[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Antwoord op vragen van de leden Boswijk en Krul over het artikel ‘Jongerengeweld zoals in Beverwijk speelt in het hele land: Vechtpartijen zijn van alle tijden maar er is een nieuwe dimensie bij gekomen’

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2025D49054, datum: 2025-11-28, bijgewerkt: 2025-11-28 14:53, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2025Z19068:

Preview document (🔗 origineel)


Hierbij bied ik uw Kamer de antwoorden aan op de schriftelijke vragen van de leden Boswijk en Krul (beiden CDA) over het artikel ‘Jongerengeweld zoals in Beverwijk speelt in het hele land: Vechtpartijen zijn van alle tijden maar er is een nieuwe dimensie bij gekomen’.

De Minister van Justitie en Veiligheid,

Foort van Oosten

Vragen van de leden Boswijk en Krul (beiden CDA) aan de minister van Justitie en Veiligheid over het artikel: ‘Jongerengeweld zoals in Beverwijk speelt in het hele land: ‘Vechtpartijen zijn van alle tijden maar er is een nieuwe dimensie bij gekomen’

(ingezonden 17 oktober 2025, 2025Z19068)

Vraag 1

⁠Bent u bekend met de berichten over rivaliserende jongerengroepen in de IJmond en de zorgen van bewoners over de toegenomen onveiligheid en spanningen?

Antwoord op vraag 1

Ja.

Vraag 2

⁠In hoeverre spelen volgens u sociale media een rol bij het organiseren, aanwakkeren of zichtbaar maken van deze rivaliteit tussen jongeren? Zijn er aanwijzingen dat online conflicten of filmpjes leiden tot escalatie op straat?

Antwoord op vraag 2

Rivaliteit onder jongeren is een decennialang bestaand verschijnsel, waarbij gebeurtenissen leiden tot escalatie. Dat sociale media inmiddels een grote rol spelen bij de wijze waarop jongeren uiting geven aan onderlinge rivaliteit is bekend. Geweldsincidenten onder rivaliserende jongeren kennen vaak ook een online aanleiding, zo is door onderzoekers bevestigd.1 Online uitingen kunnen hierbij functioneren als een katalysator. Het fenomeen kenmerkt zich door een hybride en fluïde karakter, waarin online en offline interacties en geweldsvormen met elkaar verweven zijn en ook de samenstelling van groepen regelmatig verandert.

Vraag 3

Hoe wordt binnen de politie en gemeenten omgegaan met het signaleren van spanningen op sociale media en worden jongeren of ouders hier actief over geïnformeerd of gewaarschuwd?

Vraag 4

Hoe verloopt de samenwerking tussen politie, gemeente, jongerenwerk en het Openbaar Ministerie in de aanpak van deze problematiek?

Antwoord op vragen 3 en 4

Verschillende partijen spelen een rol bij het signaleren van spanningen in de hybride leefwereld van jongeren. Zo kunnen primair ouders zorgelijk gedrag signaleren. Er zijn diverse organisaties die ouders hierbij handelingsperspectief bieden en ook scholen proberen hierin een rol te vervullen richting ouders. Binnen de basisteams van de politie zijn digitale wijkagenten actief die spanningen kunnen signaleren. De digitale wijkagent heeft in de praktijk diverse taken; naast de basispolitiezorg, surveilleert hij online en monitort hij open bronnen. Een digitale wijkagent staat in verbinding met de wijkagenten op het basisteam, soms ook met jongerenwerkers en (jeugd-)boa’s en weet wat er speelt op lokaal niveau in de digitale wereld (zoals op sociale media).

Voor de aanpak van problematische jeugdgroepen wordt onder regie van de burgemeester samengewerkt met de politie, jongerenwerk en het Openbaar Ministerie. Afhankelijk van de lokale problematiek sluiten ook andere partners aan, zoals (jeugd-)reclassering en partners vanuit het sociaal domein. Voor deze aanpak is een model opgesteld ten behoeve van lokale samenwerkingsverbanden, het zogeheten 7-stappen-model voor jeugdgroepen. Aan de hand van zeven te doorlopen stappen wordt beschreven welke rol alle betrokken partijen hebben en welke informatie ze daarbij van elkaar nodig hebben om optimaal te kunnen samenwerken.2 Waar nodig kan vanuit deze groepsaanpak worden opgeschaald naar een persoonsgerichte aanpak, bijvoorbeeld in het Zorg- en Veiligheidshuis. Door de combinatie van preventie, zorg en repressie kan zo een effectieve aanpak worden neergezet.

