Overwogen opties voor dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in de liquidatieverliesregeling
Brief regering
Nummer: 2026D00758, datum: 2026-01-12, bijgewerkt: 2026-01-12 16:47, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën ()
Onderdeel van zaak 2026Z00304:
- Indiener: E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
Geachte voorzitter,
De leden Van Eijk (VVD) en Stultiens (GL-PvdA) hebben tijdens de behandeling van het pakket Belastingplan 2026 vragen gesteld over de door het kabinet overwogen opties om de derving het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 over de liquidatieverliesregeling (hierna: het Arrest) te dekken.1 Zij vroegen meer specifiek of het kabinet heeft overwogen de structurele derving van het Arrest in de liquidatieverliesregeling zelf te dekken en zo ja welke opties dat waren. In reactie heb ik toegezegd uw Kamer hierover per brief te informeren.2
Met deze brief kom ik aan mijn toezegging tegemoet. Ik ga eerst in op de liquidatieverliesregeling en vat het Arrest samen. Daarna licht ik de derving als gevolg van het Arrest toe. Vervolgens ga ik in op de opties die het kabinet heeft overwogen om de derving van het Arrest binnen de liquidatieverliesregeling te dekken. Het kabinet heeft in de periode kort na het Arrest een eerste inschatting gemaakt van verschillende opties. Daarbij sta ik op verzoek van het lid Stultiens extra stil bij de zogenoemde “voor-zover-benadering” en de zogenoemde “alles-of-niets-benadering”. Ik rond de brief af met een conclusie.
1. De liquidatieverliesregeling en de kern van het Arrest
1.1 De liquidatieverliesregeling op hoofdlijnen
De liquidatieverliesregeling is een uitzondering op de deelnemingsvrijstelling. De deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat economisch dubbele belastingheffing binnen een concern wordt voorkomen. De door de dochtermaatschappij (deelneming) uitgedeelde winsten worden door de werking van de deelnemingsvrijstelling niet nogmaals bij de moedermaatschappij belast. De toepassing van de deelnemingsvrijstelling op buitenlandse dochtermaatschappijen heeft tot gevolg dat de belastingdruk op de winst van de dochtermaatschappij in principe alleen wordt bepaald door de belastingdruk in het land waar de dochtermaatschappij is gevestigd. Daarmee worden Nederlandse bedrijven die in het buitenland actief zijn zoveel mogelijk in staat gesteld onder gelijke fiscale voorwaarden te concurreren met lokale bedrijven die aldaar gevestigd zijn. Onder de deelnemingsvrijstelling zijn winsten ontvangen van een binnenlandse of buitenlandse dochtervennootschap onder voorwaarden vrijgesteld, maar zijn ook verliezen niet aftrekbaar. Dit is een internationaal gebruikelijke methode en de Europese moederdochterrichtlijn is ook op een dergelijk uitgangspunt gebaseerd.3
Door de liquidatieverliesregeling is een (liquidatie)verlies op een deelneming onder voorwaarden wel aftrekbaar. De reden is dat het verlies niet meer bij die deelneming in mindering kan worden gebracht (en voorgoed verloren zou gaan). Het liquidatieverlies is het verschil tussen het voor de deelneming opgeofferde bedrag en de liquidatie-uitkering. De liquidatieverliesregeling is vanwege grote praktische bezwaren bewust zodanig opgezet dat voor de omvang van het te nemen liquidatieverlies geen koppeling bestaat met de omvang van bij de ontbonden dochter onverrekend gebleven verliezen.4 Anders gezegd, het uitgangspunt is het opgeofferde bedrag (de investering in de deelneming) door de (groep van) belastingplichtige waarbij het gehele recht op een liquidatieverlies bij de aandeelhouder vervalt indien rechtens sprake is van enig recht op een tegemoetkoming voor die verliezen. Het liquidatieverlies wordt eerst op het tijdstip waarop de vereffening van de deelneming is voltooid in aanmerking genomen. De liquidatieverliesregeling is de afgelopen jaren verschillende malen herzien en ingeperkt om oneigenlijk gebruik tegen te gaan.5
1.2 De kern van het Arrest
De belangrijkste feiten van het Arrest zijn als volgt. De belanghebbende, een Nederlandse naamloze vennootschap, hield indirect alle aandelen in twee Ierse deelnemingen, een Plc en een Ltd. In 2013 zijn de Plc en de Ltd geliquideerd. Bij de Plc resteerde een verlies, bij de Ltd een overschot. De Plc heeft tijdens haar bestaan gebruik gemaakt van de Ierse zogenoemde group-reliefregeling, op grond waarvan een groepsvennootschap een in een jaar geleden verlies kan overdragen aan een andere groepsvennootschap die in hetzelfde jaar winstgevend was. Daardoor wordt de winstbelasting bij Ltd lager en neemt haar waarde toe, hetgeen onbelast blijft bij de aandeelhouder. Plc heeft ruim € 115 miljoen van haar verlies overgedragen aan Ierse vennootschappen. Ten tijde van de voltooiing van de vereffening beschikte de Plc nog over afgerond € 110 miljoen aan niet-verrekende, en volgens de Ierse belastingdienst verder onverrekenbare, verliezen. De belanghebbende heeft voor de toepassing van de liquidatieverliesregeling uiteindelijk een liquidatieverlies van ruim € 202 miljoen in aanmerking genomen en dit bedrag als liquidatieverlies ten laste van de winst gebracht.
