een belangrijk thema om aan te werken. Daarom werkt het ministerie van LNV, samen met externe partijen, momenteel hard aan het vormgeven van doelsturing. Het kabinet heeft hiervoor ⬠10 miljoen toegevoegd aan de LNV-begroting. Het denken over een stoffenbalans en de uitwerking daarvan ā en op termijn de eventuele afrekenbaarheid - maakt daar onderdeel van uit. Ook wordt geĆÆnvesteerd in het doorontwikkelen van de data-infrastructuur, de KPI-systematiek, het bedrijfsspecifiek meten van stalemissies en het ontwikkelen van overige technieken voor verdere borging en verfijning van bedrijfsgerichte doelsturing. Soortgelijke maatregelen als KPI, meetnetwerken of doelsturing zijn ook onderdeel van de aanvraag die de provincies hebben ingediend voor de koploperprojecten juli 2023. Ik heb met interesse kennis genomen van het voorstel van de VVD. Het voorstel van de VVD zal worden bestudeerd en worden betrokken bij de gedachtevorming hierover.
Boeren en tuinders kunnen ook een waardevolle bijdrage leveren aan CO2-reductie. De VVD heeft eerder gevraagd of de procedures voor duurzame initiatieven versneld en vereenvoudigd kunnen worden (Europese richtlijn). Hoe staat met het versnellen van vergunningprocedures voor go-to-areas?
De land- en tuinbouw kan een waardevolle bijdrage leveren aan de oplossingen voor de energietransitie. Een goed voorbeeld hiervan is het convenant glastuinbouw, maar ook de grootschalige opwekking van duurzame energie door veehouders en akkerbouwers.
De minister voor Klimaat en Energie is bezig met het afronden van de analyse waaruit duidelijk moet worden welke wet- en regelgeving nodig is om go-to-areas aan te wijzen. Het is aan het Rijk, maar ook provincies, om te besluiten om specifieke gebieden (inclusief de daarin mogelijke technieken) aan te wijzen (die straks acceleration areas heten). Voor zover de activiteiten van boeren en tuinders daarin passen, kunnen boeren en tuinders projecten ontwikkelen in deze gebieden.
Wat betreft de rol van de land- en tuinbouw in de energietransitie, verkennen EZK en LNV in het kader van het Nationaal Plan Energiesysteem welke rol de land- en tuinbouwbedrijven als aanbieders van duurzame energie kunnen spelen.
GroenLinks/PvdA
Wij zijn enthousiast overhet idee om boeren emissies te laten reduceren. Wij vragen aan de minister hoe het staat met het plan 'Emissiearme Landbouw' om boeren emissies te laten reduceren?
Waarschijnlijk wordt met deze vraag gedoeld op het project āemissiearme bedrijfsvoering voor de grondgebonden melkveehouderijā. Dit project van Boerenverstand en netwerk Grondig wordt uitgevoerd met subsidie van het ministerie van LNV.
Het project heeft een relatie gelegd tussen de ammoniakemissie en het aantal uren weidegang en het ureumgehalte in de melk. Hiermee is een tabel ontwikkeld, zodat de individuele veehouder de emissie uit zijn stal kan uitlezen op basis van het aantal uren weidegang en het melkureumgehalte in de melk. Zo krijgt de veehouder handvatten om met management te sturen op de ammoniakemissie van zijn bedrijf.
Voordat deze tabel gebruikt kan worden in vergunningverlening of regelgeving, wil het ministerie de tabel wetenschappelijk toetsen en onderzoeken of deze ook gebruikt kan worden voor individuele bedrijven. Daarnaast is het van belang de mogelijkheid tot juridische borging te verkennen. Het ministerie van LNV wil de tabel daarom ter beoordeling voorleggen aan de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) en heeft daarvoor nu aanvullende informatie opgevraagd aan het project.
NSC
Innovatie is nodig voor het behalen van de doelstellingen, maar het moet wel houdbare en gecertificeerde innovatie zijn. In de komende 6 jaar moet het geregeld zijn. Graag reactie.
Ik deel het standpunt van het lid Holman. Innovatie is nadrukkelijk een van de sporen en is een essentieel onderdeel voor verdere verduurzaming van de veehouderij is, net zoals extensiveren, omschakelen en verplaatsen. Van belang is dat als er met de inzet van technische innovaties emissies gereduceerd worden dat dit tot daadwerkelijke emissiereductie leidt en dat de daling in ammoniakuitstoot niet teniet wordt gedaan door uitbreiding van dieraantallen.
In de Kamerbrief āvoortgang innovatie emissiereductie veehouderijā van 23 januari jl. (Kamerstuk 28 973, nr. 254) is onder andere uiteengezet welke stappen gezet worden om te komen tot houdbare natuurvergunningen en de inzet om te komen tot een nieuw stelsel voor stalbeoordeling, langs de lijnen van een publiek-private verantwoordelijkheid, een integrale beoordeling van het stalsysteem en emissie-indicatoren, aangevuld met de mogelijkheid tot (continue) metingen van emissies op bedrijfsniveau. Om het continu meten op bedrijfsniveau mogelijk te maken zetten we de nodige stappen. Het protocol stalmetingen, dat op donderdag 25 januari jl. aan ons en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is aangeboden, is daar een voorbeeld van.
Bedrijfsleven, via voorschriften duurzame producten afdwingen, leverancier van grondstoffen dwingen om duurzaam te zijn. Graag reactie.
De verduurzaming van ons voedselsysteem is niet alleen een verantwoordelijkheid van de boer maar nadrukkelijk ook een opgave van het bedrijfsleven in de gehele keten.
Uiteraard geldt dat de overheid wet- en regelgeving toepast op voorschriften voor het bedrijfsleven, bijvoorbeeld op het vlak van importvereisten voor soja, richtlijnen voor dierenwelzijn en regels aan het gebruik van landbouwinputs zoals gewasbescherming. Op het moment dat die wettelijke voorschriften op duurzaamheid worden overschreden dan zal de overheid ook optreden.
Het is cruciaal dat alle schakels in de keten hun verantwoordelijkheid nemen. In het proces van het landbouwakkoord zijn dan ook gesprekken gevoerd met ketenpartijen, over hoe zij hun bijdrage kunnen concretiseren. Daar zijn goede stappen gezet, bijvoorbeeld over een pre-competitieve standaard voor verduurzaming.
Mogelijkheden tot dwingende maatregelen om een dergelijke bijdrage wettelijk te borgen zijn (op de korte termijn) echter beperkt, dat is ook gebleken bij onze ambities rondom het verduurzamen van het diervoer. Gezien de Europese kaders bleek de wettelijke afdwingbaarheid geen optie.
Aan de overlegtafel Duurzame landbouw wordt het gesprek gecontinueerd met voorstellen die de landbouw verder kunnen verduurzamen.
Kan de minister meer vertellen over de aard, omvang van de verschillende projecten van de maatregelpakketten en aangeven hoe deze concreet gaan bijdragen aan de doelen?
