Amendement van het lid Van Eijk over uitbreiding overgangsrecht fgr
Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2026)
Amendement
Nummer: 2025D48004, datum: 2025-11-24, bijgewerkt: 2025-11-24 18:23, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: W.P.J. van Eijk, Tweede Kamerlid (VVD)
Onderdeel van kamerstukdossier 36813 -10 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2026).
Onderdeel van zaak 2025Z20368:
- Indiener: W.P.J. van Eijk, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
- 2025-11-27 12:00: STEMMINGEN (over alle amendementen ingediend bij het Pakket Belastingplan 2026 en over de ingediende moties) (Stemmingen), TK
Preview document (🔗 origineel)
| TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL | 2 | |
| Vergaderjaar 2025-2026 | ||
| 36 813 | Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2026) | |
| Nr. 10 | AMENDEMENT VAN HET LID Van Eijk | |
| Ontvangen 24 november 2025 | ||
| De ondergetekende stelt het volgende amendement voor: | ||
In artikel XVII wordt het voorgestelde artikel IXB als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een lichaam is opgericht of aangegaan op of na 1 januari 2025, met dien verstande dat voor 1 januari 2025 wordt gelezen het moment waarop dat lichaam is opgericht of aangegaan en dat de voorwaarde die is opgenomen in het eerste lid, onderdeel b niet van toepassing is.
Toelichting
Dit amendement beoogt het overgangsrecht voor het fonds voor gemene rekening (fgr) uit te breiden zodat het niet alleen geldt voor fondsen die reeds op 31 december 2024 bestonden, maar ook voor fondsen die op of na 1 januari 2025 worden opgericht. De huidige systematiek veroorzaakt onduidelijkheid en kan leiden tot ongewenste fiscale gevolgen. Het Ministerie van Financiën heeft zelf erkend dat het huidige toetsingskader knelt en dat een meer omvattende herziening in voorbereiding is richting 2028. Tot die tijd is stabiliteit en rechtszekerheid noodzakelijk. Zonder verruiming van het overgangsrecht kunnen nieuwe – met name buitenlandse – fondsen geconfronteerd worden met kortdurende, ongewenste belastingplicht in Nederland, puur door tijdelijke kwalificatieverschillen die in 2028 weer worden teruggedraaid. Dat leidt tot administratieve lasten, commerciële complicaties en onzekerheid voor investeerders. Buitenlandse rechtsvormen kennen bovendien vaak geen inkoopmechanisme, waardoor toepassing daarvan – zoals door het ministerie is gesuggereerd – in de praktijk niet uitvoerbaar is. Door het overgangsrecht te laten gelden voor alle fondsen die tot het moment van de nieuwe regelgeving worden opgericht worden onnodige complexiteit, administratieve lasten en verstoringen voor investeerders voorkomen. Het amendement draagt zo bij aan een werkbaar, stabiel en toekomstbestendig kader voor beleggingsstructuren, in binnen- en buitenland.
Toelichting technisch
Op grond van het in artikel XVII van het wetsvoorstel voorgestelde artikel IXB van de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling (Wet fgr) kan een lichaam ervoor kiezen om met ingang van 1 januari 2025 tijdelijk – dat wil zeggen tot het moment dat deze overgangsmaatregel vervalt – niet als fonds voor gemene rekening (fgr) of als vergelijkbaar met een fgr te worden aangemerkt. De bezittingen en schulden, alsmede de opbrengsten en kosten, van dat lichaam worden dan toegerekend aan de participanten. Op grond van het wetsvoorstel kan deze keuze alleen worden gemaakt door lichamen die voor 1 januari 2025 reeds bestonden en op grond van de toen geldende regelgeving eveneens niet als fgr zelfstandig belastingplichtig was voor de Vpb.
Het amendement strekt ertoe de keuzemogelijkheid ook te bieden aan alle lichamen die zijn opgericht of aangegaan op of na 1 januari 2025. Om dit te bewerkstelligen voert dit amendement allereerst een redactionele wijziging door. De huidige tekst van het voorgestelde artikel IXB Wet fgr, waarin de keuzemogelijkheid wordt geregeld voor lichamen die zijn opgericht of aangegaan vóór 1 januari 2025, wordt opgenomen in artikel IXB, eerste lid, Wet fgr.
