Fiche: Mededeling Europees actieplan omtrent kabelveiligheid
Brief regering
Nummer: 2025D15085, datum: 2025-04-04, bijgewerkt: 2025-04-04 17:14, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: C.C.J. Veldkamp, minister van Buitenlandse Zaken (Ooit Nieuw Sociaal Contract kamerlid)
Onderdeel van zaak 2025Z06569:
- Indiener: C.C.J. Veldkamp, minister van Buitenlandse Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken
- 2025-04-08 16:45: Procedurevergadering vaste commissie voor Economische Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Economische Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Fiche 2: Mededeling Europees actieplan omtrent kabelveiligheid
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad: EU-actieplan inzake kabelbeveiliging
b) Datum ontvangst Commissiedocument
21 februari 2025
c) Nr. Commissiedocument
Join(2025) 9
d) EUR-Lex
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:52025JC0009&qid=1740733851152
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie
Niet opgesteld
f) Behandelingstraject Raad
Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ)
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Economische Zaken in nauwe samenwerking met het ministerie van Justitie en Veiligheid
2. Essentie voorstel
Op 21 februari 2025 hebben de Europese Commissie (hierna: “de Commissie”) en de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid een EU-actieplan gepresenteerd om de weerbaarheid en veiligheid van zeekabels te verhogen (hierna: het actieplan). Het actieplan richt zich op de bescherming van onderzeese data- en elektriciteitskabels. De Commissie benadrukt dat de veiligheid van de onderzeese kabelinfrastructuur van de Europese Unie (hierna: “EU’’) aanzienlijk moet worden versterkt. De Commissie wijst op de toegenomen dreiging van sabotage en hybride aanvallen op deze infrastructuur, mede naar aanleiding van recente incidenten in de Baltische Zee. Het actieplan zet in op vier samenhangende actielijnen die gezamenlijk de hele veiligheids- en veerkrachtcyclus bestrijken: preventie, detectie, herstelcapaciteit en afschrikking. Dit plan omvat een combinatie van reeds aangekondigde, bestaande en nieuwe initiatieven.
Lidstaten worden opgeroepen de bestaande wettelijke kaders, waaronder de Critical Entities Resilience Directive (CER) (gericht op onder meer de fysieke bescherming van vitale infrastructuur) en de Network and Information Security Directive richtlijn (NIS2) (gericht op de cybersecurity van essentiële netwerken en diensten), volledig en met prioriteit te implementeren. Daarnaast wijst de Commissie erop dat zij samen met de lidstaten een periodieke EU-brede risicoanalyse voor onderzeese kabelinfrastructuren gaat uitvoeren, met bijzondere aandacht voor kwetsbaarheden, afhankelijkheden van niet-EU leveranciers en de beschikbaarheid van reserveonderdelen. Als aanvulling hierop ontwikkelt de Commissie een Cable Security Toolbox met concrete preventieve en beschermende maatregelen die lidstaten en bedrijven kunnen hanteren, afgestemd op de specifieke risico’s per regio.
De Commissie geeft in het actieplan een nadere invulling aan het proces om te komen tot coördinatie van strategische investeringen in lijn met een eerdere aanbeveling.1 In overleg met de lidstaten en de private sector wordt gewerkt aan een samenhangend investeringskader voor CPEI’s Kabelprojecten van Europees Belang (Cable Projects of European Interest, CPEI) dat publieke en private financiering combineert.
Om dreigingen vroegtijdig te signaleren en verdachte activiteiten rond onderzeese kabels beter te monitoren, biedt de Commissie aan om het opzetten van regionale surveillance-hubs per zeegebied te ondersteunen. Deze zouden actuele informatie kunnen combineren uit nationale bewakingssystemen, EU-instrumenten en gegevens afkomstig van slimme kabelsystemen die afwijkingen in de directe omgeving kunnen detecteren. Deze geïntegreerde situational awareness maakt snellere detectie van incidenten mogelijk, verkort de reactietijd en versterkt de attributiecapaciteit. De eerste hub voor de Baltische Zee zou op korte termijn al kunnen worden opgezet. De Commissie wijst daarnaast ook op de ontwikkeling van nieuwe capaciteiten, zoals onderwatersensoren en surveillance drones, nieuwe technologische oplossingen, en het versterken van de samenwerking met private partijen.
