Inbreng verslag schriftelijk overleg over Uitgangspunten Programma Vernieuwing Stalbeoordeling (Kamerstuk 28973-258)
Toekomst veehouderij
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2025D12681, datum: 2025-03-24, bijgewerkt: 2025-03-24 17:08, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M. Aardema, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (PVV)
- Mede ondertekenaar: A. van den Brule-Holtjer, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2024Z21791:
- Indiener: C.A. Jansen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
- Volgcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- 2025-01-14 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-01-22 10:15: Procedurevergadering IenW (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2025-02-05 11:15: Procedurevergadering LVVN (Procedurevergadering), vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- 2025-03-24 12:00: Uitgangspunten Programma Vernieuwing Stalbeoordeling (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Preview document (🔗 origineel)
28973 Toekomst veehouderij
Verslag van een schriftelijk overleg
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over zijn brief van 19 december 2024 ‘Uitgangspunten Programma Vernieuwing Stalbeoordeling‘ (Kamerstuk 28973-258).
De op 24 maart 2025 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de staatssecretaris bij brief van … toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Aardema
Adjunct-griffier van de commissie,
Van den Brule-Holtjer
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie 2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 3
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie 4
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie 4
II Antwoord/ Reactie van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat 6
III Volledige agenda 6
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukken
en hebben hierover een aantal vragen.
Algemeen beleid en rechtszekerheid
De leden van de PVV-fractie vragen hierbij aan de staatssecretaris
of het nu wel het geschikte moment is om het huidige
stalbeoordelingsstelsel te vervangen, aangezien er nog steeds discussie
is over de effectiviteit van eerdere emissiereductiemaatregelen. Kan de
staatssecretaris ook een reflectie geven op de waarborging dat
veehouders niet steeds opnieuw moeten investeren in technieken die later
door de overheid als onvoldoende worden beoordeeld? Afsluitend op dit
onderdeel vragen deze leden waarom er is gekozen om het Nederlandse
Normalisatie Instituut (NEN) een rol te geven in de borging van
innovaties en welke invloed dit heeft op de snelheid van
implementatie.
Effectiviteit van emissiearme stalsystemen
De leden van de PVV-fractie zouden van de staatssecretaris graag een
uitleg ontvangen met betrekking tot het programma waarbij zowel
forfaitaire emissie-indicatoren, als continue metingen mogelijk worden.
Hoe wordt de betrouwbaarheid van deze methodes gewaarborgd en welke
meetmethode heeft prioriteit? Hoe wordt voorkomen dat veehouders met
tijdelijke emissie-labels later alsnog met juridische problemen worden
geconfronteerd? Afsluitend hierop zijn deze leden benieuwd op welke
manier bedrijven worden gecompenseerd die al in bestaande stalsystemen
hebben geïnvesteerd die niet meer voldoen aan de nieuwe standaarden?
Kosten en financiële impact voor boeren
De leden van de PVV-fractie zouden graag een reactie van de
staatssecretaris ontvangen over wie de kosten gaat dragen voor het
accreditatie- en certificeringssysteem? Kan de staatssecretaris ook
toelichten hoe deze nieuwe regelgeving zich verhoudt tot de belofte om
boeren perspectief te bieden en onnodige lasten te verminderen? Heeft de
staatssecretaris er al zicht op welke concrete financiële lasten dit
nieuwe beoordelingssysteem met emissie-labels en monitoringseisen met
zich mee brengt voor boeren en welke steunmaatregelen worden overwogen?
Afsluitend hierop vragen deze leden wat er gebeurt wanneer blijkt dat de
marktomvang niet groot genoeg is om dit nieuwe stelsel rendabel te
maken, zoals in de beslisnota wordt genoemd?
Private certificering en controlemechanismen
De leden van de PVV-fractie vragen de staatssecretaris waarom een
deel van de verantwoordelijkheid voor stalbeoordeling wordt overgeheveld
naar private partijen en hoe hierbij de neutraliteit wordt gewaarborgd.
Evenals hoe voorkomen gaat worden dat door private
certificeringsinstanties de kosten en bureaucratie voor boeren onnodig
hoog worden. Afsluitend hierop vragen deze leden de staatssecretaris of
hij kan aangeven welke waarborging er is dat dit nieuwe systeem
juridisch houdbaar is en niet leidt tot rechtszaken zoals eerder met de
stikstofregels?
