[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag

Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet) (novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf)

Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)

Nummer: 2025D48003, datum: 2025-11-24, bijgewerkt: 2025-11-25 09:14, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36855 -5 Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet) (novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf) .

Onderdeel van zaak 2025Z19822:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 855 Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet) (novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf)

Nr. 5 VERSLAG
Vastgesteld 24 november 2025

De vaste commissie voor Asiel en Migratie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

INHOUDSOPGAVE

  1. ALGEMEEN

  1. Inleiding

  2. Aanleiding voor het voorstel

2.1 De ontstane discussie over het amendement

2.2 De voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State

  1. Kern van het voorstel

  2. Handhaving strafbaarstelling illegaal verblijf

4.1 Algemeen

4.2 Nut en noodzaak

4.3 Gevolgen voor betrokkenen

4.4 Verhouding tot hoger recht

5. Consultatie

5.1 Algemeen

5.2 Instemming met het blijven toestaan van hulp aan vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf

5.3 Kritiek op het behoud van de strafbaarstelling van illegaal verblijf

5.4 Scepsis over de uitvoerbaarheid van de strafbaarstelling van illegaal verblijf

6. Uitvoeringsaspecten

  1. ALGEMEEN

  1. Inleiding

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet) (novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf) (hierna: de novelle) en hebben hierbij nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de novelle. Zij zijn verheugd dat dankzij het aangenomen amendement van het lid Vondeling (Kamerstuk 36704, nr. 44) illegaliteit strafbaar wordt. Door illegaliteit strafbaar te stellen wordt de illegale komst naar en illegaal verblijf in Nederland voorkomen en bestreden. Illegaal verblijf in Nederland wordt hiermee onaantrekkelijker. Strafbaarstelling van illegaliteit is een noodzakelijke ‘stok achter de deur’ om illegalen te motiveren Nederland te verlaten.

De leden van de PVV-fractie constateren echter dat de regering in deze novelle er bewust voor heeft gekozen om andere deelnemingsvormen niet strafbaar te stellen. In het oorspronkelijke aangenomen amendement van het lid Vondeling was expliciet opgenomen dat ook het opzettelijk helpen onderduiken van illegaal verblijvende vreemdelingen door personen of organisaties strafbaar zou zijn. De regering kiest er nu voor om het faciliteren van illegaal verblijf straffeloos te laten, waardoor een groot gat in de handhaving ontstaat en een vrijbrief wordt gegeven aan derden die bewust het terugkeerbeleid saboteren. Deze leden vinden deze keuze onbegrijpelijk. Hierover hebben voornoemde leden dan ook de volgende vragen en opmerkingen.

De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel illegalen er op dit moment in Nederland zijn en waar zij zich precies bevinden. Hoeveel vreemdelingen die illegaal in Nederland verblijven zijn er de afgelopen vijf jaar uitgezet? Hoeveel illegalen zijn de afgelopen vijf jaar betrokken geweest bij een misdrijf en hoeveel daarvan zijn er inmiddels uitgezet? Welke organisaties en gemeenten in Nederland bieden hulp en onderdak aan illegaal verblijvende vreemdelingen? Ontvangen deze organisaties subsidie van de overheid? 

De leden van de VVD-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van de novelle. De leden kijken uit naar een spoedige plenaire behandeling.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de novelle. Deze leden zijn zeer ontstemd over de onzorgvuldige behandeling van het amendement van het lid Vondeling waarin de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf is opgenomen en het feit dat de regering met de novelle enkel een zin toevoegt, maar de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf behoudt. Zij merken op dat de toevoeging door de novelle weer nieuwe vragen oproept over de juridische haalbaarheid en uitvoerbaarheid.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het bijzonder teleurstellend dat de regering, in plaats van werk te maken van effectief en humaan terugkeerbeleid, de asielketen verder doet vastlopen met de zoveelste ineffectieve symboolmaatregel. Deze leden constateren dat, net als bij de Asielnoodmaatregelenwet (ANMW), er geen onderbouwing is die de effectiviteit of de noodzaak van de maatregel aantoont. Wederom zijn nagenoeg alle uitvoeringsorganisaties zeer kritisch en wordt deze kritiek wel erkend, maar vervolgens terzijde geschoven. Ondanks de geconstateerde juridische onduidelijkheid, uitdagingen in de uitvoering en de verstrekkende gevolgen van de maatregel ziet de regering geen enkele noodzaak om de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf te schrappen. Dat roept de vraag op in hoeverre de regering echt openstaat voor adviezen van deskundigen die niet in haar straatje passen. Tenslotte constateren voornoemde leden dat deze ineffectieve maatregel wordt genomen tegen de achtergrond van een nijpend cellentekort, waardoor de regering recent nog genoodzaakt is geweest om strafrechtelijk veroordeelden vervroegd vrij te laten. Derhalve hebben de aan het woord zijnde leden vragen over de consequenties van de novelle.

Tenslotte willen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of geconcludeerd kan worden dat met de novelle hulpverleners, kerkelijke organisaties en andere humanitaire organisaties of derden weliswaar nu uitgezonderd worden van de straf, maar nog steeds een misdrijf plegen volgens de wet. Zo ja, kan de regering toelichten wat de consequenties hiervan zijn voor andere misdrijven en kan de regering een reflectie geven op de vraag of de term ‘misdrijf’ zo niet devalueert?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van onderhavige novelle en maken van de gelegenheid gebruik om aanvullende vragen te stellen aan de regering.

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de novelle en hebben hier geen vragen over.

De leden van de DENK-fractie hebben met ontsteltenis en zorgen kennisgenomen van de voorgestelde wijzigingen van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht. Zij constateren dat de regering ervoor kiest de strafbaarstelling van illegaal verblijf volledig in stand te laten, ondanks uitgebreide kritiek van deskundigen, maatschappelijke organisaties en adviesorganen. In de memorie van toelichting betoogt de regering dat strafbaarstelling zal bijdragen aan ‘meer grip op migratie’, maar deze leden missen een onderbouwing die stoelt op empirisch en wetenschappelijk onderbouwd bewijs voor zowel de werkzaamheid als de uitvoerbaarheid van de voorgestelde strafbaarstelling.

De leden van de SGP-fractie hebben met bijzondere belangstelling kennisgenomen van de novelle op de ANMW. Zij vinden het van groot belang dat glashelder is dat hulp uit medemenselijkheid onder geen beding strafbaar wordt als wordt overgegaan tot strafbaarstelling van illegaal verblijf in Nederland. In dat kader zien zij ook dit wetsvoorstel. Zij zijn van oordeel dat personen die een vertrekplicht hebben (na zorgvuldige procedure van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en rechtsgang) en desondanks niet meewerken aan hun terugkeer maar hier blijven, strafbaar kunnen worden gesteld. Deze strafbaarstelling zien zij als begrijpelijk sluitstuk en de achterliggende doelstelling is daarbij geenszins het bestraffen van personen, maar het bevorderen van de terugkeer. Daar zal ook in handhaving op moeten worden ingezet.

De leden van de PvdD-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de novelle. Zij constateren ook dat de Afdeling vaststelt dat de “voorbereiding van de voorgestelde strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf niet zorgvuldig is geweest en dat een volwaardige en integrale weging van alle relevante belangen en overwegingen niet heeft plaatsgevonden”. De spoed waarmee het reeds aangenomen artikel 108a Vw met deze novelle wordt ‘gerepareerd’, doet afbreuk aan de vereiste zorgvuldigheid. Bovendien wijzen deze leden erop dat de Afdeling benadrukt dat onduidelijk blijft op welke wijze de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf daadwerkelijk bijdraagt aan het door de regering geformuleerde doel om spoedmaatregelen te nemen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen. Voornoemde leden vragen de regering hoe zij deze kritische bevindingen weegt en waarom, ondanks deze duidelijke waarschuwingen, toch wordt vastgehouden aan deze wetgevingsroute. Daarom stellen de aan het woord zijnde leden de volgende vragen: Waarom blijft de regering vasthouden aan deze wetgevingsroute terwijl de Afdeling stelt dat de voorbereiding “niet zorgvuldig is geweest” en dat “geen integrale weging van alle relevante belangen” heeft plaatsgevonden? Welk exact probleem wordt met strafbaarstelling opgelost dat niet al met bestaande instrumenten wordt aangepakt? In hoeveel EU-lidstaten is strafbaarstelling door jurisprudentie ingeperkt? Welke Europese landen met strafbaarstelling zagen een aantoonbare daling in asielinstroom die direct te relateren is aan strafbaarstelling?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met zorg kennisgenomen van de novelle. Zij maken van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen over de novelle.

  1. Aanleiding voor het voorstel

    1. De ontstane discussie over het amendement

De leden van de D66-fractie betreuren de wijze waarop het wetsvoorstel tot stand is gekomen. Het is zeer ongebruikelijk dat een voorstel met dusdanig grote consequenties per amendement wordt aangenomen, zonder dat serieuze behandeling ervan heeft plaatsgevonden. Uitvoeringsorganisaties en de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geven dan ook terecht aan dat zij niet in staat zijn gesteld om de consequenties van het voorstel goed in kaart te brengen en dus ook niet kunnen aangeven of de positieve effecten opwegen tegen de negatieve effecten. Er heeft geen deugdelijke belangenafweging plaatsgevonden over de wenselijkheid van het voorstel. Deze leden verzoeken de regering dan ook om een ex ante uitvoeringstoets uit te laten voeren en deze met de beantwoording op deze vragen aan de Kamer te doen toekomen.

De leden van de CDA-fractie merken nogmaals op dat het vanuit het oogpunt van zorgvuldige wetgeving, waar de Tweede Kamer voor dient te staan, onbegrijpelijk is dat het amendement dat ten grondslag ligt aan deze novelle zonder enige vorm van debat of appreciatie van de regering ten tijde van de behandeling van de ANMW is aangenomen. Direct aansluitend hierop hebben deze leden aangegeven dat strafbaarstelling van medemenselijkheid onacceptabel is. Door aanvaarding van het amendement hebben deze leden besloten om geen steun te verlenen aan de ANMW. Was dit amendement geen onderdeel geweest van de wet, dan hadden de leden van de CDA-fractie voor de wet gestemd en had de wet nu reeds in het Staatsblad gestaan na aanvaarding door de Eerste Kamer. Voornoemde leden zijn de regering erkentelijk voor de expliciete wijze waarop zij direct kenbaar maakte dat het amendement van het lid Vondeling, zoals deze leden ook direct hebben aangegeven, zou leiden tot het kunnen vervolgen van mensen die uit medemenselijkheid een ander helpen.

De nu ontstane druk om deze novelle te behandelen omdat de uitvoering anders in de problemen zou kunnen komen, is dan ook volledig voor rekening van de indiener van het amendement en de partijen die hier steun aan hebben gegeven. Het ontbreken van meer tijd zal er ook toe leiden dat de leden van de CDA-fractie meer vragen in deze ronde zullen stellen omdat de tijd ontbreekt om een aantal zaken te bespreken met relevante ketenpartners. Graag ontvangen deze leden een toelichting op welke wijze de uitvoering hinder ondervindt van het uitblijven van duidelijkheid over aanvaarding van de ANMW, ook in het licht van de invoering van het EU-migratiepact in juni 2026.

De leden van de DENK-fractie vragen waarom de regering ervoor heeft gekozen een zwaarwegende en ingrijpende strafrechtelijke maatregel te handhaven, terwijl uit de consultaties blijkt dat de effectiviteit, proportionaliteit en uitvoerbaarheid ervan breed worden betwijfeld. Hoe verhoudt deze keuze zich tot het feit dat het kabinet zich in een demissionaire en inmiddels dubbel-demissionaire positie bevindt, met een daarmee gepaard gaand beperkt politiek mandaat om controversiële beleidswijzigingen met verstrekkende maatschappelijke gevolgen door te voeren?

De leden van de DENK-fractie verzoeken de regering om een uitgebreide toelichting waarom zij, ondanks de substantiële kritiek en ondanks haar beperkte status, toch vasthoudt aan een strafrechtelijke verzwaring die door velen als disproportioneel en potentieel schadelijk wordt beschouwd.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de regering de risico’s op klachtenprocedures, schadeclaims en maatschappelijke onrust beoordeelt bij onterechte aanhoudingen onder artikel 108a Vw?

De leden van de PvdD-fractie vragen wat de regering doet om te voorkomen dat wijkteams, kerken en sociaal werk vreemdelingen gaan mijden uit angst voor betrokkenheid bij strafzaken?