In geschil is of de vraag of toepassing van de Ierse group-reliefregeling aan toepassing van de liquidatieverliesregeling in de weg staat. De rechtbank en het gerechtshof beantwoorden deze vraag ontkennend en stellen de belastingplichtige in het gelijk. Ook de Hoge Raad oordeelt in het voordeel van de belastingplichtige dat de beoordeling of “geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming” moet worden uitgevoerd naar het tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid. De Hoge Raad oordeelt dat het daarbij om die reden niet zo kan zijn dat onder “enigerlei tegemoetkoming” mede de tegemoetkomingen vallen die zijn verkregen of hadden kunnen worden verkregen door toepassing van de Ierse group-reliefregeling voorafgaand aan het moment van liquidatie van de dochtervennootschap.6 De crux zit in het moment waarop wordt getoetst of van enigerlei tegemoetkoming sprake is.7
2. De derving als gevolg van het Arrest
De incidentele derving van het Arrest wordt ingeschat op € 840 miljoen. De structurele derving wordt ingeschat op € 65 miljoen per jaar. Bij de raming van dit bedrag gaat het om het volledige bedrag aan liquidatieverliezen dat in aanmerking genomen kan worden. In dit bedrag is ook het deel van de verliezen meegenomen waar al via een buitenlandse group relief op een eerder moment tegemoetkoming is gegeven. Op basis van het Arrest kunnen deze verliezen ook via de liquidatieverliesregeling meegenomen worden.
3. Overwogen dekkingsopties in de liquidatieverliesregeling
3.1 Achtergrond
In de begrotingsregels is vastgelegd dat de budgettaire gevolgen van gerechtelijke uitspraken meetellen voor het inkomstenkader. Het Arrest levert daarom een substantiële dekkingsopgave op. Het kabinet is om die reden op zoek gegaan naar dekking binnen de liquidatieverliesregeling zelf. Daartoe zijn de volgende opties op hoofdlijnen overwogen:
Optie 1: Afschaffen van de liquidatieverliesregeling.
Optie 2: De liquidatieverliesregeling beperken tot deelnemingen waarin de belastingplichtige een belang van ten minste 95% heeft.
Optie 3: De aftrek van het liquidatieverlies verlenen tot de omvang van de niet verrekende verliezen van de deelneming.
Optie 4: De aftrek van het liquidatieverlies verlenen voor het opgeofferde bedrag, voor zover geen sprake is of had kunnen zijn van verliesoverdracht binnen de groep (voor-zover-benadering).
Optie 5: Codificatie van het Besluit deelnemingsvrijstelling.
Optie 6: Het verlagen van de drempel van € 5 miljoen.
3.2 Optie 1 | Liquidatieverliesregeling afschaffen
De eerste optie die is onderzocht is of de liquidatieverliesregeling kan worden afgeschaft. Door afschaffing van de liquidatieverliesregeling kan een belastingplichtige niet langer een liquidatieverlies in aftrek brengen. Deze optie brengt wetstechnische vragen met zich mee, bijvoorbeeld over het al dan niet bieden van overgangsrecht en hoe om te gaan met de stakingsverliesregeling.
Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:
EU-rechtelijke aspecten: Het afschaffen van de liquidatieverliesregeling brengt een EU-rechtelijk risico met zich ten aanzien van verliezen die elders niet meer benut kunnen worden.
Budgettair: Het budgettaire belang van de liquidatieverliesregeling (inclusief de additionele derving als gevolg van het Arrest) wordt (zonder gedragseffecten) geschat op € 506 + € 65 = € 571 miljoen voor 2025.
Uitvoering: De liquidatieverliesregeling is een erg complexe regeling en afschaffing hiervan komt de uitvoering ten goede. Wel is het belangrijk te kijken naar overgangsrecht en de uitvoeringsgevolgen daarvan.
Vestigingsklimaat: Het afschaffen van de liquidatieverliesregeling heeft een negatieve impact op het binnenlandse ondernemingsklimaat voor zuiver binnenlandse situaties. Daarnaast wordt Nederland voor bedrijven die investeren in het buitenland minder aantrekkelijk dus een negatieve impact op het vestigingsklimaat.
3.3 Optie 2 | Liquidatieverliesregeling beperken tot belang van minstens 95%
De tweede optie die is onderzocht is of de liquidatieverliesregeling kan worden beperkt tot situaties waarin de belastingplichtige een belang heeft van ten minste 95% in de geliquideerde deelneming. Voor de huidige liquidatieverliesreling dient er sprake te zijn van een deelneming (dat wil zeggen in de regel een belang van ten minste 5%). Deze optie lost het probleem van dubbele verliesneming in grensoverschrijdende situaties niet op, maar beperkt wel het aantal aftrekbare liquidatieverliezen. Deze optie brengt wetstechnische vragen met zich mee, zoals het bieden van overgangsrecht en hoe de stakingsverliesregeling op een gelijke wijze kan worden vormgegeven.
Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:
EU-rechtelijke aspecten: neutraal ten opzichte van de huidige situatie.
Budgettair: De structurele opbrengst moet nog bepaald worden, maar deze wordt ingeschat in ordegrootte van € 30-50 miljoen per jaar. De resterende structurele derving wordt dan ingeschat op € 15-35 miljoen per jaar.
Uitvoering: Deze optie zou de uitvoering enigszins ten goede komen, omdat het aantal belastingplichtigen dat voor toepassing van de liquidatieverliesregeling in aanmerking komt daalt. Wel is het belangrijk te kijken naar overgangsrecht en de uitvoeringsgevolgen daarvan.
Vestigingsklimaat: Het beperken van de liquidatieverliesregeling heeft als gevolg dat belastingplichtigen in minder gevallen zijn toegestaan een liquidatieverlies in aanmerking te nemen. Dit heeft enerzijds een impact op het in aanmerking nemen van liquidatieverliezen in zuiver binnenlandse situaties en daarmee het binnenlandse ondernemingsklimaat. Anderzijds wordt Nederland voor bedrijven die investeren in het buitenland minder aantrekkelijk.
3.4 Optie 3 | Aansluiten bij de niet verrekende verliezen van de deelneming
De derde optie die is onderzocht is of voor de berekening van het liquidatieverlies kan worden aangesloten bij de niet verrekende verliezen van de deelneming. Deze optie betekent een fundamentele wijziging van de liquidatieverliesregeling, omdat de aansluiting met het “opgeofferde bedrag” wordt losgelaten. Om die reden brengt deze optie wetstechnische vragen met zich mee. Gedacht kan worden aan hoe om te gaan met een juridische mogelijkheid van verliesverrekening (of een consolidatieregime) versus het feitelijk hebben verrekend van verliezen en de invulling van de bewijspositie van belastingplichtigen.
Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:
EU-rechtelijke aspecten: deze optie is Europeesrechtelijk mogelijk.
Budgettair: Deze optie geeft naar voorlopige schatting een opbrengst van maximaal € 20-30 miljoen per jaar. Het aansluiten bij de niet verrekende verliezen van de deelneming ook kan leiden tot een groter in aanmerking te nemen liquidatieverlies. De resterende structurele derving wordt dan ingeschat op minimaal € 35-45 miljoen per jaar.
Uitvoering: Bij de vormgeving van de huidige liquidatieverliesregeling is om grote praktische (uitvoeringstechnische) bezwaren niet aangesloten bij de niet verrekende verliezen van de deelneming.8 Ook nu zullen deze praktische bezwaren gelden als wordt aangesloten bij de niet verrekende verliezen van de deelneming. Die bezwaren zijn sterker als de verliezen naar Nederlandse maatstaven moeten worden omgerekend.
