Memorie van toelichting
Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland)
Memorie van toelichting
Nummer: 2026D00660, datum: 2026-01-12, bijgewerkt: 2026-01-12 15:20, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Onderdeel van zaak 2026Z00274:
- Indiener: G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-01-22 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
Memorie van toelichting
Inhoudsopgave
I. Algemeen 51
1. Inleiding 51
1.1 Aanleiding 51
1.2 Doelstelling 52
2. Voorgeschiedenis WEB BES en SKJ-wet 53
2.1 Voorgeschiedenis WEB BES 53
2.2 Voorgeschiedenis SKJ-wet 54
2.3 Ontwikkelingen na 2010 55
3. Hoofdlijnen van het voorstel 55
3.1 Erkenning beroepsopleidingen 56
3.2 Bekostiging beroepsopleidingen 57
3.3 Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) 59
3.4 Het beroepsonderwijs 60
3.5 Volwasseneneducatie 62
3.6 Medezeggenschap 63
3.7 Informatiesystemen 64
3.8 Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv) 65
3.9 Onderliggende voorzieningen 68
4. Verhouding tot ander recht 68
4.1 Grondwet 68
4.2 Toelage sociale kanstraject 69
4.3 Toepassing van de WEB in Caribisch Nederland 70
5. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid 70
5.1 Reactie Dienst Uitvoering Onderwijs 71
5.2 Reactie Inspectie van het Onderwijs 73
6. Overige reacties 74
6.1 Reacties Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs en bedrijfsleven en Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland 75
6.2 Reactie College voor Toetsen en Examens 76
6.3 Reacties openbare lichamen 76
7. Gevolgen en administratieve lasten 77
7.1 Openbare lichamen 78
7.2 Contactscholen in kader voorkomen voortijdig schoolverlaten 78
7.3 Scholengemeenschap Bonaire 78
7.4 Gwendoline van Puttenschool en Saba Comprehensive School 79
7.5 Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland 79
7.6 SKJ-uitvoeringsorganisaties 79
8. Financiële gevolgen 79
9. Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens 80
10. Internetconsultatie en advies toetsing regeldruk 83
10.1 Internetconsultatie 83
10.2 Adviescollege toetsing regeldruk 85
10.3. Gevolgen voor de regeldruk 85
11. Gevolgen voor gendergelijkheid 88
12. Toezicht en rechtsbescherming 88
II. Artikelsgewijs 89
I. Algemeen
Deze memorie van toelichting wordt gegeven in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Als bijlage bevat deze memorie van toelichting een transponeringstabel waarin de verhouding duidelijk wordt tussen de artikelen van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB), zoals die komt te luiden met dit wetsvoorstel, en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (hierna: WEB BES), die met dit wetsvoorstel komt te vervallen. In de transponeringstabel is (cursief) ook rekening gehouden met enkele toekomstige wijzigingen door andere (momenteel aanhangige) wetsvoorstellen en de vernummeringen van artikelen die daarvan mogelijk het gevolg zijn.
1. Inleiding
1.1 Aanleiding
Sinds 2010 zijn het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie voor Caribisch Nederland (de zogenoemde BES-eilanden ofwel de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) geregeld in de WEB BES. In de huidige praktijk wordt beroepsonderwijs op grond van de WEB BES alleen nog in het openbaar lichaam Bonaire aangeboden.1
Daarnaast is het beleid rondom voortijdige schoolverlaters (hierna:
vsv) in Caribisch Nederland tot nog toe gebaseerd op de Wet sociale
kanstrajecten jongeren BES (hierna: SKJ-wet). Deze wet beoogt jongeren
in de leeftijd van 18 tot en met 24 jaar die geen startkwalificatie2 en geen werk hebben, terug naar het
onderwijs te leiden dan wel naar de arbeidsmarkt. De SKJ-wet wordt op
alle drie de BES-eilanden uitgevoerd.
De WEB BES en de SKJ-wet zijn op tal van punten verouderd geraakt. Dit
leidt tot onduidelijkheden en knelpunten in de uitvoering en tot
situaties waarin de praktijk niet meer in lijn te brengen is met wet- en
regelgeving. Bovendien zijn bepaalde voorzieningen die in Europees
Nederland bestaan, niet of niet goed geregeld voor Caribisch Nederland.
Aanpassing van deze wetgeving is daarom noodzakelijk, zowel om het
probleem van verouderde wetgeving aan te pakken als om een gelijkwaardig
voorzieningenniveau te waarborgen.
Dat de wetgeving is achtergebleven bij de ontwikkelingen op de eilanden, en op de ontwikkelingen in Europees Nederland, is mede veroorzaakt door het kabinetsbeleid van “legislatieve terughoudendheid” ten aanzien van Caribisch Nederland. In 2010 is namelijk afgesproken terughoudend te zijn met het invoeren van nieuwe wetgeving vanwege het beperkte absorptievermogen van de eilanden. Dit was het kabinetsbeleid tot 2019.
Echter, in 2019 heeft het kabinet besloten de legislatieve terughoudendheid als uitgangspunt los te laten en in plaats daarvan te gaan werken vanuit het comply or explain-principe.3 Als gevolg van dit nieuwe kabinetsbeleid moet bij nieuwe wet- en regelgeving, en aanpassing van bestaande wet- en regelgeving, steeds worden bezien of en hoe deze wetgeving ook van toepassing kan worden verklaard in Caribisch Nederland dan wel of differentiatie nodig of wenselijk is. Dit principe sluit ook aan bij artikel 132a, vierde lid, van de Grondwet. Hieruit vloeit voort dat bij een wezenlijk verschil tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland er differentiatie en dus verschil in regelgeving tussen beide delen van Nederland mogelijk is. In het verlengde hiervan is in artikel 137 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bepaald dat ook tussen de openbare lichamen verschil in regelgeving kan bestaan, mits bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.
1.2
Doelstelling
Het doel van dit wetsvoorstel is niet om alle Europees Nederlandse regelgeving zonder meer van toepassing te verklaren in Caribisch Nederland. Soms zijn er redenen om dat juist niet te doen of om naar andere oplossingsrichtingen te zoeken. Het doel is het bereiken van een gelijkwaardig effect, met als uitgangspunt een gelijkwaardig voorzieningenniveau binnen de mogelijkheden van de Caribisch Nederlandse context. Het blijft dus ook binnen het huidige kabinetsbeleid van comply or explain altijd belangrijk om de uitvoerbaarheid van nieuwe regelgeving ook nadrukkelijk te toetsen aan de specifieke eilandelijke context.
Gelet op de noodzaak om de verouderde WEB BES en SKJ-wet aan te passen en het uitgangspunt van comply or explain, wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld om géén separate wetgeving voor de eilanden meer te hanteren maar over te gaan naar één wettelijk kader dat zowel voor het Caribische als voor het Europese deel van Nederland van toepassing is. Waar nodig wordt binnen dat wettelijk kader differentiatie aangebracht tussen het Caribische en het Europese deel van Nederland.
In concreto houdt dit wetsvoorstel in dat de WEB BES wordt ingetrokken en de WEB zodanig wordt aangepast dat deze ook van toepassing kan worden verklaard in Caribisch Nederland. Dat betekent dat de bepalingen uit de WEB zoveel mogelijk ook van toepassing worden op het Caribische deel van Nederland. Indien de eilandelijke context specifieke afwijkingen van de WEB noodzakelijk maakt, worden deze afwijkingen aan het eind van ieder hoofdstuk in de wet zelf opgenomen.
De WEB BES geeft ook een kader voor volwassenonderwijs, aangeduid als opleidingen educatie. Echter, anders dan in het Europese deel van Nederland, zijn hiervoor tot nu toe geen middelen beschikbaar gesteld en is er mede daardoor op de eilanden tot nu toe geen structureel beleid ten aanzien van volwasseneneducatie ontplooid. Dit terwijl het aandeel van de bevolking dat zeer laaggeschoold dan wel laaggeletterd is, in verhouding tot Europees Nederland hoog is. CBS-gegevens laten zien dat de hoogst genoten opleiding van 50% van de beroepsbevolking op Bonaire onder het niveau van een startkwalificatie ligt.
Op Sint Eustatius is dat zelfs het geval voor 67% van de beroepsbevolking en op Saba geldt dat voor 40% van de beroepsbevolking. In Europees Nederland ligt dit percentage op 28%.4 Met de invoering van vergelijkbare kaders en de toegang tot de daarbij behorende middelen voor volwasseneneducatie, heeft dit wetsvoorstel tot doel een impuls te geven aan de volwasseneducatie op alle drie de openbare lichamen. En zo het verschil met Europees Nederland te verkleinen.
Voorts wordt met dit wetsvoorstel de SKJ-wet ingetrokken. Deze specifieke BES-wet ziet op de aanpak van vsv en wijkt in een aantal opzichten af van de Europees Nederlandse kaders. Een belangrijk verschil is dat de SKJ-wet pas voorziet in overheidsinterventie nadat een jongere voortijdig de school heeft verlaten en dus al vsv-er is. De vsv-wetgeving in Europees Nederland kent ook een preventief aspect om vsv te voorkomen op het moment dat een jongere nog op school zit. Het is van belang dat er vroegtijdig en pro-actief wordt gehandeld. Zo kan veelvuldig verzuim op school of vaak te laat komen een voorteken zijn van voortijdige schooluitval en voor andere problematiek. In de praktijk is het moeilijk om vsv-ers terug te laten keren naar school. Daarom zijn preventieve activiteiten succesvoller dan activiteiten gericht op studenten die al zijn uitgevallen. De voorkeur gaat uit naar een gezamenlijke preventieve aanpak die zich richt op meerdere leefgebieden van de jongere. Belangrijk is dat ouders, school en andere professionals zoals een leerplichtambtenaar, samenwerken om negatieve invloeden van risicofactoren te verminderen. Ook ontbreken er kaders voor de voor (potentiële) vsv-ers zo belangrijke samenwerking binnen het sociaal domein. Dat betekent niet dat er in de huidige uitvoeringspraktijk helemaal niet samengewerkt wordt met relevante ketenpartners, maar deze samenwerking is niet structureel ingebed. Mede vanwege het bestaan van de SKJ-wet zijn de in het Europese deel van Nederland bestaande kaders ten aanzien van het voorkomen en bestrijden van vsv nog niet ontwikkeld voor Caribisch Nederland. Met dit wetsvoorstel gaan de vsv-kaders uit de WEB en ook uit de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) op hoofdlijnen ook in Caribisch Nederland gelden, zodat de gehele doelgroep van jongeren in of uit het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs tussen de twaalf en vijfentwintig jaar oud die nog niet in het bezit is van een startkwalificatie onder dit vsv-kader komt te vallen. Specifieke afwijkingen van die kaders worden eveneens vastgelegd in de wet. De middelen die eerder beschikbaar waren voor de SKJ-wet, blijven beschikbaar voor vsv-beleid in Caribisch Nederland.
Tot slot bevat dit wetsvoorstel verscheidene wetstechnische verbeteringen van de WEB. Dit conform de doelstelling om stap voor stap te werken aan de kwaliteitsverbetering van bestaande wetgeving en in het bijzonder nu de WEB.5 Door verscheidene bepalingen in de wet te stroomlijnen, opnieuw te formuleren of te verplaatsen, draagt dit wetsvoorstel bij aan het bereiken van genoemde doelstelling. En daarmee een beter toegankelijke en leesbare WEB. Op verzoek van de toekomstige gebruikers van de wet in de openbare lichamen is gekozen voor een specifieke titel met afwijkende of aanvullende regels voor de openbare lichamen aan het eind van ieder hoofdstuk. Dit in plaats van een hoofdstuk voor Caribisch Nederland aan het eind van de wet. Zo is er per hoofdstuk duidelijk wat de regels zijn.
Resumerend worden met dit wetsvoorstel de volgende doelen beoogd:
Het wegnemen van verouderde wetgeving die tot knelpunten en uitvoeringsproblemen leidt;
Het zoveel mogelijk gelijktrekken van de regels en het voorzieningenniveau voor het beroepsonderwijs en de volwasseneducatie in Caribisch Nederland met dat in Europees Nederland zodat gelijkwaardig onderwijs en gelijkwaardige voorzieningen ontstaan;
Het bieden van nieuwe, beter bij de huidige praktijk passende kaders en regels voor het voorkómen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland;
Het vaststellen van één wettelijk kader waardoor uitvoering en naleving op betreffende beleidsterreinen eenduidiger wordt; en
Het doorvoeren van diverse wetstechnische verbeteringen, los van het bovenstaande, in vooral de WEB.
2. Voorgeschiedenis WEB BES en SKJ-wet
2.1 Voorgeschiedenis WEB BES
In 2010 werd het land Nederlandse Antillen opgeheven en werden de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen, vergelijkbaar met bijzondere gemeenten, onderdeel van het land Nederland. Qua wet- en regelgeving werd ten algemene besloten dat de Nederlands-Antilliaanse regelgeving in beginsel van kracht zou blijven en dat deze regelgeving geleidelijk door Nederlandse regelgeving zou worden vervangen. Voor het onderwijs werd echter een andere koers gekozen. Op basis van onderzoek door de Inspectie van het Onderwijs (hierna: Inspectie) waarin grote zorg over de onderwijskwaliteit op de eilanden werd geuit, werd geconstateerd dat andere wetgeving meteen vanaf het begin (in de praktijk vanaf 1 januari 2011) noodzakelijk was om het onderwijs naar Nederlandse kwaliteitsnormen te kunnen ontwikkelen. Het was echter niet wenselijk en niet haalbaar om de Nederlandse onderwijswetgeving direct integraal van toepassing te verklaren. Daarom werden aparte onderwijswetten gemaakt voor de BES, voornamelijk gemodelleerd naar de Europees Nederlandse sectorale onderwijswetten waarbij in beperkte mate elementen uit de Nederlands Antilliaanse landsverordeningen zijn overgenomen.
Veel Nederlandse normen en uitgangspunten waren op dat moment nog niet of niet volledig toepasbaar op de eilanden. Daarom zijn diverse wetsartikelen toen niet of nog niet in werking getreden. De gedachte was dat deze wetsartikelen na verloop van tijd, als de onderwijskwaliteit op de eilanden was toegenomen, wel van toepassing verklaard zouden kunnen worden, zodat de wettelijke kaders uiteindelijk steeds meer gelijk aan elkaar zouden worden.
2.2 Voorgeschiedenis SKJ-wet
Voor één landsverordening werd een uitzondering gemaakt op het hiervoor beschreven uitgangspunt voor onderwijswetgeving: de Nederlands Antilliaanse landsverordening Sociale Vormingsplicht (SVP) werd behouden. Tot deze vormingsplicht werd door het land Nederlandse Antillen in 2006 besloten in verband met de met armoede samenhangende, structurele jeugdproblematiek op de zes eilanden. Deze problematiek uitte zich in hoge schooluitval, veelvoorkomende patronen van geweld en jeugddelinquentie, een hoog risicogedrag met betrekking tot het gebruik van verslavende middelen en regelmatig voorkomend seksueel probleemgedrag.6
Op grond van deze verordening werden jongeren in de leeftijd van 16-24 jaar die buiten het reguliere opleidings- en socialisatieproces waren geraakt, verplicht tot vormingstrajecten die een toekomstperspectief (opleiding of werk) beoogden. Deze verordening werd in 2010 bij de staatkundige hervorming omgezet in de SKJ-wet. Het verplichtende karakter kwam te vervallen. Tevens werd de leeftijd van de doelgroep gewijzigd naar 18-24 jaar, aangezien er met de Leerplichtwet BES ook een kwalificatieplicht tot 18 jaar werd ingevoerd. Dit betekent dat jongeren tot hun achttiende jaar verplicht zijn onderwijs te volgen zo lang zij nog geen startkwalificatie hebben behaald. Omdat jongeren op grond van de SKJ-wet alleen nog op vrijwillige basis konden deelnemen aan een kanstraject, werden de trajecten aantrekkelijk gemaakt door het behoud van de onder de vormingsplicht reeds bestaande toelage. Deelnemers aan een kanstraject komen in aanmerking voor een wettelijk vastgestelde maandelijkse toelage. Bij de invoering van de SKJ-wet werd aangegeven dat naar verwachting het reguliere onderwijs op de BES-eilanden een zodanige verbeterslag zou ondergaan dat de sociale kanstrajecten, en dus ook de SKJ-wet, op termijn overbodig zouden worden.
De wetgeving ten aanzien van het voorkomen en bestrijden van voortijdige schooluitval zoals die in het Europese deel van Nederland is vastgelegd in de WEB, de WVO 2020 en de WEC,7 werd niet overgenomen in de BES-wetgeving omdat de SKJ-wet al in een aanpak van vsv voorzag.
2.3 Ontwikkelingen na 2010
Door het beleid van “legislatieve terughoudendheid” werden diverse wetswijzigingen in de WEB niet overgenomen in de WEB BES. Het gevolg is dat deze twee onderwijswetten uit elkaar groeiden in plaats van naar elkaar toe. Ook werden de wettelijke kaders van de WEB BES veelal niet verder uitgewerkt in nadere regelgeving waardoor procedures niet altijd duidelijk zijn vastgelegd. Tot slot werden subsidie- en experimentregelingen op grond van de WEB niet altijd toegankelijk gemaakt voor onderwijsinstellingen en andere organisaties in Caribisch Nederland. Ondanks dat het niet onmogelijk is om dergelijke subsidie- en experimentenregelingen ook onder de WEB BES te brengen, liet de praktijk zien dat het bestaan van de twee verschillende stelsels binnen één land nog wel eens over het hoofd gezien. Hierdoor werden de in Europees Nederland geldende voorzieningen niet altijd beschikbaar in Caribisch Nederland.
In 2021 stapten de scholen voor voortgezet onderwijs op de overwegend Engelstalige bovenwindse eilanden Sint Eustatius en Saba volledig over op de onderwijsinrichting en examens van de Caribbean Examinations Council (CXC). Het gaat om de Gwendoline van Puttenschool op Sint Eustatius en de Saba Comprehensive School op Saba. Het onderwijs en de examinering van beide scholen is thans ingebed in Nederlandse regelgeving en leidt tot een Nederlands diploma op grond van de Wet voortgezet onderwijs 2020.8 Sindsdien verzorgt alleen de Scholengemeenschap Bonaire (hierna: SGB) nog beroepsonderwijs op grond van de WEB BES.
De kwaliteit van het beroepsonderwijs op Bonaire is aanzienlijk toegenomen. In 2018 werd door de Inspectie geconstateerd dat het beroepsonderwijs oftewel mbo aan de SGB voor het eerst voldeed aan de eisen voor basiskwaliteit. In 2022 stelde de Inspectie dat de school niet alleen de basiskwaliteit heeft weten te behouden maar dat er over de gehele linie sprake is van groei van het aantal leerlingen en studenten, een doordachte verdere ontwikkeling van het onderwijs en een verdere verbetering van de kwaliteit9. In hoeverre de kwaliteit van het onderwijs gelijk is aan dat in Europees Nederland is nog moeilijk vast te stellen. Context en regelgeving zijn daarvoor te verschillend. Bovendien zijn er ook bij instellingen binnen Europees Nederland verschillen in kwaliteit en zijn er nog geen normen vastgesteld om de onderwijsresultaten in Caribisch Nederland te beoordelen. Duidelijk is wel dat het mbo-onderwijs op Bonaire grote stappen heeft gezet en daarmee een basis heeft gelegd waarmee de Europees Nederlandse kwaliteitsnormen binnen bereik lijken te komen.
Ten aanzien van de SKJ-wet geldt dat na inwerkingtreding van deze wet een aantal zaken voor de uitvoeringspraktijk niet in nadere regelgeving is vastgelegd. Zo is er geen regelgeving voor de berekening van de bekostiging en is de bekostiging niet gekoppeld aan het aantal kandidaten, maar bij invoering van de SKJ-wet vastgesteld zonder een duidelijke relatie met de praktijk. In de uitvoeringspraktijk is zichtbaar dat, conform de verwachtingen, het aantal SKJ-kandidaten aanzienlijk lijkt te zijn afgenomen.
3. Hoofdlijnen van het voorstel
In plaats van te investeren in verbeteringen van de WEB BES en de SKJ-wet kiest de regering om voormelde redenen voor één wettelijk kader voor heel Nederland als het gaat om beroepsonderwijs, volwasseneducatie en de bestrijding van voortijdig schoolverlaten. Dit betekent niet dat de wet op alle onderdelen voor beide delen van Nederland helemaal hetzelfde zal zijn. Op sommige onderdelen is differentiatie noodzakelijk, omdat de context van het Europese deel verschilt met die van het Caribische deel. Hieronder worden de belangrijkste veranderingen voor het beroepsonderwijs op Bonaire en voor volwasseneneducatie en de aanpak van voortijdig schoolverlaten voor alle drie de eilanden als gevolg van dit wetsvoorstel beschreven. Daarnaast worden ook de belangrijkste afwijkende of aanvullende regels toegelicht die in het wetsvoorstel zijn opgenomen om de nieuwe wetgeving ook in de Caribisch Nederlandse context uitvoerbaar te houden.
3.1 Erkenning beroepsopleidingen
De WEB BES schrijft voor dat mbo-instellingen alleen opleidingen mogen aanbieden die zijn opgenomen in de Regeling vaststelling kwalificaties en opleidingsdomeinen BES.10 Daarnaast moet een (bekostigde of niet-bekostigde) mbo-instelling op Bonaire voor elke opleiding uit de regeling die zij wil aanbieden, eerst een diploma-erkenning aanvragen.11 De Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) adviseert de minister over de arbeidsmarktrelevantie en doelmatigheid van de aangevraagde beroepsopleidingen.12 Pas daarna kan de minister van OCW een apart besluit nemen over het voor bekostiging in aanmerking brengen van die opleiding.13 In de praktijk wordt deze regeling niet proactief bijgehouden; een mbo-instelling in een openbaar lichaam kiest kwalificaties uit het Europees Nederlandse register en de regeling wordt af en toe bijgewerkt naar aanleiding van aan de instelling verstrekte diploma-erkenningen. De regeling heeft daarmee geen toegevoegde waarde. In de praktijk opereert een instelling voor beroepsonderwijs in een openbaar lichaam bij het bepalen welke opleidingen zij wil aanbieden al zoals een mbo-instelling onder de WEB in Europees Nederland. Met het verschil dat ook de bekostigde instelling voor elke nieuwe opleiding die zij wil aanbieden nog diploma-erkenning bij de minister aanvraagt, omdat de WEB BES dit nu eenmaal voorschrijft.
Voorgesteld wordt de procedures voor diploma-erkenning en bekostiging in Caribisch Nederland in beginsel gelijk te trekken aan de procedures die in Europees Nederland gelden. Op grond van de WEB hebben bekostigde mbo-instellingen een zorgplicht voor arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid van hun opleidingsaanbod. Deze eigen verantwoordelijkheid geldt straks ook voor de bekostigde instelling op Bonaire. Hierdoor hoeft zij – anders dan nu het geval is – niet voor elke opleiding apart een diploma-erkenning aan te vragen.14
Wel gelden in aanvulling daarop voor het bekostigd beroepsonderwijs in Caribisch Nederland de volgende verbijzondering. De zorgplichten doelmatigheid en arbeidsmarktperspectief worden in Europees Nederland primair getoetst door de instellingen zelf in onderling overleg. Zij behoren in eerste instantie zelf te bewaken dat er geen nieuwe opleiding wordt gestart in strijd met die zorgplichten. Omdat er – anders dan in Europees Nederland – slechts één bekostigde instelling voor beroepsonderwijs in Caribisch Nederland is, namelijk de SGB, is er vanwege de geografische afstand met de andere instellingen in Europees Nederland geen sprake van afstemming van het opleidingsaanbod tussen bekostigde instellingen onderling. Kortom, voor de SGB is overleg met de instellingen in Europees Nederland wat dit betreft niet van belang. Vanwege het relatief geringe aantal studenten op de SGB is het desondanks uitermate belangrijk dat het opleidingsaanbod zorgvuldig wordt afgestemd met de eveneens relatief beperkte regionale arbeidsmarkt. Vanwege deze kwetsbaarheden ten aanzien van het functioneren van een goed opleidingsaanbod in Caribisch Nederland en het ontbreken van zelfregulering zoals in Europees Nederland, wordt voorgesteld wettelijk te gaan vastleggen dat een bekostigde instelling in Caribisch Nederland haar voornemen tot het starten van een nieuwe opleiding eerst bespreekt met de ROA CN. In dit overleg dient ook arbeidsmarktperspectief en beschikbaarheid van leerbedrijven ten behoeve van de beroepspraktijkvorming, te worden besproken. Eventuele verschillen van inzicht over de doelmatigheid en arbeidsmarktperspectief van de betreffende opleiding kunnen worden voorgelegd aan de minister van OCW. In dat geval zal de minister vervolgens, conform de reeds bestaande procedures op grond van de WEB, de Commissie macrodoelmatigheid mbo om een onafhankelijk advies kunnen vragen.15
3.2 Bekostiging beroepsopleidingen
Op grond van de WEB BES kunnen instellingen een aanvraag indienen om een reeds erkende beroepsopleiding voor bekostiging in aanmerking te laten komen. Op grond van de huidige WEB BES is er dus een tweetrapsprocedure.16 Door over te gaan naar één wettelijk kader komt de tweetrapsprocedure te vervallen. Daarnaast komt de strikte grenswerking van de sectorwet te vervallen, waardoor de WEB zowel voor het Europese als voor het Caribische deel van Nederland geldt. Door de territoriale grenswerking die er tot nu toe bestaat voor de WEB versus de WEB BES, is het voor Europees Nederlandse bekostigde instellingen niet toegestaan onderwijs te verzorgen in Caribisch Nederland. De WEB is immers alleen van toepassing op het Europese deel van Nederland en de WEB BES is alleen van toepassing op het Caribische deel van Nederland. De reikwijdte van deze wetten is daardoor ook territoriaal begrensd. In theorie zouden er meerdere bekostigde mbo-instellingen op Bonaire kunnen bestaan. Versnippering van het bekostigd beroepsonderwijs op Bonaire is echter onwenselijk. Het geringe studentenvolume (746 mbo-studenten voor het studiejaar 2024-2025) op een eiland met circa 25.000 inwoners maakt het al een forse uitdaging voor de instelling zelf om een zo breed mogelijk aanbod aan beroepsopleidingen in stand te houden en tegelijkertijd die instelling in staat te stellen een structurele kwaliteitsborging te realiseren.17 Om in Caribisch Nederland de kwaliteit van het beroepsonderwijs in stand te houden, de versnippering van het beroepsonderwijs te voorkomen en een doelmatig aanbod aan beroepsopleidingen te waarborgen, wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat voor het aanbieden van bekostigde beroepsopleidingen in een openbaar lichaam door andere bekostigde instellingen dan de SGB als thans enige bekostigde instelling aldaar, vooraf instemming van de minister moet worden verkregen. Dit is dus een tweede verbijzondering voor het bekostigde beroepsonderwijs in Caribisch Nederland. Deze systematiek is vergelijkbaar met die voor onderwijsinstellingen in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), waar op grond van artikel 7.1.7, tweede lid, WHW toestemming is vereist voor het openen van een nieuwe vestiging van een hogeschool of universiteit in zowel een andere gemeente als in een ander openbaar lichaam.
Binnen Europees Nederland kunnen bekostigde mbo-instellingen zelf bepalen waar zij eventueel nieuwe vestigingen openen; de minister kan zo nodig (vaak achteraf) ingrijpen als de macrodoelmatigheid of het arbeidsmarktperspectief in het geding is. Instemming vooraf om zelfstandig een beroepsopleiding in een openbaar lichaam te kunnen verzorgen, is echter nodig. Het voorkomt namelijk dat studenten die reeds aan een beroepsopleiding zijn begonnen, in de problemen komen, indien de minister naderhand het recht op bekostiging voor die opleiding ontneemt. Deze studenten kunnen immers niet gemakkelijk overgeschreven worden naar een vergelijkbare, laat staan dezelfde opleiding op hetzelfde eiland. Het voorkomt op deze manier ook ondoelmatige besteding van bekostigingsmiddelen. Dit alles betekent overigens niet dat Europees Nederlandse instellingen niet betrokken kunnen zijn bij het verzorgen van beroepsonderwijs in Caribisch Nederland, bijvoorbeeld in de vorm van een samenwerkingscollege als bedoeld in hoofdstuk 8, titel 6, van de WEB. Echter, gelet op de relatief kwetsbare positie van het beroepsonderwijs in Bonaire zal de betrokkenheid bij voorkeur in samenwerking met, of onder verantwoordelijkheid van de reeds bestaande instelling plaatsvinden.
In de WEB worden instellingen bij wet voor bekostiging in aanmerking gebracht.18 Met de overgang naar de WEB wordt het mbo-deel van de SGB aangemerkt als bekostigde instelling. Op grond van de WVO 2020 wordt de SGB voor de bekostiging nu echter als scholengemeenschap aangemerkt.19 Daarmee is haar status onduidelijk. Dit terwijl zij ook beroepsonderwijs aanbiedt. Deze onduidelijkheid is onnodig omdat het wettelijk kader voor dit soort situaties het begrip verticale scholengemeenschap kent.
Op dit moment is de SGB materieel al vergelijkbaar met een verticale scholengemeenschap omdat zij als scholengemeenschap voortgezet onderwijs én beroepsonderwijs verzorgt en voor de gehele school één college van bestuur en één raad van toezicht heeft. Omdat de SGB reeds voor 1 januari 2020 ook havo en vwo aanbood, wordt zij bij wijze van uitzondering en overeenkomstig artikel 2.6.1, derde lid, WEB in haar geheel als verticale scholengemeenschap aangemerkt. Voor een verticale scholengemeenschap is reeds expliciet vastgelegd welke wetgeving er van toepassing is: voor de school die het voortgezet onderwijs verzorgt, geldt dat zij onder de WVO 2020 valt, terwijl de instelling die het beroepsonderwijs verzorgt onder de WEB valt. Voor medezeggenschap en onderwijshuisvesting echter volgt de gehele verticale scholengemeenschap, dus ook het voortgezet onderwijs, de WEB. Voor de SGB betekent dit dat zij, anders dan thans onder de WEB BES en WVO 2020, zelf verantwoordelijk kan gaan worden voor haar onderwijshuisvesting. Dit is echter pas het geval nadat het overgangsrecht op grond van artikel 11.1b WEB BES zal komen te vervallen. De inzet is erop gericht met het openbaar lichaam Bonaire, dat op grond van voornoemd overgangsrecht nog samen met de minister van OCW verantwoordelijkheid draagt voor de onderwijshuisvesting van de SGB, hierover afspraken te maken.
Daarom voorziet dit wetsvoorstel in artikel 13.2.6 (nieuw) WEB in een grondslag om de tijdelijke huisvestingsvoorziening, thans geregeld in voornoemd artikel 11.1b WEB BES, te behouden zolang dat wenselijk is. In het verlengde hiervan wordt tevens voorgesteld in het overgangsrecht voor de tijdelijke huisvestingsvoorziening in de sectoren primair en voortgezet onderwijs te verduidelijken dat dit overgangsrecht niet alleen per sector maar daarbinnen ook per openbaar lichaam kan worden beëindigd. Voor het mbo is dit niet nodig, omdat er alleen in Bonaire een bekostigde mbo-instelling is.
De omvang van de bekostiging wordt niet gewijzigd met dit wetsvoorstel. Nu is de bekostiging voor het beroepsonderwijs op Bonaire nog gebaseerd op de WVO 2020. Dit past niet bij een verticale scholengemeenschap, waarbij het uitgangspunt is dat de WVO 2020 van toepassing is op het voortgezet onderwijs en de WEB op het beroepsonderwijs. Daarom wordt de grondslag voor de bekostiging voor het mbo-deel van de SGB verplaatst van de WVO 2020 naar de WEB.20 Er is hiermee uitsluitend sprake van een technische wijziging.
Uitgangspunt is dat de berekeningswijze zelf niet wijzigt. De bekostigingssystematiek voor het mbo-deel aan de SGB blijft inhoudelijk vergelijkbaar met de vereenvoudigde bekostiging voor het voortgezet onderwijs op Bonaire. Deze systematiek en de daaruit voortvloeiende berekeningswijze zijn in 2021 herijkt.21 Hierin wordt rekening gehouden met de specifieke context op de eilanden zoals de kleinschaligheid van het onderwijs en het loon- en prijsniveau. Er is geen reden hierin inhoudelijke verandering aan te brengen. Daarmee blijft, ook onder de WEB na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, de bekostiging van de mbo-instelling op Bonaire anders dan voor de mbo-instellingen in Europees Nederland.
3.3 Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)
Volgens de WEB BES heeft ROA CN een wettelijke taak om te adviseren over arbeidsmarktrelevantie en doelmatigheid van beroepsopleidingen en om zorg te dragen voor het erkennen van leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming van opleidingen. In de WEB zijn de instellingen zelf verantwoordelijk voor het naleven van de twee eerstgenoemde zorgplichten, waarbij ze elkaar via de verplichte start- en stopmelding informeren over hun plannen.22 De minister van OCW kan, al dan niet na een advies van de Commissie macrodoelmatigheid, naleving afdwingen. De erkenningstaak is belegd bij de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB). SBB en ROA CN werken tot nu toe elk op basis van een eigen erkenningsreglement en houden elk een eigen register van erkende leerbedrijven bij. De erkenningsreglementen en daarmee de procedures van en voorwaarden voor erkenning van een leerbedrijf zijn vrijwel identiek.
Gelet op de lokale en regionale expertise en de aanwezigheid van ROA CN op alle drie de openbare lichamen, behoudt ROA CN ook onder de WEB in grote lijnen zijn wettelijk toebedeelde taken. Dat betekent dat er in de WEB straks twee organisaties zijn aangewezen om leerbedrijven te erkennen: SBB en ROA CN. Zij werken aan integratie van hun erkenningsreglementen met daarbij mogelijk nog aanvullende eisen voor erkenning van leerbedrijven in Caribisch Nederland. Zij zullen dat in de nieuwe situatie op basis van een gezamenlijk reglement doen. Ook komt er één gezamenlijke registratie waarin alle erkenningen van leerbedrijven onder de WEB zullen worden opgenomen. Het uitgangspunt is dat de ROA CN in ieder geval zorgdraagt voor de erkenning van leerbedrijven in Caribisch Nederland, ook wanneer het leerbedrijven betreft waar studenten uit Europees Nederland hun beroepspraktijkvorming willen doen. De SBB draagt zorg voor erkenning van leerbedrijven in Europees Nederland en leerbedrijven buiten Nederland ten behoeve van de zogenoemde buitenlandstages. In onderling overleg kan bij de werkverdeling tussen ROA CN en SBB van deze uitgangspunten worden afgeweken. Een erkenning door ROA CN en een erkenning door de SBB zijn volledig gelijkwaardig voor alle opleidingen onder de WEB.
ROA CN heeft, anders dan SBB, geen taak ten aanzien van het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur.23 Vanuit dat perspectief wordt een bestuurlijke vertegenwoordiging vanuit onderwijs en bedrijfsleven voor ROA CN, zoals in de WEB BES was vastgelegd,24 niet langer strikt noodzakelijk geacht. Wel wordt, gelet op de wettelijke taken en financiële afhankelijkheid van ROA CN, voorgesteld de voorzitter van het bestuur en diens plaatsvervanger in het vervolg door de minister te laten benoemen. Dit ook in verband met diens ministeriële verantwoordelijkheid jegens het parlement. Het wordt ROA CN niet toegestaan om andere activiteiten uit te voeren dan de wettelijk voorgeschreven taken. Aangezien hij dit in de praktijk tot nu toe ook niet doet, levert dit geen problemen op. Dat betekent overigens dat ROA CN een zelfstandig bestuursorgaan blijft. In beginsel is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet van toepassing in Caribisch Nederland. Met dit wetsvoorstel (artikel 1.6.5, vierde lid, WEB) worden de belangrijkste bepalingen uit die wet echter ook van toepassing verklaard op ROA CN. Ook wordt in dit wetsvoorstel ministeriële goedkeuring van statuten en een eventueel bestuursreglement van ROA CN voorgeschreven.
3.4 Het beroepsonderwijs
De herziene kwalificatiestructuur die in 2016 in Europees Nederland werd ingevoerd, is niet verwerkt in de WEB BES en dus nog niet van toepassing in Caribisch Nederland. Wel volgt de SGB, mede op advies van het ministerie van OCW, zoveel mogelijk de meest actuele kwalificaties die opgebouwd zijn volgens de herziene kwalificatiestructuur. Dat betekent dat elke opleiding (kwalificatie) bestaat uit:
een basisdeel met de generieke onderdelen Nederlandse taal, rekenen, loopbaanoriëntatie en burgerschap en voor mbo-niveau 4 ook de Engelse taal, en daarnaast gemeenschappelijke elementen die gelden voor alle kwalificaties in het betreffende kwalificatiedossier zoals kerntaken, werkprocessen, vakkennis, vaardigheden en houdingsaspecten;
een profieldeel met de meer specifieke elementen voor betreffende kwalificatie; en
één of meerdere keuzedelen.
Dat de herziene kwalificatiestructuur niet formeel van toepassing is maar in de praktijk wel wordt gevolgd, heeft tot onduidelijkheden in de uitvoering geleid. Dat komt doordat in de WEB met de herziene kwalificatiestructuur een koppeling is gemaakt met de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, die in Caribisch Nederland thans niet van toepassing is op het beroepsonderwijs. Tevens is ook het Examen- en kwalificatiebesluit WEB (Ekb WEB) met nadere regelgeving ten aanzien van de herziene kwalificatiestructuur en de examinering niet van toepassing in Caribisch Nederland. Hierdoor is wettelijk niet geregeld in hoeverre de generieke onderdelen taal en rekenen meetellen voor het diploma, welke referentieniveaus er gehanteerd (moeten) worden, in hoeverre keuzedelen verplicht zijn, of verouderde kwalificaties (met oude opleidingscodes) nog mogen worden aangeboden als er inmiddels voor de betreffende opleiding een nieuwe opleidingscode (voorheen crebonummer) in de Registratie instellingen en opleidingen (RIO) is vastgesteld, en of er certificaten mogen worden verstrekt voor onderdelen van de kwalificaties of voor keuzedelen.
Ook op andere punten ten aanzien van het onderwijs wijkt de WEB BES af van de WEB doordat de pendant van wijzigingen in de WEB en onderliggende regelgeving sinds 2010 voor de WEB BES lang niet allemaal in werking zijn getreden. Zo kent de WEB BES geen derde leerweg, geen wettelijk vastgestelde nominale studieduur van opleidingen, geen centrale examinering en kent zij andere urennormen dan de WEB bepaalt voor beroepsopleidingen.
Met dit wetsvoorstel wordt de herziene kwalificatiestructuur, inclusief de generieke kwalificatie-onderdelen, ook formeel ingevoerd op Bonaire. Een belangrijke uitzondering daarop is nodig voor de examinering van Nederlandse taalvereisten.
Zoals gezegd maakt de herziene kwalificatiestructuur uit 2016 een koppeling met de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.25 De generieke kwalificatie-eisen voor rekenen en voor Nederlandse taal maken daarmee deel uit van ieder kwalificatiedossier. Dit geldt ook voor een kwalificatiedossier dat de basis vormt voor een beroepsopleiding in Caribisch Nederland. Ook de andere generieke onderdelen loopbaan en burgerschap en Engels (alleen voor mbo-4) maken deel uit van een kwalificatiedossier en vormen daarmee een verplicht onderdeel van een beroepsopleiding. Beide laatstgenoemde generieke kwalificatie-onderdelen zijn in lagere regelgeving verplicht gesteld voor een beroepsopleiding.26 Iedere student komt dus met ten minste drie generieke kwalificatie-onderdelen in aanraking. De student die een middenkader- of specialistenopleiding doet, heeft alle generieke onderdelen in zijn of haar onderwijsprogramma.
De Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen is vastgesteld op 29 april 2010 en was destijds bedoeld voor leerlingen en studenten die in het Europese deel van Nederland wonen, leren en studeren. Daarbij is nog geen rekening gehouden met de staatkundige wijziging van 10 oktober 2010. De in die wet vastgestelde taalniveaus voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs, houden geen rekening met de context in Bonaire die wezenlijk anders is en differentiatie in wet- en regelgeving vereist. Bonaire kent wettelijk twee bestuurstalen: het Papiaments en het Nederlands. In de praktijk is het eiland meertalig aangezien er ook Spaans en Engels wordt gesproken. Het Nederlands is voor de meeste leerlingen en studenten in Bonaire niet de moedertaal. Ook is Nederlands niet de dominante voertaal op het eiland. Leerlingen en studenten op Bonaire komen daardoor veel minder in aanraking met de Nederlandse taal dan leerlingen en studenten in Europees Nederland. Bij veel werkgevers, en dus ook bij erkende leerbedrijven, wordt nauwelijks of geen Nederlands gesproken. De Nederlandse taal is voor de meeste inwoners een vreemde taal en niet de dagelijkse spreektaal. Ook al is het Nederlands op grond van de wet in beginsel de instructietaal in het mbo; in de praktijk moeten docenten de Nederlandstalige uitleg en instructies regelmatig verduidelijken in één of meerdere andere talen. De praktijk is weerbarstig en meertalig.
De SGB heeft in de afgelopen periode bij wijze van proef de Nederlandse taalvaardigheid van haar mbo-examenstudenten getoetst volgens de op grond van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen aangewezen beheersingsniveaus en de op grond van de WEB geldende exameneisen. De resultaten telden niet mee voor het behalen van een diploma; op grond van de nu nog geldende WEB BES worden geen specifieke referentieniveaus voorgeschreven, omdat die wet geen koppeling maakt met de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. De resultaten van de proef laten zien dat, wanneer de Europees Nederlandse eisen ook voor de studenten in Bonaire zouden gelden, slechts 20% van de studenten een diploma zou hebben behaald. Dit terwijl de school naar eigen zeggen al relatief veel aandacht aan de Nederlandse taal schenkt. Mogelijk kunnen de resultaten nog verbeterd worden. De school verkent momenteel ook de mogelijkheden van een andere taalbenadering die beter past in een meertalige context. De benadering van Nederlands als Vreemde Taal wordt vaak genoemd, maar er is nog weinig informatie over wat dit in den brede zou betekenen voor didactische vereisten, lesmateriaal en examens, en of hiermee de resultaten ook daadwerkelijk verbeterd zouden kunnen worden.
Op dit moment bestaat er onvoldoende onderzoek over de wijze waarop in het onderwijs op Bonaire met de Nederlandse taal omgegaan zou kunnen worden, en welke taalniveaus en resultaten uiteindelijk haalbaar zouden zijn. Het voornemen bestaat daarom de lagere regelgeving zo vorm te geven dat de huidige praktijk in Bonaire vooralsnog kan worden gecontinueerd. Dat betekent dat de in Europees Nederland geldende referentieniveaus voor de Nederlandse taal op Bonaire als richtlijn gehanteerd blijven worden. Het vak Nederlands wordt ook geëxamineerd, maar de resultaten tellen niet mee in de slaag-zakbepaling. De mbo-instelling en de student hebben een inspanningsverplichting om een zo hoog mogelijk taalvaardigheidsniveau te behalen. Dat is ook van belang in verband met eventuele verhuizing naar Europees Nederland in verband met een vervolgopleiding of werk. Alleen in opleidingen waarvoor een wettelijk beroepsvereiste ten aanzien van Nederlandse taalvaardigheid geldt, dient wel aan dit wettelijk vereiste taalniveau te worden voldaan om een diploma te kunnen verkrijgen. Dit is slechts anders als in het kwalificatiedossier en de specifieke wetgeving waaruit een dergelijk beroepsvereiste voortvloeit, zelf voorziet in een gedifferentieerde benadering voor Caribisch Nederland, zoals voor de kinderopvang is geregeld.27 De inspanningen en resultaten worden de komende jaren goed gemonitord, door de SGB zelf maar ook door de Inspectie. Voor de generieke kwalificatie-eisen rekenen of burgerschap lijkt gedifferentieerde regelgeving voor de examinering overigens niet nodig te zijn.
De vraag om meer differentiatie ten aanzien van de referentieniveaus Nederlandse taal in het mbo, bestaat overigens ook in Europees Nederland. Naar aanleiding van de evaluatie van de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen28 is er een expertgroep samengesteld die in 2025 met een advies zal komen voor een mogelijke herijking van de referentieniveaus. Deze expertgroep zal zich ook buigen over de specifieke context op Bonaire en voorstellen doen voor een bij deze context passende differentiatie.
Gelet op de hierboven beschreven situatie ligt het meest voor de hand om in het Ekb WEB een aanpassing te doen, zodat de (afwijkende) regelgeving voor Bonaire helder wordt vastgelegd. Het voordeel hiervan is ook dat dan duidelijk wordt aan welke exameneisen een diploma van het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland moet voldoen.
De vraag kan worden gesteld wat het niet mee laten tellen van de examenresultaten van het vak Nederlands betekent voor de civiele waarde van een diploma dat is behaald op Bonaire en voor de doorstroommogelijkheden naar vervolgonderwijs. In principe verandert hier niets aan met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. In de huidige wetgeving hebben mbo-diploma’s behaald op Bonaire dezelfde civiele waarde als mbo-diploma’s in Europees Nederland en geven deze diploma’s ook doorstroomrecht.29 Dat doorstroomrecht bestaat ook op basis van mbo-diploma’s behaald in één van de andere landen van ons Koninkrijk waar ook geen Nederlandse taalvereisten zijn gekoppeld aan het verkrijgen van een diploma. Interessant is in dit opzicht het beleid op Aruba waar in het mbo een onderscheid wordt gemaakt tussen een arbeidsmarktroute en een doorstroomroute. Studenten die voor de doorstroomroute kiezen krijgen het vak Nederlands op een hoger niveau aangeboden dan studenten in de arbeidsmarktroute. Analoog aan dit model zouden mbo-niveau 4 studenten op Bonaire die door willen stromen naar het hoger onderwijs in Europees Nederland wellicht een extra keuzevak Nederlands kunnen doen om het in Europees Nederland vereiste taalvaardigheidsniveau te behalen. Dit zijn opties die de komende tijd verder verkend zullen worden. Bij dit alles moet worden bedacht dat de meerderheid van de afgestudeerden niet doorstroomt naar een vervolgopleiding of de arbeidsmarkt in Europees Nederland.
Bij de evaluatie van deze wet over circa vijf jaar zullen het advies van de expertgroep en de informatie verkregen uit de monitoring worden betrokken om tot nadere besluitvorming te kunnen komen. Voor nu is het belangrijkste dat het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland de kans krijgt de integratie in de WEB met bijbehorende normen op een goede manier te verwerken, daarbij aandacht te blijven houden voor meertaligheid van de studenten zoals nu ook al het geval is, en dat de wetgever zorgt voor duidelijke normen die met voldoende inspanning haalbaar zijn voor de instelling en de meerderheid van de studenten.
3.5 Volwasseneneducatie
Op grond van de WEB draagt het college van burgemeesters en wethouders zorg voor een aanbod van opleidingen educatie.30 Dit zijn opleidingen gericht op de zelfredzaamheid van volwassenen, zoals alfabetisering, rekenvaardigheden en digitale vaardigheden.31 Deze verplichting gaat in dit wetsvoorstel ook gelden voor de bestuurscolleges van de drie openbare lichamen. Anders dan in Europees Nederland, zullen zij hiervoor middelen uit het BES-fonds ontvangen, de zogenoemde vrije uitkering, die zij naar eigen inzicht mogen besteden. Dit betekent dat zij geen bijzondere uitkering ontvangen op grond van artikel 91 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De regering zal zich inspannen om de vrije uitkering vanwege deze extra wettelijke taak te verhogen. In afwijking van de WEB wordt voorgesteld dat de bepalingen ten aanzien van een regionaal programma, regionale samenwerking en een coördinerende rol voor een aangewezen contactgemeente binnen de regio, niet gaan gelden voor Caribisch Nederland. Ook vanwege de geografische afstand tussen de drie eilanden is een regiofunctie op dit moment niet opportuun. Elk openbaar lichaam stelt dus een eigen programma ten behoeve van volwasseneneducatie op en financiert de uitvoering van dat programma uit de hem ter beschikking staande vrije uitkering.
De bestuurscolleges mogen daarbij in hun aanbod aan opleidingen educatie voor hun volwassen inwoners ook het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) opnemen.32 Dit is dus anders dan in Europees Nederland, waar vavo wordt verzorgd aan roc’s. De reden voor deze andere benadering is dat op Sint Eustatius en Saba geen regionaal opleidingencentrum (roc) in de zin van de WEB is gevestigd. Volgens artikel 2.1.2 van de WEB komt alleen een roc in aanmerking voor de bekostiging van een opleiding vavo. In Bonaire kan met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel straks ook de bekostigde mbo-instelling hiervoor op aanvraag in aanmerking worden gebracht.33 Daarnaast kan overigens een opleiding vavo ook onbekostigd worden aangeboden door een onderwijsorganisatie met diploma-erkenning op grond van artikel 1.4a.1 WEB.