Hoe lang duurt het volgens de regering voordat een afschrikkend effect zal optreden, en wat gebeurt er wanneer dit effect uitblijft, zo vragen de leden van de PvdD-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie betreuren het wetgevingsproces dat voorafging aan deze novelle: een zeer verstrekkend aangenomen amendement waarover achteraf advies van de Afdeling werd gevraagd en de noodzaak van een novelle om een en ander gedeeltelijk te repareren. Deze leden vragen of de regering lering trekt uit het proces en welke lessen dan worden getrokken. Ook de Tweede Kamer als medewetgever heeft hierin een verantwoordelijkheid, zo menen deze leden.


2.2 De voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de regering het oordeel van de Afdeling dat het wetsvoorstel slecht past binnen het bestaande rechtssysteem en “juridische willekeur in de hand werkt” weegt.

De leden van de PvdD-fractie constateren dat de Afdeling wijst op het risico dat hulpverlening formeel strafbaar blijft en pas achteraf wordt beoordeeld door een rechter. Hoe beoordeelt de regering dit risico voor hulpverleners?

De leden van de PvdD-fractie vragen waarom niet is onderzocht hoe strafbaarstelling zich verhoudt tot de plicht om kinderen en kwetsbare mensen te beschermen tegen gezondheidsschade door overheidsbeleid.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering heeft overwogen om de strafbaarstelling van illegaliteit in het geheel uit de ANMW te halen en in een aparte wet te behandelen, zoals de Afdeling in overweging geeft. Wat zou dat af hebben gedaan aan het pakket aan maatregelen dat met de ANMW voorlag? De regering heeft de strafbaarstelling van illegaal verblijf zelf ook niet in het wetsvoorstel opgenomen. En, zo vragen voornoemde leden, zou deze optie niet juist voor meer snelheid in de behandeling van de ANMW hebben gezorgd, gezien het feit dat de Eerste Kamer de ANMW pas behandelt als de novelle in de Tweede Kamer is behandeld, nog afgezien van het feit dat het verkrijgen van een meerderheid in de Eerste Kamer door het amendement wellicht verder buiten bereik komt te liggen.

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de Afdeling stelt dat de voorbereiding van deze wet onzorgvuldig is en dat een integrale belangenafweging ontbreekt. Hoe beoordeelt de regering het feit dat de hoogste onafhankelijke adviseur van de regering de basis van dit wetsvoorstel onvoldoende acht?

  1. Kern van het voorstel

De leden van de D66-fractie lezen in het voorstel dat alle deelnemingsvormen aan onrechtmatig verblijf zijn uitgezonderd van de strafbepaling. Dit geldt echter niet voor het verlenen van hulp aan vreemdelingen die ongewenst zijn verklaard of tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd. Zij vragen de regering hoe zij dit in praktijk uitvoerbaar acht, aangezien het voor een hulpverlener niet direct duidelijk zal zijn in welke categorie de vreemdeling valt. De aan het woord zijnde leden maken zich dan ook zorgen over de mogelijkheid dat een hulpverlener toch wordt vervolgd in het geval deze buiten de eigen schuld om niet wist dat een vreemdeling niet slechts ongedocumenteerd was, maar ook ongewenst was verklaard. Kan de regering toelichten op welke manier dit wordt voorkomen?

De leden van de PVV-fractie lezen dat in de memorie van toelichting staat dat de uitsluiting van de overige deelnemingsvormen bij de strafbaarstelling van illegaal verblijf niet geldt voor de huidige strafbepalingen die betrekking hebben op illegaal verblijf in weerwil van een inreisverbod of ongewenstverklaring. Dit gaat dan onder andere om vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, en die bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld zijn wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) is opgelegd. Deze leden vragen waarom de regering ervoor kiest om precies dezelfde deelnemingsvormen straffeloos te laten bij overlastgevende en criminele illegalen die ‘slechts’ voor een misdrijf met minder dan drie jaar cel zijn veroordeeld. Deelt de regering de mening dat deze uitzondering een onacceptabele vrijbrief geeft aan iedereen die ‘gewone’ criminele of overlastgevende illegalen helpt onderduiken?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het opmerkelijk dat in de memorie van toelichting staat dat “het kabinet vindt dat hulpverlening niet strafbaar moet zijn”. Kan de regering deze mening nader toelichten en kan de regering daarbij expliciet ingaan op de vraag waarom deze mening niet geldt voor andere strafbaarstellingen waarbij medeplegen of medeplichtigheid strafbaar is gesteld? Kan de regering daarbij aangeven voor welke andere strafbaarstellingen er een algemene uitzondering geldt voor medeplegen en medeplichtigheid?

Voorts lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat de uitzondering van de overige deelnemingsvormen bij de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf niet geldt voor de huidige strafbepalingen die betrekking hebben op onrechtmatig verblijf in weerwil van een inreisverbod of ongewenstverklaring. Klopt het dat een uitgeprocedeerde asielzoeker als deze een terugkeerbesluit heeft ontvangen en niet binnen de gestelde termijn vertrekt een inreisverbod opgelegd krijgt of kan krijgen? Klopt het dat met deze novelle hulpverlening aan vreemdelingen met een licht inreisverbod strafbaar is als sprake is van ‘een nauwe en bewuste samenwerking met de betreffende vreemdeling’ oftewel medeplegen?

Hoe verantwoordt de regering dat strafbaarstelling van hulpverlening blijft bestaan terwijl de minister van Asiel en Migratie heeft aangegeven dat het de bedoeling was hulpverlening helemaal uit te zonderen van strafbaarstelling, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Hoe wordt voorkomen dat medische professionals, sociaal werkers en vrijwilligers, die niet kunnen weten of iemand een licht inreisverbod heeft, toch strafrechtelijk risico lopen? Kan het zijn dat hulp aan vreemdelingen die in andere Europese landen een inreisverbod opgelegd hebben gekregen maar in Nederland verblijven, strafbaar is? Geldt dit ook voor kerkasiel? Geldt dit ook wanneer een kerkelijke gemeente bijvoorbeeld een inzameling houdt voor de betreffende vreemdeling?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe ver de vrijheid van vereniging (artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)) reikt bij criminalisering van non-profit activiteiten, ook als het gaat om non-profit organisaties die zonder aanziens des persoons hulp bieden, mogelijk dus ook aan vreemdelingen met een licht inreisverbod.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat onder andere Dokters van de Wereld heeft aangegeven dat zij mensen zonder verblijfspapieren altijd zullen blijven helpen als zij medische zorg nodig hebben. In hoeverre kan de regering garanderen dat medewerkers van Dokters van de Wereld nooit strafrechtelijk vervolgd zullen worden, ook niet als zij (al dan niet onbedoeld) zorg leveren aan vreemdelingen met een licht inreisverbod? Hoe verhoudt de strafbaarstelling zich tot de artseneed? Betekent dit dat een arts die zich aan de eed houdt door een vreemdeling in nood kan helpen, zich volgens de letter en de geest van deze wet ook tegelijkertijd een misdrijf pleegt? Kan een voedselbank worden vervolgd voor het helpen van mensen zonder papieren onder bepaalde omstandigheden? Wat zijn de gevolgen in juridische en praktische zin voor gemeenten en individuen die subsidie, donaties of een andere vorm van hulp bieden aan instanties als voedselbanken? Klopt het dat zij indirect misdrijven faciliteren al is deze niet strafbaar? Hoe verhoudt het risico op strafbaarheid van kerkasiel zich tot de grondwettelijke bescherming van vrijheid van godsdienst (artikel 6 GW), nu de memorie van toelichting geen ‘kerkelijke exceptie’ bevat?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in hoeverre het wetsvoorstel gevolgen heeft voor bijvoorbeeld pedagogisch medewerkers, kinderpsychologen, of onderwijspersoneel die kinderen opvangen of lesgeven waarvan een ouder of verzorger niet rechtmatig in Nederland verblijft. Uit de novelle blijkt dat zij immers ook gekwalificeerd kunnen worden als derde die hulp verleent aan een persoon die volgens de letter van de wet een misdrijf pleegt. Heeft de regering hierover ook gesproken met vertegenwoordigers uit het onderwijsveld, de kinderopvang en de jeugdhulp? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt de wettelijke systematiek om bij afzonderlijke delicten af te wijken van algemene uitgangspunten zich tot de keuze die de regering zegt te maken om alle deelnemingsvormen uitgezonderd het plegen zelf, uit te sluiten?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering uiteen te zetten wat het exacte verschil is in de wijze waarop de regering de strafuitsluitingsgrond heeft vormgegeven ten opzichte van het voorstel in het advies van de Afdeling. Klopt het, zo vragen de leden van de CDA-fractie, dat de regering een verdergaande strafuitsluitingsgrond heeft gekozen dan het genoemde advies omdat de regering iedere vorm van medemenselijkheid in tegenstelling tot het amendement van het lid Vondeling niet strafbaar wenst te stellen?

Klopt het, zo vragen de leden van de CDA-fractie, dat er in het vreemdelingenrecht bij aanvaarding van deze novelle straks drie strafbepalingen bestaan, te weten: de ongewenstverklaring, het inreisverbod en de illegaliteit? En dat in het geval van deelnemingsvormen aan het negeren van de ongewenstverklaring of een inreisverbod een derde persoon vervolgd kan worden, maar niet voor illegaliteit?

Kan de regering aan de leden van de CDA-fractie uitleggen waarom de uitsluitingsgrond vanwege het niet willen bestraffen van medemenselijkheid expliciet geldt bij de strafbaarstelling illegaliteit, maar niet bij de ongewenstverklaring en het inreisverbod?

De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre een vreemdeling kan en zal worden vervolgd voor illegaal verblijf, die nog niet eerder in beeld was van de overheid, en waarvan derhalve geen terugkeertermijn was vastgesteld.

De leden van de SGP-fractie vragen de regering uitgebreider in te gaan op de vloeiende overgang die er is tussen medeplichtigheid en medeplegen, en de consequenties daarvan aangezien bij een overtreding niet in alle gevallen kan worden uitgesloten dat hulpverlening buiten de reikwijdte van de strafbepaling valt.

De leden van de SGP-fractie hebben begrip voor de gekozen route waarbij door middel van een strafuitsluitingsgrond hulpverlening niet strafbaar wordt gesteld. Zij vragen daarnaast wel in hoeverre het actief tegenwerken van de overheid bij uitzetting, het opzettelijk voordeel halen uit het helpen bij illegaal verblijf (bijvoorbeeld in de vorm van mensenhandel en uitbuiting) of de vreemdeling ernstige schade berokkenen strafbaar zal zijn of blijven in de nieuwe situatie. Deze leden vragen daarnaast hoe dit voorstel zich verhoudt tot de huidige contouren van de nieuwe EU-mensensmokkelrichtlijn.

De leden van de SGP-fractie zijn geĂŻnteresseerd in de vraag hoe om zal worden gegaan met situaties van evidente overmacht en ontoerekenbaarheid. Hoe verhouden de strafuitsluitingsgronden onder het Wetboek van Strafrecht hieromtrent (artikelen 39 en 40 Sr) zich tot de voorgestelde maatregelen in de ANMW en novelle, en hoe werkt dit naar verwachting uit in de praktijk?

De leden van de SGP-fractie vragen de regering hoe op grond van de bepalingen in de ANMW in combinatie met onderhavige novelle wordt omgegaan met slachtoffers van mensenhandel, bijvoorbeeld een slachtoffer van gedwongen prostitutie die door een pooier naar Nederland is gehaald, vervolgens weet te ontsnappen en zonder verblijfspapieren op straat komt te staan.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de regering de proportionaliteit van een strafmaximum van zes maanden beoordeelt voor gedrag dat niet gericht is op gevaar of schade.

De leden van de PvdD-fractie vragen waarom geen expliciete bescherming is opgenomen voor kerken, terwijl religieuze hulpverlening in verschillende EU-landen juridisch problematisch bleek.

De leden van de ChristenUnie-fractie stellen een aantal vragen over de constructie die de regering heeft gekozen om hulpverlening niet strafbaar te stellen. Kan de regering een ander voorbeeld geven in het Nederlandse (straf)recht waarin slechts de pleger strafbaar is en medeplegers en medeplichtigen niet? Zo niet, waarom heeft de regering gekozen voor een unieke constructie? Hoe geeft de regering er rekenschap van dat deze novelle een precedent schept? De regering beroept zich op de ruimte die de wet biedt om bij afzonderlijke delicten af te wijken van algemene uitgangspunten. Waarom vond de regering het geoorloofd om voor dit geval deze ruimte te benutten? Deelt de regering de mening dat de wetgever een grote verantwoordelijkheid heeft voor deugdelijke, kwalitatieve wetgeving en dat grote terughoudendheid moet worden betracht in het voorstellen van unieke en uitzonderlijke constructies? Deze leden ontvangen van de regering graag een dragende motivatie waarom deze weg toch is ingeslagen.