Vervolgens wordt aan het voorgestelde artikel IXB Wet fgr een tweede lid toegevoegd. Op grond van artikel IXB, tweede lid, Wet fgr wordt de keuzemogelijkheid ook opengesteld voor lichamen die zijn opgericht of aangegaan op of na 1 januari 2025. De keuzemogelijkheid voor deze lichamen is op hoofdlijnen hetzelfde, al verschillen zij op twee punten van elkaar. Voor zover beide keuzemogelijkheden overeenkomen, wordt voor een toelichting verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Hierna wordt slechts ingegaan op de twee verschillen.
In de eerste plaats wordt bij de keuzemogelijkheid voor lichamen die zijn opgericht of aangegaan op of na 1 januari 2025 in plaats van ‘1 januari 2025’ gelezen ‘het moment waarop dat lichaam is opgericht of aangegaan’. Hierdoor wordt bij toepassing van het voorgestelde artikel IXB, tweede lid, Wet fgr het lichaam op verzoek niet als fgr aangemerkt met ingang vanaf het moment waarop dat lichaam is opgericht of aangegaan. De reden hiervan is dat deze lichamen na 1 januari 2025 zijn of worden opgericht of aangegaan. Daarnaast geldt hierdoor dat bij toepassing van het voorgestelde artikel IXB, tweede lid, Wet fgr de voorwaarde in het voorgestelde artikel IXB, eerste lid, onderdeel a, Wet fgr inhoudt dat het lichaam vanaf het moment van oprichting of aangaan – zonder toepassing van artikel IXB Wet fgr – belastingplichtig zou zijn op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel f, of artikel 3, eerste lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969.
Vanwege de oprichtingsdatum van lichamen die zijn opgericht of aangegaan op of na 1 januari 2025 is de voorwaarde bedoeld in het voorgestelde artikel IXB, eerste lid, onderdeel b, Wet fgr niet relevant voor de keuzemogelijkheid die wordt geboden in het voorgestelde tweede lid. Om die reden is in het voorgestelde tweede lid opgenomen dat deze voorwaarde niet van toepassing is.
De voorwaarde die is opgenomen in het voorgestelde IXB, eerste lid, onderdeel c, Wet fgr houdt kortgezegd in dat de participanten in een lichaam moeten instemmen met de keuze van het lichaam om niet als fgr te worden aangemerkt (de zogenoemde instemmingsvoorwaarde). Deze instemmingsvoorwaarde geldt niet als het fonds reeds heeft voldaan aan de in artikel IXa, onderdeel d, Wet fgr opgenomen voorwaarde dat reeds voor 1 januari 2025 een bepaald voornemen bestond. Aan de voorwaarde in artikel IXa, onderdeel d, Wet fgr kan een lichaam dat op of na 1 januari 2025 is opgericht of aangegaan onmogelijk voldoen. Om die reden is de instemmingsvoorwaarde voor die lichamen altijd van toepassing als zij voor 1 januari 2026 zijn opgericht. Voor lichamen die op of na 1 januari 2026 zijn opgericht of aangegaan is de voorwaarde niet relevant. De instemming op grond van het voorgestelde IXB, eerste lid, onderdeel c, Wet fgr is namelijk alleen nodig van kortgezegd de participanten aan wie de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en kosten van dat lichaam als gevolg van de keuze om niet te worden aangemerkt als fgr gedurende het jaar 2025 worden toegerekend. De instemmingsvoorwaarde zoals neergelegd in het voorgestelde IXB, eerste lid, onderdeel c, Wet fgr heeft bij toepassing van het voorgestelde artikel IXB, tweede lid, Wet fgr om die reden alleen gevolgen voor lichamen die zijn opgericht of aangegaan op of na 1 januari 2025 en voor 1 januari 2026. In feite betekent dit dat bij toepassing van het voorgestelde artikel IXB, tweede lid, Wet fgr ten aanzien van lichamen die zijn opgericht of aangegaan na 31 december 2025 alleen de voorwaarde zoals neergelegd in het voorgestelde artikel IXB, eerste lid, onderdeel a, Wet fgr geldt. Bij die lichamen is immers geen sprake van toerekening aan participanten gedurende het jaar 2025.
Het amendement heeft geen budgettaire gevolgen.
Van Eijk