Deze samenwerking kan lokaal nader vormgegeven worden en kan per gemeente verschillen. Partners werken samen aan het in beeld brengen van de jeugdgroep,3 het bepalen of en hoe de leden van de groep aangepakt of benaderd worden en het daadwerkelijk aanpakken van de geprioriteerde jeugdgroepen. Bijvoorbeeld het bieden van passende hulp en begeleiding of een strafrechtelijke aanpak.

Professionals in de wijk kennen de jongeren en hun omgeving het beste en zij schatten ook het beste in wie welke zorg en ondersteuning nodig hebben. Elke gemeente is verantwoordelijk voor de eigen preventieve aanpak van (jeugd)criminaliteit en maakt eigen afwegingen over de inzet van professionals. Zo kan jongerenwerk (sommige gemeenten zetten straatcoaches of jeugdboa’s in), door het laagdrempelige contact met jongeren, een belangrijke rol spelen bij het vroegtijdig signaleren van spanningen, waardoor mogelijke escalatie kan worden voorkomen.

Binnen het jeugdstrafrecht wordt een persoonsgerichte aanpak toegepast, gericht op het verminderen van het risico op recidive door criminogene factoren te beperken en beschermende factoren te versterken door de inzet van passende interventies. Strafrechtelijk optreden alleen is vaak ontoereikend om jeugdcriminaliteit terug te dringen en dient te worden ingebed in een keten van preventie tot en met nazorg.

Vraag 5

⁠Ziet u aanleiding om een proefaanpak te ontwikkelen voor kleinere gemeenten die te maken hebben met grootstedelijke problematiek, zoals rivaliserende jongerengroepen, sociale media-incidenten of jeugdcriminaliteit, om hen beter te ondersteunen met kennis, capaciteit en preventieprogramma’s?

Antwoord op vraag 5

Ik onderschrijf het belang van een effectieve lokale aanpak. Ik zie geen aanleiding voor een proefaanpak. Gemeenten kunnen al gebruik maken van het 7-stappen-model. Op de site van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid is hierover meer informatie beschikbaar.

Naast deze modelaanpak zijn een aantal gemeenten, met middelen vanuit mijn ministerie, bezig met de doorontwikkeling van een specifieke aanpak voor deze problematiek. Daar wordt ervaring opgedaan met een regionale aanpak tussen gemeenten en met een aanpak van geweld tussen groepen. Op basis van een analyse wie er verantwoordelijk is voor het geweld wordt geacteerd richting bepaalde jongeren. Met deze aanpak wordt momenteel ervaring opgedaan en de geleerde lessen kunnen gedeeld worden gedeeld met de andere gemeenten.

Vanuit het lerend programma Preventie met Gezag zetten we gericht in op 27 gemeenten met structurele middelen, in die wijken waar de problematiek daarom het meeste vraagt. Zoals het nieuwsbericht aangeeft, zijn er ook (kleinere) gemeenten die te maken hebben met (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit van relatief grote omvang. Daarom is in 2024 besloten om voor 20 (kleinere) gemeenten naast de meerjarige aanpak voor 27 gemeenten, een tijdelijke impuls te bieden. Deze ondersteuning dient als vliegwiel, waarbij de gemeenten binnen drie jaar meer focus kunnen aanbrengen en impact kunnen maken met hun lokale aanpak voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Ik zet mij in om de geleerde lessen vanuit Preventie met Gezag breder te delen, bijvoorbeeld via de digitale vindplaats van het lerend netwerk Preventie met Gezag (met thema’s als online en grenzen stellend jongerenwerk en Veiligheid in en om de School).

Ik begrijp dat betrokken gemeenten de ambitie hebben om hun weerbaarheid te verhogen en juich dat ook toe. Het is de realiteit dat niet alle gemeenten in Nederland financieel kunnen worden ondersteund. Des te belangrijker is het bouwen van een netwerk en het verspreiden van kennis en ervaring over de aanpak van jeugdcriminaliteit. Gemeenten kunnen deze lessen overnemen, en toepassen in de eigen context.

Vraag 6

Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de voortgang van de aanpak van deze jongerengroepen, en de lessen die daaruit getrokken kunnen worden voor andere gemeenten waar vergelijkbare problemen spelen?

Antwoord op vraag 6

Het is uitdrukkelijk het voornemen om andere gemeenten met vergelijkbare problemen te informeren over de werkwijze en resultaten die hierin bereikt zijn. Ik ben graag bereid uw Kamer hierover te informeren.