Kan de regering toelichten of met de gekozen formulering in de novelle het feit an sich van hulp aan illegale vreemdelingen wel of niet strafbaar is, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Of is het aan de rechter om hulpverleners te ontslaan van rechtsvervolging? Schuift de regering de verantwoordelijkheid voor rechtszekerheid en rechtsbescherming op deze manier niet naar de rechtspraak?

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat met het aangenomen amendement van de leden Rajkowski en Van Zanten (Kamerstuk 36704, nr. 52) hulp aan vreemdelingen die vanwege een veroordeling van bijvoorbeeld huisvredebreuk of het aanzetten tot discriminatie of geweld een ongewenstverklaring hebben gekregen strafbaar is. Vindt de regering dit proportioneel?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de regering ervoor kiest om medeplegen en medeplichtigheid uit te sluiten van strafbaarheid door een improvisatorische noodoplossing binnen het bestuursrecht. Hierdoor blijft het feit strafbaar, en kan alleen de rechter hulpverleners ontslaan van rechtsvervolging. Hoe voorkomt de regering dat er hierdoor onduidelijkheid blijft bestaan over de bescherming van hulpverleners, en hun mogelijkheden tot het bieden van hulp? Hoe voorkomt de regering dat hierdoor de verantwoordelijkheid voor rechtszekerheid en bescherming wordt doorgeschoven naar de rechtspraak? Hoe voorkomt de regering dat strafrechtelijk vooronderzoek alsnog plaats kan vinden?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat het VN-Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten (CESCR) zich in haar Concluding Observations over Nederland (oktober 2025) expliciet uitspreekt over (concept)wetgeving die irreguliere migranten criminaliseert of hun toegang tot basisrechten beperkt, en Nederland oproept af te zien van dergelijke wetgeving. Hoe beoordeelt de regering deze oproep, gezien onze ratificatie van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten en onze verplichtingen daartoe?

  1. Handhaving strafbaarstelling illegaal verblijf

    1. Algemeen

De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet schrijft dat de reikwijdte van de strafbaarstelling is beperkt tot de groep vreemdelingen die wel kunnen, maar niet willen meewerken aan vertrek en dat vertrek effectief frustreren. Kan de regering dit nader toelichten, en daarbij duidelijke kaders schetsen over wanneer iemand wel en niet meewerkt? Het is bekend dat bepaalde landen van herkomst terugkeer frustreren en de notie dat iedereen die wil terugkeren dat ook kan, is feitelijk onjuist. Deze leden vragen daarom hoe de regering van plan is te voorkomen dat mensen buiten hun schuld strafbaar worden gesteld. Kan de regering toelichten of en, zo ja, hoe het huidige kader voor de buitenschuldprocedure hiervoor voldoende geschikt is of dat deze moet worden aangepast?

Kan de regering voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie toelichten waarop de stelling “strafbaarstelling kan bijdragen aan betere grip op migratie” is gebaseerd? Kan de regering daarbij aangeven welke onderzoeken deze aanname ondersteunen? Kan de regering aangeven wat het verband is tussen de aantallen asielzoekers en de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf? Op basis van welke empirische gegevens gaat de regering ervan uit dat strafbaarstelling leidt tot minder asielzoekers? Welke empirische onderbouwing toont dat asielzoekers juridische details van Nederlands strafrecht kennen en daar hun keuze voor het land van bestemming op baseren?

Kan de regering daarbij voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ingaan op ervaringen van de landen waar strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf reeds al in ingevoerd? Zo stelt een rapport van Clingendael dat BelgiĂ« sinds 1980 een formele strafbaarstelling van ‘onwettig verblijf’ kent, en dat het land toch naar schatting 122.000 mensen zonder verblijfsvergunning telt. Dit is ruim het dubbele van het hoogste schattingsgetal in Nederland (23.000-58.000). Deelt de regering de constatering dat ondanks dat de wet in BelgiĂ« al 45 jaar van kracht is, het effect is uitgebleven? Zo ja, welke lessen kan de regering daaruit trekken? Zo nee, waarom niet? Voorts stelt het rapport van Clingendael dat gezien de beperkte celcapaciteit en vervolgingscapaciteit in BelgiĂ« ontdekking van onrechtmatig verblijvende mensen vaak niet leidt tot detentie, maar tot uitzetting. Deze leden constateren dat de beperkte celcapaciteit en vervolgingscapaciteit van BelgiĂ« vergelijkbaar zijn met Nederland. Deelt de regering deze constatering? Zo ja, betekent dat dat Nederland ook enkel over zou gaan tot uitzetting? En dat, verglijkbaar met BelgiĂ«, aan uitzetting de voorkeur wordt gegeven boven vervolging?

Wat zegt het volgens de regering, dat ondanks dat de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf wel in een aantal Europese landen de praktijk is, maar dat er toch geen onderzoeken zijn die aantonen dat het een effectieve maatregel is om mensen terug te laten keren, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering ook stelt dat strafbaarstelling beperkt wordt tot vreemdelingen die wel kunnen, maar niet willen meewerken aan vertrek en dat effectief frustreren. In hoeverre is er sprake van effectief terugkeerbeleid, als mensen die niet hier mogen blijven, maar die wel kunnen vertrekken, eerst een gevangenisstraf van een jaar moeten uitzitten? Deelt de regering de mening dat Nederland door deze maatregel juist meer mensen die onrechtmatig in Nederland blijven in Nederland houdt? Zo nee, waarom niet? Hoe wil de regering voorkomen dat strafoplegging juist leidt tot vertraging en stagnatie van terugkeer? Hoe worden de begrippen ‘niet meewerken’ en ‘vertrek frustreren’ precies gedefinieerd? Wie beoordeelt dit en op basis van welke criteria? Kan de regering garanderen dat vreemdelingen die wel meewerken aan hun vertrek niet strafbaar zullen zijn? Zo ja, op welke manier? En waarom is niet dit expliciet in de wetstekst opgenomen?

De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering of zij heeft overwogen om de strafbaarstelling van illegaliteit vorm te geven als overtreding in plaats van een misdrijf en zo ja, wat uiteindelijk de overwegingen zijn geweest om het als misdrijf strafbaar te stellen.

De leden van de JA21-fractie constateren dat bestaande jurisprudentie betekent dat een gevangenisstraf vanwege illegaal verblijf pas mogelijk is als de terugkeerprocedure is doorlopen. Kan de regering aangeven op welk moment dat het geval is? Wanneer wordt het vervolgingsbeleid nader ingevuld en kan de regering dat te zijner tijd aan de Kamer doen toekomen?

De leden van de DENK-fractie lezen dat strafrecht het ‘ultimum remedium’ moet blijven. Hoe realistisch is deze benadering wanneer het Openbaar Ministerie (OM) zelf aangeeft nieuw vervolgingsbeleid te moeten ontwikkelen? Hoe voorkomt de regering dat in de praktijk toch kwetsbare vreemdelingen worden opgepakt?

De leden van de PvdD-fractie vragen welke indicatoren het OM gebruikt om te bepalen of iemand ‘door toedoen van hemzelf’ terugkeer frustreert. Worden deze vooraf met de Kamer gedeeld?

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe het risico wordt beperkt dat rechtsongelijkheid ontstaat doordat verschillende rechtbanken uiteenlopende drempels voor medeplegen hanteren.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering vasthoudt aan de stelling dat strafbaarstelling van illegaal verblijf bij kan dragen aan betere grip op migratie. Welke ervaringen uit andere landen overtuigen de regering ervan dat strafbaarstelling van illegaal verblijf bijdraagt aan het terugdringen van de instroom en het bevorderen van terugkeer?

Erkent de regering dat de voorgestelde maatregelen niet direct tot uitzetting leiden maar tot het vastzetten op Nederlandse grond? Klopt het dat de regering alleen een indirect effect verwacht van de strafbaarstelling van illegaal verblijf? Is de wet daarmee doelmatig, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke reactie de regering heeft op de concluding observations van het CESCR waarin het Comité Nederland oproept af te zien van deze wetgeving.

Het lid van de Volt-fractie constateert dat strafbaarstelling alleen mogelijk is nadat de Terugkeerrichtlijn volledig is toegepast en slechts voor zover dit de werking van de richtlijn niet doorkruist. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) signaleert dat een terugkeerprocedure nooit echt beëindigd is en zij door deze maatregel juist minder zullen toekomen aan het organiseren van vertrek. Hoe garandeert de regering dat strafrechtelijke sancties nooit eerder of gelijktijdig aan het terugkeertraject worden toegepast, en niet in strijd is met de Terugkeerrichtlijn en jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU? Welke juridische waarborgen kan de regering hiervoor geven? Wat is de toegevoegde waarde van dit voorstel als het de terugkeer juist belemmert? 

Het lid van de Volt-fractie constateert dat Nidos aangeeft aan dat de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf voor meerderjarigen een negatief effect kan hebben op alleenstaande minderjarigen die onder voogdij staan, vooral rond de overgang naar achtien jaar. Hoe beoordeelt de regering de risico’s voor het welzijn van deze jongeren, en welke maatregelen zouden volgens de regering nodig zijn om te voorkomen dat zij angst of ontwikkelingsachterstanden oplopen als gevolg van dit wetsvoorstel?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat voor kinderen in gezinnen die onder toezicht staan, kan van de ouders kan leiden tot extra stress of traumatische situaties, terwijl de kinderrechter al ernstige zorgen heeft geconstateerd. Welke maatregelen voorziet de regering om ervoor te zorgen dat de belangen van kinderen beschermd blijven wanneer hun ouders strafbaar worden gesteld wegens onrechtmatig verblijf?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat het College voor de Rechten van de Mens in haar wetgevingsadvies stelt dat strafbaarstelling ernstige gevolgen kan hebben voor fundamentele mensenrechten, zoals toegang tot medische zorg, opvang, bescherming tegen geweld en mensenhandel. Hoe beoordeelt de regering de risico’s dat de toegang tot deze rechten nu in de praktijk worden beperkt?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat volgens het College voor de Rechten van de Mens onvoldoende is aangetoond dat strafbaarstelling proportioneel of effectief is bij het terugdringen van onrechtmatig verblijf, en dat internationale ervaringen wijzen op juridische en maatschappelijke knelpunten. Hoe beoordeelt de regering de verwachte impact van deze maatregel op de leefbaarheid en veiligheid in Nederland?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de regering in de memorie van toelichting stelt dat de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf kan bijdragen aan ‘betere grip op migratie’ en dat deze vooral zou worden ingezet tegen criminele en overlastgevende vreemdelingen. Tegelijkertijd geeft de DTenV in haar uitvoeringstoets aan dat deze maatregel niet zal bijdragen aan meer terugkeer. Hoe duidt de regering deze discrepantie tussen beleidsdoel en uitvoeringsrealiteit?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de Adviesraad Migratie opmerkt dat strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf mensen kan ontmoedigen om contact te zoeken met zorg, onderwijs of politie, waardoor ze gemarginaliseerd raken. Nederland heeft immers een juridische en humanitaire plicht om toegang te bieden tot medische zorg, onderwijs en bescherming tegen misbruik, óók voor mensen zonder rechtmatig verblijf. Hoe kan de regering deze verplichtingen nog waarborgen als de strafbaarstelling er tegelijkertijd toe leidt dat mensen uit angst voor vervolging geen gebruik meer durven maken van deze voorzieningen? Zijn er ervaringen uit andere lidstaten die laten zien dat strafbaarstelling juist leidt tot meer of minder samenwerking met overheid en maatschappelijke organisaties?

Het lid van de Volt-fractie vraagt of het denkbaar is dat de politieke kleur van een toekomstig minister van Justitie en Veiligheid tot andere instructies aan het OM kan leiden. Wat betekent dit voor het juridisch grijze gebied als het gaat om hulpverlening? Kan de regering daarbij een onderscheid maken tussen de generieke strafbaarstelling en die die bij een licht of een zwaar inreisverbod?

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe de regering voorkomt dat het onderscheid tussen nieuwe en oude strafbepalingen alsnog leidt tot strafbaarheid of onduidelijkheid over de strafbaarheid van medische of sociale hulp.