Vestigingsklimaat: Aansluiten bij het niet verrekende verlies van de deelneming heeft als gevolg dat een belastingplichtige in Nederland nog steeds een liquidatieverlies in aftrek kan nemen. Dat is positief voor het vestigingsklimaat. Tegelijkertijd kan deze nieuwe systematiek leiden tot rechtsonzekerheid en discussies met de Belastingdienst, zeker als het verlies naar Nederlandse maatstaven moet worden bepaald.
3.5 Optie 4 | Introductie van een “voor-zover-benadering”
De vierde optie die is onderzocht is of voor de berekening van het liquidatieverlies een zogenoemde “voor-zover-benadering” kan worden geïntroduceerd. Dit betekent in beginsel dat de huidige wijze om het liquidatieverlies te berekenen (het opgeofferde bedrag minus de liquidatie-uitkering) blijft staan. In deze door het kabinet onderzochte optie wordt verrekening van het liquidatieverlies slechts toegestaan voor zover er geen sprake is geweest of had kunnen zijn van enigerlei tegemoetkoming (lees: verliesoverdracht) voorafgaand aan het tijdstip van de vereffening van de dochtermaatschappij. Deze optie brengt wetstechnische vragen met zich mee. Gedacht kan worden aan hoe om te gaan met een juridische mogelijkheid van verliesverrekening (of een consolidatieregime) versus het feitelijk hebben verrekend van verliezen.
Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:
EU-rechtelijke aspecten: In beginsel is deze voor-zover-benadering Europeesrechtelijk houdbaar, want het is hoogstwaarschijnlijk een proportionele wijze om dubbele verliesverrekening te voorkomen.
Budgettair: Deze optie geeft naar voorlopige schatting een opbrengst van € 20-30 miljoen. De voor-zover-benadering houdt in dat er nog steeds een liquidatieverlies in aftrek kan worden genomen. De resterende structurele derving wordt dan ingeschat op € 35-45 miljoen per jaar.
Uitvoering: Met deze optie zal de complexiteit van de al complexe liquidatieverliesregeling verder toenemen. Het omrekenen van verliezen naar Nederlandse maatstaven heeft grote impact op de uitvoeringsgevolgen.
Vestigingsklimaat: Deze optie heeft naar verwachting een beperkte negatieve impact op het vestigingsklimaat. Hoewel het nog steeds mogelijk is om een liquidatieverlies in aftrek te nemen, is de hoogte van dat verlies in voorkomende gevallen lager.
De “voor-zover-benadering” die het kabinet eerder heeft overwogen wijkt af van het amendement9 dat het lid Stultiens tijdens de behandeling van het pakket Belastingplan 2026 heeft ingediend. Aan de door het kabinet overwogen optie lag ten grondslag dat de buitenlandse verliezen worden omgerekend naar Nederlandse maatstaven. In het hiervoor genoemde amendement is niet voorzien in een omrekening van het buitenlandse verlies naar Nederlandse maatstaven en is in die zin wat minder complex dan de door het kabinet eerder onderzochte optie. Aangezien in verschillende bepalingen in de Wet Vpb wordt aangesloten bij omrekening naar Nederlandse maatstaven, is bij het onderzoeken van optie 4 vooral van dit uitgangspunt uitgegaan. Dit is echter geen noodzakelijk uitgangspunt. Ik heb het amendement van het lid Stultiens desalniettemin ontraden. Het kabinet onderzoekt momenteel een alternatieve dekkingsoplossing die ter internetconsultatie wordt aangeboden (ik verwijs ook naar onderdeel 4 van deze brief). Als bij de uitwerking blijkt dat een beter alternatief voorhanden is, kan dat eventueel worden heroverwogen. De in het amendement van het lid Stultiens voorgestelde “voor-zover-benadering” zou een optie tot heroverweging kunnen zijn. In het licht van de aangekondigde internetconsultatie vind ik het op dit moment te vroeg om daartoe over te gaan.10
3.6 Optie 5 | Codificatie van het Besluit deelnemingsvrijstelling
De vijfde optie die is onderzocht is of het huidige onderdeel 8.14.2 van het Besluit deelnemingsvrijstelling kan worden gecodificeerd. Dit betekent dat van enigerlei tegemoetkoming sprake is als de (buitenlandse) verliezen van de te liquideren deelneming zijn of hadden kunnen worden overgedragen aan een ander (concern)lichaam, dus gedurende het gehele bestaan van de deelneming tot en met het moment van het voltooien van de vereffening. Dat betekent dat het van toepassing (kunnen) zijn van bijvoorbeeld een group-reliefregeling zoals in het Arrest tot gevolg heeft dat aftrek van het liquidatieverlies niet mogelijk is. Ook bij deze optie spelen wetstechnische vragen, zoals de vraag met welke buitenlandse systemen rekening dient te worden gehouden en hoeveel jaar moet worden teruggekeken.
