[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2025

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2024D42418, datum: 2024-11-06, bijgewerkt: 2025-01-08 16:36, versie: 3

Directe link naar document (.pdf), link naar pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-36600-XV-8).

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36600 XV-8 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2025.

Onderdeel van zaak 2024Z12743:

Onderdeel van zaak 2024Z17619:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2024-2025

36 600 XV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2025

Nr. 8 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 6 november 2024

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 9 oktober 2024 voorgelegd aan de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij brief van 6 november 2024 zijn ze door de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,
Tielen

Adjunct-griffier van de commissie,
Van den Broek

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Hoeveel procent van de arbeidsmigranten werkt op 100 procent, 105 procent, 110 procent, 115 procent en 120 procent Wml? Hoe groot is het totaal?

Antwoord 1

Het Dashboard Migratiemotieven van het CBS geeft inzicht in de arbeidsmarktpositie van verschillende migrantengroepen die in Nederland verblijven, waaronder over hun loonpositie. Van de werkende arbeidsmigranten met een EU/EFTA-nationaliteit (exclusief Nederlanders) die tussen 1999–2022 naar Nederland migreerden heeft op 31 december 2022 28,42% een bruto uurloon minder dan 130% van het Wml. Van de werkende arbeidsmigranten uit derde landen die tussen 1999–2023 naar Nederland migreerden heeft 10,01% op 31 december 2023 een bruto uurloon van minder dan 130% van het Wml. Kennismigranten hebben het grootste aandeel in deze cijfers voor arbeidsmigratie van buiten de EU/EFTA. De cijfers zijn gebaseerd op arbeidsmigranten die als werknemer werkzaam zijn in Nederland. Daarnaast gaan deze cijfers enkel over personen die als ingezetene staan ingeschreven in het BRP. Vooral de groep EU arbeidsmigranten bevat een groot aandeel dat niet als ingezetene staat ingeschreven in het BRP.

Minder dan 130% Wml 28,42% 10,01%
130–180% Wml 29,36% 12,89%
180–250% Wml 18,51% 27,16%
250% Wml of meer 23,71% 49,94%
Bron: CBS Dashboard Migratiemotieven

In de Migrantenmonitor van het CBS zijn tevens loongegevens opgenomen van werknemers die geboren zijn in het buitenland, over zowel ingezetenen als niet-ingezetenen in het BRP. Dit betreft niet allemaal arbeidsmigranten, maar kunnen ook personen zijn die met een ander migratiemotief naar Nederland gekomen zijn. Op 31 december 2022 werkten 634.020 personen geboren in een andere EU-lidstaat in Nederland als werknemer. Van deze groep verdiende 39% maximaal 130% van het wettelijk minimumloon (WML). Van de 900.710 werknemers uit derde landen verdiende op 31 december 2022 29% maximaal 130% van het WML. Dit zijn ook personen die soms al tientallen jaren in Nederland wonen en werken.

Vraag 2

Hoe groot zijn -=de tegenvallers naar aanleiding van uitvoeringsinformatie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)? Op welke manier zijn deze gedekt? Welke maatregelen zijn hiervoor precies genomen?

Antwoord 2

De uitvoeringstegenvaller op de SZW-begroting bedraagt € 305 miljoen in 2025 en loopt op tot € 542 miljoen structureel. De uitvoeringstegenvaller is het gevolg van onder meer de verwerking van uitvoeringsinformatie van UWV en de nieuwe macro-economische raming van het CPB. De uitvoeringstegenvaller in 2025 en een gedeelte van de structurele tegenvaller wordt intertemporeel gedekt op de SZW-begroting. Het restant van de tegenvaller is opgelost in het Rijksbrede beeld.

De grootste dekkingsbron op de SZW-begroting is de beleidsmatige vrijval van middelen voor de verruiming van het loonkostenvoordeel Banenafspraak, onderdeel van het wetsvoorstel Vereenvoudiging Banenafspraak. Dit wetsvoorstel wordt met een jaar uitgesteld, waardoor er in 2026 middelen vrijvallen. Daarnaast is de invoering van het wetsvoorstel Participatiewet in balans met een half jaar uitgesteld. Dit zorgt voor lagere uitgaven in 2025, deze vrijval is ook ingezet. Deze wetsvoorstellen zijn niet uitgesteld ten behoeve van de uitvoeringstegenvaller maar de beoogde invoeringsdata waren niet langer haalbaar. Verder worden er onder meer middelen aangewend die gereserveerd waren om gemeenten te compenseren voor de beoogde bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) voor medewerkers in de Wet Sociale werkvoorziening (Wsw) met 1,2% per 1 juli 2024. Deze bijzondere verhoging is niet doorgegaan, hierdoor vallen deze middelen vrij.

Vraag 3

Betekent een verkorting van de Werkloosheidswet (WW) automatisch een verkorting van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), specifiek de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)? Welke artikelen in de wet maken dat deze doorwerking bestaat? Op welke manier kan deze doorwerking voorkomen worden?

Antwoord 3

Een aanpassing van de WW-duur werkt niet automatisch door in de WIA. Tot de inwerkingtreding van de WIA was iemand die gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en een gedeeltelijke WAO-uitkering had, ook aangewezen op een gedeeltelijke WW-uitkering. Dit was erg complex. Daarom is er bij de invoering van de WIA in 2006 voor gekozen de werkloosheidsuitkering te integreren in de WIA. Dit betekende een belangrijke vereenvoudiging van het stelsel. Vanwege deze incorporatie van de WW in de Wet WIA (artikel 59 Wet WIA) kent de eerste fase van de WGA, de loongerelateerde uitkering, een systematiek (hoogte en duur) die gelijk is aan de WW. In beide wetten zijn bepalingen opgenomen om te voorkomen dat er na het ontvangen van de maximumduur van de WGA-uitkering alsnog een recht op WW-uitkering kan ontstaan.

Vraag 4

In hoeverre komt er minder geld beschikbaar voor gemeentelijke minimaregelingen omdat de huurtoeslag en het kindgebonden budget verhoogd worden?

Antwoord 4

De middelen voor gemeentelijke minimaregelingen zijn middelen die op de begroting van gemeenten zelf staan en afkomstig zijn uit het gemeentefonds. Er is geen directe koppeling tussen deze middelen en de extra middelen die het kabinet vrij maakt voor de huurtoeslag en het kindgebonden budget.

Vraag 5

In de dekkingsmaatregelen en uitvoeringsinformatie SZW in de Miljoenennota is te lezen dat de uitvoeringstegenvaller van 252 miljoen euro op de WIA in 2025 intertemporeel gedekt wordt op de SZW-begroting; waar komt deze dekking precies vandaan?

Antwoord 5

De tegenvaller op de WIA is onderdeel van de uitvoeringstegenvaller op de SZW-begroting. De grootste dekkingsbron is de beleidsmatige vrijval van middelen voor de verruiming van het loonkostenvoordeel Banenafspraak, onderdeel van het wetsvoorstel Vereenvoudiging Banenafspraak. Dit wetsvoorstel wordt met een jaar uitgesteld, waardoor er in 2026 middelen vrijvallen. Daarnaast is de invoering van het wetsvoorstel Participatiewet in balans met een half jaar uitgesteld. Dit zorgt voor lagere uitgaven in 2025, deze vrijval is ook ingezet. Deze wetsvoorstellen zijn niet uitgesteld ten behoeve van de uitvoeringstegenvaller maar de beoogde invoeringsdata waren niet langer haalbaar. Verder worden er onder meer middelen aangewend die gereserveerd waren om gemeenten te compenseren voor de beoogde bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) voor medewerkers in de Wet Sociale werkvoorziening (Wsw) met 1,2% per 1 juli 2024. Deze bijzondere verhoging is niet doorgegaan, hierdoor vallen deze middelen vrij.

Vraag 6

Op pagina 52 van de Miljoenennota staat een tabel waarin zichtbaar is dat er 75 miljoen structureel beschikbaar komt voor een integraal pakket problematische schulden, startend met 24 miljoen; waarom bouwt dit bedrag op naar 100 miljoen vanaf 2028?

Antwoord 6

De reeks loopt in 2028 op naar € 100 miljoen, omdat voor de realisatie van de maatregelen één loket voor overheidsincasso en een integraal schuldenoverzicht vanaf dat jaar meer middelen benodigd zijn. De structurele middelen komen uit op € 75 miljoen, omdat de structureel benodigde onderhoudskosten voor het integraal schuldenoverzicht lager zijn dan de implementatiekosten in de periode tot en met 2030.

Vraag 7

Hoe vaak heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) in 2023 een overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) vastgesteld? Hoe vaak heeft de NLA in 2023 een werkgever die in overtreding was vervolgens verzocht om het onbetaalde loon van een werknemer alsnog uit te betalen? In hoeveel van de gevallen is dat vervolgens ook daadwerkelijk uitbetaald?

Antwoord 7

De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in 2023 bij 1.229 werkgevers een WML-onderzoek gedaan en daarvan bij 189 werkgevers een geconstateerd feit met betrekking tot onderbetaling gevonden waarbij 498 werknemers waren betrokken. Daarvan heeft de Arbeidsinspectie bij 166 werkgevers een verzoek tot nabetaling gedaan. Daarbij is relevant dat niet alle wetsartikelen van de WML gaan over onderbetaling. In hoeveel gevallen ook daadwerkelijk is uitbetaald valt over deze periode nog niet te zeggen omdat veel handhavingstrajecten hiervan nog lopen.

Vraag 8

Hoe vaak heeft de NLA in 2023 een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) vastgesteld? In hoeveel gevallen heeft de NLA na zo’n vaststelling ook een onderzoek ingesteld naar het Wml? In hoeveel gevallen is de werkgevers vervolgens ook verzocht het onbetaalde loon te betalen en zijn de werknemers ook uitbetaald?

Antwoord 8

In 2023 heeft de Arbeidsinspectie 2.531 werkgevers geïnspecteerd op naleving van de WAV en daarvan bij 845 werkgevers een geconstateerd feit met betrekking tot de WAV gevonden. Hierbij waren 1.845 werknemers betrokken. Bij de 845 werkgevers met een geconstateerd feit op de WAV, heeft de Arbeidsinspectie 284 keer ook een onderzoek naar de naleving van de WML gedaan. En daarbij 154 keer een geconstateerd feit met betrekking tot onderbetaling gevonden. Daarvan hebben we bij 115 werkgevers een verzoek tot nabetaling gedaan. Relevant daarbij is dat deze 284 WML-onderzoeken een subset zijn uit het antwoord op vraag 7. In hoeveel gevallen ook daadwerkelijk is uitbetaald valt over deze periode nog niet te zeggen omdat veel handhavingstrajecten hiervan nog lopen.

Vraag 9

Hoe vaak is de wet Ketenaansprakelijkheid toegepast om tot effectieve nabetaling van werknemers te komen? Is er in deze gevallen ook daadwerkelijk door werkgevers of opdrachtgevers in de keten uitbetaald?

Antwoord 9

Er is geen zicht op hoe vaak werknemers ketenaansprakelijkheid voor loon inroepen om tot effectieve nabetaling te komen. Dit is een civielrechtelijke aansprakelijkheid. Er is daarbij ook geen zicht of er daadwerkelijk door werkgevers of opdrachtgevers in de keten is uitbetaald toen de werknemer zich meldde bij de opdrachtgever, of dat hier procedures over gevoerd moesten worden. Wel blijkt uit de evaluatie van de Wet aanpak schijnconstructies (Was), waarmee ketenaansprakelijkheid voor loon is geïntroduceerd, dat ketenaansprakelijkheid ook een preventieve werking heeft. Dit blijkt uit het feit dat in verschillende sectoren preventieve maatregelen zijn genomen om correcte betaling te waarborgen, zoals sectorale keurmerken. Tevens is de bewustwording over het belang van naleving van de geldende arbeidsvoorwaarden in de keten toegenomen. Daarnaast is zichtbaar dat ketenaansprakelijkheid niet alleen door individuele werknemers wordt ingeroepen, maar ook wordt gebruikt door vakbonden om onderbetaling tegen te gaan. Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RBNNE:2020:4471, Rechtbank Noord-Nederland, 7123230 CV EXPL 18-7167 (rechtspraak.nl)

Vraag 10

In het kader van bestaanszekerheid: welke definities bestaan er voor het aantal chronisch zieken in Nederland en hoeveel volwassenen en kinderen zouden onder deze definities vallen in de huidige bevolking?

Antwoord 10

Een eenduidige definitie van deze groep bestaat niet. Op basis van de Nivel zorgregistraties 1e lijn gaan we uit van ruim 10 miljoen mensen met een chronische aandoening.1 Van de groep met een chronische aandoening heeft in 2023 5,5 miljoen personen gedurende 2023 contact gehad met de huisarts.2Op basis van deze definitie komt het aantal kinderen met een chronische aandoening uit op circa 1,5 miljoen (40% van totaal). Onderzoek van het Verwey Jonker instituut en het Nivel komen voor 0 tot 25 jaar uit op een circa een kwart van deze groep, wat een vergelijkbaar percentage is als waar het Universiteit Medisch Centrum Utrecht op uit is gekomen (27% van de kinderen). Daarnaast is op basis van de gezondheidsenquête van het CBS bekend dat ongeveer 30% van de mensen 1 of meerdere langdurige aandoeningen heeft.

Daarnaast zijn er in het verleden regelingen geweest om bepaalde groepen te compenseren, bijvoorbeeld de compensatieregelingen eigen risico (CER) en de algemene tegemoetkoming op basis van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg). Op basis van de criteria (zorggebruik en zorgindicaties) betrof de doelgroep van die regelingen destijds circa 2 miljoen personen (zie ook onderstaande vragen).

Vraag 11

In het kader van bestaanszekerheid: welke criteria golden er om in aanmerking te komen voor de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapte toen deze werd afgeschaft en hoeveel mensen zouden ervoor in aanmerking komen als deze nu zou worden ingevoerd?

Antwoord 11

Bij het vaststellen of een persoon recht had op een tegemoetkoming op grond van de Wtcg en voor de hoogte van de tegemoetkoming baseerde het CAK zich op de afbakeningscriteria die door de Minister van VWS waren vastgesteld. De wet is per 2014 afgeschaft.

In de Wtcg waren een zevental criteria benoemd op basis waarvan de doelgroep wordt gevonden en op basis waarvan de hoogte van de tegemoetkoming wordt bepaald. Het betreft de volgende criteria:

1. Het gebruik van ziekenhuiszorg voor een specifieke aandoening

2. Het gebruik van geneesmiddelen voor een specifieke aandoening

3. Het gebruik van revalidatiezorg

4. Het gebruik van (chronische) fysiotherapie

5. Het gebruik van gespecificeerde hulpmiddelen

6. Indicatie AWBZ-zorg (intramuraal en extramuraal)

7. Indicatie Wmo-zorg (intramuraal en extramuraal).

Later is daar de hoogte van het inkomen als criteria bijgekomen.

Het is niet bekend hoeveel mensen anno 2024 in aanmerking zouden komen voor de Wtcg. Bij invoering in 2009 betrof het aantal rechthebbenden ruim 2 miljoen personen, wat werd verlaagd tot 1,3 miljoen toen de regeling inkomensafhankelijk werd (2013). Het is aannemelijk dat dit aantal conform deze definitie iets is toegenomen door stijging van de gemiddelde leeftijd en de toename van aantal chronisch zieken.

De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van VWS merkt tot slot op dat bij de Wtcg op basis van zorggebruik of indicatie aannemelijk werd geacht dat er sprake was van een chronische aandoening of beperking met bijbehorende meerkosten, waarbij dit in de werkelijkheid genuanceerder bleek te liggen (veel mensen vonden dat ze onterecht bestempeld werden als chronisch ziek of beperkt). Ook was de regeling lastig uitvoerbaar.

Vraag 12

In het kader van bestaanszekerheid: welke criteria golden er om in aanmerking te komen voor de Compensatieregeling Eigen Risico (CER-)regeling toen deze werd afgeschaft en hoeveel mensen zouden ervoor in aanmerking komen als deze nu zou worden ingevoerd?