In de Kamerbrief die ik op 23 januari 2024 met uw Kamer heb gedeeld, benoem ik dat er maatregelpakketten zijn ingediend op diverse themaās, waaronder bijvoorbeeld KPIās en resultaatsturing, managementmaatregelen, natuurherstel- en beheer en het vasthouden van water. De verhoudingen tussen de themaās heb ik daarbij aangegeven. De omvang van deze maatregelpakketten is verschillend. Ik snap uw vraag om verdere informatie per maatregelpakket. Meerdere provincies (zoals FryslĆ¢n en Zeeland) hebben er in juli 2023 voor gekozen om de maatregelpakketten openbaar te maken. Tegelijk zijn er provincies die ervoor kiezen ingediende (voorlopige) maatregelpakketten en de gevraagde budgetten nog niet openbaar te maken. Gedeputeerde Staten maken hierin, in afstemming met Provinciale Staten, de afwegingen en keuzes. Dat respecteer ik. Ik vind het niet aan mij om informatie zoals de aangevraagde budgetten voor de maatregelpakketten met uw Kamer te delen en daarmee openbaar te maken. Provincies wordt gevraagd om voor 1 april 2024 bijgestelde definitieve maatregelpakketten in te dienen. Deze zullen dan opnieuw integraal worden beoordeeld. Op basis daarvan zal worden besloten over de definitieve toedeling van de middelen. Ik zal u daarover zo spoedig mogelijk informeren.
Ik blijf provincies aanmoedigen om de informatie over hun definitieve maatregelpakketten (en gebiedsprogrammaās) openbaar te maken.
Ik heb onderzoeksinstelling Wageningen Economic Research (WEcR) gevraagd om te beoordelen of het aannemelijk is dat maatregelen bijdragen aan de doelen op het gebied van water, klimaat en natuur. WEcR heeft beoordeeld of de maatregelen low regret zijn. Dit is het geval als de maatregelen een aannemelijke bijdrage hebben aan de NPLG-doelen en als er voldoende sprake is van risicobeheersing (van negatieve effecten op andere NPLG-doelen, neveneffecten en lock-ins).
Wat is de verdeling van ⬠1,28 miljard per provincie en hoe verklaart u de verschillen?
Zie hiervoor de uitgebreide overzichten bij de vragen van de BBB.
Van de ⬠1,28 miljard voor de maatregelpakketten, hoeveel gaat naar Natuur, Landbouw en hoeveel naar de combinatie?
Onderbouwd met de appreciatie van WEcR heeft het kabinet besloten om ⬠1,28 miljard te reserveren voor de financiering van koplopermaatregelen. Dit zijn maatregelen die aannemelijk bij zullen dragen aan doelbereik en daarnaast maatregelen bedoeld om gebiedsprocessen op te kunnen starten. Deze maatregelen vormen de onderbouwing voor de reservering van ⬠1,28 miljard.
Bij deze maatregelen kan grofweg de volgende onderverdeling worden gemaakt:
40% (⬠517 miljoen) is gericht op landbouwmaatregelen.
32% (⬠413 miljoen) is gericht op natuurmaatregelen,
28% (⬠350 miljoen) is gericht op een combinatie van natuur- en landbouw maatregelen, gericht op drie prioritaire gebieden: veenweiden, beekdalen en overgangsgebieden.
Het is daarmee niet gezegd dat de middelen ook volgens deze procentuele verdeling zullen worden toegekend. Provincies is gevraagd om uiterlijk 1 april 2024 verbeterde maatregelpakketten in te dienen bij het Rijk. Vervolgens besluit de ministerraad op basis van een integrale beoordeling voor welke maatregelen daadwerkelijk middelen beschikbaar worden gesteld aan de provincies. De appreciatie van WEcR wordt meegenomen in deze integrale beoordeling. Over de uitkomsten van de besluitvorming ben ik voornemens uw Kamer te informeren.
Hoeveel van de koplopersprojecten hebben een pilot- of onderzoekskarakter en welke maken structurele aanpassingen?
De door provincies voorgestelde maatregelpakketten die WEcR heeft beoordeeld, bevatten verschillende soorten maatregelen. WEcR maakt in zijn beoordeling onderscheid tussen maatregelen met een direct effect op de NPLG-doelen en indirecte maatregelen. Pilots- of maatregelen met een onderzoekskarakter vallen onder de categorie indirecte maatregelen. De appreciatie omvat 138 directe maatregelen en 35 indirecte maatregelen.
CDA
Als we niet naar generieke krimp toe willen dan moeten we naar doelsturing en vakmanschap. KPI-systematiek, ASB en kringloopwijzer liggen er en deze moeten ingezet worden. Hoe staat het daarmee?
Doelsturing is inderdaad een belangrijk thema om aan te werken. Daarom werkt het ministerie van LNV, samen met externe partijen, er momenteel hard aan om doelsturing vorm te geven. Het kabinet heeft hiervoor ook ⬠10 miljoen toegevoegd aan de LNV-begroting. Het denken over een stoffenbalans en de uitwerking daarvan ā en op termijn de eventuele afrekenbaarheid - maakt daar onderdeel van uit. Ook wordt geĆÆnvesteerd in het doorontwikkelen van de data-infrastructuur, de KPI-systematiek, het bedrijfsspecifiek meten van stalemissies en het ontwikkelen van overige technieken voor verdere borging en verfijning van bedrijfsgerichte doelsturing. Soortgelijke maatregelen als KPI, meetnetwerken of doelsturing zijn ook onderdeel van de aanvraag die de provincies hebben ingediend voor de koploperprojecten juli 2023.
Het is helder dat de Kringloopwijzer (KLW) een bewezen geschikt monitoringsinstrument in de melkveehouderij(keten) is, waarmee de boer al ervaring heeft. Maar of het private instrument van de Kringloopwijzer of andere monitoringsinstrumenten breder ingezet kunnen worden in het kader van de overheidsopgaven, moet nog blijken. Om dit inzichtelijk te maken en om aan te geven wat (nog) nodig is om naar die bedrijfsgerichte doelsturing te komen wordt samen met de melkveehouderijketen aan een implementatieplan gewerkt. Daarin worden ook de data die worden ingewonnen door RVO betrokken. Dit wordt ook voor de overige sectoren opgepakt.
Zoals toegezegd tijdens het Commissiedebat Landbouw en Visserijraad van 17 januari jl. zal uw Kamer periodiek over de voortgang op het thema doelsturing worden geĆÆnformeerd.
Er moeten regelingen komen waarin managementmaatregelen, extensiveren etc een plekje krijgen: waarom lukt dat steeds niet?
Er zit veel potentie in managementmaatregelen. Daarom wordt er ook al op ingezet. Binnen de maatregelen uit het Programma onder de Wet Stikstofreductie en natuurverbetering (die is opgegaan in de Omgevingswet) wordt ingezet op verschillende managementmaatregelen op sectoraal niveau op gebied van weidegang en veevoer. Ik informeer u dit voorjaar over voortgang daarvan.
Daarnaast kunnen ondernemers via de ecoregeling in het GLB ondersteuning ontvangen op gebied van weidegang. Om extensivering te bevorderen is er de regeling Samenwerking in Veenweide en Overgangsbieden Natura 2000. Ten slotte financiert het Rijk door provincies ingediende managementmaatregelen in het kader van de versnellingsronde van 2022 en in de koploperprojecten van 2023 komen deze maatregelen voor.