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe de regering voorkomt dat mensen met acute gezondheidsproblemen – die geen vluchtgevaar vormen – onnodig in politiecellen worden geplaatst waar slechts beperkte medische zorg aanwezig is.

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe de regering voorkomt dat strafrechtelijke detentie op grond van 108a Vw 2000 feitelijke verwijdering belemmert, hetgeen in strijd is met de Terugkeerrichtlijn.

Het lid van de Volt-fractie vraagt wat de strafbaarstelling van illegaliteit betekent voor het werk dat ngo’s zoals Dokters van de Wereld of het Leger des Heils doen.

Het lid van de Volt-fractie vraagt of de regering bereid is in gesprek te gaan met burgemeesters om te bezien op welke wijze ervoor gezorgd kan worden dat burgemeesters op uniforme wijze uitvoering geven aan de wet. Hoe wil de regering zich gaan verhouden tot burgemeesters die aangeven geen prioriteit te willen geven aan uitvoering van de wet?

Het lid van de Volt-fractie vraagt of een kerk kan weigeren informatie te delen met instanties zonder het risico op strafvervolging te lopen.

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe wordt voorkomen dat gezinnen met minderjarige kinderen op locaties van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) indirect worden geraakt door strafrechtelijke maatregelen gericht op de ouders. Wat gebeurt er met minderjarige kinderen als ouders strafrechtelijk in beeld komen vanwege illegaal verblijf? Is het denkbaar dat kinderen opgevangen moeten worden in pleeggezinnen omdat de ouders gedetineerd raken vanwege illegaal verblijf?

Het lid van de Volt-fractie vraagt of er EU-lidstaten zijn waar kerken of religieuze instellingen in conflict zijn gekomen met het strafrecht.

  1. Nut en noodzaak

De leden van de D66-fractie zijn zich ervan bewust dat er reeds een strafbaarstelling rust op verblijf in weerwil van een ongewenstverklaring of zwaar inreisverbod en de mogelijkheid tot vervolging ter zake van overtreding van een licht inreisverbod. Zij vragen de regering tot hoeveel vervolgingen dit per jaar leidt. Daarnaast vragen zij in hoeveel gevallen dit ook heeft geleid tot effectieve terugkeer met bekende bestemming en hoe vaak dit heeft geleid tot terugkeer met onbekende bestemming. Kan de regering daarnaast toelichten hoe zij voornemens is te voorkomen dat mensen vertrekken met onbekende bestemming, aangezien dit vaak niet betekent dat iemand daadwerkelijk Nederland heeft verlaten maar zich in plaats daarvan heeft onttrokken aan toezicht, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Hierbij verwijzen zij ook naar de zorgen van meerdere organisaties, zoals bijvoorbeeld de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die vrezen voor een schaduwsamenleving.

Onrechtmatig verblijvende vreemdelingen kunnen volgens het wetsvoorstel worden bestraft met een geldboete van de derde categorie. Het is echter inherent aan de status van onrechtmatig verblijf dat deze vreemdelingen geen betaald werk kunnen verrichten waarmee het niet aannemelijk is dat de vreemdeling de middelen heeft voor een dergelijke boete. Waarom acht de regering dit een nuttige sanctie, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Kan de regering toelichten wat de gevolgen zijn van het niet betalen van deze boete en daarmee aangeven hoeveel administratief werk dit oplevert en welke kosten hieraan zij verbonden? Wordt de boete kwijtgescholden op het moment dat iemand vertrekt of mag iemand pas vertrekken nadat de boete is betaald? Daarnaast zijn de leden van de D66-fractie op de hoogte van de grote tekorten bij de Dient Justitiële Inrichtingen (DJI), die daarom zelf aangeeft dit voorstel in ieder geval de komende jaren niet uit te kunnen voeren. De aan het woord zijnde leden vragen de regering welk effect zij denken dat de strafbaarstelling heeft, als zowel de geldboete als de gevangenisstraf in praktijk niet tot uitvoering zullen komen.

Voorts meent de regering dat de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf kan bijdragen aan effectiever terugkeerbeleid. De leden van de D66-fractie vragen de regering waarop zij dit baseert, mede in het licht van de reactie van de DTenV die aangeeft niet bekend te zijn met onderzoeken waaruit blijkt dat deze strafbaarstelling een effectieve maatregel is. De onderzoeken die wel bij de DTenV bekend zijn, laten eerder het omgekeerde zien. Kan de regering de onderzoeken waarnaar de DTenV verwijst met de Kamer delen, zo vragen zij. Deze leden vragen de regering daarnaast of zij bereid is zelf ook onderzoek te (laten) doen, gezien het doel moet zijn om méér terugkeer te realiseren in plaats van mínder terugkeer. Zij vragen daarbij ook in te gaan op de argumenten die in 2005 door de toenmalige minister van Justitie zijn aangevoerd om af te zien van het strafbaar stellen van onrechtmatig verblijf.

In dit licht verwijzen de leden van de D66-fractie naar een vergelijkend onderzoek van Instituut Clingendael uit de zomer van 2025, waarin zij ervaringen uit BelgiĂ«, Duitsland, Zweden en ItaliĂ« hebben geanalyseerd. Uit deze analyse blijkt dat de maatregel daadkrachtig klinkt, maar vaak “juridisch broos, praktisch onwerkbaar en maatschappelijk ontwrichtend” blijkt. Uit de vergelijking blijkt bijvoorbeeld dat in BelgiĂ« ruim twee keer zoveel ongedocumenteerde vreemdelingen verblijven als in Nederland, terwijl onrechtmatig verblijf al sinds 1980 strafbaar is en dat de afschrikkende kracht verwaarloosbaar is. Kan de regering ingaan op de resultaten van dit onderzoek, zo vragen zij.

De leden van de D66-fractie lezen dat de DTenV in haar advies heeft aangegeven dat het wenselijk is dat in de memorie van toelichting uitsluitsel wordt geboden over de mogelijkheid dat medewerkers van de DTenV aangifte moeten doen tegen vreemdelingen die door eigen toedoen niet terugkeren. Deze leden merken op dat de regering hier wel aandacht aan heeft besteed in de memorie van toelichting, maar het nog steeds bij de DTenV zelf neerlegt. De aan het woord zijnde leden betreuren dit en vragen de regering in samenspraak met de DTenV tot een duidelijker kader te komen en dit met de Kamer te delen. Daarnaast vragen zij de regering nog in te gaan op de zorgen die door de DTenV worden geuit over de mogelijke gevolgen hiervan voor DTenV-medewerkers in de vorm van bijvoorbeeld agressief of intimiderend gedrag.

Deelt de regering de mening dat illegalen Nederland direct moeten verlaten, zo vragen de leden van de PVV-fractie. Vindt de regering het wenselijk dat personen of organisaties illegalen helpen om uit het zicht van de overheid te blijven? Zo nee, waarom kiest de regering er dan voor om dit in geen enkel geval strafbaar te stellen? Erkent de regering dat het bewust onttrekken van een persoon die illegaal in Nederland verblijft aan het toezicht van de overheid geen vorm van ‘medemenselijkheid’ of ‘barmhartigheid’ is, maar pure sabotage van het wettelijke terugkeerbeleid, illegaliteit faciliteert en een ernstige ondermijning van de rechtsstaat is? Zo nee, hoe kwalificeert de regering dit wangedrag dan wĂ©l? 

 

Kan de regering voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ingaan op de wenselijkheid van de gewijzigde strafmaat van ten hoogste één jaar in plaats van zes maanden ten gevolge van het amendement van de leden Van Zanten en Rajkowski (Kamerstuk 36704, nr. 47), in combinatie met de strafbaarstelling?

Kan de regering voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nader toelichten wat in de memorie van toelichting bedoeld wordt met “handhaving zal, net als nu, primair plaatsvinden met toepassing van de bestaande bestuursrechtelijke instrumenten, waaronder de ongewenstverklaring”? Betekent dit de facto dat de strafbaarstelling niet wordt ingezet, of dat er een hiĂ«rarchie is in de handhavingsinstrumenten, waarbij de strafbaarstelling onderaan staat? Verderop in de memorie van toelichting stelt de regering vervolgens dat de strafbaarstelling als een ultimum remedium wordt toegepast, nadat het bestaande bestuursrechtelijke instrumentarium is uitgeput. Welke uitvoeringsorganisaties hebben aangegeven dat de huidige instrumenten onvoldoende zijn en dat er een ultimum remedium noodzakelijk is? In hoeveel procent van de gevallen is de afgelopen jaar gebleken dat de huidige bestuursrechtelijke instrumenten onvoldoende zijn? Kan de regering aantonen, met onderzoeken, dat de terugkeer van mensen die onrechtmatig in Nederland verblijven, belemmerd wordt door het ontbreken van een strafrechtelijk instrument? Kan de regering toelichten waarom een licht inreisverbod, wat standaard wordt opgelegd aan mensen die niet binnen de gestelde termijn vetrekken, onvoldoende is in de terugkeeraanpak? Kan de regering tevens reageren op de constatering van de Commissie Meijers dat doorgaans de reeds bestaande instrumenten, zoals de vreemdelingenbewaring, de ongewenstverklaring en het inreisverbod volstaan? Deelt de regering deze constatering? Zo nee, waarom niet? Waarom is er niet voor gekozen om eerst te onderzoeken wat de meerwaarde is van een dergelijke strafbaarstelling?

Klopt het dat onrechtmatig verblijf nu al strafbaar is, aangezien mensen die worden aangetroffen zonder verblijfsstatus in Nederland in overtreding zijn van de Vreemdelingenwet 2000 en beboet kunnen worden met een geldboete, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Zo ja, kan de regering aangeven hoe vaak deze maatregel wordt ingezet en waarom deze maatregel niet voldoende is?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen met verbazing dat de mate waarin een vreemdeling crimineel of overlastgevend gedrag vertoont, wordt betrokken bij het vervolgingsbeleid. Dat zijn juist precies de gedragingen waar al bestuursrechtelijke instrumenten voor zijn, zoals de ongewenstverklaring en het inreisverbod, zo constateren deze leden. Betekent dit dat de strafbaarstelling enkel dezelfde doelgroep strafbaar stelt? Voornoemde leden delen hierbij de opmerking van de Commissie Meijers dat deze beperkte doelstelling niet blijkt uit de wetstekst zelf. Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om dit ook op te nemen in de wetstekst? Erkent de regering hiermee dat toekomstige kabinetten op basis van de huidige wetstekst de politie en het OM opdracht kunnen geven om alle onrechtmatig verblijvende mensen aan te houden en strafrechtelijk te vervolgen? Zo ja, is dat wenselijk volgens de regering?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering, nu er een nieuwe strafbepaling dient te worden beoordeeld, om deze drie strafbepalingen juridisch en qua praktische toepasbaarheid uiteen te zetten zodat deze leden ze in onderlinge samenhang kunnen beoordelen. Is er naar het oordeel van de regering een schaal waarop de drie strafbepalingen geplaatst dienen te worden in termen van licht naar zwaar en zo ja, wat is daarin het oordeel van de regering?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om uitvoerig aan te geven hoe de volgende formuleringen uit de memorie van toelichting zich tot elkaar verhouden en of de regering hiermee bedoelt dat ze in elkaars verlengde liggen maar er altijd eerst vanuit de ongewenstverklaring zal worden opgetreden: “Als dit voorstel en de ANMW tot wet worden verheven, zal de bestuursrechtelijke inzet op terugkeer en verwijdering onverminderd leidend blijven” en “De aanwezigheid in Nederland na de oplegging van de ongewenstverklaring kan worden beschouwd als een gekwalificeerde vorm van het delict onrechtmatig verblijf dat is neergelegd in artikel 108a Vw 2000”.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of inmiddels verder overleg heeft plaatsgevonden met de DTenV over de geuite zorgen ten aanzien van de toepassing van artikel 162 Sv. Daarnaast vragen deze leden of de regering voornemens is om met toepassing van artikel 162 lid 5 Sv nadere regels te stellen waarmee de regering de medewerkers van DTenV tegemoet kan komen.

De leden van de DENK-fractie constateren dat de regering stelt dat strafbaarstelling ‘een afschrikwekkende werking’ heeft, maar nergens empirisch bewijs levert. Kan de regering voorbeelden noemen van EU-lidstaten waar strafbaarstelling aantoonbaar heeft geleid tot meer terugkeer? Waarom volgt de regering niet het advies van de DTenV, die juist aangeeft geen onderzoeken te kennen die deze bewering ondersteunen?

De leden van de PvdD-fractie vragen of strafbaarstelling volgens de regering zal leiden tot méér gedwongen vertrek en, zo ja, op basis van welke onderbouwing.