Onderzoek toont aan dat volwassenen met beperkte basisvaardigheden aanzienlijk minder deelnemen aan non-formele scholing, terwijl zij daarvan gemiddeld het meest profiteren. Een hoger niveau van basisvaardigheden leidt aantoonbaar tot betere arbeidsmarktkansen. Ter bevordering van duurzame inzetbaarheid van laagopgeleiden en laaggeletterden wordt vanuit het Nationaal Groeifonds in de periode 2025-2027 aanvullend circa € 40 miljoen geïnvesteerd in het project LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden.34
De minister van OCW kan daartoe subsidie verstrekken aan bepaalde samenwerkingsverbanden voor ontwikkeling en verzorging van maatwerkonderwijs, waarbij basisvaardigheden en vakvaardigheden integraal worden aangeboden. Deze activiteiten omvatten:
het ontwikkelen van onderwijs dat aansluit bij de leerbehoefte van de doelgroep en gericht is op duurzame inzetbaarheid op de arbeidsmarkt; en
het verzorgen van dit onderwijs, inclusief begeleiding, voor minimaal 15 deelnemers per project in Caribisch Nederland.
Gezien de geografische omstandigheden, de beperkte bevolkingsomvang en het ontbreken van een bestaande infrastructuur voor volwasseneducatie gelden in Caribisch Nederland afwijkende voorwaarden. Per Caribisch Nederlandse aanvraag is minimaal € 125.000 en maximaal € 500.000 beschikbaar.
3.6 Medezeggenschap
Deze paragraaf is alleen relevant voor Bonaire, omdat alleen daar een bekostigde mbo-instelling actief is. Nu die instelling als verticale scholengemeenschap wordt aangemerkt, wordt de medezeggenschap van zowel de instelling als de school (samen de verticale scholengemeenschap) straks gereguleerd door de WEB.
De kaders voor medezeggenschap volgens de WEB BES wijken sterk af van die in de WEB. In de BES-wetgeving is slechts vastgelegd dat het bevoegd gezag een representatieve vertegenwoordiging van ouders, leerlingen, studenten en personeel tenminste tweemaal per jaar in de gelegenheid stelt de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken.
Gelet op het belang dat wordt gehecht aan medezeggenschap, wordt voorgesteld de wettelijke medezeggenschapskaders van de WEB integraal van toepassing te verklaren voor het bekostigd beroepsonderwijs in een openbaar lichaam. Voor de SGB betekent dit, dat zij als verticale scholengemeenschap, een ouderraad en een studentenraad als bedoeld in hoofdstuk 8a van de WEB, en een ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden (WOR) moet inrichten ten behoeve van het personeel, studenten, leerlingen en ouders van zowel de school als de mbo-instelling. Deze raden hebben op grond van beide wetten allerlei wettelijk vastgelegde advies- en instemmingsbevoegdheden. In de praktijk bestaan deze raden aan de SGB al wel, maar zijn hun bevoegdheden niet formeel vastgelegd. In ieder geval zullen de bevoegdheden van de verschillende medezeggenschapsraden onder de WEB en WOR aanzienlijk uitgebreider zijn dan in de huidige situatie. Ten behoeve van een goed functionerende medezeggenschap dient tevens een medezeggenschapsreglement te worden vastgesteld. Op grond van artikel 8a.3.1, tweede lid, WEB dienen in dat reglement in ieder geval regels te worden gesteld over allerlei procedurele aspecten, zoals beslistermijnen om tot een advies of instemming te komen. In geval van onoplosbare geschillen kunnen deze geschillen over medezeggenschapsrechten, conform de bestaande procedures in de WEB, worden voorgelegd aan de Landelijke geschillencommissie medezeggenschap. Deze is bereid op verzoek een digitale hoorzitting te organiseren alvorens tot een uitspraak te komen, zodat niet naar Utrecht behoeft te worden afgereisd.35 Ook staat eventueel beroep bij de rechter open. Dit is dan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat de WOR ten algemene niet van toepassing wordt in Caribisch Nederland. Dit wetsvoorstel regelt, door middel van een nieuwe bepaling in de WEB, dat de WOR van toepassing wordt, uitsluitend als onderdeel van een medezeggenschapsstructuur, voor het personeel van een mbo-instelling of verticale scholengemeenschap in Caribisch Nederland.36 Dit geldt met dien verstande dat een andere bevoegde rechter is aangewezen in de WEB zoals in de alinea hierboven aangegeven.
3.7 Informatiesystemen
Informatiesystemen als de Registratie instellingen en opleidingen (RIO) en het Register onderwijsdeelnemers (ROD) worden thans nog niet benut in en ten behoeve van Caribisch Nederland. Deels heeft dit met technische belemmeringen te maken, maar deels ontbreekt ook de juridische grondslag voor een volledige uitrol. Als het gaat om het mbo in Bonaire is nu alleen geregeld dat de basisgegevens voor bepaalde doeleinden mogen worden gedeeld.37 Dit wetsvoorstel voorziet in de juridische grondslag om noodzakelijke informatie over het onderwijs en hun leerlingen en studenten in Caribisch Nederland op dezelfde manier en in dezelfde systemen te registeren en uit te kunnen wisselen als dat in Europees Nederland gebeurt.
Door het ontbreken van deze registratiesystemen bestaat er bij het ministerie van OCW momenteel nog geen doorwrochte stelselinformatie van jaar op jaar over indicatoren als studiesucces, diplomaresultaat, verzuim en uitval in Caribisch Nederland. Uiteraard hebben de school, het bestuurscollege, de leerplichtambtenaar en de organisaties die de SKJ-wet uitvoeren, zelf wel de nodige informatie, en houdt de Inspectie toezicht. Maar deze fragmentarische informatie wordt niet systematisch gegenereerd en geregistreerd in het ROD of andere centrale registers. Ook is er thans nog handmatige verwerking van bekostigingsformulieren nodig. En tot slot heeft een student die zijn diploma heeft behaald in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, nu nog geen toegang tot het diplomaregister (‘Mijn diploma’s’) op grond van de Wet register onderwijsdeelnemers (WRO). De diplomagegevens maken voor Caribisch Nederland nog geen onderdeel uit van het ROD.
Dit gemis aan een centraal register belemmert niet alleen de uitvoering van wet- en regelgeving, maar kan mogelijk ook leiden tot misverstanden over welke informatie mag worden gedeeld, voor welk doel, en met wie. Met een centraal register, gebonden aan duidelijke regels over toegankelijkheid en doelbinding, komt er een helderder wettelijk kader voor iedereen die betrokken is bij het onderwijs in Caribisch Nederland. Het streven is daarom alle aan het mbo gerelateerde informatiegegevens van Bonaire, die nodig zijn voor de uitvoering van wettelijke taken, volledig opgenomen te hebben in de RIO en het ROD, zo spoedig mogelijk na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Dit betreft naast de reeds geregelde basisgegevens, gegevens over verzuim, vrijstelling en diplomering. Volgens de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zou dit mogelijk moeten zijn met ingang van studiejaar 2026-2027.
Een geautomatiseerde koppeling van gegevens over verzuim en vsv met informatiesystemen bij het openbaar lichaam en de instelling (leerplicht-, kwalificatieplicht- en Doorstroompunt-functie) met DUO is dus niet direct vanaf inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitvoerbaar te maken. Ook zal het om technische redenen en vanwege het afwijkende CXC-onderwijssysteem met afwijkende vakcodes nog enige tijd duren voor uitgebreide onderwijsdata van Saba en Sint Eustatius in de RIO en het ROD kunnen worden opgenomen. Zoals blijkt uit deze toelichting is dit toch om meerdere redenen wel van belang. Daarom blijft hierop wel ambtelijke inzet gepleegd worden. Zie verder ook de paragrafen 5 en 6 met de consultatiereacties.
3.8 Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)
In 2010 is ervoor gekozen de in de Nederlandse Antillen sinds 2006 bestaande sociale vormingsplicht vooralsnog in stand te houden op de drie BES-eilanden. Met een paar kleine aanpassingen van die vormingsplicht werd de SKJ-wet in het leven geroepen. Op hoofdlijnen schrijft de SKJ-wet voor dat het openbaar lichaam een projectbureau in stand houdt dat verantwoordelijk is voor de registratie van vsv-ers, deze jongeren oproept en doorverwijst naar onderwijs of arbeidsmarkt of, indien doorverwijzing nog geen optie is, een educatieve intake uitvoert op basis waarvan een passend sociaal kanstraject kan worden aangeboden. De kanstrajecten zelf worden door een door het openbaar lichaam bekostigde uitvoeringsorganisatie (de SKJ-organisatie) uitgevoerd. Het projectbureau houdt toezicht op deze uitvoeringsorganisatie terwijl de Inspectie belast is met het toezicht op de kwaliteit van de aangeboden kanstrajecten.
In 2020 is de uitvoering van de SKJ-wet geëvalueerd door extern onderzoeksbureau Oberon.38 Het onderzoeksrapport laat zien dat de praktijksituatie in een aantal opzichten sterk afwijkt van hetgeen in de wet beoogd wordt. De belangrijkste bevindingen zijn:
Op geen van de drie eilanden verloopt de samenwerking tussen de openbare lichamen en de SKJ-organisaties zoals bedoeld in de wet. Geen van de openbare lichamen heeft een functionerend projectbureau ten behoeve van de wettelijke taken ten aanzien van registratie, doorverwijzing of educatieve intake.
Op alle drie eilanden werven de SKJ-organisaties zelf kandidaten in plaats van dat deze door het openbaar lichaam worden aangeleverd nadat is gebleken dat doorverwijzing naar school of werk nog geen optie is.
Er is geen sprake van systematische registratie van vsv-ers noch van de uitstroom van jongeren uit de SKJ. In Saba en Sint Eustatius is de doelgroep zo klein dat er informeel wel een beeld bestaat, maar in Bonaire bestaat er ook geen goed beeld van de potentiële doelgroep van de sociale kanstrajecten.
De wettelijke positionering van de SKJ-organisaties kent een aantal complicerende factoren. Zij voeren een wettelijke onderwijstaak uit, staan deels onder toezicht van de Inspectie maar ontvangen geen rechtstreekse bekostiging van OCW. De SKJ-organisaties werken daarbij, formeel maar niet feitelijk, onder toezicht en verantwoordelijkheid van de openbare lichamen, maar zijn zelfstandige stichtingen. Elk openbaar lichaam ontvangt jaarlijks een bijzondere uitkering als bedoeld in artikel 91 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter tegemoetkoming in de kosten van de activiteiten van het projectbureau en overige SKJ-taken, maar zetten die uitkering van de minister van OCW doorgaans beleidsarm door naar de SKJ-organisaties.
De drie eilanden verschillen onderling sterk in deelnemersaantallen, de mate van schooluitval en de omvang van de potentiële doelgroep. Daarnaast verschillen ook de SKJ-organisaties onderling sterk van elkaar, zowel in de manier van uitvoering als in de schaalgrootte en daarmee de organisatieomvang en professionaliteit.
De bekostigingsgrondslagen dateren van vóór 2010 en zijn niet (meer) gekoppeld aan de omvang van de doelgroep, aantal deelnemers, geleverde inspanningen of realisatie van doelstellingen.
De procedures waarin de SKJ-organisaties jaarlijks subsidie aanvragen bij het openbaar lichaam en het openbaar lichaam een bijzondere uitkering aanvraagt bij de minister van OCW, leiden tot veel administratieve lasten en tot jaarlijkse onzekerheid over de financiering bij de SKJ-organisaties.
De doelgroep voor de kanstrajecten is kleiner geworden. Dat is op zich goed nieuws aangezien dit waarschijnlijk samenhangt met een afname van de voortijdige schooluitval. Maar dit heeft ook als gevolg dat zeker op de relatief kleinere eilanden Saba en Sint Eustatius een aanzienlijk deel van de SKJ-middelen opgaat aan overhead.
In het evaluatierapport wordt een aantal aanbevelingen gedaan voor wijziging van de wettelijke kaders en bekostiging, andere mogelijkheden van uitvoering en een sterkere samenwerking met het onderwijs en andere partijen binnen het sociaal domein. Daarbij is zicht hebben op de doelgroep een belangrijke voorwaarde. Het opvolgen van de aanbevelingen uit de evaluatie zou een forse herziening van de SKJ-wet vergen en ook intensieve aanpassingen van de huidige uitvoeringspraktijk met zich meebrengen. Een nadeel van een dergelijke herziening is dat er dan nog steeds twee verschillende stelsels in stand worden gehouden. Bovendien bevatten de aanbevelingen uit de evaluatie diverse elementen die in de Europees Nederlandse vsv-kaders al aanwezig zijn. Dit lijkt dus een goed moment om helemaal af te stappen van de SKJ-wet en over te stappen op het vsv-beleid zoals dat in Europees Nederlandse wetgeving is vormgegeven. Voor alle drie de eilanden wordt daarom voorgesteld de wettelijke kaders voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig schooluitval zoals vastgelegd in de WEB en de WVO 2020 voor studenten beroepsonderwijs en vavo-studenten onderscheidenlijk leerlingen, op hoofdlijnen van toepassing te verklaren. Deze kaders zijn gericht op samenwerking tussen de relevante ketenpartners binnen het sociaal domein om ervoor te zorgen dat er een sluitende aanpak is bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
Ten opzichte van het Europees Nederlands model wordt wel een vereenvoudiging voorgesteld. In Europees Nederland zijn 40 regio’s vastgesteld waarbinnen wordt samengewerkt in een regionale aanpak voortijdig schoolverlaten. Dit zijn de Doorstroompuntregio’s, zoals die met ingang van 2026 door de Wet van school naar duurzaam werk worden ingevoerd (voorheen RMC-regio’s; RMS stond voor regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten). Elke regio heeft één contactgemeente en één contactschool die namens alle betrokken gemeenten respectievelijk alle betrokken scholen binnen de regio zorgdragen voor de regionale samenwerking en ontwikkeling en uitvoering van een regionaal programma. De contactgemeente heeft tevens een coördinerende rol bij de registratie, doorverwijzing en monitoring van voortijdig schoolverlaters binnen de regio. Het voornemen bestaat om in Caribisch Nederland de vsv-middelen te gaan berekenen aan de hand van de volgende indicatoren die in lagere regelgeving zullen worden vastgesteld:
het aantal onderwijsdeelnemers in de leeftijdsgroep van 12 tot 27 jaar; en
een vaste voet, gerelateerd aan het aantal inwoners per openbaar lichaam.
Gelet op de eilandelijke context wordt voorgesteld om in Caribisch Nederland de vsv-aanpak per openbaar lichaam afzonderlijk te organiseren en niet in een groter regionaal verband. De afstand tussen de eilanden maakt het organiseren van gezamenlijke vsv-voorzieningen nagenoeg onmogelijk en de situatie ten aanzien van voortijdig schoolverlaten is op elk van de eilanden ook dusdanig verschillend dat een gedifferentieerde aanpak nodig is. Dit betekent dat het bestuurscollege van elk openbaar lichaam afzonderlijk de wettelijke taak houdt om voortijdige schoolverlaters te registreren, door te verwijzen en te monitoren. In feite heeft het openbaar lichaam deze taak nu ook al op grond van de SKJ-wet. Om de uitvoering van deze wettelijke taak gemakkelijker te maken, is de registratie bij DUO van de verzuimgegevens in de zin van de Wet register onderwijsdeelnemers ook van belang zoals eerder aangegeven.
Voor de eilanden geldt vervolgens dat er een eilandelijk programma voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten dient te worden opgesteld en niet een regionaal programma zoals in Europees Nederland het geval is. In dit programma wordt door de betrokken partijen op het eiland een analyse gemaakt van (risico’s van) voortijdig schoolverlaten en worden maatregelen opgenomen die worden ingezet teneinde voortijdige schooluitval te voorkomen en te bestrijden. In Europees Nederland is de contactgemeente eindverantwoordelijke voor dit regionaal programma. Voorgesteld wordt in Caribisch Nederland de verantwoordelijkheid hiervoor vooralsnog niet te beleggen bij de openbare lichamen. Gebleken is dat de openbare lichamen nog een flinke slag te maken hebben om hun wettelijke taken ten aanzien van registratie, doorverwijzing en monitoring op orde te brengen. Uitbreiding van verantwoordelijkheden zonder dat eerst de basis op orde is, lijkt niet wenselijk. Daarom is er voor gekozen de verantwoordelijkheid voor het tot stand brengen van een gezamenlijk eilandelijk plan vooralsnog bij de scholen voor voortgezet en beroepsonderwijs te beleggen. De scholen dienen hierbij wel samen te werken met andere relevante partijen binnen het sociaal domein. Zij dienen ten behoeve van de ontwikkeling en uitvoering van het programma een overlegstructuur in te richten waarin ook het openbaar lichaam deelneemt. Het openbaar lichaam is dus niet eindverantwoordelijk voor de totstandkoming van het programma, maar is wel medeverantwoordelijk en heeft op deze manier ook invloed.
Na het intrekken van de SKJ-wet is er geen wettelijke grondslag meer voor de SKJ-organisatie. Deze organisatie zal dan ook niet automatisch deel uitmaken van de overlegstructuur ten behoeve van het programma. Per eiland kan de school in samenspraak met het openbaar lichaam besluiten welke organisaties betrokken worden bij het opstellen van het programma of bij de uitvoering ervan. Dit kunnen ook de voormalige SKJ-organisaties zijn; zij hebben immers de nodige expertise en betrokkenheid op het gebied van het begeleiden van voortijdige schoolverlaters. Maar dit kan per eiland verschillen. Op deze manier bestaat er op de eilanden veel ruimte voor eigen keuzes en maatregelen die inspelen op de specifieke eilandelijke situatie en behoeften. De drie eilanden staan nog aan het begin van het ontwikkelen van een integraal vsv-beleid. Ook in Europees Nederland lag aanvankelijk de regie van het regionaal programma bij de onderwijspartijen omdat daar de eerste grote stappen gezet moesten worden zoals het uitvoeren van een aanwezigheidsbeleid, snelle interventies bij signalen van een risico van vsv, betere begeleiding en ondersteuning van jongeren in de overstap van vo naar mbo en betere begeleiding van jongeren op het mbo die een verkeerde studiekeuze lijken te hebben gemaakt.
Voorgesteld wordt af te stappen van de bijzondere uitkering voor de taken van het openbaar lichaam (bestuurscollege), zodat zowel de leerplichtambtenaar als de taken van het bestuurscollege op het gebied van registratie, monitoring en doorverwijzing naar onderwijs of arbeid kunnen worden betaald uit het BES-fonds.39 Dit fonds is vergelijkbaar met het Gemeentefonds in Europees Nederland.
De contactschool kan, net als de contactscholen in Europees Nederland, een subsidie aanvragen voor de uitvoering van het eilandelijk programma.
Omdat de integrale aanpak nieuw is en er nog flinke stappen gezet moeten worden om tot een dergelijke aanpak te kunnen komen, zal vanuit het ministerie van OCW de nodige ondersteuning geboden worden. Hierbij kan gedacht worden aan het faciliteren van uitwisseling met gemeenten en scholen in Europees Nederland, maar het ministerie van OCW zal ook procesondersteuning bieden en als onafhankelijk lid deelnemen in de overlegstructuur en adviseren bij de ontwikkeling van het programma. Ook wordt gestimuleerd dat de drie eilanden eens per jaar hun programma’s en voortgang daarop met elkaar bespreken. Een soort van intervisie om van elkaar te leren, te inspireren en ook vanuit een breder perspectief naar de problematiek te kunnen kijken. Dit laatste is ook van belang, omdat de openbare lichamen er “alleen voor staan” en anders dan in de rest van Nederland niet in een regionaal verband samenwerken.
3.9 Onderliggende voorzieningen
In Europees Nederland zijn diverse voorzieningen ontwikkeld die hun grondslag vinden in de WEB maar niet in de WEB BES. Als gevolg van die ontbrekende grondslag kunnen studenten, scholen, werkgevers of openbare lichamen ook geen beroep doen op deze voorzieningen. In dit wetsvoorstel is het uitgangspunt dat voorzieningen op grond van de WEB ook toegankelijk worden in Caribisch Nederland. Zo is er bijvoorbeeld het voornemen de Subsidieregeling praktijkleren op grond waarvan werkgevers in Europees Nederland in aanmerking komen voor subsidie als zij een bbl-student opleiden, ook toegankelijk te maken voor werkgevers in Caribisch Nederland. Voorts zullen openbare lichamen op grond van de WEB, net als gemeenten in Europees Nederland, educatiemiddelen ontvangen. Daar waar een bepaalde voorziening om uitvoeringstechnische redenen (nog) niet toegankelijk gemaakt kan worden voor Caribisch Nederland, zal indien er wel behoefte bestaat aan betreffende voorziening, expliciet bezien worden in welke vorm deze dan beschikbaar gemaakt kan worden.
Ook bij experimentenregelingen is het in het verleden voorgekomen dat de instellingen in Caribisch Nederland interesse toonden, maar niet mee konden doen omdat de experimenteer-amvb alleen gebaseerd was op de WEB en niet ook op de WEB BES. Nu de WEB ook van toepassing wordt verklaard in Caribisch Nederland, gelden in principe alle daaruit resulterende voorzieningen ook in Caribisch Nederland, tenzij anders is bepaald.
4. Verhouding tot ander recht
4.1 Grondwet
De Grondwet is van toepassing op heel Nederland en dus ook van belang voor de openbare lichamen Bonaire Sint Eustatius en Saba. Als het gaat om onderwijs is met name artikel 23 Grondwet van belang. Dit wetsvoorstel beperkt de vrijheid van onderwijs niet, behoudens als het gaat om het stellen van een extra deugdelijkheidseis voor het verzorgen van een bekostigde beroepsopleiding in een openbaar lichaam. Een reeds bekostigde instelling voor beroepsonderwijs die op 1 januari 2024 nog geen bekostigde beroepsopleiding verzorgde in een openbaar lichaam, heeft immers na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel toestemming van de minister van OCW nodig om die opleiding in aanmerking te laten komen voor bekostiging. Deze extra eis is nodig om de volgende redenen:
de kwaliteit van het bestaande beroepsonderwijs te beschermen;
te voorkomen dat studenten die aan die opleiding beginnen in een openbaar lichaam, waarvan naderhand het recht op bekostiging en diplomering kan worden ontnomen, worden benadeeld (zie ook paragraaf 3.2); en
in verband met de doelmatige besteding van de overheidsmiddelen.
De maatregel voldoet aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Indien immers aannemelijk kan worden gemaakt dat er wel behoefte is aan die specifieke opleiding, en ook voldaan kan worden aan de zorgplichten aangaande arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid, kan de minister van OCW die opleiding voor bekostiging in aanmerking brengen.
Specifiek voor de openbare lichamen is artikel 132a, vierde lid, Grondwet ook van belang. Daarin is bepaald dat voor de BES-eilanden regels kunnen worden gesteld en andere specifieke maatregelen kunnen worden getroffen met het oog op bijzondere omstandigheden waardoor deze openbare lichamen zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland. Hiervan is sprake. Met dit wetsvoorstel wordt immers niet alleen aangesloten bij het bestaande wettelijk kader zoals geregeld in de WEB en WVO 2020, maar worden soms ook specifieke en daarmee afwijkende of aanvullende regels gesteld voor de openbare lichamen, waarvan hierboven reeds een voorbeeld is gegeven. Dit is nodig om de kwaliteit van het beroepsonderwijs te behouden en de uitvoeringscapaciteit van een openbaar lichaam te ontzien. Vanwege dat laatste wordt de verplichting voor het opstellen van een eilandelijk programma met een maatregelenpakket ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schooluitval bij de contactschool neergelegd in plaats van bij het bestuurscollege. Om dezelfde reden is er geen sprake meer van een bijzondere uitkering voor het vsv-beleid. Dit bespaart het bestuurscollege administratieve lasten.
De bijzondere positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen in de zin van artikel 132a Grondwet is uitgewerkt in de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze wet is vergelijkbaar met de Gemeentewet. Voor Caribisch Nederland zijn er tientallen specifieke wetten van toepassing, los van de wetgeving in Europees Nederland. Het meest van belang in dit verband is de Wet administratieve rechtspraak BES, waarin onder andere het toepasselijk bestuursrecht is geregeld. In paragraaf 12 (Toezicht en rechtsbescherming) wordt hierop nader ingegaan. Ook is er een Burgerlijk Wetboek BES.
4.2 Toelage sociale kanstraject
Het eigendomsrecht wordt beschermd door het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hierna; artikel 1 EP. Dit eigendomsbegrip ziet zowel op fysieke goederen als vermogensrechten. Rechten en belangen die een vermogenswaarde vertegenwoordigen vallen onder het eigendomsbegrip. Ook toekomstige aanspraken kunnen onder het eigendomsbegrip vallen, mits
er sprake is van gewettigde verwachtingen (‘legitimate expectations’). Dit protocol is ook van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Een toelage als bedoeld in de SKJ-wet kan worden beschouwd als eigendomsrecht dat onder de reikwijdte valt van artikel 1 EP. Het recht op en de duur van de toelage is nu immers verankerd in 11, eerste lid, respectievelijk artikel 9, derde lid, van die wet, waarbij die toelage voor de duur van een periode tussen de zes en vierentwintig maanden. Dit betekent dat binnen deze periode en zolang het kanstraject loopt, de toelage is gegarandeerd. Na afloop van deze periode kan de toelage op aanvraag nog eens met zes maanden worden verlengd.
Met de intrekking van die wet zou de toelage niet meer beschikbaar zijn. De afweging die hierbij moet worden gemaakt of er overgangsrecht nodig is om het recht op de toelage te behouden. Hiervoor moet een deelnemer wel een legitimate expectation hebben dat hij of zij deze toelage zou krijgen. Een deelnemer mag niet enkel de hoop hebben op een toelage en er moet een wettelijke bepaling of een rechtshandeling (zoals een rechterlijke uitspraak) zijn.
In dit kader moet onderscheid worden gemaakt tussen de groep die nu reeds een sociaal kanstraject volgt en de groep die dat nog niet doet. Voor de groep die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel al bezig is met een sociaal kanstraject, valt de belangenafweging in hun voordeel uit. Deze groep mag uitgaan van de wetgeving zoals die luidt op het moment dat hij of zij zich als voortijdig schoolverlater zonder inkomsten uit arbeid (zie begripsbepaling voortijdig schoolverlater onderdeel c) inzet tijdens het sociaal kanstraject. Daarbij is er geen gerechtvaardigde verwachting ofwel “legitimate expectation” voor een recht op verlenging van deze toelage na ommekomst van de wettelijke duur van twee jaren. Een dergelijk besluit is immers de uitzondering en sterk afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden van de deelnemer. Voor de deelnemers die al een toelage ontvangen op het tijdstip dat dit wetsvoorstel in werking treedt, blijft er daarmee een recht op behoud van deze toelage. Hiermee worden bestaande redelijke verwachtingen gehonoreerd en voor zorgvuldige besluitvorming gezorgd. De duur van de toelage is in artikel 9, derde lid, SKJ-wet begrensd op twee jaren. Een eventuele verlenging is na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet meer mogelijk.
Dit is ook wenselijk om onnodig lang durende rechtsongelijkheid tussen de groep voortijdig schoolverlaters die wel een toelage krijgt op grond van overgangsrecht en de groep die die toelage niet meer krijgt, te vermijden. Ook de ruime voorbereidingstijd van dit wetsvoorstel speelt hierbij een rol, waarbij vanaf het begin is toegelicht dat het nodig is het voortijdig schoolverlatersbeleid volgens de SKJ-wet te vervangen door een mede op de preventie daarvan gericht beleid. De voortijdig schoolverlater die niet over andere inkomsten beschikt, zal dan terugvallen op een uitkering onderstand.
4.3 Toepassing van de WEB in Caribisch Nederland
De WEB is achtereenvolgens onderverdeeld in hoofdstukken, titels, paragrafen en artikelen. Voor de toepassing van de WEB in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan soms sprake zijn van voorschriften die afwijken van die voor Europees Nederland of juist van aanvullende eigen voorschriften. Dit is dan geregeld in een specifieke titel voor Caribisch Nederland. Zo’n titel met daarin de voor Caribisch Nederland relevante afwijkende of aanvullende eigen voorschriften is aan het eind van ieder hoofdstuk te vinden. Deze wet geldt daarmee voor heel Nederland, maar maakt soms een territoriale uitzondering voor de toepassing van een bepaald voorschrift.
Het gevolg hiervan is dat er drie mogelijkheden zijn voor de geldigheid van voorschriften die in de WEB zijn opgenomen. Een voorschrift uit deze wet kan allereerst van toepassing zijn op zowel Europees als Caribisch Nederland. Ten tweede kan worden bepaald dat een voorschrift niet van toepassing is op Caribisch Nederland en daarmee dus alleen relevant is voor Europees Nederland. Ten derde kan specifiek voor een van de openbare lichamen een voorschrift zijn gesteld, dat alleen voor (een of meer van) de Caribische eilanden van toepassing is. Dit betekent dat voor een juist gebruik van de wet op het grondgebied van Caribisch Nederland steeds moet worden bezien of er aan het eind van het hoofdstuk een ander voorschrift is gesteld waarmee een bepaalde regel, eerder in het hoofdstuk gesteld, in samenhang daarmee moet worden gelezen, dan wel juist mag worden genegeerd. Soms is er dan een vervangend voorschrift gesteld.
5. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
Bij brief van 15 januari 2024 is het wetsvoorstel voorgelegd aan DUO ten behoeve van een uitvoeringstoets. In het kader van het geïntegreerde toezicht is de uitvoeringstoets door DUO ook uitgezet bij de Inspectie van het Onderwijs en de Auditdienst Rijk (ADR). Hieronder wordt ingegaan op de opmerkingen van DUO en de Inspectie (ontvangen bij brief van 20 maart 2024). Deze zijn zoveel mogelijk verwerkt in het wetsvoorstel zelf of hebben geleid tot wijzigingen in de memorie van toelichting. De Auditdienst Rijk heeft geen opmerkingen gemaakt.
5.1 Reactie Dienst Uitvoering Onderwijs
De belangrijkste constatering is dat uit het wetsvoorstel zelf geen nieuwe uitvoeringstaken volgen voor DUO en dat het daarmee uitvoerbaar is voor DUO. Wel heeft het wetsvoorstel gevolgen voor de bestaande uitvoeringstaken bekostigen en registers. DUO wijst erop dat de precieze gevolgen voor die taken pas goed te beoordelen zijn bij toetsing van de onderliggende regelgeving. Aangezien die regelgeving nog moet worden gewijzigd, zal die uitvoeringstoets te zijner tijd plaatsvinden. De bedoeling is dat onderliggende regelgeving op hetzelfde tijdstip inwerking treedt als het wetsvoorstel. Hieronder worden de belangrijkste overige punten uit de uitvoeringstoets besproken.
Om te beginnen merkt DUO terecht op dat bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel geen aparte diploma-erkenning meer nodig is voor het bekostigd beroepsonderwijs in Caribisch Nederland en dat de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen BES komt te vervallen. Dit houdt in dat DUO geen aparte erkenningsbeschikkingen – zoals bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, WEB BES – meer behoeft af te geven aan de SGB in Bonaire om opleidingen te verzorgen. Om dit werkbaar te maken is het uitgangspunt dat de Registratie instellingen en opleidingen (RIO) bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is uitgerold naar de SGB op Bonaire. RIO is het landelijk register waarin onderwijsinstellingen onder andere hun onderwijsaanbod registeren. Met DUO zal in overleg worden getreden om ervoor te zorgen dat de opleidingscodes voor beroepsonderwijs dat wordt verzorgd in Caribisch Nederland duidelijk worden geregistreerd, ook als dat nog niet in RIO kan. Zie ook paragraaf 3.7.
Aangezien de huidige bekostigingssystematiek gelijk blijft voor
Caribisch Nederland, en dus afwijkt van die van Europees Nederland,
dient in het Uitvoeringsbesluit WEB een apart onderdeel te komen voor
Caribisch Nederland. De regering is daarom voornemens om bij de
wijziging van het Uitvoeringsbesluit WEB de bekostigingssystematiek voor
Caribisch Nederland apart en herkenbaar in het besluit te
positioneren.
Verder wijst DUO erop dat dit wetsvoorstel het op aanvraag mogelijk
maakt voor mbo-instellingen uit Europees Nederland een bekostigde
beroepsopleiding in Caribisch Nederland te gaan verzorgen. In dat geval
moet voorkomen worden dat studenten worden bekostigd volgens de
bekostigingssystematiek in Europees Nederland, terwijl zij de facto
onderwijs volgen in Caribisch Nederland. Daarom moet worden voorkomen
dat een student tweemaal meetelt voor de bekostiging of dat de verkeerde
rekenregels voor de bekostiging worden toegepast. Met het wetsvoorstel
wordt artikel 2.2.2, zevende lid, WEB aangepast, nu de WEB het wettelijk
kader gaat vormen voor zowel Europees als Caribisch Nederland door te
bepalen dat een student alleen meetelt voor de bekostiging van een
beroepsopleiding in Europees Nederland als hij of zij woonachtig is in
Europees Nederland of in een aangrenzend buurland en feitelijk diens
opleiding ook in Europees Nederland wordt verzorgd. Met woonachtig zijn
wordt in lijn met het woonplaatsbegrip volgens boek 1 Burgerlijk Wetboek
zowel de plaats bedoeld waar iemand staat ingeschreven maar ook de
feitelijke verblijfplaats als die daarvan afwijkt. De instelling wordt
dan bekostigd voor die student volgens de Europees Nederlandse
rekenregels. Tegelijkertijd komt er een vergelijkbare bepaling (het
voorgestelde artikel 2.8.3 WEB) voor het geval een student een
beroepsopleiding in Caribisch Nederland volgt en daar woonachtig is. Dan
is er alleen recht op bekostiging volgens de rekenregels voor Caribisch
Nederland en niet volgens de rekenregels voor Europees Nederland. Het
wetsvoorstel voorziet ook in een grondslag om afwijkende maatstaven voor
bekostiging te mogen hanteren als het gaat om beroepsonderwijs in
Caribisch Nederland.
Indien een instelling zowel een locatie heeft in Europees Nederland als in Caribisch Nederland betekent dit dat op studentniveau moet worden geregistreerd waar de student zijn opleiding volgt om dubbele bekostiging of bekostiging volgens de verkeerde rekenregels uit te sluiten. Om dit te gaan regelen, is in ieder geval aanpassing van het Besluit register onderwijsdeelnemers nodig.
Het advies van DUO om voor een opleiding vavo in Caribisch Nederland af te wijken van de huidige WEB als het gaat om rekenregels voor de bekostiging van die opleiding door een vast bedrag per instelling te gaan bepalen in het Uitvoeringsbesluit WEB, snijdt hout.40 Tegelijkertijd zal worden bepaald in het wetsvoorstel dat het inkopen van een opleiding vavo (dat wil zeggen een opleiding mavo, havo of vwo met de mogelijkheid om per vak deeleindexamen af te leggen) overeenkomstig het voorgestelde artikel 2.8.6 WEB tot de wettelijke taak van een bestuurscollege gaat behoren, mits daaraan behoefte is op het eiland. Dit is ter beoordeling van het bestuurscollege. De financiering van opleidingen educatie zal in tegenstelling tot Europees Nederland niet geoormerkt zijn met een bijzondere uitkering. Het bestuurscollege dient deze opleidingen uit het BES-fonds te financieren. De eilandsraad is primair verantwoordelijk voor de politieke controle op het beleid van zijn bestuurscollege. Het wetsvoorstel maakt het zo mogelijk om publiek gefinancierde opleidingen educatie ook te kunnen aanbieden in Sint Eustatius en Saba. Op die eilanden is immers, anders dan in Bonaire, geen regionaal opleidingencentrum (roc) actief. De WEB voorziet namelijk alleen in bekostiging voor deze opleidingen aan het bevoegd gezag van een roc.
DUO wijst erop dat de aansluiting van een school of instelling in Caribisch Nederland op het register onderwijsdeelnemers (ROD) als bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers nog in ontwikkeling is. Pas na een succesvol verloop van een testfase kunnen de noodzakelijke gegevens tussen school en register worden uitgewisseld en kan het register op reguliere wijze worden gevuld met informatie over studenten en hun opleidingen. Dat zal volgens DUO op zijn vroegst in het studiejaar 2026-2027 het geval kunnen zijn. Dit tijdpad heeft niet alleen gevolgen voor de toepassing van de rekenregels voor de bekostiging, maar ook voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten en de samenwerking tussen de ketenpartners zoals het bestuurscollege, de instelling en ingehuurde organisaties met expertise op het terrein van vsv.
Met dit wetsvoorstel wordt in juridische zin geregeld dat ook verzuim- en vrijstellingsgegevens als bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers moeten worden gedeeld met het ROD. De regering is zich ervan bewust dat dit een noodzakelijke randvoorwaarde is om te komen tot volwaardige gegevensuitwisseling tussen de minister van OCW (in de praktijk DUO) en de onderwijsinstellingen en de bestuurscolleges in Caribisch Nederland. Voordat het ROD ook daadwerkelijk kan worden uitgerold naar Caribisch Nederland, moet er eerst een proef plaatsvinden waarin de hiervoor genoemde gegevensuitwisseling wordt getest. Momenteel treft DUO hiertoe de noodzakelijke voorbereidingen. Hierbij is ook van belang de invoering van de basisregistratie personen in Caribisch Nederland. Daartoe is recent de Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid BES in werking getreden. Op grond van die wet krijgen de inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (voor zover ze dat nog niet hebben) vanaf 11 november 2025 een burgerservicenummer (BSN).41
Tegelijkertijd moet gericht worden ingezet op de uitvoeringskanten hiervan, opdat er geen verdere vertraging wordt opgelopen. Tot die tijd zal de bekostiging handmatig worden berekend en is er geen goede centrale registratie van verzuim mogelijk. Wel kan op eilandsniveau een registratie blijven plaatsvinden, omdat het bestuurscollege verplicht blijft om zowel de meldingen van de leerplichtambtenaar als de verzuimmeldingen van de school of instelling te registeren. In het kader van zijn contactpuntfunctie zoals geregeld in hoofdstuk 8, titel 3, van de WEB dient het bestuurscollege daarnaast van een jongere die nieuw aankomt op het eiland na te gaan of hij of zij nog leer- of kwalificatieplichtig is of over een startkwalificatie beschikt. Zie verder ook paragraaf 3.7 hierover.
Kortom, DUO merkt op dat het wetsvoorstel zelf nog niet tot grote uitvoeringsgevolgen leidt, maar dat de gevolgen veeleer afhankelijk zijn van de uitwerking in lagere regelgeving, zoals ook uit de voorbeelden blijkt. Zodra de lagere regelgeving wordt voorgelegd voor een uitvoeringstoets zullen dan ook de te plegen inzet en de kosten daarvan in kaart worden gebracht.
5.2 Reactie Inspectie van het Onderwijs
5.2.1 Nalevingsaspecten
Ten aanzien van de nalevingsaspecten vraagt de Inspectie van het onderwijs zich af in hoeverre dit wetsvoorstel iets verandert aan het toestaan van afstandsonderwijs. Dit wetsvoorstel verandert daar in beginsel niets aan.
Daarnaast vraagt de inspectie zich af of een geldende erkenning in Europees Nederland automatisch een erkenning is voor het mogen verzorgen van beroepsonderwijs in Caribisch Nederland. In reactie hierop merkt de regering op dat vanaf het tijdstip van intrekken van de WEB BES geen erkenning voor bekostigde beroepsopleidingen in Caribisch Nederland meer nodig is zoals ook hiervoor bij 5.1 uitgelegd. Een bekostigde instelling behoeft voor het starten van een nieuwe beroepsopleiding op grond van de WEB geen erkenning aan te vragen maar dient wel een melding te doen van haar voornemen, zodat er getoetst kan worden aan de behoefte aan die nieuwe opleiding als het gaat om arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid.
Voor een niet-bekostigde beroepsopleiding blijft een erkenning door de minister van OCW wel vereist. Als het gaat om een voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bestaande erkenning op grond van de WEB, betekent dit dat die erkenning door de uitbreiding van de territoriale werking van de WEB voortaan ook het verzorgen van een niet-bekostigde beroepsopleiding toestaat in Caribisch Nederland.
Teneinde zicht te krijgen op zowel het bekostigd als niet-bekostigd
onderwijsaanbod in Caribisch Nederland voorziet dit wetsvoorstel in een
grondslag om, conform het advies van de Inspectie, instellingen ertoe te
verplichten kenbaar te maken op welke locatie zij beroepsonderwijs of
een opleiding educatie aanbieden. Dit vergemakkelijkt de
toezichthoudende taak van de inspectie. Hiertoe is ook wijziging van
lagere regelgeving noodzakelijk.
Om de kwaliteitsborging van het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland
te waarborgen, de versnippering van het beroepsonderwijs te voorkomen en
doelmatige beroepsopleidingen te waarborgen wordt in dit wetsvoorstel
geregeld dat voor het aanbieden van bekostigde beroepsopleidingen in een
openbaar lichaam door andere bekostigde instellingen dan de SGB, vooraf
instemming van de minister moet worden verkregen. Deze systematiek is
vergelijkbaar met die voor onderwijsinstellingen in de zin van de WHW.
Op grond van artikel 7.1.7, tweede lid, WHW is vooraf toestemming
vereist voor het openen van een nieuwe vestiging van een hogeschool of
universiteit in een andere gemeente of een openbaar lichaam.
5.2.2 Uitvoerbaarheidsaspecten
Ten aanzien van de uitvoerbaarheidsaspecten merkt de Inspectie op dat ROA CN nog niet als zodanig in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) is genoemd.
De WOT zal op dit punt worden aangevuld. Daarbij is wel van belang te beseffen ROA CN ook nu reeds, zonder dit wetsvoorstel, een mogelijk object van toezicht is, omdat deze organisatie wettelijke taken uitvoert op grond van de WEB BES en WVO 2020 en straks de WEB en WVO 2020. Deze onderwijswetten zijn genoemd in de taakomschrijving van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1, WOT, dat bepaalt dat de inspectie als taak heeft het toezien op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften. Deze taakomschrijving beperkt zich niet tot onderwijsinstellingen.
Wel is het zo dat andere organisaties dan onderwijsinstellingen soms in een apart hoofdstuk van de WOT worden genoemd. Dit is echter niet om een bevoegdheid te scheppen maar is alleen gedaan om duidelijk te maken hoe het toezicht plaats zal kunnen vinden. Om die reden zal de WOT worden aangevuld met ROA CN. Ook voor het samenwerkingsverband CN en het Expertisecentrum onderwijszorg (EOZ) is nog niet geregeld op welke wijze het toezicht zal plaatsvinden. Hoewel dit niet per se in de wet zelf geregeld behoeft te worden, zal deze verduidelijking om redenen van consistentie worden meegenomen in dit wetsvoorstel.
De Inspectie merkt verder op dat in Sint Eustatius en Saba geen Nederlandstalig voortgezet onderwijs wordt verzorgd dat opleidt voor een diploma mavo, havo of vwo (vavo) en dat om die reden niet voor de hand ligt dat er opleidingen educatie, zoals het vavo-onderwijs, worden gegeven op de bovenwinden. De regering merkt hierbij op dat een bestuurscollege bij zijn aanbod aan opleidingen educatie rekening dient te houden met de behoefte bij zijn inwoners. Naast de opleidingen vavo bestaat het huidige aanbod ook uit andere opleidingen educatie. Als daarnaast nog zou blijken dat de inwoners van een eiland behoefte hebben aan andere vormen van opleidingen educatie die beter aansluiten bij de lokale context, zoals het CXC-onderwijs, dan staat artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel f, WEB ook nog toe dat de minister van OCW andere opleidingen educatie kan aanwijzen. Dit is bijvoorbeeld reeds gedaan voor de opleiding digitale vaardigheden. De noodzaak voor andere opleidingen educatie zal dan moeten blijken in de toekomst.
De door de Inspectie ingebrachte suggestie om overgangsrecht voor bestaande erkenningen en andere besluiten op grond van de WEB BES of de SKJ-wet te maken, is overgenomen (zie het voorgestelde artikel 13.2.11, derde lid WEB). Met het intrekken van beide wetten kan er immers onduidelijkheid ontstaan over de rechtsgeldigheid van op grond van die wetten genomen besluiten.
Vanwege het kunnen uitoefenen van toezicht en voor de toepassing van de juiste rekenregels voor de bekostiging is het van belang dat (in RIO) wordt geregistreerd op welke locatie of locaties beroepsonderwijs wordt aangeboden. Om daarin te kunnen voorzien, is de regering voornemens om het Besluit register onderwijsdeelnemers op dit punt te wijzigen.
Tot slot is in deze memorie van toelichting een aparte paragraaf over toezicht en rechtsbescherming opgenomen (paragraaf 12). Hiermee wordt gevolg gegeven aan een motie van het Tweede Kamerlid Van Nispen.42
6. Overige reacties
Een ontwerp van dit wetsvoorstel is parallel aan de uitvoeringstoets ook voor advies voorgelegd aan andere betrokken partijen. In deze paragraaf wordt ingegaan op hun reacties.
6.1 Reacties Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs en bedrijfsleven en Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland
Een concept van dit wetsvoorstel is voorgelegd aan en besproken met de SBB en ROA CN. SBB is op grond van de WEB belast met onder andere het ontwikkelen en onderhouden van de landelijke kwalificatiestructuur en met de erkenning van leerbedrijven. ROA CN is in Caribisch Nederland de tegenhanger van SBB: ROA CN adviseert over de doelmatigheid van beroepsopleidingen die instellingen willen verzorgen en is belast met de erkenning van leerbedrijven in het Caribisch deel van Nederland. Vanwege hun taken op grond van de WEB respectievelijk de WEB BES zijn SBB en ROA CN gevraagd te adviseren over de uitvoerbaarheid van het voorliggende wetsvoorstel. Met de integratie van de WEB BES in de WEB zullen beide organisaties immers intensiever met elkaar samenwerken.
De SBB heeft per brief van 9 april 2024 geconcludeerd dat de effecten van dit wetsvoorstel te overzien zijn en niet tot grote investeringen leiden. Wel merkt de organisatie op dat zij met ROA CN intensiever zal samenwerken, omdat de in Europees Nederland geldende kwalificatiedossiers ook in Caribisch Nederland gaan gelden. Daarnaast wordt de samenwerking intensiever op het gebied van de erkenning van leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming. Ook ROA CN concludeert per brief van 14 maart 2024 dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is. Wel hebben beide organisaties nog inhoudelijke opmerkingen geplaatst ten aanzien van de hieronder te noemen onderwerpen. Aangezien de reacties van SBB en ROA CN elkaar overlappen, worden de belangrijkste reacties gemakshalve hieronder samengevat besproken.
Ten aanzien van de kwalificatiedossiers merken SBB en ROA CN op dat bij het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiedossiers beide organisaties met elkaar samenwerken en op procesniveau hierover afspraken worden gemaakt. Het is immers van belang dat bij het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiedossiers rekening wordt gehouden met de lokale situatie in Caribisch Nederland. SBB gaat ROA CN erbij betrekken als die situatie zich voordoet. ROA CN krijgt met dit wetsvoorstel ook de taak zo nodig suggesties te doen aan SBB voor onderdelen van een kwalificatiedossier, die specifiek van belang zijn voor Caribisch Nederland.
Op dit moment erkent ROA CN leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming op Bonaire en de SBB erkent leerbedrijven die worden gebruikt voor de beroepspraktijkvorming voor studenten die aan een mbo-instelling in Europees Nederland studeren. Met de integratie van de WEB BES in de WEB zal er, op grond van het voorgestelde in artikel 1.6.8, eerste lid, WEB, sprake zijn van wederzijdse erkenning van leerbedrijven. ROA CN wordt, op grond van het voorgestelde artikel 1.6.7, tweede lid, WEB, verantwoordelijk voor alle erkenningen van leerbedrijven in Caribisch Nederland. SBB en ROA CN zullen onderling afspraken maken om de erkenningsvoorwaarden voor leerbedrijven op elkaar af te stemmen, want die zijn nu nog niet gelijk. Dit betekent dat ook ten aanzien van de erkenningen van leerbedrijven op procesniveau afspraken moeten worden gemaakt. Ook het erkenningsreglement van zowel de SBB als ROA CN moeten hierop worden aangepast.
Tot slot is nog een opmerking geplaatst over gegevensuitwisseling. Doordat SBB en ROA CN intensiever gaan samenwerken, vraagt ook de informatiebeveiliging bij uitwisseling van gegevens nog extra aandacht, zeker nu Europees en Caribisch Nederland onder een verschillend privacy regime vallen, enerzijds de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), anderzijds de Wet bescherming persoonsgegevens BES (hierna: Wbp BES). Het gaat hierbij niet om persoonsgegevens maar om bedrijfsgegevens, met uitzondering van de naam van de contactpersoon bij een erkend leerbedrijf. De noodzaak voor extra aandacht van naleving van de Wbp BES bestaat ook hier, gelet op de eis die vanuit de AVG wordt gesteld aan een passend beschermingsniveau bij het uitwisselen van gegevens vanuit de Europese Unie naar daarbuiten. Daarom zal ook worden voorzien in trainingen. Zie verder paragraaf 9 over de bescherming van persoonsgegevens.
6.2 Reactie College voor Toetsen en Examens
Op 27 maart 2024 heeft het College voor toetsen en examens (hierna: CvTE) een reactie op het wetsvoorstel gegeven. Allereerst heeft het CvTE onderzocht in welke mate de centrale examens voor Nederlandse taal en Engels in het mbo, zoals deze in het Europees deel van Nederland gebruikt worden, geschikt zijn voor de studentenpopulatie op Bonaire.
De centrale examens Engels kunnen, met kleine aanpassingen, worden ingezet op het mbo op Bonaire. Het gaat hierbij om aanpassingen van de bij de examens behorende instructieteksten. Deze instructieteksten zijn nu in het Nederlands, maar het CvTE adviseert om ze voor mbo-studenten op Bonaire te vertalen naar het Engels.