Antwoord 12

De beoogde doelgroep voor de CER-uitkering bestond uit chronisch zieken en gehandicapten die op grond van een chronische aandoening meerdere jaren achtereen hun verplicht eigen risico voor de zorgverzekering zouden volmaken. Omdat er geen bruikbare definitie van «chronisch ziek of gehandicapt» is, werd destijds de doelgroep op basis van zorggebruik bepaald. Verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten en verzekerden die langdurig in een instelling voor langdurige zorg verbleven hadden recht op een CER-uitkering. In nadere regelgeving is de precieze invulling bepaald. Deze voorwaarden zijn tussen de introductie in 2008 en afschaffing in 2015 verschillende malen aangepast, maar kwamen in hoofdlijnen neer op:

• Verzekerden die minimaal 180 dagdoseringen van (bepaalde) medicijnen gebruikten in de twee jaren voorafgaand aan het jaar waarin zij de CER ontvingen (in het risicovereveningssysteem in bepaalde jaren in een bepaalde farmaceutische kostengroep, FKG, waren ingedeeld).

• Verzekerden die hoge kosten voor medisch-specialistische zorg hadden gemaakt (in het risicovereveningsysteem in bepaalde jaren in een bepaalde diagnose kostengroep, DKG, waren ingedeeld).

• Mensen die op 1 juli van enig jaar meer dan een half jaar aaneensloten in een AWBZ-instelling verbleven.

Voor de volledigheid merkt de Minister van VWS op dat de regeling ongericht en ondoelmatig bleek. Een aanzienlijk deel van de mensen die tot de doelgroep zouden moeten behoren (oftewel mensen die meerdere jaren achtereen hun verplicht eigen risico voor de zorgverzekering zouden volmaken), kregen de compensatie niet. En andersom was er van de mensen die niet tot de doelgroep zouden behoren (die dus niet het eigen risico volmaakten) een aanzienlijk deel die de compensatie wel kregen. Voor deze, en andere vergelijkbare regelingen die destijds zijn afgeschaft, is een deel van de financiële middelen structureel aan het gemeentefonds toegevoegd (370 miljoen per jaar cf. huidige prijspeil), die wordt ingezet voor de zorg- en hulpbehoeften van hun burgers.

In 2013 betrof het circa 2,2 miljoen rechthebbenden. Het is aannemelijk dat dit aantal conform deze definitie iets is toegenomen door stijging van de gemiddelde leeftijd en de toename van het aantal chronisch zieken.

Vraag 13

In het kader van bestaanszekerheid: hoeveel mensen maken hun eigen risico vol?

Antwoord 13

Voor 2024 wordt ervan uitgegaan dat 7,2 miljoen mensen (ongeveer 50% van de volwassen verzekerden) hun volledige verplicht eigen risico hebben volgemaakt.

Vraag 14

In het kader van bestaanszekerheid: hoeveel mensen maken naar schatting al drie jaar op rij hun eigen risico vol?

Antwoord 14

De meest recente data is beschikbaar over de periode 2019 tot en met 2021. Gedurende deze periode maakten ongeveer 4 miljoen mensen drie jaar op rij hun verplicht eigen risico vol.

Vraag 15

In het kader van bestaanszekerheid: hoeveel mensen maken naar schatting al vijf jaar op rij hun eigen risico vol?

Antwoord 15

De meest recente data is beschikbaar over de periode 2017 tot en met 2021. Gedurende deze periode maakten ongeveer 3 miljoen mensen vijf jaar op rij hun verplicht eigen risico vol.

Vraag 16

In het kader van bestaanszekerheid: hoeveel mensen maken naar schatting al zeven jaar op rij hun eigen risico vol?

Antwoord 16

De meest recente data is beschikbaar over de periode 2015 tot en met 2021. Gedurende deze periode maakten ongeveer 2,5 miljoen mensen zeven jaar op rij hun verplicht eigen risico vol.

Vraag 17

In het kader van bestaanszekerheid: hoeveel mensen maken naar schatting al tien jaar op rij hun eigen risico vol?

Antwoord 17

De meest recente data is beschikbaar over de periode 2012 tot en met 2021. Gedurende deze periode maakten ongeveer 2 miljoen mensen tien jaar op rij hun verplicht eigen risico vol.

Vraag 18

Wat is de financiering van de NLA in de jaren 2020, 2021, 2022, 2023, 2024, 2025, 2026 en 2027? Welke fte's horen daarbij?

Antwoord 18

2020 152 1.387
2021 162 1.510
2022 172 1.591
2023 194 1.753
2024 224 1.759
2025 217 1.828
2026 219 1.817
2027 219 1.807

Ter toelichting: De cijfers tot en met 2023 hebben als bron de jaarverslagen van de inspectie.3 Het opgenomen getal budget 2024 is de huidige prognose van de financiering 2024 tot eind van het jaar. De jaren 2025 en verder hebben als bron de stand van de budgetten van de Arbeidsinspectie in de SZW-begroting inclusief nog te verwerken toegezegde aanpassingen.

In de groei van de bezetting van ultimo 2022 naar ultimo 2023 is de uitbreiding van de Arbeidsinspectie met 90 fte voor de WTTA opgenomen. Deze fte worden in afwachting van de invoering van de WTTA ingezet voor controles op uitzendbureaus. In de brief aan de kamer «Uitvoering en lagere regelgeving Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten» van 25 oktober 2024 is aangekondigd dat het toezicht van de Arbeidsinspectie op de uitzendsector in aanvulling hierop vanaf 2025 verder wordt geïntensiveerd met 35 fte. Daarbij is er vanaf 2025 ook een uitbreiding voor het uitvoeren van de Wet gegevensuitwisseling samenwerkingsverbanden voorzien.

Het verschil in budget tussen 2024 en 2025 is vooral te verklaren doordat er in de loop van een begrotingsjaar nog budgetten bijkomen. Met name voor ICT komt op basis van investeringsplannen na goedkeuring het budget in de loop van volgend jaar ter beschikking. Ook voor medewerkers banenafspraak wordt in de loop van het jaar op basis van werkelijk aantal in dienst zijnde medewerkers uit deze groep deels dekkende vergoeding in het budget ter beschikking gesteld. Deze middelen zijn nog niet verwerkt in de tabel in het budget voor de jaren 2025 en verder.

Vraag 19

Hoeveel intakes met mogelijke slachtoffers van arbeidsuitbuiting heeft de directie Opsporing van de NLA in 2023 gevoerd? In hoeveel gevallen is de geringste aanwijzing vastgesteld en de bedenktijd aangeboden? In hoeveel gevallen is er vervolgens aangifte gedaan? In hoeveel gevallen heeft dit geleid tot een onderzoek naar arbeidsuitbuiting? Hoeveel van deze zaken zijn er vervolgens geseponeerd? Hoeveel van deze zaken hebben geleid tot een rechtszaak? In hoeveel van deze gevallen is er een veroordeling van arbeidsuitbuiting uit voortgekomen?

Antwoord 19

De Arbeidsinspectie publiceert geregeld over haar werkwijze, werkzaamheden en resultaten ten aanzien van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling. Zie onder meer de uitgebreide rapportage over haar aanpak in 20214, verschillende monitors5 en factsheets6, en het jaarverslag 2023 van de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie.7 Deze informatie tezamen geeft een goed beeld van de prestaties en doorontwikkeling.

Uit de factsheet 2023 en het jaarverslag 2023 van de Opsporingsdienst blijkt het volgende. In 2023 heeft de Arbeidsinspectie 47 intakes gevoerd met potentiële slachtoffers.

Er zijn 33 geringste aanwijzingen vastgesteld, waarna 28 slachtoffers aangifte hebben gedaan. In 2023 zijn 11 onderzoeken arbeidsuitbuiting afgerond door de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie, waaronder 6 ontnemingsdossiers. In een ontnemingsdossier wordt aangegeven wat de geschatte verdiensten zijn van de verdachte aan een strafbaar feit.

Daarnaast blijkt uit de factsheet 2023 dat in 2023 in totaal 225 meldingen over mogelijke ernstige benadeling zijn binnengekomen. In 2023 zijn 38 onderzoeken afgesloten waarbij ernstige benadeling is geconstateerd. Daarbij werden 182 werkenden ernstig benadeeld. Dit betreft vooral Nederlanders (18%) en Chinezen (13%).

Er kan geen antwoord gegeven worden op de vraag hoeveel onderzoeken arbeidsuitbuiting zijn gevolgd door een sepot of tot een rechtszaak en veroordelingen. Immers, de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie is verantwoordelijk voor een zaak tot en met het inleveren van een proces verbaal bij het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. Het Functioneel Parket is verantwoordelijk voor de resultaten met betrekking tot de verdere afdoeningen, zoals strafzaken waarin het Functioneel Parket een straf heeft opgelegd of tot een sepot is gekomen, dan wel waarin een rechtbank uitspraak heeft gedaan. Daarbij wordt opgemerkt dat de resultaten van het Functioneel Parket veelal zien op strafzaken die de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie eerder (soms jaren) heeft afgerond.

Vraag 20

Hoe vaak heeft een werkplekinspectie in 2023 van de NLA geleid tot een intake en aangifte van een mogelijk slachtoffer van arbeidsuitbuiting? Hoe vaak heeft dit vervolgens geleid tot een onderzoek en rechtszaak?

Antwoord 20

Deze vraag is niet te beantwoorden omdat dit niet exact centraal wordt geregistreerd. In algemene zin geldt dat de meeste intakes en aangiftes voortkomen uit meldingen. Die meldingen kunnen komen vanuit de mensen zelf, collega’s, andere diensten, gemeenten of de eigen organisatie.

Naast de situaties van mogelijke arbeidsuitbuiting in strafrechtelijke zin onderscheidt de Arbeidsinspectie ook situaties van mogelijke ernstige benadeling. In 2023 betrof dit 38 onderzoeken waarbij 182 werkenden ernstig zijn benadeeld.8 Voor een uitgebreidere beschrijving van de werkwijze en resultaten van de Arbeidsinspectie wordt verwezen naar de verschillende publicaties die in het antwoord op vraag 19 worden genoemd.

Ter illustratie van de afwegingen waarvoor mensen die slachtoffer van arbeidsuitbuiting zijn, kunnen staan, wordt verwezen naar de ervaringen van vier vrachtwagenchauffeurs. Hun ervaringen staan beschreven in het jaarverslag 2023 van de Arbeidsinspectie.9

Vraag 21

Kunt u aangeven hoeveel geld het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) uitgeeft aan lobby-activiteiten?

Antwoord 21

UWV heeft geen afzonderlijke begrote middelen voor lobby-activiteiten. Wel is het voeren van gesprekken met maatschappelijke en politieke stakeholders onlosmakelijk verbonden met de uitvoering van de maatschappelijke opdracht van UWV. Het gaat hierbij onder meer om contact met cliëntenraden, vakbonden, werkgeversorganisaties, de Nationale ombudsman, verzekeraars, pensioenfondsen, uitzendsectorbedrijven, arbodiensten, Kamerleden, gemeenten en andere publieke dienstverleners zoals SVB, DUO en Belastingdienst. Bij politieke wensen en vragen uit de samenleving om maatregelen te treffen zijn haalbaarheid en uitvoerbaarheid steevast belangrijke punten van aandacht evenals de gevolgen ervan, zowel bedoeld als onbedoeld, positief of negatief, voor de cliënten van UWV. Daarbij wordt van publieke dienstverleners steeds meer verwacht om dit gesprek proactief te voeren en relevante informatie actief te delen. Het belang hiervan wordt onder andere benadrukt in het eindrapport «Klem tussen balie en beleid» van de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties (TCU).

Vraag 22

Kunt u aangeven welk deel van het budget voor het UWV gereserveerd is voor externe inhuur?

Antwoord 22

UWV heeft voor 2024 een bedrag van € 147,5 miljoen begroot voor externe inhuur.

Vraag 23

Kunt u aangegeven onder welke post vervanging van ziekte of zwangerschap bij eigen personeel opgenomen is in de begroting van het UWV?

Antwoord 23

Deze vervanging wordt in de UWV-begroting niet gebudgetteerd.

Vraag 24

Kunt u aangeven hoeveel fte er begroot is voor het beantwoorden van schriftelijke vragen vanuit de Tweede Kamer?

Antwoord 24

Het Ministerie van SZW begroot geen afzonderlijke fte voor het beantwoorden van schriftelijke vragen vanuit de Tweede Kamer. Het beantwoorden van Kamervragen is onderdeel van het reguliere werk van beleidsambtenaren en medewerkers van de staf. In algemene zin kan worden aangegeven dat bijvoorbeeld het beantwoorden van deze schriftelijke vragen bij de begroting binnen de gevraagde deadline de inzet vraagt van veel medewerkers van het Ministerie van SZW en van andere betrokkenen, waaronder de uitvoeringsorganisaties.

Vraag 25

Kunt u aangeven hoeveel fte werkzaam is op het Ministerie van SZW en hoe het verloop daarvan is in de laatste tien jaar?

Antwoord 25

Onderstaande tabel geeft het overzicht van het verloop van het aantal fte voor de laatste 10 jaar voor SZW kerndepartement, de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) en de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA).

20151 879 905 12 1.797
20161 993 996 260 2.248
2017 1.100 1.128 398 2.626
2018 1.181 1.248 616 3.044
2019 1.224 1.334 754 3.312
2020 1.306 1.386 1.048 3.739
2021 1.423 1.511 1.190 4.124
2022 1.618 1.591 1.281 4.490
2023 1.736 1.752 1.359 4.847
09/2024 1.784 1.795 1.377 4.956

1 Het aantal FTE voor 2015 en 2016 kan niet geverifieerd worden aangezien de brondata niet beschikbaar is.

Bron: P-Direkt

Vraag 26

Hoeveel budget heeft u gereserveerd voor de hervorming van de WIA?

Antwoord 26

Het rapport van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) wordt momenteel uitgewerkt in beleidsopties. Op dit moment is nog niet duidelijk welke maatregelen genomen gaan worden en welk financieel beslag die hebben.

Er zijn geen middelen specifiek gereserveerd voor een hervorming van de WIA. In de envelop «groepen in de knel» is een reservering opgenomen voor een aantal beleidsonderwerpen, waaronder de uitwerking van de voorstellen OCTAS.

Het bedrag van deze reservering varieert in de komende jaren tussen de € 100 en € 200 miljoen en bedraagt vanaf 2039 structureel € 412 miljoen. Deze middelen zijn niet specifiek gereserveerd voor hervorming van de WIA.

Vraag 27

Welke wijziging in beleid en bij de uitvoerende organisaties is er nodig om kinderbijslag per maand uit te keren in plaats van per kwartaal?

Antwoord 27

Momenteel is niet in kaart gebracht wat er exact nodig is om de kinderbijslag per maand uit te keren in plaats van per kwartaal. In ieder geval zou er wetswijziging nodig zijn, waarbij een wetstraject zo’n twee jaar duurt. Daarna volgt nog een nader te bepalen periode voor implementatie.

De huidige uitvoeringspraktijk zal aangepast moeten worden. Het per maand uitbetalen is uitvoeringstechnisch mogelijk, maar er zijn wijzigingen nodig in de ICT-systemen en werkwijzen van de SVB omdat deze nu zijn ingericht op uitbetaling per kwartaal. Het aanpassen van de ICT kost capaciteit en tijd. Momenteel is de peildatum van de kinderbijslag op de eerste dag van het kalenderkwartaal. Op deze datum wordt bekeken door de SVB wat het recht is op de zogenaamde peildatum. Wanneer de kinderbijslag maandelijks uitbetaald zou worden, zou ook moeten gekeken worden welk peilmoment daarbij past. Als bij maandelijks uitbetalen de kinderbijslag ook maandelijks gepeild zou moeten worden, zouden er 8 peilmomenten worden toegevoegd aan de kinderbijslag, daar waar het er nu 4 zijn (kwartaalsystematiek). Hier zal door de SVB een uitvoeringstoets op moeten worden uitgebracht om na te gaan wat de exacte gevolgen voor de uitvoering zijn.

Verder leidt het maandelijks uitkeren van kinderbijslag in plaats van per kwartaal tot incidentele uitvoeringskosten als gevolg van systeemwijzigingen. Mogelijk leidt deze wijziging ook tot een toename van de structurele uitvoeringskosten, dit vanwege de wijziging van 4 naar 12 betalingen per jaar.

Vraag 28

Welke stijging heeft een bijstandsuitkering (alleenstaand en samenwonend) doorgemaakt tussen 2009 en 2024 in percentage en absolute euro’s? Kunt u hiervan een grafiek tonen en een tabel met een uitsplitsing per halfjaarlijkse stijging in percentage en euro’s?