De leden van de PvdD-fractie vragen waarom de regering kiest voor strafbaarstelling in plaats van investering in vertrekgesprekken of internationale terugkeerdeals.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering schetst dat de bestuursrechtelijke inzet op terugkeer en verwijdering leidend zal zijn in de aanpak. Gaat de regering er dus vanuit dat deze, reeds bestaande, bestuursrechtelijke instrumenten, meer resultaat opleveren dan het strafrechtelijke instrument? De strafrechtelijke toevoeging van het amendement van het lid Vondeling lijkt de regering echter wel zo essentieel te vinden dat ervoor is gekozen om deze in de geamendeerde ANMW te houden. Kan de regering die weging toelichten? Van welke maatregel in het geheel van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten verwacht de regering het meeste resultaat om de instroom te beperken en de terugkeer te bevorderen?

Is de regering van plan om het College van procureurs-generaal te vragen beleidsregels op te stellen om de DTenV richting te geven bij het doen van aangifte?

  1. Gevolgen voor betrokkenen

De leden van de D66-fractie lezen dat de regering na een belangenafweging van mening is dat de mogelijk negatieve gevolgen voor betrokkenen opwegen tegen het doel van het amendement van het lid Vondeling, zijnde een effectiever terugkeerbeleid. Echter, alle geconsulteerde organisaties hebben aangegeven dat het op zijn minst hoogst onzeker is dat het voorstel daadwerkelijk zal leiden tot effectiever terugkeerbeleid en wordt eerder verwacht dat het zal leiden tot minder terugkeer. Deze leden vragen de regering dan ook nader toe te lichten hoe deze belangenafweging is gemaakt en op welke onderzoeken, signalen of andere informatie dit is gebaseerd.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat door angst voor strafvervolging mensen zonder de juiste papieren contact kunnen mijden met overheidsinstanties en hulporganisaties, waardoor hun basisvoorzieningen in het gedrang komem. Dat raakt ook slachtoffers van mensenhandel of uitbuiting, staatlozen en anderen die al in precair bestaan leven. Deze leden stellen daarbij dat enkel met klem benadrukken in de memorie van toelichting van een novelle dat de strafbaarstelling geen afbreuk doet aan de toegang van mensen zonder rechtmatig verblijf tot voorziening zoals zorg, onderwijs en GGZ, zoals de regering dat nu doet, onvoldoende is, gezien de grote maatschappelijke onrust die is ontstaan door het amendement. Zij vragen de regering hoe professionals of hun vertegenwoordigers in deze werkvelden dat zelf zien. Zijn zij expliciet geconsulteerd?

Kan de regering voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie aangeven op welke wijze mensen die geen rechtmatig verblijf hebben in Nederland worden geïnformeerd over deze rechten? Hoe voorkomt de regering dat strafbaarstelling ertoe leidt dat mensen permanent onder de radar verdwijnen met alle gevolgen van dien, voor henzelf, en voor de samenleving? Hoe gaat de regering om met de vrees onder hulpverleners dat zij, ondanks de novelle, alsnog strafrechtelijke risico’s lopen of in een ‘grijs gebied’ belanden? Gaat de regering hen bijstaan met juridische kennis en advies? Zo nee, waarom niet? Hoe wordt gegarandeerd dat beroepsgroepen zoals verloskundigen, straatdokters en GGD-artsen niet worden geconfronteerd met onduidelijke juridische risico’s?

Hoe wil de regering voorkomen dat kinderen in gezinnen zonder papieren slachtoffer worden van zorgmijding door strafrechtelijke druk op ouders, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Welke stappen worden gezet om te voorkomen dat zwangere vrouwen zonder de juiste papieren vrezen voor strafrechtelijke handhaving en daardoor noodzakelijke perinatale zorg mijden? Is de regering bereid om met GGZ-instellingen in gesprek te gaan hoe geborgd kan worden dat vreemdelingen met psychische problemen niet onterecht worden vervolgd?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat hulporganisaties, waaronder artsenorganisatie Dokters van de Wereld, aangeven dat ze nu al zien dat patiënten angst hebben om medische hulp te vragen. Is de regering bereid om met organisaties zoals Dokters van de Wereld in gesprek te gaan om dat te proberen te voorkomen?

Hoe worden huisartsen in staat gesteld veiligheid en vertrouwelijkheid te garanderen terwijl strafbaarstelling angst creëert bij patiënten, vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Is de regering bereid om met de Landelijke Vereniging van Huisartsen in gesprek te gaan om dit bespreken? Is de regering bereid te borgen dat niet rechtmatig verblijvende kwetsbare personen (slachtoffers mensenhandel, medische gevallen) uitgezonderd worden van vervolging? Zo nee, waarom niet?

Hoe wordt beoordeeld of een vreemdeling met complexe medische problematiek een ‘reĂ«el vertrekperspectief’ heeft, en wie draagt de verantwoordelijkheid voor die beoordeling, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Kunnen mensen tegen deze beoordeling in beroep?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt dat de Afdeling concludeert dat de in de novelle voorgestelde uitsluitingsgrond waarmee medeplichtigheid volledig uitgesloten zou worden, binnen het huidige strafrecht niet mogelijk is. Blijft daarmee het risico bestaan dat sociaal werkers die mensen zonder rechtmatig verblijf ondersteunen, strafrechtelijk vervolgd kunnen worden? Erkent de regering dat dus de kans op handelingsverlegenheid van professionals en vrijwilligers stijgt?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom zij het noodzakelijk acht om met klem te benadrukken dat het amendement van het lid Vondeling geen afbreuk doet aan de toegang van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf tot elementaire voorzieningen zoals zorg, onderwijs en bescherming door de politie. Is de regering van mening dat zij hierover nog meer duidelijkheid dient te verschaffen naar alle maatschappelijke en publieke organisaties die met vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf werken en op welke wijze gaat de regering hier invulling aan geven?

Hoewel de regering benadrukt dat toegang tot basale voorzieningen ‘gewaarborgd blijft’, lezen de leden van de DENK-fractie in de consultatiereacties dat organisaties juist vrezen dat vreemdelingen uit angst geen hulp meer durven te vragen. Hoe gaat de regering actief voorkomen dat een schaduwsamenleving ontstaat: een situatie waarin mensen zich noodgedwongen onttrekken aan zorg, toezicht en bescherming, waardoor zij kwetsbaarder worden voor uitbuiting, gezondheidsrisico’s en dakloosheid en feitelijk buiten het bereik van de rechtsstaat komen te staan? Voornoemde leden vragen de regering hoe zij concreet gaat voorkomen dat deze schaduwsamenleving ontstaat en hoe zij garandeert dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf wĂ©l veilig toegang houden tot zorg, hulpverlening en bescherming.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat mensen door angst voor strafrechtelijke gevolgen zorg, TB-behandeling, GGD-contact of onderwijs vermijden.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe wordt gegarandeerd dat medische zorg altijd prevaleert boven strafdetentie wanneer artsen aangeven dat zorg in detentie niet verantwoord is.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat gezinnen hun kinderen van school houden uit angst voor signalering.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de regering het risico beoordeelt dat uitbuiting en mensenhandel toenemen wanneer mensen zonder verblijfsrecht onder de radar verdwijnen. Hoe wordt geborgd dat zwangere vrouwen, slachtoffers van mensenhandel en mensen met ernstige psychische problemen niet in strafdetentie terechtkomen zonder passende zorg?

De regering hecht er belang aan om te benadrukken dat met de novelle geen afbreuk wordt gedaan aan de toegang van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf tot elementaire voorzieningen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering kan volgen dat, hoewel in theorie die toegang beschikbaar blijft, in de praktijk het erop neer kan komen dat die toegang beperkt wordt, omdat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf bang zijn om bestraft te worden voor onrechtmatig verblijf als ze op de radar komen van politie, zorginstanties of onderwijsinstellingen. Heeft de regering lering getrokken uit het gedrag van huidige ongedocumenteerden, die vrezen voor vastzetting en daarom hulp mijden? Zo ja, welke lessen heeft de regering daaruit getrokken? Zo nee, wilt u zich alsnog laten informeren hierover?

Wat betekenen de novelle en de geamendeerde ANMW voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf die niet terug kunnen naar hun land van herkomst vanwege het ontbreken van geldige papieren en/of een weigering van het land van herkomst om iemand terug te nemen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Worden zij zes maanden gevangen genomen en weer vrijgelaten totdat ze weer op de radar verschijnen? Kan de regering uitleggen wat het nut en de proportionaliteit hiervan zou zijn? Erkent de regering dat voor deze mensen dit geen passende maatregel is? Welk beleid voert de regering om deze mensen perspectief te geven?

  1. Verhouding tot hoger recht

De leden van de D66-fractie lezen bij meerdere organisaties de zorg dat er onduidelijkheid bestaat over wanneer het terugkeerproces juridisch gezien is doorlopen en op welk moment dus zal worden overgegaan tot strafbaarstelling. De DTenV merkt daarbij terecht op dat een terugkeerproces de facto nooit ophoudt aangezien zij zich blijven inzetten voor gedwongen terugkeer totdat iemand daadwerkelijk is vertrokken. Ook het OM geeft aan dat moet worden voorkomen dat een verdenking van artikel 108a Vw 2000 te vroeg het vreemdelingenrechtelijke proces onderbreekt, omdat dat het bewerkstelligen van terugkeer zou kunnen frustreren. De aan het woord zijnde leden vragen de regering hier een duidelijk juridisch kader voor op te stellen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het opmerkelijk dat de regering, anders dan de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) niet twijfelt aan de verenigbaarheid van het amendement met het EU-recht, met name de Terugkeerrichtlijn. Kan de regering de onderliggende stukken van deze constatering aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet? Kan de regering de juridische analyse delen waardoor zij tot deze conclusie is gekomen? Zo nee, waarom niet?

Kan de regering ingaan op het spanningsveld dat ontstaat door de strafrechtelijke veroordeling voor onrechtmatig verblijf, waardoor de weg naar legalisering van verblijf in de toekomst ook wordt uitgesloten, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de maatregel zich verhoudt tot jurisprudentie dat strafrecht niet mag worden gebruikt wanneer terugkeer feitelijk onmogelijk is. Kan de regering aangeven hoe wordt voorkomen dat artikel 108a Vw 2000 wordt toegepast wanneer een vreemdeling in een lopende IND- procedure slechts tijdelijk niet rechtmatig verblijft?

Hoe verhoudt deze maatregel zich tot het feit dat het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft geoordeeld dat detentie uitsluitend als ultimum remedium mag worden toegepast en dat de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf automatisch leidt tot detentie als sanctie? Hoe garandeert de regering dat de strafbaarstelling niet leidt tot schending van artikel 8 EVRM?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waar de regering de stelling op baseert dat het amendement geen gevolgen heeft voor toegang tot elementaire voorzieningen zoals zorg, onderwijs en bescherming door de politie. Wat is de onderbouwing voor de bewering dat er geen strijdigheid is met het in internationale verdragen verankerde recht op gezondheid, geestelijke en lichamelijke integriteit, recht op opvang en toegang tot basale voorzieningen en recht op menselijke waardigheid? Deelt de regering de mening dat het verklaren en strabaarstellen van een mens tot illegaal om wie deze persoon is, en niet om wat deze persoon heeft gedaan, de facto al een aantasting is van de menselijke waardigheid en gevolgen heeft voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid en integriteit? Zo nee, dan zijn deze leden benieuwd naar de precieze uitleg van de regering van deze begrippen.

De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering of zij kan aangeven op welke uitspraak van de Hoge Raad zij doelt waarin een gevangenisstraf werd opgelegd aan een ongewenst vreemdeling verklaarde derdelander op wie de terugkeerprocedure was toegepast.

Klopt het, zo vragen de leden van de CDA-fractie, dat de toelichting ten aanzien van de geldende jurisprudentie een zeer elementair onderdeel zichtbaar maakt voor de toepassing van de strafbaarstelling in artikel 108a Vw 2000, te weten dat dit enkel en alleen kan worden toegepast ten aanzien van vreemdelingen die na een afwijzing in de asielprocedure wel terug kunnen maar niet willen meewerken aan vertrek?

Hoe ziet dit op vreemdelingen die ten tijde van de terugkeerprocedure zich hieraan hebben onttrokken? En, zo vragen de leden van de CDA-fractie, wanneer is hiervan sprake als een vreemdeling zich onttrekt aan de terugkeerprocedure? Is dit enkel en alleen binnen de 28 dagen of kan dit ook daarna?