Het CvTE heeft geconcludeerd dat het centraal examen Nederlands, bestaande uit de onderdelen lezen en luisteren, zoals dat wordt afgenomen in het mbo-onderwijs in Europees Nederland, niet geschikt is voor het mbo-onderwijs op Bonaire. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de referentieniveaus uit het Referentiekader Taal en Rekenen (Meijerink 2009) uitgaan van Nederlands als moedertaal en dat de inhoud van de examens op dat niveau is beschreven vanuit een Europees-Nederlandse context. Omdat zowel de gehanteerde referentieniveaus als de inhoud van de examens ontworpen zijn voor de onderwijssituatie in Europees Nederland, sluiten de huidige centrale examens niet goed aan bij de context van Caribisch Nederland.
Wel ziet het CvTE de mogelijkheid om een examen Nederlands als vreemde taal (Nvt) voor deze doelgroep te ontwikkelen, omdat de culturele en maatschappelijke situatie op Bonaire niet vergelijkbaar is met die van Europees Nederland. Bovendien is voor studenten op Bonaire de taalsituatie anders, omdat zij opgroeien in een meertalige omgeving waarin Nederlands een vreemde taal is. Het CvTE heeft aangegeven dat de afname van het centraal examen Nvt en het centraal examen Engels op het mbo op Bonaire mogelijk zou zijn per 1 januari 2026 (studiejaar 2025-2026) op voorwaarde dat er in januari 2025 een proeftoets afgenomen wordt.
Het advies van het CvTE ligt in het verlengde van de afspraken, gemaakt in het Vierlandenoverleg binnen het Koninkrijk, over de rol van de Nederlandse taal in het Caribisch gebied. Teneinde besluitvorming over examinering voor te kunnen bereiden, is het wenselijk de effectiviteit van de Nvt-examens te toetsen. Dit zal worden gedaan met een proeftoets onder de mbo-studenten in het laatste studiejaar van hun beroepsopleiding in Bonaire. Deze resultaten geven informatie over de Nederlandse taalvaardigheid van die mbo-studenten en hoe de examenopgaven functioneren.
6.3 Reacties openbare lichamen
6.3.1 Openbaar lichaam Bonaire
Het bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire (hierna: OLB) ziet het wetsvoorstel in het algemeen als een positieve ontwikkeling. Het samenbrengen van Europees en Caribisch Nederland binnen één wettelijk kader biedt kansen voor gelijkheid en participatie van jongeren en volwassenen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt op Bonaire. Het creëren van mogelijkheden voor subsidies en uitkeringen wordt eveneens gewaardeerd. Het bestuurscollege kijkt uit naar een constructief gesprek met het ministerie van OCW en BZK om deze punten nader te bespreken en gezamenlijk te werken aan een succesvolle implementatie van het wetsvoorstel. Desalniettemin zijn er enkele zorgpunten, die het onder de aandacht brengt:
1. Voortijdige schoolverlaters
Het wetsvoorstel plaatst een grotere verantwoordelijkheid bij het OLB voor de aanpak en bestrijding van voortijdig schoolverlaten. Daarbij wijst het OLB erop dat het onzeker is of het uitoefenen van deze taak met het huidige subsidiebedrag dat in het kader van de SKJ-wet wordt verstrekt, toereikend zal zijn is om deze verantwoordelijkheid adequaat te kunnen vervullen. Als dat zo is, verzoekt het OLB om aanvullende middelen en ambtelijke bijstand, naast de subsidie voor het tegengaan voor schooluitval die aan de school of instelling zal worden toegekend.
2. Alternatieve startkwalificaties
Het is volgens het OLB essentieel dat er binnen de nieuwe wetgeving ruimte blijft voor jongeren om buiten het reguliere onderwijs een startkwalificatie te behalen bij onderwijsorganisaties zoals FORMA.43 Aanvullende afspraken tussen de minister van OCW, het OLB, de SGB en FORMA zijn hiervoor wenselijk, evenals een evaluatiemoment om de effectiviteit van de wet te monitoren.
3. Volwasseneducatie
Met dit wetsvoorstel wordt het OLB belast met nieuwe taken op het gebied van volwasseneneducatie, waaronder het aanbieden van opleidingen gericht op zelfredzaamheid. Er zijn bij het bestuurscollege echter zorgen over de beschikbare capaciteit en expertise binnen het OLB om deze taken effectief uit te voeren. Het is belangrijk dat er voldoende middelen en ondersteuning worden verstrekt om deze uitdagingen aan te pakken.
Het OLB heeft hiermee thans geen ervaring, omdat artikel 7.3.1 van de WEB BES weliswaar deze opleidingen noemt, maar daaraan geen financiering heeft gekoppeld. In Europees Nederland krijgt de contactgemeente een specifieke uitkering om deze opleidingen in te kopen of te subsidiëren. Het OLB stelt voor om in plaats van een bijzondere uitkering een vrije uitkering uit het BES-fonds toe te kennen, omdat dat passender zou zijn voor de structurele aard van deze beleidsuitvoering en het vermindert administratieve lasten.
Het OLB verzoekt verder om rekening te houden met de specifieke context en uitdagingen van Bonaire, waaronder de diverse achtergrond en herkomst van studenten en taalbarrières. Het is cruciaal dat er voldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld voor zowel de initiële opzet als de structurele uitvoering van het beleid inzake volwasseneneducatie.
6.3.2 Openbaar lichaam Saba
Op 2 juli 2024 heeft het bestuurscollege van het openbaar lichaam Saba gereageerd op het wetsvoorstel. Ten algemene merkt het openbaar lichaam Saba op dat er geen problemen worden voorzien bij de implementatie van het wetsvoorstel, juist omdat in het verleden intensieve veldsessies werden georganiseerd die tot dit wetsvoorstel hebben geleid. Wel merkt het op dat het wetsvoorstel nog geen duidelijkheid geeft over een toereikende financiering om zijn wettelijke taken uit te kunnen voeren.
7. Gevolgen en administratieve lasten
Op de gevolgen van dit wetsvoorstel voor de bestuurscolleges, onderwijsinstellingen en andere betrokkenen in Caribisch Nederland, zal in paragrafen 7 en 8 worden ingegaan. Daarbij zal met name een verschuiving of overdracht van verantwoordelijkheid worden benoemd.
7.1 Openbare lichamen
Op grond van de Leerplichtwet BES en SKJ-wet hebben de bestuurscolleges van de openbare lichamen en leerplichtambtenaren reeds wettelijke taken, waaronder de registratie en monitoring van vsv. Deze registratieplicht blijft een wettelijke taak met dit wetsvoorstel. Geconstateerd is echter dat de uitvoering tot op heden niet conform de bestaande wet- en regelgeving gebeurt; zo is er bij de openbare lichamen nog geen registratie en monitoring van vsv. Met de beoogde invoering van de vsv-aanpak is het belangrijk dat de openbare lichamen dit wel gaan doen. Daar staat tegenover dat de openbare lichamen ontlast worden van de organisatie rondom de sociale kanstrajecten. In het wetsvoorstel wordt de contactschool namelijk verantwoordelijk voor het – in samenspraak met overige partijen – opstellen en indienen van een plan van aanpak met als doel het voorkomen en bestrijden van voortijdig schooluitval. Hiertoe zal de school ook de subsidiemiddelen hiervoor rechtstreeks vanuit het Ministerie van OCW ontvangen.
Voor het openbaar lichaam Bonaire is er na het vervallen van het overgangsrecht over de onderwijshuisvesting ook sprake van een lastenvermindering doordat het niet meer verantwoordelijk zal zijn voor de onderwijshuisvesting van de SGB. Als verticale scholengemeenschap wordt de school hiervoor dan zelf verantwoordelijk.
Voor alle drie de openbare lichamen geldt dat zij middelen gaan ontvangen ten behoeve van volwasseneneducatie. Deze nieuwe taak brengt wel administratieve en uitvoeringslasten mee, aangezien het openbaar lichaam verantwoordelijk wordt voor het maken van een onderbouwde inschatting van de behoefte aan volwasseneducatie en voor de inkoop van passende educatietrajecten.
7.2 Contactscholen in kader voorkomen voortijdig schoolverlaten
Zowel de SGB op Bonaire als beide scholen voor voortgezet onderwijs op Sint Eustatius en Saba krijgen als taak het opstellen van een eilandelijk plan van aanpak vsv. Hierop wordt hierna ingegaan.
7.3 Scholengemeenschap Bonaire
In het onderwijsproces is sprake van lastenvermindering aangezien de school niet meer voor elke opleiding die zij voornemens is aan te gaan bieden, eerst erkenning moet aanvragen. Daarnaast is er mogelijk sprake van lastenvermindering doordat eindexamenkandidaten meedoen aan centrale examinering en de school daardoor minder instellingsexamens dient te realiseren. Daar staat tegenover dat van de school een intensieve monitoring van het Nederlandse taalonderwijs en de resultaten wordt gevraagd.
Conform de wetgeving voor verticale scholengemeenschappen, zal het eigendom van de grond en de schoolgebouwen door het openbaar lichaam worden overgedragen aan de SGB. De SGB is onder de huidige wet- en regelgeving al verantwoordelijk voor het onderhoud aan de gebouwen maar zal – bij het vervallen van het overgangsrecht voor de voorziening in de huisvesting – ook maatregelen moeten treffen om in de toekomst grotere renovatie en nieuwbouw of huur onder eigen verantwoordelijkheid te kunnen realiseren. De middelen die thans hiervoor aan het openbaar lichaam toekomen, zullen dan stoppen. En een deel ervan wordt toegevoegd aan de bekostiging van de SGB.
De wijzigingen ten aanzien van medezeggenschap hebben ook gevolgen. In de huidige wetgeving bestaat er voor het schoolbestuur slechts een plicht de vertegenwoordigingen van studenten, ouders en medewerkers te informeren over belangrijke ontwikkelingen. Onder de WEB geldt een veel uitgebreider regime van advies- en instemmingsrecht. Hierin zal de studentenraad, voor wie dit nieuw is, ook begeleid en gecoacht moeten worden.
Tot slot wordt de SGB verantwoordelijk voor het – in samenspraak met andere betrokken partijen – maken van een plan van aanpak vsv en zal zij als contactschool ook de middelen voor de uitvoering van dit plan moeten aanvragen en beheren.
7.4 Gwendoline van Puttenschool en Saba Comprehensive School
Evenals de SGB op Bonaire zullen de Gwendoline van Puttenschool op Sint Eustatius en de Saba Comprehensive School op Saba verantwoordelijk worden voor het – in samenspraak met andere betrokken partijen – maken van een plan van aanpak vsv en zullen zij als contactschool ook de middelen voor de uitvoering van dit plan moeten aanvragen en beheren.
7.5 Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland
De ROA CN zal niet meer telkens aan de minister van OCW hoeven te adviseren over een opleiding die de scholen voornemens zijn aan te vragen. Wel blijft zij de arbeidsmarkt en daaraan gerelateerde opleidingsbehoeften in kaart brengen en bespreekt zij met de scholen de toekomstige opleidingsplannen met het oog op beschikbaarheid van leerbedrijven.
De taken ten aanzien van het erkennen van leerbedrijven blijven bij ROA CN, zij het dat ROA CN exclusief bevoegd wordt voor de erkenning van leerbedrijven op het grondgebied van Caribisch Nederland. Daarbij zullen ROA CN en SBB moeten samenwerken om tot één gezamenlijk register van erkende leerbedrijven te komen. SBB houdt dit register in beheer en stelt het erkenningsreglement op.
7.6 SKJ-uitvoeringsorganisaties
Op grond van de SKJ-wet stellen de SKJ-uitvoeringsorganisaties jaarlijks een plan met begroting op die zij indienden bij het openbaar lichaam. Vervolgens ontvangen zij subsidie van het openbaar lichaam en voeren zij SKJ-trajecten uit. Met het intrekken van de SKJ-wet komen de SKJ-trajecten in hun huidige vorm te vervallen en bestaan er ook geen SKJ-uitvoeringsorganisaties meer. Op grond van de voorgestelde wetswijziging maken de betrokken partijen in de keten onder coördinatie van de contactschool een eilandelijk vsv-plan. De contactschool vraagt de middelen voor de uitvoering van dat plan aan en beheert ze daarna ook. De huidige SKJ-uitvoeringsorganisaties kunnen betrokken worden bij planvorming en uitvoering, maar dit wordt niet voorgeschreven aangezien er geen wettelijke grond meer is voor SKJ-uitvoeringsorganisaties. De gevolgen hiervan kunnen per openbaar lichaam verschillen.
8. Financiële gevolgen
Zoals hierboven in paragraaf 3.2 vermeld is de bekostigingssystematiek voor het mbo-deel aan de SGB in 2021 herijkt conform de vereenvoudiging van de bekostiging in het voortgezet onderwijs.44 Deze bekostigingssystematiek wordt voor het mbo in Caribisch Nederland overgenomen in de WEB. Het wetsvoorstel heeft daarom voor wat betreft de bekostiging van het mbo in Caribisch Nederland geen financiële gevolgen.
Het intrekken van de huidige SKJ-wetgeving heeft wel financiële consequenties.
In 2011 zijn bedragen vastgesteld die de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba ontvangen ten behoeve van de uitvoering van de SKJ-wet:
Bonaire: € 400.000
St. Eustatius: € 250.000
Saba: € 150.000
Deze bedragen zijn vervolgens omgerekend naar dollars en jaarlijks herijkt op basis van loon en prijsstijging (LPO) en wisselkoersen. Inmiddels is het totaalbedrag dat wordt uitgekeerd aan Caribisch Nederland inzake de SKJ-trajecten ruim € 1,3 miljoen waarbij nog steeds dezelfde verdeelsleutel wordt gehanteerd.
Aangezien sinds 2011 de middelen en de verdeelsleutel nooit zijn aangepast op een mogelijk veranderde context, en bovendien de in het wetsvoorstel beoogde preventieve vsv-aanpak op de eilanden onder de SKJ-wetgeving niet bestaat, is het noodzakelijk de hoogte van de middelen en onderlinge verdeling opnieuw vast te stellen.
Het CBS onderzoekt momenteel of er voldoende data beschikbaar zijn, of beschikbaar gemaakt zouden kunnen worden, om tot een onderbouwd nieuw bekostigingsmodel voor de aanpak van vsv in Caribisch Nederland te kunnen komen. Dit nieuwe bekostigingsmodel zal dan vanaf inwerkingtreding van de daarop betrekking onderdelen van het wetsvoorstel worden toegepast.
Hoewel het niet de verwachting is dat er op grond van het wetsvoorstel minder middelen beschikbaar zullen worden gesteld ten behoeve van de vsv-aanpak, verdwijnt wel de toelage die SKJ-kandidaten momenteel nog kunnen ontvangen als ze deelnemen aan een traject. In eventueel toekomstige trajecten voor voortijdig schoolverlaters worden zij niet financieel bevoorrecht ten opzichte van leerlingen en studenten die wel naar school gaan.
Een ander financiële consequentie van het wetsvoorstel betreft de educatiemiddelen. Deze zijn tot nu toe niet toegekend aan Caribisch Nederland en worden dat op grond van dit wetsvoorstel wel. Ook hiervoor onderzoekt het CBS momenteel of er voldoende data beschikbaar zijn dan wel gemaakt kunnen worden om tot een onderbouwd bekostigingsmodel te komen. Hiertoe zullen in de lagere regelgeving regels worden gesteld.
Daarnaast komen er, ook voor Caribisch Nederland, middelen beschikbaar uit het
Nationaal Groeifonds. In de periode 2025-2027 zal er aanvullend tussen de € 125.000 en € 500.000 per eiland beschikbaar worden gesteld in het kader van het project LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden. Hiermee kunnen de bestuurscolleges in Caribisch Nederland in ieder geval een start maken met het doen aanbieden van opleidingen educatie. Zie hierover ook paragraaf 3.5.
Wat betreft de onderwijshuisvesting is de inzet erop gericht om het overgangsrecht pas te laten vervallen als duidelijk is dat de Scholengemeenschap Bonaire de financiële gevolgen van eigen verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting kan dragen. Tot slot wordt de huisvestingsvoorziening voor de SGB als verticale scholengemeenschap verduidelijkt door artikel 11.79a WVO 2020 in te voegen in de WVO 2020 en daarmee het economische eigendomsrecht van het openbaar lichaam te regelen in de vorm van een vorderingsrecht bij einde gebruik van schoolgebouw en terrein voor onderwijsdoeleinden. Zie verder de artikelsgewijze toelichting bij artikel II, onderdeel FF.
9. Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens
Inleiding
In zowel Caribisch als Europees Nederland zijn de Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) van toepassing. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 EVRM heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer (privacy). In deze paragraaf wordt toegelicht dat dit wetsvoorstel in beperkte mate gevolgen heeft voor de verwerking van persoonsgegevens van burgers in Caribisch Nederland.
Huidige situatie
In Caribisch Nederland zijn – voor zover hier van belang – de WEB BES en de SKJ-wet, de Leerplichtwet BES, de WVO 2020, de WRO en de Wbp BES van toepassing. Uit hoofde van de WRO is reeds geregeld voor welke doelen basisgegevens zoals naam en inschrijfgegevens van de student of leerling in het openbaar lichaam Bonaire mogen worden verwerkt en uitgewisseld met de Dienst uitvoering onderwijs (DUO) in Europees Nederland.45 Ook moet een leerplichtambtenaar nu reeds in bepaalde gevallen op grond van de Leerplichtwet BES melden aan zijn bestuurscollege dat een leer- of kwalificatieplichtige jongere verzuimt naar school te gaan. Dezelfde verplichting geldt voor een bevoegd gezag van een school of instelling. Het bestuurscollege, dat dus uit twee bronnen verzuimgegevens ontvangt, heeft de verplichting deze gegevens te registreren. Op grond van de SKJ-wet is het bestuurscollege verantwoordelijk voor de registratie van voortijdig schoolverlaters en voor het bijhouden van een deelnemersregister sociale kanstrajecten. Het gaat hier om persoonsgegevens die in eerste instantie worden verzameld en geregistreerd in een openbaar lichaam. Hierop is de Wbp BES van toepassing.
AVG en Wbp BES als juridisch kader
Dit wetsvoorstel maakt meer zichtbaar dat er twee wettelijke beschermingsregimes van toepassing kunnen zijn op persoonsgegevens. De AVG en de Uitvoeringswet AVG zijn van belang voor Europees Nederland. De Autoriteit Persoonsgegevens is in de Uitvoeringswet AVG aangewezen als toezichthoudende autoriteit. Voor de gegevensverwerking die in Caribisch Nederland zelf plaatsvindt, is de Wbp BES van toepassing. Op grond van de Wbp BES is de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES (CBP BES) aangewezen als toezichthouder voor die wet.
Bij gegevensuitwisseling binnen Nederland (Europees en Caribisch) die noodzakelijk is voor het functioneren van de overheid, doet zich de bijzonderheid voor dat in juridische zin, onder de AVG, sprake is van doorgifte van persoonsgegevens aan een gebied buiten de Europese Unie. De openbare lichamen hebben ten aanzien van de Europese Unie de status van landen en gebieden overzee (LGO-status). Het is op grond van artikel 46 van de AVG noodzakelijk dat dan een passend niveau van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen is gewaarborgd. In de openbare lichamen van het Caribische deel van Nederland wordt een passend beschermingsniveau in beginsel gewaarborgd door de Wbp BES en deels ook door de AVG en UAVG, als het gaat om gegevens in beheer bij DUO. Zie echter ook hierna bij ‘Wijzigingen als gevolg wetsvoorstel’ en ‘Autoriteit persoonsgegevens en CBP BES’.
Wijzigingen als gevolg wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel beoogt de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en voor de preventie en bestrijding van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland te moderniseren en voor de inwoners in Caribisch Nederland zoveel mogelijk op een gelijkwaardig voorzieningenniveau als in Europees Nederland te brengen.
De essentie van de wijziging is tweeledig: in de eerste plaats is zij gelegen in de uitbreiding van de territoriale werking van de WEB naar Caribisch Nederland vanwege de intrekking van de WEB BES en de SKJ-wet. Deze wijziging heeft geen gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens voor de inwoners van Caribisch Nederland. Zolang immers de verwerking plaatsvindt binnen het openbaar lichaam blijft daarop de Wbp BES van toepassing. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de uitwisseling van persoonsgegevens uit te breiden tussen de onderwijsinstelling, openbare lichamen en de minister van OCW. zodat ook informatie over schoolverzuim, eventuele vrijstellingen van de leerplicht of diplomering in Caribisch Nederland centraal wordt geregistreerd en daarmee beschikbaar komt als beleidsinformatie. Ook krijgt degene die een diploma in Caribisch Nederland heeft behaald hiermee de kans een afschrift van dat diploma uit het diplomaregister te verkrijgen. Dit is bijvoorbeeld van belang bij verlies van het fysieke diploma.
In de tweede plaats wordt met dit wetsvoorstel het beleid ten aanzien van het voorkomen van voortijdig schoolverlaten meer in lijn gebracht met hoe dit in Europees Nederland is geregeld. Dit betekent dat er binnen een openbaar lichaam persoonsgegevens worden verzameld en gedeeld tussen het bevoegd gezag van een school of instelling en het bestuurscollege over de afwezigheid of het verzuim van studenten en leerlingen. Dit gebeurt nu ook al, waarbij de Wbp BES van toepassing is. Conform de Wbp BES mogen deze persoonsgegevens alleen in overeenstemming met de wet en op een behoorlijke en zorgvuldige manier worden verwerkt. Ook is er sprake van doelbinding. Dat wil zeggen dat deze gegevens alleen voor het in de wet gestelde doel mogen worden verzameld en gebruikt. De jongere of diens wettelijk vertegenwoordigers bij minderjarigheid moeten op de hoogte zijn welke organisatie zijn of haar gegevens verwerkt en voor welk doel. Tot slot moeten de verwerkingsorganisatie de persoonsgegevens in voldoende mate beveiligen. Met dit wetsvoorstel worden een aantal taken van bestuurscollege en betrokken school of instelling overgeheveld van de SKJ-wet naar de WEB en de WVO 2020 zonder dat dit gevolgen heeft voor privacy van de inwoners van Caribisch Nederland.
Bedacht moet worden dat het hier steeds gaat om gegevens die in eerste instantie zijn verzameld in een openbaar lichaam zelf. Het verzamelen van die gegevens en de verwerking ervan wordt beschermd door de Wbp BES. Als die gegevens digitaal worden gedeeld met DUO met als doel om ze op een veilige manier langduriger te kunnen bewaren en te kunnen hergebruiken voor de door de wet toegestane doelen door volgens de wet toegestane gebruikers, wordt DUO verantwoordelijk voor het beheer van die gegevens met inachtneming van niet alleen de specifieke onderwijswetgeving maar ook de WRO, AVG en Uitvoeringswet AVG. Deze gegevens worden dan onderdeel van het ROD. Daarna kunnen bepaalde gegevens uit dat register zo nodig worden opgevraagd door degene die daartoe bevoegd is. Afhankelijk van het soort gegeven en het beoogde gebruiksdoel zijn dat in veel gevallen weer de organen of personen die de gegevens in eerste instantie hebben verzameld en gedeeld met DUO.
Uit een evaluatie van de Wbp BES uit 2019 blijkt echter, dat de naleving en de handhaving van die wet te wensen overlaat.46 Zolang dat het geval is, is er in de zin van de AVG geen sprake van een passend beschermingsniveau. Daarom worden er extra maatregelen genomen om de naleving van de Wbp BES te verbeteren voor de partijen in Caribisch Nederland die met deze gegevens werken, zodat er wel een passend beschermingsniveau wordt bereikt. Overigens is het voor een effectiever toezicht tevens wenselijk dat de CBP BES haar capaciteit vergroot. Zie hierover meer onder het ‘Autoriteit Persoonsgegevens en CBP BES’.
Zo beschouwd is de bescherming van persoonsgegevens tijdens het hele verwerkingsproces geborgd. Het gaat daarbij steeds om de verzameling en uitwinning van gegevens die noodzakelijk zijn om het door de wet gestelde doel te kunnen realiseren. Het betreft steeds de persoon die voortijdig schoolverlater is of het risico loopt dat te worden vanwege verzuimmeldingen, gegevens over zijn of haar diplomering of over eventuele vrijstelling van de leerplicht. En voor Sint Eustatius en Saba ook de basisgegevens (naam, adres, en andere inschrijfgegevens), waarvoor nu nog geen wettelijke grondslag is.
Autoriteit persoonsgegevens en CBP BES
Op 15 januari 2024 is aan zowel de Autoriteit persoonsgegevens (AP) als aan de CBP BES advies gevraagd. De Autoriteit persoonsgegevens heeft op 13 maart 2024 aangegeven geen advies uit te brengen over het wetsvoorstel omdat het wetsvoorstel betrekking heeft op Caribisch Nederland, waardoor de CBP BES aan zet is. Van die commissie is op dat moment geen advies ontvangen.
Wel is naderhand, in juli 2025, naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State met de CBP BES gesproken over welke aanvullende maatregelen kunnen worden getroffen om tot een betere naleving van de Wbp BES te komen. Dit omdat uit een eerder aangehaalde evaluatie van die wet is gebleken dat de naleving van en het toezicht op die wet nog onvoldoende zijn. Zolang die naleving niet verbetert, kan van een passend beschermingsniveau in de zin van artikel 46 AVG nog geen sprake zijn. In samenspraak met de CBP BES zal het ministerie van OCW daarom voorlichting organiseren voor alle betrokken partijen zoals scholen, bestuurscolleges en hun ambtenaren, ROA CN en anderen die bij de uitvoering van dit wetsvoorstel zijn betrokken. Ook zullen trainingen worden verzorgd voor deze groepen, zodat een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens in het onderwijs wordt verstevigd.
Daarbij is het goed te beseffen dat in eerste instantie alleen basisgegevens vanuit de openbare lichamen naar het ROD in Europees Nederland zullen worden gezonden en dat de route de andere kant op geen persoonsgegevens zal bevatten maar slechts aantallen studenten en hun inschrijfpositie. Dit is van belang voor de bekostiging van de SGB en de registratie van het aantal studenten aan de opleidingstak van de Fundashon Mariadal. Pas wanneer die uitwisseling voor Bonaire succesvol verloopt, en na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, zal worden begonnen met het uitwisselen van andere dan basisgegevens in de zin van de WRO. Dan gaat het dus om verzuimgegevens, vrijstellingsgegevens en diplomagegevens. Dit betekent dat er dan ook nog extra tijd is om aan de bewustwording van het belang van privacy te werken. Ook neemt daarmee de kans toe dat er nieuwe wetgeving omtrent de bescherming van persoonsgegevens tot stand is gebracht, omdat er een consensusrijkswetsvoorstel voor de bescherming van persoonsgegevens in voorbereiding is. In de tussentijd zal de verwerking van persoonsgegevens voor de het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten alleen lokaal plaatsvinden, waarbij uitsluitend de Wbp BES van toepassing is. Mede vanwege de inmiddels tot wet verheven Wet van school naar duurzaam werk is daartoe in hoofdstuk 9, titel 3 duidelijker bepaald welke regels er tijdelijk van toepassing zijn, zolang er nog geen uitwisseling van verzuimgegevens plaatsvindt met het register onderwijsdeelnemers.
10. Internetconsultatie en advies toetsing regeldruk
10.1 Internetconsultatie
Het wetsvoorstel is van 20 december 2023 tot en met 10 maart 2024 voorgelegd voor openbare internetconsultatie.47 Er zijn in totaal zes reacties ontvangen, waarvan vier openbaar gepubliceerd zijn op de website. De andere twee hebben hun reactie buiten de website om per e-mail verstuurd. Die reacties zijn alsnog meegenomen in de verwerking van het commentaar.
Alle respondenten onderschrijven ten algemene het belang van dit wetsvoorstel. Zij zien dit wetsvoorstel als een belangrijke stap richting gelijkwaardigheid ten opzichte van Europees Nederland. Daarnaast juichen zij het toekomstige vsv-beleid toe waarbij meer aandacht komt voor het voorkomen van vsv. Wel zijn er zorgen geuit over de intrekking van de SKJ-wet. Eén van de zorgen ziet toe op het voortbestaan van afzonderlijke SKJ-organisaties die momenteel taken in het kader van de SKJ-wet vervullen. In reactie hierop moet worden benadrukt dat de huidige SKJ-wet geen enkele organisatie bij naam en toenaam benoemt. Zo bepaalt de SKJ-wet alleen dat er een uitvoeringsinstantie moet zijn die sociale kanstrajecten en daarmee samenhangende begeleiding aanbiedt. Die wet bepaalt echter niet welke organisatie dat moet zijn. Ook in het onderhavig wetsvoorstel wordt geen instantie bij naam en toenaam genoemd. Op basis van het eilandelijk plan over vsv kan de contactschool in overleg met de in artikel 9.3.5, tweede lid, onderdeel b, bedoelde partijen van geval tot geval bekijken welke organisatie wordt betrokken bij de uitvoering van het eilandelijk plan en de regering laat die vrijheid aan de betreffende partijen.
Dit zou er dus toe kunnen leiden dat de huidige SKJ-organisaties een rol blijven behouden. Op deze manier bestaat er op eilanden veel ruimte voor eigen keuzes en maatregelen die inspelen op de specifieke eilandelijke situatie en behoeften. Zo beschouwd is er op dit vlak geen verschil tussen het huidige en toekomstige wettelijk kader.
Daarnaast is ook een opmerking geplaatst over de bekostigingssystematiek van de vsv-middelen op de BES-eilanden. Eén van de respondenten geeft aan dat de onduidelijkheid over de bekostiging van de vsv-programma’s tot onzekerheden leidt over de uitvoering van het programma. De regering erkent dat er onduidelijkheden bestaan over de bekostigingssystematiek van de vsv-middelen. Echter, het in Europees Nederland gehanteerde berekeningsmodel is niet één op één toepasbaar op de BES-eilanden. Momenteel wordt in samenwerking met het CBS een afwijkend berekeningsmodel gemaakt dat recht doet aan de situatie op de BES-eilanden.
Verder is de vraag gesteld waarom de coördinerende rol voor het voorkomen en zoveel mogelijk ongedaan maken van vsv bij de contactschool ligt. Hierbij merkt de regering op dat het vsv-beleid vooral gericht is op preventie. Juist omdat scholen het meeste zicht hebben op potentiële uitvallers, en het openbaar lichaam momenteel nog een flinke slag moet maken om hun wettelijke taken ten aanzien van registratie, doorverwijzing en monitoring op orde te brengen, is het op dit moment het meest logisch om deze coördinerende taak bij een school te beleggen. Het bestuurscollege van ieder openbaar lichaam is wel een belangrijke ketenpartner voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Met name omdat het bestuurscollege over alle verzuimgegevens beschikt. Die databank met verzuimgegevens is van belang voor het maken van vsv-beleid voor alle jongeren tot 25 jaar oud op het eiland.
Ook zijn er enkele opmerkingen geplaatst over de generieke kwalificatie-onderdelen en kwalificatiedossiers. Deze opmerkingen worden hieronder achtereenvolgens besproken. Om te beginnen is de vraag gesteld welke gevolgen dit wetsvoorstel heeft voor de compensatieregeling die op basis van het Examen- en kwalificatiebesluit WEB geldt voor de generieke vakken Nederlands, Engels en rekenen. De regering merkt hierbij in de eerste plaats op dat de uitslagbepaling voor het examen en bijbehorende compensatieregeling niet wordt geregeld met dit wetsvoorstel. Wel wordt in de memorie van toelichting geschetst dat het op dit moment niet mogelijk is om de Nederlandse taal volgens de referentieniveaus voorwaardelijk te maken is voor diplomering zoals thans wel geregeld is in het Examen- en kwalificatiebesluit WEB. Dat betekent dat de compensatieregeling enkel ziet op Engels en rekenen. Het oogmerk is om in die lagere regelgeving, namelijk in het Examen- en kwalificatiebesluit WEB een afwijkende bepaling voor toepassing van de uitslagbepaling in een openbaar lichaam te formuleren.
Daarnaast wordt door een andere respondent aangegeven dat de Nederlandse taal van belang is om de studenten meer kans op een baan buiten het eiland zelf te geven en om gebruik te kunnen maken van Nederlandstalig lesmateriaal. De regering erkent dit belang, maar constateert tevens dat voor de meeste studenten in Caribisch Nederland een andere benadering meer passend is zoals hierboven uiteengezet. Dit laat onverlet dat binnen een bepaalde beroepsopleiding meer nadruk op de Nederlandse taal kan worden gelegd. Die vrijheid is er binnen het onderwijssysteem.
Ook heeft één van de respondenten aangegeven dat de generieke kwalificatie-eis(vak) rekenen enorm talig is. De regering merkt hierbij op dat rekenen een instellingsexamen is. Dit betekent dat een mbo-instelling zoals in Bonaire eigenstandig, en eventueel met behulp van bijvoorbeeld de MBO Raad, een andere mbo-instelling of een exameninstelling, rekenexamens kan ontwikkelen die aansluiten bij de context van de BES-eilanden. Zodoende kan de taligheid van het examenonderdeel worden verlegd naar het rekenkundig inzicht van de student.
Voor wat betreft de kwalificatiedossiers geeft een respondent aan dat een mbo-instelling in een openbaar lichaam op grond van de WEB BES momenteel de keuze heeft om al dan niet mee te gaan in een nieuw kwalificatiedossier wanneer er door middel van wettelijke beroepsvereisten aanvullende eisen worden gesteld die op het eiland onhaalbaar zijn. Een voorbeeld hiervan is – aldus de respondent – de taaleis die geldt voor het kwalificatiedossier Kinderopvang, waarbij de Nederlandse taal op 3F niveau een beroepsvereiste is. De respondent verzoekt de regering om hiermee rekening te houden. In reactie hierop wordt opgemerkt dat een wettelijk beroepsvereiste in een kwalificatiedossier altijd berust op en een gevolg is van wet- en regelgeving. Dat betekent dat interdepartementale bewustwording van belang is. Ieder ministerie of ander bestuursorgaan dat wettelijke beroepsvereisten stelt die onderdeel zijn van een kwalificatiedossier moet zich vooraf de vraag stellen of dat beroepsvereiste in dezelfde vorm of mate voor de openbare lichamen kan worden gesteld. Dit in verband met de doorwerking van een dergelijke eis in het mbo, ook in Caribisch Nederland. Daarnaast is het van belang dat bij de vaststelling van de kwalificatiedossiers oog is voor de eilandelijke context. Dit betekent dat ook in het werkproces van de SBB goed gekeken moet worden naar de toepasselijkheid van de vereisten op de BES-eilanden.
Tot slot wijst een respondent erop dat de scholen in Sint Eustatius en Saba door de regels voor het voortgezet onderwijs daar meer in een keurslijf zitten dan het mbo op Bonaire. Vooral als het gaat om het onderwijsaanbod en de erkenning van leerbedrijven. Dit wetsvoorstel heeft slechts betrekking op het voortgezet onderwijs als het gaat om de erkenning van leerbedrijven (artikel 2.105 WVO 2020) en het stroomlijnen van de aanpak van het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Ook de leerbedrijven in het kader van voortgezet onderwijs dat in Sint Eustatius en Saba wordt aangeboden, moeten erkend zijn door ROA CN om leerlingen te mogen ontvangen in het kader van hun stage.
10.2 Adviescollege toetsing regeldruk
Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft op 4 april 2024 advies uitgebracht over het wetsvoorstel. Het college acht het nut en de noodzaak van het wetsvoorstel voldoende onderbouwd. Het advies is om het wetsvoorstel in te dienen nadat met de adviespunten rekening is gehouden.
Het college adviseert een evaluatiebepaling op te nemen waarin nader is aangegeven op welke aspecten de wet wordt geëvalueerd en wanneer de doelen van de wet als gehaald mogen worden beschouwd. Daarnaast adviseert het college om toe te lichten wat de gevolgen zijn voor de doelgroepen en het ondersteuningsaanbod waarbij momenteel de SKJ-organisaties betrokken zijn. Tot slot adviseert het college om de regeldrukparagraaf aan te vullen conform de rijksbrede methodiek.
Naar aanleiding van het advies is paragraaf 10.3 aangevuld. Op diverse plaatsen in de memorie van toelichting wordt ingegaan op de impact van het wetsvoorstel voor de doelgroep voortijdig schoolverlaters. Deze groep wordt groter door ook middelen en maatregelen mogelijk te maken voor leerlingen en studenten vanaf de leeftijd van twaalf jaar oud die dreigen uit te vallen. In reactie op het advies wordt verder opgemerkt dat bij de evaluatie van het voortijdig schoolverlatenbeleid – naast de gevolgen voor de doelgroep – ook de uitvoerbaarheid en naleefbaarheid bij bestuurscolleges en scholen een belangrijke rol zullen spelen.
10.3. Gevolgen voor de regeldruk
In deze paragraaf worden de regeldrukkosten bepaald. Dit is het geheel van de verplichtingen (handelingen) dat uit de voorgestelde wetgeving voortvloeit.
10.3.1. Volwasseneducatie
Doel van de inzet op volwasseneneducatie is om de basisvaardigheden van de doelgroep op een zodanig peil te brengen dat zij in staat zijn om, mede gebruikmakend van alledaagse digitale technologie, te communiceren en deel te nemen aan de maatschappij. Dit moet leiden tot zelfredzaamheid van de inwoners op sociaal en professioneel terrein, en tot maatschappelijke inclusie.
Voor alle drie de openbare lichamen geldt dat zij middelen gaan ontvangen ten behoeve van volwasseneneducatie. Dit brengt wel administratieve lasten mee, aangezien zij verantwoordelijk worden voor het maken van een onderbouwde inschatting van de behoefte aan volwasseneducatie op hun eiland en voor de inkoop van educatietrajecten. Ook moeten zij verantwoording afleggen over de besteding hiervan.
Structurele regeldrukkosten openbaar lichaam
Dit zijn de kosten voor de implementatie van het wetsvoorstel voor 3 openbaar lichamen
Inschatting van de behoefte aan volwasseneducatie
Cijfers en data
Inzichtelijk maken van cijfers over lage basisvaardigheden in Caribisch Nederland. Op basis van beschikbare informatie en onderzoeken.
Opstellen van beleid volwasseneducatie
Planvorming
inventarisatie eilandelijk beleid, eilandelijke informatiebronnen en handreikingen die al beschikbaar zijn
kennisnemen van andere plannen
bepalen focus, doelgroepen, doelen en activiteiten in het eilandelijk beleid
Schrijven plan, besluitvorming en vaststelling
Gesprekken over samenwerking en aanbod cursussen basisvaardigheden.
Verantwoording over de besteding
| Nummer | Taak | Aantal uur | Kosten (€ 54p/u) |
|---|---|---|---|
| 1 | Inschatting behoefte | 180 | 9.720 |
| 2 | Opstellen van beleid | 450 | 24.300 |
| 3 | Verantwoording over de besteding | 120 | 6.480 |
| Totaal structurele regeldruk openbaar lichaam | 750 | 40.500 |
Incidentele regeldrukkosten openbaar lichaam
Dit zijn de kosten voor de implementatie van het wetsvoorstel voor 3 openbaar lichamen
Kennisnemen wetsvoorstel
Subsidieaanvraag
Evaluatie wetsvoorstel
| Nummer | Taak | Aantal uur | Kosten (€ 54p/u) |
|---|---|---|---|
| 1 | Kennisnemen wetsvoorstel | 120 | 6.480 |
| 2 | Subsidieaanvraag | 120 | 6.480 |
| 3 | Evaluatie wetsvoorstel | 180 | 9.720 |
| Totaal incidentele regeldruk openbaar lichaam | 420 | 22.680 |
10.3.2 Vsv-beleid
Met het intrekken van de SKJ-wet hebben de SKJ-organisatie en de SKJ-trajecten geen wettelijke basis meer. De contactschool krijgt de algehele coördinatie en maakt samen met de relevante stakeholders een eilandelijk vsv-plan. De contactschool vraagt de middelen voor de uitvoering van dat plan aan en beheert ze daarna ook. Per eiland kan de contactschool in samenspraak met het openbaar lichaam besluiten welke organisaties betrokken worden bij het opstellen van het vsv-programma of bij de uitvoering ervan.
De drie eilanden verschillen onderling sterk wat betreft de deelnemersaantallen, de mate van schooluitval en de omvang van potentiële doelgroep.
Structurele regeldrukkosten contactschool
Dit zijn de kosten voor de implementatie van het wetsvoorstel.
Opstellen van een programma met maatregelen inzake terugdringen voortijdige schoolverlaters (vsv); samenwerkingsafspraken tussen onderwijs, openbaar lichaam en andere instanties zoals zorgorganisaties. Deze samenwerkingen zijn essentieel om de continuïteit van het vsv programma te waarborgen, maar brengen structurele verplichtingen met zich mee.
Verplichte rapportages en monitoring over het aantal voortijdig schoolverlaters, de resultaten van maatregelen en het verloop van het vsv programma. Uit ervaring blijkt dat dit ongeveer 20 uur per contactschool kost. Voor 3 contactscholen worden de structurele regeldrukkosten geraamd op € 3.240
Kennisontwikkeling vsv beleid. De raming is dat elke projectmedewerker jaarlijks vijf dagen bezig is met kennisontwikkeling. Daarnaast is er bij de implementatie van het wetsvoorstel een incidentele impuls nodig.
| Nummer | Taak | Aantal uur | Kosten (€ 54p/u) |
|---|---|---|---|
| 1 | Opstellen programma terugdringen vsv | 1.140 | 61.560 |
| 2 | Rapportages en monitoring | 60 | 3.240 |
| 3 | Kennisontwikkeling, structureel | 150 | 8.100 |
| Totaal structurele regeldruk contactschool | 1.350 | 72.900 |
Incidentele regeldrukkosten contactschool
Dit zijn de kosten voor de implementatie van het wetsvoorstel.
Contactscholen moeten kennisnemen van dit wetsvoorstel. Per contactschool kost dit 40 uur.
Contactscholen moeten eenmalig een aanvraag doen voor de subsidie voor de periode van 1 augustus 2026 tot en met 31 december 2030. De aanvragen worden 40 uur geraamd voor het doen van de subsidieaanvraag.
Contactscholen moeten hun ICT-systemen (laten) aanpassen om de financiële verantwoording van het vsv beleid te borgen in de processen. Naar schatting kost dit 100 uur per contactschool.
Meewerken aan evaluatie wetsvoorstel. Geschat is dat dit 20 uur per contactschool kost.
| Nummer | Taak | Aantal uur | Kosten (€ 54 p/u) |
|---|---|---|---|
| 4 | Kennisnemen wetsvoorstel | 120 | 6.480 |
| 5 | Subsidieaanvraag | 120 | 6.480 |
| 6 | Aanpassen ICT-systemen | 300 | 16.200 |
| 7 | Evaluatie wetsvoorstel | 60 | 3.240 |
| Totaal incidentele regeldrukkosten contactschool | 1.140 | 61.560 |
Structurele regeldruk voor jongeren
Het is belangrijk dat jongeren weten dat zij ondersteuning kunnen krijgen als zij dit nodig hebben. De communicatie door contactscholen, openbaar lichamen en het Rijk zullen zij tot zich moeten nemen. Op basis van het aantal te bereiken jongeren gaat het om 746 jongeren in het mbo en 74 in het CVQ. Per jongere kost dit 1 uur. Op basis van 17 euro per uur gaat het jaarlijks om € 13.940.
11. Gevolgen voor gendergelijkheid
Dit wetsvoorstel bevat maatregelen die ervoor zorgen dat iedereen de mogelijkheid krijgt om zich te ontwikkelen naar gelang hun interesse en vermogen. Zo maakt dit wetsvoorstel het verzorgen van opleidingen educatie in Caribisch Nederland mogelijk, om bijvoorbeeld de geletterdheid van de beroepsbevolking te vergroten. Daarnaast voorziet dit wetsvoorstel in de mogelijkheid voor LLO. Op deze manier kan iedereen in de beroepsbevolking hun participatie op de arbeidsmarkt vergroten. Kortom, dit wetsvoorstel vergroot de kansen van de beroepsbevolking in Caribisch Nederland, ongeacht hun gender.
12. Toezicht en rechtsbescherming
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van de toezichthoudende taak
adviseert de Inspectie om ROA CN expliciet in de WOT te benoemen. De
regering merkt hierbij op dat ROA CN, EOZ en het samenwerkingsverband CN
nu reeds organisaties zijn waarop de Inspectie toezicht kan houden. Dit
geldt ook voor het college van burgemeester en wethouder of het
bestuurscollege. Deze organisaties respectievelijk bestuursorganen
hebben immers taken toebedeeld gekregen van de wetgever en worden om die
reden genoemd in de WVO 2020, WEB BES, WEB en andere onderwijswetten. Op
grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de WOT heeft
de inspectie als taak om toezicht (in de zin van artikel 5:11 en
volgende van de Algemene wet bestuursrecht) te houden op de naleving van
de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften. In deze
wetsbepaling zit geen beperking van dit toezicht tot
onderwijsinstellingen. Er kan echter verwarring ontstaan over de
bevoegdheden van de Inspectie, omdat de SBB en de samenwerkingsverbanden
(in het kader van passend onderwijs) wel apart worden genoemd in de WOT.
De reden hiervoor is niet gelegen in de noodzaak om de bevoegdheid tot
toezicht te reguleren, maar om te bepalen op welke wijze de Inspectie
toezicht zal houden.
Een gemeentelijk of eilandelijk orgaan of functionaris kan op grond van
een onderwijswet wettelijke taken hebben gekregen. Een voorbeeld hiervan
is de uitvoering van de Leerplichtwet of het voorkomen van voortijdig
schoolverlaters. Er is geen wettelijk beletsel dat de Inspectie hierop
fungeert als toezichthouder. De minister van OCW kan op grond van
artikel 124b Gemeentewet vervangende handhavingsbesluiten nemen.
Aangezien de Gemeentewet niet van toepassing is in Caribisch Nederland,
is daar de Wet openbare lichamen BES van belang. In laatstgenoemde wet
kan de Rijksvertegenwoordiger of een andere autoriteit hier een rol
spelen Het gaat dan om de indeplaatsstelling door het bestuurscollege
bij taakverwaarlozing van medebewindstaken door de eilandsraad (artikel
230 WolBES), indeplaatsstelling door de Rijksvertegenwoordiger bij
taakverwaarlozing van medebewindstaken door het bestuurscollege of
gezaghebber (artikel 231 WolBES), de mogelijkheid voor de
verantwoordelijk minister om de Rijksvertegenwoordiger aanwijzingen te
geven (artikel 205, tweede lid WolBES) of schorsing en vernietiging door
de Kroon van besluiten wegens strijd met het recht of het algemeen
belang (artikel 219 en volgende WolBES).
II. Artikelsgewijs
Artikel I. Wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs
Artikel I, onderdeel A (artikel 1.1.1 WEB)
Aan de begripsbepalingen in de WEB worden ten behoeve van het gebruik van deze wet in het rechtsverkeer met en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (tezamen ook wel Caribisch Nederland genoemd) vijf begrippen toegevoegd. Deze begrippen zijn specifiek van belang voor Caribisch Nederland. Omdat de WEB BES wordt ingetrokken met dit wetsvoorstel, moeten de specifiek voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba relevante regels voortaan in de WEB worden geregeld. Deze drie eilanden zijn in de artikelen 2 tot en met 4 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangemerkt als openbare lichamen. Een openbaar lichaam is het meest te vergelijken met een gemeente maar vormt een bijzondere bestuurslaag naast de provincies en gemeenten op grond van artikel 132a van de Grondwet. Ieder openbaar lichaam wordt bestuurd door een bestuurscollege, bestaande uit gezaghebber en eilandsgedeputeerden. Een bestuurscollege is daarmee vergelijkbaar met een college van burgemeester en wethouders volgens de Gemeentewet. Omdat bestuurscolleges belangrijke taken hebben als het gaat om opleidingen educatie en het bestrijden van voortijdig schoolverlaten, wordt dit begrip ook opgenomen in de begripsbepalingen.
In artikel 11.16, vierde lid, WVO 2020 is reeds geregeld dat ieder openbaar lichaam over een samenwerkingsverband passend onderwijs beschikt. Anders dan in Europees Nederland neemt ook een mbo-instelling deel aan dit samenwerkingsverband. Dit bijzondere samenwerkingsverband wordt in de WEB en de WVO 2020 vanwege het onderscheid met andere samenwerkingsverbanden aangeduid met de letters ‘CN’.
Een andere organisatie die alleen actief is in Caribisch Nederland is het expertisecentrum onderwijszorg (EOZ) dat in de WEB wordt geïntroduceerd om dezelfde reden als het samenwerkingsverband CN. Dit EOZ wordt reeds genoemd in de WEB BES en in hoofdstuk 11 van de WVO 2020. Ieder openbaar lichaam heeft zijn eigen EOZ, aldus artikel 11.19, tweede lid, WVO 2020. Het is een door de minister van OCW aangewezen rechtspersoon die als taak heeft deskundige ondersteuning te bieden aan leerlingen en studenten met een specifieke onderwijsbehoefte, waarin de school of mbo-instelling redelijkerwijs zelf niet kan voorzien. Zie verder artikel 11.18, eerste lid, WVO 2020, waar de belangrijkste wettelijke taken van het expertisecentrum zijn opgesomd.
Tot slot is het nodig de begripsbepalingen van “bevoegd gezag” en “exameninstelling” in technische zin te wijzigen vanwege de verplaatsing van de inhoud van artikel 1.6.1 over de exameninstelling naar artikel 6.3.1. WEB.
