[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Antwoord op vragen van de leden Tony van Dijck, Maeijer en De Roon over de brief over invulling van de motie militaire steun aan Oekraïne

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D00768, datum: 2026-01-12, bijgewerkt: 2026-01-12 17:08, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2025Z21792:

Preview document (🔗 origineel)


> Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag

de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Bezuidenhoutseweg 67

2594 AC Den Haag

Datum 12 januari 2026
Betreft Beantwoording schriftelijke vragen PVV over invulling van de motie militaire steun aan Oekraïne

Ministerie van Defensie

Plein 4

MPC 58 B

Postbus 20701

2500 ES Den Haag

www.defensie.nl

Onze referentie

MINDEF20250047981

Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.

Geachte voorzitter,

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen van de PVV over de brief invulling van de motie militaire steun aan Oekraïne.

Hoogachtend,

DE MINISTER VAN DEFENSIE

Ruben Brekelmans

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Gijs Tuinman

  1. Kunt u alsnog expliciet en uitgebreid ingaan op de niet in de brief gedeelde informatie met betrekking tot artikel 3.1 CW 2016, inzake a) de doelstellingen, de doeltreffendheid en de doelmatigheid die worden nagestreefd; b) de beleidsinstrumenten die worden ingezet; c) de financiële gevolgen voor het Rijk en, waar mogelijk, de financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren? Zo nee, waarom niet? [1]

Antwoord: De maatregelen betreffen een voortzetting van het huidige Oekraïne steunbeleid en wijken daarmee niet af van de artikel 3.1 CW overwegingen die eerder met uw Kamer zijn gedeeld, als bijlage van de periodieke leveringenbrief (kenmerk 22054-463, dd. 11 september 2025). In deze bijlage komt naar voren dat het ingezette beleidsinstrument de levering van militair materieel betreft, de nota van wijziging zet dit beleid voort.

  1. Waaruit bestaat de 500 miljoen euro aan verwachte onderuitputting in 2025? In hoeverre is deze onderuitputting een zekerheid?

Antwoord: De verwachte onderbesteding van € 500 miljoen heeft betrekking op hoofdstuk K, het defensiematerieelfonds. Deze verwachting is gebaseerd op lagere valutakoersen dan waarop gepland is (ca. € 250 miljoen.) en vertraging op meerdere reguliere defensieprojecten a.g.v. externe factoren. Beide categorieën van onderbesteding kenden een hoge mate van zekerheid. Voor dit fonds geldt een onbeperkte eindejaarsmarge. Dit betekent dat de middelen naar volgend jaar kunnen worden geschoven waardoor de onderrealisatie beschikbaar. Hierdoor zal er geen vertraging of afstel van behoeften en/of projecten uit het DMF ontstaan in 2026 of latere jaren. Genoemde bedragen zijn afgerond op hele miljoenen. Uw Kamer wordt bij Slotwet geïnformeerd over de werkelijke realisatie en onderbesteding

  1. Welke reguliere defensieprojecten hebben als gevolg van externe factoren vertraging opgelopen en waarom? Wat zijn de concrete gevolgen hiervan?

Antwoord: De voortgang van individuele projecten, eventuele vertragingen en andere wijzigingen op de lopende projecten zullen door Defensie zoals gebruikelijk worden gerapporteerd in het Defensie Projecten Overzicht (DPO) van mei 2026.

  1. Hoe groot is de kans op toekomstige tegenvallers? Zijn er al tegenvallers met een zekere mate van waarschijnlijkheid te voorzien? Zo ja, waarop en hoeveel?

Antwoord: Het aanwenden van onderuitputting ten behoeve van steun aan Oekraïne betekent dat deze onderuitputting niet beschikbaar is voor het invullen van de in=uittaakstelling [2], waardoor in de toekomst eerder tegenvallers kunnen ontstaan. Het kabinet heeft nog geen exacte inschatting van toekomstige tegenvallers. Bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk zal dit duidelijk worden.

  1. In de nota van wijziging schrijft u dat er wordt gekeken naar het Nederlandse en Oekraïense bedrijfsleven voor respectievelijk 300 miljoen en 400 miljoen; hoe is deze verdeling tot stand gekomen? [3]

Antwoord: De invulling en verdeling is tot stand gekomen op basis van een inventarisatie welk materieel op zeer korte termijn beschikbaar was, voor zowel contractering als levering. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar de betrokkenheid en de opbouw van de Nederlandse defensie-productieketen en het Oekraïense bedrijfsleven conform de moties 36045, nr. 243 en de motie 21501-20, nr. 2286.