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie of dit betekent dat er de facto enkel in juridische zin sprake kan zijn van strafbaarstelling van illegaliteit als er sprake is van het niet meewerken aan terugkeer. Is dit ook wat de regering in de uitvoeringspraktijk wenst te bereiken? Deze leden ontvangen graag een uitvoerige reactie van de regering op dit punt.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om aan te geven wat zij bedoelt met het “door het OM voorziene vervolgingsbeleid”.

De leden van de CDA-fractie constateren dat op grond van artikel HHa lid 2 de strafbaarheid van de illegale pas aanvangt nadat de vetrektermijn is verstreken, terwijl volgens artikel HHa van het gewijzigde wetsvoorstel een vreemdeling strafbaar is indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat het verblijf niet rechtmatig is. Deze leden vragen of het klopt dat hiermee wordt gedoeld op de vertrektermijn van 28 dagen die Nederland verbindt aan een terugkeerbesluit uit de Terugkeerrichtlijn. Aansluitend daarop vragen voornoemde leden of het klopt dat de strafbaarheid in werking treedt wanneer de 28 dagen van vrijwillig vertrek zijn verstreken. De aan het woord zijnde leden vragen of dit juridisch gezien in lijn is met de Terugkeerrichtlijn.

Als de wet in de praktijk wel een drempel blijkt te zijn voor toegang tot elementaire voorzieningen, is de wet dan nog steeds in lijn met internationale verdragen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Changu (C-352/23), zo willen deze leden van de regering weten. Daarnaast vragen voornoemde leden wat de regering gaat doen om vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf de veiligheid te bieden om gebruik te maken van elementaire voorzieningen.

Hoe moet de politie ermee omgaan als zij er weet van heeft dat iemand een illegaal verblijvende vreemdeling is, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Welke plicht hebben zij om aangifte te doen tegen illegaal verblijvende vreemdelingen? Zou het gevangen zetten van vreemdelingen die wel terug willen maar niet kunnen in lijn zijn met de Terugkeerrichtlijn? Waarom wel of niet? Zo niet, voorkomt de ANMW dat hier sprake van zal zijn?

  1. Consultatie

5.1 Algemeen

De leden van de JA21-fractie lezen dat een aantal organisaties vreest dat bepaalde vreemdelingen kwetsbaarder worden voor mensenhandel en uitbuiting, omdat zij een grotere drempel kunnen ervaren om hulp te zoeken. Welke (flankerende) maatregelen zijn er om dat risico te beperken, bijvoorbeeld ten aanzien van buitenlandse vrouwen die gedwongen in de prostitutie zijn beland?

De leden van de DENK-fractie vragen, gezien de korte consultatietermijn, hoe de regering de kwaliteit van deze consultatie beoordeelt, gezien de kritiek dat de uitvoeringsimpact onvoldoende kon worden onderzocht.

De leden van de PvdD-fractie vragen waarom in de uitvoeringstoets niet is gesproken met zorgkoepels, terwijl zorgaanbieders direct geraakt worden.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de regering maatschappelijke organisaties ondersteunt die waarschuwen dat strafbaarstelling vertrouwen ondermijnt?

De leden van de ChristenUnie-fractie hadden liever een langere consultatietijd gezien voor deze novelle, zodat uitvoerings- en belangenorganisaties meer tijd hadden gehad om hun inbreng te leveren. De spoed die de regering wil zetten achter de invoering van de ANMW had wat deze leden betreft ook bereikt kunnen worden als het amendement als een aparte wet in een later stadium zou worden behandeld.

5.2 Instemming met het blijven toestaan van hulp aan vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf

De leden van de DENK-fractie begrijpen dat maatschappelijke organisaties niet langer risico lopen op vervolging binnen het huidige voorstel, maar vragen hoe wordt gegarandeerd dat ook informele vrijwilligers, buurtnetwerken en religieuze instellingen volledig beschermd zijn.

De leden van de PvdD-fractie vragen of de regering bereid is alsnog een bepaling op te nemen die onvoorwaardelijk bepaalt: ‘Hulpverlening is nimmer strafbaar’?

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de burger of vrijwilliger geacht wordt te begrijpen of iemand een licht of zwaar inreisverbod heeft?

5.3 Kritiek op het behoud van de strafbaarstelling van illegaal verblijf

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering slechts een opsomming geeft van de reacties van de geconsulteerde partijen, maar vervolgens nauwelijks ingaat op de bezwaren en kritiekpunten. Derhalve voelen deze leden zich genoodzaakt nogmaals te vragen of de regering specifiek kan ingaan op de afzonderlijke argumenten van uitvoeringsorganisaties. Kan de regering ingaan op de capaciteit van uitvoeringsorganisaties en daarbij de vraag beantwoorden of zij voldoende gekwalificeerd personeel hebben om deze extra taken uit te voeren?

Kan de regering voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nader ingaan op de zorgen van het Rode Kruis dat de strafbaarstelling op zichzelf ertoe kan leiden dat mensen zonder rechtmatige verblijfsstatus uit angst voor vervolging hulp gaan vermijden, waarbij dit tot grote maatschappelijke gevolgen kan leiden, zoals het niet-melden van infectieziektes? Kan de regering ingaan op de kritiek van mensenrechtenorganisaties die erop wijzen dat de strafbaarstelling van illegaliteit ertoe kan leiden dat mensen zich niet durven melden bij hulporganisaties en een toename van uitbuiting door criminele netwerken zien?

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat hulpverleners terughoudend worden door de onzekerheid of hun handelen strafbaar is.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de regering de waarschuwing van politie, Inspectie Justitie en Veiligheid en maatschappelijke organisaties beoordeelt dat de maatregel contraproductief is.

Wat is de reactie van de regering op de mogelijke consequentie dat door illegaal verblijf strafbaar te stellen vreemdelingen zonder verblijfsvergunning minder snel een beroep zullen doen op bescherming en hulp en daardoor een groter risico lopen om slachtoffer te worden van arbeidsuiting of mensenhandel, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Op welke manieren wil de regering deze risico’s mitigeren?

De leden van de ChristenUnie-fractie zien nog te weinig rekenschap bij de regering van het feit dat strafbaarstelling van illegaal verblijf zal leiden tot meer vreemdelingen die onder de radar verdwijnen, zoals politie en gemeenten aangeven. Als ervaringen uit andere EU-lidstaten en analyses van advies- en uitvoeringsinstanties laten zien dat dergelijke maatregelen tot langduriger en onzichtbaar verblijf leiden, waarom kiest de regering dan toch voor deze maatregelen? Hoe beredeneert de regering dat strafbaarstelling van illegaliteit een effectieve maatregel is om terugkeer te bevorderen?

5.4 Scepsis over de uitvoerbaarheid van de strafbaarstelling van illegaal verblijf

Zowel DTenV als de Inspectie Justitie en Veiligheid verwijzen naar het feit dat minderjarige kinderen niet strafbaar kunnen worden gesteld, maar hun ouders wel. De leden van de D66-fractie lezen hierop geen reactie terug in de memorie van toelichting. Zij vragen de regering in te gaan op deze zorgen en daarbij in ieder geval toe te lichten wat dit betekent voor bijvoorbeeld docenten en zorgverleners, die veelal op de hoogte zullen zijn van de verblijfsstatus van deze kinderen en hun ouders, en ook zullen beschikken over bijvoorbeeld adresgegevens. Dit geldt ook voor andere Nederlandse burgers, zoals buren of ouders van klasgenoten. Wordt van hen verwacht aangifte te doen van onrechtmatig verblijf of om mee te werken aan strafrechtelijk onderzoek, zo vragen deze leden. Beide diensten benoemen ook de immateriële effecten op kinderen, zoals het risico dat ouders zich terugtrekken uit het openbare leven en de gevolgen hiervan voor de kinderen. De Inspectie stelt dat een kinderrechtentoets ten onrechte niet is uitgevoerd en de aan het woord zijnde leden vragen de regering deze toets alsnog uit te voeren.

Meerdere organisaties, waaronder de Koninklijke Marechaussee (KMar) en de DTenV waarschuwen voor verdringingseffecten met het risico dat zij niet aan hun kerntaak toe zullen komen. Hoe gaat de regering dit voorkomen, zo vragen de leden van de D66-fractie. Daarnaast geven meerdere organisaties aan dat zij minder benaderbaar worden voor onrechtmatig verblijvende vreemdelingen. In het geval van de KMar en politie betekent dit bijvoorbeeld dat zij geen hulp zullen zoeken als ze zelf slachtoffer zijn of dreigen te worden van een misdrijf, wat criminaliteit in de hand kan werken. In het geval van DTenV kan het ertoe leiden dat vreemdelingen zich niet melden voor hulp bij terugkeer, omdat zij bang zijn vervolgd te worden. Dit alles maakt het terugkeerbeleid minder effectief en heeft gevolgen voor de leefbaarheid en veiligheid op straat. De aan het woord zijnde leden vragen de regering hoe zij voornemens is deze effecten te voorkomen.

De leden van de PVV-fractie merken op dat het voorgestelde artikel 108a Vw 2000 zich uitsluitend richt op het verwijtbaar niet naleven van de vertrekplicht, waarbij strafrecht als ultimum remedium aanvullend wordt toegepast nadat het bestaande bestuursrechtelijke instrumentarium is uitgeput. Voornoemde leden vragen de regering dit nader toe lichten. In welke gevallen wordt er strafrechtelijk opgetreden? 

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom er geen integrale uitvoeringstoets is gedaan, maar slechts een quick-scan, ondanks de omvangrijke gevolgen. Is de regering voornemens om een volwaardige ex ante uitvoeringstoets te verrichten, zoals de politie, KMAr en DTenV dat vragen? Zo nee, waarom niet? Waarom zijn beroepsverenigingen in de zorg niet betrokken bij de quick-scan, terwijl de impact op zorgprofessionals groot kan zijn?

Hoe worden de wachttijden in vreemdelingenbewaring, die nu al oplopen, beĂŻnvloed wanneer politie massaal dossiers gaat aanleveren, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Kan de regering de Kamer jaarlijks rapporteren over de toename in wachttijden als gevolg van de in te voeren strafbaarstelling? In hoeverre is er sprake van een risico op een structureel verdringingseffect bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), terwijl deze al structureel onderbezet is? Hoe beoordeelt de regering de constatering dat AVIM-medewerkers mogelijk niet bevoegd zijn om strafrechtelijke taken uit te voeren?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in hoeverre de regering heeft onderzocht welke gevolgen de strafbaarstelling zal hebben op de grenscontroles die plaatvinden. Betekent dit dat ongedocumenteerden automatisch aan de grens opgepakt zullen worden? Hoe verhoudt zich dat tot het recht om asiel aan te vragen?

Kan de regering voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ingaan op de opmerking van de Commissie Meijers dat de vergaande wettelijke beperkingen die volgen uit het EU-recht expliciet in de tekst van de strafbepaling moeten worden opgenomen?

Kan de regering afzonderlijk ingaan op de onderzoeken die juist aangeven dat strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf niet effectief is, zoals de DTenV aangaf in de consultatie, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. En kan de regering daarbij ook ingaan op de ervaring van de DTenV zelf die aangeeft dat uit signalen van medewerkers niet op te maken is dat strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf wezenlijk gaat helpen om meer terugkeer te organiseren? Kan de regering expliciet ingaan op de zorgen van de DTenV die stelt dat de maatregel kan leiden tot meer extra administratieve lasten, waardoor mogelijk minder wordt toegekomen aan de kerntaak van DTenV: het organiseren van vertrek? Is dit wenselijk volgens de regering, zo vragen deze leden. Zo nee, welke acties is de regering voornemens te ondernemen indien blijkt dat DTenV door deze maatregelen niet meer toekomt aan het uitvoeren van de kerntaak? Hoe verzekert de regering dat de capaciteit van de DJI (55–165 plaatsen per jaar) kan worden gerealiseerd terwijl tot 2030 geen extra detentiecapaciteit beschikbaar is?

Wat is de reactie van de regering op de constatering van DTenV dat het vooruitzicht de van strafbaarstelling in de eerste plaats tot gevolg kan hebben dat “onrechtmatig verblijvende mensen zich minder snel tot DTenV zullen wenden voor (zelfstandig) vertrek”, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Erkent de regering dat een ongewenst effect van de strafbaarstelling dus zou kunnen zijn dat hierdoor minder mensen zelfstandig terugkeren? Kan de regering aangeven hoe wordt voorkomen dat strafbaarstelling leidt tot dalend vertrouwen in DTenV, zoals de uitvoeringstoets constateert?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren ook dat de KMar aangeeft dat de maatregel kan leiden tot verdringingseffecten. Welke maatregelen is de regering voornemens te nemen voor de KMar? Hoe wordt gewaarborgd dat het OM voldoende capaciteit heeft om 100–300 extra zaken te behandelen, vooral bij complexe dossiervorming?