Antwoord 28

In de onderstaande tabel worden de normbedragen voor de bijstandsuitkering voor alleenstaanden en samenwonenden gegeven. Daarbij moet worden opgemerkt dat de norm voor alleenstaanden tot 1 januari 2015 op een andere systematiek gebaseerd was. Het normbedrag op basis van het toenmalige artikel 21 van de Wet werk en bijstand was een basisnorm en bedroeg 50% van de norm voor gehuwden. Daarnaast konden alleenstaanden een toeslag krijgen als zij noodzakelijke bestaanskosten niet of beperkt konden delen met in aanmerking te nemen medebewoners.10 Deze toeslag was geregeld in het toenmalige artikel 25 van de Wet werk en bijstand. Het was aan het college om de hoogte van de toeslag te bepalen. Het artikel schreef wel een maximale hoogte van de toeslag voor, gelijk aan 20% van de gehuwdennorm. Deze maximale toeslag is voor de volledigheid in de tabel opgenomen en in de grafiek gevisualiseerd. Met de invoering van de uniforme kostendelersnorm per 1-1-2015 is afgestapt van deze systematiek (Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten, Stb 2014–269). Sindsdien is de bijstandsnorm voor alleenstaanden, voor eventuele toepassing van de kostendelersnorm, 70% van de gehuwdennorm.

1-1-2009 € 641,931 € 256,77 € 5,24 0,82% € 1.283,86 € 10,49 0,82%
1-7-2009 € 647,541 € 259,01 € 5,61 0,87% € 1.295,07 € 11,21 0,87%
1-1-2010 € 649,521 € 259,81 € 1,98 0,31% € 1.299,04 € 3,97 0,31%
1-7-2010 € 652,191 € 260,87 € 2,67 0,41% € 1.304,37 € 5,33 0,41%
1-1-2011 € 656,931 € 262,77 € 4,74 0,73% € 1.313,85 € 9,48 0,73%
1-7-2011 € 659,931 € 263,97 € 3,00 0,46% € 1.319,85 € 6,00 0,46%
1-1-2012 € 668,211 € 267,28 € 8,28 1,25% € 1.336,42 € 16,57 1,26%
1-7-2012 € 668,441 € 267,37 € 0,23 0,03% € 1.336,87 € 0,45 0,03%
1-1-2013 € 660,981 € 264,39 € -7,46 – 1,12% € 1.321,96 € -14,91 – 1,12%
1-7-2013 € 661,771 € 264,71 € 0,79 0,12% € 1.323,53 € 1,57 0,12%
1-1-2014 € 677,271 € 270,91 € 15,50 2,34% € 1.354,54 € 31,01 2,34%
1-7-2014 € 679,751 € 271,90 € 2,48 0,37% € 1.359,49 € 4,95 0,37%
1-1-2015 € 960,83 € 281,08 41,35% € 1.372,62 € 13,13 0,97%
1-7-2015 € 962,63 € 1,80 0,19% € 1.375,18 € 2,56 0,19%
1-1-2016 € 972,70 € 10,07 1,05% € 1.389,75 € 14,57 1,06%
1-7-2016 € 977,15 € 4,45 0,46% € 1.395,93 € 6,18 0,44%
1-1-2017 € 982,79 € 5,64 0,58% € 1.403,98 € 8,05 0,58%
1-7-2017 € 986,52 € 3,73 0,38% € 1.409,31 € 5,33 0,38%
1-1-2018 € 992,12 € 5,60 0,57% € 1.417,32 € 8,01 0,57%
1-7-2018 € 996,56 € 4,44 0,45% € 1.423,66 € 6,34 0,45%
1-1-2019 € 1.025,55 € 28,99 2,91% € 1.465,07 € 41,41 2,91%
1-7-2019 € 1.030,42 € 4,87 0,47% € 1.472,03 € 6,96 0,48%
1-1-2020 € 1.052,32 € 21,90 2,13% € 1.503,31 € 31,28 2,12%
1-7-2020 € 1.059,03 € 6,71 0,64% € 1.512,90 € 9,59 0,64%
1-1-2021 € 1.075,44 € 16,41 1,55% € 1.536,34 € 23,44 1,55%
1-7-2021 € 1.078,70 € 3,26 0,30% € 1.541,00 € 4,66 0,30%
1-1-2022 € 1.091,71 € 13,01 1,21% € 1.559,58 € 18,58 1,21%
1-7-2022 € 1.101,82 € 10,11 0,93% € 1.574,03 € 14,45 0,93%
1-1-2023 € 1.195,66 € 93,84 8,52% € 1.708,08 € 134,05 8,52%
1-7-2023 € 1.216,62 € 20,96 1,75% € 1.738,02 € 29,94 1,75%
1-1-2024 € 1.283,83 € 67,21 5,52% € 1.834,04 € 96,02 5,52%
1-7-2024 € 1.308,45 € 24,62 1,92% € 1.869,21 € 35,17 1,92%

1 Normbedrag alleenstaande op basis van Wet Werk en Bijstand

Bron: normenbrieven SZW

Vraag 29

Welke stijging heeft een WW-uitkering doorgemaakt tussen 2009 en 2024 in percentage en absolute euro’s? Kunt u dit in een grafiek weergeven en in een tabel met een uitsplitsing per halfjaarlijkse stijging in percentage en euro’s?

Antwoord 29

Onderstaand de gevraagde cijfers per jaar. Halfjaarlijkse cijfers heeft UWV niet voorhanden.

2009 270,0
2010 263,8
2011 269,9 19.074 Juninota 2012
2012 340,2 18.979 0% Juninota 2013
2013 437,7 19.128 1% Juninota 2014
2014 440,9 18.891 – 1% Juninota 2015
2015 445,9 18.774 – 1% Juninota 2016
2016 412,0 16.931 – 10% Juninota 2017
2017 330,0 17.306 2% Juninota 2018
2018 262,7 17.940 4% Juninota 2019
2019 223,5 18.907 5% Juninota 2020
2020 285,7 18.939 0% Juninota 2021
2021 191,8 19.035 1% Juninota 2022
2022 149,2 19.973 5% Juninota 2023
2023 160,8 22.438 12% Juninota 2024
20241 179,4 23.926 7% Juninota 2024
1 Cijfers over 2024 zijn ramingen.

Vraag 30

Welke stijging heeft een Algemene Ouderdomswet (AOW-)uitkering (alleenstaand en samenwonend) doorgemaakt tussen 2009 en 2024 in percentage en absolute euro’s? Kunt u dit in een grafiek weergeven en in een tabel met een uitsplitsing per halfjaarlijkse stijging in percentage en euro’s?

Antwoord 30

In grafiek 1 wordt de toename van de bruto AOW inclusief vakantietoeslag en IOAOW (inkomensondersteuning AOW) per half jaar voor alleenstaanden en gehuwden weergegeven in absolute euro’s. In grafiek 2 wordt de procentuele toename van de bruto AOW inclusief vakantietoeslag en IOAOW per half jaar voor alleenstaanden en gehuwden weergegeven. In de tabel zijn de onderliggende cijfers van de twee grafieken inzichtelijk gemaakt.

De halfjaarlijkse stijging van de netto AOW is grotendeels afhankelijk van de stijging van het netto WML (Wet minimumloon). Daarnaast wordt het vakantiegeld afgeleid van het wettelijke vakantiegeld van 8% dat hoort bij het minimumloon. De hoogte van de IOAOW wordt eens per jaar vastgesteld, hierdoor is de toename van de bruto AOW inclusief vakantiegeld en IOAOW in juli doorgaans lager dan in januari. Dit resulteert in een golfbeweging in grafiek 1 en 2. De IOAOW is per 1 januari 2023 verlaagd naar € 5 per jaar en wordt per 1 januari 2025 afgeschaft. De relatief hoge toename van de bruto AOW in de jaren 2022 tot en met 2024 is het gevolg van de hogere indexatie van het minimumloon als gevolg van de hogere inflatiecijfers.

1-1-2009 € 0,00 0% € 0,00 0%
1-7-2009 € 7,55 0,98% € 9,91 0,90%
1-1-2010 € 2,39 0,31% € 4,40 0,40%
1-7-2010 € 2,88 0,37% € 4,84 0,43%
1-1-2011 € 9,06 1,15% € 12,05 1,07%
1-7-2011 € 3,78 0,48% € 5,72 0,51%
1-1-2012 € 6,34 0,80% € 8,99 0,79%
1-7-2012 € 3,05 0,38% € 3,99 0,35%
1-1-2013 € 1,07 0,13% € 9,19 0,80%
1-7-2013 € 1,03 0,13% € 2,27 0,20%
1-1-2014 € 9,37 1,16% € 13,75 1,18%
1-7-2014 € 3,38 0,42% € 5,82 0,49%
1-1-2015 € 1,97 0,24% € 5,05 0,43%
1-7-2015 € 2,78 0,34% € 3,90 0,33%
1-1-2016 € 16,75 2,01% € 24,94 2,06%
1-7-2016 € 5,59 0,67% € 7,49 0,62%
1-1-2017 € 5,16 0,61% € 7,76 0,63%
1-7-2017 € 5,49 0,64% € 6,99 0,57%
1-1-2018 € 7,66 0,89% € 12,80 1,03%
1-7-2018 € 6,14 0,71% € 7,01 0,56%
1-1-2019 € 21,76 2,45% € 36,49 2,83%
1-7-2019 € 6,97 0,78% € 9,94 0,77%
1-1-2020 € 17,25 1,89% € 29,72 2,24%
1-7-2020 € 8,44 0,92% € 11,95 0,89%
1-1-2021 € 15,59 1,67% € 24,57 1,80%
1-7-2021 € 5,46 0,58% € 8,13 0,59%
1-1-2022 € 10,96 1,15% € 14,75 1,06%
1-7-2022 € 12,20 1,27% € 16,93 1,21%
1-1-2023 € 61,45 5,99% € 98,33 6,54%
1-7-2023 € 22,39 2,14% € 31,66 2,06%
1-1-2024 € 54,54 4,95% € 83,50 5,16%
1-7-2024 € 21,39 1,90% € 30,36 1,84%

Vraag 31

Welke stijging heeft het wettelijk minimumloon doorgemaakt tussen 2009 en 2024 in percentage en absolute euro’s? Kunt u dit in een grafiek weergeven en in een tabel met een uitsplitsing per halfjaarlijkse stijging in percentage en euro’s?

Antwoord 31

Voor de beantwoording van deze vraag is voor de periode tot en met 2023 uitgegaan van het minimumloon per uur op basis van een 38-urige werkweek. Gekozen is voor een bedrag per uur, omdat een bedrag per uur beter te vergelijken is met het minimumuurloon dat per 1 januari 2024 is ingevoerd, en dat volledig is gebaseerd op een 36-urige werkweek. Gekozen is voor één bedrag, omwille van de eenvoud van de grafiek en het beperken van het aantal cijfers in de tabel. Gekozen is voor het bedrag op basis van de 38-urige werkweek, omdat dit bedrag het midden houdt tussen het hogere bedrag (op basis van een 36-urige werkweek) en het lagere bedrag (op basis van een 40-urige werkweek) waardoor het terugkijkend het best de ontwikkeling weergeeft. Alle genoemde cijfers zijn bruto en exclusief wettelijk verplichte vakantiebijslag.

Per 1 januari 2009 bedroeg het minimumloon € 8,39 per uur voor personen van 23 jaar en ouder.

Per 1 juli 2024 bedraagt het minimumloon € 13,68 per uur voor personen van 21 jaar en ouder. In de periode 2009 – 2024 is het minimumloon in absolute termen met € 5,29 per uur gestegen. Dit komt overeen met een stijging van 63%.

2009 januari € 1.381,20 € 8,39
juli € 1.398,60 € 8,49 1,19%
2010 januari € 1.407,60 € 8,55 0,71% 1,91%
juli € 1.416,00 € 8,60 0,58%
2011 januari € 1.424,40 € 8,65 0,58% 1,17%
juli € 1.435,20 € 8,72 0,81%
2012 januari € 1.446,60 € 8,79 0,80% 1,62%
juli € 1.456,20 € 8,84 0,57%
2013 januari € 1.469,40 € 8,92 0,90% 1,48%
juli € 1.477,80 € 8,98 0,67%
2014 januari € 1.485,60 € 9,02 0,45% 1,12%
juli € 1.495,20 € 9,08 0,67%
2015 januari € 1.501,80 € 9,12 0,44% 1,11%
juli € 1.507,80 € 9,16 0,44%
2016 januari € 1.524,60 € 9,26 1,09% 1,54%
juli € 1.537,20 € 9,34 0,86%
2017 januari € 1.551,60 € 9,43 0,96% 1,84%
juli € 1.565,40 € 9,51 0,85%
2018 januari € 1.578,00 € 9,59 0,84% 1,70%
juli € 1.594,20 € 9,69 1,04%
2019 januari € 1.615,80 € 9,82 1,34% 2,40%
juli € 1.635,60 € 9,94 1,22%
2020 januari € 1.653,60 € 10,05 1,11% 2,34%
juli € 1.680,00 € 10,21 1,59%
2021 januari € 1.684,80 € 10,24 0,29% 1,89%
juli € 1.701,00 € 10,34 0,98%
2022 januari € 1.725,00 € 10,48 1,35% 2,34%
juli € 1.756,20 € 10,67 1,81%
2023 januari € 1.934,40 € 11,75 10,12% 12,12%
juli € 1.995,00 € 12,12 3,15%
2024 januari € 13,27 9,49% 12,94%
juli € 13,68 3,09%
2025 januari € 14,06 2,78% 5,95%

Vraag 32

Welke stijging heeft het wettelijk minimumjeugdloon doorgemaakt tussen 2009 en 2024 in percentage en absolute euro’s? Kunt u dit in een grafiek weergeven en in een tabel met een uitsplitsing per halfjaarlijkse stijging in percentage en euro’s?

Antwoord 32

Net als voor de beantwoording van vraag 31 is voor de periode tot en met 2023 uitgegaan van het minimumjeugdloon per uur op basis van een 38-urige werkweek. Die bedragen per uur zijn beter te vergelijken met het minimumuurloon dat per 1 januari 2024 is ingevoerd (op basis van een 36-urige werkweek). Alle genoemde cijfers zijn bruto en exclusief wettelijk verplichte vakantiebijslag.

Verder is hier uitgegaan van het bedrag dat geldt voor 18-jarigen.

Per 1 januari 2009 bedroeg het minimumjeugdloon voor 18-jarigen € 3,82 per uur.

Per 1 juli 2024 bedraagt het minimumloon voor 18-jarigen € 6,84 per uur. Dit komt overeen met 50% van het minimumloon voor personen van 21 jaar en ouder. In de periode 2009 – 2024 is het minimumloon in absolute termen met € 3,02 per uur gestegen. Dit komt overeen met een stijging van 79%.

2009 januari € 628,45 € 8,39
juli € 636,35 € 8,49 1,19%
2010 januari € 640,45 € 8,55 0,71% 1,91%
juli € 644,30 € 8,60 0,58%
2011 januari € 648,10 € 8,65 0,58% 1,17%
juli € 653,00 € 8,72 0,81%
2012 januari € 658,20 € 8,79 0,80% 1,62%
juli € 662,55 € 8,84 0,57%
2013 januari € 668,60 € 8,92 0,90% 1,48%
juli € 672,40 € 8,98 0,67%
2014 januari € 675,95 € 9,02 0,45% 1,12%
juli € 680,30 € 9,08 0,67%
2015 januari € 683,30 € 9,12 0,44% 1,11%
juli € 686,05 € 9,16 0,44%
2016 januari € 693,70 € 9,26 1,09% 1,54%
juli € 699,45 € 9,34 0,86%
2017 januari € 706,00 € 9,43 0,96% 1,84%
juli € 743,55 € 9,51 0,85%
2018 januari € 749,55 € 9,59 0,84% 1,70%
juli € 757,25 € 9,69 1,04%
2019 januari € 767,50 € 9,82 1,34% 2,40%
juli € 817,80 € 9,94 1,22%
2020 januari € 826,80 € 10,05 1,11% 2,34%
juli € 840,00 € 10,21 1,59%
2021 januari € 842,40 € 10,24 0,29% 1,89%
juli € 850,50 € 10,34 0,98%
2022 januari € 862,50 € 10,48 1,35% 2,34%
juli € 878,10 € 10,67 1,81%
2023 januari € 967,20 € 11,75 10,12% 12,12%
juli € 997,50 € 12,12 3,15%
2024 januari € 13,27 9,49% 12,94%
juli € 13,68 3,09%
2025 januari € 14,06 2,78% 5,95%

Vraag 33

Wat is de ontwikkeling geweest van het mediane brutoloon tussen 2009 en 2024? Kunt u dit uitsplitsen per jaar?

