[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Toezegging gedaan tijdens het debat Wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de verplichtstelling van een verklaring omtrent het gedrag in het aanvullend onderwijs (Kamerstuk 36479), over de mogelijkheid om omzetbelasting te heffen op commerciële bijlesbureaus en de middelen terug laten vloeien naar het publiek bekostigde onderwijs

Wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de verplichtstelling van een verklaring omtrent het gedrag in het aanvullend onderwijs

Brief regering

Nummer: 2025D12386, datum: 2025-03-21, bijgewerkt: 2025-03-24 09:42, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36479 -16 Wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de verplichtstelling van een verklaring omtrent het gedrag in het aanvullend onderwijs .

Onderdeel van zaak 2025Z05409:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Datum

Betreft

21 maart 2025
Betreft Toezegging lid Westerveld omzetbelasting en aanvullend onderwijs

Kansengelijkheid en Onderwijsondersteuning

Rijnstraat 50

Den Haag

Postbus 16375

2500 BJ Den Haag

www.rijksoverheid.nl

Onze referentie

51225066

Bijlagen

Tijdens de wetsbehandeling van de verplichtstelling van een Verklaring Omtrent Gedrag in het aanvullend onderwijs op 4 september jl. is door het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA) gevraagd of het mogelijk is om omzetbelasting te heffen op commerciële bijlesbureaus en de middelen terug laten vloeien naar het publiek bekostigde onderwijs. Met deze brief informeren wij de Tweede Kamer over de toezeggingen om dit te verkennen.1

Om omzetbelasting te heffen op commerciële bijlesbureaus zou het nodig zijn om een onderscheid te maken tussen winstbeogende en niet-winstbeogende aanbieders van onderwijs. In die laatste categorie kan gedacht worden aan aanbieders zoals scholen in het openbaar en bijzonder onderwijs. Sinds 1993 geldt voor alle aanbieders die zich bezig houden met het geven van regulier onderwijs in beginsel een vrijstelling van omzetbelasting, ook wel een btw-vrijstelling genoemd. Tot 1993 was de toepassing van de btw-vrijstelling voorbehouden aan niet-winstbeogende ondernemers. Dit leidde destijds in de praktijk tot een ongewenste concurrentieverstoring: de dienstverlening is, ongeacht of de aanbieder winst beoogt, immers hetzelfde maar destijds met verschillende btw-gevolgen. Om die reden werd deze voorwaarde geschrapt. Het herintroduceren van deze voorwaarde zou ook nu weer tot concurrentieverstoring leiden.

Daarbij laten de begrotingsregels het door de scheiding van inkomsten en uitgaven niet toe om een specifieke bestemming te geven aan de inkomsten die voortvloeien uit een eventuele heffing op commerciële bijlesbureaus. Middelen die volgen uit een dergelijke maatregel kunnen daardoor niet terugvloeien naar het publiek-bekostigde onderwijs.

Om deze redenen achten wij het onverstandig omzetbelasting te heffen op commerciële aanbieders van aanvullend onderwijs en is het niet mogelijk om deze opbrengsten vervolgens terug te laten vloeien naar het publiek-bekostigde onderwijs.

Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Mariëlle Paul

Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane,

T. van Oostenbruggen


  1. TZ202412-029 en TZ202409-046↩︎