Toch moeten er nog stappen worden gezet om de doelen op gebied van waterkwaliteit, klimaat en stikstof te halen. Er zijn diverse sporen waarlangs toekomstig beleid kan worden vormgegeven dat kan bijdragen aan de invulling, waaronder innovatie- en managementmaatregelen. Over de sporen ten behoeve van de stikstofopgave is uw Kamer recent geĆÆnformeerd (Kamerstuk 26 januari jl.). Het is aan het volgend kabinet om hier verdere besluiten over te nemen.
We stellen collectieve doelen voor de agrarische sector, maar er is geen uitvoeringskracht om dit te vertalen naar individuele acties. Er is een structurele plek nodig waar overheid, sector en markt samenkomen en waar uitvoeringskracht ligt. We moeten hier naar gaan kijken, samen met sector. Graag reactie van de minister.
De vraag hoe overheid en agrarische sector samen de doelen op een praktische manier tot uitvoering kunnen brengen is zeer relevant. De behoefte aan versterking van de uitvoeringskracht wordt onderkend. In het kader van het Landbouwakkoord is ook gesproken over het organiseren van uitvoeringskracht. Daar is gesproken hoe te komen tot eigentijdse invulling van taken die voorheen de productschappen en andere organisaties uitvoerden. Hierbij kan gedacht worden aan het uitvoeren van maatregelen door publiek of publiek-private organisaties waarin de kennis van de praktijk van de sectoren is geborgd. Dat vraagt om versterken van de uitvoeringskracht. Het is aan het volgend kabinet om hier invulling aan te geven, gezien wetgeving die hierbij een rol speelt zoals algemeen verbindend verklaren.
BBB
Er is sinds het aantreden van de minister geen begin gemaakt met het versterken en vernieuwen van de sector. Hoe kan dat? Graag reflectie van de minister.
Vanaf mijn aantreden heb ik vol ingezet, samen met de betrokken partijen, om te komen tot een Landbouwakkoord. We zijn hier ver mee gekomen, de gesprekken zijn zeer waardevol geweest en geven mij het vertrouwen voor een goed vervolgproces met de sector. Omdat er geen Landbouwakkoord is gesloten en omdat het kabinet demissionair is geworden, is het helaas niet mogelijk geweest om een langetermijnaanpak vast te stellen.
Het kabinet heeft desondanks de nodige maatregelen genomen. Het gaat in ieder geval om de volgende maatregelen:
Jonge boeren komen in aanmerking voor vestigingssteun, waar dit kabinet ⬠100 miljoen voor heeft vrijgemaakt. De regeling gaat naar verwachting in het tweede kwartaal 2024 open.
Het stimuleren van de markt voor biologische en duurzame producten. Dit is een investering die structureel gaat bijdragen aan het verdienvermogen van duurzame bedrijven.
Regelingen zoals het Investeringsfonds duurzame landbouw in het kader van het Omschakelprogramma duurzame landbouw die bedrijven ondersteunen om de stap naar verdere verduurzaming te zetten.
Met het Regieorgaan āVersnellen innovatie emissiereductie duurzame veehouderijā wordt gewerkt aan doorbraakinnovaties en het ontwikkelen van continu meten van stalemissies met sensoren.
Overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen werken samen aan integrale praktijkgerichte oplossingen in het missiegedreven innovatiebeleid.
Investeren in doelsturing en kritische prestatieindicatoren (kpiās).
Het ondersteunen van koploperprojecten in de provinciale gebiedsprogrammaās van het NPLG.
Ook de beƫindigingsregelingen zijn uiteindelijk van betekenis voor de boeren die blijven. Het zorgt voor vermindering van de uitstoot van stikstof en broeikasgassen en het biedt ruimte in gebieden voor de ontwikkeling en verduurzaming van de blijvende en jonge boeren.
Daarnaast wordt op de overlegtafel duurzame landbouw gesproken over verduurzaming in de keten (bijvoorbeeld via keurmerken) en het verdienmodel van de boer. Hierbijwordt ookgesproken over de verdere ontwikkeling van doelsturing.
Nota van Wijziging pagina 5 post uitvoeringskosten en financiering van ⬠1,2 miljard: Kan de minister vandaag nog een gespecificeerd overzicht sturen van deze kosten per provincie en per type maatregel en hoe verklaart u de verschillen?
Provincies is gevraagd om uiterlijk 1 april 2024 na het overnemen van de aanbevelingen van WEcR de verbeterde maatregelpakketten in te dienen bij het Rijk. Vervolgens besluit het kabinet voor welke maatregelen daadwerkelijk middelen beschikbaar worden gesteld aan de provincies. De appreciatie van WEcR vormt de basis in deze integrale beoordeling. Over de uitkomsten van de besluitvorming informeer ik uw Kamer vanzelfsprekend.
Ik ga achtereenvolgens in op een gespecificeerd overzicht van a) de door provincies ingediende maatregelpakketten, b) maatregelen waarvan WEcR het doelbereik meest aannemelijk en duidelijk vindt c) de ontvangen middelen voor de versnellingsvoorstellen in 2022-2023, d) de door WEcR geapprecieerde maatregelen uitgesplitst naar type maatregel met aannemelijk doelbereik, en e) de post uitvoeringskosten.
Tabel A
A) Totaal ingediende eerste maatregelpakketten en
verdeling 1,28 mld
De provincies hebben in juli 2023 eerste
maatregelpakketten ingediend bij het Rijk voor een totaal van ⬠2,7
miljard voor de jaren 2024 t/m 2026. Zoals in de Kamerbrief (Kamerstuk
34 682, nr. 186) aangegeven heeft WEcR de maatregelen voor een groot
deel positief beoordeeld. Voor alle provincies zijn maatregelen positief
beoordeeld en zijn maatregelen meegenomen in de onderbouwing van de
reservering van ⬠1,28 miljard. De bedragen voor de kansrijke pakketten
per provincie betekenen nog geen besluit. Provincies moeten nog
aangepaste maatregelpakketten indienen. Daarop zal een definitieve
toetsing plaats vinden. Daardoor is nog niet definitief welke bedragen
provincies zullen ontvangen.
Tabel B
| Provincie | Duidelijk doelbereik WEcR |
|---|---|
| Utrecht | 94 |
| Drenthe | 51 |
| Zuid-Holland | 45 |
| Friesland | 9 |
| Noord-Brabant | 6 |
| Overijssel | 5 |
| Zeeland | 2 |
| Gelderland | 1 |
| Flevoland | |
| Groningen | |
| Limburg | |
| Noord-Holland | |
| Totaal | 212 |
B) Maatregelen waarvan WEcR het doelbereik meest aannemelijk en duidelijk vindt
In bovenstaande tabel B wordt weergegeven welke maatregelen door WEcR het meest positief worden beoordeeld, waarbij de bijdrage aan doelbereik aannemelijk Ʃn duidelijk is. Besluitvorming over daadwerkelijke toekenning van middelen vindt plaats na een integrale beoordeling door het Rijk. Deze door WEcR positief beoordeelde maatregelen zijn kansrijk om in aanmerking te komen voor financiering. Daarnaast geeft WEcR ook op een groot aantal andere maatregelen een positief oordeel, waarbij verbeterpunten worden meegegeven aan provincies om te zorgen dat het doelbereik daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Het is daarbij belangrijk om op te merken dat in de integrale beoordeling breder wordt gekeken dan alleen doelbereik, zo worden ook participatie en sociaal-economische effecten meegewogen. Over de uitkomsten van de besluitvorming ben ik voornemens uw Kamer te informeren.