De Commissie stelt voor om, mogelijk via het Uniemechanisme voor civiele bescherming (hierna: UCPM)2 een faciliterende rol te vervullen in het contracteren van reparatiediensten. Verder stelt de Commissie voor om op middellange termijn toe te werken naar multifunctionele EU Cable Vessels Reserve Fleet. Deze vloot zou, zowel bij natuur- als door mens veroorzaakte schade, een bijdrage kunnen leveren aan de reparatie van onderzeese kabels. Deze vloot zou mogelijk opgenomen worden als responscapaciteit binnen het UCPM, inclusief rescEU.3 Op korte termijn wordt onderzocht om gezamenlijk herstelcapaciteit voor onderzeese kabels in te kopen via het UPCM. Op de langere termijn wordt onderzocht of een Europese reparatievloot, gefinancierd via Connecting Europe Facility (CEF), kan worden opgericht om wachttijden te verkorten en marktafhankelijkheid te verminderen. Daarnaast wordt gewerkt aan de opbouw van strategische voorraden van essentiële reserveonderdelen op vooraf vastgestelde locaties, zodat bij calamiteiten direct herstelwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Voor onderzeese elektriciteitskabels wordt tevens ingezet op verdere standaardisatie van componenten, zodat herstel sneller en efficiënter kan plaatsvinden.
Om kwaadwillende actoren af te schrikken, zet de Commissie in op een strengere aanpak van de zogenaamde schaduwvloot: schepen met onduidelijke eigendomsstructuren en activiteiten, die regelmatig worden aangetroffen in de nabijheid van vitale infrastructuurobjecten. Verder ondermijnt de schaduwvloot de sancties tegen Rusland, en de EU en G7 werken hiertoe samen aan een gezamenlijke oplossing. Daarnaast wordt, bij bewezen sabotage of hybride aanvallen, gebruik gemaakt van het bestaande EU-sanctiekader om verantwoordelijken sancties op te leggen. Ook wordt ingezet op het gebruik van de hybride toolbox om tot een gecoördineerde afschrikking en respons te komen. Tot slot wordt ingezet op versterkte kabeldiplomatie, waarbij de EU samenwerkt met strategische partners om internationale normen en standaarden voor de beveiliging van onderzeese kabels te versterken.
Het actieplan onderstreept dat de bescherming van onderzeese infrastructuren uiteindelijk een gedeelde verantwoordelijkheid is van de EU, de lidstaten en de private sector. De rol van de EU ligt vooral bij coördinatie, kennisdeling, gezamenlijke risicobeoordeling en het faciliteren van gezamenlijke investeringen, een Gemeenschappelijke Informatie Deeldomein (Common Information Sharing Environment, CISE) en responsmechanismen. Lidstaten blijven verantwoordelijk voor de daadwerkelijke uitvoering en handhaving in hun nationale wateren, terwijl nauwe afstemming tussen civiele en militaire actoren bijdraagt aan een effectieve bescherming van deze vitale infrastructuren.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Gelet op de Nederlandse sterk toenemende belangen op de Noordzee, de geopolitieke ontwikkelingen en de verslechterde veiligheidssituatie in de wereld vraagt de bescherming van de infrastructuur op de Noordzee om aandacht. Het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI), gestart in 2023, vormt de kern van de Nederlandse inzet om de vitale infrastructuur op de Noordzee te beschermen tegen zowel statelijke als niet-statelijke dreigingen. Directe aanleiding waren incidenten zoals de sabotage van de Nord Stream-gasleidingen en beschadigingen aan onderzeese kabels in de Oostzee. Het PBNI legt de nadruk op governance, beeldopbouw, weerbaarheid, crisisbeheersing, publiek-private en internationale samenwerking. De focus ligt op verbeterde informatievoorziening en uitwisseling en het versterken van de nationale respons bij incidenten. Hiervoor heeft kabinet voor 2024-2025 ruim €41 miljoen beschikbaar gesteld. Het PBNI loopt tot april 2026.