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de analyse van de DTenV deelt dat er een uitgewerkt juridisch kader dient te zijn om invulling te geven aan de strafbaarstelling van illegaliteit in relatie tot de vraag wat de definitie is van ‘het terugkeerproces is doorlopen’. Zo ja, hoe gaat de regering daar invulling aan geven via lagere regelgeving en bestaat hiervoor een wettelijke basis op basis van deze novelle? Zo nee, hoe ziet de regering dan het handelingsperspectief van de DTenV-medewerkers die hier op een zorgvuldige wijze en juridisch houdbaar invulling aan moeten geven?

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering uiteen kan zetten wat de Inspectie Justitie en Veiligheid aangeeft over de jurisprudentie en of dit in relatie tot de Terugkeerrichtlijn klopt. Zo ja, betekent dit dan dat de facto enkel in juridische zin sprake kan zijn van strafbaarstelling van het niet meewerken aan terugkeer en is dit ook wat de regering in de uitvoeringspraktijk wenst te bereiken?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering om zorgen bij maatschappelijke organisaties weg te nemen dat ondanks de voorgestelde strafuitsluitingsgrond, het alsnog mogelijk zou zijn dat hulpverleners te maken krijgen met een strafrechtelijk proces waarin de rechter vervolgens ontslag van alle rechtsvervolging kan verlenen en er dus geen straf wordt opgelegd. Houdt dit dan in dat het risico op een strafproces voor hulpverleners theoretisch blijft bestaan? Zo ja, deelt de regering de mening dat deze onzekerheid effect kan hebben op de bereidheid van hulpverleners om illegalen hulpverlening aan te bieden? Zo nee, kan de regering met behulp van juridische argumentatie en jurisprudentie uiteenzetten waaruit blijkt dat hulpverleners niet het risico lopen om alsnog te maken te kunnen krijgen met een strafproces, los van de mogelijkheid dat ontslag van alle rechtsvervolging verleend kan worden?

De leden van de DENK-fractie constateren dat de uitvoeringstoets niet volledig is uitgevoerd. Hoe rechtvaardigt de regering het invoeren van een strafrechtelijke maatregel zonder volledig zicht op de impact op politie, OM, DTenV en KMar?

Wat is de reactie van de regering op de DJI die signaleert dat er tot 2030 geen detentiecapaciteit over is en elke wetswijziging die tot extra strafoplegging leidt tot 2030 niet uitvoerbaar is, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Hoeveel cellen zijn er extra nodig en hoeveel gaat dit aan middelen kosten?

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat strafzaken die geen vertrek realiseren disproportioneel beslag leggen op capaciteit van OM en politie.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe wordt omgegaan met situaties waarin vreemdelingen strategisch verdwijnen vlak vóór afronding van dossiers.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen voor hoeveel rechtszaken deze wet naar verwachting gaat zorgen en hoeveel extra gesubsidieerde rechtsbijstand naar verwachting zal worden geboden. Wat betekent deze extra druk op de rechtspraak voor de snelheid waarmee andere rechtszaken worden behandeld?

Wat is de reactie van de regering reactie op de IND, het COA en de DJI die aan de invoering van het Europees Asiel- en Migratiepact hun handen meer dan vol hebben en deze systeemwijziging er niet bij kunnen hebben, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

Is de regering bereid een gedegen ex ante-uitvoeringstoets uit te laten voeren, zoals de politie, KMar en DTenV verzoeken, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen de zorgen van de DTenV over de aangifteplicht en de reactie van de regering dat aangifte in de meeste gevallen niet aan de orde zal zijn. Welke werkinstructies en kaders krijgt de DTenV mee? Hoe vaak verwacht de regering dat de DTenV per jaar aangifte zal moeten doen?

  1. Uitvoeringsaspecten

De leden van de D66-fractie lezen dat de regering verwacht dat het voorstel niet leidt tot een toename van administratieve lasten voor uitvoeringsorganisaties. Dit wordt echter niet gedeeld door DTenV, die aangeeft wel degelijk administratieve lasten te zullen ondervinden van het voorstel. Zij geven daarbij aan zorgen te hebben over een verdringingseffect waardoor zij minder zullen toekomen aan de kerntaak van DTenV, zijnde het organiseren van vertrek. Hoe gaat de regering er zorg voor dragen dat dit effect niet optreedt?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn verbaasd over de constatering dat de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf niet zou leiden tot toename van administratieve lasten. Immers, uit de eerste quick-scan ten aanzien van de gevolgen van de strafbaarstelling blijkt dat het voorstel grote consequenties heeft voor veel uitvoeringsorganisaties, waaronder de DTenV. Deelt de regering de constatering van de DTenV, dat het noodzakelijk is dat er ketenbreed een ex-ante uitvoeringstoets wordt uitgevoerd?

Kan de minister aangeven wat de laatste schattingen zijn aangaande de omvang van mensen die onrechtmatig in Nederland verblijven, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.

De regering verwacht geen extra lasten voor uitvoeringsorganisaties. De leden van de DENK-fractie vragen hoe deze inschatting te rijmen valt met de unanieme en expliciete zorgen van uitvoeringsinstanties, waaronder de politie, de KMar, de IND, de DTenV en de Inspectie Justitie en Veiligheid, die juist waarschuwen voor een aanzienlijke toename van werkdruk, capaciteitsproblemen en uitvoeringsrisico’s. Deze leden vragen de regering toe te lichten op welke wijze zij tot haar inschatting is gekomen en waarom de praktijkwaarschuwingen van ketenpartners daarin kennelijk geen gewicht hebben gekregen. Voorts vragen voornoemde leden hoe wordt voorkomen dat opsporingsinstanties via andere strafbepalingen alsnog humanitaire hulpverlening criminaliseren.

De leden van de SGP-fractie vragen de regering te bevestigen dat de strafbaarstelling wordt ingezet als ‘stok achter de deur’ met als doel terugkeer te bevorderen en dat het middel met name zal worden toegepast in de handhavingspraktijk bij overlastgevende en criminele asielzoekers.

De leden van de PvdD-fractie vragen welke afspraken gemaakt zijn met gemeenten over de toegang tot nachtopvang voor vreemdelingen die strafbaar zijn onder artikel 108a Vw 2000.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de regering omgaat met signalen dat de DJI geen detentiecapaciteit heeft tot 2030.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe gegevensdeling wordt geregeld tussen AVIM, OM en DTenV in het licht van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Wet politiegegevens (Wpg).

De leden van de PvdD-fractie vragen welke training politieagenten krijgen over humanitaire hulp in relatie tot een inreisverbod.

De leden van de PvdD-fractie vragen of kerken worden betrokken bij de verdere uitwerking.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat vaccinatie- en TB-controleprogramma’s instorten doordat mensen zich niet meer durven te melden?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om in te schatten welke impact het strafbaar stellen van illegaal verblijf heeft op de jeugdzorg, in de gevallen dat ongedocumenteerden met kinderen in een strafrechtelijk traject belanden. Hoeveel opvangcapaciteit, in pleeggezinnen en zorginstellingen, zal hiervoor nodig zijn? Hoeveel familierechtszaken verwacht de regering door deze ontwikkeling? Heeft de regering gesproken met gecertificeerde instellingen (GI’s) over de gevolgen van de wetgeving?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de impact op het onderwijs van de strafbaarstelling illegaal verblijf. Hoeveel schoolgaande kinderen zijn momenteel ongedocumenteerd in Nederland? Is er met het onderwijs gesproken over wat de impact op kinderen zal zijn als ouders zijn opgepakt? Hoe moet een school daarmee omgaan? Heeft de regering gesproken met de besturen van MBO-, HBO- en WO-onderwijsinstellingen over de gevolgen van deze wet voor ongedocumenteerde studenten?

Hoe wordt de motie van het lid Ceder (Kamerstuk 19637, nr. 3488) uitgevoerd ten aanzien van hier opgegroeide kinderen met een Nederlandse scholing, in het licht van de strafbaarstelling van illegaal verblijf, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de politie haar zorgen heeft geuit over de uitvoerbaarheid, de effectiviteit en de negatieve gevolgen voor de openbare orde van deze maatregel. Hoe beoordeelt de regering de duidelijke waarschuwing van uitvoeringsorganisaties zoals politie, DTenV en KMar dat strafbaarstelling ingrijpende aanpassingen voorziet in werkprocessen, de inzet van veel capaciteit en scholing van personeel, terwijl er risico’s ten aanzien van legitimiteit en proportionaliteit worden gesignaleerd?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de DJI signaleert dat zij tot 2030 geen detentiecapaciteit over heeft. Iedere wetswijziging die tot extra strafoplegging leidt, waaronder deze, is voor de DJI in ieder geval tot 2030 niet uitvoerbaar. Hoe verwacht de regering deze maatregel alsnog te kunnen uitvoeren in de praktijk?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de politie nu al merkt dat mensen door deze voorgestelde maatregel niet naar de politie durven bij uitbuiting en criminaliteit. Ook gemeenten en ngo’s geven aan dat angst voor dit voorstel er nu al voor zorgt dat ouders kinderen niet meer naar school durven te sturen en zieke mensen niet meer naar de dokter durven. Erkent de regering het mogelijke neveneffect dat personen zonder rechtmatig verblijf zich uit angst onttrekken aan hulpverlening en overheidsinstanties? Hoe voorkomt het de implicaties, zoals de angst voor het aanvragen van bescherming (in strijd met het Vluchtelingenverdrag), het doen van politieaangifte, of het melden voor vrijwillige terugkeertrajecten? 

Het lid van de Volt-fractie constateert dat als mensen onder de radar verblijven dit ook een impact heeft op hun toegang tot basisvoorzieningen (zoals opvang, medische zorg, onderwijs voor minderjarigen, rechtsbijstand). Hoe voorkomt de regering dat het hiermee in strijd is met artikel 14 van de Terugkeerrichtlijn en artikel 1 en 4 van het EU Handvest? 

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de DTenV in haar schriftelijke reactie op de novelle aangeeft dat zij niet bekend is met enig onderzoek dat aantoont dat strafbaarstelling leidt tot een toename van terugkeer. Volgens de DTenV blijkt uit bestaande onderzoeken en adviezen juist het tegendeel. Daarnaast signaleren medewerkers geen wezenlijk positief effect van de maatregel op terugkeer en wijzen zij op de extra administratieve lasten die zij vrezen. Welke bewijzen kan de regering aanleveren dat deze maatregel daadwerkelijk zal bijdragen aan meer grip of migratie en een effectiever terugkeerbeleid?

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe de regering voorkomt dat personen die, buiten hun eigen schuld om, Nederland niet kunnen verlaten maar hier (nog) geen bewijs voor kunnen aanleveren (en daardoor mogelijk worden aangemerkt als ‘niet meewerkend’), zoals staatlozen, strafrechtelijk worden gesanctioneerd.

Het lid van de Volt-fractie vraagt waarom de andere mogelijkheden voor strafrechtelijke vervolging, zoals het zwaar inreisverbod en de mogelijkheden binnen de nieuwe Wet Terugkeer en Vreemdeling, niet voldoende geschikt zijn om op te treden. Hoe verhouden deze zich tot elkaar?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat kwetsbare mensen risico lopen op misbruik door werkgevers. Welke maatregelen neemt de regering om dit te voorkomen en slachtoffers te helpen, juist als zij door dit voorstel bang zijn gemaakt om in strafdetentie te komen?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat het COA in de Uitvoeringstoets benoemt dat er situaties kunnen ontstaan waarin een ouder strafbaar is gesteld onder artikel 108a Vw 2000 terwijl hij of zij op een COA-gezinslocatie verblijft. Hoe wordt in die situaties de opvang en zorg voor minderjarige kinderen gewaarborgd als een ouder wordt gedetineerd?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat er reeds bestuursrechtelijke (en strafrechtelijke) instrumenten bestaan om op te treden tegen onrechtmatig verblijf. Kunt u aangeven in welke mate deze instrumenten, waaronder vervolging vanwege verblijf met een zwaar inreisverbod, momenteel daadwerkelijk worden ingezet? Zijn er specifieke factoren die het gebruik van deze instrumenten beĂŻnvloeden?

