Voorstel van wet
Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verduidelijken van wanneer sprake is van werken in dienst van een ander in de zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en het invoeren van een rechtsvermoeden
Voorstel van wet
Nummer: 2025D32815, datum: 2025-07-04, bijgewerkt: 2026-03-23 09:59, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-36783-2).
Onderdeel van kamerstukdossier 36783 -2 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief.
Onderdeel van zaak 2025Z14376:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-25 12:30 ⇒ Agenderen voor plenair debat. (Besluit)
- 2026-03-24 17:00 ⇒ Aanmelden voor plenaire behandeling. (Besluit)
- 2026-03-24 17:00 ⇒ De minister van Werk en Participatie verzoeken om de commissie een tijdpad toe te sturen. (Besluit)
- 2025-10-08 14:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2025-09-09 16:30 ⇒ Niet controversieel verklaren. (Besluit)
- 2025-09-09 16:30 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 8 oktober 2025 te 14:00 uur. (Besluit)
- 2025-09-02 15:10 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2025-09-02 15:10 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Besluit)
- 2025-09-02 15:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-09-09 16:30: Procedures en brieven SZW (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2025-10-08 14:00: Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verduidelijken van wanneer sprake is van werken in dienst van een ander in de zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en het invoeren van een rechtsvermoeden (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-03-24 17:00: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-03-25 12:30: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-04-13 00:00: Wijziging van Boek 7 BW in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief (36783) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
| Vergaderjaar 2024-2025 |
36 783 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verduidelijken van wanneer sprake is van werken in dienst van een ander in de zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en het invoeren van een rechtsvermoeden
Nr. 2 VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om te verduidelijken wanneer een werkende werkt in dienst van een werkgever en een rechtsvermoeden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst in te voeren op basis van een tariefgrens teneinde de positie van kwetsbare werknemers te versterken en schijnzelfstandigheid tegen te gaan en daartoe Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 610 worden, onder vernummering van het tweede tot vierde lid, na het eerste lid twee leden ingevoegd, luidende:
2. Van arbeid verrichten in dienst van een werkgever als bedoeld in het eerste lid is sprake indien:
a. de arbeid wordt verricht onder werkinhoudelijke of organisatorische sturing door de werkgever, en;
b. de werknemer de arbeid niet voor eigen rekening en risico verricht, of de arbeid in mindere mate voor eigen rekening en risico verricht dan dat sprake is van sturing als bedoeld in onderdeel a.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over wanneer sprake is van sturing door de werkgever, dan wel het voor eigen rekening en risico verrichten van de arbeid, bedoeld in lid 2.
B
Na artikel 610a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 610aa
1. Hij die ten behoeve van een ander tegen een beloning door die ander van ten hoogste € 36,– per uur, arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.
2. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt telkens met ingang van de dag waarop het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien, door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gewijzigd overeenkomstig het percentage van deze herziening. Het bedrag wordt daarbij naar boven afgerond op gehele euro’s. Bij de wijziging wordt uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
3. Dit artikel is niet van toepassing indien de ander een natuurlijke persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
ARTIKEL II
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
ARTIKEL III
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Voor de eerste toepassing na inwerkingtreding van deze wet wordt, in afwijking van het in artikel I, onderdeel B, voorgestelde artikel 610aa van Boek 7 van het Burgerlijk wetboek, eerste lid, bij ministeriële regeling het toepasselijke bedrag gegeven.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,