Artikel I, onderdeel B (artikel 1.5.3 WEB)
Met de “onverminderd”-constructie in artikel 1.5.3, tweede lid, van de WEB wordt een geografische taakafbakening bewerkstelligd tussen de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB) en de Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) voor wat betreft de erkenning van leerbedrijven. Die taakverdeling wordt als volgt: SBB is ten algemene bevoegd om leerbedrijven te erkennen. Een andere belangrijke wettelijke taak van SBB is het doen van voorstellen voor de inrichting van de landelijke kwalificatiestructuur. In erkende leerbedrijven doet een student de beroepspraktijkvorming als bepaald in artikel 7.2.8, eerste lid, van de WEB. Dit onderricht in de praktijk van het beroep waarvoor wordt opgeleid, is een wezenlijk onderdeel van iedere beroepsopleiding. SBB en ROA CN controleren of de leerbedrijven zich aan de erkenningsvoorwaarden houden en schorten zo nodig de erkenning op of trekken deze in. Dit is allemaal al geregeld in de huidige WEB.
Door de onderhavige wijziging in artikel 1.5.3, tweede lid, van de WEB wordt ROA CN specifiek bevoegd om leerbedrijven te erkennen op de openbare lichamen. Deze taakafbakening met SBB komt de doelmatigheid ten goede. ROA CN is gevestigd op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
De verdere taakafbakening tussen SBB en ROA wordt verder aan beide organisaties overgelaten op grond van het voorgestelde artikel 1.6.8, tweede lid, WEB. Op grond van artikel 1.6.6, derde lid, WEB kan de regering zo nodig regels stellen over die taakverdeling.
Artikel I, onderdeel C (artikel 1.6.1 WEB)
De inhoud van artikel 1.6.1 (oud) over de erkenning van exameninstellingen wordt samengevoegd met het bestaande artikel 6.3.1 over exameninstellingen, gelet op de overlap tussen beide bepalingen. Hiermee kan artikel 1.6.1 (oud) vervallen. Dit heeft ook gevolgen voor enkele begripsbepalingen in artikel 1.1.1 zoals hierboven toegelicht.
Artikel I, onderdeel D (titel 1.6 WEB)
Titel 6. Caribisch Nederland
Nu de artikelen van de WEB, op enkele uitzonderingen na, ook van toepassing worden in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba dient duidelijk te zijn welke regel waar en wanneer van toepassing is. Uitgangspunt is dat de WEB van toepassing blijft op het Europese deel van Nederland en van toepassing wordt op het Caribische deel van Nederland. In beginsel geldt de wet dus voor heel Nederland. De uitzonderingen of verbijzonderingen voor de openbare lichamen zullen aan het eind van ieder hoofdstuk worden gemaakt. Met dit wetsvoorstel zal er aan het eind van ieder hoofdstuk een extra titel worden toegevoegd die regelt welke artikelen van dat betreffende hoofdstuk niet van toepassing zijn op Caribisch Nederland of anders moeten worden gelezen. Ook kunnen in die titel regels worden gesteld die uitsluitend voor de openbare lichamen gelden en daarmee dan niet voor Europees Nederland.
Bij verwijzingen naar andere Nederlandse wetgeving in de WEB gaat het vaak om verwijzingen naar specifieke BES-wetgeving, zodat de bepaling wel van toepassing is in Caribisch Nederland, maar de verwijzing anders moet worden gelezen. Ter illustratie hiervan: artikel 1.3.8 WEB bevat een aangifteplicht bij vermoedelijke zedenmisdrijven. Daarbij wordt verwezen naar een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikelen 127 juncto 141 van het Wetboek van Strafvordering. Hiermee wordt de politie bedoeld. In Caribisch Nederland is dat Wetboek niet van toepassing, zodat dat letterlijk genomen tot gevolg zou hebben dat er geen aangifte bij de politie in een openbaar lichaam maar in Europees Nederland zou moeten worden gedaan. Dit is natuurlijk niet de bedoeling. Daarom wordt in artikel 1.6.2 WEB bepaald dat in plaats daarvan aangifte moet worden gedaan bij de opsporingsambtenaar, genoemd in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES. Dit is de politie in Caribisch Nederland.
Artikel 1.6.1 WEB (nieuw)
Ten algemene regelt het voorgestelde artikel 1.6.1 dat een aantal bestuursbegrippen in de wet ten aanzien van de openbare lichamen anders moet worden gelezen. Dit heeft louter en alleen te maken met het feit dat de drie eilanden als decentrale overheid binnen de Nederlandse staat formeel geen gemeente zijn, maar andere openbare lichamen op grond van artikel 132a van de Grondwet. Dit betekent dat zij een eilandsraad in plaats van gemeenteraad hebben en een bestuurscollege met gezaghebber en eilandsgedeputeerden in plaats van een college van burgemeester en wethouders.
Artikel 1.6.2 WEB (Verwijzing naar toepasselijk strafrecht Caribisch Nederland)
Met het eerste lid van deze voorgestelde bepaling wordt duidelijk gemaakt dat de eigen wetboeken van strafrecht en strafvordering van toepassing zijn op de openbare lichamen, zodat de verwijzingen in de WEB ook anders moeten worden gelezen. In heel Nederland geldt feitelijk steeds de verplichting voor het bevoegd gezag van een mbo-instelling om aangifte te doen bij de politie of andere bevoegde opsporingsambtenaar, van een mogelijk zedenmisdrijf door een personeelslid jegens een minderjarige student. Wel dient het bevoegd gezag van de mbo-instelling voorafgaand aan de aangifte eerst in overleg te treden met de vertrouwensinspecteur bij de Inspectie. Dit volgt uit artikel 6 van de WOT.
Artikel 1.6.3 WEB (Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling)
In Europees Nederland is een bevoegd gezag op grond van artikel 1.3.9 WEB verplicht voor zijn personeel een meldcode vast te stellen over het melden van signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. De meldcode is gebaseerd op Europees-Nederlandse wetten op het gebied van jeugdzorg, die in Caribisch Nederland niet van toepassing zijn.
Voor Caribisch Nederland zijn over dit onderwerp regels gesteld in paragraaf 3.2 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning en bestrijding huiselijk geweld en kindermishandeling BES (dat is gebaseerd op de artikelen 18.4.5 en 18.4.7i van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba). Op grond van artikel 3.7, eerste lid, onderdeel f, van genoemd besluit stelt het bevoegd gezag van een mbo-instelling een beschermingscode huiselijk geweld vast voor de medewerkers. Omdat dit onderwerp daarmee reeds elders geregeld is, is artikel 1.3.9 WEB niet van toepassing in Caribisch Nederland.
Artikel 1.6.4 WEB (Meldplicht onderwijslocatie Caribisch Nederland)
Met het voorgestelde artikel 1.6.4 WEB wordt geregeld dat iedere onderwijslocatie in Caribisch Nederland waar beroepsonderwijs of een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs wordt verzorgd, moet worden gemeld aan de minister van OCW. De verplichting ziet zowel op het bekostigd onderwijs als op het niet-bekostigd onderwijs met diploma-erkenning. DUO registreert deze locaties in de Registratie instellingen en opleidingen (RIO) respectievelijk het register opleidingen educatie als bedoeld in artikel 6a.1.1 WEB. Deze verplichting geldt alleen voor zover het onderwijs betreft dat wordt verzorgd in een openbaar lichaam. Dit is nodig, omdat er verschillende bekostigingsmodellen bestaan voor het onderwijs in Europees Nederland en Caribisch Nederland en teneinde zicht te houden op de ontwikkeling van niet-bekostigde opleidingen in Caribisch Nederland. Zonder deze verplichting kan DUO geen administratieve controle uitvoeren en de Inspectie van het onderwijs geen effectief toezicht houden. Deze verplichting geldt met de inwerkingtreding van het artikel ook voor een bevoegd gezag dat reeds bevoegd is bekostigd beroepsonderwijs of een opleiding vavo aan te bieden of reeds een erkenning heeft en voornemens is een opleiding te gaan verzorgen in een openbaar lichaam.
Artikel 1.6.5 WEB (Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland)
De voorgestelde artikelen 1.6.5 en volgende hebben betrekking op de Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland. ROA CN behoudt enkele wettelijke taken op de openbare lichamen, zij het dat die taak minder omvangrijk zal zijn dan op grond van de WEB BES. Tegelijkertijd krijgt ROA CN ook nieuwe taken met dit wetsvoorstel. Deze raad is in bepaalde opzichten het equivalent van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB).
Het voorgestelde artikel 1.6.5 regelt dat de minister van OCW een privaatrechtelijke stichting aanwijst die de wettelijke taken als ROA CN uitvoert. Nu ROA CN deze taken uitoefent naast SBB en ook een ander takenpakket alsmede een ander geografisch werkgebied heeft dan SBB, hoeven er geen specifiek inhoudelijke eisen meer aan het bestuur van ROA CN te worden gesteld. ROA CN hoeft immers geen voorstellen te doen voor de landelijke kwalificatiestructuur van beroepsonderwijs. Dat blijft de uitsluitende taak van SBB. ROA CN speelt wel een belangrijke rol voor de erkenning van leerbedrijven in Caribisch Nederland, alsmede voor de bevordering van de kwaliteit van die leerbedrijven.
Ingevolge het tweede lid blijft de minister van OCW wel in algemene zin bevoegd eisen te stellen aan het bestuur van ROA CN en de interne organisatie ervan, doordat dit tweede lid de minister een instemmingsrecht geeft op de statuten van de rechtspersoon, alsmede op een eventueel bestuursreglement. De minister is hierbij gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en er mogen geen onredelijke eisen worden gesteld. Het derde lid brengt met zich dat uitsluitend de minister van OCW bevoegd is te besluiten tot benoeming of ontslag van de voorzitter of diens plaatsvervanger van ROA CN vanwege het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 1.5.2, derde lid, WEB.
De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing in Caribisch Nederland. Daarmee is de ministeriële verantwoordelijkheid voor en de democratische controle op de ROA CN onvoldoende geregeld. Om toch gebruik te kunnen maken van enkele instrumenten voor toezicht op en sturing van zelfstandige bestuursorganen worden in het vierde lid diverse bepalingen uit de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen expliciet van toepassing verklaard. ROA CN zal voor de uitvoering van zijn wettelijke taken exploitatiesubsidie ontvangen met inachtneming van de begrotingsruimte voor het ministerie van OCW aldus het vijfde lid. Daarbij is omwille van de rechtszekerheid ook bepaald dat titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op die subsidierelatie.
Artikel 1.6.6 WEB (Wettelijke taken Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland)
Het voorgestelde artikel 1.6.6 WEB bevat de wettelijke taken die ROA CN heeft naast de erkenning en controle van leerbedrijven die in het voorgestelde artikel 1.6.7 WEB wordt geregeld. ROA CN verliest met dit wetsvoorstel enkele taken die het krachtens de WEB BES nu wel heeft. Zo is het niet meer nodig dat ROA CN voorstellen doet over de bekostiging van het beroepsonderwijs voor Caribisch Nederland, nu uitgangspunt wordt dat een bekostigde instelling, ook in een openbaar lichaam, behoorlijk veel autonomie krijgt bij het bepalen van haar opleidingsaanbod, indien daarbij voor iedere beroepsopleiding de randvoorwaarden voldoende kwaliteit, en de zorgplichten doelmatigheid en arbeidsmarktperspectief in acht worden genomen.48
Er is echter wel een extra drempel nodig om te ontmoedigen dat er te snel nieuwe opleidingen worden aangeboden waarvoor te weinig erkende leerbedrijven beschikbaar zijn of die nauwelijks of geen arbeidsmarktperspectief zullen hebben. Die drempel zal bestaan uit een verplicht advies van ROA CN aan het bevoegd gezag van de instelling over die nieuwe opleiding, voorafgaand aan de start ervan. Onderdeel van het advies is of er voldoende leerbedrijven beschikbaar zijn om de beroepspraktijkvorming te kunnen volgen. Dit is geregeld in het eerste lid van het voorgestelde artikel 1.6.4 WEB. In combinatie met het voorgestelde artikel 6.5.1 WEB leidt dit ertoe dat voorafgaand aan het starten van een beroepsopleiding eerst advies van ROA CN over het nut van die opleiding moet worden gegeven.
Tevens is in dit lid geregeld dat ROA CN een dergelijk advies kan uitbrengen over een beroepsopleiding die reeds wordt verzorgd in een openbaar lichaam, indien daartoe aanleiding is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als er signalen zijn dat er structureel onvoldoende leerbedrijven beschikbaar zijn om de beroepspraktijkvorming te vervullen of als er tekenen zijn dat studenten niet binnen redelijke tijd na hun afstuderen het vak waarvoor zij zijn opgeleid kunnen uitoefenen. Niet in alle gevallen behoeft dit advies te worden gedeeld met de minister van OCW. Maar dit ligt wel in de rede als er serieuze problemen dreigen te ontstaan of reeds zijn ontstaan. Deze afwijking ten opzichte van Europees Nederland is nodig, omdat studenten in een openbaar lichaam veel minder mogelijkheden hebben om over te stappen naar een andere opleiding.
Dat advies kan voor de minister van OCW aanleiding zijn om de rechten op bekostiging en het mogen uitreiken van een officieel diploma niet toe te kennen dan wel op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onderdeel c, van de WEB te ontnemen voor die opleiding. Zo nodig kan de minister dan op grond van artikel 6.1.4a van de WEB een tweede advies vragen aan de Commissie macrodoelmatigheid mbo, voordat hij een besluit neemt. Afhankelijk van het tijdsverloop kan dit betekenen dat studenten niet aan hun gekozen opleiding kunnen beginnen omdat die niet zal worden bekostigd en geen officieel diploma kent, dan wel zullen stoppen met hun opleiding. Immers, de opleiding vervolgen betekent dat er geen sprake meer is van een beroepsopleiding in de zin van de WEB en dat er geen officieel diploma meer kan volgen. Dat zal voor de meeste studenten betekenen dat zij willen stoppen. Alleen indien een instelling tevens in het bezit is van een recht op diploma-erkenning voor diezelfde opleiding zou de student kunnen overstappen naar die niet-bekostigde opleiding en zo zijn opleiding kunnen voltooien. Een erkenning in de zin van artikel 1.4.1 van de WEB vraagt om een aparte procedure en een apart besluit.49 Het is van belang te beseffen dat de WEB op dit punt dus verschilt van de WEB BES. Volgens deze laatste wet moet (nu nog) eerst een diploma-erkenning worden aangevraagd en kan er daarna een apart besluit worden genomen omtrent bekostiging van die opleiding uit de openbare kas.
Een besluit tot ontneming van rechten brengt dus meestal met zich dat studenten hun beroepsopleiding elders zullen moeten vervolgen. Aangezien er slechts één bekostigde mbo-instelling in Caribisch Nederland is, zal dat betekenen dat deze studenten hun beroepsopleiding in Europees Nederland zouden moeten vervolgen of elders in de Caribische regio een daarmee vergelijkbare opleiding gaan volgen. Of dat zij moeten kiezen voor een andere beroepsopleiding aan de SGB. Het bijzondere van een eiland met slechts één instelling voor beroepsonderwijs is immers dat er hetzij (tijdelijk) verhuisd moet worden, hetzij voor een andere opleiding op het eiland moet worden gekozen. Nog onwenselijker is dat de student helemaal stopt met het volgen van onderwijs. De toepassing van artikel 6.1.4, derde lid, van de WEB, is in een openbaar lichaam als Bonaire kan daarmee problematisch zijn. Om die reden wordt voorgesteld in artikel 6.5.3 WEB om dat lid niet van toepassing te laten zijn in Caribisch Nederland, zodat er in plaats daarvan kan worden voorzien in maatwerk.
Het tweede lid bepaalt dat ROA CN als vertegenwoordiger van het beroepsonderwijs in de openbare lichamen voorstellen kan doen aan SBB voor kwalificatiedossiers of onderdelen ervan, zoals keuzedelen, die specifiek van belang zijn voor de arbeidsmarkt op de openbare lichamen. Het ligt voor de hand dat ROA CN hierbij zoveel mogelijk samen zal optrekken met het bevoegd gezag van een mbo-instelling en de werkgevers in Caribisch Nederland. Indien zo’n voorstel daadwerkelijk leidt tot een aanpassing van de landelijke kwalificatiestructuur zal SBB op grond van artikel 7.2.4, derde lid, van de WEB daarvan ook melding doen. Deze taak heeft ROA CN nu ook al op grond van artikel 1.5.2, derde lid, WEB BES maar dan aan de minister van OCW. Nu de kwalificaties op voorstel van SBB door de minister van OCW worden vastgesteld, is ervoor gekozen dat ROA CN zich rechtstreeks richt tot SBB, zodat in overleg met die organisatie de noodzaak van een toevoeging aan de kwalificatiestructuur, in het bijzonder voor de situatie op de openbare lichamen, kan worden besproken en beoordeeld.
Het derde lid bepaalt dat in lagere regelgeving nog extra taken aan ROA CN kunnen worden toebedeeld. Zo blijft bijvoorbeeld de mogelijkheid open om aan ROA CN als taak de erkenning van leerbedrijven in de zin van de WEB of WVO 2020 in de drie andere landen van het Koninkrijk toe te bedelen. Het vierde lid bepaalt dat ROA CN geen andere taken uitvoert dan zijn wettelijke taken. Dit is opgenomen omdat het een privaatrechtelijke stichting is, die zonder dit wettelijke beding in beginsel ook andere taken zou kunnen oppakken.
Artikel 1.6.7 WEB (Erkenning leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming in Caribisch Nederland)
Het eerste lid van het voorgestelde artikel 1.6.7 bepaalt dat ROA CN als taak heeft de kwaliteit en de beschikbaarheid van leerbedrijven in de openbare lichamen te bevorderen. Deze taak heeft de raad nu ook al op grond van artikel 1.5.2, vijfde lid, WEB BES.
Het tweede lid van het voorgestelde artikel 1.6.7 geeft ROA CN als taak om een leerbedrijf in een openbaar lichaam te erkennen indien dat leerbedrijf voldoet aan de erkenningsvoorwaarden. SBB stelt bij regeling de erkenningsvoorwaarden vast. Daarnaast zijn ook de voorwaarden van artikel 1.5.3, derde en vierde lid, WEB, van toepassing op een erkenning door ROA CN. Dit betekent dat ieder leerbedrijf ten minste eenmaal per vier jaren moet worden gecontroleerd en dat een erkenningsbesluit moet worden ingetrokken als het leerbedrijf niet meer aan de erkenningsvoorwaarden voldoet. Dit wordt geregeld in het voorgestelde artikel 1.6.7, tweede en derde lid, van de WEB. Het vierde lid bepaalt dat ROA CN een erkend leerbedrijf ten minste elke vier jaar controleert. Voor SBB geldt hetzelfde op grond van artikel 1.5.1, eerste lid, onderdeel d, WEB.
Artikel 1.6.8 WEB (Taakverdeling SBB en ROA CN)
ROA CN behoudt met dit wetsvoorstel een eigenstandige positie naast SBB, maar maakt tegelijkertijd ook gebruik van enkele voorzieningen van SBB. Zo is de regeling van SBB voor erkenning van leerbedrijven na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ook van toepassing in Caribisch Nederland. En daarmee relevant voor ROA CN omdat ROA CN de leerbedrijven in Caribisch Nederland erkent, controleert op het voldoen aan de erkenningsvoorwaarden en zelfstandig bevoegd is een erkenning op te schorten dan wel in te trekken.
Tegelijkertijd is het van belang dat er geen dubbel werk wordt gedaan. Daarom wordt voorgesteld met artikel 1.6.8, eerste lid, van de WEB te regelen dat een besluit van ROA CN omtrent erkenning, waaronder de opschorting of intrekking van de erkenning van een leerbedrijf, voor alle studenten beroepsonderwijs in heel Nederland relevant is. Zo’n besluit heeft dus rechtsgevolg voor heel Nederland. En andersom geldt dat een beschikking van SBB ook rechtsgevolg heeft voor studenten die hun beroepsopleiding volgen in Caribisch Nederland, zodat ook studenten van bijvoorbeeld een Bonairiaanse beroepsopleiding niet hun beroepspraktijkvorming kunnen volgen bij een leerbedrijf in Europees Nederland waarvan de erkenning is ingetrokken door SBB. SBB heeft als taak om een lijst bij te houden en te publiceren van alle erkende leerbedrijven in heel Nederland. Die lijst moet dus ook de erkenningen en opschortingen of intrekkingen daarvan door ROA CN bevatten. Het tweede lid van artikel 1.6.8 bepaalt dat ROA CN en SBB een doelmatige samenwerking tussen beide organisaties bevorderen.
Artikel I, onderdelen E en G (hoofdstuk 1, titel 7, en artikel 2.2.6 WEB)
Artikel 1.7.1 WEB bepaalt nu reeds onder welke voorwaarden een instelling ook andere activiteiten dan haar bekostigde wettelijke taak mag uitvoeren. Het gaat dan om wat ook wel wordt genoemd private activiteiten. Contractactiviteiten zijn een variant hiervan. Het kader voor deze contractactiviteiten, dat nu nog geregeld is in artikel 1.7.1 WEB, wordt vanwege de samenhang met private activiteiten verplaatst naar artikel 2.2.6 in de vorm van het voorgestelde eerste tot en met vierde lid, WEB. In dat artikel worden de huidige artikelen 1.7.1 en 2.2.6 samengevoegd.
De WEB BES kent geen pendant van artikel 1.7.1 WEB. Er is echter geen reden om dit niet ook te reguleren voor de mbo-instelling in Bonaire. Er wordt dus niet voorzien in een afwijking ten behoeve van Caribisch Nederland. Onderdeel E regelt tot slot dat titel 7 van hoofdstuk 1 komt te vervallen. Door artikel 1.7.1 terug te laten keren in de WEB als artikel 2.2.6, eerste tot en met vierde lid, bevat titel 7 van hoofdstuk 1 immers geen bepalingen meer.
Artikel I, onderdelen F en H (artikelen 2.2.2, zevende lid en 2.2a.2, vijfde lid, WEB)
Nu de WEB mede betrekking zal hebben op het bekostigde beroepsonderwijs in het openbare lichaam Bonaire, moet worden gespecificeerd welk deel van Nederland wordt bedoeld in artikel 2.2.2, zevende lid, van de WEB. Deze bepaling is van meet af aan bedoeld om misbruik van bekostiging te voorkomen. Toen het zevende lid is ingevoegd in de wet in 2007, bestond het onderwijsnummer nog niet. Dit nummer wordt juist ingevolge artikel 8.1.1a WEB aangemaakt voor studenten die bij aanmelding en daaropvolgende inschrijving (nog) niet beschikken over een burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer omdat zij geen ingezetene van het Europese deel van Nederland zijn of als gevolg van een lopende administratieve procedure nog niet als zodanig zijn geregistreerd. De nieuwe formulering neemt mogelijke verwarring weg door dit onderwijsnummer alsnog te noemen. De bestaande zinsnede dat de beroepspraktijkvorming ook in het Europese deel van Nederland moet worden gevolgd, komt echter te vervallen in de nieuwe redactie. Het komt immers geregeld voor dat (een deel van) de beroepspraktijkvorming in Caribisch Nederland wordt gevolgd of elders in de wereld, mits er maar sprake is van een door SBB of ROA erkend leerbedrijf. Alleen daar mag de student zijn beroepspraktijkvorming volgen om in aanmerking te komen voor een diploma.
Onderdeel H, betreffende artikel 2.2a.2, vijfde lid, WEB wijzigt voor een bekostigde opleiding vavo om dezelfde reden als hiervoor genoemd voor het beroepsonderwijs, wanneer vavo-studenten, gelet op hun woonplaats, meetellen voor de bekostiging.
Artikel I, onderdeel I (hoofdstuk 2, titel 8, WEB)
Zoals eerder aangegeven wordt in beginsel aan het slot van ieder hoofdstuk een titel toegevoegd die specifieke bepalingen inzake de openbare lichamen bevat. Hoofdstuk 2 krijgt daarom een nieuwe titel 8 voor de openbare lichamen.
Artikel 2.8.1 WEB (Vestigingsplaats bekostigde beroepsopleiding Caribisch Nederland)
Met het voorgestelde artikel 2.8.1 WEB wordt in bepaalde gevallen een toets vooraf voor het starten van een bekostigde beroepsopleiding ingevoerd in de WEB. Hier is sprake van een afwijking (explain) ten opzichte van de thans algemeen geldende situatie voor het bekostigde beroepsonderwijs.
In het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs (zie de artikelen 4.20 en 4.16 WVO 2020 respectievelijk artikel 7.17 WHW) is voor bijna iedere fysieke verplaatsing of opening van een nieuwe school dan wel opleiding of voor het openen van een nevenvestiging van een bekostigde instelling of school in een andere gemeente vooraf ministeriële goedkeuring vereist.50 Zonder die goedkeuring komt de school of opleiding niet meer voor bekostiging in aanmerking en vervalt het recht op het uitreiken van officiële getuigschriften.
Het beroepsonderwijs kent daarentegen slechts een meldplicht voor de start van een nieuwe opleiding (artikel 6.1.2 WEB), alsmede de zorgplichten doelmatigheid en arbeidsmarktperspectief, geregeld in artikel 6.1.3, derde respectievelijk eerste lid, van de WEB. Met deze meldplicht worden andere instellingen vooraf ingelicht over het voornemen van een andere instelling. Deze vorm van gecontroleerde zelfregulering moet voorkomen dat er een wildgroei aan opleidingen ontstaat. Na een eventueel advies van de Commissie macrodoelmatigheid mbo kan de minister van OCW tot de slotsom komen dat een nieuwe opleiding niet aan een of beide zorgplichten voldoet. Dat kan leiden tot het besluit dat de opleiding niet (langer) voor bekostiging in aanmerking komt en dat evenmin officiële getuigschriften mogen worden uitgereikt. Gelet op het tijdsverloop van deze procedure is hier vooral sprake van een beoordeling achteraf. Het beroepsonderwijs kent dus in de praktijk een grote mate van vrijheid van vestiging en geen stelselmatige toets vooraf.
In Caribisch Nederland is een expliciete toets vooraf echter wel nodig. Op Bonaire is slechts één bekostigde instelling, die relatief klein is in vergelijking tot andere instellingen, terwijl beroepsonderwijs in de zin van de WEB in zijn geheel ontbreekt op de beide bovenwindse eilanden.51 Zonder deze extra toets vooraf zou iedere reeds bekostigde instelling in Europees Nederland zelf kunnen beslissen een nevenvestiging te openen op een van de bijzondere gemeenten. En daar nieuwe bekostigde opleidingen kunnen gaan aanbieden. De studenten op de openbare lichamen en de reeds bestaande instelling voor beroepsonderwijs verdienen hiertegen bescherming. De huidige wettelijke voorschriften schieten hier tekort. Indien immers na verloop van tijd zou blijken dat een opleiding niet doelmatig is of onvoldoende arbeidsmarktperspectief kent, kunnen bijgevolg de rechten op bekostiging en om officiële getuigschriften uit te reiken voor die opleiding worden ingetrokken. Dit zou ertoe leiden dat studenten met die opleiding moeten stoppen. In Europees Nederland kan een student dan meestal nog zijn opleiding aan een andere instelling vervolgen. In Caribisch Nederland betekent het stoppen van een opleiding het eiland verlaten. Dit kan ertoe leiden dat de student plotsklaps voortijdig schoolverlater wordt, of noodgedwongen een andere opleiding moet kiezen die minder bij zijn of haar wensen aansluit, dan wel moet verhuizen naar Europees Nederland indien hij of zij vastbesloten is die opleiding te volgen. Dit zijn ingrijpende en ongewenste gevolgen, waarop de student onvoldoende zal zijn voorbereid. Dit nieuwe vestigingsbeleid geldt alleen voor Caribisch Nederland. Dit om te voorkomen dat een instelling die nu nog niet in een openbaar lichaam is gevestigd met de komst van dit wetsvoorstel daartoe alsnog zou overgaan. Op grond van het tweede lid is het echter niet uitgesloten dat een Europees-Nederlandse instelling haar bekostigde opleidingen ook wil gaan aanbieden in een openbaar lichaam. Op aanvraag zal de minister van OCW daarover een besluit nemen.
Het derde lid geeft de criteria weer die zullen worden gebruikt bij de beoordeling van een aanvraag van een andere instelling om een beroepsopleiding te gaan aanbieden in een openbaar lichaam. Het gaat hier uitsluitend om het starten van een nieuwe opleiding in een openbaar lichaam zonder betrokkenheid van een reeds in het openbaar lichaam gevestigde instelling. In geval van samenwerking bestaan er twee varianten. De eerste variant is een samenwerking waarbij de instelling als bedoeld in het voorgestelde artikel 2.8.1, eerste lid, van de WEB een deel van haar onderwijsprogramma uitbesteed aan een andere instelling, maar wel zelf verantwoordelijk blijft voor de beroepsopleiding. In die situatie is het artikel niet van toepassing. Op grond van thema 1 uit de notitie ‘Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie 2004’, in samenhang gelezen met de aanvullende Kamerbrief uit 2007,52 is dit onder omstandigheden toegestaan. Een andere variant is het samenwerkingscollege als bedoeld in artikelen 8.6.1 en volgende van de WEB. Bij een samenwerkingscollege nemen twee of meer instellingen gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een beroepsopleiding of opleiding vavo en maken zij daartoe afspraken over onder andere de onderlinge taakverdeling en de inzet van personeel. Als daarbij een instelling betrokken is die reeds op 1 januari 2024 was gevestigd in een openbaar lichaam, is eveneens geen ministeriële goedkeuring vooraf nodig als bedoeld in artikel 2.8.1 van de WEB.
Maatschappelijke behoefte is een criterium dat ook wordt gebruikt bij het besluit omtrent bekostiging van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs op grond van artikel 2.1.2, tweede lid, van de WEB. Ook kan de minister rekening houden met het onderwijsaanbod in de andere landen van het koninkrijk.
Het vierde lid regelt dat zo nodig aan een besluit tot goedkeuring beperkingen in de tijd en andere voorwaarden kunnen worden gesteld. Het vijfde lid beoogt de instelling die toestemming krijgt om een nieuwe opleiding te starten te stimuleren dat dan ook binnen een jaar te gaan doen. Met het zesde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels gesteld gaan worden. Daarbij gaat het in ieder geval om de informatie die nodig is om een aanvraag te kunnen beoordelen.
Artikel 2.8.2 WEB (Anders te lezen verwijzingen hoofdstuk 2, titel 1, in Caribisch Nederland)
Het voorgestelde artikel 2.8.2 is een hulpmiddel om de artikelen 2.1.5 en 2.1.7 op een goede manier te kunnen toepassen in het rechtsverkeer op en met Caribisch Nederland. In het eerstgenoemde artikel gaat het dan om de correcte verwijzingen naar de privaatrechtelijke begrippen fusie en splitsing in het Burgerlijk Wetboek BES. Bij artikel 2.1.7 gaat het erom dat de uitspraak van de bevoegde rechter wordt meegezonden bij een fusie-aanvraag. Dit zou het geval kunnen zijn wanneer een eventueel voornemen voor fusie heeft geleid tot een gerechtelijke procedure met een medezeggenschapsraad. In dat geval moet de uitspraak van de rechter omtrent het medezeggenschapsgeschil met de aanvraag tot fusie worden meegezonden. Voor een instelling in een openbaar lichaam is dat dan niet de uitspraak van de Ondernemingskamer te Amsterdam, maar die van het Gemeenschappelijk Hof te Curaçao.
Artikel 2.8.3 WEB (Afwijkende bekostiging beroepsonderwijs Caribisch Nederland)
Eerste lid
Op grond van het voorgestelde eerste lid van artikel 2.8.3 WEB kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat er voor de bekostiging van het beroepsonderwijs in een openbaar lichaam andere maatstaven mogen worden gehanteerd. Dit is thans al de praktijk. Anders dan in Europees Nederland is het aantal behaalde diploma’s (artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel b, WEB) geen relevante indicator voor de bekostiging voor het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland. Dit geldt ook voor het voortgezet onderwijs daar. Voor de volledigheid wordt hier ook al vermeld dat de lumpsumbekostiging geen huisvestingscomponent omvat, zolang een overgangsrechtelijke bepaling met betrekking tot de voorziening in de huisvesting, zoals tot nu toe opgenomen in artikel 11.1b WEB BES, niet is vervallen. Dit wordt geregeld in het overgangsrecht bij dit wetsvoorstel (artikel 13.2.6 WEB). Daarmee is er in Caribisch Nederland een andere berekeningswijze dan bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, WEB.
Tweede lid
Artikel 2.2.2, zevende lid, van de WEB over het meetellen voor de bekostiging van studenten met hun woonplaats in Europees Nederland, België of de aangrenzende bondsstaten van de Bondsrepubliek Duitsland kan om geografische redenen niet van toepassing zijn in Caribisch Nederland. Vanwege de integratie van de regels voor het Caribische deel van Nederland in de WEB wordt dat lid gewijzigd met dit wetsvoorstel. Dat zevende lid beperkt zich voortaan tot het meetellen van studenten, woonachtig in Europees Nederland (zie artikel I, onderdeel G) en het aangrenzende buitenland.
Daarnaast is het nodig een eigen bekostigingsregel te maken voor Caribisch Nederland als het gaat om de woon- of verblijfplaats van studenten beroepsonderwijs. Daarin voorziet het voorgestelde tweede lid van artikel 2.8.3 van de WEB. Voor het woonplaatsbegrip is aangesloten bij artikel 10, boek 1, Burgerlijk Wetboek BES.
Aangezien het praktisch en financieel onhaalbaar is voor een student om op een ander eiland te verblijven dan waar de instelling is gevestigd, wordt specifiek voor bekostigd beroepsonderwijs in een openbaar lichaam bepaald dat een student alleen kan meetellen voor de bekostiging indien hij ingezetene is van dat openbaar lichaam en aan die student daarbij een persoonsgebonden nummer is toegekend. Het persoonsgebonden nummer is het burgerservicenummer dan wel het door de minister uitgegeven onderwijsnummer als bedoeld in artikel 8.1.1a, vierde lid, WEB. De openbare lichamen kennen een eigen bevolkingsregister op grond van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES. Voorheen was de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer niet van toepassing in Caribisch Nederland. Onlangs is daar verandering in gekomen. Met de inwerkingtreding van de Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid BES, per 11 november 2025 is de mogelijkheid gecreëerd om een burgerservicenummer toe te kennen aan ingezetenen van Caribisch Nederland. De bedoeling is dat dat de uitwisseling van gegevens binnen de overheid en met de scholen vergemakkelijkt.
Derde lid
In diverse artikelen wordt bepaald dat een accountantsverklaring nodig is. Daarbij wordt verwezen naar het gereglementeerde beroep van accountant of andere personen die door de wetgever zijn aangewezen in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Alleen die personen zijn bevoegd de jaarrekening van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt te controleren en daarover een oordeel te geven. Nu in plaats van het Burgerlijk Wetboek in Caribisch Nederland het Burgerlijk Wetboek BES van toepassing is voor de openbare lichamen wordt verwezen naar de deskundige die de wetgever in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES heeft aangewezen. Overigens verklaart deze laatste bepaling deels dezelfde personen genoemd in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd door verwijzing naar dat artikel. Daarnaast zijn ook bepaalde personen bevoegd die voldoen aan wetgeving van de Verenigde Staten of in het bezit van een specifieke vergunning van de Minister van Financiën.
Artikel 2.8.4 WEB (Afwijkende bekostiging vavo Caribisch Nederland)
Waar artikel 2.8.3 WEB een van artikel 2.2.2, zevende lid, WEB afwijkende grondslag voor het tellen van studenten beroepsonderwijs bevat voor een bekostigde instelling in een openbaar lichaam, doet het voorgestelde artikel 2.8.4 WEB dat voor vavo-studenten in een openbaar lichaam, indien zij die opleiding ten minste volgen aan een instelling in een openbaar lichaam. Artikel 2.8.4 bevat daarmee een afwijking van artikel 2.2a.2, vijfde lid, WEB. Voor de bekostiging van het onderwijs op de openbare lichamen heeft artikel 2.8.4 WEB inzake het tellen van vavo-studenten dezelfde strekking als artikel 2.8.3 voor mbo-studenten. Zie daarom verder ook de toelichting op artikel 2.8.3, tweede en derde lid. Overigens moet de verwijzing in dat artikel naar een persoonsgebonden nummer op identieke wijze worden gelezen als voor de student mbo. Dit betekent dat zolang in de openbare lichamen geen burgerservicenummer is ingevoerd, gebruik gemaakt zal worden van het alternatieve onderwijsnummer als bedoeld in artikel 8.1.1a, vierde lid, WEB.
Artikel 2.8.5 WEB (Uitzonderingen aanbod opleidingen educatie Caribisch Nederland)
Dit voorgestelde artikel bepaalt dat de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.4 WEB over het aanbod aan en de specifieke uitkering voor de opleidingen educatie niet van toepassing zijn voor de openbare lichamen. Op deze artikelen wordt hierna achtereenvolgens ingegaan. Artikel 2.3.1 is niet van toepassing, omdat daarin is bepaald dat er regio’s zijn voor de coördinatie en financiering van opleidingen educatie. De bestuurscolleges van de openbare lichamen worden zelfstandig bevoegd hiervoor, omdat de openbare lichamen vooralsnog niet in een educatieregio zijn ingedeeld. Artikel 2.3.2 kan reeds uit zichzelf niet van toepassing zijn, omdat de Financiële-verhoudingswet niet van toepassing is in de openbare lichamen. De bestuurscolleges zullen ook geen specifieke uitkering krijgen voor de wettelijke taak om opleidingen educatie te doen aanbieden aan hun inwoners, maar zullen deze wettelijke opdracht moeten financieren uit hun vrije uitkering ingevolge artikel 88 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De strekking van artikel 2.3.2 WEB komt evenwel terug in het voorgestelde artikel 2.8.6. Ditzelfde geldt voor artikel 2.3.3, eerste lid. Dit lid is weliswaar niet van toepassing omdat er geen sprake is van een contactgemeente en regionaal programma op de openbare lichamen maar de strekking hiervan komt wel terug in artikel 2.8.6, eerste lid, WEB.
Artikel 2.8.6 WEB (Vervangende voorschriften opleidingen educatie Caribisch Nederland)
Zoals ook uitgelegd bij artikel 2.8.5 bevat het voorgestelde artikel 2.8.6 de voor de openbare lichamen relevante regels voor het (doen) verzorgen van een bij zijn inwoners passend aanbod van opleidingen educatie. Dit betreft volwassenenonderwijs, genoemd in artikel 7.3.1, eerste lid, van de WEB. In tegenstelling tot Europees Nederland kan het eilandelijk programma ook een opleiding vavo omvatten, als daaraan behoefte bestaat in het openbaar lichaam. Kortgezegd gaat het om tweedekansonderwijs voor volwassenen, gericht op het leren lezen en schrijven van de Nederlandse taal, dan wel het bereiken van een basisniveau voor rekenvaardigheden, zodat vervolgens het succesvol kunnen deelnemen aan een andere opleiding binnen bereik komt, dan wel hun zelfredzaamheid toeneemt in de samenleving of op de arbeidsmarkt. Het aanbod kan ook bestaan uit Nederlands als tweede of als vreemde taal. Op grond van het genoemde onderdeel f kunnen ook andere opleidingen worden aangewezen bij ministeriële regeling. Dit is al gebeurd voor digitale vaardigheden. Het eerste lid bepaalt dat het bestuurscollege uit de wettelijk beschikbare opleidingen educatie die opleidingen kiest waaraan zijn inwoners de meeste behoefte hebben. Die opleidingen worden verwerkt in een eilandelijk programma.
Het bestuurscollege maakt vervolgens afspraken met aanbieders van opleidingen educatie om die opleidingen te verzorgen conform het eilandelijk programma. De afspraken nemen normaliter de vorm aan van een opdrachtverlening of van een subsidie aan de onderwijsaanbieder. Dit volgt uit het tweede lid. In het derde lid is tot slot geregeld dat het bestuurscollege verantwoordelijk is voor de uitvoering van zijn eilandelijk programma en daartoe coördineert.
Artikel 2.8.7 WEB (Anders te lezen verwijzingen hoofdstuk 2, titel 5, in Caribisch Nederland)
Dit artikel betreft voor de toepassing van de WEB in Caribisch Nederland relevante verwijzingen naar de accountant volgens het Burgerlijk Wetboek BES en het hoofd van een school volgens de Leerplichtwet BES in plaats van het Burgerlijk Wetboek BES onderscheidenlijk de Leerplichtwet 1969.
Artikel 2.8.8 WEB (Medezeggenschap verticale scholengemeenschap Caribisch Nederland)
Het voorgestelde artikel 2.8.8 van de WEB regelt de medezeggenschap binnen een verticale scholengemeenschap in een openbaar lichaam. Deze wordt met dit wetsvoorstel, op enkele details na, hetzelfde als in Europees Nederland. Deze details betreffen het volgende. Ten eerste bestaat er in Caribisch Nederland geen ondersteuningsplanraad als medezeggenschapsorgaan van een samenwerkingsverband. Naar deze raad wordt wel verwezen in artikel 2.6.3, tweede lid, WEB, zodat deze bestaande bepaling niet letterlijk kan worden toegepast op een verticale scholengemeenschap in Caribisch Nederland. Ten tweede is de WOR niet van toepassing buiten Europees Nederland. Aan dit uitgangspunt wordt niet getornd, maar wel is het nodig om bij wijze van uitzondering in de WEB expliciet te bepalen dat in een openbaar lichaam voor het personeel van een vo-school en mbo-instelling die samen een verticale scholengemeenschap vormen, zoals de SGB na inwerkingtreding van deze wet, de WOR wel van toepassing is. Feitelijk is het toepassingsbereik van dit nieuwe artikel 2.8.8 WEB daarmee thans beperkt tot de SGB. Op het voortgezet onderwijs binnen de SGB is de Wet medezeggenschap op scholen nooit van toepassing geweest, zodat er ook geen sprake is van een trendbreuk.
Voor de medezeggenschap binnen de SGB (een verticale scholengemeenschap) betekent het nieuwe medezeggenschapsmodel dat artikel 3.1.4 en hoofdstuk 8a van de WEB van belang worden voor de inrichting van de medezeggenschap voor met name leerlingen, mbo- en vavo-studenten, en hun ouders. De WOR wordt van belang voor het personeel van de verticale scholengemeenschap.
Artikel I, onderdeel J (opschrift hoofdstuk 3, titel 1, WEB)
De bestaande artikelen in hoofdstuk 3 worden ondergebracht in de nieuwe titel 1 met als opschrift “inrichting van het bevoegd gezag”. Hierin staan inrichtingseisen voor de rechtspersoon die de bekostigde mbo- of vavo-instelling in stand houdt. Bijvoorbeeld dat er naast een bestuur ook een raad van toezicht moet zijn. Deze regels gelden alleen voor bevoegde gezagen die een bekostigde instelling in stand houden, omdat hoofdstuk 3 geen onderdeel uitmaakt van de opsomming van erkenningsvoorwaarden van artikel 1.4.1 of 1.4a.1 van de WEB. Deze wijziging is nodig, omdat er een titel 2 komt voor Caribisch Nederland.
Artikel I, onderdeel K (hoofdstuk 3, titel 2 en artikel 3.2.1 WEB)
Aan hoofdstuk 3 wordt voorgesteld een titel 2 toe te voegen met daarin een wetsartikel dat relevant is voor Caribisch Nederland. Dit voorgestelde artikel betreft een verwijzing naar de accountant volgens het Burgerlijk Wetboek BES in plaats van het Burgerlijk Wetboek BES in artikel 3.1.2 WEB. Zonder deze bepaling zou een deskundige of accountant als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek BES niet zijn toegestaan voor de jaarlijks vereiste accountantsverklaring over de verantwoording van de besteding van de overheidsmiddelen van een instelling in een openbaar lichaam.
Artikel I, onderdelen L en M (artikel 4.1a.1 en hoofdstuk 4, titel 1a, WEB)
Met deze twee technische wijzigingen wordt artikel 4.1a.1 met daarin de omschrijving van het beroep van docent verplaatst naar hoofdstuk 4, titel 1, inzake het personeel van instellingen. Een docent maakt immer deel uit van dat personeel, zodat de aparte titel 1a met slechts een enkel wetsartikel kan vervallen. Zo wordt het aantal titels als tussenlaag tussen hoofdstuk en paragraaf verminderd. Hiermee wordt beoogd de leesbaarheid van de wet te verbeteren.
Het opschrift van hoofdstuk 4, titel 1, paragraaf 1, is niet meer geheel passend nu ook artikel 4.1a.1 (oud) in deze titel wordt ondergebracht. Omdat hoofdstuk 4, titel 1, sinds 1 juli 2015 geen paragraaf 2 meer heeft, kan ook het opschrift van paragraaf 1 komen te vervallen.
Artikel I, onderdelen N tot en met R (diverse artikelen hoofdstuk 4 WEB) en artikel XV (artikel 7 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993)
Dit betreffen allemaal technische wijzigingen. In hoofdstuk 4 wordt thans in drie verschillende wetsartikelen (artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel a, voor de docent, artikel 4.2.2, eerste lid, onderdeel a, voor de onderwijsondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces, en in artikel 4.2a.1, voor de rest van het personeel) bepaald dat een verklaring omtrent het gedrag (vog) noodzakelijk is om in het bekostigd onderwijs te mogen werken. De slotsom is daarmee dat elke persoon binnen de instelling voorafgaand aan diens benoeming of feitelijke tewerkstelling een vog moet overleggen die de betreffende persoon niet uitsluit voor de beoogde functie of werkzaamheid. Met deze wijziging wordt daarom voorgesteld dit voortaan op één plek te regelen. Dit komt de overzichtelijkheid ten goede. In het derde lid van dit nieuwe artikel 4.2.6 wordt daarnaast bepaald dat geen onderwijs mag worden gegeven in geval van een rechterlijk beroepsverbod. Dit is geen nieuwe eis, maar thans nog in twee artikelen bepaald, te weten in de artikelen 4.2.1, tweede lid, onderdeel d, en 4.2.2, eerste lid, onderdeel e, WEB voor de docent respectievelijk degene die onderwijsondersteunende werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen van toepassing zijn; in de praktijk vaak aangeduid als instructeurswerkzaamheden. Deze wijziging is daarmee puur technisch van aard en beoogt slechts de overzichtelijkheid te doen toenemen door het onderwerp vog en beroepsverbod centraal in de wet te regelen in het nieuwe artikel 4.2.6 van de WEB.
Door de verlettering in artikel 4.2.1, tweede lid, dienen enkele verwijzingen daarnaar in artikel 4.2a.1 en 4.2.4 WEB en in artikel 7 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 aangepast te worden.
Artikel I, onderdelen S, T en DD (artikel 4.2.7 (nieuw) WEB)
Titel 7 van hoofdstuk 7 omvat slechts één artikel. Dit artikel 7.7.1 WEB bepaalt dat leraren in opleiding bij een instelling voor beroepsonderwijs of vavo terecht moeten kunnen om leservaring op te doen. En om zo te worden opgeleid tot bevoegd docent. Bij nader inzien past deze bepaling beter in hoofdstuk 4 over personeel, waar zij ongewijzigd terugkomt als het voorgestelde artikel 4.2.7. Immers, een leraar in opleiding kan worden aangemerkt als toekomstig personeel. Titel 7 van hoofdstuk 7 kan daarmee vervallen.
Het opschrift van dit nieuwe artikel wordt veralgemeniseerd naar onderwijspersoneel in opleiding, omdat het niet alleen gaat om ho-studenten maar ook kan gaan om mbo-studenten, zij-instromers of buitenlandse studenten die een kans moeten krijgen volgens het eerste lid van het huidige artikel 7.7.1 WEB.
Artikel I, onderdeel U (hoofdstuk 4, titel 2a, WEB)
De inhoud van artikel 4.2a.1, komt terug in het nieuwe artikel 4.2.6 van de WEB. Artikel 4.2.a.1 vereist een vog voor alle ander personeel dan degenen waarvoor wettelijke bekwaamheidseisen gelden (docenten en instructeurswerkzaamheden). Door deze technische wijziging kan de aparte titel 2a met slechts een wetsartikel erin vervallen. Hiermee wordt beoogd de overzichtelijkheid van de wet te vergroten.
Artikel I, onderdeel V (hoofdstuk 4, titel 4, WEB)
Het voorstel voor een nieuwe titel 4 in hoofdstuk 4 bevat enkele specifiek voor Caribisch Nederland relevante regels in aanvulling op of in afwijking van de rest van hoofdstuk 4. Dit hoofdstuk heeft betrekking op het personeel van een bekostigde instelling. In de praktijk zal de nieuwe titel 4 alleen relevant zijn voor het openbaar lichaam Bonaire.
Uit de WEB BES zijn overgenomen de bepalingen dat de materiële rechtspositie van de ambtenaar voor de openbare lichamen ook van toepassing is op het personeel van een bijzondere onderwijsinstelling als de SGB. Dit vloeit nu nog voort uit artikel 4.1.4, eerste lid, WEB BES en wordt straks geregeld in artikel 4.4.1, eerste lid, WEB. Dit betekent evenwel niet dat het formele ambtenarenrecht van toepassing is op dat personeel, omdat dat personeel een tweezijdige arbeidsovereenkomst heeft op grond van het Burgerlijk Wetboek BES. In deze zin heeft het Gerecht van eerste aanleg ook reeds geoordeeld.