  1. Waar zal de 700 miljoen exact aan worden uitgegeven? Welke contracten worden met welke bedrijven voor welke orders getekend?

Antwoord: Omwille van commerciële vertrouwelijkheid doet Defensie geen uitspraken over de precieze besteding van deze middelen. Uw Kamer wordt geïnformeerd over het aan Oekraïne geleverd materieel middels periodieke leveringenbrieven.

  1. Op welke manier exact garandeert u dat de 400 miljoen voor het Oekraïense bedrijfsleven doelmatig besteed wordt en bovendien niet ten prooi valt aan corruptie?

Antwoord: Directe aanschaf in Oekraïne gebeurt op basis van het Nederlandse model. De Nederlandse procedure omvat een gegronde controle van elk Oekraïens bedrijf door de Audit Dienst Rijk (ADR). Deze regels en procedures nemen tijd in beslag en vereisen toegang tot informatie over bijvoorbeeld de prijsopbouw en winstmarges van de voorgenomen verwerving. Dit Government to Business-model zorgt ervoor dat er geen tussenkomst is van overheidsfunctionarissen bij de totstandkoming van contracten. Bij het Nederlandse model van directe samenwerking met de Oekraïense industrie, is Nederland zelf verantwoordelijk voor het uitonderhandelen en overeenkomen van een contract met een Oekraïense leverancier. Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten met NATO-trusted partners waarbij het partnerland de verwerving doet; Nederland vertrouwt in dat geval op de procedures van bondgenoten.

  1. In de brief wordt gesproken over het spoedeisende karakter als reden om een beroep te doen op artikel 2.27, tweede lid CW 2016; waaruit blijkt dit spoedeisende karakter? Waarom kon deze uitgave niet een week later, na stemming over de najaarsnota, plaatsvinden?

Antwoord: Uw Kamer heeft het kabinet verzocht om aanvullende militaire Oekraïnesteun beschikbaar te stellen. Het kabinet heeft ervoor gekozen om invulling te geven aan deze motie door in 2025 versneld 700 miljoen euro beschikbaar te stellen om te waarborgen dat de steun aan Oekraïne voorgezet wordt.

De stemming over de 2e suppletoire begroting 2025 van de Defensiebegroting, waarin de 700 miljoen euro is verwerkt, in de Tweede Kamer stond echter pas gepland op 18 december. Zonder het toepassen van artikel CW 2.27 tweede lid zouden de overeenkomsten pas na autorisatie van zowel de Tweede als de Eerste Kamer rechtmatig kunnen worden aangegaan. Daarmee zou het niet mogelijk zijn om nog in 2025 invulling te geven aan de oproep van uw Kamer. Door een beroep te doen op artikel CW 2.27 tweede lid heeft het kabinet getracht uw Kamer juist en tijdig te informeren over de wijze waarop het kabinet een eerste stap zet in de invulling aan de door uw Kamer aangenomen motie [4]. Op 9 december heeft uw Kamer aangegeven dat zij zich deugdelijk geïnformeerd acht.

  1. De Kamer mag de onderuitputting niet gebruiken voor extra uitgaven, maar waarom mag u dit wel? Hoeveel van de resterende onderuitputting kan nog worden gebruikt?

Antwoord: In aanvulling op het antwoord op vraag 4 is ervoor gekozen om de onderuitputting anders aan te wenden dan het invullen van de in=uittaakstelling. Hiermee kiest het kabinet ervoor om opvolging te geven aan de motie van de Kamer. Bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk zal de definitieve onderuitputting over 2025 duidelijk worden.

  1. Kamerstuk 36 045 nr. 261

  2. Om te voorkomen dat in het volgende jaar het Rijksbrede uitgavenkader wordt overschreden door de uitkering van de eindejaarsmarge aan de departementen en fondsen, wordt door het ministerie van Financiën tegelijkertijd een even grote taakstelling ingeboekt, de zogenoemde in=uittaakstelling.

  3. Kamerstuk 36 850 X, nr. 4

  4. Kamerstuk 36 045 nr. 243