Internationale concurrentiepositie en landbouwbeleid
De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd of en hoe de
staatssecretaris kan voorkomen dat Nederlandse boeren door deze extra
regels op achterstand worden gezet ten opzichte van buitenlandse
concurrenten. Is de staatssecretaris ook bereid de invoering van deze
regelgeving uit te stellen totdat een grondige evaluatie heeft
plaatsgevonden van de effectiviteit van bestaande emissiearme
stalsystemen? Hoe verhoudt dit nieuwe systeem zich tot de stikstof- en
emissieregels in Duitsland en België? Zijn Nederlandse boeren straks
opnieuw strenger gereguleerd dan hun concurrenten? Is het met het oog op
de aanloop naar het stikstofbeleid en ontwikkelingsbeleid dierwaardige
veehouderij bestuurlijk wel een juist moment voor de Uitgangspunten
Programma Vernieuwing Stalbeoordeling?
Vragen en opmerkingen van de leden van de
VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken ter voorbereiding op het programma Vernieuwing Stalbeoordeling. Deze leden wensen in dit kader enkele specifieke aandachtspunten te benadrukken en vragen hierover nadere toelichting van het kabinet.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de huidige Regeling ammoniak en veehouderij (Rav)-systematiek niet langer voldoet en dat vergunningverlening enkel mogelijk is via een passende beoordeling. Deze leden vragen het kabinet hoe de transitie naar het nieuwe beoordelingsstelsel zo wordt ingericht dat deze de innovatie niet vertraagt en vergunningverlening niet verder bemoeilijkt. Welke tijdelijke maatregelen worden overwogen om de impasse in vergunningverlening voor emissiearme stalsystemen op te lossen?
De leden van de VVD-fractie achten het een cruciaal punt dat het kabinet een helder en werkbaar alternatief voor de Rav-lijst moet formuleren; om technische innovaties mogelijk te maken en de stikstofuitstoot daadwerkelijk te verminderen. Hoe beoordeelt het kabinet de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen in het faciliteren van innovaties? Op welke termijn verwacht het kabinet dat het nieuwe beoordelingsstelsel operationeel zal zijn en welke garanties biedt het dat de emissiereductie daadwerkelijk wordt gerealiseerd?
De leden van de VVD-fractie merken op dat in België nog steeds een functionerende lijst voor ammoniak-reducerende systemen bestaat, te weten de AER-lijst. Deze leden vragen of het kabinet heeft onderzocht of, en in hoeverre, het Belgische model als inspiratie kan dienen voor de Nederlandse situatie. Wat zijn de juridische en technische verschillen tussen de AER-lijst en de Rav-systematiek, en zou een vergelijkbaar model in Nederland een oplossing kunnen bieden voor de problemen rondom vergunningverlening?
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast wanneer het kabinet de benoemde wijziging van de Omgevingsregeling zal indienen bij de Kamer, en hoe het genoemde traject dat daarbij hoort eruitziet. Deze leden willen ook weten hoe het private stelsel eruit zal zien, wie hiervoor verantwoordelijk wordt en hoe het toezicht hierop is gewaarborgd.
De leden van de VVD-fractie vragen wat betreft de betaalbaarheid en kostenverdeling van het nieuwe stelsel of dit niet grotendeels de verantwoordelijkheid van de markt zelf is. Ontwikkelaars en marktpartijen die hun innovatie gevalideerd willen zien, hebben immers zelf een belang bij deze validatie. Kan het kabinet hierop reflecteren?
De leden van de VVD-fractie willen verder weten hoe de borging van additieven in voer en mest is geregeld. Hoe vindt de validatie van emissievermindering plaats en valt dit binnen het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling? Zo niet, waar wordt dit dan geregeld?
De leden van de VVD-fractie vragen ook of het klopt dat het hele stelsel is gebaseerd op de combinatie tussen staltechniek en een emissieplafond per bedrijf. Hoe en wanneer wordt dit emissieplafond dan bepaald en vastgesteld, indien dit juist is?
De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat het kabinet stelt dat het nieuwe stelsel complex is en tijd nodig heeft. Deze leden vragen wat er de afgelopen jaren is gebeurd, aangezien de problematiek al sinds de Programma Aanpak Stikstof (PAS)-uitspraak (Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603) bekend is. Bovendien wordt met NEN uitgewerkt hoe het stelsel van stalbeoordeling kan worden ingericht. Wat is de tijdlijn van dit traject?