Tabel C
| Provincie | Eerder toegekende versnelling 22/23 |
|---|---|
| Utrecht | 0 |
| Drenthe | 73 |
| Zuid-Holland | 3 |
| Friesland | 47 |
| Noord-Brabant | 71 |
| Overijssel | 13 |
| Zeeland | 0 |
| Gelderland | 225 |
| Flevoland | 4 |
| Groningen | 24 |
| Limburg | 26 |
| Noord-Holland | 1 |
| Totaal | 487 |
C) Versnellingsmaatregelen 2022-2023
Bovenstaande tabel c geeft ook weer welke middelen reeds
zijn toegekend aan provincies voor de versnellingsmaatregelen in
2022-2023.
Tabel D
| Maatregel type | Percentage 2024-2026 |
|---|---|
| Groen blauwe dooradering | 38,7% |
| KPI en resultaatsturing | 28,2% |
| Diverse (gebiedsprocessen, pilot etc.) | 25,4% |
| Managementmaatregelen veehouderij | 4,5% |
| Management en technisch akker- en tuinbouw | 1,2% |
| Natuurherstel- en beheer | 1,0% |
| Watervasthouden (kwantiteit) | 0,6% |
| Watermaatregelen (overige) | 0,5% |
| Totaal | 100% |
D) Typen maatregelen 212 mln.
Bovenstaande tabel D geeft een uitsplitsing naar type
maatregelen waarvan WEcR het doelbereik meest aannemelijk en duidelijk
vindt.
Tabel E
E) Uitvoeringskosten
Met betrekking tot de post āUitvoeringskostenā: de medeoverheden staan aan de lat om uitvoering te geven aan de aanpak van de opgaven in het landelijk gebied. Om dit mogelijk te maken wordt aan de begroting toegevoegd een bedrag van ⬠36,1 miljoen. Daarvan is ⬠23,0 miljoen voor de provincies als correctie op het eerdere voorschot voor de uitvoeringskosten voor 2022/2023. ⬠7,8 miljoen zijn aanvullende uitvoeringskosten voor 2024 (bovenop de ⬠30,7 miljoen die al in de begroting is opgenomen voor 2024). Tot slot is er een correctie van ⬠5,3 miljoen bestemd voor de waterschappen ten opzichte van het eerdere voorschot voor 2022/2023. Totaal telt dit op tot ⬠36,1 miljoen. De verdeling van de bedragen over de provincies en waterschappen is naar gelang van de opgave waar de provincie voor staat. Hierboven in de tabel is de verdeling naar provincie weergegeven.
Wat is deze minister van plan om de risicoās van wolfaanvallen in ons land te beperken?
Sinds de terugkeer van de wolf in Nederland is er veel te doen rond de aanwezigheid van deze soort in onze natuur. Veel mensen zijn enthousiast over de terugkeer van de wolf en tegelijkertijd leeft bij veel mensen ook angst voor de wolf. Het is heel begrijpelijk dat er angst is bij dierhouders door aanvallen van de wolf. Elke aanval door een wolf op landbouwhuisdieren is er ƩƩn teveel. Preventie is daarom van groot belang. Vee moet goed beschermd worden om leed bij de dieren en de dierhouders te voorkomen.
Het belangrijkste dat tegen wolvenaanvallen gedaan kan worden is een degelijke wolfwerende bescherming van de dieren. Dit staat beschreven in het Interprovinciaal Wolvenplan. Namens de provincies geeft BIJ12 op haar website goede informatie over waar deze aan zou moeten voldoen. Daarnaast bieden provincies ondersteuning bij het treffen van maatregelen. Een daarvan is het geven van subsidies voor het treffen van wolfwerende maatregelen.
Naast deze inzet van provincies, waarmee op dit dossier nauw wordt samen gewerkt met mijn ministerie, wordt ook door mijn ministerie actief ingezet op het vinden van manieren om samen te leven met de wolf, voorlichting en internationale samenwerking. Zoals aangegeven in de Kamerbrief over het wolvenbeleid (Kamerstuk 33 576, Nr. 357), gaat het hierbij om een drietal zaken:
De Raad voor de Dieraangelegenheden is gevraagd de maatschappelijke dialoog over de wolf vorm te geven en om op basis daarvan advies te geven over hoe we in Nederland kunnen samen leven met de wolf. In mei dit jaar wordt het advies verwacht waarop het beleid gebaseerd zal worden. Naar aanleiding van dit advies zal met stakeholders in gesprek worden gegaan.
Tevens wordt er gewerkt aan een gecoördineerd, proactief informatie- en communicatiebeleid rond de wolf. Om aan deze behoefte invulling te geven is vorig jaar een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden voor een landelijk informatiepunt wolf. Dit landelijke informatiepunt kan als centraal publieksgericht punt gaan werken. Uit de verkenning bleek dat er brede steun van onder meer provincies is voor het opzetten van een dergelijk punt. Er zijn echter belangrijke randvoorwaarden zoals) financiering en trekkerschap. In een vervolgtraject worden onder andere deze punten met stakeholders en provincies verder uitgewerkt. Na de zomer van dit jaar zal hierover nader worden geïnformeerd.
Nederland zet in op internationale samenwerking met Duitsland, Belgiƫ, Denemarken, Luxemburg en Frankrijk met als doel gezamenlijke monitoring van het aantal wolven en kennisuitwisseling over en harmonisatie van regels met betrekking tot wolfwerende hekken, voorwaarden voor beheer (terughoudend beheer), schade-uitkeringen na wolvenaanval en subsidies (o.a. voor wolfwerende hekken).
Tot slot kan de burgemeester bij noodsituaties met problemen tussen wolven en mensen ingrijpen op basis van de Gemeentewet. Hiervoor ontwikkelt de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) ook een handreiking. Bij problemen tussen wolven en vee zijn provincies de bevoegde autoriteit. Momenteel werken provincies in het interprovinciaal wolvenplan aan een definitie van probleemwolf, waardoor bij aanvallen op vee beter kan worden ingegrepen.
ChristenUnie
Hoe staat het met de uitwerking van de Kamerbreed aangenomen motie Grinwis om de afroming te verhogen, zodat generieke kortingen kunnen worden voorkomen?
De motie Grinwis c.s. (Kamerstuk 30 252, nr. 142) verzoekt de regering al het mogelijke te doen om een generieke korting op de fosfaatrechten te voorkomen en daarom, naast de al lopende vrijwillige regelingen, zo veel mogelijk en zo snel mogelijk in te spelen op natuurlijk verloop, bijvoorbeeld door het percentage afroming van fosfaatrechten bij transacties te verhogen.
Zoals aangegeven tijdens de debatten van 17 januari en 30 januari jl., wil ik bij de door uw Kamer gevraagde handelingsopties ten aanzien van de mestmarkt (motie Van Campen, Kamerstuk 30 252, nr. 141) en bij de handelingsopties ter borging van de mestproductieplafonds ook het verhogen van afroming bij overdracht van fosfaatrechten (melkvee) cq. het invoeren van afroming bij overdracht van dierrechten (pluimvee, varkens) betrekken. Ik neem dit mee in de gesprekken die ik voer met sectorpartijen en zal uw Kamer hierover informeren in de brief over de mestmarkt, die ik de Kamer uiterlijk 1 maart a.s. zal doen toekomen. Zoals ik in de Kamerbrief van 5 december 2023 (Kamerstuk 33 037, nr. 523) heb benoemd, zouden deze maatregelen een aanpassing van de Meststoffenwet vergen.