De NIS2-richtlijn richt zich op de cybersecurity van essentiële en belangrijke entiteiten, waartoe ook de exploitanten van onderzeese energie- en communicatiekabels behoren. In Nederland wordt deze richtlijn momenteel geïmplementeerd in de Cyberbeveiligingswet (Cbw). De CER-richtlijn focust op de fysieke bescherming van vitale infrastructuur, inclusief onderzeese energie- en communicatiekabels. Nederland implementeert deze richtlijn met de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Naar verwachting treden de Cbw en de Wwke in het derde kwartaal van 2025 in werking.
Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet staat overwegend positief tegenover het actieplan, aangezien de bescherming van vitale (onderzeese) infrastructuur van groot belang is voor Nederland, inclusief de Caribische delen van het Koninkrijk. Verstoring van vitale infrastructuur kan aanzienlijke gevolgen hebben voor de continuïteit van de Nederlandse energie- en dataverbindingen. Beide vormen van infrastructuur spelen een essentiële rol in de Nederlandse economie en samenleving. Het kabinet erkent dat intensievere Europese samenwerking op dit gebied kan bijdragen aan een verhoogde weerbaarheid en betere bescherming van onderzeese infrastructuur.
Het kabinet onderstreept het belang van een volledige implementatie van de CER-richtlijn (en de NIS2-richtlijn. Alle onderzeese datakabels die in Nederland aanlanden zullen onder de Cbw vallen. Wat betreft de Wwke is er een rapport opgesteld om te bepalen welke aanbieders van onderzeese datakabels onder de nieuwe wetgeving zouden moeten komen te vallen. Dit rapport is inmiddels afgerond en het kabinet is bezig met de appreciatie ervan. Zodra dat is afgerond, worden de partijen die zullen worden aangemerkt als kritieke entiteit (vergelijkbaar met vitale aanbieder) onder de Wwke per brief geïnformeerd worden, waarbij het kabinet deze partijen zal meenemen in de vitaal-cyclus. Daarnaast vallen alle aanbieders van onderzeese datakabels op dit moment onder de Telecommunicatiewet, waardoor zij nu al een zorgplicht hebben. Deze zorgplicht zal met bij de implementatie van de NIS2 overgaan in de Cbw. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur kan als toezichthouder deze partijen in de territoriale wateren controleren en aanspreken op hun zorgplicht onder zowel de Telecommunicatiewet, de Cbw als de Wwke.
Producenten, transportnetbeheerders en distributienetbeheerders van elektriciteit zijn vitaal.4 Dit omvat ook de elektriciteitskabels van deze aanbieders. Zij vallen daarmee ook onder de Nederlandse implementatie van de NIB-richtlijn, de Wet Beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) die zich richt op cybersecurity van deze aanbieders. Ze hebben daarbij de plicht om zorg te dragen voor de beveiliging hun netwerk- en informatiesystemen en cyberincidenten te melden. Voor de energiesector wordt momenteel in het kader van de Wwke gewerkt aan de herbeoordeling van vitale energieaanbieders, waarbij gekeken wordt of zij ook onder deze wet komen te vallen en daarmee als kritiek worden aangemerkt. In deze beoordeling worden de entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de onderzeese elektriciteitsinfrastructuur ook opnieuw tegen het licht gehouden. Voor de Cbw geldt dat entiteiten zichzelf moeten registreren op basis van het size-gap criteria.5 Registratie zal in ieder geval plaatsvinden door de transportnetbeheerders en distributienetbeheerders die vervolgens middels een risicobeoordeling zelf hun zeer belangrijke en kritieke processen zullen identificeren.
Het kabinet onderstreept het belang van een risicoparaatheidsplan alsmede van een stevige crisisbeheersingsstructuur. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de Europese/internationale afstemming tussen alle private en publieke betrokken organisaties. Op dit moment wordt er een nieuwe versie van het Risico Paraatheidsplan opgesteld, uitgaand van de Europese Verordening.6
Het kabinet is positief over de voorgestelde route om in samenspraak met industrie en lidstaten een investeringskader te definiëren, waarbij CPEI’s prioriteit krijgen. Eventuele nationale publieke financiering en de voorgestelde constructies vergen nadere analyse. Het kabinet zal bij de uitwerking van de voorgestelde financiële constructies ook moeten bezien of dit voor Nederland passend is en de constructies geen ongewenste nadelige effecten hebben op haar concurrentiepositie als belangrijk digitaal knooppunt in Europa.