Het tweede lid bepaalt dat het salaris en toelagen van het personeel van een bijzondere onderwijsinstelling worden vastgesteld bij eilandsbesluit. Het derde lid bepaalt dat er tevoren overleg dient te zijn gevoerd met de instelling en vertegenwoordigers van haar personeel. Om die reden bepaalt het vierde lid dat artikel 101 Ambtenarenwet BES niet van toepassing is. Dat artikel geeft een grondslag voor regels over georganiseerd overleg tussen ambtenaren en hun werkgevers.
De secundaire arbeidsvoorwaarden die voor ambtenaren gelden zijn dus ingevolge de verwijzing naar de Ambtenarenwet BES wel van belang voor het personeel met een arbeidsovereenkomst, met dien verstande dat het personeel van een mbo-instelling niet de Nederlandse nationaliteit behoeft te hebben in tegenstelling tot een ambtenaar zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES. Onderwijspersoneel van een bijzondere school of instelling oefent immers geen openbaar gezag uit. De enige in de rechtspraak erkende uitzondering betreft het besluit om al dan niet een diploma toe te kennen aan de leerling of student. De nationaliteitseis die voor ambtenaren geldt, is niet nodig en daarmee niet van toepassing op het onderwijspersoneel, zo bepaalt artikel 4.4.1, vijfde lid. Dit wordt bij inwerkingtreding dus de pendant van het huidige artikel 4.1.5 WEB BES.
Bij gebreke van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) voor het onderwijspersoneel is daarom materieel de ambtenarenrechtspositie van overeenkomstige toepassing. Nu het onderwijspersoneel van een bijzondere instelling echter wel een dienstbetrekking heeft met de stichting die de mbo-instelling in stand houdt, is de vorm van de rechtspositie het civielrechtelijke arbeidsrecht. Een eventueel geschil zal dan uiteindelijk bij de burgerlijke rechter aanhangig moeten worden gemaakt.
Nu geen enkel openbaar lichaam zelf openbaar beroepsonderwijs aanbiedt en dat ook niet in de lijn der verwachtingen ligt binnen afzienbare termijn, is ervan afgezien om te bepalen dat bij een disciplinaire straf op een openbare instelling bij gebreke van een rol van gedeputeerde staten voor de BES de Rijksvertegenwoordiger of de minister van OCW die taak heeft. Het zou te ver van de praktijk verwijderd zijn om de bestaande bepaling hierover over te hevelen naar de WEB.53
In vergelijking met de WEB BES komt ook niet meer letterlijk als aparte bepaling terug dat een docent, of onderwijsinstructeur voor de daartoe in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel aangewezen onderwijsondersteunende werkzaamheden, ook zijn getuigschrift in Curaçao, Sint Maarten of Aruba mag hebben behaald. Dit blijft overigens wel als regel bestaan, maar dat is nu reeds ten algemene geregeld in de artikelen 4.2.1a jo. 4.2.1, tweede lid, onder 6°, voor een docent of 4.2.2, eerste lid, onderdeel c, van de WEB voor onderwijsondersteunende werkzaamheden. Op grond van deze bepalingen geeft ook een met de Nederlandse eisen vergelijkbaar diploma, behaald in de landen Curaçao, Aruba of Sint Maarten, toegang tot het beroep van docent of onderwijsinstructeur in zowel het Caribische als Europese deel van Nederland.
Artikel 4.1.2, vierde lid, WEB bepaalt dat na een onaantastbaar geworden vonnis tot faillietverklaring van een rechtspersoon die een instelling in stand hield, de overige instellingen tezamen de aanspraken van het personeel van die bankroet gegane instelling op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet overnemen naast aanspraken die uit een cao voortvloeien ingevolge het tweede lid van artikel 4.1.2 WEB. Nu zowel de Werkloosheidswet als de cao mbo niet van toepassing is op Caribisch Nederland, is dit reden om deze bepaling niet van toepassing te verklaren op het bevoegd gezag van een instelling in een openbaar lichaam. Anders zou er sprake zijn van eenzijdige en dus geen echte solidariteit.
Artikel I, onderdeel W (artikel 8.0.0 WEB)
Artikel 6.1.3a WEB vervalt weliswaar in hoofdstuk 6, maar feitelijk wordt de inhoud ervan verplaatst naar het eerste artikel van hoofdstuk 8, waar het bij nader inzien beter op zijn plaats is. Het nieuwe artikel 8.0.0 verplicht het bevoegd gezag van een mbo-instelling ertoe om aspirant-studenten juist en volledig te informeren over het beroepsonderwijs op de betreffende instelling. Het doel van deze informatieverplichting is om de aanstaande of oriënterende student in staat te stellen de verschillende opleidingsmogelijkheden te vergelijken en een passende opleiding te kiezen. Gelet hierop is het nodig dat de aspirant-student zich een goed oordeel kan vormen over de inhoud en de inrichting van het te volgen onderwijs en de examinering. Aangezien deze informatievoorziening van belang is bij de studiekeuze wordt de inhoud van artikel 6.1.3a vernummerd tot het nieuwe artikel 8.0.0 van de WEB. Deze informatieverplichting wordt ingevoegd voor artikel 8.0.1 van de WEB. Deze laatste bepaling ziet namelijk op de aanmelding van de aspirant-student bij de instelling. Voordat de student zich aanmeldt voor 1 april, zal hij of zij normaliter eerst kennis willen nemen van welke opleidingen de instelling aanbiedt, alsmede hoe het onderwijs en de examinering is georganiseerd. Verder is hij mogelijk geïnteresseerd in de visie van de instelling op onderwijs en heeft hij wellicht behoefte aan meer gedetailleerde informatie over een of meer beroepsopleidingen, die het bevoegd gezag verplicht is ter beschikking te stellen aan aankomende studenten.
Artikel I, onderdelen X en Y (artikelen 6.1.5b en 6.2.3b WEB)
In beide artikelen wordt de verwijzing naar de wetsbepaling omtrent een exameninstelling gewijzigd van artikel 1.6.1 naar het juiste artikel 6.3.1, omdat met dit wetsvoorstel de belangrijkste regels omtrent de exameninstelling worden gebundeld in de artikelen 6.3.1 en 7.4.4a van de WEB.
Artikel I, onderdeel Z (artikel 6.3.1 WEB)
De inhoud van artikel 1.6.1 (oud) over de erkenning van een exameninstelling wordt met artikel 6.3.1 samengevoegd tot een bepaling. Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt enkele redactionele verbeteringen aan te brengen. Zo is het niet langer nodig te bepalen dat een aanvraag tevens geldt als aanmelding voor het Crebo (thans Registratie opleidingen en instellingen, hierna RIO). Het feit dat een positieve beschikking leidt tot opname in RIO is reeds elders in de WEB geregeld en hoeft dus niet te worden herhaald.
Het eerste lid bevat de inhoudelijke eisen voor een besluit tot erkenning als exameninstelling. Een exameninstelling vormt een aanvulling op het stelsel van beroepsonderwijs, omdat een instelling (roc of beroepscollege) de examinering van een bepaalde beroepsopleiding kan overdragen aan een exameninstelling. Bij zo’n overdracht, in de wandeling uitbesteding van examinering genaamd, verkrijgt de exameninstelling de volledige verantwoordelijkheid. Een recht op examinering geldt niet in zijn algemeenheid maar voor een specifieke beroepsopleiding. Dit is al sinds 2004 wettelijk voorschrift, maar volgt nu duidelijker dan voorheen uit het derde lid van het nieuwe artikel 6.3.1. Uitbesteding van examinering vindt dus plaats per opleiding en heeft betrekking op het héle examen ervan met álle examentaken. In dat geval gaat ook de verantwoordelijkheid voor de examenregeling en de examencommissie over naar de exameninstelling. Dit is echter alleen het geval bij volledige overdracht van de examinering aan een exameninstelling. Indien een deel van de examentaken (bijvoorbeeld de toetsconstructie) wordt ingekocht of wordt ontwikkeld in samenwerking met een andere instelling, is er sprake van inkoop of samenwerking en dan blijft het roc of beroepscollege zelf verantwoordelijk voor de examinering.
Het is ook de instelling die de bijbehorende diplomabekostiging ontvangt. Een exameninstelling ontvangt geen bekostiging vanuit het landelijk budget voor het beroepsonderwijs, maar heeft een overeenkomst met de instelling en zal uit dien hoofde een redelijke vergoeding voor de dienstverlening ontvangen.
Uiteraard dient in geval van uitbesteding de wettelijk vereiste rechtsbescherming van de student te zijn gewaarborgd. Dit betekent dat een exameninstelling ook moet zorgdragen voor de examenregeling en voor de instelling van of aansluiting bij een commissie van beroep voor de examens. Dit is ook als eis gesteld in artikel 6.3.1, eerste lid, onderdeel c.
Een instelling kan tot uitbesteding overgaan indien zij dat doelmatig acht of indien zij op basis van de eigen bewaking van de kwaliteit van het examen van een opleiding constateert dat zij niet zelf kan waarborgen dat dit examen op alle examenonderdelen in voldoende mate aan de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4. van de WEB voldoet. De instelling moet tot uitbesteding van de examinering overgaan indien haar het recht op examinering voor een beroepsopleiding is ontnomen. Deze tekst is grotendeels ontleend aan de memorie van toelichting van een wijziging van de WEB in 2004 (Stb. 2004, 138), waarbij de examineringsregels zijn gewijzigd en de exameninstelling haar huidige rol heeft gekregen.54
Artikel I, onderdeel AA (artikel 6.3.3 WEB)
In artikel 6.3.3, eerste lid, wordt een foute verwijzing naar een niet meer bestaand eerste lid van artikel 6.3.2 van de WEB gecorrigeerd.
Artikel I, onderdeel BB (hoofdstuk 6, titel 5, WEB)
Met dit onderdeel wordt aan het slot van hoofdstuk 6 een specifieke titel toegevoegd met daarin de bijzondere of afwijkende regels voor het beroepsonderwijs in de openbare lichamen.
In het voorgestelde artikel 1.6.6, eerste lid, WEB55 wordt geregeld dat een instelling die bekostigd beroepsonderwijs wil aanbieden in een openbaar lichaam eerst advies moet vragen aan de ROA CN over het arbeidsmarktperspectief van die opleiding en de beschikbaarheid van leerbedrijven om de beroepspraktijkvorming te kunnen volgen. Met artikel 6.5.1 WEB wordt geregeld dat dit advies voorafgaand aan de verplichte startmelding moet worden gevraagd. Deze startmelding betreft de melding aan de minister van OCW van het voornemen dat een nieuwe beroepsopleiding zal worden gestart. Een dergelijke melding is verplicht op grond van artikel 6.1.2, eerste lid, van de WEB.
Het voorgestelde artikel 6.5.2 geeft een andere invulling aan de zorgplicht doelmatigheid voor het bekostigde beroepsonderwijs in een openbaar lichaam, momenteel alleen Bonaire. Dit is nodig omdat een strikte toepassing van artikel 6.1.3, derde lid, WEB geen remmend effect heeft op de komst van nieuwe opleidingen, zolang er een bekostigde instelling is op Bonaire en de andere instellingen ruim 8.000 km verderop zijn gevestigd en alleen daar hun opleidingen aanbieden.
Met de specifieke invulling van doelmatigheid met betrekking tot het beroepsonderwijs op de openbare lichamen wordt acht geslagen op de geografische ligging van de openbare lichamen. Voor het bekostigd beroepsonderwijs in een openbaar lichaam moet de Caribische context van met het Nederlandse beroepsonderwijs vergelijkbare opleidingen veel zwaarder wegen. Dit wordt nog meer van belang wanneer er in de regio, te beginnen met de andere landen binnen het Koninkrijk, meer wordt samengewerkt en er afspraken worden gemaakt over een doelmatige verdeling van onderwijsaanbod in de Caribische regio. Dit proces is thans gaande.
Het voorgestelde artikel 6.5.3 bepaalt dat artikel 6.1.4, derde lid, WEB niet van toepassing is jegens een instelling in een openbaar lichaam. Als een instelling in Caribisch Nederland haar recht op bekostiging of diplomering verliest, zal het in de meeste gevallen nagenoeg onmogelijk zijn voor studenten om dezelfde opleiding aan een andere instelling in de eigen omgeving te kunnen afmaken. Hier past maatwerk. Studenten zullen dan noodgedwongen moeten overstappen naar een andere beroepsopleiding op het openbaar lichaam of tijdelijk verhuizen naar Nederland om hun beroepsopleiding daar af te maken. Niet iedere student zal deze keuze willen of kunnen maken. Daarom heeft het dan ook geen zin om toepassing te geven aan artikel 6.1.4, derde lid, WEB.
Het voorgestelde artikel 6.5.4 bepaalt dat er geen kwaliteitsoordeel zeer zwak voor het beroepsonderwijs in een openbaar lichaam kan worden gegeven. Dit houdt ermee verband dat studiesucces vanwege de geringe omvang van de opleidingen daar veel lastiger te meten is. Dit laat onverlet dat de Inspectie van het onderwijs wel blijft toezien op de kwaliteit van het beroepsonderwijs. Onder andere via de band van artikel 6.1.4, eerste lid, onderdelen b of c, WEB, kan er nog steeds opgetreden worden bij de constatering van niet-nakoming van wettelijke deugdelijkheidseisen.
Artikel I, onderdeel CC (hoofdstuk 7, titel 6, WEB)
Artikel 7.6.1 WEB (Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke student in Caribisch Nederland)
In artikel 7.1.4 WEB is geregeld van welke ondersteunende instantie een mbo-instelling gebruik kan maken indien een bij aanvang van de opleiding leerplichtige student vanwege ziekte niet in staat is naar de instelling te komen voor het volgen van onderwijs. De wet wijst hiertoe een schoolbegeleidingsdienst of academisch ziekenhuis aan. Deze ondersteuning is vooral van belang bij een afwezigheid vanwege ziekte die zonder ingrijpen voor leerachterstanden zou zorgen. En de aard van de ziekte moet uiteraard het leren niet in de weg staan. De schoolbegeleidingsdiensten of academische ziekenhuizen zijn niet actief in de openbare lichamen. Daarom wordt met het voorgestelde artikel 7.6.1 geregeld dat het EOZ de aangewezen instantie is voor een mbo-instelling in een openbaar lichaam om ondersteuning te verkrijgen in bovengenoemde situatie.
Artikel 7.6.2 WEB (Samenwerkingsverband CN en expertisecentrum onderwijszorg)
Het voorstel voor artikel 7.6.2 WEB regelt dat het bevoegd gezag van een bekostigde mbo- of vavo-instelling in een openbaar lichaam is aangesloten bij het samenwerkingsverband CN van het desbetreffende eiland. Dit is reeds geregeld in de artikelen 11.16 en volgende van de WVO 2020, zodat naar die bepalingen wordt verwezen. Dat het beroepsonderwijs en het vavo deel uitmaken van een samenwerkingsverband passend onderwijs is uniek voor Caribisch Nederland en ook nodig vanwege de kleinschaligheid van het mbo daar, terwijl opleidingen vavo momenteel helemaal nog niet voorkomen.
In Caribisch Nederland is het, gezien de schaalgrootte, niet haalbaar om een zorgstructuur in te richten volgens de gedetailleerde systematiek van Europees Nederland. Er zijn geen scholen voor speciaal onderwijs zoals die in Europees Nederland zijn geregeld in de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC). De gekozen benadering is erop gericht een zo eenvoudig mogelijk wettelijk kader te scheppen waarbinnen het belang van leerlingen en studenten die extra zorg behoeven zo goed mogelijk wordt geborgd terwijl tegelijkertijd ruimte is voor betrokken scholen en instellingen om zelf de beste oplossingen te kiezen, aansluitend bij de behoefte en schaal van het eiland. Met daarbij de professionele ondersteuning van het EOZ die nodig is voor leerlingen en studenten met een beperking of chronische ziekte.
Het huidige hoofdstuk 3 van de WEB BES beschrijft de zorgstructuur op de openbare lichamen. Deze structuur wijkt af van het systeem in Europees Nederland.
Alle scholen en instellingen in Caribisch Nederland zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband CN. Bij het samenwerkingsverband CN is ook een expertisecentrum onderwijszorg (EOZ) aangesloten. Per eiland is een aanbod van specialistische deskundigheid georganiseerd in de vorm van een EOZ waarvan instellingen voor beroepsonderwijs, scholen voor primair onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs gebruik kunnen maken. Het EOZ is een rechtspersoon die deskundige ondersteuning kan bieden aan studenten met een specifieke onderwijsbehoefte. De regels over het EOZ, waaronder bepalingen over subsidie, toezicht en taakverwaarlozing, staan in de WPO BES en de WVO 2020. Vanwege de eenvoud is daarom besloten de artikelen 11.16 en 11.17 van de WVO 2020 ook van toepassing te verklaren op het beroepsonderwijs en een opleiding vavo. De artikelen 11.18 tot en met 11.23 van die wet zijn van overeenkomstige toepassing. Het verschil bestaat hieruit dat beide eerstgenoemde artikelen de organisatie van het samenwerkingsverband CN beschrijven, hetgeen uit zichzelf al van toepassing is op het beroepsonderwijs en een opleiding vavo in een openbaar lichaam. Herhaling in de WEB is daarmee strikt genomen niet nodig, maar wordt voor de duidelijkheid wel gedaan. Terwijl de artikelen 11.18 en volgende zijn geschreven voor leerlingen voortgezet onderwijs maar door de overeenkomstige toepassing ook relevant worden voor studenten en vavo-studenten.
Op dit moment kent de WEB BES in artikel 3.1 nog de verplichting om een jaarlijks handelingsplan op te stellen ten aanzien van studenten en vavo-studenten met een specifieke onderwijsbehoefte. Er bestaat echter overlap tussen het handelingsplan uit artikel 3.1 WEB BES en de afspraken met betrekking tot extra ondersteuning uit artikel 8.1.3a WEB (ingevoegd met de Wet verbetering rechtsbescherming MBO-studenten, maakte voorheen onderdeel uit van de onderwijsovereenkomst). Conform artikel 8.1.3a moet het bevoegd gezag schriftelijke afspraken maken met de student of vavo-student die ondersteuning behoeft in verband met handicap of chronische ziekte. Deze afspraken worden jaarlijks herzien.
Artikel 7.6.3 WEB (In plaats van SBB: ROA CN)
Het voorgestelde artikel 7.6.3. regelt dat bij toepassing van artikel 7.2.9, tweede lid, van de WEB in een openbaar lichaam voor SBB moet worden gelezen ROA CN. Uit hoofdstuk 1, titel 6, volgt immers dat ROA eerste aanspreekpunt is in een openbaar lichaam over de erkende leerbedrijven.
Artikel 7.2.9, tweede lid, van de WEB bevat de verplichting voor het bevoegd gezag en SBB om met elkaar te overleggen en naar een passende oplossing te zoeken voor de student, indien er na het sluiten van een beroepspraktijkvormingsovereenkomst onverhoopt geen uitvoering (meer) kan worden gegeven aan de beroepspraktijkvorming bij het betreffende leerbedrijf. Aangezien in Caribisch Nederland de ROA CN aan de lat staat voor de erkenning van leerbedrijven, moet in Caribisch Nederland dat overleg plaatsvinden met ROA CN in plaats van met SBB.
Artikelen 7.6.4 en 7.6.5 WEB
In aanvulling op artikel 7.3.1 WEB kan in een openbaar lichaam ook de opleiding en het staatsexamen Nederlands als vreemde taal als opleiding educatie worden onderscheiden. Dit wordt geregeld in artikel 7.6.4.
In het bestaande artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel, c, van de WEB BES is de opleiding Nederlands als vreemde taal aangeduid als opleiding educatie voor Caribisch Nederland. De eisen en procedurele voorschriften voor deze opleiding zijn uitgewerkt in het Staatsexamenbesluit Nederlands als vreemde taal BES. Deze opleiding moet worden toegevoegd aan het rijtje opleidingen educatie. Omdat zij alleen van belang is voor Caribisch Nederland, wordt voorgesteld deze opleiding in een apart artikel 7.6.4 te noemen in plaats van deze toe te voegen aan de opsomming in artikel 7.3.1 WEB. Het voorstelde artikel 7.6.5 WEB geeft een grondslag om nadere regels te stellen over deze opleiding en verklaart (in het tweede lid) enkele bepalingen over het staatsexamen Nederlands als tweede taal van overeenkomstige toepassing op het staatsexamen Nederlands als vreemde taal.
Artikel 7.6.6 WEB (Rechtsbescherming openbare instelling Caribisch Nederland)
In het voorgestelde artikel 7.6.6 WEB wordt het toepasselijk bestuursrecht geregeld indien er sprake is van een geschil aan een openbare mbo-instelling in een openbaar lichaam. Het betreft allerlei verwijzingen naar de Wet administratieve rechtspraak BES in plaats van de Algemene wet bestuursrecht, nu die laatste wet niet van toepassing is in een openbaar lichaam. Nu een dergelijke openbare instelling niet bestaat, is dit daarmee een theoretische bepaling voor het geval dat zo’n situatie ooit ontstaat.
Artikel 7.6.7 WEB (Rechtsbescherming bijzondere instelling Caribisch Nederland)
Van meer praktisch belang is het voorgestelde artikel 7.6.7 over de rechtsbescherming van de student. Het is daarbij van belang te vermelden dat – in tegenstelling tot Europees Nederland – een geschil tussen student of vavo-student en de bestaande mbo-instelling in Caribisch Nederland niet fictief als een bestuursrechtelijke procedure wordt aangemerkt. Een hieruit voortvloeiende procedure zal daarmee ook niet worden afgewikkeld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Omdat de stichting SGB een bijzondere instelling in stand houdt, zal de student zich tot de burgerlijke rechter moeten wenden op zijn of haar openbaar lichaam, indien de klacht of het geschil niet naar tevredenheid binnen de instelling kan worden opgelost. Wel geldt er in die voorfase binnen de instelling dat het bezwaar van de student of vavo-student overeenkomstig enkele bepalingen van de Wet administratieve rechtspraak BES dient te worden behandeld. Wederom in tegenstelling tot Europees Nederland is er sprake van een rechterlijke toetsingsmogelijkheid in twee instanties, dus met de mogelijkheid van hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Dit alles is sinds 1 augustus 2023 zo geregeld met de Wet verbetering rechtsbescherming mbo-student (Stb. 2022, 134) als wijziging van de WEB BES. In artikel 7.6.8 wordt slechts de technische doorwerking van deze recente wetswijziging als gevolg van de intrekking van de WEB BES geregeld. Namelijk door dit te regelen in de WEB zelf.
Artikel I, onderdeel EE (hoofdstuk 8, titel 7, WEB)
Artikel 8.7.1 (Nadere regels studiekeuzeadvies Caribisch Nederland)
In het voorgestelde artikel 8.7.1 wordt specifiek voor een instelling in een openbaar lichaam de omgekeerde situatie geregeld van artikel 8.0.4, zesde lid, WEB. Dit betekent dat bij aanmelding voor beroepsonderwijs van een student die niet woonachtig is in het hetzelfde openbaar lichaam als waar de instelling is gevestigd, de instelling daarmee rekening dient te houden. Dit betekent concreet dat de intakeactiviteiten die leiden tot het studiekeuze-advies voor die student digitaal of in ieder geval zodanig moeten worden georganiseerd dat de aspirant-student niet fysiek behoeft deel te nemen aan de intakeactiviteiten.
Artikel 8.7.2 (Vervangende voorschriften hoofdstuk 8, titel 1 Caribisch Nederland)
Het voorgestelde artikel 8.7.2 bevat allerlei noodzakelijke, anders te lezen verwijzingen in hoofdstuk 8, titel 1. Het gaat hier om wetgeving die specifiek voor de openbare lichamen is vastgesteld in plaats van andere Nederlandse wetgeving die aldaar niet van toepassing is. Het betreft de Wet toelating en uitzetting BES in plaats van de Vreemdelingenwet 2000, de Leerplichtwet BES in plaats van de Leerplichtwet 1969, de Wet studiefinanciering BES in plaats van de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet administratieve rechtspraak BES in plaats van de Algemene wet bestuursrecht. De oplettende lezer zal opmerken dat er geen verwijzing is opgenomen voor artikel 8.1.7, elfde lid, van de WEB naar de Wet studiefinanciering BES in plaats van de Wet studiefinanciering 2000. De reden is dat er nog geen sprake was van een openbaar lichaam op 1 augustus 2005 en de Wet studiefinanciering BES daarmee nog niet bestond toentertijd. Dit terwijl artikel 8.1.7, elfde lid, WEB wel op die situatie betrekking heeft.
Artikel I, onderdeel FF (artikelen 8a.6.1 en 8a.6.2, WEB)
Zie ook paragraaf 3.6 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Ten algemene is de WOR niet van toepassing in Caribisch Nederland. Artikel 8a.6.1 WEB bepaalt echter dat de WOR uitsluitend als onderdeel van de medezeggenschapsstructuur van een mbo-instelling of verticale scholengemeenschap, voor het personeel daarvan, van toepassing wordt in Caribisch Nederland.
Met het voorgestelde artikel 8a.6.2 wordt in de WEB geregeld dat niet de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam bevoegd is kennis te nemen van geschillen omtrent de toepassing van de medezeggenschap in een openbaar lichaam, maar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Ingevolge artikel 15, derde lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie kan het Hof ook zitting houden op Bonaire. Het voordeel van toegang tot een rechterlijk college met kennis van de eilandelijke context, dat zich bevindt in de nabijheid van de mbo-instelling en de studentenraad, weegt zwaarder dan de specialisatie van de Ondernemingskamer in het medezeggenschapsrecht. Momenteel is deze bepaling alleen relevant voor Bonaire, aangezien op dat openbaar lichaam de enige bekostigde instelling voor beroepsonderwijs in Caribisch Nederland is gevestigd.
Artikel I, onderdeel GG (artikel 9.2.1 WEB)
Artikel 9.2.1 WEB, dat is ingevoerd met de Wet van school naar duurzaam werk, omschrijft de doelgroep waarop Hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1, van toepassing is. De ondersteuning van jongeren zonder startkwalificatie die in die paragraaf is geregeld is in principe ook van toepassing op jongeren in Caribisch Nederland. Aangezien echter in Caribisch Nederland niet de Leerplichtwet 1969, maar de Leerplichtwet BES van toepassing is, wordt in artikel 9.2.1 WEB een verwijzing naar de overeenkomstige paragrafen van de Leerplichtwet BES toegevoegd.
Omdat niet heel titel 2, paragraaf 1, onverkort toegepast kan worden in Caribisch Nederland worden daarnaast in hoofdstuk 9, titel 3, enkele afwijkende bepalingen voor Caribisch Nederland voorgesteld, die hierna worden toegelicht.
Artikel I, onderdeel HH (Hoofdstuk 9, titel 3, WEB)
Aan hoofdstuk 9 wordt een titel, bestaande uit zeven artikelen, toegevoegd met specifieke regels over de preventie en de bestrijding van voortijdig schoolverlaten in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze regels richten zich tot de instelling die beroepsonderwijs of een opleiding vavo aanbiedt en regelen de wettelijke taak van het bestuurscollege. Vanwege de schakelbepaling, artikel 11.96 WVO 2020, zijn de artikelen 9.3.2 tot en met 9.3.6 WEB ook van toepassing op het voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland. Deze derde titel bevat twee tijdelijke bepalingen, de artikelen 9.3.1 en 9.3.3 WEB, die omwille van de leesbaarheid in titel 9.3 WEB zijn geplaatst. Zij zijn tijdelijk bedoeld totdat de gegevensuitwisseling met het ROD als het gaat om verzuim- en vrijstellingsgegevens in de zin van de WRO kan worden geëffectueerd. Zie hiertoe ook paragrafen 9 en 10 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Met de Wet van school naar duurzaam werk wordt dit vsv-beleid tegenwoordig aangeduid als de ondersteuning en begeleiding van jongeren tot 27 jaar zonder startkwalificatie terug naar het onderwijs of eventueel naar de arbeidsmarkt.56 In Caribisch Nederland blijft dit voorlopig het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten genoemd worden vanwege de verschillen met het beleid in Europees Nederland. Zo geldt het hele pakket aan wetgeving in het sociale domein (waaronder de Participatiewet) niet in Caribisch Nederland. Mogelijk voert een bestuurscollege met behulp van een autonome verordening van de eilandsraad hierop eigen beleid.
De bepalingen in hoofdstuk 9, titel 3, komen voor Caribisch Nederland in de plaats van de artikelen 9.2.2, 9.2.4, 9.2.5 (deels), 9.2.8, 9.2.9, 9.2.10 en 9.2.13 van de WEB, omdat de voorgestelde artikelen 9.3.2, eerste lid, 9.3.3, eerste lid, en 9.3.7, tweede lid, WEB bepalen dat die wetsartikelen niet van toepassing zijn in Caribisch Nederland.
Een succesvolle aanpak van het probleem voortijdig schoolverlaten vergt een ketenbenadering, waarbij alle partners met elkaar samenwerken en hun taak uitvoeren in overleg met elkaar. Het vsv-beleid kent twee hoofddoelen; in de eerste plaats een adequate reactie op schoolverzuim van studenten en vavo-studenten die een beroepsopleiding of opleiding vavo volgen en daarvoor staan ingeschreven maar op enig moment gedurende een periode van in beginsel vier weken of langer geen onderwijs meer volgen.57 In de tweede plaats een aanpak gericht op jongeren zonder startkwalificatie die niet meer staan ingeschreven aan een onderwijsinstelling, met als doel hen terug te leiden naar het onderwijs of – als dat meer passend is en zij nog geen of te weinig inkomsten verwerven – werk. Het begint ermee dat de mbo- of vavo-instelling verplicht is om in ieder geval na vier weken niet meer volgen van onderwijs, dat te melden aan het bestuurscollege, conform het voorgestelde artikel 9.3.1 van de WEB. Op deze voorgestelde artikelen wordt hierna achtereenvolgens ingegaan. Met de voorgestelde bepalingen in hoofdstuk 9, titel 3, is inhoudelijk zoveel mogelijk aangesloten op de bepalingen uit hoofdstuk 9, titel 2. Wel zijn enige afwijkende keuzes gemaakt voor wat betreft de taakverdeling op de openbare lichamen, die hierna worden toegelicht.
Artikel 9.3.1 WEB
Met artikel 9.3.1 WEB wordt de verzuimmelding door de instelling aan het bestuurscollege geregeld. Deze bepaling is de pendant van artikel 9.2.2 WEB. Artikel 9.2.2 WEB betreft de verplichte gegevenslevering van een mbo-instelling aan DUO bij ongeoorloofd verzuim door studenten en vavo-studenten van meer dan vier weken (of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode). Omdat artikel 9.2.2 WEB voorlopig vanwege extra benodigde tijd voor de realisatie van de uitwisseling van verzuim- en vrijstellingsgegevens met het ROD nog niet uitvoerbaar is in Caribisch Nederland, is voorzien in een tijdelijke overgangsrechtelijke bepaling (9.3.1 WEB) voor Caribisch Nederland.
Wanneer een student langer dan vier weken afwezig is zonder geldige reden, moet het bevoegd gezag dit melden aan het bestuurscollege. In het voorgestelde artikel 9.3.1 WEB wordt vastgelegd dat deze melding rechtstreeks plaatsvindt naar het bestuurscollege. De melding moet schriftelijk of digitaal gebeuren met verwerking van het persoonsgebonden nummer van de student of vavo-student.
Derde en vierde lid
Het derde lid regelt wanneer sprake is van een geldige reden voor schoolverzuim door te verwijzen naar artikel 8.1.7, negende lid, WEB. Bij het registreren van verzuim en verwijdering worden persoonsgegevens verwerkt. In Caribisch Nederland dienen deze verwerkingen plaats te vinden conform de Wbp BES. Bij de melding kan het noodzakelijk zijn om in de melding mede persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid, religie of levensbeschouwing of strafrechtelijke persoonsgegevens te gebruiken als dat nodig is om de reden van het verzuim te melden. Het vierde lid formuleert daarom – voor zover nodig – een uitzondering op artikel 16 (en volgende) Wbp BES met daarin het verbod om deze gegevens te gebruiken. Dit kan nodig zijn om de aard van het verzuim te kunnen duiden en te kunnen beoordelen hoe lang het verzuim naar verwachting gaat duren en welke maatregelen door het bevoegd gezag of het bestuurscollege kunnen worden genomen om de jongere toch onderwijs te kunnen blijven geven of hem of haar daarop voor te bereiden. Artikel 16 en volgende Wbp BES bevatten zelf ook al enige uitzonderingen op het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. Van belang zijn hier met name artikel 21, eerste lid, onderdeel c, en artikel 23, eerste lid, onderdeel e, Wbp BES. Zonder achtergrondinformatie over de aard van het verzuim is het voor het bevoegd gezag en het bestuurscollege onmogelijk om hun wettelijke taken uit te voeren ingevolge hoofdstuk 9, titels 2 en 3, WEB, en de leer- of kwalificatieplicht volgens de Leerplichtwet BES te kunnen handhaven. Dit zwaarwegende belang maakt het noodzakelijk om deze bijzondere persoonsgegevens te kunnen verwerken. Zoals eerder aangegeven wordt ook voorzien in voorlichting en training over de belangrijkste regels en doel uit de Wbp BES aan betrokkenen, zodat er passende waarborgen worden geboden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Artikel 9.3.2 WEB (Afwijkende voorschriften hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1, Caribisch Nederland)
De artikelen 9.2.4, 9.2.5, eerste tot en met vierde lid, en 9.2.8 tot en met 9.2.10 WEB zijn niet van toepassing in een openbaar lichaam, zo regelt artikel 9.3.2, eerste lid WEB. In plaats van de artikelen 9.2.4 en 9.2.5, eerste tot en met vierde lid, WEB zijn de artikelen 9.3.3. en 9.3.4 WEB van belang in Caribisch Nederland. Ook regelt dit artikel dat verwijzingen in hoofdstuk 9, titel 2, WEB naar de Leerplichtwet 1969 in Caribisch Nederland moet worden gelezen als Leerplichtwet BES en verwijzingen naar de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming als verwijzingen naar de Wbp BES en dat verwijzingen naar artikelleden, die slechts deels van toepassing zijn in Caribisch Nederland zoals artikel 9.2.5, moet worden gelezen als het Caribische equivalent daarvan, namelijk artikel 9.3.3 WEB. Het is niet nodig dit te regelen voor het bestuurscollege in deze titel, omdat al ten algemene is bepaald in artikel 1.6.1 (nieuw) WEB dat bij toepassing van de wet in een openbaar lichaam voor ‘college van burgemeester en wethouders’ het bestuurscollege worden gelezen. Omdat de taakverdeling in Caribisch Nederland anders is, is hiervoor wel een aparte verwijzingsregel opgenomen in artikel 9.3.2, vijfde lid, WEB.
Artikel 9.3.3 WEB (wettelijke taak bestuurscollege)
Dit artikel is de Caribische equivalent van artikel 9.2.5, eerste tot en met derde lid, WEB, maar regelt meer dan dat, omdat het bestuurscollege op grond van 9.3.3, tweede lid, WEB tijdelijk als extra taak heeft om een register aan te leggen van jongeren die staan ingeschreven aan een onderwijsinstelling maar geen onderwijs meer volgen.
Zolang er nog geen verzuim- en vrijstellingsgegevens in de zin van de WRO kunnen worden uitgewisseld met het ROD dat DUO beheert, dient deze registratie lokaal plaats te vinden. Daarbij dient uiteraard de Wet bescherming persoonsgegevens BES in acht te worden genomen, zodat persoonsgegevens veilig worden bewaard en alleen toegankelijk zijn voor degenen die daarvoor zijn geautoriseerd.
Het derde lid regelt dat het bestuurscollege verantwoordelijk is voor de begeleiding van jongeren. Deze tweede taak van het bestuurscollege is ervoor te zorgen dat alle jongeren onder de 27 jaar oud zonder startkwalificatie (in de zin van de Leerplichtwet BES) van tijd tot tijd worden benaderd met de vraag of zij weer onderwijs willen gaan volgen dan wel in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien door middel van betaald werk. Indien de jongere op grond van artikel 9.2.7, eerste lid, WEB hiermee instemt, kan het bestuurscollege deze jongere zoveel mogelijk op weg helpen terug naar het onderwijs of passend werk, als zij hiertoe uit zichzelf niet direct in staat zijn. De invulling van deze tweede taak kent meer beleidsvrijheid en kan ook onderdeel zijn van het eilandelijk programma voortijdig schoolverlaten. Beide zelfstandige taken van het bestuurscollege moeten worden onderscheiden van de derde, meer indirecte taak die volgt uit artikel 9.3.4 WEB. Dat is het meedenken en -praten bij de totstandkoming van het eilandelijk programma om het aantal voortijdig schoolverlaters zoveel mogelijk te voorkomen en de daadwerkelijke uitval te bestrijden. Dit vraagt om samenwerking in de keten zoals hierboven al aangegeven.
Doordat artikel 9.2.9 WEB niet van toepassing is in Caribisch Nederland en met dit wetsvoorstel wordt afgezien van een bijzondere uitkering voor de taak van bestrijding voortijdig schoolverlaten, zoals thans nog wel het geval is op grond van de SKJ-wet, betekent dit dat het bestuurscollege deze werkzaamheden uit het BES-fonds zal dienen te financieren. Het zesde lid bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels ter uitvoering van artikel 9.3.3 kunnen worden gesteld. Door deze grondslag kunnen tegelijkertijd nadere regels worden gesteld voor zowel het Caribische als het Europese deel van Nederland, dat namelijk artikel 9.2.5, zesde lid, WEB als grondslag heeft hiervoor. Het zevende lid bepaalt dat artikel 9.3.3 WEB bij koninklijk besluit kan vervallen. Dat besluit kan voor elk van de drie eilanden afzonderlijk worden genomen, omdat het eerste lid is onderverdeeld in drie onderdelen, voor elk openbaar lichaam één.
Op grond van artikel 9.2.7 WEB dient het bestuurscollege ook een lokaal register aan te houden van jongeren die hebben ingestemd met begeleiding door het bestuurscollege, waarbij ook bijzondere persoonsgegevens van strafrechtelijke aard en over gezondheid mogen worden verwerkt, mits dat een nuttig doel dient in het kader van de begeleiding terug naar het onderwijs of naar passend werk.
Artikel 9.3.4 WEB (Wettelijke taak school of instelling vsv-beleid Caribisch Nederland)
Met dit voorgestelde artikel 9.3.4 WEB wordt bepaald dat per openbaar lichaam een contactschool het voortouw heeft bij de totstandkoming van een eilandsprogramma met daarin een beschrijving van de uitgangssituatie, de te verwachten ontwikkelingen die invloed kunnen hebben op voortijdig schoolverlaten en de maatregelen om dit voortijdig schoolverlaten zoveel mogelijk te voorkomen en te bestrijden. De contactschool kan een school voor voortgezet onderwijs of een mbo-instelling zijn.
De regionale samenwerkingsstructuur wordt niet overgenomen voor Caribisch Nederland, omdat de openbare lichamen zich op dit moment niet lenen voor onderlinge regionale samenwerking op het terrein van voortijdig schoolverlaten. Zij zijn om meerdere redenen niet vergelijkbaar met Nederlandse gemeenten. De geografische ligging zou dit ondoelmatig maken. De activiteiten die in Europees Nederland worden uitgevoerd op regioniveau, vinden in Caribisch Nederland plaats voor elk afzonderlijk openbaar lichaam.
Het ontwikkelen van de registratie en monitoring van voortijdig schoolverlaters tussen de 12 en 27 jaar oud behelst een taakverzwaring voor het openbaar lichaam. Het is daarom wenselijk om de overige verantwoordelijkheden te spreiden over verschillende instanties. In Europees Nederland heeft de contactgemeente thans een coördinerende rol bij het opstellen van een regionaal programma met maatregelen ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten (artikel 9.2.4, derde lid, onderdeel c, 8.3.4, derde lid, WEB). De coördinerende rol bij aanvullende maatregelen in de bestrijding van voortijdig schoolverlaten wordt op de BES-eilanden belegd bij het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling op het eiland. Dit is overigens niet heel ongewoon, want dit was tot begin deze eeuw de standaardsituatie in Nederland.
Het tweede lid regelt dat de contactschool als taak heeft een eilandelijk programma op te stellen, in samenwerking met andere betrokken partijen zoals het bestuurscollege, uitvoeringsorganisaties en het Expertisecentrum onderwijszorg.
Als het gaat om de jongeren die nog staan ingeschreven aan de instelling of school dient het programma in hoofdzaak betrekking te hebben op problemen met jongeren die de onderwijsinstelling zelf niet meer kan oplossen. Daarnaast kan het eilandelijk programma maatregelen bevatten voor jongeren die niet meer staan ingeschreven aan een onderwijsinstelling, zonder startkwalificatie en jonger dan 27 jaar oud met als doel hen terug te leiden naar school dan wel passend werk voor hen te vinden.
Het derde lid bepaalt dat het eilandelijk plan ook streefcijfers bevat. Het stellen van streefcijfers betekent dat er ook een beschrijving van de beginsituatie moet zijn. De duur van het programma wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Daarnaast kunnen andere uitvoeringsregels worden gesteld.
Artikel 9.3.5 WEB (Subsidie aan contactschool voor vsv-beleid Caribisch Nederland)
In Europees Nederland zijn de coördinerende taken rondom het regionaal programma voortijdig schoolverlaten belegd bij het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente. Het college ontvangt hiervoor een specifieke uitkering op grond van artikel 9.2.9 WEB. Van dit uitgangspunt wordt gemotiveerd afgeweken voor Caribisch Nederland. In Caribisch Nederland wordt de coördinerende taak niet belegd bij het bestuurscollege van het openbaar lichaam, maar bij het bevoegd gezag van de contactschool. De contactschool ontvangt subsidie voor de uitvoering van het eilandelijk programma met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
Artikel 9.3.6 WEB (Effectrapportage Caribisch Nederland)
Dit artikel regelt dat de contactschool jaarlijks een effectrapportage vaststelt met daarin de resultaten van het eilandelijk programma. Deze rapportage moet worden gedeeld met de minister van OCW. Het tweede lid bevat een delegatiegrondslag om nadere regels te stellen over de effectrapportage.
Artikel 9.3.7 WEB (Afwijkende voorschriften hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 2, Caribisch Nederland)
Artikel 9.2.12, vijfde lid, tweede volzin, bepaalt dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van het beleid met betrekking tot loopbaanbegeleiding rekening moet houden met de afspraken uit het regionaal programma, bedoeld in artikel 9.2.8 WEB. Artikel 9.2.8 is niet van toepassing in Caribisch Nederland. In plaats daarvan dient bij het vaststellen van het beleid met betrekking tot loopbaanbegeleiding rekening gehouden te worden met afspraken uit het eilandelijk programma.
Artikel 9.2.13 ziet op de samenwerking (in Europees Nederland) tussen het bevoegd gezag en het college van burgemeester en wethouders op grond van de Participatiewet. Aangezien de Participatiewet niet van (overeenkomstige) toepassing is in Caribisch Nederland wordt deze bepaling in artikel 9.3.7 uitgezonderd.
Artikel I, onderdeel II (artikel 10.2 WEB)
Artikel 10.2 WEB heeft betrekking op de toekenning van rechten aan een instelling. Het bepaalt namelijk dat na een gerechtelijke uitspraak waartegen geen hoger beroep meer mogelijk is, een eventueel recht op bekostiging wordt toegekend met ingang van het studiejaar waarin de uitspraak is gedaan. De bekostigingsaanspraak ontstaat zo dus altijd met ingang van het studiejaar. Met de onderhavige wijzigingsopdracht wordt artikel 10.2 veralgemeniseerd, zodat er geen specifieke bepaling voor Caribisch Nederland nodig is. De strekking van de bepaling blijft ongewijzigd.
Artikel I, onderdelen JJ en KK (hoofdstuk 11, titel 2, WEB)
Hoofdstuk 11 is nu nog niet in titels opgedeeld. Vanwege de invoering van titel 2 met regels voor Caribisch Nederland, wordt dat nu wel nodig. Artikel 11.2 WEB bevat nu reeds de mogelijkheid een bestuurlijke boete op te leggen aan – kort samengevat – iedere natuurlijke of rechtspersoon die zich voordoet als bevoegd gezag in de zin van de WEB maar dat niet is. En daarmee de consument misleidt en potentiële studenten op het verkeerde been zet. In het nieuwe artikel 11.3 WEB wordt geregeld dat in geval van een overtreding begaan in Caribisch Nederland een bestuurlijke boete wordt opgelegd die is begrensd tot de zesde categorie van het Wetboek van Strafrecht BES. De hoogte is overigens gelijk aan die in het Wetboek van Strafrecht.
Artikel I, onderdelen LL en MM (hoofdstukken 11a en 12 WEB)
Met onderdeel LL wordt voorgesteld dat hoofdstuk 11a vervalt. Dit hoofdstuk komt echter terug als hoofdstuk 12. Het nieuwe hoofdstuk 12 is nagenoeg gelijkluidend aan het bestaande hoofdstuk 11a over experimenten. Het is daarmee een technische omzetting in het kader van de kwaliteitsverbetering van de WEB. In dat kader is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de inhoud van de bestaande bepalingen op te knippen in kortere artikelen met minder leden. Ook is de inhoud anders en overzichtelijker vormgegeven door de wetsartikelen waarvan bij algemene maatregel van bestuur met een experiment mag worden afgeweken samen te nemen in het nieuwe artikel 12.1, eerste lid, van de WEB in plaats van thans verspreid in artikel 11a.1, eerste en zesde lid, van de WEB.
Artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13 WEB)
Hoofdstuk 13 wordt nieuw toegevoegd aan de Wet educatie en beroepsonderwijs. Met daarin in titel 1 de evaluatiebepalingen, in titel 2 het nog relevante overgangs- en invoeringsrecht en in titel 3 de slotbepalingen. Dit hoofdstuk komt daarmee in de plaats van hoofdstuk 12 van de WEB, hoofdstuk 11 van de WEB BES en artikel 21a SKJ-wet. Beide hoofdstukken respectievelijk het genoemde artikel bevatten thans het overgangsrecht. Veel van dit overgangsrecht is echter uitgewerkt en daarmee niet meer relevant. Het komt daarmee de leesbaarheid van de wet ten goede om uitsluitend het nog relevante overgangsrecht op te nemen in de wet. Hetzelfde geldt voor de evaluatiebepalingen. De inwerkingtredingsbepaling van de WEB, artikel 12.5.2 (oud), vervalt met uitzondering van onderdeel a, nu de aanhef en de onderdelen b, c, en d zijn uitgewerkt. De wet is al in werking getreden. Onderdeel a, dat regelt dat artikel 7.4.11, wat betreft de examens van beide opleidingen Nederlands als tweede taal, nog niet in werking is getreden, wordt verplaatst naar de inwerkingtredingsbepaling van dit wetsvoorstel (artikel XX). Daarmee wordt bewerkstelligd dat artikel 7.4.11 van de WEB, voor zover het de examens Nederlands als tweede taal betreft, met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ook in werking kan treden. Dit zal ertoe moeten leiden dat de grondslag voor het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal vanaf dan niet meer artikel 2.72, derde lid, WVO 2020 zal zijn, maar artikel 7.4.11, derde lid, WEB, in samenhang gelezen met artikel 7.4.3a WEB. Het omhangen van de grondslag heeft geen inhoudelijke gevolgen. Een certificaat voor een staatsexamenonderdeel dan wel een diploma Nt2 kan alleen worden verleend indien het staatsexamen is afgelegd en overigens aan alle eisen zoals gesteld in of bij het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal is voldaan. Een instellingsexamen kan dus alleen indicatieve waarde hebben over het niveau van de deelnemer aan deze opleiding, maar geen rechtsgevolg.
Hierna volgt een overzicht van nieuwe of reeds bestaande, nog relevante evaluatie- en overgangsrechtelijke bepalingen die een plek krijgen in hoofdstuk 13 van de WEB. Vervolgens wordt ook kort toegelicht waarom bestaande evaluatiebepalingen of overgangsrechtelijke bepalingen vervallen, tenzij dit evident is.
Alle nog relevante en nieuwe evaluatiebepalingen worden opgenomen in hoofdstuk 13, titel 1 (nieuw).
In het voorgestelde artikel 13.1.1 (nieuw) WEB zijn artikel 12.5.1c WEB (oud) en artikel 11.6h WEB BES samengevoegd.58 Ter verduidelijking van het evaluatiemoment is daarbij de inwerkingtredingsdatum van de betreffende wetswijziging in de formulering van het nieuwe artikel opgenomen.
Artikel 13.1.2 (nieuw) WEB bevat een nieuwe evaluatieverplichting vanwege het onderhavige wetsvoorstel. Het ligt in de rede bij die evaluatie de volgende aspecten in ieder geval te betrekken:
de monitor naar het Nederlandse taalonderwijs en de examinering zoals omschreven in paragraaf 3.4 van deze toelichting;
de haalbaarheid van de nieuwe taaleisen mbo voor het beroepsonderwijs in het Caribisch deel van Nederland, zoals geadviseerd door de Expertgroep Nieuwe taaleisen in het mbo;
de samenwerking en taakafbakening tussen ROA CN en SBB;
de uitvoering van het beleid tegen voortijdig schoolverlaten en de samenwerking tussen de instelling of school, bestuurscollege en andere bij de uitvoering van dat beleid betrokken partijen, met daarbij oog voor de vraag in hoeverre het vsv-beleid erin slaagt om jongeren binnen of buiten het reguliere onderwijs een startkwalificatie te laten behalen;
de uitvoering van de wettelijke taak voor een bestuurscollege om de registratie van voortijdig schoolverlaters op zich te nemen;
de uitvoering van de wettelijke taak voor bestuurscolleges om opleidingen educatie aan te bieden;
de toereikendheid van de middelen voor de uitvoering van de doelen die met dit wetsvoorstel worden beoogd.