Waar zet de minister in Europa de komende maanden op in, behalve op Renure?
Zoals ik heb geantwoord op de vraag van het lid Van Campen (VVD) ben ik voornemens, conform mijn toezegging op 17 januari jl. tijdens het Commissiedebat over de Landbouw- en Visserijraad, de brief over de LNV EU-inzet (Brusselstrategie) voorafgaand aan het SO Landbouw- en Visserijraad in februari 2024 aan uw Kamer te sturen. Ik zal in die brief ingaan op de speerpunten van de LNV-inzet in de EU en de uitgangspunten die daarbij in acht worden genomen. Voorafgaand aan iedere Landbouw- en Visserijraad zal uw Kamer zoals gebruikelijk door middel van een geannoteerde agenda worden geĆÆnformeerd over de Nederlandse inzet met betrekking tot de onderwerpen die voor die Raad geagendeerd zijn.
Het Belgische voorzitterschap heeft onder meer het versterken van de strategische autonomie van de EU en verduurzaming van de voedselsystemen als zijn kerndoelstellingen geformuleerd. Daarnaast zal het Belgische voorzitterschap aandacht besteden aan diergezondheid en dierenwelzijn. Ik hoop dat we op deze gebieden vooruitgang kunnen boeken. Daarnaast zal ik aandringen op het bereiken van een akkoord op de SUR- en NGT-voorstellen.
Welke ruimte kan de minister in Europa uitonderhandelen om duurzame voorlopers, die het afgelopen jaar behoorlijk zijn afgestraft met de aangescherpte middelvoorschriften, meer ruimte te bieden?
Europese wet- en regelgeving biedt in verschillende mate perspectief om ruimte te bieden aan bijvoorbeeld duurzame voorlopers of aan doelvoorschriften als alternatief op middelvoorschriften. Het GLB is ten algemene, en daar binnen zijn er instrumenten als de ecoregeling specifiek, geƫnt op het belonen van duurzame voorlopers. De derogatiebeschikking geeft hier anderzijds weer zeer weinig ruimte voor.
In toekomstige trajecten, zoals het opstellen van het 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn, betrek ik de wens die zowel bij mij als bij de Kamer leeft om waar mogelijk te werken met doelvoorschriften.
In de proeftuin van de Regiodeal Foodvalley is een meetnetwerk ingericht dat emissies per sector en staltype in kaart brengt. Hoe zorgt de minister ervoor dat ze daar verder kunnen en dit netwerk kunnen uitbreiden?
Op dit moment zijn we in Nederland op verschillende plekken en in verschillende initiatieven veel ervaring aan het opdoen met het continu meten van stalemissies met sensoren. Het bedrijvenmeetnetwerk binnen de Regiodeal Food Valley is hierin een belangrijk project. Het continu meten van stalemissies is inderdaad een belangrijke bouwsteen voor het toewerken naar doelsturing. Als de hoogte van de emissies betrouwbaar inzichtelijk gemaakt kan worden, kunnen boeren beter via managementmaatregelen en/of (stal)aanpassingen de emissies naar beneden brengen.
Afgelopen zomer hebben de samenwerkende partijen financiering ontvangen om het bedrijvenmeetnetwerk van de regio verder uit te breiden. Ook komt er in Food Valley ƩƩn van de drie landelijke onderzoektestlocaties voor sensoren, degene die gericht is op pluimvee. We zullen met Food Valley in gesprek blijven over de toekomst van het netwerk.
Naast de stalmetingen heeft Regiodeal Foodvalley ook een fijnmazig omgevingsmeetnet, waarmee emissies in de buitenlucht worden gemeten. In verschillende regioās lopen projecten met omgevingsmetingen. Vanuit het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) wordt de verbinding en kennisuitwisseling tussen die initiatieven georganiseerd. We zijn momenteel in gesprek met de Regio Foodvalley over de behaalde resultaten en onderzoeken samen de meerwaarde die het omgevingsmeetnet kan bieden ten opzichte van landelijke meetnetten en modellen. Besluiten over een mogelijke voortzetting van dit meetnet met betrokkenheid vanuit het NKS na afloop van de regiodeal kunnen pas na deze fase genomen worden, besluitvorming hierover is waarschijnlijk dan ook aan een volgend kabinet.
Hoe staat het met de ontwikkeling van een landelijke structuur waarbinnen uitvoerende partijen in staat worden gesteld het opruimen van dode wilde vogels goed uit te kunnen voeren?
De minister van LNV en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Zorg (VWS) hebben samen het initiatief genomen tot het āLandelijk platform vogelgriep in wilde dierenā. Dit platform, onder leiding van beide ministeries, bestaat onder andere uit terreinbeheerders, dierenhulporganisaties, veiligheidsregio's en andere betrokkenen. Via hen zijn er goede lijnen met de mensen in het veld. Deze landelijke structuur stelt uitvoerende partijen in staat om het opruimen van dode wilde vogels goed te organiseren en uit te kunnen voeren. Het doel van het platform is om informatie te bundelen, een netwerk op te zetten, vragen vanuit het veld op te halen en informatie landelijk of via het netwerk regionaal te delen. Een belangrijke basis is de āLeidraad omgang met wilde vogels met vogelgriepā, waarin afspraken zijn opgenomen over rollen en verantwoordelijkheden. Ook bevat de leidraad protocollen en richtlijnen voor het veilig omgaan met dode en zieke vogels.
Het Landelijk platform vogelgriep in wilde dieren heeft het afgelopen half jaar goede stappen gezet om de landelijke regie verder vorm te geven. Zo is het onderwerp vogelgriep bijvoorbeeld in de vakraad met de veiligheidsregioās besproken. De leidraad wordt door het landelijk platform verder aangescherpt, deze aangevulde leidraad ontvangt u voor de zomer. Daarnaast zijn er veel stappen vooruit gezet, zo is er inmiddels een app voor het melden van dode wilde vogels. Ook heeft een webinar plaatsgevonden voor medewerkers en vrijwilligers bij organisaties van natuurbeheer en dierenopvang over preventieve maatregelen. Daarnaast is er overleg met de verschillende stakeholders om de landelijke communicatie verder te verbeteren.
PvdD
Wat gaat de minister doen tegen het slachten van dieren?
Het slachten van dieren is een integraal onderdeel van het houden van landbouwhuisdieren voor de productie van levensmiddelen. Mijn inzet is daarbij dat het slachten op een manier gebeurt waarbij zoveel mogelijk pijn, angst en spanning bij de dieren wordt voorkomen. Het bedrijfsleven is verantwoordelijk om het dierenwelzijn te borgen. De NVWA houdt hier toezicht op en grijpt in als de regelgeving wordt overtreden.
Waarom worden er nog steeds megastallen gebouwd, terwijl we juist een einde willen aan de grootschaligheid?