Het kabinet erkent het belang van het vroegtijdig signaleren en monitoren van verdachte activiteiten rond onderzeese kabels. Internationale samenwerking is hierbij essentieel. Het kabinet staat in beginsel positief tegenover het voorstel om regionale hubs te faciliteren waarin data vanuit verschillende bronnen samengevoegd kan worden. Positief is ook dat de opgedane capaciteiten, ervaring en kennis ook ingezet kunnen worden voor andere vitale infrastructuur zoals windmolenparken en pijpleidingen. De toepasselijke juridische en technische kaders waarbinnen deze hubs opereren vergen nadere aandacht. Het kabinet zal op basis van de uitwerking van de voorgestelde hub in de Oostzee moeten bezien op welke manier Nederland zou kunnen aansluiten bij een toekomstige Noordzee-hub. Voor het kabinet is de samenwerking met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen voor het Noordzee-bassin van belang. De EU-initiatieven en regels moeten die niet belemmeren. Ook is het voor het kabinet van belang dat dit initiatief aansluit op inspanningen in NAVO-verband rondom het gezamenlijk signaleren en monitoren van dreigingen.
Verder steunt het kabinet de oproep om te investeren in nieuwe beeldopbouwcapaciteiten zoals sensoren en drones voor zowel militaire als civiele toepassingen, in het bijzonder via de Europese Defence Projects of Common Interest. De regels voor dergelijke projecten moeten echter de samenwerking met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen niet belemmeren. Het kabinet kijkt met interesse uit naar de invulling van deze initiatieven, maar roept de Commissie tevens op om coherentie van initiatieven te bewaken en versplintering dan wel dubbelingen in inzet te voorkomen. Voorbeelden van hoe de Commissie maritieme informatiedeling al faciliteert zijn het door Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (European Maritime Safety Agency, EMSA) en lidstaten ontwikkelde Common Information Sharing Environment (CISE) en de door Europees Defensieagentschap (European Defense Agency, EDA) en lidstaten ontwikkelde militaire equivalent MARSUR. Tot slot sluit de aandacht voor de rol van private partijen aan bij stappen die het kabinet in het kader van het PBNI onderneemt om publiek-private samenwerking te versterken.
Met betrekking tot de Europese reparatievloot onderschrijft het kabinet het belang van nauwe samenwerking op het gebied van reparatiecapaciteit en staat open voor verdere verkenning van de voorgestelde maatregelen. Een gecoördineerde reparatievloot en het centraal beschikbaar maken van reserveonderdelen voor kabels zou in geval van incidenten een snelle en effectieve oplossing kunnen bieden voor kabelreparaties, met als doel wachttijden te minimaliseren en afhankelijkheid van marktpartijen te verkleinen. Tegelijkertijd acht het kabinet een zorgvuldige uitwerking noodzakelijk, onder andere op het gebied van juridische en financiële kaders en praktische uitvoering en de manier waarop de Commissie dit wil faciliteren. Daarnaast moet er goed gekeken worden naar de veiligheidsvereisten en de samenstelling van een dergelijke vloot aangezien de bemanning toegang zal krijgen tot zeer gevoelige informatie ten aanzien van kritieke infrastructuur. Het kabinet blijft hierover in constructieve dialoog met de Commissie.
Het kabinet benadrukt het belang van de ontwikkeling van een
Cable Security Toolbox met concrete preventieve en beschermende
maatregelen. In aanvulling hierop de inzet van de Hybrid
Toolbox en om op een gecoördineerde manier attributie en respons te
organiseren. Daarnaast acht het kabinet het van belang dat
kabeldiplomatie en het intensiveren van strategische communicatie
(stratcom) zoveel mogelijk in lijn zijn met bestaande hybride en
cyberinitiatieven. Het kabinet zet zich ervoor in waar nodig de
samenhang te bezien om fragmentatie te voorkomen en de effectiviteit van
maatregelen en respons te vergroten.