De overige evaluatiebepalingen uit de WEB en WEB BES zijn materieel uitgewerkt dan wel inmiddels achterhaald, zodat ze met dit wetsvoorstel kunnen komen te vervallen:
Artikel 12.5.1 WEB (oud) betreft de evaluatiebepaling naar aanleiding van de invoering van de WEB destijds in 1996. Deze is niet meer relevant.
Artikel 12.5.1a (oud) WEB en artikel 11.6f WEB BES betreffen de evaluatie van de Wet pseudonimisering onderwijsdeelnemers. Het verslag van deze evaluatie, die is uitgevoerd door KBA Nijmegen, is bij brief van 27 juni 2024 aan de Tweede Kamer gestuurd.59 Daarmee is aan de evaluatieverplichting voldaan en is het artikel materieel uitgewerkt, zodat het niet hoeft terug te komen in hoofdstuk 13, titel 1 (nieuw), WEB.
Artikel 12.5.1b (oud) WEB betreft de evaluatie van de Wet versterking positie mbo-studenten (Stb. 2020, 234).60 Het tweede lid van dat artikel ziet daarbij specifiek op evaluatie van de invoering van de mbo-verklaring. Een eerste evaluatie van het met die wet ingevoerde studentenfonds is bij brief van 20 december 2022 aangeboden aan de Tweede Kamer.61 Ook de eindevaluatie van de invoering van het studentenfonds is inmiddels afgerond (najaar 2025), deze wordt binnenkort aangeboden aan de Tweede Kamer. De evaluatie wat betreft de invoering van de mbo-verklaring is uitgevoerd door KBA Nijmegen. Het eindrapport daarvan (september 2024) is bij brief van 5 december 2024 aangeboden aan de Tweede Kamer.62 Daarmee is de evaluatiebepaling uit artikel 12.1.1b (oud) WEB afgedaan, zodat dit artikel kan komen te vervallen en niet meer overgeheveld hoeft te worden naar hoofdstuk 13, titel 1 (nieuw), WEB.
Voorgesteld wordt om eveneens de evaluatiebepaling uit artikel 11.6g WEB BES niet over te hevelen naar de WEB. Artikel 11.6g WEB BES betreft de evaluatie van de Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437).
De wijzigingen die genoemde wet heeft aangebracht in de WEB BES zijn na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel voor het mbo niet meer relevant. Met dit wetsvoorstel wordt het mbo in Caribisch Nederland voortaan bekostigd op grond van de artikelen 2.2.2 en 2.8.3 WEB (nieuw). Overigens zal de Wet vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen wel nog periodiek geëvalueerd worden, ook al vervalt artikel 11.6g WEB BES. De evaluatiebepaling uit die wet blijft immers opgenomen in artikel 13.14 WVO 2020. De evaluatie zal alleen geen betrekking meer hebben op de wijzigingen die zijn aangebracht in de WEB BES.
Titel 2 bevat het nog relevante overgangs- en invoeringsrecht zoals dat soms al sinds 1996 is opgenomen in de WEB of vanaf 2011 in de WEB BES:
Artikel 12.1a.1 (oud) WEB; het derde lid van dit artikel wordt geschrapt, omdat het artikel al voor iedere opleiding voortgezet volwassenonderwijs geldt, ongeacht of die is erkend dan wel rechtstreeks bekostigd op grond van de WEB. Dit artikel komt terug in artikel 13.2.5 (nieuw) WEB.
Artikel 12.2.1 (oud) WEB komt terug in artikel 13.2.1, eerste lid (nieuw), WEB. Dit betreft de gelijkstelling van allerlei diploma’s en certificaten die zijn behaald voor de invoering van de WEB, met diploma’s en certificaten die zijn behaald op grond van de WEB. Aan artikel 13.2.1 is daarnaast een lid toegevoegd om ook de diploma’s die zijn behaald op grond van de WEB BES gelijk te stellen met een diploma op grond van de WEB.
Artikel 12.2.7 (oud) WEB komt terug in artikel 13.2.2, onderdelen a tot en met c (nieuw) WEB. De oude bepaling bevatte de zinsnede “onverminderd artikel 4.2.1”. Deze zinsnede was door diverse wetswijzigingen niet meer duidelijk, omdat artikel 12.2.7 WEB nu juist beoogde een afwijking te maken van de eisen die in artikel 4.2.1 WEB worden gesteld. Met de nieuwe redactie wordt de bedoeling van de wetgever verduidelijkt. Namelijk door te regelen dat met een oude lesbevoegdheid anders dan geregeld in artikel 4.2.1 WEB weliswaar nog les mag worden gegeven, mits een verklaring omtrent gedrag kan worden overgelegd en er geen rechterlijk beroepsverbod is opgelegd aan de betrokkene.
Artikel 12.3.8 (oud) WEB; het Christelijk Instituut voor Doven “Effatha” is opgeheven per 1 augustus 2016. Deze instelling kan daarom uit de bepaling worden geschrapt. Dit artikel komt terug in artikel 13.2.3 (nieuw) WEB.
Artikel 11.1b WEB BES komt terug in artikel 13.2.6 (nieuw) WEB.
Artikel 11.2 WEB BES komt terug in artikel 13.2.2, onderdeel d (nieuw), WEB.
Het betreft in dat artikel telkens overgangsrecht met eerbiedigende werking voor op grond van eerder geldende wetgeving (vóór de invoering van de WEB of de WEB BES) bevoegde docenten in het beroepsonderwijs of in een opleiding vavo.
Met dit wetsvoorstel worden voorts de volgende nieuwe overgangsbepalingen toegevoegd aan de WEB:
Artikel 13.2.7 bepaalt voor de duidelijkheid dat de Stichting Scholengemeenschap Bonaire als verticale scholengemeenschap is aangemerkt.
Artikel 13.2.8 bevat nieuw overgangsrecht in verband met het intrekken van de SKJ-wet. Deelnemers die op het tijdstip voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel reeds aan een sociaal kanstraject zijn begonnen, behouden het recht dit lopende traject af te ronden. Zij behouden daarbij aanspraak op de kanstrajecttoelage. Op grond van artikel 9, derde lid, van de SKJ-wet kennen sociale kanstrajecten een totale duur van maximaal 2 jaar, met een mogelijkheid tot een verlenging van 6 maanden. Daarom kan dit artikel na die tijdsduur komen te vervallen.
Met artikel 13.2.9 wordt duidelijk gemaakt dat de vóór de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel berekende bekostigingsbedragen op grond van de WVO 2020 voor de SGB niet opnieuw behoeven te worden berekend. De bekostiging wordt per kalenderjaar vastgesteld. Pas het kalenderjaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel wordt het mbo-deel van de bekostiging apart berekend op grond van de artikelen 2.2.1, 2.2.2 en 2.8.3 van de WEB.
Artikel 13.2.10 stelt zeker dat eventueel door de minister genomen sancties op grond van hoofdstuk 10 van de WEB BES niet ineens geen juridische grondslag meer zouden hebben op het moment dat die wet komt te vervallen. Een aanwijzing, spoedaanwijzing, inhouding van bekostiging of bestuurlijke boete op grond van de WEB BES behoudt zijn grondslag op het moment van inwerkingtreding van deze wet, maar deze sancties zijn vanaf dat moment gebaseerd op de overeenkomstige bepalingen in de WEB in plaats van de WEB BES.
Erkenningen, verleend op grond van artikel 1.4.1 WEB BES voor een beroepsopleiding, worden op grond van artikel 13.2.14, derde lid, omgezet in een erkenning op grond van de WEB. Het eerste lid van het voorgestelde artikel 13.2.11 WEB heeft eenzelfde strekking maar dan voor besluiten van de minister over de erkenning van een opleiding educatie op grond van de WEB BES. Het tweede lid van artikel 13.2.11 WEB bepaalt dat aanvragen voor de erkenning van een opleiding educatie op grond van de WEB BES met de inwerkingtreding van dat artikel verder worden behandeld als vergelijkbare aanvragen uit hoofde van de WEB, zodat zij ook tot een erkenning op grond van de WEB leiden. Het derde lid regelt voor de zekerheid dat besluiten van ROA CN over de erkenning van een leerbedrijf op grond van de WEB BES vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel als besluiten op grond van de WEB worden aangemerkt. Tot slot geeft het vierde lid van het voorgestelde artikel 13.2.11 WEB de mogelijkheid om tot twee jaren na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel nog gebruik te blijven maken van opleidingsdomeinen BES en kwalificaties zoals die tot inwerkingtreding van dit wetsvoorstel in Caribisch Nederland in gebruik waren bij de instelling in Bonaire. Op deze manier kan die instelling een zachte overgang maken naar de landelijke kwalificatiestructuur op grond van de WEB. Tevens kunnen bij ministeriële regeling nog nadere regels worden gesteld over de inhoud van deze opleidingsdomeinen en kwalificaties.
Het overige overgangs- en invoeringsrecht uit de WEB, WEB BES en SKJ-wet is verouderd en niet meer relevant. Dit komt daarom niet meer terug en vervalt. Dit betreft de volgende bepalingen:
Artikel 12.1.1 (oud) WEB met betrekking tot het experiment leergang vm2; dit experiment is inmiddels afgelopen.
Artikel 12.1b.1 (oud) WEB betreft een overgangsbepaling bij te late indiening bekostigingsgegevens voor de rijksbijdrage 2025. 63 Aangezien deze bepaling materieel uitgewerkt is tegen de tijd dat onderhavig wetsvoorstel tot wet zal zijn verheven en in werking treedt, kan deze bepaling komen te vervallen. Artikel 12.1b.1 (oud) WEB wordt dan ook niet overgeheveld naar het nieuwe hoofdstuk 13 (nieuw) WEB.
Artikel 12.2.2 WEB; deze bepaling is uitgewerkt. De regering heeft namelijk niet meer de mogelijkheid om arbeidsvoorwaarden vast te stellen, behoudens de maximale beloning voor bestuurders. Artikelen 3.1.2 en 3.2.1, waar de bepaling naar verwijst, zijn vervallen. Artikel 4.1.1 gaat over de formatie en artikel 4.1.2 gaat over de rechtspositie van het personeel. Oorspronkelijk bevatten beide laatstgenoemde artikelen de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur verschillende voorschriften vast te stellen. Voor de meeste voorschriften is deze basis echter al eerder vervallen. Artikel 4.1.2, derde lid, bevat tot op heden nog wel de grondslag om voorschriften te stellen omtrent de maximale beloning van bestuurders bij algemene maatregel van bestuur. De maximale beloning van bestuurders is echter op grond van artikel 2.6, eerste lid van de Wet normering topinkomens reeds geregeld in de Regeling normering topinkomens OCW-sectoren. Artikel 4.1.2, derde lid, WEB wordt daarmee alleen relevant voor Caribisch Nederland, omdat de Wet normering topinkomens daar niet van toepassing is.
Artikel 12.2.3 WEB; vakinstellingen zijn inmiddels beroepscolleges en daarvoor is reeds een grondslag in de WEB, zodat deze bepaling kan vervallen.
Artikel 12.2.4 WEB; agrarische opleidingscentra zijn inmiddels omgezet naar verticale scholengemeenschappen, zodat dit artikel is uitgewerkt en kan vervallen.
Artikel 12.2.9 WEB; dit artikel is verouderd.
Artikel 12.4.1 WEB; dit artikel is verouderd. De periode waar in dit artikel naar wordt verwezen is vastgesteld in de Invoeringsregeling vervallen leerlinggebonden financiering beroepsonderwijs. Hierin staat dat dit de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 december 2014 betreft. Abusievelijk is deze bepaling tot nu toe blijven bestaan, ondanks dat deze is uitgewerkt.
Artikel 12.4a.1 WEB; dit artikel is verouderd. Studenten die voor de inwerkingtreding van de Wet van 26 juni 2013 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs (Stb. 2013, 288) zijn begonnen met een beroepsopleiding, hebben deze opleiding inmiddels afgerond.
Artikel 12.4b.1 WEB; dit artikel is verouderd. De benoemingstermijn voor leden van de examencommissie die reeds voor inwerkingtreding van de Wet van 25 januari 2017 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake aanscherping van de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs en een technische aanpassing (Stb. 2017, 43) lid waren van de examencommissie is inmiddels verstreken.
De artikelen 11.1 en 11.6b WEB BES kunnen vervallen, omdat het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland alleen nog maar gebruik maakt van de opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers en kwalificaties zoals vastgesteld in de landelijke kwalificatiestructuur op grond van de WEB.
Artikel 11.1a WEB BES kan vervallen, omdat de bekostiging van het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet meer op grond van de WVO 2020 zal plaatsvinden maar op grond van de WEB.
De bekostiging van het beroepsonderwijs op Caribisch Nederland is thans nog op grond van overgangsrecht geregeld in de artikelen 11.1a en 11.1b van de WEB BES. Artikel 11.1a verwijst voor de berekening van de bekostiging van het Bonairiaanse beroepsonderwijs naar de bij of krachtens de WVO 2020 gestelde rekenregels. Kort samengevat vindt de bekostiging van het Bonairiaanse beroepsonderwijs tot nu toe plaats op grond van artikel 11.47, tweede lid, onderdeel b, van de WVO 2020. Met dit wetsvoorstel blijft overeind dat de bekostiging van het beroepsonderwijs zal plaatsvinden op bijna dezelfde wijze als het voortgezet onderwijs op Bonaire. Maar met dit verschil dat de bekostiging van het beroepsonderwijs voortaan zal plaatsvinden via de band van de WEB. Het overgangsrecht van artikel 11.1a WEB BES kan daarbij vervallen. De bekostiging van het beroepsonderwijs in een openbaar lichaam, feitelijk beperkt tot de SGB, omdat daar beroepsonderwijs in de zin van de wet wordt aangeboden, vindt dan voortaan plaats krachtens de artikelen 2.2.1 en 2.8.3 WEB.
De artikelen 11.3 en 11.4 WEB BES zijn uitgewerkt, omdat de op grond van die artikelen geldende vijfjaarstermijn inmiddels is verstreken.
Titel 3 bevat uitsluitend nog de citeertitel als slotbepaling. Dit betekent dat de citeertitel wordt verplaatst van artikel 12.5.3 WEB naar artikel 13.3.1.
Zoals hiervoor toegelicht vervalt de inwerkingtredingsbepaling van de WEB, thans artikel 12.5.2. Dit kan zonder problemen omdat de aanhef en onderdelen b, c en d zijn uitgewerkt, terwijl onderdeel a inzake artikel 7.4.11 WEB deels nog niet in werking is getreden en daarom terugkomt in de inwerkingtredingsbepaling van dit wetsvoorstel, zodat er apart nog over de inwerkingtreding daarvan kan worden besloten. Het betreft de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 7.4.11 WEB als het gaat om de examens Nederlands als tweede taal.
Artikel II. Wijziging Wet voortgezet onderwijs 2020
Artikel II, onderdelen A tot en met W, Z, CC en DD (diverse artikelen WVO 2020)
Deze wijzigingen betreffen allemaal het schrappen van verwijzingen in de WVO 2020 naar de WEB BES. Nu die laatste wet wordt ingetrokken, kan in de WVO 2020 worden volstaan met de reeds bestaande verwijzingen naar relevante artikelen in de WEB.
Onderdeel W bevat daarnaast het vervallen van artikel 11.16, eerste lid, onderdeel d, van de WVO 2020, waarbij de overige onderdelen worden verletterd. Dat onderdeel d bepaalt dat het projectbureau in de zin van de SKJ-wet deel uitmaakt van een samenwerkingsverband CN. Nu de SKJ-wet wordt ingetrokken, houdt de formele uitvoeringsinstantie voor de SKJ-wet op te bestaan en kan de verwijzing naar die wet vervallen.
Met de wijzigingen in onderdeel Z worden de verwijzingen naar de Raad onderwijs arbeidsmarkt in de artikelen 11.30 tot en met 11.32 van de WVO 2020 in lijn gebracht met de wijziging van de begripsbepaling in artikel 11.1 WVO 2020 (zie artikel II, onderdeel V, van dit wetsvoorstel).
Artikel II, onderdeel A, onder 12
Met artikel II, onderdeel A, onder 12, wordt een technische wijziging aangebracht in de begripsbepaling van het begrip verklaring omtrent het gedrag in de WVO 2020.64 Bedoeling is om te verduidelijken dat een verklaring omtrent gedrag afgegeven dient te zijn op grond van de ter plaatse van toepassing zijnde wet. In het Europese deel van Nederland is dat de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, terwijl het in Caribisch Nederland de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES betreft. De huidige formulering wekt onbedoeld de indruk dat in Europees Nederland ook volstaan zou kunnen worden met een in Caribisch Nederland afgegeven verklaring en vice versa. Dat is niet het geval. In de WEB wordt eenzelfde onderscheid gemaakt. Artikel 4.2.6, tweede lid, WEB ziet op de vog in Europees Nederland en artikel 4.4.3 (nieuw) WEB ziet op de vog in Caribisch Nederland (artikel I, onderdelen R en V).
Artikel II, onderdelen X en Y (artikelen 11.20 en 11.21 WVO 2020) en artikel VII, onderdeel D (artikel 9a WOT)
Artikel 11.21 WVO 2020 is overbodig aangezien de WOT reeds van toepassing is op het toezicht op het EOZ (zie ook artikel VII, onderdelen F en G).
In het nieuwe artikel 9a WOT (artikel VII, onderdeel D) worden de toezichtsbevoegdheden uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard op het toezicht in Caribisch Nederland (vergelijk artikel 11.21, tweede lid, WVO 2020).
In verband met het vervallen van artikel 11.21 WVO 2020 wordt ook de verwijzing in artikel 11.20, tweede lid, aangepast (artikel II, onderdeel X). Daarin wordt dan rechtstreeks naar de taken uit de artikelen 11.18, eerste lid, en 11.19, vierde lid, verwezen, in plaats van via de omweg van artikel 11.21, eerste lid (oud).
Artikel II, onderdeel AA (artikel 11.36a WVO 2020)
De Wet medezeggenschap op scholen (WMS) is niet van toepassing in Caribisch Nederland. Daarom bevat de WVO 2020 in de artikelen 11.33 tot en met 11.36 alternatieve bepalingen met betrekking tot de medezeggenschap in het voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland. Maar op een verticale scholengemeenschap is, zowel wat betreft het mbo als het vo daarbinnen, het medezeggenschapsregime van het mbo van toepassing (artikel 2.6.3, tweede lid, WEB).65 Daarom bepaalt artikel 11.36a WVO 2020 dat de artikelen 11.33 tot en met 11.36 WVO 2020 niet van toepassing zijn op een school die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap.
In artikel 2.8.8 WEB (zie artikel I, onderdeel I) wordt bepaald dat artikel 2.6.3, tweede lid, WEB ook van toepassing is op een verticale scholengemeenschap in Caribisch Nederland, met dien verstande dat in dat geval de Wet medezeggenschap op scholen in zijn geheel niet van toepassing is.
Artikel II, onderdeel BB (artikel 11.47 WVO 2020)
De wijziging in artikel 11.47, waarbij het bestaande onderdeel b vervalt, is nodig omdat de SGB met dit wetsvoorstel als verticale scholengemeenschap wordt aangemerkt. Een verticale scholengemeenschap bestaat uit een mbo-instelling die een bestuurlijk-organisatorische eenheid vormt met een school voor voortgezet onderwijs. Een van de voorwaarden in het bijzonder onderwijs (hiermee wordt bedoeld onderwijs dat niet uitgaat van de overheid) is dat zowel instelling als school in stand worden gehouden door dezelfde rechtspersoon (één bevoegd gezag).
Het zou dan verwarrend zijn wanneer de grondslag voor de bekostiging van het mbo-deel binnen de verticale scholengemeenschap op grond van artikel 11.47, tweede lid, onderdeel b, WVO 2020 blijft plaatsvinden, zoals nu nog het geval is. Een verticale scholengemeenschap heeft als uitgangspunt dat de WVO 2020 van toepassing is op de school voor voortgezet onderwijs. Met daarbij als belangrijkste uitzonderingen de verantwoordelijkheid voor de huisvesting en de organisatie van de medezeggenschap. En dat de WEB van toepassing is op de mbo-instelling. Vanwege de consistentie van wetgeving wordt hieraan vastgehouden.
Het genoemde onderdeel b bevat zoals gezegd thans de grondslag om de SGB in zijn geheel te bekostigen volgens de regels van de WVO 2020, dus inclusief het mbo-deel. Behalve het systemische bezwaar hiertegen, is het nadeel hiervan dat wijzigingen in wet- en regelgeving en voorzieningen voor het mbo dan niet vanzelf van toepassing worden voor het beroepsonderwijs op Bonaire. Daarom vervalt deze grondslag. De rekenregels voor de bekostiging zijn op een lager niveau te vinden. Namelijk in het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 voor het voortgezet onderwijs en in het Uitvoeringsbesluit WEB voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Deze rekenregels blijven ongewijzigd door deze technische wijziging in de wet.
De grondslag voor de bekostiging van het beroepsonderwijs op Bonaire is daarmee voortaan te vinden in de artikelen 2.2.1, 2.2.2 en 2.8.4 WEB. Op grond van artikel 2.8.4 WEB is artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel b, WEB, dat betrekking heeft op het aantal gediplomeerden als bekostigingsfactor, echter niet van toepassing in Caribisch Nederland. Daarnaast is vooralsnog ook artikel 2.2.1, tweede en vierde lid, WEB, met betrekking tot de bijdrage in de huisvestingkosten, niet van toepassing. Artikel 13.2.6 WEB bevat namelijk overgangsrecht met betrekking tot de voorziening in de huisvesting (vergelijk het huidige artikel 11.1b WEB BES). Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip maakt een bijdrage in de huisvestingskosten daarom geen deel uit van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs op Bonaire.
Artikel II, onderdeel EE (artikel 11.71 WVO 2020)
In artikel 11.71, tweede lid, WVO 2020 worden de woorden “om niet” ingevoegd om de bedoeling van de wetgever duidelijk te maken. Deze bepaling voor Caribisch Nederland is de pendant van artikel 6.13, tweede lid, WVO 2020 voor Europees Nederland. De artikelsgewijze toelichting bij het huidige artikel 11.71 WVO 2020 vermeldt dat dit artikel overeenkomt met artikel 6.13 van die wet. Hieruit is op te maken dat het de bedoeling is dat beide bepalingen hetzelfde regelen. In beide gevallen wordt geregeld dat een openbaar lichaam respectievelijk gemeente als wettelijke taak heeft niet alleen zijn eigen openbaar onderwijs maar ook het bijzonder onderwijs te voorzien van onderwijshuisvesting. Indien daarbij sprake is van nieuwbouw dient de eigendom zonder vergoeding of koopprijs te worden overgedragen aan het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs.
Artikel II, onderdeel FF (artikel 11.79a WVO 2020)
In Europees Nederland zijn, ook wat betreft het voortgezet onderwijs dat deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap, de regels uit de WEB van toepassing (en dus niet de artikelen uit de WVO 2020). Voor Caribisch Nederland is echter op dit moment niets geregeld ten aanzien van een verticale scholengemeenschap, waarmee met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet eenduidig bepaald is wat er geldt ten aanzien van de huisvesting van een verticale scholengemeenschap (enerzijds in de WVO 2020, anderzijds in de WEB BES).
Artikel 11.60 WVO 2020 bepaalt dat in Caribisch Nederland op de huisvesting van scholen, in afwijking van hoofdstuk 6 van de WVO 2020, de artikelen 11.61 tot en met 11.80 WVO 2020 van toepassing zijn. Daarmee is artikel 6.22 WVO 2020, over de huisvesting van een verticale scholengemeenschap, dus niet van toepassing in Caribisch Nederland. Tot nu toe is dit geen probleem, omdat de SGB formeel geen verticale scholengemeenschap is. Met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel verandert dat echter. Om een omissie in de wet te voorkomen, is het voorgestelde artikel 11.79a WVO 2020 van belang.
Het voorgestelde artikel 11.79a is grotendeels gelijk aan artikel 6.22 WVO 2020. Wel is het aangepast aan Caribisch Nederland. Artikel 11.79a bepaalt dat (ook) in Caribisch Nederland op de huisvesting van een verticale scholengemeenschap niet de bepalingen uit de WVO 2020, maar die uit de WEB van toepassing zijn.
Op dit moment is ten aanzien van de huisvesting nog overgangsrecht van toepassing (artikel 12.23 WVO 2020 en artikel 13.2.6 WEB). Totdat dit overgangsrecht komt te vervallen zijn de reguliere wetsbepalingen over onderwijshuisvesting in de WVO 2020 (waaronder dit artikel 11.79a WVO 2020) en de WEB nog niet allemaal van toepassing in Caribisch Nederland.
Artikel II, onderdelen GG en HH (artikelen 11.96 en 11.97 WVO 2020)
In artikel 8.19 WVO 2020 is bepaald dat enkele bepalingen uit hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1, van de WEB van overeenkomstige toepassing zijn op het voortgezet onderwijs in Europees Nederland. Hoofdstuk 9, titel 3, van de WEB bevat voor het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland specifieke bepalingen over de toepassing van hoofdstuk 9, titel 2, van de WEB. Diezelfde uitzonderingen en afwijkende bepalingen voor het mbo in Caribisch Nederland dienen ook van toepassing te worden verklaard op het voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland. Daarom wordt aan artikel 11.96 WVO 2020 toegevoegd dat op het voortgezet onderwijs in een openbaar lichaam ook de artikelen 9.3.2 tot en met 9.3.6 WEB van overeenkomstige toepassing zijn.
In artikel 11.97 WVO 2020 is thans reeds bepaald dat de school leerlingverzuim van meer dan een maand meldt aan het bestuurscollege. Dit wordt gewijzigd naar vier weken. Daarmee wordt die meldtermijn in lijn gebracht met hetgeen is bepaald in artikel 8.20 WVO 2020 voor Europees Nederland en indien het betreft een student beroepsonderwijs of vavo als bedoeld in de WEB.
In de hierboven aangehaalde artikelen van de WEB is – kort samengevat – het volgende geregeld. Het beleid gericht op het terugdringen van het voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland wordt vastgelegd in een eilandelijk programma. De contactschool neemt het initiatief voor het opstellen van dit programma maar doet dat in samenwerking met het bestuurscollege, het expertisecentrum onderwijszorg en degenen die betrokken zijn of worden bij de uitvoering van het programma. De contactschool ontvangt op aanvraag subsidie om dit programma te kunnen opstellen en uitvoeren. Het bestuurscollege is verantwoordelijk voor de goede registratie van de verzuimmeldingen die worden gedaan door het bevoegd gezag. Zolang er geen uitwisseling met het ROD kan worden gerealiseerd, worden de persoonsgegevens lokaal geregistreerd. Hiertoe is voorzien in tijdelijke wetgeving. Ten tweede heeft het bestuurscollege tot taak iedere jongere onder de leeftijd van 27 jaar oud,66 die zonder startkwalificatie op het eiland woont, te benaderen en te vragen of hij of zij niet weer onderwijs wil gaan volgen. En als dat door omstandigheden op dat moment geen optie is en de jongere in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, dan eindigt deze taak vooralsnog. Indien de jongere niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, maar terug naar het onderwijs op dat moment geen optie is, dan kan het bestuurscollege in gesprek met die jongere om samen met hem of haar een passende baan te zoeken. Voor het vervolg van deze taak is toestemming van de jongere nodig. Dit betekent dat indien de jongere niet wil meewerken, de bemoeienis van het bestuurscollege met de jongere dient te stoppen voor dat jaar. Het is de bedoeling dat het bestuurscollege de jongere periodiek blijft bevragen totdat die een startkwalificatie heeft behaald dan wel de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt. Dan stopt de verantwoordelijkheid van het bestuurscollege. Tot slot is het bestuurscollege partner in het vaststellen van het eilandelijk plan gericht op het voorkomen en terugdringen van voortijdig schoolverlaten dat door de zogenoemde contactschool als coördinator wordt opgesteld. Dat plan bevat de maatregelen voor een periode van vier jaar.
In artikel 11.97, eerste lid, onderdeel b, WVO 2020 is nu eigenlijk opgesomd in welke gevallen een jongere over een startkwalificatie in de zin van de Leerplichtwet BES beschikt. Thans worden daar genoemd het diploma basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkader- en specialistenopleiding (op grond van de WEB BES), alsmede het havo- of vwo-diploma. Dit onderdeel wordt algemener geformuleerd door rechtstreeks te gaan verwijzen naar alle diploma’s die zijn aangemerkt als startkwalificatie in de zin van de Leerplichtwet 1969 of de Leerplichtwet BES. Daarmee komen naast de reeds genoemde diploma’s ook bepaalde diploma’s en certificaten op grond van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES hieronder te vallen.67
Artikel II, onderdeel II (artikel 12.23 WVO 2020) en artikel IX, onderdeel G (artikel 158 WPO BES)
Op grond van artikel 158 WPO BES en artikel 12.23 WVO 2020 geldt er voor het primair en voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland overgangsrecht ten aanzien van de voorziening in de huisvesting. Deze beide bepalingen worden technisch aangepast om mogelijk te maken dat het overgangsrecht niet alleen per onderwijssector, maar ook per openbaar lichaam op een verschillend moment bij koninklijk besluit kan komen te vervallen. Hiermee kan beter ingespeeld worden op de lokale situatie.
Artikel 11.1b WEB BES bevat eenzelfde bepaling met overgangsrecht ten aanzien van de voorziening in de huisvesting voor het mbo in Caribisch Nederland. Deze bepaling komt terug in artikel 13.2.6 (nieuw) WEB. Beroepsonderwijs in de zin van de WEB (BES) wordt in Caribisch Nederland echter alleen verzorgd op Bonaire; het CXC-onderwijs op Sint Eustatius en Saba valt onder de WVO 2020. Daarom is ten aanzien van het mbo eenzelfde aanpassing als hiervoor is genoemd voor het primair en voortgezet onderwijs (de mogelijkheid om het overgangsrecht ten aanzien van de voorziening in de huisvesting per openbaar lichaam op een verschillend moment te kunnen laten vervallen) in de WEB niet nodig.
Artikel II, onderdeel JJ (artikel 13.9 WVO 2020), artikel V (artikel 177 WEC), artikel VI, onderdeel C (artikel 19.1a WHW), artikel VIII (artikel 199 WPO) en artikel IX, onderdeel H (artikel 163 WPO BES)
Artikel 199 WPO, artikel 177 WEC, artikel 163 WPO BES, artikel 13.9 WVO 2020 en artikel 19.1a WHW bevatten allemaal eenzelfde evaluatiebepaling als de artikelen
12.5.1a WEB en 11.6f WEB BES (zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel NN). Al deze bepalingen betreffen de evaluatie van de Wet van 29 november 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer ten behoeve van het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van onderwijsdeelnemers (Stb. 2017, 508). De betreffende evaluatie heeft inmiddels plaatsgevonden. Het evaluatieverslag is bij brief van 27 juni 2024 aan de Tweede Kamer gestuurd.68 Genoemde bepalingen kunnen daarom komen te vervallen.
Artikel III. Wijziging Leerplichtwet BES
Met de wijzigingen in de Leerplichtwet BES wordt de juridische grondslag gecreëerd voor de aansluiting van de registers van de bestuurscolleges in de openbare lichamen op het register onderwijsdeelnemers voor wat betreft de verzuimgegevens en de vrijstellingsgegevens als bedoeld in de WRO. Een complete registratie van deze gegevens voor heel Nederland is van belang voor de beleidsvoorbereiding alsmede het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel III, onderdeel A, onder 3
In artikel 1, onderdeel f, onder 2°, van de Leerplichtwet BES wordt een verwijzing naar de WVO 2020 gecorrigeerd. Abusievelijk is eerder verwezen naar artikel 2.68 in plaats van 2.86 WVO 2020. Het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES is mede gebaseerd op artikel 2.86 WVO 2020. Met artikel 25 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES is invulling gegeven aan de grondslag uit artikel 1, onderdeel f, onder 2°, van de Leerplichtwet BES. Daarin wordt genoemd welke vo-diploma’s behaald aan instellingen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86 WVO 2020 gelijkgesteld worden met een startkwalificatie.
Artikel IV. Wijziging Wet College voor toetsen en examens
De Wet College voor toetsen en examens (Wet CvTE) regelt de wettelijke taken voor het zelfstandig bestuursorgaan CvTE. Dit college heeft volgens die wet ook taken op het gebied van centrale examinering voor het beroepsonderwijs op Bonaire. Aan die taak is tot op heden geen invulling gegeven. Nu de WEB BES echter wordt ingetrokken, kunnen ook de verwijzingen naar die wet vervallen. In artikel 2 van de Wet CvTE wordt nog een redactionele verbetering doorgevoerd. Artikel 2 heeft namelijk betrekking op centrale examens en thans wordt er verwezen naar centrale examens uit hoofde van artikel 7.4.11 van de WEB. In die bepaling worden zowel de opleidingen vavo als Nederlands als tweede taal (Nt2) genoemd. De opleidingen vavo kennen wel centrale examens, maar de opleiding Nt2 kent alleen staatsexamens. Daarom is het zuiverder in artikel 2 Wet CvTE voortaan te verwijzen naar artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB, dat alleen betrekking heeft op opleidingen vavo.
Artikel VI. Wijziging Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
De WEB BES wordt ingetrokken, maar diploma’s of certificaten behaald op grond van die wet kunnen nog wel gelden als getuigschrift voor toelating tot een opleiding in het hoger beroepsonderwijs. In de WHW worden drie verwijzingen naar de WEB BES geschrapt omdat artikel 13.2.1, tweede lid, WEB overgangsrecht hierover bevat. Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat de WEB BES niet meer bestaat, maar op grond van die wet behaalde diploma’s gelijkgesteld zijn aan diploma’s als bedoeld in de WEB. Zo zijn ook die diploma’s nog wel relevant als geldige vooropleiding in verband met toelating tot een hogeschool of universiteit.
Artikel VII. Wijziging Wet op het onderwijstoezicht
Onderdeel A (artikel 1 WOT)
Artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) wordt opnieuw vastgesteld. Daarbij worden de begripsbepalingen in alfabetisch volgorde geplaatst. De begripsbepaling ‘onderwijswet’ is geactualiseerd door daarin de verwijzingen naar de WEB BES en de SKJ-wet te verwijderen, nu die wetten met dit wetsvoorstel immers komen te vervallen. Ook wordt in die begripsbepaling geen onderscheid meer gemaakt tussen onderwijswetten voor Europees Nederland en onderwijswetten voor Caribisch Nederland (sub 1 respectievelijk sub 2 van de oude begripsbepaling), omdat dat onderscheid achterhaald is. Zowel de WVO 2020 als straks de WEB zien immers zowel op Europees Nederland als op Caribisch Nederland.
De begripsbepaling ‘samenwerkingsverband’ wordt uitgebreid zodat die ook het samenwerkingsverband CN (artikel 11.16 WVO 2020) omvat. Daarnaast worden begripsbepalingen voor de begrippen ‘expertisecentrum onderwijszorg’ en ‘Raad onderwijs arbeidsmarkt CN’ toegevoegd. Vanwege deze uitbreiding wordt ook het begrip “bestuur” uitgebreid. Thans is dat nog beperkt tot een schoolbestuur, hoofd van de school als het gaat om de Leerplichtwet 1969 of Leerplichtwet BES, of het samenwerkingsverband. Maar omdat er naast het samenwerkingsverband ook nog andere rechtspersonen in onderwijswetten zijn met een wettelijke taak zoals EOZ, SBB, ROA CN, worden ook deze rechtspersonen onder het begrip “bestuur” in de zin van de WOT geschaard. Dit komt de consistentie ten goede.
Onderdelen C en K (artikelen 9 en 16 WOT)
Het huidige artikel 9 wordt opgesplitst; ter verduidelijking wordt het eerste lid daarbij herschreven. Het vijfde en zesde lid (oud) van artikel 9 hebben betrekking op de kosten die verband houden met het toezicht op transnationaal onderwijs.69 Deze leden worden als eerste en tweede lid opgenomen in artikel 16 (nieuw). Inhoudelijk worden die bepalingen niet gewijzigd.
Onderdelen F tot en met I
Met de voorgestelde wijzigingen in de onderdelen F tot en met I wordt geëxpliciteerd dat hoofdstuk 3a van de WOT tevens van toepassing is op het toezicht op het samenwerkingsverband CN en het Expertisecentrum onderwijszorg CN (EOZ), en dat hoofdstuk 3d van tevens van toepassing is op de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN (ROA CN).
Onderdeel J
De voorgestelde wijziging schrapt een verwijzing naar de WEB BES.
Artikel IX. Wijziging Wet primair onderwijs BES
De verwijzing in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet primair onderwijs BES (WPO BES) naar de WEB BES blijft gehandhaafd. Hoewel de WEB BES wordt ingetrokken, blijven diploma’s die eerder zijn afgegeven op grond van die wet nog wel geldig voor onderwijsondersteunende werkzaamheden in het primair onderwijs in de openbare lichamen. In het derde lid van artikel 4 kan de verwijzing naar de WEB BES wel komen te vervallen; omdat het daar gaat over het verrichten van onderwijsondersteunende werkzaamheden door studenten tijdens hun studie, hoeft er in die bepaling niet naar de oude wet verwezen te (blijven) worden. Tevens wordt dit lid eenvoudiger geredigeerd. De bedoeling van het lid is immers dat de in dat lid genoemde studenten vrijgesteld zijn van de formele vereisten die kunnen gelden voor onderwijsondersteunende werkzaamheden op een basisschool. Op dit moment zijn dergelijke eisen overigens niet gesteld.
In de artikelen 26, 91 en 99 van de WPO BES worden met dit wetsvoorstel verwijzingen naar de WEB BES vervangen door die naar de WEB, omdat deze laatste wet na inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel ook van toepassing is in de openbare lichamen.
Artikel IX, onderdelen A en F (artikelen 1 en 142 WPO BES)
Artikel 42 van de Wet register onderwijsdeelnemers (WRO) is nog niet in werking getreden. In dat artikel zijn wijzigingen van de Wet primair onderwijs BES opgenomen ten behoeve van de invoering van het register onderwijsdeelnemers in het primair onderwijs in Caribisch Nederland. Met artikel X, onderdelen A en F, van het onderhavige wetsvoorstel worden de wijzigingen die artikel 42 WRO beoogde aan te brengen in de WPO voor de duidelijkheid opnieuw vastgesteld. Artikel 142 WPO BES heeft betrekking op het gebruik van het persoonsgebonden nummer BES door het bevoegd gezag. Die bepaling is nog niet in werking getreden.70
Artikel X. Wijziging Wet register onderwijsdeelnemers
De wijzigingen in de WRO zijn verschillend van aard. Er is enerzijds sprake van enkele technische wijzigingen als gevolg van de intrekking van de WEB BES met dit wetsvoorstel, waardoor verwijzingen naar de WEB BES in de WRO kunnen komen te vervallen. In plaats daarvan worden de reeds bestaande verwijzingen naar de WEB ook relevant voor de openbare lichamen. Ook wordt in artikel 15, vijfde lid, WRO (Artikel X, onderdeel C) een onjuiste verwijzing gecorrigeerd: door een eerdere vernummering van artikelleden verwijst dit artikellid nu onbedoeld mede naar zichzelf.71 De andere wijzigingen hebben een inhoudelijk karakter en worden hierna toegelicht.
In 2020 is er bij de totstandkoming van de Wet register onderwijsdeelnemers en het Besluit register onderwijsdeelnemers voor gekozen om alleen de bepalingen over basisgegevens van toepassing te laten zijn op Caribisch Nederland.72 Achtergrond hiervan was dat voor 1 juli 2020 voor Caribisch Nederland alleen bepalingen over het basisregister onderwijs (BRON, thans register onderwijsdeelnemers (ROD)) tot stand waren gebracht, maar nog niet in werking getreden. De overige registers die zijn opgegaan in het ROD waren niet van toepassing op de BES. Dat betreft dan het oude diplomaregister, meldingsregister relatief verzuim en register vrijstellingen en vervangende leerplicht (die voor Europees Nederland als respectievelijk diplomagegevens, verzuimgegevens en vrijstellingsgegevens zijn opgegaan in het ROD).
In 2020 en 2021 is aan de hand van twee pilots verkend welke mogelijkheden en belemmeringen er zijn om bekostigde scholen en instellingen in Caribisch Nederland op het ROD aan te sluiten voor de basisgegevens. De conclusie van deze pilots was dat bekostigde onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland gefaseerd konden worden aangesloten.
Met deze wijziging van de WRO wordt ook het registreren en ontsluiten van verzuimgegevens, vrijstellingsgegevens en diplomagegevens juridisch mogelijk gemaakt voor het beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland. Hiervoor is ook noodzakelijk dat een koppeling wordt gemaakt tussen de WRO en de Leerplichtwet BES. Waar gegevens uit het ROD worden gebruikt voor de uitvoering van de Leerplichtwet 1969, wordt daar met deze wijziging ook het betreffende artikel in de Leerplichtwet BES aan toegevoegd. Deze wijziging hangt daarom samen met die van artikel III inzake de Leerplichtwet BES.
Implementatie zal gefaseerd plaatsvinden en is na inwerkingtreding van deze wet vooral afhankelijk van eventuele ICT-belemmeringen en kosten. De uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het Besluit register onderwijsdeelnemers, omdat de WRO slechts de hoofdlijnen en het kader bevat voor de levering en registratie van onderwijsgegevens.
Onderdeel F (artikel 42, 43 en 44 Wet register onderwijsdeelnemers)
Artikel 42 WRO betreft enkele wijzigingen in de Wet primair onderwijs BES die nodig zijn om het register onderwijsdeelnemers ook in het primair onderwijs op Caribisch Nederland in te kunnen voeren. Bij een eerdere wijziging van de WPO BES73 is echter geen rekening gehouden met samenloop met het nog niet in werking getreden artikel 42 van de WRO. Doordat de betreffende artikelen van de WPO BES inmiddels vernummerd zijn, dient dit nu wetstechnisch gerepareerd te worden, voordat de betreffende wijzigingen in werking kunnen treden. Voor de duidelijkheid is ervoor gekozen om artikel 42 WRO in te trekken en deze wijzigingen op te nemen rechtstreeks als wijzigingen van de WPO BES (zie artikel X, onderdelen A en F).
De artikelen 43 en 44 WRO zijn nooit in werking getreden. Aangezien het hier wijzigingen van de Wet voortgezet onderwijs BES (WVO BES) respectievelijk de WEB BES betreft, zullen deze artikelen ook niet meer in werking kunnen treden. De WVO BES is immers per 1 augustus 2022 ingetrokken bij inwerkingtreding van de WVO 2020. De WEB BES wordt ingetrokken met het onderhavige wetsvoorstel. Met onderdeel F komen ook de artikelen 43 en 44 van de WRO daarom te vervallen.
Artikel XI. Wijziging Wet studiefinanciering BES
Met dit artikel worden in de Wet studiefinanciering BES verwijzingen naar de WEB BES vervangen door verwijzingen naar de WEB. Dit is nodig vanwege de intrekking van de WEB BES. Tevens worden enige redactionele verbeteringen doorgevoerd. Zo bleken in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering BES de begripsbepalingen van de begrippen beroepsonderwijs en beroepsopleiding verwisseld te zijn (onderdeel A, onder 2 en 3): de begripsbepaling van beroepsopleiding verwijst in de huidige tekst abusievelijk naar het artikel over beroepsonderwijs in de WEB BES en omgekeerd. Dat wordt nu gecorrigeerd zodat er straks naar de juiste bepalingen in de WEB wordt verwezen.
Artikel XII. Wijziging Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013
In artikel 3 van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 vervalt de verwijzing naar de WEB BES, omdat die wet wordt ingetrokken.
Artikel XIII. Wijziging Algemene wet bestuursrecht
Omdat artikel 1.6.1 (oud) WEB met dit wetsvoorstel wordt samengevoegd met artikel 6.3.1 WEB, wordt met onderhavig artikel de verwijzing naar deze bepaling in artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht geactualiseerd.
Artikel XIV. Wijziging Wet inkomstenbelasting BES
De wijzigingen in de Wet inkomstenbelasting BES betreffen slechts een aanpassing van verwijzingen in verband met het intrekken van de WEB BES. Voortaan wordt verwezen naar de overeenkomstige bepalingen in de WEB.
Artikelen XVI tot en met XVIII
Met deze artikelen wordt de samenloop met andere wetsvoorstellen geregeld. Het betreft het wetsvoorstel Terugdringen schoolverzuim (Kamerstukken 36663), het wetsvoorstel Verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) en het wetsvoorstel Planmatige aanpak onderwijshuisvesting (Kamerstukken 36692).
Artikel XVII
Eerste en vijfde lid
Met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt wordt hoofdstuk 1, titel 5, (over de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven) verplaatst naar hoofdstuk 5, titel 2. Daarom dienen ook de hiermee samenhangende bepalingen voor Caribisch Nederland (over de Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland) in hoofdstuk 5, titel 3, in plaats van in hoofdstuk 1, titel 6, een plaats te krijgen.
Vierde lid
Het onderhavige wetsvoorstel herschikt de hoofdstukken 11a, 12 en 13 van de WEB. Omdat het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt nog overgangsrecht toevoegt aan hoofdstuk 12 (oud) dreigt dit door onderhavig wetsvoorstel te verdwijnen. Met de samenloopbepaling in het vierde lid wordt het overgangsrecht uit de Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt overgeheveld naar hoofdstuk 13, titel 2, paragraaf 3 (nieuw). Aangezien meerdere van deze bepalingen bij overheveling naar hoofdstuk 13 technisch aangepast zouden moeten worden, is ervoor gekozen om ze in de samenloopbepaling geheel opnieuw vast te stellen, met een aangepaste formulering.
In de transponeringstabel in de bijlage bij deze memorie van toelichting is te zien hoe de door het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) voorgestelde bepalingen in hoofdstuk 12, titel 4c, WEB zich verhouden tot de met het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde bepalingen in hoofdstuk 13, titel 2, paragraaf 3, WEB. Naar aanleiding van het onderhavige wetsvoorstel dient dit overgangsrecht op enkele punten uitgebreid te worden ten aanzien van Caribisch Nederland. Daartoe zijn de artikelen 13.2.12, 13.2.14 en 13.2.15 uitgebreid ten opzichte van de overeenkomstige artikelen in hoofdstuk 12, titel 4c. Wat betreft artikel 13.2.13 is dat niet nodig, omdat er op dit moment in Caribisch Nederland geen doorlopende leerroutes vmbo-mbo worden verzorgd. De bepaling over het voortzetten van het volgen van delen van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleiding (artikel 13.2.16) kent geen parallel in de WEB BES. Ook daarbij is dus geen afzonderlijk overgangsrecht voor Caribisch Nederland nodig. Als parallel van artikel 13.2.17 (overgangsrecht toezicht, handhaving en sancties) is in hoofdstuk 13, titel 2, paragraaf 1 (artikel 13.2.10) voor Caribisch Nederland een algemener geformuleerde overgangsbepaling opgenomen.
Artikelen XIX. Intrekking diverse wetten
Artikel XIX regelt in de onderdelen a en b dat de WEB BES en de SKJ-wet worden ingetrokken omdat die beide wetten met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel worden geïntegreerd in de WEB.
Met de overige onderdelen van dit artikel worden diverse wetten tot wijziging van (onder meer) de WEB ingetrokken omdat ze inmiddels materieel uitgewerkt zijn. Hieronder wordt op de op dit moment nog resterende bepalingen in elk van die wetten afzonderlijk ingegaan:
c. Wet van 1 juli 1998 (Stb. 1998, 431)
De artikelen IA en II tot en met VII van de Wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere onderwijswetten in verband met decentralisatie van de wachtgelduitgaven (Regeling decentralisatie wachtgelduitgaven bve) (Stb. 1998, 431) bevatten invoerings- en overgangsrecht dat door het verloop van tijd materieel uitgewerkt is. Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.
d. Wet van 6 oktober 1999 (Stb. 1999, 445)
Artikel V van de Wet van 6 oktober 1999 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met enkele maatregelen ter verbetering van het functioneren van het vervangingsfonds en het participatiefonds (regeling verbetering functioneren vervangings- en participatiefonds) (Stb. 1999, 445) bevat overgangsrecht met betrekking tot de Wet van 1 juli 1998 (Stb. 1998, 431). Door het verloop van tijd is dit materieel uitgewerkt. Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.
e. Wet van 11 maart 2004 (Stb. 2004, 138)
Artikel III van de Wet van 11 maart 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het onderwijstoezicht met het oog op verbetering van de kwaliteit van examens van beroepsopleidingen (Stb. 2004, 138) bevat een overgangsbepaling op grond waarvan oude rechten op het verzorgen van externe legitimering met betrekking tot een beroepsopleiding bij de invoering van die wet zijn omgezet in het recht op examinering van die beroepsopleiding in opdracht van een instelling. Die bepaling kan vervallen omdat hij materieel gezien direct uitgewerkt is sinds het moment van inwerkingtreding van die wet.