Antwoord 33

Het mediane bruto jaarloon is niet direct beschikbaar via CBS Statline. Wel is het mediane bruto persoonlijk inkomen beschikbaar.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van het mediane persoonlijk bruto inkomen van werknemers. Het persoonlijk bruto inkomen omvat inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkering inkomensverzekeringen en uitkering sociale voorzieningen (met uitzondering van kinderbijslag en kindgebonden budget). Omdat hier is gefilterd op het inkomen van werknemers (personen voor wie inkomen uit arbeid de voornaamste inkomensbron is), zal dit voornamelijk loon betreffen. De gegevens bevat zowel mensen die in deeltijd als in voltijd werken.

De reeks is beschikbaar van vanaf 2011 tot 2022. Voor 2000 tot en met 2014 zijn soortgelijke gegevens beschikbaar, maar die zijn niet geheel vergelijkbaar vanwege verschillen in de wijze van samenstelling.

2011 39,9
2012 40,6
2013 41,4
2014 42,1
2015 41,9
2016 42,4
2017 43,1
2018 43,9
2019 45,2
2020 47,1
2021 48,0
20221 51,1

1 De cijfers over 2022 zijn voorlopig.

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 10-10-2024.

Vraag 34

Wat is de ontwikkeling geweest van de gemiddelde cao-lonen tussen 2009 en 2024? Kunt u dit uitsplitsen per jaar?

Antwoord 34

De ontwikkeling van de gemiddelde cao-lonen tussen 2009 en 2024 is weergegeven in onderstaande tabel. Over de hele periode zijn de cao-lonen met 46 procent gestegen.

2,8% 1,3% 1,1% 1,4% 1,1% 0,9% 1,4% 1,9%
1,4% 2,0% 2,5% 2,9% 2,0% 3,3% 6,1% 6,5%

Vraag 35

Wat is de koopkrachtontwikkeling over de afgelopen 15 jaar uitgesplitst per gebruikte doelgroep?

Antwoord 35

Het Centraal Planbureau (CPB) heeft de realisatie van de mediane koopkrachtontwikkeling van de verschillende huishoudgroepen berekend voor de jaren 2011 tot en met 2023. Onderstaande tabel toont de koopkrachtontwikkeling van de afgelopen jaren. De geraamde koopkrachtontwikkeling voor 2024 is ook opgenomen.

Alle huishoudens – 1,2 – 1,7 – 1,4 1,1 1,0 2,5 0,3 0,0 1,1 2,6 0,8 – 2,5 – 0,6 2,5
Inkomensgroep
1 – 20%-inkomensgroep – 1,1 – 1,3 – 1,3 0,5 1,5 1,5 0,7 0,1 0,8 1,7 0,3 – 0,5 0,0 1,5
21 – 40%-inkomensgroep – 1,2 – 1,4 – 2,2 0,6 2,1 2,1 0,2 – 0,1 1,2 2,2 0,7 – 2,4 0,5 2,3
41 – 60%-inkomensgroep – 1,2 – 1,8 – 1,8 1,5 3,1 3,2 0,0 – 0,1 1,3 2,8 0,9 – 2,6 – 0,7 2,7
61 – 80%-inkomensgroep – 1,3 – 2,0 – 1,0 2,2 3,3 3,5 0,1 0,0 1,3 3,0 1,1 – 2,7 – 0,9 2,8
81 – 100%-inkomensgroep – 1,4 – 2,3 – 1,3 1,0 2,6 2,8 0,1 0,0 1,1 2,9 0,7 – 2,9 – 1,6 2,3
Inkomensbron
Werkenden – 1,1 – 1,8 – 1,1 2,0 3,7 3,8 0,3 0,1 1,3 3,0 1,1 – 2,6 – 0,9 2,8
Uitkeringsgerechtigden – 1,2 – 1,6 – 1,7 0,6 1,2 1,2 0,5 – 0,1 0,8 1,5 0,1 5,0 – 0,2 1,1
Gepensioneerden – 1,4 – 1,4 – 3,4 – 0,3 1,0 1,0 0,0 – 0,2 0,9 1,4 0,1 – 2,5 – 0,2 1,5
Huishoudtype
Tweeverdieners – 1,3 – 1,8 – 1,5 1,5 2,9 3,1 0,2 0,0 1,2 2,8 0,9 – 2,8 – 0,7 2,7
Alleenstaanden – 1,1 – 1,4 – 1,3 0,9 1,9 1,9 0,4 0,0 1,1 2,2 0,7 – 2,1 – 0,5 2,3
Alleenverdieners – 1,3 – 2,8 – 1,9 0,2 1,8 2,0 – 0,1 – 0,3 1,2 2,8 0,6 – 2,7 – 0,8 2,2
Kinderen
Huishoudens met kinderen – 1,2 – 1,9 – 1,3 1,7 3,6 3,8 0,5 0,1 1,2 3,2 1,0 – 2,6 – 0,3 3,2
Huishoudens zonder kinderen – 1,1 – 1,8 – 1,1 1,7 3,2 3,3 0,2 0,0 1,2 2,8 1,0 – 2,4 – 1,1 2,6

Vraag 36

Hoeveel zelfstandigen werken er in totaal bij de rijksoverheid? Hoeveel daarvan beschouwt u als «schijnzelfstandig»? Kunt u dit uitsplitsen per ministerie en zelfstandig bestuursorgaan?

Antwoord 36

Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De Minister van BZK antwoordt met het volgende:

Er is momenteel nog geen overkoepelend actueel zicht op het aantal zelfstandigen dat werkzaam is binnen het Rijk, evenmin welk deel daarvan als schijnzelfstandig aan te merken is. Departementen zijn hier in de basis zelf voor verantwoordelijk. Op basis van de motie-Boon (PVV) over het periodiek informeren van de Kamer over de voortgang en resultaten van de afbouw van schijnzelfstandigheid binnen de Rijksdienst (motie 31 311-269), alsook in antwoord op de Kamervragen van het lid Aartsen (VVD) aan de Minister van Financiën over de behoefte aan een rapportage over hoeveel schijnzelfstandigen er bij de hele Rijksorganisatie in dienst zijn (commissiedebat zelfstandigen, 12 september 2024), wordt momenteel gewerkt aan het opzetten van een rapportage hierover.

Vraag 37

Wat is de rol van gemeenten op de aanpak van armoede en welke gevolgen heeft het «ravijnjaar» op de capaciteit van gemeenten in de aanpak van armoede?

Antwoord 37

Gemeenten hebben, net als het Rijk, een belangrijke rol in de aanpak van armoede. Zij staan dicht bij de burger, kunnen ondersteuning bieden op basis van de Participatiewet, het gemeentelijk minimabeleid en in verbinding met het bredere sociaal domein, en werken samen met maatschappelijke organisaties die lokaal actief zijn. Het kabinet ziet dan ook een belangrijke rol weggelegd voor gemeenten bij de uitwerking van de ambities uit het regeerprogramma op het terrein van armoede en is hierover op constructieve wijze in gesprek met de VNG.

Het Rijk heeft in de afgelopen jaren ook middelen beschikbaar gesteld aan gemeenten voor hun rol in het armoede- en schuldenbeleid. Zo heeft het kabinet vanuit de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden die in juli 2022 aan de Tweede Kamer is gepresenteerd, € 40 miljoen aan jaarlijks structurele middelen voor betere dienstverlening door gemeenten op het gebied van armoede en schulden beschikbaar gesteld. Dit is aanvullend op de structurele middelen die in 2014 (€ 90 miljoen) en 2017 (€ 85 miljoen) voor de gemeentelijke dienstverlening op het terrein van armoede en schulden aan het gemeentefonds zijn toegevoegd. De aanvullende toekenning vanaf 2024 vindt structureel plaats om gemeenten verder in staat te stellen om beleid op het terrein van armoede en schulden te ontwikkelen en uit te voeren, zoals het verdubbelen van het gebruik van de schuldhulpverlening en het intensiveren van activiteiten om kinderarmoede te bestrijden. Gemeenten zijn hierover geïnformeerd via de Meicirculaire gemeentefonds 2024.

Het bovenstaande laat onverlet dat het kabinet zich richt op stabiliteit van de financiën van gemeenten, ook op langere termijn. Zoals aangegeven in de brief van de Minister van BZK van 4 oktober jl. is het van belang dat er balans is tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. In het overhedenoverleg van augustus jl. heeft het kabinet samen met gemeenten en provincies gesproken over de uitwerking van het regeerprogramma waar het gemeenten en provincies aan gaat. Dit najaar zal er wederom een overhedenoverleg plaatsvinden over de mogelijke gevolgen van de beleidsvoornemens uit het regeerprogramma voor de hierboven genoemde balans. Ter voorbereiding hierop werken Rijk en koepels de komende maanden ambtelijk gezamenlijk aan het inzichtelijk maken van de consequenties van het regeerprogramma voor de uitvoerbaarheid.

Vraag 38

Kunt u de ontwikkeling van het totaal aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) schetsen per jaar tussen 2009 en 2024 met uitsplitsing per jaar?

Antwoord 38

In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantal zzp’ers weergegeven van 2013 tot en met 2023 op basis van de Enquête Beroepsbevolking (EBB). Tussen 2013 en 2024 is het aantal zzp’ers gestegen van bijna 900 duizend naar ruim 1,2 miljoen. Voor de jaren 2009 tot 2012 is er weliswaar data beschikbaar, maar deze cijfers zijn niet zonder meer vergelijkbaar vanwege wijzigingen in het onderzoeksdesign en de vragenlijst van de EBB.

2013 894
2014 916
2015 936
2016 960
2017 986
2018 999
2019 1.019
2020 1.054
2021 1.078
2022 1.176
2023 1.230
Bron: Arbeidsdeelname; kerncijfers | CBS

Vraag 39

Kunt u de ontwikkeling van het totaal aantal eenmanszaken schetsen per jaar tussen 2009 en 2024 met uitsplitsing per jaar?

Antwoord 39

In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantal eenmanszaken weergegeven tussen 2009 en 2023 op basis van het bedrijvenregister van het CBS. Tussen 2009 en 2023 is het aantal eenmanszaken meer dan verdubbeld, van minder dan 700 duizend naar meer dan anderhalf miljoen.

2009 673.406
2010 716.166
2011 770.695
2012 813.091
2013 835.574
2014 877.151
2015 931.190
2016 984.741
2017 1.030.595
2018 1.091.365
2019 1.166.576
2020 1.246.016
2021 1.318.008
2022 1.418.836
2023 1.526.714
Bron: StatLine – Bedrijven; bedrijfsgrootte en rechtsvorm (cbs.nl)

Vraag 40

Kunt u de ontwikkeling van het totaal aantal vennootschappen onder firma (vof’s) schetsen per jaar tussen 2009 en 2024 met uitsplitsing per jaar?

Antwoord 40

In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantal vennootschappen onder firma (vof’s) weergegeven tussen 2009 en 2023 op basis van het bedrijvenregister van het CBS.

Tussen 2009 en 2023 is het aantal vennootschappen onder firma gestegen van 127 duizend naar 170 duizend.

2009 127.242
2010 145.026
2011 145.532
2012 149.808
2013 152.855
2014 153.350
2015 156.292
2016 158.867
2017 159.362
2018 161.986
2019 164.540
2020 167.583
2021 172.008
2022 172.527
2023 170.203
Bron: StatLine – Bedrijven; bedrijfsgrootte en rechtsvorm (cbs.nl)

Vraag 41

Kunt u de ontwikkeling van het totaal aantal besloten vennootschap (bv’s) schetsen per jaar tussen 2009 en 2024 met uitsplitsing per jaar?

Antwoord 41

In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantal besloten vennootschappen (bv’s) weergegeven tussen 2009 en 2023 op basis van het bedrijvenregister van het CBS. Tussen 2009 en 2023 is het aantal bv’s gestegen van circa 288 duizend naar circa 428 duizend.

2009 287.533
2010 289.940
2011 295.350
2012 304.366
2013 308.726
2014 314.978
2015 323.343
2016 332.811
2017 342.258
2018 353.336
2019 363.050
2020 374.018
2021 396.711
2022 422.441
2023 427.738
Bron: StatLine – Bedrijven; bedrijfsgrootte en rechtsvorm (cbs.nl)

Vraag 42

Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met minder dan 5 werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkenden is dat?

Vraag 43

Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 5 en 10 werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkenden is dat?

Vraag 44

Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 10 en 25 werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkenden is dat?

Vraag 45

Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 25 en 50 werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkenden is dat?

Vraag 46

Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 50 en 100 werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkenden is dat?

Vraag 47

Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 100 en 250 werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkenden is dat?

Vraag 48

Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 250 en 500 werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkenden is dat?

Vraag 49

Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met meer dan 500 werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkenden is dat?

Antwoord 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48 en 49

In de onderstaande tabel wordt het aantal banen van werknemers in december 2023 per bedrijfsgrootte weergegeven. Deze cijfers zijn op basis van de Polisadministratie en het Algemeen Bedrijvenregister (ABR) van het CBS. Over het aantal werkzame personen per bedrijfsgrootte zijn geen gegevens beschikbaar. Het aantal banen van werknemers geeft wel een goede indicatie van de verdeling van werkgelegenheid naar bedrijfsgrootte. Voor enkele van de gevraagde uitsplitsingen van bedrijfsgroottes is geen data voorhanden; in de onderstaande tabel zijn alle beschikbare uitsplitsingen weergegeven.

0 tot 10 werkzame personen 1.305 14%
10 tot 50 werkzame personen 1.448 16%
50 tot 100 werkzame personen 637 7%
100 tot 500 werkzame personen 1.712 19%
500 werkzame personen of meer 3.917 43%
Bron: StatLine – Banen van werknemers; bedrijfsgrootte en economische activiteit (cbs.nl)

Vraag 50

Hoeveel mensen hebben een arbeidscontract voor onbepaalde tijd? Welk percentage van het totaal aantal werkenden is dat? Welk percentage van de totale beroepsbevolking is dat? Kunt u de ontwikkeling schetsen tussen 2009 en 2024 uitgesplitst per jaar?

Antwoord 50

In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantal werknemers met een vaste arbeidsrelatie weergegeven van 2013 tot en met 2023 op basis van de Enquête Beroepsbevolking (EBB). Het gaat hierbij om werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd én een vast aantal uren per week. In het tweede kwartaal van 2024 werkte ongeveer 5.5 miljoen mensen op basis van een vaste arbeidsrelatie. Dit is 56% van het totaal aantal werkenden en 54% van de totale beroepsbevolking. Voor de jaren 2009 tot 2012 is er weliswaar data beschikbaar, maar deze cijfers zijn niet zonder meer vergelijkbaar vanwege wijzigingen in het onderzoeksdesign en de vragenlijst van de EBB.

2013 4.723 56%
2014 4.613 55%
2015 4.608 54%
2016 4.622 54%
2017 4.672 53%
2018 4.814 54%
2019 4.996 55%
2020 5.158 57%
2021 5.230 57%
2022 5.318 56%
2023 5.416 56%
Bron: Werkzame beroepsbevolking; positie in de werkkring | CBS

Vraag 51

Hoeveel mensen hebben een arbeidscontract voor bepaalde tijd? Welk percentage van het totaal aantal werkenden is dat? Welk percentage van de totale beroepsbevolking is dat? Kunt u de ontwikkeling schetsen tussen 2009 en 2024 uitgesplitst per jaar?

Antwoord 51

In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantal werknemers met een tijdelijke arbeidsrelatie weergegeven van 2013 tot en met 2023 op basis van de Enquête Beroepsbevolking (EBB). Het gaat hierbij om werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd én een vast aantal uren per week. In het tweede kwartaal van 2024 werkte ongeveer 1.3 miljoen mensen op basis van een tijdelijke arbeidsrelatie. Dit is 13% van het totaal aantal werkenden en ruim 12% van de totale beroepsbevolking. Voor de jaren 2009 tot 2012 is er weliswaar data beschikbaar, maar deze cijfers zijn niet zonder meer vergelijkbaar vanwege wijzigingen in het onderzoeksdesign en de vragenlijst van de EBB.