Daarnaast is deze optie op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:
EU-rechtelijke aspecten: Deze benadering lijkt op dit moment een Europeesrechtelijke risico met zich te brengen.
Budgettair: Deze optie geeft naar voorlopige schatting een opbrengst van € 50 miljoen. De aanpassing van het beoordelingstijdstip houdt in dat er nog steeds een liquidatieverlies in aftrek kan worden gebracht. De resterende structurele derving wordt ingeschat op € 15 miljoen per jaar.
Uitvoering: De gevolgen voor de uitvoering zijn relatief beperkt omdat deze optie blijft aansluiten bij de huidige ruwe en forfaitaire berekening van het liquidatieverlies. Wel is het ook hier mogelijk dat er vragen/rubrieken worden toegevoegd aan de aangifte waarvoor capaciteit en budget nodig zullen zijn (hoewel minder dan bij opties 3 en 4).
Vestigingsklimaat: Deze optie heeft een negatieve impact op het vestigingsklimaat, omdat in minder gevallen een liquidatieverlies kan worden geclaimd dan in de huidige situatie (na het Arrest). Het effect op het vestigingsklimaat is om die reden waarschijnlijk minder negatief dan de afschaffing van de liquidatieverliesregeling (optie 1), maar groter dan de voor-zover-benadering (optie 3), omdat hier sprake is van een ‘alles-of-niets-benadering’.
Tijdens de plenaire behandeling van het pakket Belastingplan 2026 heeft het lid Stultiens verzocht om in deze brief nader stil te staan bij de mogelijkheid om een alles-of-niets-benadering in de wet op te nemen. Op grond van de huidige wettekst komt, samengevat, een liquidatieverlies slechts in aftrek mits bij de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven. In feite kent de huidige wettekst van de liquidatieverliesregeling daarmee reeds een alles-of-niets-benadering. De crux zit derhalve in het moment waarop wordt getoetst of van enigerlei tegemoetkoming sprake is (zie onderdeel 1.2).11 Ter dekking van de structurele derving van het Arrest kan in dat kader de vraag op komen of het moment waarop enigerlei tegemoetkoming bestaat, naar voren kan worden gehaald. Hierbij kan worden gedacht aan een beperking van het in aftrek nemen van een liquidatieverlies indien in bijvoorbeeld in de vijf jaar voorafgaand aan de vereffening van de deelneming enigerlei tegemoetkoming voor niet-verrekende verliezen is genoten. Hoewel een voorzichtige eerste en grove inschatting is dat de structurele opbrengst van deze beperking in de ordergrootte van € 300 miljoen tot € 400 miljoen per jaar bedraagt, is het kabinet hier geen voorstander van vanwege de impact op het vestigingsklimaat en EU-rechtelijke vraagstukken.
3.8 Optie 6 | Het verlagen van de € 5 miljoen drempel
De zesde optie die is onderzocht is of de € 5 miljoen drempel kan worden verlaagd ter dekking van de budgettaire derving. Om de structurele derving van het Arrest te dekken, moet de franchise voor zowel de liquidatieverliesregeling als de stakingsverliesregeling worden verlaagd van € 5 miljoen naar € 700.000.
Er is uiteindelijk om verschillende redenen niet voor deze optie gekozen. Een verlaging van de drempel een (grote) verslechtering van het Nederlandse ondernemingsklimaat en het investeringsklimaat met zich brengt, omdat een groot aantal bedrijven, waarbij voor een groot deel ook het mkb, zal worden geraakt. Hierdoor treedt een herverdelingseffect op in het nadeel van het mkb. Bij eerdere aanpassing van de liquidatieverliesregeling 12 is in dit kader de drempel van € 1 miljoen juist verhoogd naar € 5 miljoen om het midden- en kleinbedrijf (mkb) te ontzien.13 Daarnaast wordt een toename van de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst en een toename van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven verwacht.