Daarnaast zet het kabinet zich actief in voor het sanctioneren van de schaduwvloot, die Rusland inzet om het EU-G7 olieprijsplafond te omzeilen. Hiermee worden niet alleen de sancties ondermijnd, maar vormen de oude en slechtverzekerde olietankers ook een milieurisico. Het kabinet verwelkomt dan ook de voorgestelde maatregelen om de impact van de schaduwvloot te beperken. Nederland is binnen relevante overlegstructuren zeer actief in het aandragen van nieuwe listings en maatregelen, waaronder outreach naar vlagstaten en havenstaten, en zal dit blijven doen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat hoewel er een risico bestaat dat de schaduwvloot wordt ingezet voor sabotage, er tot op heden geen overlap is vastgesteld met schepen die heimelijke activiteiten uitvoeren op de Noordzee of elders. Het kabinet steunt samenwerking met andere landen, zoals de intentieverklaring met de Noordzeelanden die reeds is vastgelegd vanuit het PBNI, en verdere intensivering in de samenwerking met de Oostzeelanden via de EU en/of NAVO. Tevens werkt Nederland ook internationaal samen in de ITU (International Telecom Union) adviesgroep over de weerbaarheid van onderzeese datakabels. Bij de aanpak van mogelijke sabotage weegt het kabinet het recht op vrije doorvaart mee, omdat dit van groot belang is. Nederland staat voor dit recht, waar zowel Nederland als bondgenoten, militair en civiel, van profiteren.
Eerste inschatting van krachtenveld
Lidstaten zijn eensgezind over de noodzaak van het verhogen van de weerbaarheid en beveiliging van onderzeese vitale infrastructuur. Gezien de huidige geopolitieke situatie benadrukken lidstaten de urgentie van een gezamenlijke inspanning tot weerbaarheidsverhogende maatregelen van vitale infrastructuur en het verminderen van afhankelijkheden.
Dit wordt beschouwd als essentieel om strategische kwetsbaarheden te voorkomen en de stabiliteit van de EU op lange termijn te waarborgen. De positie van het Europees Parlement is nog onbekend.
4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële gevolgen en gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a) Bevoegdheid
De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. Het voorstel strekt met name ter bescherming van de EU door middel van het vergroten van de veiligheid en weerbaarheid van de onderzeese vitale infrastructuur en past binnen de bevoegdheden van de EU op het terrein van de interne markt. In dat kader wordt een reeks gerichte acties aangewezen die de lidstaten op nationaal en EU-niveau kunnen nastreven. Op het terrein van de interne markt heeft de EU een gedeelde bevoegdheid met de lidstaten (artikel 4, lid 2, onder a, Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie). Zodoende is de Commissie bevoegd deze mededeling uit te vaardigen. Wel is er een aandachtspunt ten aanzien van de nationale veiligheid. Een aantal van de aangekondigde acties en plannen bevinden zich dicht tegen het terrein van nationale veiligheid. Op grond van artikel 4, lid 2, Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) dient de EU de essentiële staatsfuncties, zoals de bescherming van de nationale veiligheid, te eerbiedigen. Met name de nationale veiligheid blijft de uitsluitende verantwoordelijkheid van elke lidstaat. Veel van de plannen in het voorstel moeten echter nog verder worden uitgewerkt. Het kabinet blijft bij de uitwerking van de plannen scherp op het waarborgen van artikel 4, lid 2, VEU.