Er wordt gestuurd op het dierwaardig houden van dieren en een veehouderij die in balans is met de leefomgeving. Schaalvergroting was lange tijd noodzakelijk om de benodigde investeringen terug te verdienen. De inzet is om dat te veranderen. Het moet niet meer gaan om zoveel mogelijk produceren tegen zo laag mogelijke kosten, maar om een goed verdienmodel gebaseerd op hoogwaardige, duurzame productie met een eerlijke prijs. Zodat boeren ook met minder vee een goed bestaan kunnen hebben. Dat vraagt om een gezamenlijke aanpak van overheid, sector en zeker ook de keten en de consument.
Er zijn partijen die veel hebben verdiend aan intensieve landbouw, ten koste van alles. Het is niet eerlijk om verduurzaming alleen te laten betalen door belastingbetalers. Waar is het voorstel om agro-industrie-partijen te laten meebetalen aan de verduurzaming?
De transitie van de landbouw en de verduurzaming van het voedselsysteem is nadrukkelijk een verantwoordelijkheid voor de gehele keten. Ik heb het dan over de toeleveranciers, de verwerkers, retail en banken. Het is cruciaal dat alle schakels in de keten hun bijdrage leveren. Om ecosysteemdiensten te financieren was het kabinet voornemens om via een brede heffing in de keten financiering voor meerjarige ecosysteemdiensten te bewerkstelligen. In de onderhandelingen over het Landbouwakkoord is het thema Markt en Keten ook aan de orde gekomen. Daar zijn goede stappen gezet. Daarover blijf ik met partijen in gesprek. En ik ben blij om te zien dat partijen daar ook opvolging aan geven.
Als voorbeeld noem ik de onlangs gepubliceerde visie van de Rabobank waaruit blijkt dat zij duurzaamheidsprestaties zwaarder zullen meewegen bij de financiering van agrarische bedrijven en bedrijven bij de transitie-opgaven zullen ondersteunen met leningen tegen gunstigere voorwaarden.
Dit blijft onderwerp van gesprek bij de overlegtafel Duurzame landbouw.
Is het kabinet bereid om zich sterk te maken voor echte, goede dierenwelzijnsregels op Europees niveau?
Het kabinet zet zich in voor ambitieuze dierenwelzijnsregels op Europees niveau. Reeds in oktober 2021 heeft het kabinet de Europese Commissie in samenwerking met de overige āVught-groep landenā verzocht om ambitieuze voorstellen voor nieuwe Europese wetgeving voor het dierenwelzijn (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1345). In juli 2022 is vervolgens een position paper van de Vughtgroep over de actualisatie van regels omtrent het dierentransport van levende dieren gepresenteerd (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1456) in de Landbouw- en Visserijraad. In reactie op het voorstel van de Commissie voor de herziening van de transportverordening heeft het kabinet op 22 december 2023 het BNC (Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen)-fiche Herziening verordening dierenwelzijn tijdens transport met de Kamer gedeeld (Kamerstuk 22 112, nr. 3861). In dit fiche wordt aangegeven dat het kabinet zich er bij de onderhandelingen over het voorstel voor in zal zetten om het voorliggende voorstel op onderdelen aan te scherpen in het kader van dierenwelzijn. De voorstellen van de Europese Commissie gaan op dit moment minder ver dan onze eigen ambitie.
Vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld stellen hun vlucht uit omdat ze hun huisdieren niet mee kunnen nemen. Gelukkig zijn er stichtingen die deze slachtoffers helpen hun dieren mee kunnen nemen, en bieden trainingen aan hulpverleners. Maar zij zijn afhankelijk van welwillende gemeenten. Erkent de minister dat slachtoffers van huiselijk geweld te maken hebben zo veel mogelijk de mogelijkheid moeten hebben om hun huisdieren mee te kunnen nemen? Ik vraag de minister om te kijken hoe de stichtingen die hier over gaan landelijk kunnen opereren.
Huiselijk geweld is vreselijk en in zoān situatie moet je ook niet nog eens gescheiden worden van je huisdier. Slachtoffers van geweld kunnen een eventuele vlucht uitstellen omwille van de aanwezigheid van een huisdier. Er mogen geen drempels zijn voor het vluchten uit situaties van huiselijke geweld. Ik onderschrijf dan ook van harte het belang van de beschikbaarheid van voorzieningen waar slachtoffers van huiselijkgeweld terecht kunnen met hun huisdier. Ik wil deze stichtingen de komende periode onder de aandacht brengen van gemeenten.
Steeds minder mensen kunnen hun rekening betalen door de hoge tarieven van multinationals. De minister zegt dat hij niks kan doen. Wat zou hij wel kunnen doen? Hij kan toch niet accepteren dat er alleen grote ketens overblijven?
De markt voor diergeneeskundige zorg is een vrije markt, waarin dierenartspraktijken zelf hun prijzen vaststellen.
Er zijn signalen dat prijzen van de diergeneeskundige zorg voor gezelschapsdieren sterk stijgen, waardoor mensen deze zorg voor hun dier niet meer zouden kunnen betalen. Er zijn tevens zorgen over de mogelijke gevolgen die dit kan hebben voor diergezondheid en dierenwelzijn. Er zijn daarbij vragen over de mogelijke invloed van ketenvorming in de diergeneeskundige zorg op de hoogte van deze prijzen.
De minister van LNV neemt deze signalen en zorgen over mogelijke prijsstijgingen, de rol van ketenvorming daarbij, betaalbaarheid van zorg en mogelijke gevolgen voor dieren zeer serieus.
Het is echter van belang een goed en objectief beeld te krijgen van de prijsontwikkeling in de diergeneeskundige zorg. Daarom laat het ministerie van LNVā ter uitvoering van de motie Beckerman (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 28) - een economisch onderzoek uitvoeren naar de prijsontwikkeling van diergeneeskundige zorg voor gezelschapsdieren en de oorzaken van eventuele veranderingen in deze prijzen. In het onderzoek wordt gekeken naar verschillende factoren die de tarieven van deze zorg mede bepalen, zoals de verhouding tot het algemene prijspeil, de zorgvraag, het zorgaanbod, de spoedzorg, kosten voor arbeid, materialen, voorzieningen en overhead en de levensloopkosten van een dier. Ook de marktpositie van ketens en samenwerkingsverbanden en de mogelijke invloed hiervan op de prijsstelling, vormen onderdeel van dit onderzoek.
Ter voorbereiding van het onderzoek zijn gesprekken gevoerd met diverse publieke en private partijen waaronder meerdere ministeries, beroepsorganisaties voor dierenartsen, diverse markt- en ketenpartijen en ook de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Het onderzoek heeft een formele aanbestedingsprocedure doorlopen en is deze week gestart. Verwachting is dat medio 2024 de eerste resultaten van het onderzoek beschikbaar zijn.
Parallel aan dit prijsonderzoek brengt het ministerie van LNV in beeld welke mogelijkheden de overheid heeft om ā binnen de nationale en Europese kaders - prijzen in de dierenzorg te reguleren. Zo kan het maximeren van tarieven in een vrije markt mogelijk in strijd zijn met Europese mededingingsregelgeving. Deze analyse naar mogelijkheden voor prijsregulering zal naar verwachting medio 2024 gereed zijn.
De resultaten van beide trajecten ā het onderzoek naar prijsontwikkeling en de analyse naar mogelijkheden voor prijsregulering door de overheid ā zijn van belang om te bepalen welke vervolgstappen gezet kunnen worden. Wanneer de resultaten beschikbaar zijn, zal de Kamer hierover worden geĆÆnformeerd. Dit zal naar verwachting in het derde kwartaal zijn van dit jaar. Op basis van de resultaten zal worden bezien of en zo ja, welke vervolgstappen of eventuele maatregelen nodig zijn.