De leden van de VVD-fractie ontvangen tot slot graag een stand van zaken over de uitvoering van de motie van het lid Van Campen c.s. (Kamerstuk 35334, nr. 266), die opriep tot het opstellen van een handreiking voor passende beoordeling en die eind 2023 al gereed had moeten zijn. Welke concrete stappen zet het kabinet om deze handreiking alsnog op te leveren?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de Kamerbrief over Programma Vernieuwing Stalbeoordeling gelezen en hebben daarover een aantal vragen aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.
De leden van de BBB-fractie vragen ten eerste wat het te verwachten tijdspad is voor de uitwerking van de nieuwe beoordelingssystematiek. Daarnaast willen deze leden graag weten of er een versnelling van het programma mogelijk is.
De leden van de BBB-fractie willen ook graag weten hoe de ontwikkeling en implementatie van innovatieve stalsystemen en emissiereductiesystemen op dit moment kunnen worden gestimuleerd en gesteund, als de nieuwe beoordelingssystematiek zo lang op zich laat wachten.
De leden van de BBB-fractie willen verder weten hoe het tijdstraject van het NEN-traject er nu precies uitziet. In de Kamerbrief wordt aangegeven dat het erkenningstraject wordt verbeterd, maar de ervaring leert dat het een paar jaar duurt voordat stalsystemen worden erkend. Deze leden vragen daarom of het voor stallenbouwers nog wel aantrekkelijk is om via het huidige traject een systeem erkend te krijgen, of dat zij zullen wachten op het nieuwe stelsel.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of het NEN-traject ervoor zal zorgen dat stalsystemen internationaal worden erkend, aangezien dit voor fabrikanten een belangrijke factor is bij investeringen. Deze leden willen ook weten hoe het staat met het Verificatie van milieutechnologieën voor landbouwproductie (VERA)-protocol, dat hiervoor zou worden ontwikkeld.
De leden van de BBB-fractie maken zich ook zorgen over de aantrekkelijkheid van de nieuwe systematiek voor kleinere veehouderijsectoren. Deze leden vragen of de markt groot genoeg zal zijn om investeringen in stalsystemen voor deze sectoren te stimuleren. Daarnaast merken deze leden op dat nieuwe innovaties vaak afkomstig zijn van kleinere bedrijven of start-ups, die nu vaak vastlopen in het erkenningsproces door een gebrek aan middelen. Deze leden willen weten of het ontwikkelen van een emissielabel voor deze partijen straks eenvoudiger wordt dan in de huidige systematiek.
De leden van de BBB-fractie ontvangen tot slot signalen dat gemeenten terughoudend zijn in het verlenen van een proefstalstatus, ondanks de mogelijkheid daartoe onder de nieuwe Omgevingswet. Deze leden willen weten hoe vaak gemeenten tot nu toe een proefstalstatus hebben erkend en of de staatssecretaris bereid is om gemeenten hierbij te ondersteunen als blijkt dat dit slechts beperkt gebeurt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de
PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief over
de Uitgangspunten Programma Vernieuwing Stalbeoordeling en hebben hier
nog enkele vragen over.
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de enorme schaal waarop we in Nederland dieren fokken en doden leidt tot grote problemen voor onder andere de natuur, waterkwaliteit en gezondheid van mens én dier. Er is een forse reductie van de uitstoot nodig maar in plaats van dat het kabinet daar werk van maakt, zet het vol in op technologie en innovatie. In plaats van dat het kabinet de veestapel inkrimpt en boeren helpt om te schakelen naar duurzame landbouw, tuigt het nieuwe beoordelingssystemen op, waardoor veehouders telkens weer zullen moeten investeren in nieuwe lapmiddelen. Deze leden constateren dat al deze beoordelingsmechanismen en waslijsten aan regels niet nodig zouden zijn, als we een natuurinclusief, duurzaam en houdbaar landbouwsysteem zouden hebben, in combinatie met een robuuste natuur. Deelt de staatssecretaris deze mening? Op basis van welke onderbouwing kiest het kabinet er dan toch voor om niet aan een systeemverandering te werken, maar in te blijven zetten op technologische lapmiddelen? Welke lessen heeft dit kabinet geleerd van het verleden, van de mislukte technologische innovaties en de nadelige gevolgen voor boeren? Hoe kijkt het kabinet naar de eerdere adviezen van prominente adviesorganen, zoals de Algemene Rekenkamer?