[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Vruchtgebruik met en zonder verterings- en vervreemdingsbevoegdheid

Bijlage

Nummer: 2026D00756, datum: 2026-01-12, bijgewerkt: 2026-01-12 16:46, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Bijlage bij: Modernisering forfaits gebaseerd op de rente en levensverwachting in de schenk- en erfbelasting (2026D00752)

Preview document (🔗 origineel)


Bijlage 4 2025-1773387 BRIEF MODERNISERING FORFAITS S&E

Vruchtgebruik met en zonder verterings- en vervreemdingsbevoegdheid

Mijn ambtsvoorganger heeft tevens toegezegd om in deze brief in te gaan op de aanbeveling in het eindrapport van Deloitte om in de forfaits in de schenk- en erfbelasting onderscheid te maken tussen vruchtgebruik met en zonder verterings- en vervreemdingsbevoegdheid.1 In het rapport van Deloitte wordt aanbevolen om voor vruchtgebruik zonder vervreemdings- en verteringsbevoegdheid aan te sluiten bij de rente die wordt gehanteerd voor de perpetuïteit, omdat de looptijd van het vruchtgebruik onbekend is. Bij een vruchtgebruik met vervreemdings- en verteringsbevoegdheid wordt aanbevolen om aan te sluiten bij het rendement op volle eigendom.2 Deloitte wijst echter ook op aandachtspunten en afbakeningsproblemen.3 Een juridisch aandachtspunt is dat het afbakenen van verschillende varianten van vruchtgebruik tot problemen zou kunnen leiden. Er zijn namelijk ook tussenvarianten denkbaar waarin de vruchtgebruiker slechts gedeeltelijke vervreemdings- of verteringsbevoegdheid heeft, bijvoorbeeld de situatie dat vertering van het vermogen pas mag plaatsvinden als de vruchten uit het vermogen eerst zijn opgemaakt. Dergelijke tussenvarianten zijn lastig in te delen in één van beide categorieën. Daarom worden in het rapport als alternatieven genoemd het – conform de huidige systematiek - niet maken van onderscheid tussen vruchtgebruik met en zonder verterings- en vervreemdingsbevoegdheid of het defiscaliseren van onder meer de wettelijke verdeling. Deze alternatieven kennen ook nadelen.

Het niet maken van onderscheid kan door elk vruchtgebruik te waarderen als een vruchtgebruik met vervreemdings- en verteringsbevoegdheid. Dat is volgens het rapport onwenselijk, omdat de klassieke vruchtgebruiken op deze manier te hoog gewaardeerd worden. De vruchtgebruiker zou in zo’n geval belast worden voor het volledige rendement op het vermogen, terwijl alleen recht bestaat op de jaarlijkse inkomsten (de vruchten) en niet op de waardestijgingen. Als daarentegen elk vruchtgebruik zou worden gewaardeerd als een vruchtgebruik zonder vervreemdings- en verteringsbevoegdheid, is volgens het rapport het gevolg dat – door de lagere rente - het vruchtgebruik lager wordt gewaardeerd en de blote eigendom hoger dan onder de huidige rekenforfaits. Dat leidt volgens het rapport tot een hogere waardering van onderbedelingsvorderingen, terwijl die vordering in het economische verkeer niet of nauwelijks waarde heeft. Door geen onderscheid te maken tussen de verschillende typen komt de forfaitaire waardering van de onderbedelingsvordering volgens het rapport verder af te staan van de werkelijke waarde.

Deze aanvullende analyse leidt tot de volgende conclusies.

Zoals uiteengezet in paragraaf 4 van deze brief, worden de forfaits in de schenk- en erfbelasting gebruikt voor de waardering van diverse verkrijgingen. Een van de toepassingen betreft de verkrijging van een vruchtgebruik, en – de andere kant van de medaille – hetgeen onder de last van een vruchtgebruik wordt verkregen. Hoewel het begrip vruchtgebruik in de SW 1956 ruimer is dan het civielrechtelijke recht van vruchtgebruik, is de vraag naar onderscheid tussen vruchtgebruik met en zonder vervreemdings- en verteringsbevoegdheid daar wel toe beperkt.