Artikel IV van de Wet van 11 maart 2004 (Stb. 2004, 138) bevat een evaluatiebepaling op grond waarvan de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk iedere vijf jaar geëvalueerd zouden moeten worden. Deze evaluatiebepaling is echter al sinds 2008 achterhaald. Genoemde wet stelde een rechtspersoon in, het Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen (KCE), die onder andere met het verrichten van onderzoek naar de kwaliteit van de examinering van beroepsopleidingen werd belast. Het KCE bestaat niet meer. Per 15 november 2007 is de aanwijzing van de Stichting kwaliteitscentrum examinering als de rechtspersoon belast met het toezicht op de examens van de beroepsopleidingen in de zin van de WEB ingetrokken.74 Met de Wet van 22 mei 2008, houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de overgang van het toezicht op de kwaliteit van de examinering van de beroepsopleidingen naar de Inspectie van het onderwijs (Stb. 2008, 204) zijn de wettelijke bepalingen over het KCE (de artikelen 7.4.9a tot en met 7.4.9k WEB) komen te vervallen. De toezichthoudende taken van KCE zijn daarbij overgegaan naar de Inspectie van het Onderwijs.75 Tot een echte evaluatie van de Wet van 11 maart 2004 (Stb. 2004, 138) is het nooit gekomen, mede doordat de Wet van 22 mei 2008 (Stb. 2008, 204) de wijzigingen uit eerstgenoemde wet grotendeels heeft teruggedraaid. Ook de overige wijzigingen waarop de evaluatiebepaling zag, zijn inmiddels door latere wijzigingen in de WEB en de WOT achterhaald. Omdat de evaluatiebepaling daarmee niet meer actueel is, wordt voorgesteld om deze in te trekken.
f. Wet van 29 april 2004 (Stb. 2004, 216)
De artikelen III en IV van de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (technische herziening WEB) (Stb. 2004, 216) bevatten invoerings- en overgangsrecht dat inmiddels door het verloop van tijd materieel uitgewerkt is. Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.
g. Wet van 12 maart 2009 (Stb. 2009, 151)
Artikel II van de Wet van 12 maart 2009 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake colleges van bestuur en raden van toezicht (Stb. 2009, 151) bevat overgangsrecht dat inmiddels door het verloop van tijd materieel uitgewerkt is. Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.
h. Wet van 10 april 2008 (Stb. 2008, 140)
De evaluatiebepaling uit artikel V van de Wet van 10 april 2008 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Les- en cursusgeldwet in verband met regeling in de Wet educatie en beroepsonderwijs van een minimumomvang van het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma (850 urennorm) (Stb. 2008, 140) is afgedaan bij brief van 25 augustus 2010.76 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.
i. Wet van 12 maart 2009 (Stb. 2009, 151)
Artikel II van de Wet van 12 maart 2009 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake colleges van bestuur en raden van toezicht (Stb. 2009, 151) bevat overgangsrecht dat inmiddels door het verloop van tijd materieel uitgewerkt is. Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.
j. Wet van 7 november 2011 (Stb. 2011, 560)
De artikelen VI en VIa van de Wet van 7 november 2011 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake de beroepsgerichte kwalificatiestructuur (Stb. 2011, 560) bevatten overgangsrecht dat door het verloop van tijd inmiddels materieel uitgewerkt is. De evaluatiebepaling uit artikel Va is afgedaan bij brief van 10 juli 2014.77 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.
k. Wet van 8 maart 2012 (Stb. 2012, 157)
De Wet van 8 maart 2012 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank in verband met het gebruik van het persoonsgebonden nummer bij onder meer de uitwisseling van leer- en begeleidingsgegevens van leerlingen (Stb. 2012, 157) bevat in artikel VIa een evaluatiebepaling. Deze is niet meer relevant. Aan genoemde wet is nadere invulling gegeven met het Besluit uitwisseling leer- en begeleidingsgegevens. De evaluatie van dat besluit is uitgevoerd door de onderzoeksbureaus Oberon en SEO Economisch onderzoek en is bij brief van 19 december 2024 aangeboden aan de Tweede Kamer.78
l. Wet van 13 september 2012 (Stb. 2012, 450)
De artikelen VI en VIa van de Wet van 13 september 2012 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en overige educatie (Stb. 2012, 450) bevatten overgangsrecht dat door het verloop van tijd inmiddels materieel uitgewerkt is. De evaluatiebepaling uit artikel VIIIa is afgedaan bij brief van 12 april 2018.79 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.
m. Wet van 16 april 2015 (Stb. 2015, 170)
De artikelen V, VI en VII van de Wet van 16 april 2015 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (Stb. 2015, 170) bevatten invoerings- en overgangsrecht dat door het verloop van tijd inmiddels materieel uitgewerkt is. De evaluatiebepaling uit artikel VIIa is afgedaan bij brief van 22 januari 2019.80 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.
n. Wet van 5 oktober 2016 (Stb. 2016, 362)
Artikel IV van de Wet van 5 oktober 2016, houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere wetten ter invoering van een vroegtijdige aanmelddatum voor en toelatingsrecht tot het beroepsonderwijs (Stb. 2016, 362) is nooit in werking getreden. Dit bevat wijzigingen van de WEB BES die inhoudelijk overeenkomen met de wijzigingen die artikel I van die wet heeft aangebracht in de WEB. Nu de WEB BES wordt ingetrokken, kan dit artikel ook niet meer in werking treden. Dat maakt echter niet uit. Vanwege de integratie van de WEB BES in de WEB worden de wijzigingen uit voornoemde wet immers nu materieel gezien ook van toepassing op Caribisch Nederland. De evaluatiebepaling uit artikel V is afgedaan bij brief van 25 februari 2022.81 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.
o. Wet van 25 januari 2017 (Stb. 2017, 43)
Artikel II van de Wet van 25 januari 2017 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake aanscherping van de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs en een technische aanpassing (Stb. 2017, 43) is nooit in werking getreden. Dit bevat wijzigingen van de WEB BES die inhoudelijk overeenkomen met de wijzigingen die artikel I van die wet heeft aangebracht in de WEB. Nu de WEB BES wordt ingetrokken, kan artikel II ook niet meer in werking treden. Dat maakt echter niet uit. Vanwege de integratie van de WEB BES in de WEB worden de wijzigingen uit voornoemde wet nu immers materieel gezien ook van toepassing op Caribisch Nederland. De evaluatiebepaling uit artikel IIIa is afgedaan bij brief van 4 april 2024.82 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.
Artikelen XX. Inwerkingtreding
Nadat dit voorstel van wet tot wet zal zijn verheven, kunnen de verschillende artikelen en onderdelen daarvan in werking treden. Dat kan zo nodig op verschillende tijdstippen gebeuren. Het streven is de wet of het merendeel ervan in werking te laten treden tijdens het studiejaar 2026/2027. Daarbij zal ook rekening worden gehouden met het kabinetsbeleid van vaste verandermomenten. Dit betekent dat, indien inwerkingtreding op 1 augustus 2026 onmogelijk is, het volgende verandermoment van wetgeving op 1 januari 2027 is. Voor die artikelen van dit wetsvoorstel die niet middenin het studiejaar in werking kunnen treden, wordt dan het eerstvolgende tijdstip van inwerkingtreding 1 augustus 2027. Zie voor meer uitleg over de inwerkingtreding van artikel 7.4.11 van de WEB, voor wat betreft de examens Nederlands als tweede taal, ook de toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13 WEB).
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gouke Moes
Bijlage bij de memorie van toelichting
Transponeringstabel WEB, WEB BES
Dit overzicht gaat uit van de situatie per 1 januari 2026. Meegenomen zijn alle wijzigingen van de WEB die tot en met die datum in werking treden of zijn getreden (per 1-1-2026: Stb. 2023, 183 en Stb. 2025, 210), en wetten die tot aan die datum zijn vastgesteld, maar nog niet in werking getreden. Er is gedeeltelijk ook rekening gehouden met wetsvoorstellen tot wijziging van de WEB die op dit moment aanhangig zijn, waaronder het wetsvoorstel Verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670). Ten behoeve van de bruikbaarheid van dit overzicht zijn de (voorgenomen) vernummeringen en verplaatsingen van wetsartikelen door dat en enkele andere aanhangige wetsvoorstellen, cursief gedrukt, in dit overzicht meegenomen.
| artikel WEB | opschrift in WEB | overeenkomstig artikel WEB BES | opschrift in WEB BES (indien afwijkend) | bijzonderheden/afwijkende bepaling voor Caribisch Nederland (CN) |
|---|---|---|---|---|
| HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN | ||||
| TITEL 1. DEFINITIES, REIKWIJDTE, AARD BEPALINGEN | ||||
| 1.1.1 | Begripsbepalingen | 1.1.1 | Artikel 1.6.1, tweede lid, WEB bevat enkele aanvullende begripsbepalingen specifiek voor CN | |
| 1.1.2 | Aard bepalingen bekostigd onderwijs | 1.1.2 | ||
| TITEL 2. DOELSTELLINGEN ONDERWIJS | ||||
| 1.2.1 | Doelstellingen onderwijs | 1.2.1 | ||
| TITEL 3. BEKOSTIGDE INSTELLINGEN VOOR EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS | ||||
| 1.3.1 | Regionale opleidingscentra | - | ||
| 1.3.2 | Beroepscolleges | - | ||
| 1.3.3 (nieuw) | Contractactiviteiten | 1.7.1 | Artikel 1.7.1 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 1.3.3 WEB (nieuw) | |
| 1.3.5 | Taken instellingen | 1.3.1 | ||
| 1.3.6 | Kwaliteitszorg | 1.3.2 | ||
| 1.3.6a | Kwaliteit onderwijspersoneel | 1.3.2a | ||
| 1.3.7 | Karakter openbaar onderwijs | 1.3.3 | ||
| - | 1.3.4 | Instandhouding instelling | Een afzonderlijke bepaling voor CN is niet meer nodig. De Scholengemeenschap Bonaire wordt een regionaal opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.1 WEB | |
| 1.3.8 | Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven | 1.3.5 | ||
| 1.3.9 | Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling | - | ||
| 1.3.10 | Verzending berichten aan bevoegd gezag | - | Dit artikel treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 (Stb. 2024, 321). | |
| 1.3.11 | Tijdstip intrede rechtsgevolgen rechterlijke uitspraak | 9.2 | Intreden gevolgen van toekennen van rechten na sprongberoep | Door samenloop met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt artikel 10.2 vernummerd tot artikel 1.3.11 WEB |
| TITEL 4. NIET UIT ’S RIJKS KAS BEKOSTIGDE INSTELLINGEN WERKZAAM OP HET GEBIED VAN HET BEROEPSONDERWIJS | ||||
| 1.4.1 | Andere instellingen voor beroepsonderwijs | 1.4.1 | Met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt dit artikel verplaatst naar hoofdstuk 11 (artikel 11.1.1 e.v.) WEB | |
| 1.4.2 | Samenwerking met onbekostigd vo t.b.v. doorlopende leerroute vmbo-mbo en geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding | 1.4.3 | Met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt dit artikel vernummerd tot artikel 11.1.15 WEB | |
| TITEL 4A. ANDERE INSTELLINGEN DIE EEN OPLEIDING EDUCATIE VERZORGEN | ||||
| 1.4a.1 | Andere instellingen die een opleiding educatie verzorgen | 1.4.2 | ||
| 1.4a.2 | Samenwerking met onbekostigde VO-scholen | - | ||
| TITEL 5. SAMENWERKINGSORGANISATIE BEROEPSONDERWIJS BEDRIJFSLEVEN | ||||
| 1.5.1 | Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven | - | Met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt dit artikel vernummerd tot artikel 5.2.1 WEB; voor CN zie ook artikel 1.6.6 WEB (nieuw) | |
| 1.5.2 | Organisatie SBB | - | Met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt dit artikel vernummerd tot artikel 5.2.2 WEB; voor CN zie ook artikel 1.6.5 WEB (nieuw) | |
| 1.5.3 | Erkenning leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming | - | Met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt dit artikel vernummerd tot artikel 5.2.3 WEB | |
| TITEL 6. [OUD] DE EXAMENINSTELLINGEN | ||||
| 1.6.1 (oud) | Exameninstellingen | 1.6.1 | De inhoud van artikel 1.6.1 WEB (oud) en artikel 1.6.1 WEB BES komt terug in artikel 6.3.1 WEB (nieuw) | |
| TITEL 6. [NIEUW] CARIBISCH NEDERLAND | ||||
| 1.6.1 (nieuw) | Reikwijdte Caribisch Nederland | - | Dit artikel is een aanvulling op hoofdstuk 1, titel 1, voor CN | |
| 1.6.2 (nieuw) | Verwijzing naar toepasselijk strafrecht Caribisch Nederland | - | Betreft de toepassing van artikel 1.3.8 WEB voor CN | |
| 1.6.3 (nieuw) | Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling | - | Betreft de toepassing van artikel 1.3.9 WEB voor CN | |
| 1.6.4 (nieuw) | Meldplicht onderwijslocatie Caribisch Nederland | - | ||
| 1.6.5 (nieuw) | Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland | 1.5.1 | Door samenloop met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt dit artikel vernummerd tot artikel 5.3.1 WEB; ROA CN is de tegenhanger van SBB (zie hoofdstuk 1, titel 5) | |
| 1.6.6 (nieuw) | Wettelijke taken Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland | 1.5.2 | Door samenloop met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt dit artikel vernummerd tot artikel 5.3.2 WEB; ROA CN is de tegenhanger van SBB (zie hoofdstuk 1, titel 5) | |
| 1.6.7 (nieuw) | Erkenning leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming in Caribisch Nederland | 1.5.2, vijfde lid | Door samenloop met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt dit artikel vernummerd tot artikel 5.3.3 WEB; ROA CN is de tegenhanger van SBB (zie artikel 1.5.3 WEB) | |
| 1.6.8 (nieuw) | Taakverdeling SBB en ROA CN | - | Door samenloop met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt dit artikel vernummerd tot artikel 5.3.4 WEB ; ROA CN is de tegenhanger van SBB (zie artikel 1.5.3 WEB) | |
| TITEL 7. [OUD] CONTRACTACTIVITEITEN | ||||
| 1.7.1 (oud) | Contractactiviteiten | 1.7.1 | Artikel 1.7.1 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 1.3.3 WEB (nieuw) | |
| HOOFDSTUK 2. PLANNING EN BEKOSTIGING | ||||
| TITEL 1. PLANNING | ||||
| § 1. Algemene bepalingen | ||||
| 2.1.1 | Bekostiging landelijk aanbod beroepsonderwijs | (2.1.1) | Voor CN zie artikel 2.8.1 WEB (nieuw) | |
| 2.1.2 | Bekostiging aanbod voortgezet algemeen volwassenenonderwijs | - | ||
| 2.1.3 | Vestiging en beëindiging bekostigingsaanspraak instellingen | (2.1.1 en 2.1.2) | Vestiging bekostigingsaanspraak beroepsopleidingen | |
| 2.1.4 | Fusie, splitsing en omzetting | - | ||
| 2.1.5 | Verplichtingen bij bestuursoverdracht instelling | - | Voor CN zie artikel 2.8.2, eerste en tweede lid, WEB (nieuw) | |
| 2.1.6 | Bestuursoverdracht openbare instelling | - | ||
| § 2. Fusietoetsprocedure | ||||
| 2.1.7 | Aanvraag en fusie-effectrapportage | - | Voor CN zie artikel 2.8.2, derde lid, WEB (nieuw) | |
| 2.1.8 | Toetsingsmaatstaf | - | ||
| TITEL 2. BEKOSTIGING BEROEPSONDERWIJS | ||||
| 2.2.1 | Rijksbijdrage beroepsonderwijs | 2.2.1 | Voor CN zie artikel 2.8.3, eerste lid, WEB (nieuw) | |
| 2.2.2 | Berekeningswijze | 2.2.2 | Voor CN zie artikel 2.8.3, tweede en derde lid, WEB (nieuw) | |
| 2.2.3 | Aanvullende middelen | 2.2.3 | ||
| - | - | 2.2.3a | Teldatum aantal studenten voor berekening bekostiging | Artikel 2.2.3a WEB BES komt niet terug op wetsniveau. De teldatum voor de bekostiging in CN wordt (net als die voor het Europese deel van Nederland) vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit WEB |
| - | - | 2.2.4 | Aftrekposten rijksbijdrage | Artikel 2.2.4 WEB BES is nooit in werking getreden |
| 2.2.4 | Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage beroepsonderwijs | 2.2.5 | Voor CN zie artikel 2.8.3, derde lid, WEB (nieuw) | |
| 2.2.5 | Reallocatie | - | ||
| 2.2.6 | Rijksbijdrage en private activiteiten | 2.2.5a | ||
| - | - | 2.2.6 | Voorziening in huisvesting door openbaar lichaam | Artikel 2.2.6 WEB BES komt te vervallen. Met onderhavig wetsvoorstel wordt de voorziening in de huisvesting van het mbo in CN op termijn een verantwoordelijkheid voor het bevoegd gezag zelf. Tot die tijd bevat artikel 13.2.5 WEB (vergelijk artikel 11.1b WEB BES) overgangsrecht. |
| 2.2.7 | Beleggen en belenen | - | ||
| 2.2.8 | Financieel beheer | 2.5.2 | Beheer van de middelen | |
| 2.2.9 | Waarborgfonds instellingen | - | ||
| 2.2.10 | Einde bekostigde instelling | 2.5.1 | Opheffing instellingen | Voor CN zie artikel 2.8.3, derde lid, WEB (nieuw) |
| TITEL 2A. BEKOSTIGING VOORTGEZET ALGEMEEN VOLWASSENENONDERWIJS | ||||
| 2.2a.1 | Rijksbijdrage voortgezet algemeen volwassenenonderwijs | |||
| 2.2a.2 | Berekeningswijze | Voor CN zie artikel 2.8.5, eerste lid, WEB (nieuw) | ||
| 2.2a.3 | Aanvullende middelen | |||
| 2.2a.4 | Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage voortgezet algemeen volwassenenonderwijs | Voor CN zie artikel 2.8.3, vierde lid, en 2.8.4, tweede lid, WEB (nieuw) | ||
| TITEL 3. AANBOD EN UITKERING EDUCATIE MET UITZONDERING VAN OPLEIDINGEN VOORTGEZET ALGEMEEN VOLWASSENENONDERWIJS; INFORMATIE EN GEGEVENSVERSTREKKING EDUCATIE | ||||
| 2.3.1 | Aanbod educatie | - | Voor CN zie artikel 2.8.5 WEB (nieuw) | |
| 2.3.2 | Uitkering educatie | - | Voor CN zie artikel 2.8.5 WEB (nieuw) | |
| 2.3.3 | De voorziening | - | Voor CN zie artikel 2.8.5 WEB (nieuw) | |
| 2.3.4 | Verantwoording en terugvordering uitkering | - | Voor CN zie artikel 2.8.7, derde lid, WEB (nieuw) | |
| 2.3.5 | Informatievoorziening | - | Voor CN zie artikel 2.8.7, derde lid, WEB (nieuw) | |
| 2.3.6 | Informatie voortgezet algemeen volwassenenonderwijs | - | ||
| 2.3.6a | Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag | - | Voor CN zie artikel 2.8.5, derde lid, WEB (nieuw) | |
| [2.3.6d] | [Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente] | - | [Artikel 2.3.6d WEB is reeds vervallen met de Wet van school naar duurzaam werk] | |
| TITEL 4. SUBSIDIE SAMENWERKINGSORGANISATIE BEROEPSONDERWIJS BEDRIJFSLEVEN | ||||
| 2.4.1 | Subsidieverlening per boekjaar | - | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 2.4.1 WEB (oud) tot artikel 5.2.6 WEB (nieuw) | |
| 2.4.2 | Nadere regels | - | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 2.4.2 WEB (oud) tot artikel 5.2.7 WEB (nieuw) | |
| 2.4.3 | Subsidieplafond | - | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 2.4.3 WEB (oud) tot artikel 5.2.8 WEB (nieuw) | |
| TITEL 5. BEGROTING, VERSLAGLEGGING EN GEGEVENSVERSTREKKING | ||||
| § 1. Instellingen voor beroepsonderwijs en educatie | ||||
| 2.5.3 | Jaarrekening | 2.3.1 | Voor CN zie artikel 2.8.3, vierde lid, WEB (nieuw) | |
| 2.5.4 | Bestuursverslag | 2.3.2 | ||
| 2.5.5 | Informatie beroepsonderwijs | 2.3.3 | ||
| 2.5.5a | Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag | 2.3.4 | Gebruik persoonsgebonden nummer BES door bevoegd gezag | |
| 2.5.5b | Verwerking gegevens door Onze Minister | - | ||
| [2.5.5e] | [Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente] | 2.3.7 | Gebruik persoonsgebonden nummer door openbaar lichaam | [Artikel 2.5.5e WEB is reeds vervallen met de Wet van school naar duurzaam werk; zie artikel 9.2.6 WEB] |
| 2.5.6 | Onderzoek vanwege minister | 2.3.8 | ||
| 2.5.7a | Accountantsprotocol | 2.3.10 | ||
| 2.5.9 | Correctie rijksbijdrage; verrekening vorderingen | 2.3.11 | ||
| § 1a. Verantwoording middelen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs | ||||
| 2.5.9a | Verslaglegging, onderzoek minister, accountantsprotocol en correctie rijksbijdrage | - | ||
| TITEL 6. VERTICALE SCHOLENGEMEENSCHAP | ||||
| 2.6.1 | Verticale scholengemeenschap | - | ||
| 2.6.2 | Totstandkoming verticale scholengemeenschap | - | ||
| 2.6.3 | Afwijkingen en regels voor school in een vsg | - | ||
| TITEL 6A. SAMENWERKING MET VO-SCHOLEN TER BEVORDERING VAN DOELMATIG EN DOELTREFFEND ONDERWIJS | ||||
| 2.6aa | Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs | - | ||
| TITEL 6B. EXAMINERING VSO-LEERLINGEN | ||||
| 2.6b | Examinering VSO-leerlingen | - | ||
| TITEL 7. STIMULERINGSMIDDELEN VOOR EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS EN VOOR AFSTEMMING ONDERWIJS-ARBEIDSMARKT | ||||
| 2.7 | Bijdrage voor derden | 2.4.1 | ||
| TITEL 8. [NIEUW] CARIBISCH NEDERLAND | ||||
| 2.8.1 (nieuw) | Vestigingsplaats beroepsopleiding CN | - | Afwijkende bepaling voor CN t.a.v. 2.1.1 WEB | |
| 2.8.2 (nieuw) | Anders te lezen verwijzingen hoofdstuk 2, titel 1 CN | - | Betreft de toepassing van de artikelen 2.1.5 en 2.1.7 WEB voor CN | |
| 2.8.3 (nieuw) | Afwijkende bekostiging beroepsonderwijs CN | - | Betreft de toepassing van de artikelen 2.2.1, 2.2.2, 2.2.4, 2.2.5, 2.2.6, 2.2.10, 2.2a.4, 2.5.3 WEB voor CN | |
| 2.8.4 (nieuw) | Afwijkende bekostigingsvoorschriften vavo CN | - | Betreft de toepassing van de artikelen 2.2a.2 en 2.2.a.4 WEB voor CN | |
| 2.8.5 (nieuw) | Uitzondering aanbod opleidingen educatie CN | - | Betreft de toepassing van de artikelen 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 WEB voor CN | |
| 2.8.6 (nieuw) | Vervangende voorschriften opleiding educatie CN | - | ||
| 2.8.7 (nieuw) | Anders te lezen verwijzingen hoofdstuk 2, titel 5 CN | - | Betreft de toepassing van de artikelen 2.5.3 en 2.5.5a WEB voor CN | |
| 2.8.8 (nieuw) | Medezeggenschap verticale scholengemeenschap CN | - | Artikel 2.8.8 (nieuw) WEB bevat een van artikel 5.1 WEB BES afwijkende regeling met betrekking tot de medezeggenschap. | |
| HOOFDSTUK 3. BESTUUR | ||||
| TITEL 1. [NIEUW] INRICHTING VAN HET BEVOEGD GEZAG | Opschrift ingevoegd i.v.m. de toevoeging van titel 2 m.b.t. Caribisch Nederland | |||
| 3.1.1 | Goed bestuur | - | ||
| 3.1.2 | Het interne toezicht binnen de rechtspersoon | - | ||
| 3.1.3 | Bestuursreglement | - | ||
| 3.1.4 | Rol medezeggenschap bij bestuur en toezicht | - | ||
| 3.1.5 | Aanwijzing | 10.1 | ||
| 3.1.6 | Spoedaanwijzing | 10.1a | ||
| TITEL 2. [NIEUW] CARIBISCH NEDERLAND | ||||
| 3.2.1 (nieuw) | Anders te lezen voorschriften hoofdstuk 3 CN | - | Betreft de toepassing van artikel 3.1.2 WEB voor CN | |
| - | HOOFDSTUK 3. ZORGSTRUCTUUR | |||
| - | - | 3.1 | Handelingsplan | |
| - | - | 3.2 | Samenwerkingsverband | Zie artikel 7.6.2, eerste en tweede lid, WEB (nieuw) jo. artikel 11.16 WVO 2020 |
| - | - | 3.3 | Eilandelijk zorgplan | Zie artikel 7.6.2, tweede lid, WEB (nieuw) jo. artikel 11.17 WVO 2020 |
| - | - | 3.4 | Expertisecentrum onderwijszorg | Zie artikel 7.6.2, derde lid, WEB (nieuw) jo. artikel 11.18 WVO 2020 |
| - | - | 3.5 | Subsidie expertisecentrum onderwijszorg | Zie artikel 7.6.2, derde lid, WEB (nieuw) jo. artikel 11.20 WVO 2020 |
| - | - | 3.6 | Toezicht expertisecentrum onderwijszorg | Zie artikel 7.6.2, derde lid, WEB (nieuw), jo. artikel 11.21 WVO 2020 |
| - | - | 3.7 | Taakverwaarlozing door expertisecentrum onderwijszorg | Zie artikel 7.6.2, derde lid, WEB (nieuw) jo. artikel 11.22 WVO 2020 |
| HOOFDSTUK 4. PERSONEEL | ||||
| TITEL 1. PERSONEEL VAN INSTELLINGEN VOOR EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS | ||||
| § 1. Formatie; rechtspositie | ||||
| - | 4.1.1 | Directeur, docenten en onderwijsondersteunend personeel | ||
| - | 4.1.2 | Benoeming, schorsing en ontslag | ||
| 4.1.1 | Formatie | 4.1.3 | ||
| 4.1.1a | Evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities | - | ||
| 4.1.2 | Rechtspositie van het personeel | 4.1.4 | Rechtspositie personeel van een bijzondere instelling | Voor CN zie artikel 4.4.1 en 4.4.2 WEB (nieuw) |
| - | - | 4.1.5 | Afwijking nationaliteitsvereiste | |
| - | 4.1.6 | [vervallen] | Artikel 4.1.6 WEB BES (Salarissen en toelagen personeel) is al komen te vervallen bij de totstandkoming van die wet (Kamerstukken 32419, nr. 7; nota van wijziging). | |
| - | 4.1.7 | Akte van benoeming | ||
| - | 4.1.8 | Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Rijksvertegenwoordiger | ||
| 4.1.3 | Professioneel statuut | - | ||
| 4.1.4 (nieuw) | Het beroep van docent | - | Artikel 4.1a.1 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 4.1.4 WEB (nieuw) | |
| TITEL 1A. [OUD] HET BEROEP DOCENT | Hoofdstuk 4, Titel 1a, vervalt | |||
| 4.1a.1 (oud) | Het beroep van docent | - | Artikel 4.1a.1 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 4.1.4 WEB (nieuw) | |
| TITEL 2. VEREISTEN BENOEMING OF TEWERKSTELLING | ||||
| 4.2.1 | Vereisten benoeming of tewerkstelling docenten | 4.2.1 | ||
| 4.2.1a | Gelijkstelling buitenlandse getuigschriften | - | ||
| 4.2.2 | Belasten met onderwijsondersteunende werkzaamheden | 4.2.2 | ||
| 4.2.3 | Bekwaamheidseisen | 4.2.3 | ||
| 4.2.3a | Bekwaamheidsdossier | 4.2.4 | (nog) niet in werking getreden voor CN | |
| 4.2.3b | Overgangsrecht geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs en verrichten van onderwijsondersteunende werkzaamheden daarvoor | - | ||
| 4.2.3c | Invoering onderhoudsplicht bekwaamheid | - | ||
| 4.2.4 | Geschiktheidsverklaring zij-instroom in het beroep van docent | 4.2.5 | (nog) niet in werking getreden voor CN | |
| 4.2.5 | Uitvoering pedagogisch-didactische scholing | - | ||
| 4.2.6 (nieuw) | Verklaring omtrent gedrag en rechterlijk beroepsverbod | - | Voor CN zie ook artikel 4.4.3 WEB (nieuw) | |
| 4.2.7 (nieuw) | Practicumplaatsen voor onderwijspersoneel in opleiding | 7.6.1 | Artikel 7.7.1 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 4.2.7 WEB (nieuw) | |
| TITEL 2A. BENOEMBAARHEIDSVEREISTE VOOR OVERIG PERSONEEL VAN INSTELLINGEN | Deze titel vervalt | |||
| 4.2a.1 (oud) | Vereiste benoembaarheid overig personeel | 4.3.1 | De inhoud van artikel 4.2a.1 WEB (oud) komt terug in artikel 4.2.6 WEB (nieuw) | |
| TITEL 3. PERSONEEL VAN DE SAMENWERKINGSORGANISATIE BEROEPSONDERWIJS BEDRIJFSLEVEN | ||||
| 4.3.1 | Formatie | - | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 4.3.1 WEB (oud) tot artikel 5.2.9 WEB (nieuw) | |
| 4.3.2 | Rechtspositie personeel Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven | - | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 4.3.2 WEB (oud) tot artikel 5.2.10 WEB (nieuw) | |
| TITEL 4. [NIEUW] CARIBISCH NEDERLAND | ||||
| 4.4.1 (nieuw) | Rechtspositie personeel CN | 4.1.4 en 4.1.5 | Artikel 4.1.4 WEB BES komt terug in artikel 4.4.1, eerste tot en met vierde lid, WEB (nieuw); artikel 4.1.5 WEB BES komt terug in artikel 4.4.1, vijfde lid, WEB (nieuw) | |
| 4.4.2 (nieuw) | Uitzondering onderlinge bijstand na faillissement CN | - | Dit artikel regelt een uitzondering op artikel 4.1.2 WEB voor CN | |
HOOFDSTUK 5 (OUD) [VERVALLEN PER 1-9-2002]
|
HOOFDSTUK 5. MEDEZEGGENSCHAP
|
|||
| - | 5.1 | Medezeggenschap | Artikel 5.1 WEB BES komt niet in die vorm terug in de WEB. De medezeggenschap wordt anders geregeld. Zie artikel 2.8.8 [nieuw] WEB | |
| HOOFDSTUK 5. [NIEUW] BEROEPSONDERWIJS EN ARBEIDSMARKT | ||||
| TITEL 1 (GERESERVEERD) | ||||
| TITEL 2. SAMENWERKINGSORGANISATIE BEROEPSONDERWIJS BEDRIJFSLEVEN | ||||
| [5.2.1 (nieuw)] | Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 1.5.1 WEB (oud) tot artikel 5.2.1 WEB (nieuw); voor CN zie ook artikel 5.3.2 WEB (nieuw) | ||
| [5.2.2 (nieuw)] | Organisatie SBB | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 1.5.2 WEB (oud) tot artikel 5.2.2 WEB (nieuw); voor CN zie ook artikel 5.3.1 WEB (nieuw) | ||
| [5.2.3 (nieuw)] | Erkenning leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 1.5.3 WEB (oud) tot artikel 5.2.3 WEB (nieuw); voor CN zie ook artikel 5.3.3 WEB (nieuw) | ||
| [5.2.4 (nieuw)] | Internationale diplomawaardering | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 7.4.7 WEB (oud) tot artikel 5.2.4 WEB (nieuw) | ||
| [5.2.5 (nieuw)] | Kwaliteitszorg | wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) voegt dit artikel nieuw toe aan de WEB | ||
| [5.2.6 (nieuw)] | Subsidieverlening per boekjaar | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 2.4.1 WEB (oud) tot artikel 5.2.6 WEB (nieuw) | ||
| [5.2.7 (nieuw)] | Nadere regels | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 2.4.2 WEB (oud) tot artikel 5.2.7 WEB (nieuw) | ||
| [5.2.8 (nieuw)] | Subsidieplafond | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 2.4.3 WEB (oud) tot artikel 5.2.8 WEB (nieuw) | ||
| [5.2.9 (nieuw)] | Formatie | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 4.3.1 WEB (oud) tot artikel 5.2.9 WEB (nieuw) | ||
| [5.2.10 (nieuw)] | Rechtspositie personeel Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven | Wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummert artikel 4.3.2 WEB (oud) tot artikel 5.2.10 WEB (nieuw) | ||
| TITEL 3. [NIEUW] CARIBISCH NEDERLAND | ||||
| [5.3.1 (nieuw)] | Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland | Door samenloop met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt voorgesteld artikel 1.6.5 WEB vernummerd tot artikel 5.3.1 WEB (nieuw) | ||
| [5.3.2 (nieuw)] | Wettelijke taken Raad onderwijs arbeidsmarkt CN | Door samenloop met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt voorgesteld artikel 1.6.6 WEB vernummerd tot artikel 5.3.2 WEB (nieuw) | ||
| [5.3.3 (nieuw)] | Erkenning leerbedrijven Caribisch Nederland | Door samenloop met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt voorgesteld artikel 1.6.7 WEB vernummerd tot artikel 5.3.3 WEB (nieuw) | ||
| [5.3.4 (nieuw)] | Taakverdeling SBB en ROA CN | Door samenloop met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt voorgesteld artikel 1.6.8 WEB vernummerd tot artikel 5.3.4 WEB (nieuw) | ||
| HOOFDSTUK 6. HET ONDERWIJSAANBOD BEROEPSOPLEIDINGEN | ||||
| TITEL 1. HET BEROEPSONDERWIJS, VERZORGD DOOR UIT ’S RIJKS KAS BEKOSTIGDE INSTELLINGEN | ||||
| 6.1.1 | Onderwijsaanbod instellingen | |||
| 6.1.2 | Melding voornemen starten of beëindigen beroepsopleidingen | Voor CN zie artikel 6.5.1 WEB (nieuw) | ||
| 6.1.2a | Zorgplicht keuzedelen | |||
| 6.1.3 | Zorgplicht arbeidsmarktperspectief, belang beroepsopleidingen en doelmatigheid | Voor CN zie artikel 6.5.2 WEB (nieuw) | ||
| 6.1.3a (oud) | Informatie beroepsopleidingen aan aspirant-studenten | 7.2.1a | Artikel 6.1.3a WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 8.0.0 WEB (nieuw). Artikel 7.2.1a WEB BES is (nog) niet in werking getreden. | |
| 6.1.4 | Ontneming rechten ten aanzien van bestaand onderwijsaanbod | Voor CN zie artikel 6.5.3 WEB (nieuw) | ||
| 6.1.4a | Beleidsregels en adviescommissie | |||
| 6.1.4b | Zeer zwakke opleiding | - | Voor CN zie artikel 6.5.4 WEB (nieuw) | |
| 6.1.5 | Waarschuwing | |||
| 6.1.5a | Maatregelen | |||
| 6.1.5b | Ontneming recht op examinering instellingen; waarschuwing | |||
| TITEL 2. HET BEROEPSONDERWIJS, VERZORGD DOOR NIET UIT ’S RIJKS KAS BEKOSTIGDE INSTELLINGEN | ||||
| 6.2.1 | Diploma-erkenning ten aanzien van beroepsopleidingen, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen | - | ||
| 6.2.2 | Beëindiging diploma-erkenning ten aanzien van beroepsopleidingen, verzorgd door niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen | 6.2.1 | ||
| 6.2.2a | Zeer zwakke opleiding | - | Nog niet in werking getreden; met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt dit artikel vernummerd tot artikel 11.1.17 WEB (nieuw) | |
| 6.2.3 | Waarschuwing | 6.2.3 | ||
| 6.2.3a | Maatregelen | 6.2.5 | ||
| 6.2.3b | Ontneming recht op examinering niet uit 's Rijks kas bekostigde instellingen; waarschuwing | 6.2.4 | ||
| 6.2.3c | Schorsing examinering of diplomering bij wezenlijk vermoeden dat de waarde van diploma’s en certificaten in het geding is | 6.2.6 | ||
| TITEL 3. DE EXAMENINSTELLINGEN | ||||
| 6.3.1 | Examinering exameninstellingen | - | De inhoud van artikel 1.6.1 WEB (oud) en artikel 1.6.1 WEB BES komt terug in artikel 6.3.1, eerste en tweede lid, WEB (nieuw) | |
| 6.3.2 | Ontneming recht op examinering exameninstellingen; waarschuwing | 6.3.1 | ||
| 6.3.3 | Maatregelen | 6.3.1 jo. 6.2.5 | ||
| TITEL 4. DE REGISTRATIE INSTELLINGEN EN OPLEIDINGEN | ||||
| 6.4.1 | Registratie instellingen en opleidingen | 6.1.1 | ||
| [6.4.2] | Registratie exameninstelling | - | Dit artikel wordt ingevoegd met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) | |
| 6.4.4 | Beëindiging registratie beroepsopleidingen niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen; beëindiging registratie examinering | - | ||
| TITEL 5. [NIEUW] CARIBISCH NEDERLAND | ||||
| 6.5.1 (nieuw) | Advies bij starten beroepsopleiding CN | Betreft de toepassing van artikel 6.1.2, eerste lid, WEB voor CN | ||
| 6.5.2 (nieuw) | Doelmatigheid CN | Betreft de toepassing van artikel 6.1.3, derde lid, WEB voor CN | ||
| 6.5.3 (nieuw) | Ontnemen rechten en gevolgen studenten CN | Betreft de toepassing van artikel 6.1.4, derde lid, WEB voor CN | ||
| 6.5.4 (nieuw) | Zeer zwak beroepsonderwijs CN | Betreft de toepassing van artikel 6.1.4b WEB voor CN | ||
| HOOFDSTUK 6A. HET ONDERWIJSAANBOD EDUCATIE | ||||
| TITEL 1. DE EDUCATIE, VERZORGD DOOR INSTELLINGEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1.4A.1 | ||||
| 6a.1.1 | Elektronisch register opleidingen educatie met diploma-erkenning | |||
| 6a.1.2 | Beëindiging diploma-erkenning ten aanzien van opleidingen educatie, verzorgd door instellingen als bedoeld in artikel 1.4a.1 | 6.2.2 | ||
| 6a.1.3 | Waarschuwing | 6.2.2, vierde en vijfde lid | ||
| 6a.1.4 | Beëindiging diploma-erkenning van rechtswege van opleidingen educatie van instellingen, bedoeld in artikel 1.4a.1 | - | ||
| TITEL 2. ONTNEMING RECHT OP EXAMINERING EDUCATIE | ||||
| 6a.2.1 | Ontneming recht op examinering educatie | 6.2.2a | ||
| HOOFDSTUK 7. HET ONDERWIJS | ||||
| TITEL 1. HET ONDERWIJS | ||||
| 7.1.1 | Taal | 7.1.1 | ||
| 7.1.2 | Opleidingen | 7.1.2 | ||
| 7.1.3 | Kwalificatie en keuzedeel | 7.1.3 | ||
| 7.1.4 | Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke studenten | - | Voor CN zie artikel 7.6.1 WEB (nieuw) | |
| 7.1.5 | Rapportage vorderingen van studenten | 7.1.4 | ||
| TITEL 2. HET BEROEPSONDERWIJS | ||||
| § 1. Reikwijdte | ||||
| 7.2.1 | Reikwijdte | 7.2.1 | ||
| § 2. Beroepsopleidingen en kwalificatiestructuur | ||||
| 7.2.2 | Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen | 7.2.2 | De entreeopleiding stond tot nu toe in CN nog bekend als assistentopleiding; met ingang van 1 januari 2026 is de naamgeving gelijkgetrokken (Stb. 2025, 282) | |
| 7.2.3 | Certificaten | 7.2.3 | ||
| 7.2.4 | Landelijke kwalificatiestructuur beroepsonderwijs | 7.2.4 (eerste lid) | Kwalificatiestructuur | |
| 7.2.4a | Studieduur opleidingen | 7.2.4a | Artikel 7.2.4a WEB BES is nooit in werking getreden | |
| [7.2.5] | Verkorte beroepsopleiding vanwege leer- of werkervaring | - | Dit artikel wordt ingevoegd met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) | |
| 7.2.5a | Vaststelling opleidingsdomeinen | 7.2.4, tweede lid | ||
| 7.2.6 | Beroepsvereisten | 7.2.5 | ||
| 7.2.7 | Inrichting beroepsopleidingen | 7.2.6 | Artikel 7.2.6 WEB BES treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 (Stb. 2025, 282). | |
| 7.2.8 | De beroepspraktijkvorming | 7.2.7 | ||
| 7.2.9 | Beschikbaarheid praktijkplaats en totstandkoming praktijkovereenkomst | 7.2.8 | Totstandkoming praktijkovereenkomst; vervangende praktijkplaats | Voor CN zie artikel 7.6.3 WEB (nieuw) |
| TITEL 3. DE EDUCATIE | ||||
| 7.3.1 | Onderscheid opleidingen educatie | 7.3.1 | Voor CN zie artikel 7.6.4 WEB (nieuw) | |
| 7.3.2 | Nadere omschrijving opleidingssoorten | - | ||
| 7.3.3 | Eindtermen opleidingen educatie | 7.3.2 | Voor CN zie artikel 7.6.4 WEB (nieuw) | |
| 7.3.4 | Inrichting voortgezet algemeen volwassenenonderwijs | 7.3.3 | Artikel 7.3.3, derde lid, WEB BES komt niet terug in de WEB | |
| Titel 4. Examens, onderwijsprogramma en studentenstatuut | ||||
| § 1. Beroepsopleidingen en opleidingen educatie, met uitzondering van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als tweede taal I en II | ||||
| 7.4.1 | Reikwijdte | 7.4.1 | ||
| 7.4.2 | Algemene bepaling inzake examens | 7.4.2 | ||
| 7.4.3 | Voorschriften examens opleidingen educatie | - | ||
| 7.4.3a | Voorschriften examens beroepsopleidingen | 7.4.3 en 7.4.4 | ||
| 7.4.4 | Kwaliteitsstandaarden | 7.4.5 | ||
| 7.4.4a | Examinering door andere instellingen of exameninstellingen | 7.4.6 | ||
| 7.4.5 | Instelling, benoeming en samenstelling examencommissie | 7.4.7 | Examencommissie | Nu geldende bepaling voor CN wijkt af omdat artikel II van de Wet van 25 januari 2017 (Stb. 2017, 43) nog niet in werking is getreden voor CN |
| 7.4.5a | Taken en bevoegdheden examencommissie | 7.4.7a | Nog niet in werking getreden voor CN | |
| 7.4.6 | Diploma’s | 7.4.8 | ||
| 7.4.6a | Mbo-verklaring | 7.4.8a | Voor CN zie artikel 7.6.5 WEB (nieuw) | |
| 7.4.6b | Vervangend getuigschrift bij naamswijziging | - | ||
| 7.4.7 | Internationale diplomawaardering | - | ||
| 7.4.8 | Zorgplicht regeling voor onderwijsprogramma en examens; informatie ondersteuningsaanbod; studentenstatuut | 7.4.9 | Onderwijs- en examenregeling | Artikel 7.4.9 WEB BES kent een iets andere opbouw en inhoud dan de bepaling over de onderwijs- en examenregeling in de WEB (artikel 7.4.8) |
| 7.4.10 | Studentenstatuut | Artikel 7.4.10 WEB BES is nooit in werking getreden. Het studentenstatuut is geregeld in artikel 7.4.8, vierde lid, WEB | ||
| - | 7.4.11 | Studiegids | ||
| 7.4.9 | Zorgplicht regeling exameninstelling | - | ||
| § 2. Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als tweede taal I en II | ||||
| 7.4.10 | Reikwijdte | 7.4.12 | ||
| 7.4.11 | Examens, onderwijsprogramma en studentenstatuut | 7.4.13 | Examenregeling opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal | Voor CN zie artikel 7.6.6 (nieuw) WEB |
| TITEL 5. RECHTSBESCHERMING VAN STUDENTEN, VAVO-STUDENTEN, EXTRANEÏ EN DEELNEMERS | ||||
| Paragraaf 1. Toegankelijke faciliteit; klachten | ||||
| 7.5.1 | Toegankelijke faciliteit | 7.5.1 | Voor CN zie artikel 7.6.7 (nieuw) WEB | |
| 7.5.2 | Klachten | 7.5.2 | ||
| Paragraaf 2. Commissie van beroep voor de examens; geschillenadviescommissie | ||||
| 7.5.3 | Commissie van beroep voor de examens | 7.5.3 | ||
| 7.5.4 | Bevoegdheid commissie van beroep voor de examens | - | Voor CN zie artikel 7.6.7 (nieuw) WEB | |
| 7.5.5 | Voorlopige voorziening; herziening | - | ||
| 7.5.6 | Inlichtingen | 7.5.4 | ||
| 7.5.7 | Bevoegdheid en samenstelling geschillenadviescommissie | 7.5.5 | Voor CN zie artikel 7.6.7 (nieuw) WEB | |
| 7.5.8 | Beslissing op bezwaren | 7.5.6 | Voor CN zie artikel 7.6.7 en 7.5.8 (nieuw) WEB | |
| Paragraaf 3. Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State | ||||
| 7.5.9 | Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State | - | Voor CN zie artikel 7.6.8 (nieuw) WEB | |
| Paragraaf 4. Colleges van beroep bijzonder onderwijs | ||||
| 7.5.10 | College van beroep bijzonder onderwijs | - | Voor CN zie artikel 7.6.8 (nieuw) WEB | |
| TITEL 6. [NIEUW] CARIBISCH NEDERLAND | ||||
| 7.6.1 (nieuw) | Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke student in Caribisch Nederland | - | Betreft de toepassing van artikel 7.1.4 WEB voor CN | |
| 7.6.2 (nieuw) | Samenwerkingsverband CN en expertisecentrum onderwijszorg | - | ||
| 7.6.3 (nieuw) | In plaats van SBB: ROA CN | - | Betreft de toepassing van artikel 7.2.9, tweede lid, WEB voor CN | |
| 7.6.4 (nieuw) | Extra opleiding educatie Caribisch Nederland | - | Betreft de toepassing van de artikelen 7.3.1 en 7.3.3 WEB voor CN | |
| 7.6.5 (nieuw) | Mbo-verklaring van rechtswege Caribisch Nederland | - | Betreft de toepassing van artikel 7.4.6a, tweede lid, WEB voor CN | |
| 7.6.6 (nieuw) | Nederlands als vreemde taal | - | Betreft de toepassing van artikel 7.4.11 WEB voor CN | |
| 7.6.7 (nieuw) | Rechtsbescherming openbare instelling Caribisch Nederland | - | Betreft de toepassing van de artikelen 7.5.1, 7.5.4, 7.5.7 en 7.5.8 WEB voor CN | |
| 7.6.8 (nieuw) | Rechtsbescherming bijzondere instelling Caribisch Nederland | - | Betreft de toepassing van de artikelen 7.5.9 en 7.5.10 BES voor CN | |
| TITEL 7. PRACTICUMPLAATSEN VOOR HO-STUDENTEN IN OPLEIDING | ||||
| 7.7.1 | Practicumplaatsen voor ho-studenten in opleiding | 7.6.1 | Artikel 7.7.1 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 4.2.7 WEB (nieuw) | |
| HOOFDSTUK 8. AANMELDING, INSCHRIJVING, MBO-STUDENTENFONDS, TOELATING, BINDEND STUDIEADVIES, VOOROPLEIDINGSEISEN, VOORTIJDIG SCHOOLVERLATEN, SAMENWERKING | ||||
| TITEL 0. AANMELDING | ||||
| 8.0.0 (nieuw) | Informatie beroepsopleiding aan aspirant-studenten | 7.2.1a | Artikel 6.1.3a WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 8.0.0 WEB (nieuw). Artikel 7.2.1a WEB BES is nooit in werking getreden voor CN. | |
| 8.0.1 | Aanmelding uiterlijk op 1 april | 8.0.1 | Artikel 8.0.1 WEB BES is nooit in werking getreden voor CN | |
| 8.0.2 | Gegevensverstrekking vavo-studenten die naar verwachting overstappen naar het middelbaar beroepsonderwijs | - | ||
| 8.0.3 | Te verstrekken gegevens bij aanmelding; terugmelding gegevens | 8.0.2 | Artikel 8.0.2 WEB BES is nooit in werking getreden voor CN | |
| 8.0.4 | Intakeactiviteiten en studiekeuzeadvies | 8.0.3 | Artikel 8.0.3 WEB BES is nooit in werking getreden voor CN; voor CN zie artikel 8.7.1 WEB (nieuw) | |
| TITEL 1. INSCHRIJVING, TOELATING, MBO-STUDENTENFONDS EN BINDEND STUDIEADVIES | ||||
| 8.1.1 | Inschrijving | 8.1.1 | Voor CN zie artikel 8.7.2, onderdelen a en b, WEB (nieuw) | |
| 8.1.1a | Te verstrekken gegevens bij inschrijving | 8.1.3 | ||
| 8.1.1b | Toelating entreeopleiding | 8.1.1a | De entreeopleiding stond tot nu toe in CN nog bekend als assistentopleiding; met ingang van 1 januari 2026 is de naamgeving gelijkgetrokken (Stb. 2025, 282). Artikel 8.1.1a WEB BES treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 (Stb. 2025, 282); voor CN zie artikel 8.7.2, onderdeel b, WEB (nieuw) | |
| 8.1.1c | Recht op toelating basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding | 8.1.1b | Artikel 8.1.1b WEB BES treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 (Stb. 2025, 282); voor CN zie artikel 8.7.2, onderdeel c, WEB (nieuw) | |
| [8.1.1c1] | Toelating verkorte opleiding vanwege leer- of werkervaring | Dit artikel wordt ingevoegd met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) | ||
| 8.1.1d | Toelating opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs | - | ||
| - | - | 8.1.1c | Toelating opleiding educatie | Artikel 8.1.1c WEB BES treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 (Stb. 2025, 282) |
| - | - | 8.1.2 | Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs | |
| - | - | 8.1.2a | Samenwerking met onbekostigde VO-scholen | |
| 8.1.2 | Nadere voorschriften toelating | 8.1.4 | ||
| 8.1.3a | Afspraken met betrekking tot extra ondersteuning | 8.1.5a | ||
| 8.1.4 | Onderwijsbijdragen | 8.1.6 | ||
| 8.1.5 | Mbo-studentenfonds | 8.1.6a | ||
| 8.1.5a | Voorwaarden voor ondersteuning | 8.1.6b | Voor CN zie artikel 8.7.2, onderdeel d, WEB (nieuw) | |
| 8.1.5b | Onbillijkheid van overwegende aard | 8.1.6c | ||