Vraag 7

Bent u bereid om maatregelen te nemen om online jongerengeweld effectiever te bestrijden en voorkomen en zo ja, op welke manier gaat u dit doen?

Antwoord op vraag 7

Ik zet mij via verschillende wegen al in voor het voorkomen en bestrijden van online jongerengeweld. De Kamer is eerder geïnformeerd over de inzet op het versterken van het online jongerenwerk.4 Jongerenwerkers kunnen door hun aanwezigheid op straat en in jongerencentra een offlinebeeld koppelen aan de online inzichten die zij op sociale media verzamelen. Dit maakt dat zij een bijzondere positie kunnen innemen binnen het lokale jeugdveld. Door kennisdeling vanuit het online jongerenwerk kunnen professionals en ouders beter zicht op de online leefwereld van jongeren verkrijgen. Tevens biedt de online aanwezigheid van jongerenwerkers voor jongeren een plek waar zij online terecht kunnen met hun onveiligheidsgevoelens en andere zorgen. Uit deze werkzaamheden van het online jongerenwerk kan een signalerende, normerende en preventieve rol volgen.

Daarnaast is het lespakket Mijn Cyberrijbewijs kosteloos beschikbaar voor scholen. Dit lespakket, dat zich richt op kinderen van groep 7 en 8 van het primair onderwijs, beoogt de digitale weerbaarheid van leerlingen te verhogen. Zo leren zij hoe ze onveilige situaties kunnen voorkomen en wat ze kunnen doen als ze toch in een vervelende situatie terecht komen.

Naast de al lopende maatregelen heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer in het voorjaar geïnformeerd over het onderzoek dat ik door het Verwey-Jonker instituut laat doen naar de aanpak van online geweld, als onderdeel van de aanpak van geweld in het publieke- en semipublieke domein.5 In dit onderzoek hebben de onderzoekers ook aandacht voor de invloed van online uitingen op het ontstaan en de escalatie van daadwerkelijk geweld. Uw Kamer wordt dit najaar nog geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek en de beleidsvoornemens die ik hieraan verbind.

Vraag 8

⁠⁠Deelt u de mening dat het plaatsen van beelden van slachtoffers op sociale media strafbaar moet worden?

Antwoord op vraag 8

De Kamerleden Kuik (CDA) en Mutluer (GL-PvdA) hebben op 22 juni 2023 een initiatiefwetsvoorstel ingediend tot strafbaarstelling van het openbaar maken van beeldmateriaal van slachtoffers.6 Het lid Boswijk heeft in januari 2024 de verdediging van het voorstel overgenomen van Kuik. Met het initiatiefvoorstel wordt een strafbaarstelling voorgesteld voor het opzettelijk openbaar maken van afbeeldingen van personen die dringend hulp nodig hebben of die ten gevolge van die situatie zijn overleden. Het wetsvoorstel heeft als doel de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers te beschermen. Over dit voorstel heeft de Afdeling advisering van Raad van State op 4 oktober 2023 advies uitgebracht.7 In het verslag van de Tweede Kamer en in het advies van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing worden diverse vragen gesteld over de voorgestelde strafbaarstelling.8 Het is nu aan de initiatiefnemers om deze vragen te beantwoorden. Het kabinet zal, zoals gebruikelijk, een inhoudelijk standpunt over dit voorstel innemen bij de plenaire behandeling ervan.


  1. Mehlbaum, S. et al., (2025). Geklapt, Gefilmd en Gedeeld. Politie & Wetenschap.↩︎

  2. Voor de gezamenlijke aanpak van problematische jeugdgroepen door politie, jongerenwerk en OM, onder regie van de burgemeester zijn handreikingen en een modelconvenant beschikbaar gesteld. Zie de website wegwijzerjeugdenveiligheid.nl: ‘Jeugdgroepaanpak 7-stappenmodel’.↩︎

  3. Welke jongeren maken hier onderdeel van uit? Welke jongeren vormen de harde kern; welke jongeren zijn meer meelopers en hangen om de groep heen?↩︎

  4. Kamerstukken II, 2024/25, 28741 nr. 129.↩︎

  5. Kamerstukken II, 2024/25, 28684, nr. 780.↩︎

  6. Kamerstukken II 2022/23, 36381, nr. 2.↩︎

  7. Kamerstukken II 2024/25, 36381, nr. 5.↩︎

  8. Kamerstukken II 2024/25, 36381, nr. 7; Kamerstukken II 2024/25, 36381, nr. 8.↩︎