2013 951 11%
2014 940 11%
2015 963 11%
2016 991 12%
2017 1.081 12%
2018 1.110 12%
2019 1.098 12%
2020 1.059 12%
2021 1.136 12%
2022 1.276 13%
2023 1.308 13%
Bron: Werkzame beroepsbevolking; positie in de werkkring | CBS

Vraag 52

Hoeveel mensen werken er op basis van een nulurencontract? Welk percentage van het totaal aantal werkenden is dat? Welk percentage van de totale beroepsbevolking is dat? Kunt u de ontwikkeling schetsen tussen 2009 en 2024 uitgesplitst per jaar?

Antwoord 52

In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantal oproep/-invalkrachten weergegeven van 2013 tot en met 2023 op basis van de Enquête Beroepsbevolking (EBB). In het tweede kwartaal van 2024 werkte 970 duizend mensen als oproep/-invalkracht. Dit is 10% van het totaal aantal werkenden en ruim 9% van de totale beroepsbevolking. Het CBS maakt geen uitsplitsing naar het aantal oproepkrachten dat specifiek op basis van een nulurencontract werkt. Voor de jaren 2009 tot 2012 is er weliswaar data beschikbaar, maar deze cijfers zijn niet zonder meer vergelijkbaar vanwege wijzigingen in het onderzoeksdesign en de vragenlijst van de EBB.

2013 1.186 14%
2014 1.205 14%
2015 1.223 14%
2016 1.221 14%
2017 1.241 14%
2018 1.240 14%
2019 1.242 14%
2020 1.142 13%
2021 940 10%
2022 923 10%
2023 962 10%
Bron: Werkzame beroepsbevolking; positie in de werkkring | CBS

Vraag 53

Hoeveel euro wordt er ieder jaar door werkgevers aan transitievergoedingen uitbetaald?

Antwoord 53

Het uitbetalen van de transitievergoeding is een aangelegenheid tussen werkgever en werknemer. Om die reden heeft het Ministerie van SZW geen inzicht in de precieze hoogte van de transitievergoedingen die ieder jaar door werkgevers worden uitbetaald. Wel heeft SEO in 2020 onderzoek gedaan naar de effecten van de Wet werk en zekerheid, waaronder de kosten van ontslag. Hieruit volgt dat de gemiddelde ontslagvergoeding in de periode 2018–2019 € 14.953 was. (SEO Economisch onderzoek (2020), Effecten van maatregelen ontslag in de Wet werk en zekerheid, p. 47). Van de ontslagvergoeding maakt de transitievergoeding in de meeste gevallen een groot deel uit. In 2025 zal het evaluatierapport van de Wet Arbeidsmarkt in Balans worden aangeboden aan de Kamer. Hierin zal ook worden ingegaan op de transitievergoeding die werkgevers uitbetalen.

Vraag 54

Wat is de gemiddelde hoogte van een transitievergoeding?

Antwoord 54

Uit het onderzoek naar de effecten van de Wet werk en zekerheid blijkt dat de gemiddelde ontslagvergoeding in de periode 2018–2019 € 14.953 was (bron: SEO Economisch onderzoek (2020), Effecten van maatregelen ontslag in de Wet werk en zekerheid, p. 47). Van de ontslagvergoeding maakt de transitievergoeding in de meeste gevallen een groot deel uit. In 2025 zal het evaluatierapport van de Wet Arbeidsmarkt in Balans worden aangeboden aan de Kamer. Hierin zal ook worden ingegaan op de hoogte van betaalde transitievergoedingen.

Vraag 55

Waaraan worden transitievergoedingen besteed?

Antwoord 55

Uit het onderzoek dat SEO in 2020 heeft gedaan naar de effecten van de Wet werk en zekerheid volgt dat gemiddeld over de jaren 2016 tot en met 2018 12% van de ondervraagde werknemers de transitievergoeding besteden aan een opleiding of cursus en 6% aan outplacement of ontslagbegeleiding. Bijna de helft van de ondervraagden (44%) weet nog niet waaraan ze de transitievergoeding willen besteden en 38% heeft een andere besteding in gedachten (bron: SEO Economisch onderzoek (2020), Effecten van maatregelen ontslag in de Wet werk en zekerheid, pagina 88). In 2025 zal het evaluatierapport van de Wet Arbeidsmarkt in Balans worden aangeboden aan de Kamer. Hierin zal ook worden ingegaan op de besteding van de transitievergoedingen.

Vraag 56

Hoeveel werkgevers zijn er eigenrisicodrager?

Antwoord 56

Het is alleen op 1 januari en op 1 juli mogelijk om eigenrisicodrager te worden voor de Ziektewet (ZW) of als werkgever dat eigenrisicodragerschap te beëindigen. De meest recente cijfers over het eigenrisicodragerschap zijn daarom van 1 juli 2024. Op 1 juli 2024 waren 12.368 werkgevers eigenrisicodrager voor de ZW.

Vraag 57

Wat is het totale ziekteverzuim bij werkgevers en op welk percentage ligt dit?

Antwoord 57

In 2023 heeft 51% van de werknemers wel eens een dag of langer verzuimd. Het ziekteverzuimpercentage (het aantal ziektedagen per 100 werkdagen) was 4,8%. Van alle zelfstandigen heeft 45% wel eens verzuimd, het ziekteverzuimpercentage was 4,5%.

(Bron: TNO/CBS: Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2023; TNO: Werkgeversenquête Arbeid 2023)

Vraag 58

Wat zijn de totale kosten die werkgevers jaarlijks kwijt zijn aan loondoorbetaling bij ziekte? Hoeveel is dat per spoor?

Antwoord 58

Werkgevers moeten hun werknemers bij ziekte 104 weken la ng 70% van het loon door betalen (in het eerste jaar minimaal het minimumloon). Afhankelijk van cao-afspraken zullen de precieze loonkosten afwijken van het genoemde percentage (bijvoorbeeld door aanvullingen tot 100% en/of specifieke afspraken over aanvullingen bij re-integratie). De loondoorbetalingsperiode kan ook vrijwillig verlengd worden. Werkgevers kunnen ook een verzuimverzekering afsluiten die hen dekt voor de kosten van loondoorbetaling bij ziekte en/of de kosten voor re-integratie van de zieke werknemer.

Uit gegevens van TNO/CBS (Bron: NEA Jaargang 2022 – TNO/CBS) blijkt dat het verzuimpercentage in 2022 4,9% bedroeg, wat gelijk is aan ongeveer 70 miljoen verzuimdagen. Die verzuimdagen stonden in 2022 voor maximaal € 19,9 miljard aan loondoorbetaling tijdens ziekte. Het gaat om een maximum want de kanttekening daarbij is dat uit wordt gegaan van een volledige loondoorbetaling (100% van het loon) en een volledig verlies aan arbeidsproductiviteit. De praktijk is echter dat de loondoorbetaling vaak lager ligt (bijvoorbeeld op 70%) en dat een zieke werknemer niet altijd zijn/haar volledige arbeidsproductiviteit verliest.

Het is niet bekend wat de kosten van het eerste spoor (terugkeer bij de eigen werkgever) en de kosten van het tweede spoor (re-integratie bij een andere werkgever) afzonderlijk zijn. Naast de kosten voor loondoorbetaling kan de ziekte van werknemers ook andere kosten met zich meebrengen (zoals de kosten van verzuimbegeleiding, inzet bedrijfsarts en de eventuele inkoop van re- integratietrajecten). De bovenstaande gegevens van TNO/CBS hebben echter alleen betrekking op de loonkosten tijdens ziekte.

Vraag 59

Kunt u schetsen welke stappen een werkgever in de Wet verbetering poortwachter moet volgen bij langdurige ziekte van een werknemer?

Antwoord 59

Werkgevers en zieke werknemers zijn in de eerste twee ziektejaren (104 weken) samen verantwoordelijk voor de re-integratie van de werknemer. Werkgevers zijn op grond van de Wet WIA en de Arbeidsomstandighedenwet verplicht zich te laten adviseren door een erkende arbodienst of bedrijfsarts bij de begeleiding van zieke werknemers. Werkgevers en werknemers hebben bij ziekte een aantal verplichtingen, die al beginnen in de eerste week van de ziekmelding. De informatie hierover is te vinden op het Arboportaal (Verantwoordelijkheden van de werkgever en werknemers | Re-integratie en Wet verbetering poortwachter | Arboportaal) en bij UWV (Stappenplan bij ziekte werknemer | UWV).

Binnen acht weken na een ziekmelding of uiterlijk twee weken na de door de bedrijfsarts of arbodienst opgemaakte probleemanalyse stelt de werkgever in overleg met de werknemer een plan van aanpak op. In dit plan staat beschreven wat beiden gaan doen om de werknemer weer aan het werk te krijgen. Is er sprake van dreigend langdurig verzuim, dan moet de werkgever een re-integratiedossier bijhouden, waar dit plan een onderdeel van is. In het dossier staan het verloop van de ziekte en alle activiteiten die beiden hebben ondernomen om terugkeer naar werk mogelijk te maken. Regelmatig, in de regel iedere zes weken, moet de werkgever de voortgang met de werknemer bespreken. Samen met de werknemer kiest de werkgever een casemanager. Deze persoon begeleidt en controleert de uitvoering van het plan van aanpak. In de 42e week moet de werkgever de werknemer ziekmelden bij UWV. Blijft de werknemer onverhoopt lang ziek, dan volgt tussen week 46 en 52 een eerstejaarsevaluatie. Werkgever en werknemer evalueren het afgelopen jaar en stellen vast welk re-integratieresultaat ze in het tweede ziektejaar willen behalen en hoe ze dat gaan doen (eventueel gericht op werkhervatting bij een andere werkgever). Gedurende het proces en de verschillende stappen, zoals het opstellen en bijstellen van het plan van aanpak, is de visie van de bedrijfsarts van belang. De bedrijfsarts schat in wat de werknemer met het oog op zijn/haar medische beperkingen wel en niet kan. Is de werknemer na twintig maanden nog niet volledig aan de slag, dan stelt de werkgever in overleg met de werknemer een re-integratieverslag op, een eindevaluatie. Hierin staan alle afspraken en concrete resultaten van de geplande werkhervatting. Indien noodzakelijk moet de werkgever het werk, de werkplek en/of de arbeidsmiddelen van de werknemer aanpassen. Hebben alle inspanningen niet geleid tot terugkeer naar het werk, dan ontvangt de werknemer in de 88e week een WIA-aanvraagformulier van UWV.

Dit formulier moet hij binnen drie weken terugsturen aan UWV, met de eindevaluatie over de re-integratie. UWV beoordeelt het re-integratieverslag (RIV-toets) en voert een WIA-claimbeoordeling uit om vast te stellen of recht is op een WIA-uitkering. Indien er geen bevredigend resultaat is behaald, de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn, daar geen deugdelijke grond voor is en de gebreken hersteld kunnen worden, zal UWV de verplichting voor de werkgever om het loon door te betalen verlengen met maximaal 52 weken. Dit wordt de loonsanctie genoemd. Het opzegverbod bij ziekte blijft gelden voor de duur van de loonsanctie en de WIA-claimbeoordeling wordt dan ook uitgesteld.

Vraag 60

Wat is de planning van de pensioenfondsen wanneer zij overgaan naar het nieuwe pensioenstelsel? Welke pensioenfondsen gaan per 1 januari 2025 over? Welke pensioenfondsen gaan in de volgende halfjaarstermijnen over?

Antwoord 60

Op 19 juni jl. is de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen met uw Kamer gedeeld. Daarin staat de stand van zaken ten aanzien van de voortgang van de transitie, waaronder de verwachte transitiedatum, zoals die op dat moment bekend was. Indien partijen invaren, is deze transitiedatum tevens het moment waarop de opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten worden ingevaren. Uit deze rapportage blijkt dat op 1 januari 2025 10 fondsen voornemens waren om in te varen, en 4 op 1 juli 2025. In het eerste halfjaar van 2026 zijn 61 fondsen voornemens in te varen, en 13 in het tweede halfjaar van 2026. In 2027 verwachten in het eerste halfjaar 35 fondsen in te varen, en 9 fondsen in het tweede halfjaar. Als laatste verwachten 5 fondsen in te varen op 1 januari 2028. Een aantal fondsen heeft inmiddels aangekondigd hun invaardatum uit te stellen. Naar de laatste verwachting hebben 3 fondsen aangekondigd per 1 januari 2025 in te varen. In de voortgangsrapportage monitoring die in januari 2025 met uw Kamer gedeeld zal worden, wordt hier nader op ingegaan.

Vraag 61

Hoeveel rechtszaken lopen er vanuit pensioenfondsen richting werkgevers over afbakeningskwesties?

Antwoord 61

Het Ministerie van SZW beschikt niet over informatie waaruit volgt hoe vaak over afbakeningskwesties geprocedeerd wordt. Procedures die worden gevoerd tussen pensioenfondsen en een werkgever zijn procedures waar het Ministerie van SZW geen partij bij is. De publiek toegankelijk gemaakte uitspraken zijn via de databank op de website Rechtspraak.nl in te zien.

Vraag 62

Hoeveel procent van de werknemers valt onder een collectieve arbeidsovereenkomst (cao)?

Antwoord 62

Uit het meest recente onderzoek van het CBS over dit onderwerp volgt dat 71,8% van de werknemers onder een cao viel in 2022 (bron: CBS, Werknemers naar soort cao en SBI naar achtergrondkenmerken, 2010–2022). Het onderzoek kijkt naar het aantal individuele werknemersbanen dat onder een reguliere cao valt (cao-dekkingsgraad). Ten tijde van het onderzoek door het CBS waren de cijfers voor 2023 en 2024 nog niet bekend.

Vraag 63

Hoeveel procent van de werknemers is lid van een vakbond?

Antwoord 63

Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2023 blijkt dat het percentage werknemers dat lid is van een vakbond in 2023 op 15,4% lag (bron: TNO/CBS, NEA 2022. NEA Benchmarktool (tno.nl)). Het gaat hierbij om de werkzame beroepsbevolking in loondienst, minus zelfstandigen.

Vraag 64

Hoeveel procent van de werkgevers heeft een midden- en kleinbedrijf (mkb-)verzuimverzekering voor de loondoorbetaling bij ziekte?

Antwoord 64

Uit eerder onderzoek van APE (Bron: APE, Verzekeringsgraad kleine werkgevers, november 2014) blijkt dat van de kleine bedrijven (tien of minder werknemers) 78% verzekerd is voor loondoorbetaling bij ziekte van een werknemer.

Uit dit onderzoek blijkt ook dat de verzekeringsgraad bij bedrijven met tussen de 7 en 15 werknemers het hoogst is (85%) en daarna geleidelijk daalt tot 25% bij bedrijven met meer dan 100 werknemers. Op dit moment worden er stappen gezet om de meest actuele verzuimverzekeringsgraad onder werkgevers in kaart te brengen.

Per 1 januari 2020 bestaat de MKB-verzuim-ontzorg-verzekering. De MKB-verzuim-ontzorg-verzekering biedt, naast de dekking van het financiële risico, onder meer bijstand voor de (MKB-) werkgever bij de verplichtingen en taken rond de loondoorbetaling en re-integratie bij ziekte. Het Verbond van Verzekeraars brengt jaarlijks het aantal MKB-verzuim-ontzorg-verzekeringen in kaart. Op peildatum 1 januari 2024 liepen er 25.100 MKB-verzuim-ontzorg-verzekeringen. Uit cijfers van het Verbond van Verzekeraars blijkt dat deze verzekering vooral populair is bij kleine werkgevers: meer dan 80% van de MKB-verzuim-ontzorg-verzekeringen is afgesloten door werkgevers met 10 of minder werknemers. Het is niet precies bekend hoeveel procent van alle werkgevers dit betreft, naar schatting gaat het om ongeveer 7%. De cijfers van het Verbond van Verzekeraars laten een jaarlijkse stijging van het aantal MKB-verzuim-ontzorg-verzekeringen zien.

Vraag 65

Hoeveel derdelanders worden er via een andere Europese Unie (EU-)lidstaat gedetacheerd naar Nederland? Wat is de top tien aan herkomstlanden? Wat is de top tien aan zendlanden?

Antwoord 65

Onderstaande tabel geeft het aantal derdelanders weer dat in 2023 via andere Europese lidstaten gedetacheerd is naar Nederland. Alsook de top tien herkomstlanden van de gedetacheerde derdelanders en de top 10 EU-lidstaten dat derdelanders detacheert. Het cijfer in de tabel is exclusief de sector goederenvervoer over de weg. Het overgrote deel van detacheringen in deze sector moeten in het Europese meldloket gemeld worden. Het is nog niet mogelijk om betrouwbare cijfers te exporteren uit dit meldloket. De gegevens in onderstaande tabel komen uit het nationale meldloket postedworkers. Dit meldloket geeft het meest accurate beeld van het aantal werknemers met de nationaliteit van buiten de EU die via detachering in Nederland werken. Het is echter onzeker hoe compleet het beeld van het meldloket is, er kan sprake zijn van ondermelding.