| 8.1.5c | Hoogte van de financiële ondersteuning | 8.1.6d | Voor CN zie artikel 8.7.2, onderdeel e, WEB (nieuw) | |
| 8.1.5d | Voorziening voor aanvullende ondersteuning | 8.1.6e | Voor CN zie artikel 8.7.2, onderdeel e, WEB (nieuw) | |
| 8.1.5e | Instellingsregels | 8.1.6f | ||
| 8.1.5f | Informatieplicht en administratieve vastlegging | 8.1.6g | ||
| 8.1.5g | Vergoeding in verband met ongebruikte onderwijsbenodigdheden | 8.1.6h | ||
| 8.1.6 | Financiële ondersteuning bijzondere activiteiten door Onze Minister | 8.1.6i | ||
| [8.1.6a] | [Verzuimbeleid] | [8.1.6j] | Dit betreft een nieuw artikel, voorgesteld met wetsvoorstel terugdringen verzuim (Kamerstukken 36663) | |
| [8.1.6b] | [Verzuimregistratie] | [8.1.6k] | Dit betreft een nieuw artikel, voorgesteld met wetsvoorstel terugdringen verzuim (Kamerstukken 36663) | |
| 8.1.7 | Controle op langdurige afwezigheid | 8.1.7 | Voor CN zie artikel 8.7.2, onderdeel f, WEB (nieuw) | |
| 8.1.7a | Bindend studieadvies | 8.1.7a | Artikel 8.1.7a WEB BES is (nog) niet in werking getreden voor CN; voor CN zie artikel 8.7.2, onderdeel g, WEB (nieuw) | |
| 8.1.7b | Ongeschiktheid voor toekomstige beroepsuitoefening | 8.1.7b | (nog) niet in werking getreden voor CN | |
| 8.1.7c | Schorsing | 8.1.7c | ||
| 8.1.7d | Verwijdering | 8.1.7d | Voor CN zie artikel 8.7.2, onderdeel h, WEB (nieuw) | |
| [8.1.8 (oud)] | Melding verwijdering niet-leerplichtigen | - | [Artikel 8.1.8 WEB is vervallen met de Wet van school naar duurzaam werk] | |
| [8.1.8a (oud)] | Melding verzuim niet-leerplichtigen | - | [Artikel 8.1.8a WEB is vervallen met de Wet van school naar duurzaam werk; zie artikel 9.2.2 WEB] | |
| - | - | 8.1.8 | Melding in verband met voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen | |
| TITEL 2. VOOROPLEIDINGSEISEN | ||||
| 8.2.1 | Vooropleidingseisen | 8.2.1 | ||
| 8.2.2 | Nadere vooropleidingseisen | 8.2.2 | ||
| 8.2.2a | Aanvullende eisen | 8.2.2a | ||
| [8.2.3] | Toelatingseisen verkorte beroepsopleiding vanwege leer- of werkervaring | - | Dit artikel wordt ingevoegd met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) | |
| TITEL 3. BESTRIJDEN VOORTIJDIG SCHOOLVERLATEN EN VOLGEN VAN JONGEREN IN EEN KWETSBARE POSITIE [VERVALLEN] | ||||
| [8.3.1 (oud)] | Voortijdige schoolverlater | - | [Artikel 8.3.1 WEB is vervallen met de Wet van school naar duurzaam werk] | |
| [8.3.2 (oud)] | Bestrijden voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie door gemeente | - | [Artikel 8.3.2 WEB is vervallen met de Wet van school naar duurzaam werk] | |
| [8.3.3 (oud)] | Informatie over voortijdig schoolverlaten | - | [Artikel 8.3.3 WEB is vervallen met de Wet van school naar duurzaam werk] | |
| [8.3.4 (oud)] | Regionaal programma, regionaal bestuurlijk overleg en regionale maatregelen | - | [Artikel 8.3.4 WEB is vervallen met de Wet van school naar duurzaam werk] | |
| [8.3.5 (oud)] | Afstemmen ondersteuningsaanbod op overleg over ondersteuningsprogramma voortgezet onderwijs | - | [Artikel 8.3.5 WEB is vervallen met de Wet van school naar duurzaam werk. Het komt terug als artikel 9.1.20] | |
| TITEL 4. SAMENWERKING IN VERBAND MET LEER-WERKTRAJECTEN VMBO EN ENTREEOPLEIDING IN HET VMBO | ||||
| 8.4.1 | Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten vmbo | 8.4.1 | ||
| 8.4.2 | Samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het vmbo | 8.4.2 | De entreeopleiding stond tot nu toe in CN nog bekend als assistentopleiding; met ingang van 1 januari 2026 is de naamgeving gelijkgetrokken (Stb. 2025, 282) | |
| [8.4.3 oud] | Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding | 8.4.3 | Vernummerd tot artikel 9.1.17 door Wet van school naar duurzaam werk | |
| TITEL 5. SAMENWERKING IN VERBAND MET LEER-WERKTRAJECTEN VSO EN ENTREEOPLEIDING IN HET VSO | ||||
| 8.5.1 | Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten VSO | - | ||
| 8.5.2 | Samenwerkingsovereenkomst entreeopleiding in het VSO | - | ||
| [8.5.3 oud] | Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route VSO-basisberoepsopleiding | - | Vernummerd tot artikel 9.1.19 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5.4 oud] | Samenwerkingsovereenkomst doorlopende leerroute VSO-mbo | - | Vernummerd tot artikel 9.1.18 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| TITEL 5A. DOORLOPENDE LEERROUTE VMBO-MBO [VERVALLEN] | ||||
| [8.5a.1 oud] | Begripsbepaling | 8.4a.1 | Vernummerd tot artikel 9.1.1 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.2 oud] | Doorlopende leerroutes vmbo-mbo | 8.4a.2 | Vernummerd tot artikel 9.1.2 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.3 oud] | Samenwerkingsovereenkomst instelling en school doorlopende leerroute vmbo-mbo | 8.4a.3 | Vernummerd tot artikel 9.1.3 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.4 oud] | Melden doorlopende leerroute vmbo-mbo | 8.4a.4 | Vernummerd tot artikel 9.1.4 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.5 oud] | Inrichting doorlopende leerroute | 8.4a.5 | Vernummerd tot artikel 9.1.5 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.7 oud] | Inschrijving bij de instelling | 8.4a.7 | Vernummerd tot artikel 9.1.6 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.8 oud] | Verantwoordelijkheid van de instelling | 8.4a.8 | Vernummerd tot artikel 9.1.7 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.9 oud] | Onderwijs- en examenregeling | 8.4a.9 | Vernummerd tot artikel 9.1.8 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.10 oud] | Studieduur doorlopende leerroute vmbo-mbo | 8.4a.10 | Vernummerd tot artikel 9.1.9 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.11 oud] | Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BOL) | 8.4a.11 | Vernummerd tot artikel 9.1.10 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.12 oud] | Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BBL) | 8.4a.12 | Vernummerd tot artikel 9.1.11 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.13 oud] | Teambevoegdheid | 8.4a.13 | Vernummerd tot artikel 9.1.12 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.14 oud] | Verwijdering | - | Vernummerd tot artikel 9.1.13 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.15 oud] | Overstapoptie | 8.4a.14 | Vernummerd tot artikel 9.1.14 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.16 oud] | Overdracht bekostiging in het kader van een doorlopende leerroute vmbo-mbo | 8.4a.15 | Vernummerd tot artikel 9.1.15 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| [8.5a.17 oud] | Artikelen die buiten toepassing blijven voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo | 8.4a.16 | Vernummerd tot artikel 9.1.16 WEB door de Wet van school naar duurzaam werk | |
| TITEL 6. SAMENWERKING TUSSEN UIT ’S RIJKS KAS BEKOSTIGDE INSTELLINGEN | ||||
| 8.6.1 | Samenwerkingscollege | 8.6.1 | (nog) niet in werking getreden voor CN | |
| 8.6.2 | Grens aan samenwerking en meldplicht | 8.6.2 | (nog) niet in werking getreden voor CN | |
| 8.6.3 | Regeling onderwijsprogramma en examens | 8.6.3 | (nog) niet in werking getreden voor CN | |
| TITEL 7. [NIEUW] CARIBISCH NEDERLAND | ||||
| 8.7.1 (nieuw) | Nadere regels studiekeuzeadvies Caribisch Nederland | - | ||
| 8.7.2 (nieuw) | Vervangende voorschriften hoofdstuk 8, titel 1 Caribisch Nederland | - | ||
| HOOFDSTUK 8A. MEDEZEGGENSCHAP EN DE LANDELIJKE GESCHILLENCOMMISSIE MEDEZEGGENSCHAP | ||||
| TITEL 1. ALGEMENE BEPALINGEN | ||||
| 8a.1.1 | Begripsbepalingen | - | ||
| 8a.1.1a | Overleg met studentenorganisaties | - | ||
| 8a.1.2 | Studentenraad | - | ||
| 8a.1.3 | Ouderraad | - | ||
| 8a.1.4 | Zorgplicht medezeggenschap; medezeggenschapsstatuut | - | ||
| 8a.1.5 | Bijeenkomst studentenraad, ondernemingsraad en ouderraad | - | ||
| 8a.1.6 | Instemmingsrecht hoofdlijnen jaarlijkse begroting | - | ||
| TITEL 2. BEVOEGDHEDEN STUDENTENRAAD EN OUDERRAAD | ||||
| 8a.2.1 | Algemene bevoegdheden | - | ||
| 8a.2.1a | Onder de aandacht brengen instemmings- of adviesbevoegdheid | - | ||
| 8a.2.2 | Bijzondere bevoegdheden: instemming, advies en hoorplicht | - | ||
| 8a.2.2a | Advies | - | ||
| 8a.2.3 | Fusie-effectrapportage | - | ||
| 8a.2.4 | Advies- en instemmingsbevoegdheden ouderraad vsg | - | ||
| TITEL 3. REGLEMENT STUDENTENRAAD | ||||
| 8a.3.1 | Reglement studentenraad | - | ||
| TITEL 4. GESCHILLENREGELING EN PROCESBEVOEGDHEID | ||||
| 8a.4.1 | Landelijke geschillencommissie medezeggenschap | - | ||
| 8a.4.2 | Competentie commissie | - | ||
| 8a.4.3 | Bevoegdheden en procedure commissie | - | ||
| 8a.4.4 | Procesbevoegdheid studentenraad | - | Voor CN zie artikel 8a.6.1 (nieuw) WEB | |
| 8a.4.5 | Geschillenregeling adviesbevoegdheid profielen raad van toezicht | - | ||
| 8a.4.6 | Geschillen instemmingsrecht hoofdlijnen begroting | - | ||
| TITEL 5. AFWIJKINGEN | ||||
| 8a.5.1 | Afwijkingen in verband met eigen aard | - | ||
| TITEL 6. [NIEUW] MEDEZEGGENSCHAP CARIBISCH NEDERLAND | ||||
| 8a.6.1 (nieuw) | Beroep bij de rechter CN | 9.1 | Beroep | Dit artikel regelt een uitzondering op artikel 8a.4.4 WEB voor CN |
| HOOFDSTUK 9. SAMENWERKING EN ONDERSTEUNING | ||||
| TITEL 1. SAMENWERKING | ||||
| §1. Doorlopende en geïntegreerde routes vmbo-mbo | ||||
| 9.1.1 | Begripsbepaling | 8.4a.1 | Voorheen artikel 8.5a.1 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.1 WEB | |
| 9.1.2 | Doorlopende leerroutes vmbo-mbo | 8.4a.2 | Voorheen artikel 8.5a.2 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.2 WEB | |
| 9.1.3 | Samenwerkingsovereenkomst instelling en school doorlopende leerroute vmbo-mbo | 8.4a.3 | Voorheen artikel 8.5a.3 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.3 WEB | |
| 9.1.4 | Melden doorlopende leerroute vmbo-mbo | 8.4a.4 | Voorheen artikel 8.5a.4 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.4 WEB | |
| 9.1.5 | Inrichting doorlopende leerroute | 8.4a.5 | Voorheen artikel 8.5a.5 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.5 WEB | |
| 9.1.6 | Inschrijving bij de instelling | 8.4a.7 | Voorheen artikel 8.5a.7 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.6 WEB | |
| 9.1.7 | Verantwoordelijkheid van de instelling | 8.4a.8 | Voorheen artikel 8.5a.8 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.7 WEB | |
| 9.1.8 | Onderwijs- en examenregeling | 8.4a.9 | Voorheen artikel 8.5a.9 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.8 WEB | |
| 9.1.9 | Studieduur doorlopende leerroute vmbo-mbo | 8.4a.10 | Voorheen artikel 8.5a.10 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.9 WEB | |
| 9.1.10 | Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BOL) | 8.4a.11 | Voorheen artikel 8.5a.11 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.10 WEB | |
| 9.1.11 | Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BBL) | 8.4a.12 | Voorheen artikel 8.5a.12 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.11 WEB | |
| 9.1.12 | Teambevoegdheid | 8.4a.13 | Voorheen artikel 8.5a.13 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.12 WEB | |
| 9.1.13 | Verwijdering | - | Voorheen artikel 8.5a.14 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.13 WEB | |
| 9.1.14 | Overstapoptie | 8.4a.14 | Voorheen artikel 8.5a.15 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.14 WEB | |
| 9.1.15 | Overdracht bekostiging in het kader van een doorlopende leerroute vmbo-mbo | 8.4a.15 | Voorheen artikel 8.5a.16 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.15 WEB | |
| 9.1.16 | Artikelen die buiten toepassing blijven voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo | 8.4a.16 | Voorheen artikel 8.5a.17 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.16 WEB | |
| 9.1.17 | Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding | 8.4.3 | Voorheen artikel 8.4.3 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.17 WEB | |
| §2. Doorlopende en geïntegreerde routes vso-mbo | ||||
| 9.1.18 | Samenwerkingsovereenkomst doorlopende leerroute VSO-mbo | - | Voorheen artikel 8.5.4 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.18 WEB | |
| 9.1.19 | Samenwerkingsovereenkomst geïntegreerde route VSO-basisberoepsopleiding | - | Voorheen artikel 8.5.3 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk vernummerd tot artikel 9.1.19 WEB | |
| 9.1.20 | Afstemmen ondersteuningsaanbod op overleg over ondersteuningsprogramma voortgezet onderwijs | - | Voorheen artikel 8.3.5 WEB; door de Wet van school naar duurzaam werk opnieuw vastgesteld als artikel 9.1.20 WEB | |
| TITEL 2. ONDERSTEUNING BIJ E OVERSTAP NAAR ONDERWIJS OF ARBEIDSMARKT | ||||
| Paragraaf 1. Ondersteuning van jongeren zonder startkwalificatie en regionaal programma | ||||
| 9.2.1 | Doelgroep | - | ||
| 9.2.2 | Melding verzuim zonder geldige reden | - | Artikel 9.3.1 WEB bevat voor CN een (tijdelijke) alternatieve bepaling | |
| 9.2.3 | Inlichtingen aan het college van burgemeester en wethouders | - | ||
| 9.2.4 | Regionale samenwerking | - | Voor de toepassing in CN zie artikel 9.3.2, eerste lid, WEB. Artikel 9.3.4 WEB bevat voor CN een alternatieve bepaling | |
| 9.2.5 | Ondersteunen van jongeren zonder startkwalificatiedoor college van burgemeester en wethouders | - | Voor de toepassing in CN zie artikel 9.3.2, tweede lid, WEB. Artikel 9.3.3 WEB bevat voor CN een (tijdelijke) alternatieve bepaling | |
| 9.2.6 | Gebruik persoonsgebonden nummer door college van burgemeester en wethouders | - | Voor de toepassing in CN zie artikel 9.3.2, derde lid, WEB | |
| 9.2.7 | Verwerking gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard door college van burgemeester en wethouders | - | Voor de toepassing in CN zie artikel 9.3.2, vierde lid, WEB | |
| 9.2.8 | Regionaal programma en regionaal bestuurlijk overleg | - | Voor de toepassing in CN zie artikel 9.3.2, eerste lid, WEB | |
| 9.2.9 | Specifieke uitkering | - | Voor de toepassing in CN zie artikel 9.3.2, eerste lid. Artikel 9.3.5 WEB bevat een alternatieve bepaling voor CN. | |
| 9.2.10 | Effectrapportage | - | Voor de toepassing in CN zie artikel 9.3.2 WEB. Artikel 9.3.6 WEB bevat een alternatieve bepaling voor CN. | |
| 9.2.11 | Inlichtingen aan Onze Minister | - | ||
| Paragraaf 2. Ondersteuning door de instelling | ||||
| 9.2.12 | Loopbaanbegeleiding tijdens de opleiding en na diplomering | 8.3.1 | Voor CN zie artikel 9.3.7, eerste lid, WEB | |
| 9.2.13 | Samenwerking tussen bevoegd gezag en college van burgemeester en wethouders op grond van de Participatiewet | - | Voor CN zie artikel 9.3.7, tweede lid, WEB | |
| TITEL 3. [NIEUW] CARIBISCH NEDERLAND | ||||
| 9.3.1 [nieuw] | Verzuimmelding Caribisch Nederland | - | Artikel 9.3.1 WEB komt voor CN (tijdelijk) in de plaats van artikel 9.2.2 WEB | |
| 9.3.2 [nieuw] | Afwijkende voorschriften hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1, Caribisch Nederland | - | Artikel 9.3.2 WEB bevat bepalingen voor de toepassing van de artikelen 9.2.4 tot en met 9.2.10 WEB in CN | |
| 9.3.3 [nieuw] | Wettelijke taak bestuurscollege vsv Caribisch Nederland | - | Artikel 9.3.3 WEB komt voor CN (tijdelijke) in de plaats van artikel 9.2.5 WEB | |
| 9.3.4 [nieuw] | Wettelijke taak school of instelling vsv-beleid Caribisch Nederland | - | Artikel 9.3.4 WEB komt voor CN in de plaats van artikel 9.2.8 WEB | |
| 9.3.5 [nieuw] | Subsidie aan contactschool voor vsv-beleid Caribisch Nederland | - | Artikel 9.3.5 WEB komt voor CN in de plaats van artikel 9.2.9 WEB | |
| 9.3.6 [nieuw] | Effectrapportage Caribisch Nederland | - | Artikel 9.3.6 komt voor CN in de plaats van artikel 9.2.10 | |
| 9.3.7 [nieuw] | Afwijkende voorschriften hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 2, Caribisch Nederland | - | Artikel 9.3.7 bevat bepalingen voor de toepassing van de artikelen 9.2.12 en 9.2.13 in CN | |
| Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter | ||||
| 10.2 [nieuw] | Tijdstip intrede rechtsgevolgen rechterlijke uitspraak | 9.2 | Intreden gevolgen van toekennen van rechten na sprongberoep | Door samenloop met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt artikel 10.2 (nieuw) WEB vernummerd tot artikel 1.3.11 (nieuw) WEB |
| Hoofdstuk 11. Sancties | Door wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt hoofdstuk 11 WEB vernummerd tot hoofdstuk 10 (nieuw) WEB | |||
| Paragraaf 1. Inhouden en opschorten bekostiging; strafbepaling | ||||
| TITEL 1. [NIEUW] INHOUDEN EN OPSCHORTEN BEKOSTIGING; STRAFBEPALING | ||||
| 11.1 | Inhouding bekostiging | 10.2 | Door wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt artikel 11.1 WEB vernummerd tot artikel 10.1 (nieuw) WEB | |
| 11.2 | Bestuurlijke boete niet-gerechtigd aanduiden beroepsopleiding | 10.3 | Door wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt artikel 11.2 WEB vernummerd tot artikel 10.2 (nieuw) WEB. Voor CN zie artikel 11.3 [nieuw] WEB | |
| TITEL 2. [NIEUW] CARIBISCH NEDERLAND | ||||
| 11.3 [nieuw] | Toezicht en handhaving Caribisch Nederland | Door samenloop met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt artikel 11.3 WEB (nieuw) vernummerd tot artikel 10.3 (nieuw) WEB | ||
| HOOFDSTUK 11. [OUD] OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN | ||||
| - | 11.1 | Erkenning en bekostiging | Artikel 11.1 WEB BES vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel KK (hoofdstuk 13) | |
| - | 11.1a | Overgangsregeling bekostiging | Artikel 11.1a WEB BES vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel KK (hoofdstuk 13) | |
| - | 11.1b | Voorziening in de huisvesting voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip | Artikel 11.1b WEB BES komt terug in artikel 13.2.5 WEB (nieuw) | |
| - | 11.2 | Benoembaarheid bevoegde docenten | Artikel 11.2 WEB BES komt terug in artikel 13.2.2, onderdeel d, WEB (nieuw) | |
| - | 11.3 | Benoembaarheid onbevoegde docenten | Artikel 11.3 WEB BES vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel KK (hoofdstuk 13) | |
| - | 11.4 | Benoembaarheid docenten in opleiding | Artikel 11.4 WEB BES vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel KK (hoofdstuk 13) | |
| - | 11.5 | Toepasselijkheid Wet administratieve rechtspraak BES | (nog) niet in werking getreden | |
| - | 11.6b | Overgangsbepaling eindtermgerichte opleidingen | Artikel 11.6b WEB BES vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel KK (hoofdstuk 13) | |
| - | 11.6c | Beëindiging inschrijvingen beroepsopleidingen oude stijl | Artikel 11.6c WEB BES is in werking getreden met ingang van 1 januari 2026 (Stb. 2025, 282) | |
| - | 11.6e | Overgangsbepaling leden examencommissie | (nog) niet in werking getreden | |
| HOOFDSTUK 11. NIET UIT 'S RIJKS KAS BEKOSTIGD BEROEPSONDERWIJS | Dit hoofdstuk wordt ingevoegd met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670). Zie ook de transponeringstabel in de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel. | |||
| TITEL 1. AANBIEDERS VAN NIET UIT 'S RIJKS KAS BEKOSTIGD BEROEPSONDERWIJS | ||||
| Paragraaf 1. Aanvraagprocedure niet uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen | ||||
| 11.1.1 | Aanvraag en bevoegdheden erkenning | |||
| 11.1.2 | Voorwaarden erkenning beroepsopleiding in beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg | |||
| 11.1.3 | Voorwaarden erkenning beroepsopleiding in loopbaanbegeleidende leerweg | |||
| 11.1.4 | Studieduur | |||
| 11.1.5 | Geldigheid kwalificatie | |||
| 11.1.6 | Onderwijstijd | |||
| 11.1.7 | Geldigheidsduur erkenning | |||
| 11.1.8 | Verlengen erkenning voor twee jaar | |||
| 11.1.9 | Verlenen erkenning van rechtswege | |||
| 11.1.10 | Vergoeding aanvraag erkenning | |||
| Paragraaf 2. Aanbieden delen van opleidingen, overige verplichtingen en samenwerking met niet uit ’s Rijks kas bekostigd voortgezet onderwijs | ||||
| 11.1.11 | Delen van beroepsopleidingen in de loopbaanbegeleidende leerweg | |||
| 11.1.12 | Beroepspraktijkvorming bij delen van beroepsopleidingen in de loopbaanbegeleidende leerweg | |||
| 11.1.13 | Artikelen van overeenkomstige toepassing op aanbieders van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs | |||
| 11.1.14 | Inlichtingenplicht | |||
| 11.1.15 | Samenwerking met niet uit ’s Rijks kas bekostigd vo t.b.v. doorlopende leerroute vmbo-mbo en geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding | Met wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt artikel 1.4.2 vernummerd tot artikel 11.1.15 WEB | ||
| Paragraaf 3. Handhaving | ||||
| 11.1.16 | Last onder dwangsom | |||
| 11.1.17 | Zeer zwakke opleiding | - | Artikel 6.2.2a WEB (nog niet in werking getreden) wordt door wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) vernummerd tot artikel 11.1.17 | |
| 11.1.18 | Schorsing recht op examinering of diplomering bij wezenlijk vermoeden dat de waarde van diploma’s en certificaten in het geding is | |||
| 11.1.19 | Ontnemen recht op examinering niet uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleiding | |||
| 11.1.20 | Intrekken erkenning niet uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleiding | |||
| 11.1.21 | Intrekken erkenning niet uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleiding zonder inschrijvingen | |||
| 11.1.22 | Waarschuwing niet uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleiding | |||
| HOOFDSTUK 11A. [OUD] EXPERIMENTEN | ||||
| 11a.1 (oud) | Ruimte voor innovatie | Artikel 11a.1 WEB (oud) komt terug in de artikelen 12.1 t/m 12.4 WEB (nieuw) | ||
| HOOFDSTUK 12. [OUD] OVERGANGS-, INVOERINGS- EN SLOTBEPALINGEN | ||||
| TITEL 1. [OUD] OVERGANGSBEPALINGEN EXPERIMENT LEERGANG VM2 | ||||
| 12.1.1 (oud) | Duur van experiment leergang vm2 | - | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel KK (hoofdstuk 13) | |
| TITEL 1A. [OUD] OVERGANGSRECHT WIJZIGING VAN ONDER ANDERE DE WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS IN VERBAND MET DE AFSCHAFFING VAN DE REKENTOETS IN HET VOORTGEZET ONDERWIJS (AFSCHAFFING REKENTOETS VO) (STB. 2020, 233) | ||||
| 12.1a.1 (oud) | Overgangsrecht afschaffing rekentoets eindexamen vavo | - | Artikel 12.1a.1 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 13.2.5 WEB (nieuw) | |
| TITEL 1B OVERGANGSRECHT RIJKSBIJDRAGE 2025 | ||||
| 12.1b.1 (oud) | Overgangsbepaling bij te late indiening bekostigingsgegevens voor de rijksbijdrage 2025 | - | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) | |
| TITEL 2. VOORZIENINGEN VOOR ONBEPAALDE TIJD | ||||
| 12.2.1 (oud) | Diploma’s en certificaten | - | Artikel 12.2.1 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 13.2.1 WEB (nieuw) | |
| 12.2.2 (oud) | Handhaving voorschriften personeel | - | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) | |
| 12.2.3 (oud) | Voorziening vakinstelling met vo-school | - | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) | |
| 12.2.4 (oud) | Omzetting aoc naar verticale scholengemeenschap | - | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) | |
| [12.2.6 (nieuw)] | Door Huisdier Kennis Instituut aangeboden onderdelen van beroepsopleidingen in loopbaanbegeleidende leerweg | Dit artikel wordt met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) ingevoegd. Indien dat tot wet wordt verheven, dan wordt dit artikel door samenloop vernummerd tot artikel 13.2.4 WEB | ||
| 12.2.7 (oud) | Garantieregeling onderwijsbevoegdheden | - | Artikel 12.2.7 WEB (oud) komt terug in artikel 13.2.2, onderdelen a t/m c, WEB (nieuw) | |
| 12.2.9 (oud) | Gevolgen invoering voor personeel | - | Dit artikel vervalt. Zie artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) | |
| TITEL 3. INVOERING VAN DE WET | ||||
| 12.3.8 (oud) | Voortzetting bekostiging beroepsopleidingen Instituten voor doven | - | Artikel 12.3.8 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 13.2.3 WEB (nieuw) | |
| 12.3.49 (oud) | Afschaffing adviesverplichtingen | - | Dit artikel vervalt (materieel uitgewerkt). Het betrof een samenloopbepaling bij invoering van de WEB per 1-1-1996. | |
| TITEL 4. BEPALINGEN MET BETREKKING TOT PASSEND ONDERWIJS | ||||
| 12.4.1 (oud) | Tijdelijke verstrekking middelen aan instellingen | - | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) | |
| TITEL 4A. BEROEPSOPLEIDINGEN OUDE STIJL | ||||
| 12.4a.1 (oud) | Beëindiging inschrijvingen beroepsopleidingen oude stijl | - | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) | |
| TITEL 4B. INVOERING VAN DE WET AANSCHERPING EISEN EXAMENCOMMISSIES IN HET MIDDELBAAR BEROEPSONDERWIJS | ||||
| 12.4b.1 (oud) | Overgangsbepaling leden examencommissie | - | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) | |
| TITEL 4C. OVERGANGSRECHT WET TOT WIJZIGING VAN DE WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS EN EEN AANTAL ANDERE WETTEN IN VERBAND MET HET VERBETEREN VAN DE AANSLUITING VAN HET BEROEPSONDERWIJS OP DE ARBEIDSMARKT (VERBETERING AANSLUITING BEROEPSONDERWIJS-ARBEIDSMARKT) (STB. 20##, ###) | ||||
| [12.4c.1] | Overgangsrecht onderwijstijd Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt | Dit artikel wordt met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) ingevoegd. Indien dat wetsvoorstel tot wet wordt verheven, dan wordt het door een samenloopbepaling in het onderhavige wetsvoorstel vernummerd tot artikel 13.2.12 | ||
| [12.4c.2] | Overgangsrecht onderwijstijd doorlopende leerroute en geïntegreerde leerroute Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt | Dit artikel wordt met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) ingevoegd. Indien dat wetsvoorstel tot wet wordt verheven, dan wordt dit artikel door samenloop vernummerd tot artikel 13.2.13. | ||
| [12.4c.3] | Omzetting besluit niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs | Dit artikel wordt met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) ingevoegd. Indien dat wetsvoorstel tot wet wordt verheven, dan wordt dit artikel door samenloop vernummerd tot artikel 13.2.14. | ||
| [12.4c.4] | Omzetting lopende aanvragen tot besluit niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs | Dit artikel wordt met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) ingevoegd. Indien dat wetsvoorstel tot wet wordt verheven, dan wordt dit artikel door samenloop vernummerd tot artikel 13.2.15. | ||
| [12.4c.5] | Voortzetting volgen van een deel van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleiding | Dit artikel wordt met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) ingevoegd. Indien dat wetsvoorstel tot wet wordt verheven, dan wordt dit artikel door samenloop vernummerd tot artikel 13.2.16. | ||
| [12.4c.6] | Overgangsrecht toezicht, handhaving en sancties | Dit artikel wordt met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) ingevoegd. Indien dat wetsvoorstel tot wet wordt verheven, dan wordt dit artikel door samenloop vernummerd tot artikel 13.2.17. | ||
| [12.4c.7] | Vervalbepaling diverse artikelen titel 4c | Dit artikel wordt met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) ingevoegd. Indien dat wetsvoorstel tot wet wordt verheven, dan wordt dit artikel door samenloop vernummerd tot artikel 13.2.18. | ||
| TITEL 5. EVALUATIE, INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL | ||||
| 12.5.1 (oud) | Evaluatie | - | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) | |
| 12.5.1a (oud) | Evaluatie in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer | 11.6f | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) | |
| - | - | 11.6g | Evaluatie vereenvoudiging grondslagen bekostiging | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) |
| 12.5.1b (oud) | Evaluatiebepaling in verband met de Wet versterken positie mbo-studenten | Dit artikel vervalt. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13) | ||
| 12.5.1c (oud) | Evaluatie in verband met wet inzake verbetering rechtsbescherming mbo-studenten | 11.6h | In de Verzamelwet OCW 2024 (Stb. 2024, 109) zijn artikel 12.5.1b* (oud) WEB en 11.6g* (oud) WEB BES, vernummerd tot 12.5.1c WEB resp. 11.6h WEB BES. Deze artikelen komen terug in artikel 13.1.1 WEB (nieuw) | |
| 12.5.2 (oud) | Inwerkingtreding | 11.6d | Artikel 12.5.2 WEB, onderdeel a (oud), wordt overgeheveld naar artikel XX, tweede lid, van deze wijzigingswet. Verder is artikel 12.5.2 materieel uitgewerkt en komt het om die reden niet meer terug in hoofdstuk 13 WEB (nieuw) | |
| 12.5.3 (oud) | Citeertitel | 11.7 | Artikel 12.5.3 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 13.3.1 WEB (nieuw) | |
| HOOFDSTUK 12. [NIEUW] EXPERIMENTEN | ||||
| 12.1 (nieuw) | Experimenten beroepsonderwijs | Afgeleid van artikel 11a.1, eerste t/m derde en zesde lid, WEB (oud) | ||
| 12.2 (nieuw) | Duur experiment | Afgeleid van artikel 11a.1, vierde lid, WEB (oud) | ||
| 12.3 (nieuw) | Evaluatieverslag | Afgeleid van artikel 11a.1, vijfde lid, WEB (oud) | ||
| 12.4 (nieuw) | Samenwerking met ander onderwijs | Afgeleid van artikel 11a.1, zevende lid, WEB (oud) | ||
| HOOFDSTUK 13. [ NIEUW] OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN | ||||
| TITEL 1. [NIEUW] EVALUATIEBEPALINGEN | ||||
| 13.1.1 (nieuw) | Evaluatie Wet verbetering rechtsbescherming mbo-studenten | 11.6h | Afgeleid van artikel 12.5.1c WEB (oud) en artikel 11.6h WEB BES (oud) | |
| 13.1.2 (nieuw) | Evaluatie Wet modernisering regels beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland | - | ||
| TITEL 2. [NIEUW] OVERGANGS- EN INVOERINGSRECHT | ||||
| Paragraaf 1. Voorzieningen voor onbepaalde tijd | ||||
| 13.2.1 (nieuw) | Diploma’s en certificaten | - | Artikel 12.2.1 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 13.2.1 WEB (nieuw) | |
| 13.2.2 (nieuw) | Eerbiedigende werking oude lesbevoegdheden | - | ||
| 13.2.3 (nieuw) | Voortzetting bekostiging doveninstituut | - | Artikel 12.3.8 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 13.2.3 WEB (nieuw) | |
| 13.2.4 (nieuw) | Door Huisdier Kennis Instituut aangeboden onderdelen van beroepsopleidingen in loopbaanbegeleidende leerweg | - | Dit artikel wordt door het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) als artikel 12.2.6 WEB ingevoegd; door een samenloopbepaling in het onderhavige wetsvoorstel wordt het vernummerd tot artikel 13.2.4 WEB | |
| 13.2.5 (nieuw) | Overgangsrecht vavo vanwege afschaffing rekentoets | - | Artikel 12.1a.1 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 13.2.4 WEB (nieuw) | |
| 13.2.6 (nieuw) | Tijdelijke voorziening huisvesting mbo Caribisch Nederland | 11.1b | Artikel 11.1b WEB BES (oud) komt terug in artikel 13.2.6 WEB (nieuw) | |
| 13.2.7 (nieuw) | Scholengemeenschap Bonaire | - | ||
| Paragraaf 2. Overgangsrecht modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland (Stb. 20##, ###) | ||||
| 13.2.8 (nieuw) | Overgangsrecht deelnemer sociaal kanstraject | - | ||
| 13.2.9 (nieuw) | Overgangsrecht bekostiging beroepsonderwijs Caribisch Nederland | - | ||
| 13.2.10 (nieuw) | Overgangsrecht sancties WEB BES | - | ||
| 13.2.11 (nieuw) | Overgangsrecht overige besluiten WEB BES | - | ||
| Paragraaf 3. Overgangsrecht Wet van … tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (Stb. 20##, ###) | ||||
| 13.2.12 (nieuw) | Overgangsrecht onderwijstijd Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt | - | Dit artikel wordt door het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) als artikel 12.4c.1 WEB ingevoegd; door een samenloopbepaling in het onderhavige wetsvoorstel wordt het (herschreven) ingevoegd als artikel 13.2.12 WEB. Het derde lid heeft specifiek betrekking op CN. | |
| 13.2.13 (nieuw) | Overgangsrecht onderwijstijd doorlopende leerroute en geïntegreerde leerroute Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt | - | Dit artikel wordt door het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) als artikel 12.4c.2 WEB ingevoegd; door een samenloopbepaling in het onderhavige wetsvoorstel wordt het (herschreven) ingevoegd als artikel 13.2.13 WEB | |
| 13.2.14 (nieuw) | Omzetting besluit niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs | - | Dit artikel wordt door het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) als artikel 12.4c.3 WEB ingevoegd; door een samenloopbepaling in het onderhavige wetsvoorstel wordt het (herschreven) ingevoegd als artikel 13.2.14 WEB. Het derde lid heeft specifiek betrekking op CN. | |
| 13.2.15 (nieuw) | Omzetting lopende aanvragen tot besluit niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs | - | Dit artikel wordt door het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) als artikel 12.4c.4 WEB ingevoegd; door een samenloopbepaling in het onderhavige wetsvoorstel wordt het (herschreven) ingevoegd als artikel 13.2.15 WEB. Het tweede lid heeft specifiek betrekking op CN. | |
| 13.2.16 (nieuw) | Voortzetting volgen van een deel van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleiding | - | Dit artikel wordt door het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) als artikel 12.4c.5 WEB ingevoegd; door een samenloopbepaling in het onderhavige wetsvoorstel wordt dit (herschreven) ingevoegd als artikel 13.2.16 WEB | |
| 13.2.17 (nieuw) | Overgangsrecht toezicht, handhaving en sancties | - | Dit artikel wordt door het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) als artikel 12.4c.6 WEB ingevoegd; door een samenloopbepaling in het onderhavige wetsvoorstel wordt het (herschreven) ingevoegd als artikel 13.2.17 WEB | |
| 13.2.18 (nieuw) | Vervalbepaling diverse artikelen paragraaf 3 | - | Dit artikel wordt door het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) als artikel 12.4c.7 WEB ingevoegd; door een samenloopbepaling in het onderhavige wetsvoorstel wordt het (herschreven) ingevoegd als artikel 13.2.18 WEB | |
| TITEL 3. [NIEUW] SLOTBEPALINGEN | ||||
| 13.3.1 (nieuw) | Citeertitel | 11.7 | Artikel 12.5.3 WEB (oud) wordt vernummerd tot artikel 13.3.1 WEB (nieuw) | |
Sinds de invoering van het CXC-onderwijs op Saba en Sint Eustatius wordt op deze twee eilanden geen beroepsonderwijs op grond van de WEB BES meer verzorgd. Zie voor nadere toelichting paragraaf 2 van deze memorie van toelichting.↩︎
Een startkwalificatie is op Bonaire een diploma havo, vwo of mbo-2 en op Saba en Sint Eustatius een certificaat CSEC of CVQ2.↩︎
Kamerstukken II, 2019-2020, 35300 IV, nr. 11.↩︎
CBS- StatLine bevolkingsgegevens.↩︎
Kamerstukken II 2019-2020, 35297, nr. 4, p.6 e.v. en Kamerstukken II 2017-2018, 34878, nr. 4, p.5.↩︎
Kamerstukken II 2009-2010, 32419, nr. 3.↩︎
Wet op de expertisecentra; die wet regelt het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor Europees Nederland, er is geen BES-equivalent.↩︎
Beide scholen zijn aangewezen als instelling voor voortgezet onderwijs in de zin van artikel 2.86 WVO 2020; het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES stelt regels voor onder andere het onderwijs en de examinering aan deze instellingen.↩︎
Inspectie van het Onderwijs, Kwaliteitsonderzoek Scholengemeenschap Bonaire; Units Liseo Boneriano, Speciale Lesplaatsen en MBO, 7 februari 2022.↩︎
Artikel 7.2.4, eerste lid, WEB BES.↩︎
Artikel 1.4.1 WEB BES.↩︎
Artikel 1.5.2 WEB BES.↩︎
Artikel 2.1.1 WEB BES.↩︎
Artikel 1.4.1 WEB BES.↩︎
Artikel 6.1.4a, tweede lid, WEB.↩︎
Artikel 1.4.1 WEB BES juncto artikel 2.1.1 WEB BES.↩︎
Een deel hiervan volgt feitelijk onderwijs bij Fundashon Formashon Pa Mayan "FORMA". Dit is een opleidingscentrum voor volwasseneducatie en onderwijs.↩︎
Artikel 2.1.3, eerste lid, WEB.↩︎
Artikel 9.32, derde lid, Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in samenhang gelezen met artikelen 11.47, tweede lid, onderdeel b, WVO 2020 en 11.1a WEB BES.↩︎
Hoofdstuk 2, titel 2, WEB wordt ook van toepassing op Caribisch Nederland, met dien verstande dat artikel 2.8.3 een bepaling bevat voor de ten opzichte van Europees Nederland afwijkende berekening van de bekostiging in Caribisch Nederland. Artikel 13.2.9 bevat daarnaast overgangsrecht voor de periode tussen de inwerkingtreding van deze wet en het eind van het dan lopende kalenderjaar.↩︎
Besluit bekostiging WVO 2021, thans opgenomen in het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.↩︎
Zie artikel 6.1.2, eerste lid, WEB juncto artikel 6.1.3, eerste en derde lid, WEB.↩︎
Met uitzondering van het doen van voorstellen aan SBB voor een kwalificatie of onderdeel daarvan die in het bijzonder relevant is voor Caribisch Nederland (het voorgestelde artikel 1.6.6, tweede lid, WEB).↩︎
Artikel 1.5.1, derde lid, WEB BES.↩︎
Artikel 7.2.4, vierde lid, WEB.↩︎
Artikel 17a, derde en vierde lid, Examen- en kwalificatiebesluit WEB.↩︎
Met ingang van 1 januari 2025 geldt een minimaal beheersingsniveau voor het spreken van de Nederlandse taal in de kinderopvang in Europees Nederland. Daarbij is het wettelijk beroepsvereiste voor Caribisch Nederland anders ingevuld, gelet op de andere context daar.↩︎
Kamerstukken II 2021-2022, 31293, nr. 620.↩︎
Zie artikel 2a van de Regeling aanwijzing diploma’s beroepsonderwijs en artikel 7.24, tweede lid, onderdelen d en f van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.↩︎
Artikel 2.3.1 WEB.↩︎
Artikel 7.3.1, eerste lid, WEB.↩︎
Vavo omvat alle deeleindexamens en eventuele diploma’s voor de schoolsoorten mavo, havo en vwo.↩︎
Artikel 2.1.2, eerste lid, onder b, WEB.↩︎
Subsidieregeling Nationaal Groeifonds LLO Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden.↩︎
De Landelijke geschillencommissie medezeggenschap is een van de geschillencommissies, ondergebracht bij de Stichting onderwijsgeschillen, gevestigd te Utrecht.↩︎
Voorgesteld artikel 8a.6.1 WEB.↩︎
Zie artikel 2, vierde lid, Besluit register onderwijsdeelnemers.↩︎
Kamerstukken II, 2020-2021, 35570 VIII, nr. 278.↩︎
Een bijzondere uitkering op grond van artikel 91 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is vergelijkbaar met een specifieke uitkering op grond van de Financiële verhoudingenwet. Een vrije uitkering uit het BES-fonds (artikel 88 van eerstgenoemde wet) is vergelijkbaar met een algemene uitkering uit het Gemeentefonds.↩︎
Dit is straks van toepassing voor de SGB op Bonaire, omdat daar vo-onderwijs als bedoeld in de WVO 2020 en mbo-onderwijs wordt gegeven.↩︎
De Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid BES (Stb. 2025, 304) is (grotendeels) in werking getreden met ingang van 11 november 2025 (Stb. 2025, 326).↩︎
Kamerstukken II, 2022/23, 29279, nr. 750.↩︎
Fundashon Formashon Pa Mayan "FORMA", een opleidingscentrum voor volwasseneducatie en onderwijs op Bonaire.↩︎
Zie het Besluit bekostiging WVO 2021 (Stb. 2021, 218) waarmee destijds onder andere het Uitvoeringsbesluit WEB BES is aangepast.↩︎
Zie hiertoe artikel 2, vierde lid, van het Besluit register onderwijsdeelnemers.↩︎
Pro Facto, Evaluatie Wet bescherming persoonsgegevens BES, WODC 2019; zie met name paragraaf 6.2.4.↩︎
https://www.internetconsultatie.nl/onderwijscaribischnederland.↩︎
Deze zorgplichten zijn geregeld in artikel 6.1.3, eerste en derde lid, WEB met een verbijzondering voor Caribisch Nederland in het voorgestelde artikel 6.5.2 WEB.↩︎
Met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) wordt artikel 1.4.1 WEB verplaatst naar hoofdstuk 11 (nieuw) van de WEB.↩︎
Op grond van artikel 4.14 WVO 2020 is wel een verplaatsing binnen 3 km toegestaan.↩︎
In 2023 volgden circa 750 studenten een beroepsopleiding aan de SGB.↩︎
Kamerstukken II 2006/07, 27451, nr. 66.↩︎
Artikel 4.1.6 WEB BES.↩︎
Kamerstukken II 2003/04, 29205, nr. 3, p. 7.↩︎
Indien het wetsvoorstel Verbetering aansluiting beroepsonderwijs–arbeidsmarkt (Kamerstukken 36670) tot wet wordt verheven en in werking treedt, dan wordt artikel 1.6.6 WEB vernummerd tot artikel 5.3.2 WEB.↩︎
Wet van school naar duurzaam werk, Stb. 2025, 210.↩︎
Het bevoegd gezag mag de periode van vier weken inkorten op grond van artikel 9.3.1, tweede lid, onderdeel d, WEB, en dus al eerder overgaan tot melding van schoolverzuim.↩︎
Met artikel V, onderdeel AA, en artikel VI, onderdeel H, van de Reparatiewet OCW 2024 (Stb. 2024, 109) zijn de artikelen 12.5.1b* WEB en 11.6g* WEB BES vernummerd tot 12.5.1c WEB resp. 11.6h WEB BES.↩︎
Bijlage 3 bij Kamerstukken II 2023/24, 31293, nr. 738.↩︎
Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met diverse maatregelen gericht op het versterken van de positie van mbo-studenten (Wet versterken positie mbo-studenten) (Stb. 2020, 234).↩︎
Kamerstukken II 2022/23, 31524, nr. 544.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 31524, nr. 624.↩︎
Deze bepaling is ingevoerd met artikel V, onderdeel Z, van de Reparatiewet OCW 2024.↩︎
Zoals die begripsbepaling met artikel IV, onderdeel A, van de Wet van 23 oktober 2024 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de verplichtstelling van een verklaring omtrent het gedrag in het aanvullend onderwijs (Stb 2024, 310) is ingevoegd in artikel 1.1 WVO 2020.↩︎
Dat wil zeggen dat niet de medezeggenschapsbepalingen uit de WVO 2020 of de WMS, maar die uit de WEB en de WOR van toepassing zijn.↩︎
Op grond van de SKJ-wet geldt tot nu toe een leeftijdsgrens voor het vsv-beleid tot 25 jaar. Met de Wet van school naar duurzaam werk is de doelgroep in Europees Nederland opgerekt tot 27 jaar (artikel 9.2.1 WEB). Daar wordt voor Caribisch Nederland nu ook bij aangesloten.↩︎
Het certificaat CSEC, een certificaat CVQ en het diploma CAPE zijn in artikel 25 van genoemd besluit aangewezen als startkwalificatie in de zin van de Leerplichtwet BES.↩︎
Bijlage 3 bij Kamerstukken II 2023/24, 31293, nr. 738.↩︎
Kamerstukken II 2006/07, 34355, nr. 19.↩︎
Oorspronkelijk met de Tweede Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba – B (Stb. 2011, 33) vastgesteld als artikel 147 WPO BES; dat is later door de Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (Stb. 2021, 171) vernummerd tot artikel 142 WPO BES.↩︎
Met artikel I, onderdeel C, van de Wet van 20 april 2022 tot wijziging van de Wet register onderwijsdeelnemers en enkele andere wetten in verband met het uitbreiden van de wettelijke grondslagen voor de verwerking van gegevens in het kader van het register onderwijsdeelnemers (Stb. 2022, 177) zijn het vijfde en zesde lid van artikel 15 vernummerd tot vierde en vijfde lid, maar daarbij is over het hoofd gezien dat ook de verwijzing in het vijfde lid (nieuw) aangepast had moeten worden.↩︎
Kamerstukken II 2021/22, 34878, nr. 18, p. 6.↩︎
Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (Stb. 2021, 171).↩︎
Kamerstukken II 2006/07, 27451, nr. 76, en Kamerstukken II 2007/08, 31321, nr. 3, p. 1.↩︎
Kamerstukken II 2007/08, 31321, nr. 3.↩︎
Kamerstukken II 2009/10, 31524, nr. 74.↩︎
Kamerstukken II 2013/14, 31524, nr. 210.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 31293, nr. 777.↩︎
Kamerstukken II 2017/18, 31524, nr. 360.↩︎
Kamerstukken II 2018/19, 31524, nr. 395.↩︎
Kamerstukken II 2021/22, 31524, nr. 504.↩︎
Kamerstukken II 2023/24, 31524, nr. 603, p. 11-12.↩︎