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat eerder onder andere de Algemene Rekenkamer namelijk concludeerde dat het effect van technieken om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen vaak wordt overschat, waardoor steeds weer aanvullende maatregelen nodig zijn om binnen de milieugrenzen te blijven. Ook de staatssecretaris geeft in de Kamerbrief aan dat technieken in de praktijk minder of zelfs geen significante ammoniakemissiereducties bieden. Toch gaat het kabinet volop door op deze route. Deze leden vinden dit onbegrijpelijk. Kan de staatssecretaris aangeven op basis van welke onderbouwing, adviezen en onderzoeken ervoor is gekozen om meer in te zetten op innovaties, terwijl voorbeelden uit het verleden telkens laten zien dat deze route niet werkt en zelfs tot grote problemen kan leiden? Telkens weer wordt er belastinggeld gebruikt om een bepaald stalsysteem, zoals de emissiearme stalvloeren, te stimuleren. Boeren zitten vast aan de lening, maar de problemen werden niet opgelost. Het kabinet zegt nu alleen in te zetten op innovatie dat een “reële zekerheid” biedt. Een nieuw frame, waarmee boeren verder in de problemen worden gebracht. Want een reële zekerheid kan je niet garanderen. Kan het kabinet aangeven wat “reële zekerheid” betekent? Betekent dat: zekerheid dat (alleen) de uitstoot naar beneden gaat, of zekerheid dat de innovatie er ook daadwerkelijk voor gaat zorgen dat de problemen integraal worden opgelost, waaronder dierenwelzijn?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de staatssecretaris in de Kamerbrief allerlei algemeenheden schrijft over dat het nieuwe systeem niet ten koste moet gaan van het mestbeleid en lacunes en overlap moet worden vermeden. Deze leden wijzen erop dat dit, gezien de huidige staat van de landbouw en de omvang van het mestprobleem, zwaar onvoldoende is. Zullen de innovaties leiden tot een forse vermindering van de mestproductie? Zo nee, waarom zet het kabinet hier dan toch op in, aangezien dit er alleen maar voor zal zorgen dat boeren nog verder vast komen te zitten in het huidige systeem terwijl de urgente problemen niet worden opgelost?
De leden van de PvdD-fractie missen aandacht voor dierenwelzijn in de Kamerbrief van de staatssecretaris. De dieren zijn immers de grootste slachtoffers van dit systeem. De staatssecretaris schrijft alleen dat een uitgangspunt is dat de systemen moeten voldoen aan de ‘minimale’ eisen voor dierenwelzijn. Deze leden wijzen erop dat de doelen voor bijvoorbeeld een ‘dierwaardige’ veehouderij hiermee niet dichterbij komen. De pogingen van de overheid en de vee-industrie om de milieu-impact van de veehouderij te verminderen, hebben de afgelopen decennia geleid tot het aanpassen van stallen met technieken en innovaties die direct of indirect ten koste gaan van dierenwelzijn. Denk aan de zogenaamde emissiearme stalvloeren en de luchtwassers, waarmee de risico’s op een stalbrand aanzienlijk werden vergroot. Doordat er volop wordt ingezet om de reductie buiten de stallen omlaag te brengen, resulteert dit vaak in potdichte volautomatische stallen. Dieren zitten 24 uur per dag in hun eigen uitwerpselen; in een stal met een zeer slechte luchtkwaliteit. Meer dan de helft van de kalfjes heeft luchtwegaandoeningen. Miljoenen varkens lijden aan longaandoeningen en borstvliesontstekingen. De staatssecretaris stelt in de Kamerbrief dat innovatie voor het ene doel niet ten koste mag gaan van het andere doel. Kan de staatssecretaris toezeggen dat er door dit kabinet geen enkele innovatie zal worden gestimuleerd die leidt tot een verslechtering van het dierenwelzijn, ook als er nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke minimale eisen? Deze minimale eisen zijn immers niet in lijn met de wens van de Kamer en de politieke belofte om tot een ‘dierwaardige’ veehouderij te komen. Kan het kabinet beloven dat de nieuwe innovaties er niet toe zullen leiden dat meer dieren in potdichte stallen worden gehouden of minder vaak naar buiten kunnen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie vragen waarom het kabinet er niet voor kiest om te leren van boeren die op innovatieve wijze laten zien dat het ook anders kan, zoals voedselbosbouwers, Caring Farmers en akkerbouwers die zonder dierlijke mest en kunstmest werken? Waarom kiest het kabinet er niet voor om déze innovaties op grote schaal te stimuleren en landelijk uit te rollen?
II Antwoord/ Reactie van de staatssecretaris van
Infrastructuur en Waterstaat
III Volledige agenda