b) Subsidiariteit
De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit is positief. Het voorstel heeft tot doel om de veiligheid en veerkracht van onderzeese vitale infrastructuur binnen de EU te versterken. Een aantal van de voorstellen uit het actieplan zien op de lidstaten, of op de Commissie gezamenlijk met de lidstaten. Gezien de grensoverschrijdende aard van digitalisering, de bestaande wet- en regelgeving en het standpunt van het kabinet dat veiligheid en weerbaarheid geen concurrentiefactor tussen lidstaten zouden moeten zijn bij de aanleg van nieuwe kabels, kan dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt, daarom is een EU-aanpak nodig. Optreden op EU-niveau op dit terrein is gerechtvaardigd, omdat het bijdraagt aan een versterkte Europese weerbaarheid, fragmentatie binnen de interne markt voorkomt en grensoverschrijdende samenwerking bevordert. Daarmee wordt, waar nodig en toepasselijk, een gezamenlijk en gecoördineerd optreden gewaarborgd, wat essentieel is voor de bescherming en verdere ontwikkeling van onderzeese vitale infrastructuur. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit is positief. Het voorstel heeft tot doel om de veiligheid en veerkracht van onderzeese vitale infrastructuur binnen de EU te versterken. De voorgestelde acties zijn passend om dit doel te realiseren, aangezien ze lidstaten ondersteunen bij hun nationale beleidsvorming door kennis en ervaring te delen en middelen te intensiveren. De maatregelen gaan niet verder dan noodzakelijk, gezien ze de nationale bevoegdheden respecteren en aansluiten bij bestaande Europese initiatieven.
d) Financiële gevolgen
Het actieplan kent geen gevolgen voor de EU-begroting aangezien de voorgestelde maatregelen gebruik maken van bestaande Europese fondsen binnen het huidige Meerjarig Financieel Kader 2021-2027. Een belangrijke financieringsbron is de CEF, waarmee in de periode 2025-2027 €540 miljoen beschikbaar is voor digitale infrastructuur, waaronder onderzeese kabels. In totaal wordt bijna €1 miljard geïnvesteerd in digitale kabelinfrastructuur. Voor onderzeese elektriciteitskabels is via CEF-Energie sinds de start van het programma ruim €8 miljard geïnvesteerd, onder meer in projecten zoals de Baltic Synchronisation (€1,23 miljard) en de Great Sea Interconnector (€658 miljoen).
Daarnaast biedt de Cyber Solidarity Act via het programma Digital Europe tot 2027 €30 miljoen voor stress testen en oefeningen in kritieke sectoren, waaronder onderzeese kabels. Voor strategische Kabelprojecten van Europees Belang (CPEI’s) wordt gekeken naar een combinatie van EU-financiering, nationale cofinanciering en private investeringen, al zijn hiervoor nog geen specifieke bedragen vastgesteld. Ook kunnen middelen uit Horizon Europe en het Europees Defensiefonds worden ingezet voor de ontwikkeling van innovatieve detectietechnologieën, smart cables en onderwaterbewaking, al ontbreken hiervoor nog concrete financiële toezeggingen. Tot slot is het mogelijk om middelen uit Global Gateway en NDICI in te zetten voor internationale verbindingen met derde landen. Het kabinet is van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021-2027 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting
De aanbeveling kent geen directe financiële gevolgen voor Nederland. De Commissie roept lidstaten wel op om vrijwillig bij te dragen aan de financiering van strategische onderzeese kabelprojecten (Kabelprojecten van Europees Belang, CPEI’s). Dit kan door nationale middelen te combineren met EU-financiering uit de Connecting Europe Facility (CEF) en private investeringen via blendingconstructies. Ook bij de oprichting van een EU-reservevloot van kabelreparatieschepen wordt lidstaten gevraagd om vrijwillig bij te dragen, bijvoorbeeld door financiële middelen beschikbaar te stellen of bestaande nationale schepen en reparatiecapaciteit in te zetten. Eveneens wordt lidstaten gevraagd om vrijwillig bij te dragen aan de oprichting van regionale surveillancehubs, met financiering uit het Digital Europe Programme (DEP), waarvoor 22 miljoen euro is gereserveerd. (Eventuele) budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van de beleidsverantwoordelijke departementen, conform de regels van de budgetdiscipline.