Kan minister zich in Europa voor inspannen dat lage btw voor dierenzorg mogelijk wordt?
Vorig jaar is het verlaagde btw-tarief geƫvalueerd. Zoals in de kabinetsreactie vermeld laten we het aan een volgend kabinet over om te bepalen of gebruikmaking van het verlaagd btw-tarief voor nieuwe (categorieƫn) goederen en/of diensten beleidsmatig in de rede ligt. Het huidige demissionaire kabinet heeft dan ook geen plannen om btw-tarieven te verhogen of te verlagen of te pleiten in Europa voor de mogelijkheid van een verlaagd btw-tarief voor dierenzorg.
Erkent de minister dat het verhogen van het btw-tarief voor diergeneesmiddelen onwenselijk is.
Het demissionaire kabinet heeft een evaluatie laten uitvoeren naar verlaagde btw-tarieven en de resultaten zijn in 2023 aan de Tweede Kamer gestuurd. Het verlaagde btw-tarief had bij invoering tot doel de druk van de omzetbelasting op minder draagkrachtigen te verlichten. In de evaluatie is nagegaan of deze fiscale maatregel doeltreffend en doelmatig is. Voor diergeneesmiddelen geldt ook een dergelijke verlaging, dit is meegenomen in deze evaluatie. Er zijn op dit moment geen wijzigingen voorzien in de btw-tarieven voor geregistreerde diergeneesmiddelen.
De Kamer heeft een motie aangenomen die de minister van Justitie en Veiligheid vraagt om aparte regels op te stellen voor opvang van dieren en doden te voorkomen. Deze motie werd breed gesteund. Deze minister doet het tegenovergestelde en wil dat honden nog sneller kunnen worden ingeslapen. Hoe rijmt de minister zijn plan met deze motie? En hoe draagt het weghalen van de rechter in dit proces bij aan een gezonde rechtsstaat?
De motie verzoekt de regering om aparte regels op te stellen voor de inbeslagname van dieren, waarbij het welzijn en de intrinsieke waarde van dieren worden gewaarborgd. De in de brief van 18 december 2023 voorgestelde maatregel aan uw Kamer (Kamerstuk 28 286, nr. 1322) met betrekking tot euthanasie van honden die (zeer) ernstige schade hebben toegebracht ,betreft de toepassing van een bestaande bevoegdheid, waarbij samen met het Openbaar Ministerie zal worden bezien of er sneller tot dat besluit kan worden gekomen.
De voorgestelde maatregel om honden te euthanaseren is er nadrukkelijk op gericht om een ernstige welzijnsaantasting van deze honden te voorkomen, wanneer zijl angdurig in een opvangsituatie verblijven. Deze voorgenomen maatregel geldt alleen voor honden die zeer ernstige letselschade hebben toegebracht, hebben gebeten met de intentie om te doden en waarbij deskundigen tot dat oordeel komen. Bij deze honden is de kans nihil dat het klaagschrift van de eigenaar tot een andere afweging zal leiden dan het advies van de deskundigen.
De overweging om een dier te euthanaseren, ook bij dit voorstel, wordt niet lichtzinnig genomen. Dit zal altijd pas gebeuren na uitspraak van de rechter of als de Officier van Justitie inschat dat het nodig is op basis van advies van deskundigen, wanneer die aangeven dat er geen kans meer is dat de hond veilig in de maatschappij terug kan keren.
Waarom hebben de overtredingen van het Dolfinarium niet tot sancties of juridische gevolgen gezorgd en waarom is de Kamer hier niet over geĆÆnformeerd?
U doelt in uw vraag op de dieren van 53 soorten die zonder vergunning werden tentoongesteld door het Dolfinarium. RVO heeft dit in november 2019 geconstateerd. In verband met de impact van de daarop volgende corona-epidemie op dierentuinsector heeft RVO destijds besloten om minder streng op te treden bij overtredingen binnen dierentuinen, voorzover de aard van de overtreding dat toestond en op voorwaarde dat dierenwelzijn niet in het gedrang zou komen. Dit was het geval bij de onvergunde tentoonstelling van diersoorten in het Dolfinarium. Het Dolfinarium heeft daarom een brief ontvangen met het verzoek de onrechtmatige situatie te herstellen. Zodra het Dolfinarium hiervan op de hoogte was, heeft zij een aanvraag ingediend om de onvergunde soorten onder de vergunning te brengen. Op deze aanvraag is positief beslist. De onrechtmatige situatie is daarmee hersteld. Handhaving is dus niet meer aan de orde geweest.
Deze overtreding staat los van de verbeterafspraken die zijn gemaakt met het Dolfinarium, waarover uw Kamer meerdere keren is geĆÆnformeerd. Voor het tentoonstellen van alle diersoorten waarover deze afspraken zijn gemaakt, was een vergunning aanwezig, en is er geen sprake van een te handhaven overtreding.
Dieren die te veel worden gefokt (surplus-dieren) worden zonder pardon gedood of worden achter de schermen in slechte verblijven gehouden. Kan de minister bevestigen dat dieren geen 'wegwerpproducten' zijn en dat we daarom een einde moeten maken aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen?
Dierentuinen hebben een belangrijke maatschappelijke taak. Zij zijn onder meer verplicht om bij te dragen aan natuurbescherming. EĆ©n van de manieren waarop zij dit kunnen doen is het deelnemen aan instandhoudingsprogrammaās van de diersoorten die zij houden, zoals is gespecificeerd in artikel 4.10 van het Besluit houders van dieren. Het doden van gezonde dieren kan soms noodzakelijk zijn voor populatiemanagement binnen dit soort instandhoudingsprogrammaās. Dit zou wel tot een minimum beperkt moeten worden. Daarom is het belangrijk dat dierentuinen samenwerken zodat er gemakkelijker een goed onderkomen voor surplus dieren kan worden gevonden, en dat dierentuinen vooraf nadenken of er een geschikte plek voor nageslacht is voordat zij met dieren fokken. Gelukkig is er al veel samenwerking binnen de dierentuinsector, zowel nationaal als internationaal, en heeft de sector zelf ook aandacht voor de omgang met surplus dieren.
Dierentuinen moeten goed voor hun dieren zorgen, ook wanneer zij achter de schermen worden gehouden. Nederland beschikt over goede dierenwelzijnsregelgeving. Als tijdens een dierentuincontrole wordt geconstateerd dat het welzijn van dieren achter de schermen in het gedrang komt, worden maatregelen genomen.
SGP
Europese Commissie zet in op dialoog toekomst landbouw. Kan minister inzetten dat ook visserij en voedsel op zee worden meegenomen?
De voorzitter van de Europese Commissie, mevrouw Von der Leyen, heeft het initiatief genomen voor een strategische dialoog over de toekomst van de landbouw. Deze dialoog wordt op dit moment onder regie van de Europese Commissie gevoerd.
De kaders van deze dialoog zijn vastgesteld. Daar zit verbreding naar visserij nu niet in. Ik zal bezien of er op onderdelen verbinding gelegd kan worden met de Europese Commissie. Het kabinet komt binnenkort met de visie op voedselwinning uit zee en grote wateren. Die ik hierbij als uitgangspunt hanteer.