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe de mogelijke cumulatie van strafrechtelijke antecedenten vanwege onrechtmatig verblijf de kansen op regularisatie van het verblijf in Nederland beĂŻnvloedt. In hoeverre leidt de uitbreiding van de mogelijkheden van het opleggen van een ongewenstverklaring in de ANMW tot een stapeling van uitsluitingsgronden?

Het lid van de Volt-fractie vraagt in hoeverre de regering het risico dat de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf een afschrikkend effect heeft op mensen zonder verblijfsrecht die via bemiddeling van de DTenV toegang zouden kunnen krijgen tot de buitenschuldprocedure, onderkent en monitort.

Het lid van de Volt-fractie vraagt welke beleidsmatige maatregelen of waarborgen er zijn om te voorkomen dat deze strafbaarstelling de bereidheid tot medewerking aan terugkeer of aan de buitenschuldprocedure ondermijnt, en op welke wijze dit risico in beleid en uitvoering wordt geëvalueerd.

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe de regering en de betrokken uitvoeringsinstanties (IND) waarborgen dat de strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf niet leidt tot vermijding van contact met instanties door vreemdelingen met medische problematiek, waardoor zij buiten noodzakelijke zorg of een verblijfsrechtelijke beoordeling op grond van artikel 64 Vw 2000 vallen, en daardoor hun medisch noodzakelijke behandeling in Nederland mislopen.

Het lid van de Volt-fractie vraagt welke concrete maatregelen de regering en uitvoeringsinstanties (IND) kunnen nemen om te voorkomen dat deze groep mensen door angst voor strafrechtelijke vervolging essentiële zorg of een verblijfsrechtelijke beoordeling misloopt.

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de politie in de Quickscan/Uitvoeringstoets signaleert dat het opsporen en vervolgen van onrechtmatig verblijf complex is, mede omdat het OM nog geen concreet opsporings- en vervolgingsbeleid heeft vastgesteld. Hoe beoordeelt de regering de haalbaarheid van het strafbaar stellen van onrechtmatig verblijf met de huidige capaciteit en middelen?

Het lid van de Volt-fractie vraagt welke knelpunten de regering voorziet bij de uitvoering. Helpt de strafbaarstelling van ongedocumenteerden bij het politiewerk?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat het al mogelijk is mensen zonder verblijfsvergunning te beboeten wanneer zij zich niet melden bij de korpschef (bijv. feitcode E 822 a-g) of wanneer hij of zij met een inreisverbod in Nederland verblijft (bijv. feitcode E 844 a-g). Kan de regering aangeven hoe vaak deze instrumenten in de praktijk worden ingezet?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat uit de uitvoeringstoets blijkt dat extra strafrechtelijke onderzoeken vanwege onrechtmatig verblijf kunnen leiden tot verdringing van reguliere politietaken, waardoor andere operationele werkzaamheden vertraging oplopen. Welke gevolgen verwacht de regering hiervan voor de algehele effectiviteit en veiligheid in de samenleving?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de politie in de Uitvoeringstoets wijst op het risico van onnodige aanhoudingen van mensen die pas nĂĄ onderzoek onder de Terugkeerrichtlijn blijken te vallen (en dus niet vervolgd zouden kunnen worden), met mogelijke druk op cellencapaciteit en arrestantenafdelingen. Hoe kan de politie zich volgens de regering verhouden tot dit risico en wat betekent dit voor de legitimiteit van de politie in de samenleving?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat in de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid (van 16 juli jongstleden) staat dat onrechtmatig verblijvende mensen mogelijk geen toegang meer durven zoeken tot basale hulpstructuren zoals onderwijs, zorg of aangifte bij uitbuiting. Hoe beoordeelt de regering de maatschappelijke risico’s van deze vermijding, en op welke manier kan worden voorkomen dat kwetsbare groepen nog verder buiten beeld raken?

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe, gelet op eerdere signalen van de DJI (in de Uitvoeringstoets) dat er geen capaciteit is om strafbaarstelling uit te voeren tot ten minste 2030, de regering de haalbaarheid van deze maatregel op korte en middellange termijn beoordeelt.

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de Inspectie Justitie en Veiligheid (in de brief van 16 juli) het belang benadrukt van toetsing op verenigbaarheid met ander recht. Hoe beoordeelt de regering de samenhang van dit wetsvoorstel met andere bestaande instrumenten, zoals de Wet Terugkeer en Vreemdelingenbewaring, en met Europees recht, in het bijzonder waar het gaat om strafbaarheid van onrechtmatig verblijf en proportionaliteit?

Het lid van de Volt-fractie vraagt of een langdurige behandelrelatie als ‘structurele samenwerking’ kan worden uitgelegd? Kan dit leiden tot strafbarheid bij een licht inreisverbod?

Het lid van de Volt-fractie vraagt wat strafbaarstelling betekent voor gemeenten die samenwerken met ngo’s om gezondheidszorg voor mensen zonder papieren te organiseren. Is de regering met gemeenten in gesprek om ervoor te zorgen dat de mensen die in hun gemeente verblijven de zorg krijgen die ze nodig hebben en overlast voorkomen wordt?

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe ngo’s worden beschermd die opvang, eten of medische zorg bieden aan vreemdelingen met een licht inreisverbod.

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe de risico’s worden gemitigeerd dat een opgelegde geldboete niet betaalbaar is en onuitvoerbaar blijkt.

Het lid van de Volt-fractie vraagt waarom ervoor is gekozen om alleen een uitzondering voor hulpverlening te maken bij de nieuw ingestelde strafbaarstelling, terwijl bestaande strafbaarstellingen bewust onveranderd blijven?

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe wordt voorkomen dat politiemedewerkers zonder medische expertise conclusies trekken over medisch niet uitzetbare personen. Hoe wordt de medische beoordeling van personen zonder geldige verblijfsdocumenten gedaan? Hoe worden de mensen die het betreft op hun rechten gewezen en kunnen ze ergens in beroep als zij onterecht beschuldigd worden van niet mee werken aan uitzetting?

Het lid van de Volt-fractie vraagt of het bieden van nachtrust in een kerkzaal strafbaar kan zijn in het geval er sprake is van een licht inreisverbod?

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de verwachting is dat de maatregel zal zorgen voor zorgmijding omdat ongedocumenteerden uit beeld van instanties zullen willen blijven. Hoe garandeert de regering dat gemeenten en GGD’s voldoende middelen krijgen om gezondheidsproblemen in de doelgroep op te sporen?

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe wordt voorkomen dat mensen zonder papieren hun kinderen niet meer laten vaccineren omdat mensen zonder papieren bang zijn in aanraking te komen met officiële instanties en autoriteiten.

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe de regering gaat voorkomen dat er grote aantallen zinloze boetezaken ontstaan die niet te innen zijn omdat de mensen die het betreft vaak niet de financiële middelen hebben om boetes te voldoen, zoals het OM benadrukt.

Het lid van de Volt-fractie vraagt wat de regering doet om te voorkomen dat hulpverleners door angst of onduidelijkheid mensen zonder papieren minder snel behandelen of doorverwijzen. Hoe beoordeelt de regering het risico dat hulpverleners onder druk worden gezet omdat vreemdelingen strafvervolging vrezen?

Het lid van de Volt-fractie vraagt waarom hulpverlening bij een licht inreisverbod mogelijk strafbaar wordt geacht, terwijl de novelle toch juist was bedoeld om alle hulpverleners te beschermen.

Het lid van de Volt-fractie vraagt of het mogelijk is dat strafbaarstelling juist mensen aanmoedigt om sneller asiel aan te vragen, om strafrecht te vermijden.

Het lid van de Volt-fractie constateert dat de DJI aangeeft dat het structureel 55–165 extra detentieplaatsen nodig heeft, terwijl er tot 2030 geen capaciteit is. Waarom stelt de regering invoering van deze wet niet uit totdat er voldoende detentiecapaciteit is gerealiseerd? Is het denkbaar dat de invoering van deze wet direct of indirect de consequentie zal hebben dat andere veroordeelden eerder vrijgelaten moeten worden als gevolg van capaciteitsgebrek zoals we in het verleden al hebben gezien?

Het lid van de Volt-fractie vraagt of een voedselbank bij vermoedens van illegaliteit moet ingrijpen, of dat dit juist leidt tot discriminatierisico’s.

Het lid van de Volt-fractie vraagt of de regering contact gezocht heeft met andere lidstaten om de verschillende wet -en regelgeving te vergelijken. Zo nee, is de regering bereid dat alsnog te doen?

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe huisartsen, ziekenhuizen, GGD’s en maatschappelijke organisaties geïnformeerd worden over de grenzen van hun rol bij 108a Vw 2000.

  1. Overig

De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat er verschillende lidstaten zijn waar illegaal verblijf strafbaar is. Kan de regering een uitgebreid overzicht geven van de landen die illegaliteit strafbaar stellen, de hoogte van de straf op illegaliteit in deze landen en hoe deze landen hierop handhaven? Kan de regering bevestigen dat de hulp aan illegalen in andere lidstaten wel strafbaar is en, zo ja, waarom de regering ervoor kiest om geen enkele vorm van hulpverlening strafbaar te stellen?

De leden van de PVV-fractie vragen wat de huidige personele capaciteit van de AVIM is. Hoeveel fte werkt er op dit moment landelijk bij de AVIM, uitgesplitst per regiokorps en per taakonderdeel (identificatie, recherche, mobiel toezicht vreemdelingen, uitzettingen)? Voornoemde leden vragen of de regering bereid is extra fte vrij te maken exclusief voor de AVIM, te financieren uit de miljarden die nu naar asielopvang gaan, zodat meer werk kan worden gemaakt van het aanpakken van illegaal verblijf?

De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een overzicht van de vormgeving van strafbaarstelling van illegaliteit in andere lidstaten. In hoeverre is bij de totstandkoming van deze novelle ook verkend hoe andere EU-lidstaten strafbaarstelling van illegaliteit vormgeven, en welke lessen zijn hieruit getrokken en meegenomen in dit voorstel ook ten aanzien van hulp aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen?

De leden van de PvdD-fractie vragen of steun aan iemand met een licht inreisverbod wél strafbaar kan zijn. In welke omstandigheden.

De leden van de PvdD-fractie vragen of je als voedselverstrekker juridisch sneller onder strafbaarheid valt wanneer voedsel wordt geregistreerd dan bij straatuitdeling.

De leden van de PvdD-fractie vragen of de regering bereid is de wet binnen één jaar te evalueren en de Kamer hierover te informeren.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat hulpverleners of kerken onder artikel 197 Sr of artikel 108a Vw 2000 vallen bij kerkasiel of pastorale hulp?

Het lid van de Volt-fractie vraagt wat het doel is van de wet. Is dat gedragsverandering bij illegaal verblijvende vreemdelingen en, zo ja, welk gedrag precies? Is er onderzocht of de maatregel onderduiking zal stimuleren waardoor vertrek bemoeilijkt wordt?

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe de regering omgaat met het risico dat politie en KMar legitimiteit verliezenwaar de uitvoeringstoets expliciet voor waarschuwt.

Het lid van de Volt-fractie vraagt of onderzocht is in hoeverre het risico op criminalisering leidt tot uitgestelde zorg, late diagnoses en hogere kosten in acute zorg. Hoe wordt gegarandeerd dat zorgprofessionals niet onder druk komen te staan om patiëntgegevens te delen ten behoeve van strafrechtelijke of vreemdelingrechtelijke doeleinden? Is de regering bereid om in overleg te treden met zorgorganisaties?

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoeveel landen hulpverlening niet strafbaar stellen maar huisvesting of werkverschaffing van vreemdelingen zonder geldige verblijfspapieren vervolgen.

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe de directe strafbaarstelling van verblijf onder artikel 108a Vw 2000 zich verhoudt tot de vereiste voorrang van terugkeerprocedures, zoals die volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie (o.a. Achughbabian).

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe de regering heeft beoordeeld of strafbaarstelling van illegaliteit een effectievere aanpak is dan bijvoorbeeld betere terugkeerovereenkomsten met herkomstlanden.

Het lid van de Volt-fractie vraagt waarom niet is gekozen voor een uitputtende wettelijke koppeling aan het bestaan van een terugkeerbesluit, terwijl dit in de praktijk wel nodig blijkt.

Het lid van de Volt-fractie vraagt hoe wordt bepaald welk gedrag ‘actieve frustratie’ is, gezien de centrale rol daarvan in vervolging op grond van 108a Vw 2000?

De fungerend voorzitter van de commissie,

Vijlbrief

De griffier van de commissie,

Burger