Bij een recht van vruchtgebruik4 kan aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid zijn gegeven tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering van aan het vruchtgebruik onderworpen goederen. Kort gezegd houdt verteringsbevoegdheid in dat de vruchtgebruiker niet alleen recht heeft op het gebruik van en de jaarlijkse opbrengst (de vruchten) uit de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen (het vruchtgebruikvermogen) maar ook de bevoegdheid heeft om het vermogen op te maken. Vervreemdingsbevoegdheid houdt in deze context kort gezegd in dat de vruchtgebruiker de vermogensbestanddelen mag vervreemden om de opbrengst vervolgens te verteren. Hierna wordt kortheidshalve gesproken over vruchtgebruik met of zonder verteringsbevoegdheid. Theoretisch is het maken van onderscheid tussen vruchtgebruik met en zonder verteringsbevoegdheid niet onlogisch, omdat een dergelijke bevoegdheid van invloed kan zijn op de waarde. Maar – het rapport wijst hier terecht op – er zijn tussenvarianten mogelijk waardoor afbakeningsproblemen ontstaan. Te denken valt aan een vruchtgebruik waarbij een of meerdere voorwaarden aan de bevoegdheid tot vertering worden gesteld. Bijvoorbeeld dat de vruchtgebruiker pas gebruik mag maken van de verteringsbevoegdheid als diens inkomsten onder een bepaald niveau dalen, als de vruchtgebruiker geen overig vermogen meer heeft of slechts met toestemming van bepaalde personen. De vraag is of al deze tussenvarianten zonder meer zouden moeten vallen in de categorie vruchtgebruik met verteringsbevoegdheid terwijl sprake kan zijn van zodanige voorwaarden dat de variant meer lijkt op een klassiek vruchtgebruik zonder verteringsbevoegdheid. Als ondanks de afbakeningsproblemen toch gekozen zou worden voor een onderscheid tussen vruchtgebruik zonder verteringsbevoegdheid en vruchtgebruik met verteringsbevoegdheid speelt vervolgens de vraag of en zo ja, hoe deze bevoegdheden gewaardeerd kunnen worden.

Er is weinig literatuur voorhanden over de waardering van een vruchtgebruik met en zonder verteringsbevoegdheid. In de beperkte literatuur over dit onderwerp lijkt men voorstander te zijn van het maken van een onderscheid, maar wordt ook de onuitvoerbaarheid van een accurate kwantificering van een waarde benoemd.5 Ik deel de conclusie dat de waardering van deze bevoegdheden zo ingewikkeld is dat deze bevoegdheden niet goed zijn te waarderen. Dat is ook een belangrijke overweging om geen onderscheid in soorten vruchtgebruik te maken. Daarnaast wijs ik erop dat een “echt” vruchtgebruik - een vruchtgebruik in de civielrechtelijke betekenis - in de praktijk relatief weinig voorkomt. Het erfrecht dat van toepassing is als een overledene geen testament had, evenals veel zogenoemde langstlevende testamenten gaan uit van de wettelijke verdeling en in oudere testamenten de ouderlijke boedelverdeling.

Hierbij is van belang dat dit genot van een vordering niet eeuwigdurend is en in die zin ook niet vergelijkbaar met een eigendomsrecht.


  1. Kamerstukken II 2024/25, 32140, nr. 224, paragraaf 2.4.3.↩︎

  2. Hiervoor heeft Deloitte twee alternatieven onderzocht, namelijk:

    Het rendement gebaseerd op het advies van de Commissie Parameters;

    Het rendement gebaseerd op de huidige rendementspercentages in box 3 voor de categorie “overige bezittingen” en voor de categorie “banktegoeden”.

    Bij beide varianten zou het gaan om een fictieve vermogensmix gebaseerd op de door CBS gepubliceerde cijfers. De eerste variant heeft vervolgens de voorkeur van Deloitte vanwege het feit dat de gegevens wetenschappelijk zijn onderbouwd, een constante bron vormen en door experts zijn vastgesteld.↩︎

  3. Kamerstukken II 2024/25, 32140, nr. 224, paragraaf 3.4.↩︎

  4. Titel 8 van Boek 3 Burgerlijk Wetboek.↩︎

  5. Zie hiervoor bijvoorbeeld WFR 2019/234.

    “Kwantificering van een periodieke uitkering en van de verteringsbevoegdheid bij een vruchtgebruik”, M. van Oers en C.A.M. van Iersel, Fiscaal Tijdschrift Vermogen, 2022.↩︎