Ook is onderzocht in hoeverre deze drempel zou moeten worden verlaagd om samen met het eerder genoemde amendement van het lid Stultiens de structurele derving van het Arrest te dekken. De in het amendement van het lid Stultiens opgenomen voor-zover-benadering leidt op basis van een eerste inschatting tot een budgettaire opbrengst van € 25 miljoen. Om de resterende structurele derving van het Arrest van € 40 miljoen te dekken, zou de drempel van € 5 miljoen moeten worden verlaagd naar € 2 miljoen. Ook dit betreft een voorzichtige eerste inschatting. Het kabinet is dan ook geen voorstander van deze optie, onder meer vanwege de verwachtte negatieve impact op het bedrijfsleven, in het bijzonder het mkb.
4. Conclusie
Uit de in deze brief geschetste optie 2 tot en met 5 voor aanpassing van de liquidatieverliesregeling volgt dat deze niet leiden tot de benodigde budgettaire opbrengst om de gevolgen van het Arrest te dekken en ook niet tot een betere situatie in termen van EU-aspecten, uitvoerbaarheid en vestigingsklimaat dan wanneer de wet niet wordt gewijzigd (optie 6). Om die reden is nader onderzocht of de liquidatieverliesregeling in het geheel kan worden afgeschaft. Dit onder de veronderstelling dat daarbij ook een maatregel zou worden betrokken die een positieve impact heeft op het vestigingsklimaat, met als doel de negatieve impact van het afschaffen van de liquidatieverliesregeling te mitigeren. Uiteindelijk is niet besloten tot afschaffing van de liquidatieverliesregeling, omdat dit EU-rechtelijk een risico met zich brengt ten aanzien van verliezen die elders niet meer benut kunnen worden. Ook is niet gekozen voor het verlagen van de € 5 miljoen drempel naar € 700.000 (noch naar € 2 miljoen in combinatie met het door het lid Stultiens ingediende amendement), vanwege de grote verslechtering van het Nederlands ondernemingsklimaat en het investeringsklimaat die dit met zich brengt en de daarmee gepaard gaande herverdeling naar het mkb.
Omdat aanpassing binnen de liquidatieverliesregeling niet eenvoudig mogelijk was gegeven deze randvoorwaarden stelt het kabinet voor om de structurele derving van het Arrest te dekken door met ingang van 1 januari 2027 de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht aan te passen.14 Het kabinet werkt momenteel een concept wettekst en toelichting uit en verwacht deze teksten aan het begin van dit jaar ter internetconsultatie aan te bieden. Belangstellenden zijn van harte uitgenodigd om te reageren. Het kabinet herhaalt daarbij de opmerking dat ook dit voorstel zal worden getoetst op uitvoerbaarheid en vestigingsklimaat. Als in de uitwerking blijkt dat een beter alternatief voorhanden is, kan deze maatregel worden heroverwogen.
Hoogachtend,
| de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit, Belastingdienst en
Douane, Eugène Heijnen |
|
|---|---|
Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.↩︎
Handelingen II 2025/26, nr. 17, item 19, p. 34.↩︎
Richtlijn (EU) 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale
regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten PbEU 2011, L345/8.↩︎
Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 22, p. 29 rechterkolom↩︎
Zie bijvoorbeeld de Wet beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling (Stb. 202, 539).↩︎
Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417, rechtsoverweging 3.3.1.↩︎
Zie ook: Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 16, p. 115.↩︎
Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 22, p. 29 rechterkolom.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 69.↩︎
Handelingen II 2025/26, nr. 17, item 19, p. 36-37.↩︎
Zie ook: Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 16, p. 115.↩︎
Initiatiefwetsvoorstel Wet aanpassing liquidatie- en stakingsverliesregeling in de vennootschapsbelasting, 16 april 2019, van de leden Snels (GroenLinks), Leijten (SP) en Nijboer (PvdA).↩︎
Kamerstukken II 2020/21, 35568, nr. 3, p. 15.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36800, nr. 1, p. 48.↩︎