In Nederland worden financiële investeringen in digitale infrastructuur, waaronder onderzeese data-infrastructuur, in principe overgelaten aan de private sector. Nederland heeft met Invest-NL een nationale investeringsinstelling die met publieke middelen investeert in duurzame en innovatieve projecten. Hoewel investeringen in digitale infrastructuur binnen het mandaat van Invest-NL vallen, vormen deze op dit moment geen strategisch focusgebied en zijn er tot op heden geen investeringen in onderzeese infrastructuur gedaan. Een mogelijke rol van Invest-NL in de door de Commissie voorgestelde blendingfaciliteiten wordt pas beoordeeld zodra hierover meer duidelijkheid is. Het beheer en de reparatie van onderzeese kabels in de Noordzee zijn eveneens primair een verantwoordelijkheid van de markt. Vrijwel alle eigenaren van onderzeese kabels in de Noordzee zijn aangesloten bij de Atlantic Cable Maintenance Agreement (ACMA), een samenwerkingsverband waarin partijen gezamenlijk afspraken maken over onderhouds- en reparatiecapaciteit en -procedures.
e) Gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Het actieplan bevat op dit moment geen voorgenomen wetgevingsmaatregelen en heeft derhalve geen directe impact op de regeldruk voor bedrijven, burgers en de overheid. In de loop van het proces, zoals beschreven in de aanbevelingen, zullen verschillende voorstellen verder worden uitgewerkt, waaronder die met betrekking tot veiligheidsvoorschriften en de oprichting van een Europese kabelherstelvloot. Het kabinet zal zorgvuldig monitoren of deze voorstellen gevolgen hebben voor de regeldruk en zal ervoor zorgen dat eventuele maatregelen zo min mogelijk administratieve lasten met zich meebrengen. Tevens zal het kabinet erop aandringen dat de oprichting van de Europese kabelherstelvloot op een zorgvuldige en efficiënte wijze wordt uitgevoerd.
De versterking van het Europese concurrentievermogen zal worden bevorderd door een veiligere en veerkrachtigere digitale infrastructuur. De maatregelen die in de aanbevelingen worden voorgesteld, dragen bij aan een betere coördinatie op Europees niveau, wat de weerbaarheid van onderzeese vitale infrastructuren zal vergroten. Deze maatregelen moeten worden bezien in de bredere context van de toenemende geopolitieke concurrentie tussen staten, waar het kabinet positief tegenover staat.
De aanbevelingen van de Commissie bevatten geopolitieke elementen, gezien de huidige dreigingen van statelijke actoren tegen onze vitale infrastructuur, waaraan zowel de EU als andere lidstaten blootstaan. Deze recente ontwikkelingen onderstrepen de urgentie van versterkte veiligheid en weerbaarheid. Het actieplan is een onderdeel van het antwoord op deze geopolitieke uitdagingen. Daarnaast raakt de aanbeveling ook de betrekkingen met andere geopolitieke actoren, met inbegrip van het voornemen van de Commissie om derde landen en strategische partners te betrekken en de samenwerking met multilaterale fora, zoals de NAVO, te bevorderen. Gezien de nadruk op afhankelijkheden, naast risico’s en kwetsbaarheden, beoogt deze aanbeveling een positieve bijdrage te leveren aan de open strategische autonomie van de EU. Het kabinet onderstreept het belang van deze initiatieven.
Kamerstuk 22 112 nr, 3925.↩︎
Via het EU civiele beschermingsmechanisme (UCPM) kunnen de lidstaten en deelnemende UCPM-landen (Albanië, Montenegro, Servië, Noord-Macedonië, Bosnië en Herzegovina, Oekraïne, Moldavië, Noorwegen, IJsland en Turkije) een beroep doen op een EU-vangnet als zij getroffen worden door een ramp/crisis. Lidstaten kunnen op basis van solidariteit en vrijwilligheid het hulpbehoevende land met goederen en/of experts te hulp schieten.↩︎
RescEU is een strategische reserve van responscapaciteiten (bijvoorbeeld: blusvliegtuigen, veldhospitalen, medische goederen etc) gefinancierd door de Commissie. Het beheer van deze rescEU-reserves is in handen van de Europese lidstaten en de deelnemende UCPM-landen.↩︎
Stb. 2021, nr. 160↩︎
Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen↩︎
Europese verordening betreffende risicoparaatheid in de elektriciteitssector (2019/941)↩︎