Fiche 1 - Geen of mindere verhoging forfait
Bijlage
Nummer: 2025D14459, datum: 2025-04-02, bijgewerkt: 2025-04-02 14:15, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Bijlage bij: Toezegging commissiedebat over box 3 van 19 maart 2025 (2025D14458)
Preview document (🔗 origineel)
Fiche 1 – Geen of mindere verhoging van het forfait in de jaren 2026/2027 |
---|
Uitgangssituatie
Een verhoging van het forfait voor overige bezittingen in 2026 en 2027 met 1,78%-punt is als voorlopige invulling voorgesteld om de derving als gevolg van een jaar uitstel van de Wet werkelijk rendement box 3 naar 2028 te dekken. Met deze dekking wordt zo goed mogelijk aangesloten bij de groep belastingplichtigen die het meest profiteren van de tegenbewijsregeling, zodat per saldo het effect zo neutraal mogelijk uitpakt. De verhoging van het forfait maakt geen onderdeel uit van het Wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3, maar zal worden opgenomen in het Belastingplan 2026.
Het rendementsbegrip in box 3 omvat ook huurinkomsten en voordelen uit eigen gebruik van onroerende zaken. Deze elementen zijn momenteel echter niet opgenomen in de berekeningsmethodiek van het forfait voor overige bezittingen (waaronder onroerende zaken). Door deze elementen wel op te nemen in de berekeningsmethodiek, stijgt het forfait voor alle overige bezittingen.
Variant 1 – Geen verhoging van het forfait
Omschrijving
Deze uitwerking houdt in dat het forfait voor overige bezittingen in de jaren 2026 en 2027 niet beleidsmatig wordt verhoogd. Het is ook mogelijk om het forfait enkel in 2027 te verhogen. In 2026 wordt het forfait dan niet verhoogd.
Fiscaal-juridisch
Als voor deze variant wordt gekozen blijft de berekeningsmethodiek van het forfait hetzelfde als nu opgenomen in de wet. Dit is juridisch houdbaar, mits belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement dan het forfait tegenbewijs kunnen leveren. Dit wordt geregeld met het Wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3.
Budgettair
Het niet verhogen van het forfait op overige bezittingen heeft een budgettair beslag van € 1.129 miljoen per jaar voor de jaren 2026 en 2027.
Het niet verhogen van het forfait grijpt aan bij alle belastingplichtigen met overige bezittingen (zoals aandelen, obligaties en (verhuurd) vastgoed in box 3).
Uitvoering
Een lager forfait leidt ertoe dat minder tegenbewijzen zullen worden ingediend en zal dus minder capaciteit vergen in de uitvoering. In de uitvoeringstoets bij de Wet tegenbewijsregeling box 3 is geen rekening gehouden met een verhoging van het forfait voor de aangiftes over de belastingjaren 2026 en 2027. In de eerste herijking van de uitvoeringstoets (gepland voor het najaar 2025) zal een eventuele verhoging van het forfait meegenomen kunnen worden.
De hoogte van het forfait is een parameterwijziging in het ICT-systeem en kan daarom worden doorgevoerd zonder extra impact op het ICT-portfolio.
Variant 2 – Mindere verhoging van het forfait
Omschrijving
Deze uitwerking houdt in dat het forfait voor overige bezittingen voor de jaren 2026 en 2027 wel beleidsmatig wordt verhoogd, maar minder dan in eerste instantie beoogd.
Huurinkomsten en voordelen uit eigen gebruik worden toegevoegd aan de berekeningsmethodiek van het forfait, zoals bij de initiële verhoging is verondersteld. Vervolgens wordt het forfait voor overige bezittingen beleidsmatig verlaagd met 1%-punt. Ook een andere maatvoering is mogelijk.
De voorziene verhoging van het forfait bedraagt dan per saldo 0,78%-punt naar 6,78%.
Fiscaal-juridisch
In de wet is een onderbouwing van de hoogte van het forfait noodzakelijk. Momenteel is het forfait gebaseerd op langjarige gemiddelde rendementen op onroerende zaken, aandelen en obligaties.
Met het toevoegen van gemiddelde huurinkomsten en voordelen uit eigen gebruik aan de berekeningsmethode van het forfait wordt het gemiddelde rendement op overige bezittingen beter benaderd. Daarnaast zorgt dit ervoor dat belastingplichtigen met een hoger werkelijk rendement zo veel mogelijk naar draagkracht worden belast.
Individuele belastingplichtigen kunnen echter een rendement hebben dat sterk afwijkt van het gemiddelde rendement. In de praktijk is er veel spreiding in het type vermogen en behaalde rendementen. Belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement dan het forfait kunnen daarom tegenbewijs leveren.
Door aanvullend het forfait met 1%-punt te verlagen wordt afgestapt van een onderbouwing van het forfait die volledig is gebaseerd op gemiddelde werkelijke rendementen. Dit komt neer op een nieuwe fiscale regeling met een doel anders dan het hoofddoel van de inkomstenbelasting (heffen naar draagkracht). De hoogte van de afslag weerspiegelt een politieke afweging van deze belangen. Eventuele rechtvaardigingen hiervoor kunnen zijn doenvermogen en gevolgen voor de uitvoering. Met een lager forfait zullen minder belastingplichtigen tegenbewijs hoeven leveren.
Budgettair
Het beperkt verhogen van het forfait op overige bezittingen met 0,78%-punt leidt tot een budgettair gat van € 611 mln per jaar voor de jaren 2026 en 2027.
Het beperkt verhogen van het forfait grijpt aan bij alle box 3-verhuurders en andere belastingplichtigen met overige bezittingen.
Uitvoering
Een lager forfait leidt ertoe dat minder tegenbewijzen zullen worden ingediend en zal dus minder capaciteit vergen in de uitvoering. Zoals hierboven opgemerkt is een verhoging van het forfait niet meegenomen in de uitvoeringstoets.
De hoogte van het forfait is een parameterwijziging in het ICT-systeem en kan daarom worden doorgevoerd zonder extra impact op het ICT-portfolio.