Uitvoering van de motie van de leden Van der Velde en Wilders over onderzoeken of er 1,6 miljoen aan Opera Zuid kan worden toegekend uit het Fonds Podiumkunsten (Kamerstuk 32820-551)
Brief regering
Nummer: 2025D49085, datum: 2025-11-28, bijgewerkt: 2025-11-28 15:38, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Onderdeel van zaak 2025Z20832:
- Indiener: G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG |
|---|
| Datum | 28 november 2025 |
|---|---|
| Betreft | Uitvoering motie van de leden Van der Velde en Wilders over onderzoek beschikbare middelen Fonds Podiumkunsten toekennen aan Opera Zuid |
Erfgoed en Kunsten Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl Contactpersoon |
Onze referentie 54912163 |
| Bijlagen |
Met deze brief geef ik uitvoering aan de motie-Van der Velde/Wilders, waarin de regering wordt opgeroepen te onderzoeken of er ca. € 1,6 miljoen aan Opera Zuid kan worden toegekend uit de beschikbare middelen bij het Fonds Podiumkunsten.1 Ik ben bekend met het verzoek van Opera Zuid om een hoger subsidiebedrag te ontvangen. Ook zie ik dat de activiteiten van Opera Zuid zeer gewaardeerd worden.
De instelling heeft voor het jaar 2025, naast de toegekende subsidie vanuit de basisinfrastructuur, reeds aanvullende incidentele financiering ontvangen van onder meer lokale overheden en private partijen. Er resteren nog drie jaar in de lopende subsidieperiode. Om de motie uit te voeren heb ik daarom onderzocht of een totaalbedrag van € 4,8 miljoen (€ 1,6 miljoen per jaar voor drie jaar) bij het Fonds Podiumkunsten beschikbaar is.
Allereerst wijs ik er op dat de besluitvorming over subsidies aan instellingen in de culturele basisinfrastructuur en de rijkcultuurfondsen tot stand is gekomen na een zorgvuldig proces, op basis van onafhankelijke adviezen van de Raad voor Cultuur. Zowel de functies en subsidieplafonds als de uiteindelijke besluiten zijn voorafgaand aan de subsidieperiode 2025-2028 uitvoerig met uw Kamer besproken. De beschikbare middelen zijn verdeeld en de subsidies zijn toegekend aan de instellingen in de basisinfrastructuur en de zes Rijkscultuurfondsen, die daar op hun beurt een breed palet aan organisaties en initiatieven mee ondersteunen. Tijdens een lopende periode ingrijpen gaat in tegen het proces waarin op zorgvuldige wijze en in onderlinge samenhang beslissingen worden genomen.
Voorts geldt dat het Fonds Podiumkunsten een zelfstandig bestuursorgaan is dat voor de periode 2025-2028 meerjarige subsidie ontvangt van OCW. Hiermee voert het fonds subsidieregelingen uit die vernieuwing en doorstroom in de
podiumkunsten stimuleren. Verlaging van de reeds toegekende subsidie aan het fonds ten gunste van Opera Zuid zou ten koste gaan van deze opdracht en daarmee van andere culturele organisaties en makers. Dit vind ik geen wenselijke uitkomst. Daarbij zijn de mogelijkheden hiervoor beperkt en kennen zij juridische consequenties. Verder kent het fonds bestemmingsreserves die het fonds aanhoudt door het fondsbestuur geoormerkt voor specifieke doeleinden, zoals toekomstige regelingen of het afdekken van voorziene risico’s. Deze middelen zijn nodig voor het doel waarvoor zij zijn bestemd en er is hier geen sprake van vrijval.
Ik concludeer dat het gevraagde bedrag van € 4,8 miljoen voor Opera Zuid niet gevonden kan worden in beschikbare middelen bij het FPK. Voor de huidige subsidieperiode heeft de instelling in kwestie een begroting ingediend die passend is bij het toegekende subsidiebedrag. Deze begroting is goedgekeurd door mijn ambtsvoorganger. Ik ga er dan ook van uit dat de instelling deze subsidieperiode haar activiteiten uitvoert op basis van deze begroting.
In het debat met uw Kamer werd verwezen naar een motie uit 2011.2 In deze motie werd de regering opgeroepen € 1 miljoen per jaar te bestemmen voor een operafunctie in de regio zuid. De motie riep op deze middelen te reserveren uit het budget van het Fonds Podiumkunsten. Het verschil met de onderhavige situatie is dat de toenmalige subsidieperiode nog niet van start was gegaan en de subsidies dus nog niet waren beschikt. Hierin verschilt deze motie met de nu ingediende motie, want de subsidies zijn nu reeds toegekend en daarmee zijn juridische verplichtingen aangegaan voor de lopende subsidieperiode.
Het tweede deel van het dictum verzoekt de regering om bij de eerstvolgende herverdeling van de bis-middelen het subsidiebedrag voor de operafunctie in regio Zuid aan te passen, zodat dit in verhouding staat tot de omvang van de functie. Ik zal dit verzoek betrekken bij het verdere ontwerp van de subsidieperiode vanaf 2029.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gouke Moes