1. Oekraïne (7.464)

2. Wit-Rusland (3.778)

3. Azerbeidzjan (1.768)

4. Filipijnen (1.358)

5. India (1.223)

6. Servië (1.211)

7. Turkije (919)

8. Bosnië en Herzegovina (770)

9. Brazilië (569)

10. Rusland (274)

1. Polen (10.489)

2. Litouwen (4.499)

3. Duitsland (2.675)

4. Portugal (1.583)

5. Slovenië (897)

6. Kroatië (762)

7. Spanje (398)

8. Zwitserland (327)

9. België (252)

10. Estland (250)

Vraag 66

Hoeveel mensen hebben er de afgelopen vijf jaar gebruik gemaakt van de werkvergunning voorganger, uitgesplitst per jaar? Wat zijn de herkomstlanden van deze groep mensen?

Antwoord 66

In onderstaande tabel is zichtbaar hoeveel geestelijk voorgangers de afgelopen vijf jaar gebruik hebben gemaakt van een werkvergunning.

Aantal geestelijke voorgangers 186 174 97 132 184
Bron: UWV 13-10-2024

In onderstaande tabel is het aantal geestelijke voorgangers dat gebruik heeft gemaakt van een werkvergunning per nationaliteit weergegeven voor de top-5 van nationaliteiten in 2023.

Turkse 60
Marokkaanse 60
Indiase 30
Britse 7
Srilankaanse 4
Amerikaanse/Zuidafrikaanse /Australische 3
Bron: UWV

Vraag 67

Hoeveel mensen hebben er de afgelopen vijf jaar gebruik gemaakt van de werkvergunning zendeling/kloosterling, uitgesplitst per jaar? Wat zijn de herkomstlanden van deze groep mensen?

Antwoord 67

In onderstaande tabel is zichtbaar hoeveel zendelingen/kloosterlingen de afgelopen vijf jaar gebruik hebben gemaakt van een werkvergunning.

Aantal zendelingen/kloosterlingen 208 101 130 213 220
Bron: UWV 13-10-2024

In onderstaande tabel is het aantal zendelingen/kloosterlingen die gebruik hebben gemaakt van een werkvergunning per nationaliteit weergegeven voor de top-5 van nationaliteiten in 2023.

Amerikaanse 129
Indonesische 17
Canadese 12
Thaise 6
Nigeriaanse/ Chinese/Ghanese/Braziliaanse 5
Bron: UWV

Vraag 68

Hoeveel mensen zijn er de afgelopen 20 jaar veroordeelt voor arbeidsuitbuiting zoals bedoelt in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht? Kunt u dit uitsplitsen per jaar? Hoe vaak heeft de NLA een strafrechtelijk onderzoek gestart naar arbeidsuitbuiting?

Antwoord 68

Sinds 2005 is arbeidsuitbuiting strafbaar. De Raad voor de Rechtspraak heeft mij laten weten dat in de periode 2019 t/m 2023 in totaal in ongeveer 310 zaken door de strafrechter in eerste aanleg «mensenhandel» (artikel 273f SR) bewezen is verklaard. Daarvan waren ongeveer 30 zaken voorzien van de maatschappelijke classificatie «Mensenhandel arbeid/ diensten (niet seksueel)» of «Arbeidsmarkt werkgevers arbeidsuitbuiting», jaarlijks gaat het om <10 zaken. Voor 2019 werd de maatschappelijke classificatie voor mensenhandel niet voldoende uitgesplitst om zaken wegens arbeidsuitbuiting te kunnen identificeren.

In de tabel hieronder is af te lezen hoeveel strafrechtelijke onderzoeken arbeidsuitbuiting de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie is gestart in de afgelopen vier jaar. Het betreft concrete meldingen van mogelijke mensenhandel die ex art. 9 Wet Politiegegevens en art. 132a van het Wetboek van Strafvordering zijn geregistreerd in de opsporingsapplicatie SUMM-IT én hebben geleid tot een aangifte van één of meerdere slachtoffers.

2020 20
2021 25
2022 28
2023 21
Bron: Opsporingsdienst Arbeidsinspectie

De Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie heeft geen cijfers over het aantal gestarte onderzoeken van voor 2020, omdat onderzoeken voor die tijd niet op eenduidige wijze werden geregistreerd. In 2019 is begonnen met de centralisatie van de strafrechtelijk aanpak van arbeidsuitbuiting binnen de Opsporingsdienst ten behoeve van een effectievere aanpak van arbeidsuitbuiting en ook een consistentere registratie11.

Vraag 69

Welke subsidieregelingen kenden in 2023 en 2022 een onderuitputting? Op welke subsidieregeling verwacht u in 2024 een onderuitputting?

Antwoord 69

Onderstaande tabellen laten de (verwachte) onderuitputting op subsidieregelingen zien. Dit is de onderuitputting in een bepaald jaar (kolom 1). Het kan voorkomen dat deze onderuitputting verband houdt met het doorschuiven naar het volgende jaar van subsidieuitgaven (kolom 2). Hierdoor is de feitelijke onderuitputting op de betreffende subsidie lager (kolom 3).

Alle bedragen luiden in mln euro.

OU=onderuitputting per jaar

Per saldo=onderuitputting per jaar gecorrigeerd voor bedragen die doorschuiven naar het volgend jaar.

Subsidies arbeidsmarkt algemeen – 0,5 0,0 – 0,5
Actieprogramma DILLO – 2,9 0,7 – 2,2
Stimuleringsregeling LLO in het MKB – 4,0 1,4 – 2,6
STAP 0,0 0,0 0,0
MDI&EU – 18,8 18,8 0,0
STAP – 2,4 0,0 – 2,4
Europees fonds meestbehoeftigen 0,0 0,0 0,0
SBCM – 0,6 0,6 0,0
NIBUD – 0,1 0,1 0,0
Subsidies artikel 2 algemeen – 8,8 8,6 – 0,2
Armoede en schulden – 0,2 0,2 0,0
Alle kinderen doen mee – 2,0 2,0 0,0
Regionale kansen kinderen 0,0 0,0 0,0
Waarborgfonds – 0,1 0,1 0,0
Subsidies werkloosheid algemeen – 0,2 0,0 – 0,2
Praktijkleren in de derde leerweg 0,4 0,0 0,4
Subsidies kinderopvang algemeen – 0,3 0,2 – 0,1
Subsidies kinderopvang CN – 1,4 0,0 – 1,4
Kennisinfrastructuur – 0,1 0,6 0,4
Vluchtelingenwerk – 0,1 0,0 – 0,1
Overige subsidies artikel 13 – 0,8 1,3 0,5
Integratie en participatie – 0,1 1,1 1,1
Totaal – 42,8 35,5 – 7,3
Subsidies arbeidsmarkt algemeen – 0,5 0,0 – 0,5
Actieprogramma DILLO – 0,9 0,0 – 0,9
Stimuleringsregeling LLO in het MKB – 13,3 0,0 – 13,3
STAP – 0,7 0,5 – 0,2
NL leert door – 13,2 0,0 – 13,2
MDI&EU – 31,3 31,3 0,0
NIBUD 0,0 0,0 0,0
Subsidies artikel 2 algemeen – 6,6 4,3 – 2,2
Armoede en schulden – 0,1 0,0 – 0,1
Alle kinderen doen mee – 2,0 1,0 – 1,0
Noodfonds – 3,0 0,0 – 3,0
Geldzorgen armoede en schulden – 1,9 0,0 – 1,9
Coördinatie arbeidsmarktdienstverlening – 0,1 0,0 – 0,1
Praktijkleren in de derde leerweg 0,0 0,0 0,0
Subsidies kinderopvang algemeen – 0,2 0,0 – 0,2
Subsidies kindervang CN – 0,1 0,0 – 0,1
Kennisinfrastructuur 0,0 0,0 0,0
Vluchtelingenwerk – 0,2 0,0 – 0,2
Overige subsidies artikel 13 – 1,5 0,7 – 0,8
Integratie en participatie – 0,2 0,2 0,0
Totaal – 75,6 38,0 – 37,6
Subsidies arbeidsmarkt algemeen 0,0
Actieprogramma DILLO – 3,0
Stimuleringsregeling LLO in het MKB 0,0
STAP – 0,8
MDI&EU – 0,5
NIBUD – 0,3
Subsidies artikel 2 algemeen – 3,7
Noodfonds – 4,5
Geldzorgen armoede en schulden – 0,7
Coördinatie arbeidsmarktdienstverlening – 0,8
Praktijkleren in de derde leerweg – 1,9
Subsidies kinderopvang algemeen – 0,5
Subsidies kinderopvang CN – 0,4
Integratie en participatie – 2,0
Totaal – 19,1

Voor 2024 is nog niet bekend welk deel er doorschuift naar het volgende jaar.

Vraag 70

Wat is de verdeelsleutel van de gelden voor de Werkcentra over de verschillende arbeidsmarktregio's?

Antwoord 70

De middelen worden gelijk verdeeld over de 35 arbeidsmarktregio’s.

Vraag 71

Hoe worden zogenaamde «remittances» in Nederland aan het land van herkomst belast? Verschilt dit van de schenkbelasting?

Antwoord 71

«Remittances» betreffen niet-commerciële transfers van geld door migranten naar verwanten in herkomstlanden, zoals familie en vrienden. Deze remittances zijn overdrachten die normaal gesproken worden gedaan uit het nettoloon/inkomen (arbeidsinkomen dat reeds belast is met inkomstenbelasting) van een migrant in Nederland en dus gezien kunnen worden als een bepaalde besteding van het inkomen. Remittances kunnen in Nederland onder de schenkbelasting vallen. De Nederlandse schenkbelasting is van toepassing als de schenker in Nederland woont. Het woonland van de verkrijger is niet relevant voor de Nederlandse schenkbelasting, ook niet als dit buiten de EU ligt. Een remittance is een schenking indien sprake is van verarming bij de schenker, verrijking bij de begiftigde en van een bevoordelingsbedoeling (betreffende een bevoordelingsbewustheid en bevoordelingswil bij de schenker). De verkrijger moet de schenkbelasting betalen en aangifte schenkbelasting doen.

Niet elke remittance zal dus als schenking worden aangemerkt voor de schenkbelasting. Van een schenking is gewoonlijk geen sprake bij betaling van kosten van levensonderhoud en studie van eigen kinderen jonger dan 21 jaar, aangezien dit valt onder de onderhoudsverplichting.

Ook als het kind de studie voortzet na zijn 21ste verjaardag zal het betalen van deze kosten in de meeste gevallen niet worden beoordeeld als een te belasten schenking. Maar ook als een remittance een schenking is, hoeft de verkrijger niet altijd schenkbelasting te betalen. De verkrijger moet schenkbelasting betalen voor zover schenking uitkomt boven de jaarlijkse vrijstelling (€ 6.633 voor schenkingen van ouders aan kinderen en € 2.658 voor schenkingen aan anderen dan kinderen (bedragen 2024)). In de praktijk zijn deze regels niet altijd goed bekend.

Vraag 72

Wat zijn de arbeidsmarktgevolgen voor een beperking van de WW-duur tot één jaar? En wat zijn de gevolgen van een beperking tot één jaar met een steilere afbouw van het uitkeringsbedrag?

Antwoord 72

Het inkomen van langdurig werklozen is bij een duurverkorting minder beschermd. Hierdoor neemt de druk om binnen een jaar een baan te vinden toe. Het CPB raamt dat inkorten van de maximale WW-duur naar 1 jaar ongeveer tot 0,3% extra werkgelegenheid12 zal leiden.13 De langdurige werkloosheid neemt naar verwachting af.

De arbeidsmarktgevolgen bij een steilere afbouw zijn afhankelijk van hoe deze afbouw eruit komt te zien. Bij de beantwoording is uitgegaan van een steilere afbouw door middel van een hogere WW aan het begin die daarna steiler afloopt. Het CPB raamt een variant met een verkorte maximale WW-duur van 1 jaar in afnemende tredes met 90% voor de eerste twee maanden, 80% voor de vier maanden daarna en 70% voor de 6 maanden daarna.14 Deze variant zou ongeveer tot 0,1% extra werkgelegenheid leiden. Deze variant biedt hogere inkomenszekerheid voor mensen met een korte WW duur (het percentage voor de eerste maanden ligt hoger dan het huidige percentage). Het inkomen van langdurig werklozen is minder beschermd. Daar staat het risico tegenover dat werkzoekenden bij een korte WW minder tijd krijgen om een baan te vinden die goed aansluit op hun vaardigheden, wat in sommige gevallen een negatief effect op de productiviteit kan hebben.

De effecten verschillen over de economische cyclus: tijdens een crisis neemt inkomenszekerheid af doordat mensen minder snel een nieuwe baan vinden en daardoor meer effect ervaren van een duurverkorting.

Vraag 73

Welk percentage van de werkende Nederlanders ervaart een marginale druk boven de 49,5 procent? Hoeveel ervaart een marginale druk boven de 75 procent?

Antwoord 73

Een raming op basis van de MEV toont dat in 2025 naar verwachting circa 62% van de werkenden een marginale druk boven de 49,5% heeft. Circa 3% van de werkenden heeft een marginale druk boven de 75%.

Vraag 74

In welke sectoren werken (naar schatting) de meeste schijnzelfstandigen?

Antwoord 74

Harde gegevens over het aantal schijnzelfstandigen in Nederland zijn er ook niet. Dat betekent dat het niet mogelijk is om de problematiek van schijnzelfstandigheid precies te kwantificeren. Daardoor is het ook onmogelijk om een uitspraak te doen over schijnzelfstandigheid op sectorniveau. Wel bekend is dat schijnzelfstandigheid zich niet beperkt tot één of enkele sectoren.

In recente jaren is – op basis van CBS gegevens – een duidelijke toename te zien van het aantal zzp’ers in maatschappelijke sectoren, waaronder de zorg, het onderwijs en de kinderopvang. Hoewel het totale aandeel zelfstandigen in deze sectoren nog wat onder het landelijk gemiddelde ligt, is de groei van het aandeel zelfstandigen in deze sectoren opvallend hoog geweest. Dit terwijl er geen reden is te veronderstellen dat het type werk(aanbod) in deze sectoren dusdanig veranderd is, dat dit het logisch maakt dat er substantieel meer met zelfstandigen zou kunnen worden gewerkt.

Het is daardoor aannemelijk dat een aanzienlijk deel van de toename van werkenden die in deze sectoren als zzp’er werkt, schijnzelfstandigen betreft.

Vraag 75

Hoeveel schijnzelfstandigen heeft de rijksoverheid in dienst?

Antwoord 75

Zie antwoord op vraag 36.

Vraag 76

Wat is de stand van zaken rondom de uitvoering van de motie-Aartsen c.s. (32 043, nr. 642)?

Antwoord 76

De in de motie verzochte verkenning naar, op welke wijze relevante toetsings- of toezichtkaders aangescherpt kunnen worden om een koopkrachtig pensioen altijd centraal te laten zijn bij het beleggingsbeleid van fondsen en de toezichthouders hier ook op te laten toezien, zal binnenkort worden afgerond. De Minister van SZW is voornemens uw Kamer vóór het commissiedebat Pensioenonderwerpen van 14 november te informeren over de uitkomsten.

Vraag 77

Hoe verhoudt het minimumloon in Nederland zich tot minimumlonen in de EU?

Antwoord 77

Onderstaande figuur geeft een vergelijking van minimumlonen per uur in Europese landen in januari 2024.

Vraag 78

Hoe verhoudt het minimumloon in Nederland zich tot minimumlonen in de EU als inkomensondersteuning zoals de toeslagen worden meegenomen? Wat is het netto (incl. toeslagen en equivalenten)?

Antwoord 78

Deze informatie is niet bekend.

Vraag 79

Kunt u een overzicht geven van het bijstandsniveau (of equivalent hiervan) in alle EU-lidstaten? Kunt u een overzicht geven van het minimumloon (of equivalent hiervan) in alle EU-lidstaten?

