Amendement van het lid Grinwis c.s. ter vervanging van nr. 7 over het niet belasten van vervreemdingsvoordelen bij NSW-landgoederen
Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3)
Amendement (gewijzigd/nader/vervangend)
Nummer: 2026D02059, datum: 2026-01-19, bijgewerkt: 2026-01-19 17:40, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.A. Grinwis, Tweede Kamerlid (ChristenUnie)
- Mede ondertekenaar: C. Stoffer, Tweede Kamerlid (SGP)
- Mede ondertekenaar: H. Vermeer, Tweede Kamerlid (BBB)
Onderdeel van kamerstukdossier 36748 -12 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3).
Onderdeel van zaak 2026Z00845:
- Indiener: P.A. Grinwis, Tweede Kamerlid
- Medeindiener: H. Vermeer, Tweede Kamerlid
- Medeindiener: C. Stoffer, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
| TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL | 2 | |
| Vergaderjaar 2025-2026 | ||
| 36 748 | Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3) | |
| Nr. 12 | gewijzigd AMENDEMENT VAN HET LID Grinwis C.s. TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 7 | |
| Ontvangen 19 januari 2026 | ||
| De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor: | ||
I
Na artikel I wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL IA
Na artikel 5.21 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 5.21a. Vervreemdingsvoordelen gebouwd eigendom landgoed
1. Onder vervreemdingsvoordelen wordt niet verstaan het voordeel dat wordt behaald bij een verkrijging krachtens erfrecht of schenking van gebouwde eigendommen als bedoeld in artikel 5.54, eerste lid, onder c, die deel uitmaken van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, mits dat landgoed en de op dat landgoed voorkomende gebouwde eigendommen na de vervreemding gedurende een tijdvak van ten minste 25 jaren als landgoed in stand gehouden worden.
2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien in de aangifte de waarde in het economische verkeer en de waarde, bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van de Wet waardering onroerende zaken van de betreffende gebouwde eigendommen wordt opgegeven.
3. Indien in afwijking van het eerste lid binnen het tijdvak van 25 jaren, zich een van de in artikel 3, derde, vierde en zevende lid, van de Natuurschoonwet 1928 genoemde gevallen voordoet, worden de vervreemdingsvoordelen in aanmerking genomen bij de vervreemder. Artikel 3, tweede lid, van de Natuurschoonwet 1928 is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien een van de in het derde lid bedoelde gevallen zich voordoet met betrekking tot een gedeelte van het op dat landgoed voorkomende gebouwde eigendom is het vervreemdingsvoordeel gelijk aan het overeenkomstig het derde lid berekende bedrag vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de waarde van het betrokken gedeelte van het op dat landgoed voorkomende gebouwde eigendom en de noemer gelijk is aan de waarde van het gehele gebouwde eigendom. Voor de in de vorige volzin bedoelde waarde van het betrokken gedeelte van het gebouwde eigendom respectievelijk het gehele gebouwde eigendom wordt in aanmerking genomen de waarde in het economische verkeer op het moment dat zich een van de in het derde lid bedoelde gevallen zich voordoet.
5. Op de vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het derde lid blijft Hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 van toepassing. De aldaar bedoelde rente wordt evenwel slechts in rekening gebracht over en tegelijk met de belasting, die op grond van het derde lid alsnog verschuldigd is.
6. Onze Minister kan in bijzondere gevallen beslissen, dat het tweede, derde, vierde en vijfde lid, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.
II
In artikel VII wordt na “artikel IX” telkens ingevoegd “, eerste lid,”.
III
Artikel IX wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst.
2. In het eerste lid (nieuw) wordt na “treedt” ingevoegd “, met uitzondering van artikel IA”.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Artikel IA treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Toelichting
Dit amendement regelt dat bij de overdracht in de vorm van vererving of schenking van een landgoed dat valt onder de Natuurschoonwet 1928 (NSW-landgoed) de te betalen box 3-belasting over het indirecte rendement, onder voorbehoud, niet wordt belast. Indieners zijn van mening dat NSW-landgoederen van grote maatschappelijke waarde zijn. Zij dragen bij aan de instandhouding van ons cultureel erfgoed en cultuurlandschap, zorgen voor het behoud van natuur en biodiversiteit, en vormen voor veel mensen een belangrijke bron van recreatie. Om deze en andere redenen wordt het voortbestaan van dit type landgoederen dan ook bevorderd door de Natuurschoonwet 1928. Deze wet bevordert het behoud van natuur en bevordert de openstelling van deze natuurgebieden voor het publiek, en voorziet daartoe onder andere in vrijstellingen in de overdrachtsbelasting of het successierecht met het oog op het behoud van deze landgoederen.
De Wet werkelijk rendement doet afbreuk aan de geest van de Natuurschoonwet 1928, daar bij vererving of schenking vermogenswinstbelasting betaald moet worden over de waardestijging. Hiervoor introduceert dit amendement een vrijstelling. Indieners sluiten hierbij aan bij de systematiek van de bestaande instandhoudingseis van art. 8 Natuurschoonwet 1928, waar geldt dat de belasting alsnog moet worden betaald als een landgoed binnen 25 jaar na verkrijging ervan zijn NSW-status verliest. Concreet betekent dit dat, zolang geldt dat de NSW-status behouden blijft, de belasting over de waardestijging van de gebouwen niet hoeft te worden voldaan. Mocht de NSW-status komen te vervallen dan dient de vermogenswinstbelasting over de waardestijging met terugwerkende kracht in zijn geheel te worden voldaan.
Omdat indieners niet willen dat dit amendement interfereert met de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement Box 3, hebben zij een extra bepaling ingevoegd waardoor het amendement pas van kracht wordt op een door het kabinet bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip.
Grinwis
Stoffer
Vermeer