Budget voor verhogen capaciteit mestverwerking en voer- en managementmaatregelen?
U vraagt om meer budget voor het verhogen van de capaciteit van mestverwerking en voer- en managementmaatregelen. Voor hoogwaardige mestverwerking is er reeds een subsidieregeling. In het najaar van 2023 is de subsidieregeling hoogwaardige mestverwerking voor de tweede keer opengesteld.
Binnen de maatregelen uit het programma onder de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (die is opgegaan in de Omgevingswet) wordt ingezet op verschillende managementmaatregelen op sectoraal niveau op het gebied van weidegang en veevoer.
Blijvend grasland bevat veel organische stof waardoor de uitspoeling van nitraat beperkt wordt. Kijk bijvoorbeeld naar het Veenweidegebied met veel blijvend grasland. Hier is het nitraatgehalte in het uitspoeling water heel laag. Wilt de minister dit voorleggen aan CDM en aan Brussel?
De Commissie Deskundigen Meststoffenwet heeft eerder al adviezen geleverd over de milieueffecten van derogatie. Op basis hiervan kan gesteld worden dat de derogatie voor bedrijven met een groot areaal grasland niet nadelig hoeft te zijn, of zelfs positief kan zijn, voor de waterkwaliteit maar dat er ook meer ammoniakemissie kan plaatsvinden. In de huidige derogatie, die loopt van 2022 tot en met 2025, is de voorwaarde opgenomen dat derogatiebedrijven minimaal 80% grasland moeten hebben op hun bedrijf.
Het feit dat de waterkwaliteit onder derogatiebedrijven over het algemeen beter is, vanwege het areaal grasland, heeft de Europese Commissie niet tot een ander oordeel doen komen wat betreft de laatste derogatie. De Commissie heeft aangegeven dat het de laatste derogatie voor Nederland betreft en er vanaf 2026 geen derogatie meer zal zijn voor Nederland. De kans dat de Commissie een dergelijke aanvraag in behandeling zou nemen wordt daarom dan ook nihil ingeschat.
Daarnaast heeft het kabinet een subsidieregeling behoud grasland voor de jaren 2023, 20224 en 2025 opengesteld die ziet op het behouden van grasland bij derogatiebedrijven.
In natuurdoelanalyses worden typische soorten heel anders beoordeeld en worden de landelijke kaders niet gevolgd. De staat van een gebied wordt soms afgemeten aan soorten die nooit in de regio voorkwamen. Als referentiejaar wordt 1959 aangehouden, terwijl 2004 vanuit Brussel gevraagd wordt. Kan de minister daarop reageren?
Natuurbeleid is gedecentraliseerd. Er is beleidsvrijheid voor bevoegde gezagen om doelen in beheerplannen uit te werken en het doelbereik periodiek te beoordelen. Maar het is belangrijk dat provincies zich aan de geldende kaders houden en de bescherming niet strenger maken dan nodig is (geen 'extra kop' op de bescherming).
Voor natuurdoelanalyses die nu voor stikstofgevoelige gebieden worden gemaakt, zijn uniforme kaders afgesproken over de wijze waarop conclusies worden getrokken over de vraag of verslechtering kan worden uitgesloten. De ecologische autoriteit controleert de kwaliteit daarvan.
Het klopt niet dat als referentiejaar 1959 wordt aangehouden. In de handreiking over Natuurdoelanalyses staat het moment van aanwijzen de referentie is. In de natuurdoelanalyse van het Aamsveen (waar dit voorbeeld over gaat) is dat ook gebruikt. Voor dat gebied is geconcludeerd dat verslechtering naar de toekomst toe niet is uitgesloten omdat de huidige maatregelen de negatieve effecten van de te hoge stikstofdepositie nog onvoldoende teniet doen. De Ecologische Autoriteit bevestigt deze conclusie uit de natuurdoelanalyse en benadrukt dat het voor het Aamsveen van belang is om stikstof te reduceren en maatregelen te nemen ten aanzien van de waterhuishouding. Ik ga af op de ecologische autoriteit.
Afwaarderen van gronden met het oog op waterberging in combinatie met afwaardering naar de natuur. De Haagse focus ligt vooral op afwaardering naar natuur. Gaan de bewindslieden waterbeschikbaarheid beter verankeren?
Neerslagwater meer vasthouden in bodems en watergangen bevordert de sponswerking van bodems en de infiltratie naar grondwater. Daarmee worden landbouwgronden, natuur- en bosgronden en beken minder gevoelig voor droogteperioden. Met een goede vochtvoorziening voor landbouwgronden is de gewasgroei beter in stand te houden en daarmee het verlies aan nutriƫnten naar het water beter te beheersen.
Uitgekiend bodembeheer voor alle landbouwgronden (en bodems in stedelijk gebied) is essentiƫel voor de ontwikkeling en beheer van robuuste watersystemen waarmee langer water beschikbaar kan blijven voor Ʃn gewasproductie Ʃn natuur.
Voldoende waterbeschikbaarheid voor natuur en landbouw is ƩƩn van de opgaven van het NPLG. De provincies is gevraagd in hun provinciale programmaās landelijk gebied maatregelen te nemen die bijdragen aan de opgaven voor water, klimaat en natuur en een duurzame landbouw; daar passen ook waterbergende maatregelen bij.
Afhankelijk van de specifieke, veelal lokale, situatie kan extensivering van het bodemgebruik in landbouwgebieden nog meer bijdragen aan een duurzaam watersysteembeheer en aan passende wateromstandigheden voor beken en natuur. Afwaardering van gronden kan dergelijke extensiveringen ondersteunen.
Ook voor het Deltaprogramma Zoetwater ontwikkelen Rijk en regio maatregelenpakketten voor een duurzame zoetwaterbeshikbaarheid.
VOLT
Volt wil graag een betaalbare voedselstrategie. Ziet de minister dat ook zo en kan hij met zijn Europese collega's knelpunten in kaart brengen en ook kijken hoe die eventueel kunnen worden opgelost?
Het belang van een duurzaam Europees voedselsysteem dat bijdraagt aan voedselzekerheid op de lange termijn is duidelijk. Het kabinet staat daarom positief tegenover een Europese strategie die hier recht aan doet en aandacht heeft voor het proces van boer tot bord. Themaās als voedselzekerheid, verduurzaming, weerbaarheid, de relatie met derde landen en de samenwerking met de keten zouden hier onder andere in terug moeten komen.
Het afgelopen jaar heeft de minister van LNV zich ingezet richting de Europese Commissie en lidstaten om gezamenlijk in te zetten op een Europese voedselstrategie en dat blijft de inzet voor de komende periode. Het is vervolgens aan de Europese Commissie om hier mee te komen.
Is minister bereid om met andere lidstaten actie te ondernemen om prijsafspraken in Europees verband toe te staan?
Wijziging van de Gemeenschappelijke Marktordening (GMO) maakt het mogelijk dat boeren en ketenpartijen prijsafspraken maken. Het is aan de boeren en deze partijen zelf om binnen de kaders van de GMO deze afspraken in te vullen. Lidstaten kunnen partijen informeren over de inhoud en ruimte van de GMO, maar hebben hier verder geen rol. LNV vult deze informerende rol in door bijvoorbeeld samen met de ACM hierover bijeenkomsten te organiseren.