Antwoord 79

België 1.214 2.070
Bulgarije 68 477
Cyprus 480 1.000
Denemarken 1.208 1
Duitsland 502 2.054
Estland 200 820
Finland 555 1
Frankrijk 611 1.767
Griekenland 200 968
Hongarije 60 675
Ierland 945 2.146
Italië 500 1
Kroatië 133 840
Letland 109 700
Litouwen 220 924
Luxemburg 1.788 2.571
Malta 611 925
Nederland 1.196 2.134
Oostenrijk 799 1
Polen 600 998
Portugal 209 957
Roemenië 34 743
Slovenië 439 1.254
Slowakije 74 750
Spanje 565 1.323
Tsjechië 202 755
Zweden 403 1

1 Geen wettelijk minimumloon van toepassing. Sociale partners spreken de laagste beloning in sectorale cao's af.

Het minimumloon in Nederland bedraagt sinds 1 juli 2024 bruto € 13,68 per uur. Eurostat heeft dit minimumuurloon omgerekend naar een bedrag per maand. Hierbij is Eurostat uitgegaan van 36 gewerkte uren per week en 41/3 week per maand.

Vraag 80

Kunt u een overzicht geven van de minimumloonontwikkeling in de afgelopen tien jaren in EU lidstaten en de G7 landen?

Antwoord 80

De afgelopen 10 jaar hebben met name landen in Centraal- en Oost-Europa een sterke groei van het wettelijk minimumloon doorgevoerd. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de groei15 van EU- en G7-landen16.

Stijging met meer dan 200% Litouwen en Roemenië
Stijging met 100–200% Bulgarije, Estland, Hongarije, Kroatië, Letland, Polen, Slowakije en Tsjechië
Stijging met 50–100% Portugal, Slovenië, Spanje en Verenigd Koninkrijk
Stijging met 25–50% België, Canada1, Duitsland2, Griekenland, Ierland, Japan, Luxemburg, Malta en Nederland
Stijging tot 25% Cyprus3 en Frankrijk
Stagnatie (0%) Verenigde Staten4

1 De berekening maakt gebruik van het federale minimumuurloon. Canadese staten mogen minimumuurlonen vastleggen die hoger liggen dan het federale minimumuurloon. In 2014 kende Ontario met CAD 11,00 het hoogste minimumuurloon. In 10 jaar tijd steeg deze beloning tot CAD 17,20.

2 Duitsland heeft per januari 2015 een wettelijk minimumloon ingevoerd. De groei is derhalve berekend voor de periode januari 2015-januari 2024.

3 Cyprus heeft per januari 2023 een wettelijk minimumloon ingevoerd. In januari 2024 werd een stijging van ruim 6% doorgevoerd.

4 De berekening maakt gebruik van het federale minimumuurloon, dat sinds juli 2009 ongewijzigd op USD 7,25 per uur is gebleven. Amerikaanse staten mogen minimumuurlonen vastleggen die hoger liggen dan het federale minimumuurloon. Zowel in 2014 als in 2024 kende District of Columbia het hoogste minimumuurloon, die van USD 9,50 naar USD 16,50 per uur steeg. Sommige Amerikaanse staten wijken niet van het federale uurtarief af, waaronder New Hampshire, Pennsylvania en Texas.

Vraag 81

Welke sectoren hebben de grootste deeltijdfactor? Hebben deze sectoren ook grote personeelstekorten? Zijn er cijfers bekend van de marginale druk in deze sectoren?

Antwoord 81

De sectoren horeca (67% werkt deeltijd), onderwijs (59% werkt deeltijd) en gezondheids- en welzijnszorg (74% werkt deeltijd) hebben de grootste deeltijdfactor.17 De sectoren onderwijs en zorg ervaren inderdaad ook personeelstekorten en hebben last van krapte op de arbeidsmarkt. Er zijn geen cijfers bekend van de marginale druk in deze sectoren. De totale marginale druk is van verschillende factoren afhankelijk. Bijvoorbeeld het geldende belastingtarief en de op- en afbouw van inkomensondersteunende regelingen (zoals heffingskortingen en toeslagen) bij een gegeven inkomenshoogte. Daarnaast geldt voor paren dat de marginale druk ook afhangt van het inkomen van de partner. Zo kan een leraar een partner met een relatief hoog of juist laag inkomen hebben. Met een partner met een relatief hoog inkomen is de marginale druk van de leraar lager omdat dit huishouden waarschijnlijk geen recht op toeslagen heeft, ongeacht de inkomenshoogte van de leraar.

Vraag 82

Hoeveel euro hebben werkgevers in 2024 afgedragen aan sociale premies? Kunt u dit uitsplitsen per premie?

Antwoord 82

Het jaar 2024 is nog niet afgelopen, dus een feitelijk antwoord op deze vraag is nog niet mogelijk. In plaats daarvan wordt voor 2024 en verder de raming ten tijde van de Miljoenennota 2025 gegeven.

Hieronder staan de geraamde premies werknemersverzekeringen zoals die zijn opgenomen in de Miljoenennota 2025 uitgesplitst naar de verschillende premies. De cijfers uit de Miljoenennota zijn hier te vinden: https://www.rijksfinancien.nl/miljoenennota/2025/bijlage/3096453

Van de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet (IAB-Zvw) wordt maar een deel betaald door werkgevers. Zelfstandigen en bijvoorbeeld AOW-gerechtigden betalen deze bijdrage zelf. In de begroting van het Ministerie van VWS wordt uitgesplitst welk deel door werkgevers wordt betaald. Deze reeks is hieronder opgenomen. De cijfers uit de begroting van VWS zijn hier te vinden: https://www.rijksfinancien.nl/memorie-van-toelichting/2025/OWB/XVI/onderdeel/3169463.

Aof (Arbeidsongeschiktheidsfonds) 21,7 24,8 26,3
Whk (Werkhervattingskas) 2,5 2,6 3,0
AWf (Algemeen Werkloosheidsfonds) 9,5 10,2 11,1
Ufo (Uitvoeringsfonds voor de overheid) 0,6 0,6 0,6
IAB-Zvw (Zorgverzekeringsfonds) (deel werkgevers) 24,9 26,4 27,6
Totaal 59,2 64,6 68,6

Vraag 83

Heeft de rijksoverheid mensen in dienst die het minimumloon verdienen?

Antwoord 83

Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De Minister van BZK antwoordt met het volgende:

Binnen de CAO Rijk heeft schaal 01, salaristrede 0, het laagste uurloon ter hoogte van € 14,98. Het minimum uurloon is € 13,68. Het Rijk heeft geen medewerkers met een formeel vast of tijdelijk dienstverband die het minimumloon verdienen.

Vraag 84

Wat is de deeltijdfactor bij personeel van de rijksoverheid?

Antwoord 84

Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De Minister van BZK antwoordt met het volgende:

De gemiddelde deeltijdfactor van medewerkers bij het Rijk (inclusief Rechtspraak CAO Rijk, Hoge Colleges van Staat, exclusief Defensie) met een formeel vast of tijdelijk dienstverband is 0,95 ultimo Q2 2024. Voor de sector Rijk geldt een voltijd werkweek (1 fte) van 36 uur.

Vraag 85

Reflecteert de rijksoverheid als werkgever op de positie die het inneemt op de arbeidsmarkt? Wordt daarbij gekeken naar de concurrerende positie van de rijksoverheid die door zeer aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden mogelijk begeerde arbeidskrachten uit de arbeidsmarkt onttrekt waardoor de personeelstekorten van bedrijven versterkt worden?

Antwoord 85

Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De Minister van BZK antwoordt met het volgende:

Ja. Onze arbeidsvoorwaarden zijn gemiddeld genomen vergelijkbaar met grote werkgevers in de marktsector.

Vraag 86

Kan worden aangegeven hoe de hoogte van de Nederlandse bijstandsuitkering zich verhoudt tot de hoogte elders in de EU, zowel in absolute zin als in percentage van het mediane inkomen?

Antwoord 86

De tabel hieronder bevat voor de EU-27 het gegarandeerde minimuminkomen (Guaranteed Minimum Income benefits) zoals dat gedefinieerd wordt door de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. In Nederland is dit de algemene bijstandsuitkering. In de tweede kolom is het gemiddelde maandbedrag in 2023 weergegeven dat een alleenstaande bijstandsgerechtigde ontving, dit bedrag bevat voor Nederland de vakantietoeslag maar geen toeslagen. De derde kolom bevat het maandbedrag als percentage van het mediane besteedbare inkomen op basis van berekening van de OESO (na belastingen, maar voor vaste lasten). Dit is gedaan om landen beter met elkaar te kunnen vergelijken. Ter illustratie: voor Nederland betreft het inkomen van een alleenstaande bijstandsgerechtigde dus 41% van het doorsnee inkomen.

België € 1.214 42%
Bulgarije € 68 11%
Cyprus € 480 25%
Denemarken € 1.208 36%
Duitsland € 502 20%
Estland € 200 12%
Finland € 555 21%
Frankrijk € 611 27%
Griekenland € 200 21%
Hongarije € 60 8%
Ierland € 945 31%
Italië € 500 26%
Kroatië € 133 14%
Letland € 109 9%
Litouwen € 220 18%
Luxemburg € 1.788 39%
Malta € 611 36%
Nederland € 1.196 41%
Oostenrijk € 799 27%
Polen € 600 13%
Portugal € 209 17%
Roemenië € 34 6%
Slovenië € 439 25%
Slowakije € 74 7%
Spanje € 565 33%
Tsjechië € 202 14%
Zweden € 403 15%

Bron: OESO, oecd.stat.org, geraadpleegd en bewerkt op 11-10-2024.

Noot: Maandbedragen voor niet-eurolanden zijn omgerekend op basis van de gemiddelde wisselkoersen die de OESO hanteert voor 2023; de maandbedragen zijn niet gecorrigeerd voor prijsverschillen tussen landen (koopkrachtpariteit).

Vraag 87

Zijn er EU-landen die sociale zekerheid (of delen hiervan) of voorzieningen in natura verstrekken aan minima? Zoals de Amerikaanse «food stamps»?

Antwoord 87

Ja, diverse EU-landen verstrekken voorzieningen in natura aan minima. Uit de landenanalyse sociaal minimum van SEO volgt het volgende18:

– Denemarken en het Verenigd Koninkrijk verstrekken gezondheidszorg in natura.

– In Duitsland worden woon- en energiekosten overgenomen. Verder kunnen bijstandsgerechtigden gebruikmaken van voedselbanken die subsidie ontvangen van de overheid. Specifiek voor kinderen worden onder meer schoolmaaltijden, excursies en transport naar school verstrekt.

– In België wordt bijstand aangevuld met hulp in natura door gemeentelijke centra. De voedselbanken worden deels gefinancierd uit het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+).

– In Frankrijk bieden regionale en stedelijke overheden bijdragen in natura, hoewel hier beperkt gebruik van wordt gemaakt. Voedselbanken, gesubsidieerd door de overheid, zijn beschikbaar voor mensen met een laag inkomen.

– Het Verenigd Koninkrijk kent onder andere een nationaal netwerk van voedselbanken. Via de National Health Service is de gezondheidszorg grotendeels gratis. Er zijn ook regelingen voor de verduurzaming van woningen, vermindering van energiekosten en korting op openbaar vervoer. Alle kinderen tussen vijf en zeven jaar krijgen gratis schoolmaaltijden, evenals kinderen van gezinnen in de bijstand. Kinderopvangkosten worden voor 85% vergoed. Food vouchers kunnen worden aangevraagd bij de lokale gemeente, die ook uitkeringen in natura kan verstrekken via een huishoudsteunfonds19.

Volgens de Europese Commissie bieden bijna alle EU-landen (gedeeltelijk) een gratis gezonde maaltijd per schooldag aan kwetsbare kinderen. Wel zit er veel variatie tussen doelgroepen, leeftijden en de manier waarop dit georganiseerd wordt. Daarnaast gebruiken de meeste EU-lidstaten ESF+ middelen (voorheen FEAD) om voedselhulp en materiële hulp te verstrekken aan de meest behoeftigen. Op grond van de ESF+ verordening (periode 2021–2027) moeten lidstaten minimaal 3% van hun budget aan dit doel besteden.20

Vraag 88

Hebben andere EU-landen in de afgelopen jaren plannen uitgerold om de stap naar (meer) werken te stimuleren? Heeft u zich door deze plannen laten inspireren?

Antwoord 88

Ja, verschillende EU-landen hebben de afgelopen jaren plannen uitgerold om de stap naar (meer) werken te stimuleren. Zo staan Scandinavische landen bekend om hun uitgebreide kinderopvangstelsels, met regelingen die over het algemeen genereuzer zijn dan elders in Europa. Duitsland heeft het bijstandsstelsel hervormd, door meer ondersteuning te bieden in het vinden van passend werk of bijscholingstrajecten. Verschillende lidstaten van de EU waar de jeugdwerkloosheid hoog is, maken gebruik van het «Youth Guarantee Programme» om jongvolwassenen te ondersteunen met om- en bijscholing. Daarnaast hebben onder andere Frankrijk, Italië en Spanje belasting- en premiekortingen doorgevoerd om te stimuleren dat werkgevers jonge, vrouwelijke of langdurig werkloze arbeidskrachten aannemen.

Wat deze uitgerolde maatregelen gemeen hebben, is dat bij de totstandkoming rekening wordt gehouden met de sociaaleconomische en culturele kenmerken van de nationale arbeidsmarkt. Kenmerkend voor Nederland is onder andere dat er sprake is van een hoge arbeidsparticipatie (ook onder vrouwen), maar dat er tegelijkertijd veel in deeltijd wordt gewerkt.21 Ook speelt ons specifieke toeslagenstelsel en fiscaliteit een rol in de keuze van mensen om wel of niet (meer) te gaan werken.22 In Nederland wordt gewerkt aan het lonender maken van werk door het koopkrachtpakket.

Het kan waardevol zijn om inspiratie te putten uit voorbeelden in andere lidstaten. Tegelijkertijd is het essentieel om rekening te houden met de nationale kenmerken van de arbeidsmarkt. In hoofdstuk 10a van het Regeerprogramma heeft het kabinet aangegeven wat we willen doen om meer mensen te laten participeren op de arbeidsmarkt en om meer uren werken te stimuleren. Denk aan de stelselherziening van de kinderopvangtoeslag en het Groeifondsproject «Meer uren werkt!». Om meer werken aantrekkelijk te maken, leunt Nederland net als andere landen veel op werkgevers, omdat goed werkgeverschap cruciaal blijkt te zijn in de keuze om meer te gaan werken. Zo experimenteren werkgevers in Nederland in sectoren zoals zorg en onderwijs met het bieden van iets extra’s, zoals flexibiliteit in snipperdagen, inroostering of het focussen op andere soorten taken. Ten slotte blijft het kabinet inzetten op het wegnemen van belemmeringen voor asielzoekers en statushouders om meer (uren) te werken.

Vraag 89

Kan een overzicht gegeven worden van al het armoedebeleid dat het kabinet-Schoof treft? Kan beleid van vorige kabinetten worden meegenomen indien dit is doorgezet? Kunnen de kosten hiervan erbij vermeld worden?

Antwoord 89

Het armoedebeleid bestaat, naast de inzet op werk, uit koopkrachtmaatregelen, preventief beleid om armoede te voorkomen en intergenerationele armoede te doorbreken en voor een deel uit beleid om mensen in armoede te ondersteunen en de gevolgen van armoede te verzachten.

Het huidig kabinet voorkomt dat armoede stijgt met een verhoging van het kindgebonden budget en een verhoging en vereenvoudiging van de huurtoeslag. Er komt een extra belastingschijf met een lager belastingtarief in de inkomstenbelasting. Dit zorgt voor een hogere bijstand en AOW doordat deze gekoppeld zijn aan het minimumloon. Ook wordt de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de hoogte van de bijstand bevroren in 2025, 2026 en 2027. Op deze manier voorkomt het kabinet dat de hoogte van de bijstand daalt.

Het kabinet wil daarnaast het niet-gebruik van inkomensondersteunende regelingen tegengaan. Als iedereen gebruik maakt waar hij recht op heeft leven er minder mensen in armoede. Daarom komt het kabinet met het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening om het niet-gebruik terug te dringen. Daarnaast heeft het kabinet zowel 2025 als 2026 € 60 miljoen gereserveerd om een energiefonds in te richten dat steun biedt aan huishoudens die hun energierekening niet kunnen betalen en om ervoor te zorgen dat zij kunnen meekomen in de energietransitie. Op dit moment is het kabinet nog met diverse partijen, zoals een aantal energieleveranciers, woningcorporaties, banken, gemeenten en maatschappelijke organisaties, in gesprek over hoe dit vorm kan krijgen.

Om kinderen die in armoede leven te ondersteunen werken we samen met onder andere de Sam&-partijen, zodat kinderen mee kunnen doen in de samenleving. Hiervoor is structureel € 16 miljoen beschikbaar. Ook reserveert het kabinet € 135 miljoen structureel voor gratis schoolmaaltijden zodat alle kinderen met een gevulde maag in de klas zitten. Als kinderen hebben ontbeten is hun concentratie beter en presteren ze beter op school. Op deze manier wordt de kans verkleind dat zij later zelf ook in armoede leven. Verder is er inzet op het terrein van voedselhulp met als inzet om mensen die deze hulp nodig hebben zo goed mogelijk te bereiken. Om dit te bevorderen ondersteunt het kabinet een aantal maatschappelijke organisaties en brengt het partijen bij elkaar om te komen tot een betere dekking van voedselhulp.

Het Rijk heeft in de afgelopen jaren ook middelen beschikbaar gesteld aan gemeenten voor hun rol in het armoede- en schuldenbeleid. Zo heeft het kabinet vanuit de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden die in juli 2022 aan de Tweede Kamer is gepresenteerd, € 40 miljoen aan jaarlijks structurele middelen voor betere dienstverlening door gemeenten op het gebied van armoede en schulden beschikbaar gesteld. Dit is aanvullend op de structurele middelen die in 2014 (€ 90 miljoen) en 2017 (€ 85 miljoen) voor de gemeentelijke dienstverlening op het terrein van armoede en schulden aan het gemeentefonds zijn toegevoegd. De aanvullende toekenning vanaf 2024 vindt structureel plaats om gemeenten verder in staat te stellen om strategisch en doelgericht te handelen en hun activiteiten uit te voeren, zoals het verdubbelen van het gebruik van de schuldhulpverlening en het intensiveren van activiteiten om kinderarmoede te bestrijden. Gemeenten zijn hierover geïnformeerd via de Meicirculaire gemeentefonds 2024.

Het kabinet heeft daarnaast € 5,4 miljoen structureel gereserveerd voor een bijdrage aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid vanuit armoedemiddelen. Tot slot zijn er nog een aantal overige opdrachten en subsidies ten behoeve van het armoede- en schuldenbeleid die worden bekostigd uit beleidsondersteunend budget.

Vraag 90

Kan een overzicht gegeven worden van al het beleid dat de regering heeft om werken aantrekkelijker te maken?

Antwoord 90

Het kabinet wil zo veel mogelijk mensen de kans geven om mee te doen. Betaald werk zit er niet voor iedereen in. Maar voor wie dat wél kan, moet werk lonen. Daar werkt het kabinet aan, door bijvoorbeeld de belastingverlaging en de vereenvoudiging van de huurtoeslag. Om grotere stappen te zetten, moet de vormgeving van toeslagen, de fiscaliteit en de sociale zekerheid grondig worden herzien. Daar lopen we tegen budgettaire beperkingen en de grenzen van het huidige belastingstelsel aan. Het kabinet start daarom een hervormingsagenda voor het stelsel van inkomensondersteuning. In het voorjaar 2025 stuurt het kabinet een brief met enkele varianten en keuzeopties, als start voor een open dialoog met het parlement. Daarnaast is de inzet om voor de begrotingsbehandeling van SZW met een agenda voor werkenden te komen.

In de tussentijd stimuleert het kabinet mensen – die dat willen – om meer uren te werken. Vanwege de individuele ontplooiingskansen die dit biedt, maar ook voor de samenleving als geheel – bijvoorbeeld met het oog op personeelstekorten. De arbeidsparticipatie in Nederland blijft groeien, maar er wordt ook veel in deeltijd gewerkt.23 In sommige gevallen past deeltijdwerk goed bij bijvoorbeeld de zorg voor kinderen of naasten. Deze vormen van zorg, maar ook vrijwilligerswerk en een gezonde werk en privé balans vindt het kabinet belangrijk.

Het kabinet ondersteunt werkenden om meer uren te maken, door de stelselherziening van de kinderopvangtoeslag en het groeifondsproject «Meer uren werkt!». Om meer werken aantrekkelijk te maken, is goed werkgeverschap cruciaal. Zo experimenteren werkgevers in sectoren zoals zorg en onderwijs met het bieden van iets extra’s, zoals flexibiliteit in snipperdagen, inroostering of het focussen op andere soorten taken.

Het kabinet gaat bovendien de participatiewet opnieuw opbouwen. In lijn met de voor dit kabinet belangrijkste uitgangspunten uit het regeerprogramma kiest het kabinet er onder andere voor om nu eerst aan de slag te gaan met het vereenvoudigen van de wet en met het aan het werk helpen van mensen die dat kunnen. Zo wil het kabinet ervoor zorgen dat het voor bijstandsgerechtigden duidelijker wordt wat werken oplevert. Dat draagt eraan bij dat zij sneller die stap zullen zetten.

Ook blijft het kabinet inzetten op het wegnemen van belemmeringen voor asielzoekers, gezinsmigranten en statushouders om meer (uren) te werken. Tot slot zetten UWV, gemeenten en arbeidsmarktregio’s zich gezamenlijk in om werkzoekenden de ondersteuning te bieden die zij nodig hebben om duurzaam de stap naar werk te kunnen zetten.

Vraag 91

Hoeveel dragen arbeidsmigranten per hoofd bij aan de Nederlandse economie? Hoe verhoudt zich dat tot het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de Nederlandse bevolking zonder arbeidsmigranten?

Antwoord 91

Het onderzoek «Arbeidsmigratie in 2030; mogelijke ontwikkelingen in vier scenario’s» van SEO uit juni 2022 onderzocht de bijdrage van arbeidsmigranten aan het BBP in Nederland (bron: SEO, 2022, Arbeidsmigratie in 2030). Deze studie becijfert de bruto bijdrage aan het BBP voor 2019 op € 22 miljard, ofwel 3% van het BBP.

De studie moet vanwege de complexiteit van het vraagstuk forse aannames maken om tot een werkbaar cijfer te komen. Eerst wordt vastgesteld wat het loonaandeel van arbeidsmigranten is in de verschillende sectoren. Dit aandeel wordt vervolgens toegepast op de bijdrage van deze sector aan het BBP. Het BBP meet hoeveel waarde er binnen de Nederlandse grenzen wordt gegenereerd. Bijvoorbeeld: het loonaandeel van migranten in de glastuinbouw is 20% en de toegevoegde waarde van de tuinbouw aan de welvaart is € 10 miljard. De bijdrage van migranten aan het BBP wordt dan becijferd als 20% keer € 10 miljard is € 2 miljard.

Daarnaast leidt bovenstaande methode tot een overschatting van de bijdrage van arbeidsmigranten aan het BBP, omdat de waarde van de inzet van binnenlands kapitaal en technologie deels wordt toegeschreven aan de bijdrage van arbeidsmigratie. Het totaal aan brutolonen die arbeidsmigranten ontvangen vormen een alternatieve indicator voor de bijdrage van arbeidsmigratie aan de totale productie, hoewel lonen in theorie alleen in een optimaal functionerende arbeidsmarkt gelijk staan aan het werkelijke productiviteitsniveau van werkenden. Wanneer we lonen als indicator hanteren blijft de bijdrage van arbeidsmigratie aan het BBP in Nederland in 2019 naar cijfers uit de eerdergenoemde SEO studie beperkt tot € 11 miljard, ofwel 1,5% van het BBP. In oktober 2024 zal het CBS uitgebreide cijfers publiceren over de arbeidsmarktpositie van arbeidsmigranten, waaronder meer informatie over de loonverdeling van arbeidsmigranten van binnen en buiten de EU.

Daarnaast is van belang dat de bijdrage aan het bbp sterk verschilt tussen laagproductieve versus hoogproductieve vormen van arbeidsmigratie. Zo wijst SEO erop dat de bijdrage van arbeidsmigranten aan het bbp lager is dan hun aandeel in de totale werkgelegenheid, doordat arbeidsmigranten (vooral vanuit de Midden- en Oost-Europa) vaker werkzaam zijn in laagbetaalde banen.

Een vergelijking met het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de Nederlandse bevolking zonder arbeidsmigranten is niet zuiver op te stellen. Zo kan de komst van arbeidsmigranten, in het bijzonder van kennismigranten, ook invloed hebben op de productiviteit van gevestigde werkenden. Zulke productiviteit spillovereffecten treden op wanneer arbeidsmigranten complementair zijn aan (/andere vaardigheden en kennis hebben dan) zittende werknemers.

Tot slot is van belang te benadrukken dat de bijdrage van arbeidsmigratie niet enkel te meten is via hun bijdrage aan het bbp. Dit betreft een smalle benadering van de bijdrage van arbeidsmigratie aan de welvaart. Zo kunnen arbeidsmigranten ook bijdragen aan de bredere welvaart, bijvoorbeeld via kennisdeling en hun deelname aan de maatschappij. Aan de andere kant kan de komst van arbeidsmigranten brede welvaart kosten, bijvoorbeeld doordat zij een beroep doen op schaarse (woon)ruimte en op uiteenlopende maatschappelijke voorzieningen zoals zorg en infrastructuur.

Vraag 92

Wat zijn de verwachte effecten van de beoogde bezuiniging op personeel op het Ministerie van SZW?

Antwoord 92

De apparaatstaakstelling voor 2025 vullen we grotendeels in met reserves. Voor een beperkt bedrag wordt een besparing op zaken zoals de overige personeelskosten en de catering ingeboekt. Daarnaast worden vacatures die ontstaan als gevolg van pensioneringen niet ingevuld en wordt er terughoudend omgegaan met het invullen van vacatures. De invulling van de bezuinigingen bij SZW voor 2026 en de jaren daarna is nog niet bekend.

SZW heeft de NLA en de uitvoeringsorganisaties gevraagd om een bijdrage en we zijn in gesprek over de invulling. Daarbij wordt onder meer gezocht naar mogelijkheden voor besparingen door vereenvoudiging van wet- en regelgeving en taakaanpassing.

Vraag 93

Kan een overzicht gegeven worden van het percentage mensen dat in armoede leeft per EU-lidstaat?

Antwoord 93

Elke EU-lidstaat kan een eigen definitie van armoede hanteren. In Nederland geldt de niet-veel-maar-toereikend grens. Op 17 oktober 2024 hebben het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een gezamenlijk rapport gepubliceerd met daarin een nieuwe manier om de armoedegrens te meten en een nieuwe definitie van armoede.24

Om Europese landen met elkaar te vergelijken wordt veelal gebruik gemaakt van de AROP25 of de AROPE26 indicator. AROP verschilt met de Nederlandse indicator, omdat het een relatieve armoedegrens is ten opzichte van de mediaan. AROPE is een bredere definitie van armoede en sociale uitsluiting dan de niet-veel-maar-toereikend definitie, maar geeft wel een indicatie van het percentage mensen dat in armoede leeft in de EU. Zie onderstaand een overzicht van de AROPE indicatie in de EU van Eurostat voor het jaar 2023:

Vraag 94

Kan een overzicht gegeven worden van een recente gini-coëfficiënt per EU-lidstaat?

Antwoord 94

Zie onderstaand een overzicht van de Gini-index per lidstaat voor het jaar 2023:

Vraag 95

Zijn er EU-regeringen die, net zoals deze regering, als regeringsbeleid het streven hebben dat het percentage mensen dat in armoede leeft niet verder mag stijgen t.o.v. een referentiejaar (zoals het eerste jaar van de regeerperiode)?

Antwoord 95

Alle Europese lidstaten hebben zich gecommitteerd aan de Sustainable Development Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties (VN) en de Europese streefdoelen voor 2030, zoals opgenomen in het Actieplan voor de Europese Pijler van Sociale Rechten27. SDG 1 heeft als doel dat (kinder)armoede in 2030 is gehalveerd ten opzichte van 2015. Eén van de Europese streefdoelen is het terugbrengen van het aantal mensen met een risico op armoede en sociale uitsluiting in de EU met ten minste 15 miljoen ten opzichte van 2019.

Elke lidstaat heeft, in samenspraak met de Europese Commissie, een nationaal doel opgesteld welke bijdraagt aan het halen van het EU-doel. Zie bijgaand het laatste overzicht waarin de streefcijfers per lidstaat zijn gerapporteerd. Hieruit blijkt dat elke lidstaat streeft naar een lager aantal personen in armoede.

In het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma is vastgelegd dat het kabinet de (kinder)armoede niet wil laten stijgen ten opzichte van 2024. Het CPB rekent bij de CEP-raming in maart 2025 voor het eerst met de nieuwe definitie van armoede. Dan wordt het effect zichtbaar op de doelstelling om armoede niet te laten stijgen in deze kabinetsperiode, alsmede het effect op SDG 1 en het Europese streefdoel betreffende (kinder)armoede.

Ook hebben alle lidstaten een nationaal actieplan opgesteld met daarin maatregelen om het hoofddoel van de Raadsaanbeveling over de Kindergarantie28, het verminderen van armoede onder kinderen, te bewerkstelligen.

Vraag 96

Kan de marginale druk van Nederlandse werkenden vergeleken worden met die in vergelijkbare landen?

Antwoord 96

Het belastingstelsel en bijdragen aan sociale verzekeringen verschillen tussen landen. In onderstaande tabel is uit een publicatie van de OESO voor verschillende huishoudtypen de marginale druk getoond.

België 68,5% 65,0% 67,8% 68,5% 65,0% 65,1% 64,1% 65,1%
Nederland 51,3% 51,3% 51,5% 56,8% 56,8% 51,3% 51,3% 51,3%
Duitsland 54,1% 48,7% 47,0% 52,7% 41,3% 46,2% 46,0% 46,1%
Frankrijk 64,6% 58,2% 59,5% 74,5% 41,9% 50,6% 58,2% 47,9%
Zweden 46,2% 48,2% 65,9% 46,2% 48,4% 48,4% 48,4% 48,4%
Denemarken 39,1% 42,1% 55,9% 37,3% 42,1% 42,1% 42,1% 42,1%
Verenigd Koninkrijk 40,2% 40,2% 49,0% 73,1% 40,2% 40,2% 40,2% 40,2%

Kolom 1) Alleenstaande, geen kinderen, 67% van het gemiddelde loon van dat land

Kolom 2) Alleenstaande, geen kinderen, 100% van het gemiddelde loon van dat land

Kolom 3) Alleenstaande, geen kinderen, 167% van het gemiddelde loon van dat land

Kolom 4) Alleenstaande ouder met 2 kinderen, 67% van het gemiddelde loon van dat land

Kolom 5) Getrouwd stel met twee kinderen, 100 en 0% van het gemiddelde loon van dat land

Kolom 6) Getrouwd stel met twee kinderen, 100 en 67% van het gemiddelde loon van dat land

Kolom 7) Getrouwd stel met twee kinderen, beiden 100% van het gemiddelde loon van dat land

Kolom 8) Getrouwd stel zonder kinderen, 100 en 67% van het gemiddelde loon van dat land

Ter indicatie: voor Nederland bedraagt volgens deze publicatie 67% van het gemiddelde loon 41.728 euro, 100% 62.281 euro en 167% 104.009 euro (brutoinkomens).

Voor bovenstaande tabel is aangenomen dat het brutoinkomen van de meestverdiener van het huishouden stijgt. Bron: Tabel 3.6 uit OECD (2024), Taxing Wages 2024: Tax and Gender through the Lens of the Second Earner, OECD Publishing, Parijs, https://doi.org/10.1787/dbcbac85-en

Vraag 97

Wat is de deeltijdfactor in de kinderopvangsector?

Antwoord 97

De deeltijdfactor in de kinderopvangsector was 0,67 in het eerste kwartaal van 2024 (Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 10-10-2024). De deeltijdfactor is de verhouding tussen de werkelijke arbeidsduur en de gebruikelijke voltijdsarbeidsduur per week volgens de cao. In de cao kinderopvang is dat 36 uur per week.

Vraag 98

Kunt u een overzicht maken van de omvang van de SZW-begroting als percentage van het bbp sinds 2010?

Antwoord 98

In onderstaande grafiek en tabel staan de geraamde uitgaven en de geraamde netto-uitgaven (uitgaven minus ontvangsten) uit de ontwerpbegrotingen van Hoofdstuk XV (SZW) in miljoen euro’s en als percentage van het bbp. De bbp-cijfers voor 2023 en verder zijn nog niet definitief, daarvoor is de meest recente CPB-raming (MEV 2025) gebruikt.